<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR301042_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">waterschapsblad</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening verontreinigingsheffing
                            Waterschap Vallei en Veluwe 2013’.</vet></al><al>Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe;</al><al>op voordracht van de voorbereidingscommissie van Waterschap Vallei en Veluwe
                        van 11 december 2012,</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 7 van de Waterwet;</al><al><vet><cursief>B e s l u i t :</cursief></vet></al><al>vast te stellen:</al><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013’
                    </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien
                                waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet is
                                aangewezen als beheerder<vet>, </vet>met uitzondering van de gronden
                                die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als
                                drogere oevergebieden;</al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                vuilwaterriool;</al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                                transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of
                                een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is
                                belast;</al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                                afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel
                                een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de
                                zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het
                                bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk
                                afvalwater;</al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of
                                ander afvalwater;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                                van GBLT aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li><li nr="o."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
                                Lococensus – Tricijn te Zwolle handelend voor het beheersgebied van
                                het waterschap onder de naam Tricijn belastingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                        berekening;</al><al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel 122k,
                        derde lid, van de Waterschapswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                            geheven ter zake van lozen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                                    zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene
                                    die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                    aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met de
                                    heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op
                                    degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte
                                    voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                    die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte
                                    ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig
                                    te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                    gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                            bekostiging van het beheer van het watersysteem door het
                            waterschap;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool;</al></li><li nr="b."><al>het lozen door het waterschap zelf;</al></li><li nr="c."><al>het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch werk
                                anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen
                                niet is toegenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 18 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de
                            voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang
                            van de heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                            lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor
                            dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige in de loop van het heffingsjaar het gebruik van een
                            woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een
                            woonruimte die eveneens in het gebied van waterschap Vallei en Veluwe
                            ligt en er vanuit de nieuwe woonruimte eveneens wordt geloosd als
                            bedoeld in artikel 1 onder c. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aangifte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers
                                van bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in het derde lid, onderdeel b.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op verzoek van degene die op de wijze, bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de
                                ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></li><li nr="3."><al>Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        betreffende programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien het derde lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de
                                eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of
                                toegezonden. De via de programmatuur, bedoeld in laatstgenoemd
                                onderdeel b, toe te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn
                                inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel ingeleverd
                                hadden moeten worden als voor de aangifte als bedoeld in het derde
                                lid, onderdeel a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>(ongebruikt)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                            koper, lood, nikkel, zink, arseen, kwik en cadmiumwordt bepaald op
                            basis van de geloosde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in
                            Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt
                            een in het heffingsjaar geloosde gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                                    zink;</al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de
                            heffing onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            11.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van
                            het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                                    opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde
                                    lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van
                                    de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                            Deze beschikking bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                            afgeweken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                            vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt
                            genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                            in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek
                            dienen te worden betrokken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                            etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                            daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                            herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld
                            tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd beschikkingen als bedoeld
                            in lid 1 van dit artikel op één geschrift samen te voegen met
                            beschikkingen die hij neemt op grond van artikel 10, lid 5, mits die
                            beschikkingen betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                            bedrijfsonderdeel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van het
                            voorschrift, opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                            het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                            bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij:</al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem
                                nader vast te stellen wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3b, vijfde
                                lid, van de Waterwet bepaald met toepassing van de algemene
                                maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van
                                de Waterschapswet.</al></li><li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 10, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente
                                opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis
                                van het tweede lid.</al></li><li nr="2"><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3"><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></li><li nr="4"><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Franchise</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                            zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                            vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De
                            aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                            zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot
                            en met 13, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een
                            aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden
                            niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door
                            het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen,
                            als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met 13, te
                            vermenigvuldigen met 0,0027.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Meetverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                            vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel
                            10:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom,
                                    koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, tenzij de
                                    ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                    artikel 15, eerste lid bedoelde aftrek te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                                    cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met
                                    de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden
                                    met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, tweede lid,
                                    bedoelde aftrek te boven gaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                            bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 10:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom,
                                    koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                    artikel 15, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                                    cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot deze stoffen de in artikel 15, tweede lid,
                                    bedoelde aftrek niet te boven gaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10
                        tot en met 16, voorzover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd
                            gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige
                            aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                            vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid
                            of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de
                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één
                            vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op
                            vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het
                            heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van
                            het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                            heffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd, wordt gesteld op
                            één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                            gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar,
                            wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                            ingang van de eerste dag die volgt op de dag waarop die situatie is
                            ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening
                            van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige
                            moet daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                            heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Schatting</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, eerste of vijfde lid, 14, eerste lid, 18,
                                eerste lid, of 19, eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                                heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als
                                bedoeld in dat artikel is gedaan:</al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 48,54 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Belastingaanslagen en beschikkingen inzake een bestuurlijke boete
                            dienen, met in achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, te
                            worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening
                            van de aanslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Belastingaanslagen waarvan de dagtekening in het desbetreffende
                            heffingsjaar ligt en waarvoor de heffingschuldige een machtiging heeft
                            afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso,
                            dienen te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er
                            na de dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende heffingsjaar
                            volle danwel gedeeltelijke kalendermaanden resteren, met dien verstande
                            dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder dan twee bedraagt.
                            Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 2 neergelegde
                            hoofdregel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het bepaalde in lid 3 van dit artikel geldt als restrictie dat het
                            bedrag per afschrijving op het totaalbedrag van het desbetreffende
                            aanslagbiljet niet minder dan € 5,00 bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking tot de
                        heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de verontreinigingsheffing wordt geen kwijtschelding
                        verleend met uitzondering van aanslagen voor woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Niet opleggen van aanslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem
                                2012’, vastgesteld bij besluit van 23 november 2011 en de
                                ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Veluwe 2012’,
                                vastgesteld bij besluit van 30 november 2011, worden ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing. Zij blijven van toepassing op belastbare feiten die zich
                                voor die datum hebben voorgedaan, met uitzondering van het bepaalde
                                in artikel 22 van beide verordeningen. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                volgende op die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013’.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering op 2 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>mr. G.P. Dalhuisen ir. G. Verwolf</ondertekening><ondertekening>secretaris dijkgraaf</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>