<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300988_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-03-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">huis- aan huisbladen deelnemende gemeenten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 20, eerste lid IOAZ;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-08-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling “Regionale Dienst
                        Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI)” </al><al>gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur, </al><al>gelet op het advies van het MT van de RDWI, </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/><al><vet>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>IOAW:</onderstreept> Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                    werknemers;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>IOAZ:</onderstreept> Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                    zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>De IOAW/IOAZ:</onderstreept> de IOAW alsmede de
                                    IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing
                                    zijn;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>Uitkering:</onderstreept> de uitkering, bedoeld in
                                    artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Uitkeringsnorm:</onderstreept> de op
                                    belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld in
                                    artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>Maatregel:</onderstreept> het verlagen van de
                                    uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en
                                    artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk
                                    (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel
                                    20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>Inkomen:</onderstreept> inkomen als bedoeld in
                                    artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>Belanghebbende:</onderstreept> hij die een
                                    uitkering op grond van de IOAW heeft aangevraagd of die recht op
                                    een uitkering op grond van de IOAW heeft, voor zover hij is
                                    aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die een
                                    aanvraag heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op
                                    grond van de IOAZ;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>De gemeenten:</onderstreept> alle aan de
                                    gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en Inkomen
                                    Kromme Rijn Heuvelrug deelnemende gemeenten;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>Het algemeen bestuur:</onderstreept> het algemeen
                                    bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk
                                    en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug; </al></li><li nr="k."><al><onderstreept>Het dagelijks bestuur:</onderstreept> het
                                    dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale
                                    Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur een
                            verplichting als bedoeld in artikel 13, lid 2 en 4, IOAW/IOAZ of een op
                            grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichting schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een
                            maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien
                            belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                            de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het dagelijks bestuur zeer
                            ernstig misdraagt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het
                            bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd </al><al>en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                            standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of </al></li><li nr="c."><al>het dagelijks bestuur het horen niet noodzakelijk acht voor
                                        het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid. </al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het dagelijks bestuur heeft
                                            plaatsgevonden</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een
                                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                    Omstandigheden die het rechtstreekse gevolg zijn van een als
                                    verwijtbaar aan te merken gedraging zijn geen dringende redenen.
                                </al></li><li nr="3."><al>Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een
                                    maatregel op grond van dringende redenen, wordt de
                                    belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende uitkeringsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 13, lid 2 en 4
                                IOAW/IOAZ en hoofdstuk III IOAW/IOAZ , wordt één maatregel opgelegd.
                                Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van
                                verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in artikel 13, lid 2 en 4, IOAW/IOAZ en
                                hoofdstuuk III IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen
                                worden gelijktijdig opgelegd, bij elkaar opgeteld met een maximale
                                verlaging van 100% van de uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van een in
                                deze verordening genoemde verplichting en van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 IOAW/IOAZ, wordt geen verlaging
                                opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 20, tweede lid IOAW/IOAZ worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Eerste categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het desgevraagd niet terstond inzage verstrekken van een
                                            geldig identiteitsbewijs.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><onderstreept>Tweede categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet, niet ijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                            medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid
                                            IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>Het niet voldoen aan een oproep om, in verband met de
                                            arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te
                                            verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>Derde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            dagelijks bestuur</al><al> aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                            waaronder begrepen sociale </al><al> activering, als dit niet heeft geleid tot het geen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige </al><al> beëindiging van het re-integratie traject.</al></li><li nr="d."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft
                                            geled tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht zoals bedoeld in artikel 38 lid 5
                                            IOAW/IOAZ</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><onderstreept>Vierde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen of behouden van
                                            een voorliggende voorziening</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar demogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
                                        </al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            dagelijks bestuuraangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering, als dit wel heeft geleid tot het geen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het
                                            re-integratie traject. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    vierde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr></kop><al><vet>Waarschuwing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een maatregelwaardige gedraging kan het dagelijks bestuur
                                    besluiten een waarschuwing op te leggen, indien de
                                    belanghebbende de afgelopen twee jaar geen waarschuwing heeft
                                    gehad. De datum van de beschikking van de vorige waarschuwing is
                                    hiervoor bepalend. Deze waarschuwing telt mee voor de
                                    vaststelling van recidive.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is alleen van toepassingen op een gedraging zoals
                                    genoemd bij punt a. van de eerste categorie uit artikel 10.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het dagelijks bestuur een
                                maatregel op van vijftig procent van de uitkeringsnorm, indien
                                belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het dagelijks
                                bestuur of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. De eerste maal
                                dat de cliënt zich tot deze gedragingen verlaagt, zal indien er
                                cursusplaatsen beschikbaar zijn, de mogelijkheid worden geboden tot
                                het volgen van een gedragscursus gericht op het voorkomen van
                                dergelijke gedragingen. Bij succesvolle deelnamen zal de hoogte van
                                de maatregel, genoemd in dit lid worden gehalveerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><al>Onder gedragingen als bedoeld in de tweede categorie uit artikel 10
                            wordt mede verstaan: het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel
                            37 lid 1 onderdeel f IOAW/IOAZ;</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een beleidsplan vast waarin onder
                            meer is opgenomen het te voeren beleid op het gebied van handhaving,
                            bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend na
                            bekendmaking van dit besluit. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ 2013”. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke
                        regeling “Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug ” in zijn
                        openbare vergadering van 27 februari 2013. </ondertekening><ondertekening>De secretaris, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING </titel></kop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de
                    inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een
                    grotere beleidsmatige rol en </al><al>financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en
                    Bbz2004. </al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                    financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari
                    2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, </al><al>zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden
                    de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het
                    volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de
                    bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus
                    een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico. </al><al>Opmerking: </al><al>Niet gebundeld met het I-deel is de financiering van de kosten van
                    levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen en voor van
                    bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft aparte financiering
                    bestaan. </al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. </al><al>De huidige verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en
                    IOAZ. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de
                    nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen.
                    Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente in een bij
                    verordening vastgelegd beleid te voorzien. </al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en
                    IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. </al><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht</vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de IOAW en
                    IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                    komt in de plaats van de verlaging van de uitkering IOAW/IOAZ.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                        omschrijvingen verdient enige extra aandacht. </al><al><onderstreept>Onder c. de IOAW/IOAZ </onderstreept></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu
                        een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering
                        en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke
                        afzonderlijke wet verwezen moet worden. </al><al><onderstreept>Onder e. uitkeringsnorm </onderstreept></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem
                        in de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren
                        dat verwijst naar een netto norm. </al><al><onderstreept>Onder f. maatregel </onderstreept></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                        weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt.
                        Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                        vlak. </al><al><onderstreept>Onder g. inkomen </onderstreept></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW
                        en IOAZ. </al><al>Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip. </al><al><onderstreept>Onder i. belanghebbende </onderstreept></al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het
                        opleggen van een maatregel, blijkens dat artikel,daar enkel gelden voor de
                        persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip
                        belanghebbende begrip in die zin ingeperkt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel
                        20, tweede lid IOAW. </al><al>Een overtreding van de inlichtingenplicht (artikel 13 lid 1 IOAW/IOAZ) valt
                        niet onder deze verordening en leidt dus niet tot een maatregel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de
                        duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen
                        dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden
                        aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier
                        een algemene uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder geval in het besluit wordt
                        vermeld. De eisen vloeien rechtstreeks voort uit de bepalingen in de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreffende het motiveringsbeginsel. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder meer in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12).</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Ontbreekt de verwijtbaarheid bij belanghebbende, dan kan geen maatregel
                        worden opgelegd. Deze situatie is bijvoorbeeld denkbaar als belanghebbende
                        naar aanleiding van een oproep ergens had moeten verschijnen maar als gevolg
                        van een ziekte of een ongeval niet aan de oproep kon voldoen en ook niet in
                        de gelegenheid was zich tijdig af te melden. Er is geen keuzevrijheid:
                        ontbreekt de verwijtbaarheid, dan wordt geen maatregel opgelegd en dus ook
                        geen waarschuwing.</al><al>Wat onder dringende redenen moet worden verstaan wordt niet nader
                        omschreven. Uit de schaarse jurisprudentie over dit begrip komt naar voren
                        dat sprake moet zijn van een situatie waarin oplegging van de maatregel
                        leidt tot onafwendbare ernstige psychische of lichamelijke problemen bij
                        belanghebbende, die een levens-bedreigende situatie tot gevolg zouden
                        hebben.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder 2
                        geregeld dat het dagelijks bestuur geen maatregelen opgelegd voor
                        gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur afziet
                        van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                        verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan
                        tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand
                        terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel
                        wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                        uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringssnorm.</al><al>In situaties waarin de maatregel niet in de eerstvolgende maand(en) kan
                        worden opgelegd, moet de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd.
                        Uit jurisprudentie van de Raad blijkt dat dit mogelijk is tot het moment
                        waarop de gedraging plaatsgevonden heeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. Er wordt voor gekozen om bij samenloop van
                        verschillende maatregelwaardige gedragingen de hoogte van de op te leggen
                        maatregelen bij elkaar op te tellen en de uitkering met het opgetelde
                        percentage te verlagen. Indien er sprake is van schending van meerdere
                        verplichtingen door één gedraging dan wordt de schending waarop de zwaarste
                        maatregel van toepassing bestraft.</al><al>Bij samenloop van een maatregelwaardige gedraging met een overtreding van de
                        inlichtingenplicht wordt er geen verlaging toegepast, maar zal er een
                        boetebeoordeling plaatsvinden ivm de overtreding van de
                        inlichtingenplicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>De gedragingen genoemd in dit artikel komen zoveel mogelijk overeen met de
                        WWB maatregelenverordening. Dit vanwege de uniformiteit. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Ook hier is aangesloten bij de WWB maatregelenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Bij een eerste maatregelwaardige gedraging behorend tot de eerste categorie
                        kan een waarschuwing worden opgelegd. Een waarschuwing kan alleen worden
                        opgelegd indien belanghebbende zich niet tijdig heeft in laten schrijven bij
                        het UWV WERKbedrijf of deze inschrijving niet of niet tijdig is
                        verlengd.</al><al><vet>Artikle 13</vet></al><al>Deze bepalingen zijn nagenoeg identiek aan de bepalingen binnen de WWB
                        maatregelenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Dit artikel regelt de mogelijkheid om een maatregel op te leggen als er
                        sprake is van het niet of onvoldoende verrichten van een opgedragen
                        tegenprestatie naar vermogen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Dit artikelverwijst naar het beleidsplan WWB waarin de regels voor de
                        bestrijding van het ten onrechte ontvangen van uitkering zijn opgenomen. Het
                        gaat hierbij bijvoorbeeld om het onderdeel van het beleidsplan op het gebied
                        van terugvordering en verhaal en het controle op maat plan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>