<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300985_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">huis- aan huisbladen deelnemende gemeenten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdelen b en h, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling “Regionale Dienst
                        Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI)”</al><al>Gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur,</al><al>Gelet op het advies van het MT van de RDWI,</al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdelen b en h, en artikel 18 van de Wet
                        werk en bijstand;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al><onderstreept>De wet:</onderstreept> de Wet werk en bijstand
                                (WWB);</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><onderstreept>Bbz:</onderstreept> het Besluit bijstandverlening
                                zelfstandigen 2004;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al><onderstreept>Het algemeen bestuur:</onderstreept> het algemeen
                                bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en
                                Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al><onderstreept>Het dagelijks bestuur:</onderstreept> het dagelijks
                                bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale Dienst Werk en
                                Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug .</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al><onderstreept>Bijstandsnorm:</onderstreept> de bijstandsnorm bedoeld
                                in artikel 5, onderdeel c van de wet (= de van toepassing zijnde
                                norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3
                                van de WWB door het dagelijks bestuur vastgestelde verhoging of
                                verlaging); of, in geval van bijzondere bijstand op grond van
                                artikel 12 van de wet, de van toepassing zijnde norm vermeerderd met
                                het bedrag van de bijzondere bijstand. Voor zelfstandigen van 18 tot
                                27 jaar die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen wordt
                                onder ‘bijstandsnorm’ verstaan de norm die op grond van artikel 78f,
                                tweede lid, van de wet op hen van toepassing is;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al><onderstreept>Langdurigheidstoeslag:</onderstreept> de
                                langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al><onderstreept>Belanghebbende:</onderstreept> degene die een
                                uitkering krachtens de WWB heeft aangevraagd of aan wie een
                                uitkering krachtens de WWB is toegekend;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al><onderstreept>Maatregel:</onderstreept> een verlaging van de
                                bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de
                                wet;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al><onderstreept>Benadelingsmaatregel:</onderstreept> een percentage
                                van het benadelingsbedrag dat wordt opgelegd als gevolg van
                                schending van de verplichting genoemd in artikel 38, tweede lid van
                                het Bbz, waarbij de RDWI benadeeld is.</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al><onderstreept>Benadelingsbedrag:</onderstreept> de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag die als gevolg van schending van de
                                verplichting genoemd in artikel 38, tweede lid van het Bbz, ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al><onderstreept>Gelden:</onderstreept> de totaalsom van de positieve
                                banksaldi waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of
                                redelijkerwijs kan beschikken;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al><onderstreept>Bijstand:</onderstreept> algemene en bijzondere
                                bijstand;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al><onderstreept>Arbeidsverplichtingen:</onderstreept> de
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de wet;</al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al><onderstreept>Re-integratieverordening:</onderstreept> de
                                verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder a van de
                                wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het dagelijks bestuur zeer ernstig misdragen,
                                    kan overeenkomstig deze verordening een maatregel worden
                                    opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De verplichtingen die voortvloeien uit art 17, eerste lid Wwb of
                                    uit artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen behoren niet tot de
                                    verplichtingen zoals bedoeld in lid 1. Indien deze
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nagekomen worden kan geen
                                    maatregel opgelegd worden.</al></li><li nr="3."><al> Bij het opleggen van een maatregel worden de ernst van het
                                    feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                    belanghebbende in ogenschouw genomen.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur kan in afwijking van het gestelde in deze
                                    verordening de hoogte of de duur van de maatregel hoger of lager
                                    vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De vereiste spoed zich hiertegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>De belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>Het dagelijks bestuur het horen niet noodzakelijk acht voor
                                        het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien, als elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van een maatregel indien de gedraging
                                meer dan één jaar voor de constatering van die gedraging door het
                                dagelijks bestuur plaatsgevonden heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan van het opleggen van een maatregel afzien,
                                als sprake is van dringende redenen. Omstandigheden die het
                                rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging zijn geen dringende redenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende
                                daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Berekening van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van de
                                netto bijstandsnorm. Indien de gedraging betrekking heeft op een
                                aanvraag of besluit op grond van de bijzondere bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag wordt geen maatregel toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheids- verzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="·"><al>De reden van de maatregel;</al></li><li nr="·"><al>De duur van de maatregel;</al></li><li nr="·"><al>Het percentage waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd;</al></li><li nr="·"><al>En indien van toepassing de reden om af te wijken van de hoogte
                                    en/of duur van de maatregel als gesteld in artikel 12 van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een maatregelwaardige gedraging kan het dagelijks bestuur
                                besluiten een waarschuwing op te leggen, indien de belanghebbende de
                                afgelopen twee jaar geen waarschuwing heeft gehad. De datum van de
                                beschikking van de vorige waarschuwing is hiervoor bepalend. Deze
                                waarschuwing telt mee voor de vaststelling van recidive.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is alleen van toepassingen op gedragingen behorend
                                tot de eerste categorie uit artikel 11 met uitzondering van het
                                derde punt van de eerste categorie (het desgevraagd niet terstond
                                verstrekken van een geldig identiteitsbewijs).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekend gemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt voor de maand
                                die volgens het betaalschema wordt uitbetaald in die eerstvolgende
                                kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid kan de maatregel met
                                terugwerkende kracht worden opgelegd indien de bijstand reeds is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van
                                een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel
                                met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen één maand schuldig maakt aan
                                verschillende maatregelwaardige gedragingen, wordt de hoogte van de
                                maatregelen bij elkaar opgeteld en de uitkering afgestemd met een
                                maximale verlaging van 100 % van de bijstandnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                                maatregelwaardige gedraging dan dient voor de toepassing van een
                                maatregel te worden uitgegaan van de schending van de verplichting
                                waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van een in
                                deze verordening genoemde verplichting en van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB wordt geen verlaging
                                opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, als de belanghebbende
                                zich binnen een jaar, te rekenen vanaf het moment van oplegging van
                                de maatregel, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging van dezelfde
                                of hogere categorie. Een waarschuwing als bedoeld in artikel 7 geldt
                                voor de beoordeling van recidive als een maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de benadelingsmaatregel wordt verdubbeld, als de
                                belanghebbende zich binnen een jaar, te rekenen vanaf het moment van
                                oplegging van de benadelingsmaatregel, opnieuw schuldig maakt aan
                                een gedraging waarvoor een benadelingsmaatregel opgelegd wordt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Maatregelwaardige gedragingen en gevolgen voor de bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Eerste categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het
                                            UWV WERKbedrijf, dan wel inschrijving niet of niet
                                            tijdig verlengen.</al></li><li nr="b."><al>Het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                            inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 38, tweede lid
                                            van het Bbz, voor zover dit niet heeft geleid tot een
                                            benadeling van de RDWI.</al></li><li nr="c."><al>Het desgevraagd niet terstond ter inzage verstrekken van
                                            een geldig identiteitsbewijs.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><onderstreept>Tweede categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                            medewerkingspicht als bedoeld in artikel 17, 2e lid
                                            WWB.</al></li><li nr="b."><al>Het niet voldoen aan een oproep om, in verband met de
                                            arbeids- inschakeling, op een aangegeven plaats en tijd
                                            te verschijnen.</al></li><li nr="c."><al>Het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn opgelegd
                                            op grond van artikel 55 WWB.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>Derde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet ondertekenen of het niet aan het algemeen
                                            bestuur verstrekken van een trajectplan of plan van
                                            aanpak, dat gericht is op het vergroten van de
                                            mogelijkheden tot inschakeling in het
                                            arbeidsproces.</al></li><li nr="b."><al>Het niet naar vermogen trachten arbeid in
                                            dienstbetrekking te bemachtigen.</al></li><li nr="c."><al>Het zich zeer ernstig misdragen jegens het dagelijks
                                            bestuur en de in zijn opdracht werkende ambtenaar en
                                            medewerkers. De eerste maal dat de cliënt zich schuldig
                                            maakt aan deze gedragingen zal de mogelijkheid worden
                                            geboden tot het volgen van een gedragscursus gericht op
                                            het voorkomen van dergelijke gedragingen. Bij
                                            succesvolle deelname zal de hoogte van de maatregel
                                            genoemd in artikel 12 lid 1 onder c worden
                                            gehalveerd.</al></li><li nr="d."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van geboden re-integratie voorzieningen,
                                            waaronder begrepen sociale activering, als dit niet
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van het
                                            re-integratietraject.</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                            dan wel evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 44a WWB.</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB, voorzover het gaat om
                                            een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na
                                            de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5
                                            WWB.</al></li><li nr="g."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b WWB niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                                            tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                            zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 WWB.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><onderstreept>Vierde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid.</al></li><li nr="b."><al>Het blijk geven van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
                                            waaronder begrepen inkomen uit arbeid.</al></li><li nr="c."><al>Het door eigen toedoen niet verkrijgen of behouden van
                                            een voorliggende voorziening en/of algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="d."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting om
                                            medewerking te verlenen aan het opstellen van een
                                            diagnose gericht op het onderzoek naar de
                                            reintegratiemogelijkheden.</al></li><li nr="e."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen,
                                            waaronder begrepen sociale activering, als dit wel heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van het re-integratietraject.</al></li><li nr="f."><al>het in het geheel niet nakomen van de verplichtingen
                                            zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB, voorzover het gaat
                                            om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5
                                            WWB, waarbij de jongere aangeeft dat hij wel de intentie
                                            heeft om aan de verplichtingen te voldoen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>Tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>Twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een gedraging van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>Vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie. Met uitzondering van
                                        het interen van vermogen waarbij op grond van het
                                        individualiseringsprincipe een relatie kan worden gelegd
                                        tussen de hoogte van het bedrag en de snelheid van interen
                                        en de hoogte van de maatregel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><al>Onder gedragingen als bedoeld in de tweede categorie uit artikel 11
                            wordt mede verstaan: het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel
                            9 lid 1 onderdeel c WWB;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Maatregelwaardige gedraging met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 38, tweede lid van het Bbz, heeft geleid tot
                                benadeling van de RDWI door ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van bijstand, wordt een benadelingsmaatregel opgelegd van
                                15% van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde benadelingsmaatregel wordt opgelegd
                                over één maand of, indien de benadelingsmaatregel hoger is dan de
                                maanduitkering, over de maanden die volgen op de maand waarover voor
                                het eerst de benadelings- maatregel is toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de maatregel niet of niet volledig kan worden opgelegd over
                                de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt deze
                                maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand
                                nadat het dagelijks bestuur het besluit tot het opleggen van de
                                maatregel heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 11 wordt, indien
                                belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, een maatregel opgelegd
                                van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start
                                van de verrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt de maatregel
                                in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                                verrekening gematigd tot 20% indien belanghebbende geen gelden heeft
                                ter hoogte van ten minste driemaal de toepasselijke
                                bijstandsnorm</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een beleidsplan vast waarin onder
                            meer is opgenomen het te voeren beleid op het gebied van handhaving,
                            bestrijding en misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ten behoeve van de uitvoering van deze
                            verordening nadere beleidsregels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Maatregelenverordening Wet
                            werk en bijstand 2013”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend na
                            bekendmaking van dit besluit, onder gelijktijdige intrekking van de
                            “Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke
                        regeling “Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug” in zijn
                        openbare vergadering van 27 februari 2013.</ondertekening><ondertekening>De secretaris, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de maatregelenverordening</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Deze verordening vloeit voort uit de wettelijke verplichting regels op te
                    stellen met betrekking tot afstemming van de bijstand als bedoeld in artikel 18
                    van de Wet werk en bijstand (WWB). De regels moeten bij verordening door het
                    Algemeen Bestuur worden vastgesteld. De gemeenschappelijke regeling is vrij in
                    het vaststellen van de hoogte en duur van de afstemming. Dit past in het stelsel
                    van de WWB en de gemeenschappelijke regeling, waarin aan de gemeenschappelijke
                    regeling opmeerdere beleidsterreinen beleidsvrijheid is toegekend. De verlaging
                    van een uitkering wanneer een uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan de aan de
                    uitkering verbonden verplichtingen is een van de terreinen waarop de
                    beleidsvrijheid van toepassing is. Het is op grond van de wet verplicht een
                    verlaging op de uitkering toe te passen, maar de hoogte en de duur moeten lokaal
                    worden vormgevenen opnemen in een verordening.</al><tussenkop>Aard en doel van de verordening</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB is nog meer dan onder de Abw de nadruk komen
                    te liggen op ondersteuning van de uitkeringsgerechtigde bij inschakeling in de
                    arbeid. De periode van bijstandsverlening moet zo kort mogelijk blijven. De wet
                    heeft daartoe een stelsel van rechten en verplichtingen gecreëerd die verband
                    houden met de arbeidsinschakeling. Waar de uitkeringsgerechtigde op grond van de
                    wet aanspraak kan maken op ondersteuning en daarbij behorende voorzieningen, is
                    hij tegelijkertijd verplicht hiervan gebruik te maken als het hem wordt
                    aangeboden. Het verwijtbaar niet benutten van de door de RDWI aangeboden
                    ondersteuning is eenongewenste situatie, die door het treffen van een financiële
                    maatregel op de uitkering zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Daartoe wordt
                    allereerst gebruik gemaakt van intensieve voorlichting over de gevolgen van het
                    niet nakomen van de arbeidsverplichtingen. In vervolg daarop wordt zonodig
                    gebruik gemaakt van het maatregelinstrumentarium dat door de RDWI in de WWB
                    zwaarder isaangezet. Daarmee wordt het belang dat de RDWI aan
                    arbeidsinschakeling hecht, duidelijk gemaakt en kan met de maatregel een
                    gedragsverandering bij de uitkeringsgerechtigde worden bewerkstelligd. De
                    verordening heeft tot doel maatwerk te leveren als een (voormalig)
                    uitkeringsgerechtigde een maatregelwaardige gedraging heeft begaan.</al><al>Hoewel de wet spreekt van ‘afstemming van de bijstand’ wordt in de verordening
                    het begrip ‘maatregel’ gebruikt. Dit is omdat het begrip maatregel ook in de
                    Algemene bijstandswet voorkwam en begrijpelijker is dan ‘een afstemming van de
                    uitkering’. De verordening is dan ook ‘Maatregelenverordening Wet werk en
                    bijstand’ genoemd. Materieel maakt het gebruik van het begrip maatregelen in
                    plaats van afstemming natuurlijk geen verschil. Aan de toekenning en
                    voortzetting van een WWB-uitkering kan de burger rechten ontlenen. In directe
                    samenhang met deze rechten heeft de burger ook plichten, die eveneens verbonden
                    zijn aan het ontvangen van de uitkering. Zowel de rechten als de plichten zijn
                    in de wet opgenomen en wordenverder uitgewerkt in de Re-integratieverordening en
                    de Afstemmingsverordening. Uitdrukkelijk wordt in beide verordeningen naar de
                    rechten/plichten verwezen.</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (de algemene
                    bijstand én de bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd.</al><al>In deze is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd over de
                    bijstandsnorm (de voor belanghebbende van toepassing zijnde norm plus eventuele
                    toeslagen of minus eventuele verlagingen op grond van de Toeslagen en
                    verlagingenverordening), dus over de algemene bijstand.</al><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen niet in de
                    rede. De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18
                    tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leidentot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep
                    21-jarigen en ouder.</al><al>Het ligt niet voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen
                    voor een langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting
                    die zij kunnen schenden in verband met de langdurigheidstoeslag is het
                    verstrekken van geen of onvoldoende gegevens waardoor het dagelijks bestuur de
                    rechtmatig-heid van het verlenen van deze uitkering niet kan vaststellen. De
                    sanctie die hierop rust is niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar
                    het weigeren van deze toeslag.</al><al/><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al/><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de WWB, IOAW en
                    IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                    komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De meeste begripsbepalingen behoeven geen nadere toelichting. Onder het begrip
                    bijstandsnorm wordt de landelijke norm plus eventuele gemeentelijke toeslag of
                    gemeentelijke verlaging, inclusief de vakantietoeslag verstaan. Met het begrip
                    ‘maatregel’ wordt de wettelijke term ‘afstemming van de bijstand’ bedoeld.</al><al>Deze verordening gaat bij de toepassing van een maatregel uit van de netto
                    bijstandsnorm die maandelijks aan uitkeringsgerechtigden wordt toegekend,
                    inclusief vakantietoeslag of de jongerennorm aangevuld met bijzondere bijstand
                    of in geval van bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de wet, de van
                    toepassing zijnde norm aangevuld met bijzondere bijstand.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitdrukkelijk beschreven dat een maatregel wordt opgelegd
                    op basis van deze verordening, als sprake is van schending van een in de wet
                    genoemde verplichting. Hiermee wordt aangegeven dat sprake is van een gesloten
                    stelsel van maatregelen en dat buiten deze verordening geen maatregelen worden
                    opgelegd. Zowel ten tijde van de aanvraag om bijstand als gedurende de verlening
                    van bijstand kunnen maatregelwaardige gedragingen plaatsvinden.</al><al>In dit artikel is (wellicht ten overvloede) ook vastgelegd dat het niet, niet
                    tijdig of onvoldoende nakomen van de verplichtingen genoemd in artikel 17 eerste
                    lid Wwb en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet SUWI niet kan leiden tot
                    een maatregel.</al><al>De ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                    persoon en gezin zijn een toetsingskader bij de beantwoording van de vraag of
                    een maatregel moet worden opgelegd.</al><al>Is sprake van zeer ernstige verwijtbaarheid, of juist van verminderde
                    verwijtbaarheid, dan kan besloten worden de maatregel hoger of lager vast te
                    stellen. Er is sprake van de mogelijkheid ‘maatwerk’ te leveren, om zo tot de
                    meest adequate maatregel te komen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12).</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Ontbreekt de verwijtbaarheid bij belanghebbende, dan kan geen maatregel worden
                    opgelegd. Deze situatie is bijvoorbeeld denkbaar als belanghebbende naar
                    aanleiding van een oproep ergens had moeten verschijnen maar als gevolg van een
                    ziekte of een ongeval niet aan de oproep kon voldoen en ook niet in de
                    gelegenheid was zich tijdig af te melden. Er is geen keuzevrijheid: ontbreekt de
                    verwijtbaarheid, dan wordt geen maatregel opgelegd en dus ook geen
                    waarschuwing.</al><al>Wat onder dringende redenen moet worden verstaan wordt niet nader omschreven.
                    Uit de schaarse jurisprudentie over dit begrip komt naar voren dat sprake moet
                    zijn van een situatie waarin oplegging van de maatregel leidt tot onafwendbare
                    ernstige psychische of lichamelijke problemen bij belanghebbende, die een
                    levens-bedreigende situatie tot gevolg zouden hebben.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder 2
                    geregeld dat het dagelijks bestuur geen maatregelen opgelegd voor gedragingen
                    die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur afziet van
                    het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm.</al><al>Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief
                    gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                    21-jarigen.</al><al>Geen verlaging wordt er opgelegd op de bijzondere bijstand en de
                    langdurigheids-toeslag of op de bijstand indien de gedraging betrekking heeft op
                    een aanvraag of besluit op het gebied van de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit, vastgelegd in een beschikking. Wanneer de maatregel
                    bij een lopende uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van
                    de algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide
                    besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder geval in het besluit wordt vermeld.
                    De eisen vloeien rechtstreeks voort uit de bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) betreffende het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                    houdt onder meer in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                    wordt voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Bij een eerste maatregelwaardige gedraging behorend tot de eerste categorie kan
                    een waarschuwing worden opgelegd. Een waarschuwing kan alleen worden opgelegd
                    indien belanghebbende zich niet tijdig heeft in laten schrijven bij het UWV
                    WERKbedrijf of deze inschrijving niet of niet tijdig is verlengd.</al><al>Daarnaast kan een waarschuwing worden gegeven indien de belanghebbende de
                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 38 tweede lid van de Bbz niet of niet
                    behoorlijk nakomt, maar waarbij geen sprake is van een benadelingsbedrag.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te
                    vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>In situaties waarin de maatregel niet in de eerstvolgende maand(en) kan worden
                    opgelegd, moet de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd. Uit
                    jurisprudentie van de Raad blijkt dat dit mogelijk is tot het moment waaropde
                    gedraging plaatsgevonden heeft.</al><al>Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht is geregeld in artikel
                    13.</al><al>Het te veel betaalde bedrag aan bijstand van de uitkeringsgerechtigde moet
                    worden teruggevorderd. In dat geval wordt ook het bedrag ter hoogte van de
                    maatregel teruggevorderd</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Het vijfde lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                    een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                    uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan
                    toe is.</al><al>N.B. Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                    zal het dagelijks bestuur de maatregel aan een heroverweging moeten onderwerpen.
                    Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. De RDWI mag zelf bepalen wanneer
                    die heroverweging plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat
                    het besluit is genomen. Bij zo’n heroverweging dient opnieuw een besluit te
                    worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. </al><al>Tegen de beschikking betreffende de heroverweging staat bezwaar en beroep open.
                    Een marginale beoordeling volstaat: het dagelijks bestuur moet slechts
                    heroverwegen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd.
                    Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert,
                    maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                    voldoet.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. Er wordt voor gekozen om bij samenloop van verschillende
                    maatregelwaardige gedragingen de hoogte van de op te leggen maatregelen bij
                    elkaar op te tellen en de uitkering met het opgetelde percentage te verlagen.
                    Indien er sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging
                    dan wordt de schending waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                    bestraft.</al><al>Bij samenloop van een maatregelwaardige gedraging met een overtreding van de
                    inlichtingenplicht wordt er geen verlaging toegepast, maar zal er een
                    boetebeoordeling plaatsvinden ivm de overtreding van de inlichtingenplicht.</al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Indien er sprake is van een benadelingsmaatregel wordt niet de duur,
                    maar het percentage verdubbeld. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                    gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een (benadelings)maatregel, ook
                    indien de (benadelings-) maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de</al><al>aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de (benadelings)maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.</al><al>Deze bepaling heeft betrekking op het één keer toepassen van de recidive. Indien
                    belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbare
                    gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de (benadelings-) maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al/><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. De reden hiervoor is dat de
                    WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de
                    plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen
                    dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde.</al><al>De <vet>eerste categorie</vet>, punt a., betreft de formele verplichting om zich
                    als werkzoekende in te schrijven bij het UWV WERKbedrijf en ingeschreven te doen
                    blijven.</al><al>Punt b. betreft het niet, niet tijdig of niet behoorlijk verstrekken van
                    inlichtingen aan de RDWI o.b.v. artikel 38 tweede lid Bbz. Zie daarvoor ook de
                    toelichting bij artikel 14</al><al>Punt a. van de <vet>tweede categorie</vet> verwijst naar het niet voldoen aan de
                    medewerkingsplicht.</al><al>Punt b. naar het geen gehoor geven om op een afgesproken plaats en tijd te
                    verschijnen op een afspraak met bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf of het UWV
                    WERKbedrijf. </al><al>En onder het punt c. wordt verwezen naar het niet verschijnen op een oproep van
                    een arts in verband met een keuring of het afgegeven van een medisch advies. Ook
                    indien de belanghebbende geen medewerking verleend aan behandeling van medische
                    aard indien deze behandeling als noodzakelijk wordt geacht en de verplichting
                    tot medewerking aan de belanghebbende is opgelegd, wordt op grond van het punt
                    c. van de tweede categorie aan de belanghebbende een maatregel opgelegd.</al><al>Onder de <vet>derde categorie</vet> vallen gedragingen die grotendeels te maken
                    hebben met de arbeids- en re-integratieverplichting.</al><al>Het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te bemachtigen heeft
                    betrekking op de actieve sollicitatieverplichting. De belanghebbende is
                    verplicht sollicitaties te verrichten en hiervan bewijsstukken te
                    overleggen.</al><al>Voor zelfstandigen en hun partners geldt met betrekking tot de verplichtingen,
                    gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid het volgende:</al><al>• De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor
                    de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten
                    minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen
                    (artikel 38, derde lid Bbz).</al><al>• De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of
                    fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                    Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in
                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.</al><al>Ook onder de derde categorie (punt c.) valt het zich jegens het dagelijks
                    bestuur en de in zijn opdracht werkende ambtenaren zeer ernstig misdragen. Onder
                    de term "zeer ernstige misdragingen" kunnen diverse vormen van agressie worden
                    verstaan, zij het dat sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in
                    het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien een verband bestaat tussen
                    de ernstige misdraging en de uitvoering van WWB. Voor wat betreft de
                    misdragingen kan de cliënt deelnemen aan een gedragscursus ter beheersing van de
                    eigen agressie om zodoende gedragingen in de toekomst te voorkomen, het
                    deelnemen aan de cursus leidt tot een halvering van de maatregel.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over "het zich jegens het dagelijks
                    bestuur zeer ernstig misdragen". Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het dagelijks bestuur en hun ambtenaren aanleiding kan zijn
                    voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd
                    als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een
                    andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf).</al><al>Bij de toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                    belang-hebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                    levensonderhoud te voorzien, de verplichting opgelegd worden om mee te werken
                    aan aangeboden re-integratievoorzieningen (punt d.). Het gaat hierbij om de
                    voorzieningen zoals deze zijn opgenomen in de re-integratieverordening. De
                    arbeidsinschakeling wordt geschaad indien de belanghebbende deze verplichting
                    niet of onvoldoende nakomt hetgeen weer gevolgen kan hebben voor de duur van de
                    aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende meewerken aan een traject zal
                    immers leiden tot vertraging van het traject. De gedragingen in deze categorie
                    heeft echter niet tot gevolg dat het re-integratietraject beëindigd zal worden
                    of geen doorgang vindt. Van onvoldoende medewerking is sprake als belanghebbende
                    meerdere malen niet op afspraken van het re-integratie bedrijf verschijnt. Is
                    hiervan namelijk eenmalig sprake valt deze gedraging onder de tweede categorie.
                    Ook is sprake van onvoldoende medewerking indien de belanghebbende opdrachten in
                    het kader van scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief
                    opstelt ten aanzien van een beroepskeuze onderzoek. Ook het onvoldoende
                    medewerking verlenen aan een schuldhulp-verleningstraject valt onder deze
                    gedraging als de schuldhulpverlening onderdeel is van het
                    re-integratietraject.</al><al>Hierbij geldt natuurlijk, zoals bij het eerste punt van de derde categorie is
                    verwoord, dat de belanghebbende verplicht is het individuele trajectplan te
                    ondertekenen en te retourneren zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan over
                    de verplichtingen die in het kader van het reintegratietraject opgelegd
                    worden.</al><al>Onder de derde categorie (bij e en f) vallen ook gedragingen specifiek voor
                    jongeren: het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel
                    evalueren van een plan van aanpak. Ook het verrichten van onvoldoende
                    inspanningen door de jongere tijdens de zoektermijn is opgenomen .</al><al>Bij punt g. staat de maatregelwaardige gedraging beschreven dat de ontheffing
                    van de arbeidsplicht wordt ingetrokken omdat de alleenstaande ouder (met een
                    kind onder de 5 jaar) door houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken de
                    verplichtingen uit artikel 9 lid 1 onderdeel b niet te willen nakomen.</al><al>De eerste gedraging benoemd in de <vet>vierde categorie</vet> heeft betrekking
                    op het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid. Wat onder algemeen
                    geaccepteerde arbeid wordt verstaan is vastgesteld in de
                    re-integratieverordening. Het kan gaan om allerlei soorten arbeid, zowel
                    regulier als gesubsidieerd, parttime en fulltime, tijdelijke als voor onbepaalde
                    tijd. Essentieel is dat de belanghebbende door de weigering van arbeid afziet
                    van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit de bijstand te komen.</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan (punt b.), geldt reeds voordat een bijstandsuitkering
                    wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                    de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de RDWI</al><al>bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                    van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals een onverantwoorde besteding van vermogen, geen of te late
                    aanvraag doen voor een voorliggende voorziening en het behouden daarvan en het
                    geen gebruik maken van de mogelijkheid tot het instellen van een
                    alimentatievordering.</al><al>De gedraging tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is een gedraging die
                    ook voor het Bbz kan leiden tot een maatregel. Artikel 18, tweede lid, van de
                    wet is onverkort van toepassing op het Bbz.</al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    dagelijks bestuur opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs-
                    of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate,
                    dan is het dagelijks bestuur bevoegd om een maatregel op te leggen, omdat de
                    zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk
                    heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening.</al><al>De RDWI kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van de
                    bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure
                    leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.),
                    op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering
                    brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.),
                    of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige
                    niet (volledig) aan de gestelde</al><al>verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of
                    voortzetting van de bijstand met een maatregel. Uiteraard is het opleggen van
                    een maatregel alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een lopende
                    Bbz-uitkering.</al><al>Als wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid een beroep op Bbz wordt gedaan kan
                    eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwdals een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geenarbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeids-ongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroepkunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een maatregel aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.</al><al>Bij punt f. staat de gedraging beschreven van de jongere die tijdens de
                    zoektermijn geen inspanningen heeft verricht, maar na de zoektermijn aangeeft
                    wel de intentie te hebben om alsnog aan de verplichtingen te voldoen</al><al/><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al naar gelang de
                    zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de maatregel, waarbij te allen tijde de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden zoals
                    omschreven in artikel 2 moeten worden meegewogen.</al><al/><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Dit artikel regelt de mogelijkheid om een maatregel op te leggen als er sprake
                    is van het niet of onvoldoende verrichten van een opgedragen tegenprestatie naar
                    vermogen.</al><al/><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel 38, tweede lid van het
                    Bbz:</al><al>• De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een
                    administratie tevoeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop
                    van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het dagelijks bestuur te
                    overleggen. Die plicht geldt ook als de RDWI om de administratie vraagt,
                    bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging
                    van de uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid Bbz dat het dagelijks
                    bestuur de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen
                    van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In artikel 47 Bbz is
                    opgenomen dat het dagelijks bestuur kosten van bijstand in de vorm van een
                    geldlening terugvordert, indien de zelfstandige de uit de geldlening
                    voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Het dagelijks
                    bestuur is onder toepassing van beide artikelen gehouden de geldlening over het
                    betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige terug te vorderen, in het geval
                    de hier bedoelde verplichting niet wordt nagekomen. Er is in dat geval in
                    principe geen aanleiding om tevens een maatregel op grond van deze verordening
                    op te leggen: degehele jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de RDWI geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan ook
                    geen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet op
                    een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de RDWI te veel betaalde bedrag aan
                    bijstand.</al><al>De benadelingsmaatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 38, tweede lid van de Bbz wordt
                    afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van
                    de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende
                    is betaald.</al><al>De benadelingsmaatregel wordt toegepast over één maand, tenzij de maatregel
                    hoger is dan de uitkering in die maand, in welk geval de maatregel ook
                    betrekking kan hebben op de volgende maanden.</al><al>Indien het ten onrechte verstrekte bedrag hoger is dan 90% van de ontvangen
                    bijstandsorm, kan de maatregel niet of niet volledig geëffectueerd worden. Er
                    kan namelijk niet meer teruggevorderd worden dan er aan uitkering is verstrekt.
                    In deze gevallen kan de maatregel over de toekomistig Bbz/bijstandsuitkering
                    worden opgelegd, indien er sprake is van een lopende uitkering.</al><al/><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom maatregelwaardig gedrag op,
                    op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. Dit artikel is zo opgesteld
                    dat betrokkene in beginsel in een vergelijkbare situatie terecht komt als de
                    recidiverende bijstandgerechtigde. </al><al/><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a van de wet zijn gemeenten verplicht om in het kader van
                    financieel beheer bij verordening regels voor de bestijding van het ten onrechte
                    ontvangen bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Deze
                    regels behoeven niet in een aparte verordening opgenomen te worden maar kunnen
                    onderdeel zijn van de maatregelenverordening. Dit artikel voorziet hierin
                    en</al><al>verwijst naar het beleidsplan WWB waarin deze regels zijn opgenomen. Het gaat
                    hierbij bijvoorbeeld om het onderdeel van het beleidsplan op het gebied van
                    terugvordering en verhaal en het controle op maat plan.</al><al/><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere beleidsregels opstellen ten behoeve van de
                    uitvoering van deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>De verordening wordt aangehaald als de maatregelenverordening Wet werk en
                    bijstand 2013. In het algemene deel van de verordening is aangegeven waarom niet
                    is gekozen voor de term afstemmingsverordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>