<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300584_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-08-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2013, 31</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, lid 1 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB12.0231</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Algemene subsidieverordening 2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Den Helder;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Den Helder;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="d."><al>subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de Awb, te
                                    weten de aanspraak op financiële middelen, door een
                                    bestuursorgaan verleend met het oog op bepaalde activiteiten van
                                    de instelling, anders dan als betaling voor aan het
                                    bestuursorgaan geleverde goederen of diensten, en ten gunste
                                    komende van alle inwoners van Den Helder;</al></li><li nr="e."><al>boekjaar: het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, lopende
                                    van 1 januari tot en met 31 december;</al></li><li nr="f."><al>instelling: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
                                    die zich ten doel stelt zonder winstoogmerk op door het college
                                    aangewezen gemeentelijke beleidsterreinen activiteiten te
                                    verrichten ten behoeve van de inwoners van de gemeente Den
                                    Helder;</al></li><li nr="g."><al>activiteit: een te leveren product, prestatie of dienst die kan
                                    worden gesubsidieerd;</al></li><li nr="h."><al>prestatiesubsidie: een subsidie voor een in aard en omvang
                                    beperkte activiteit of groep van activiteiten die conform
                                    specifieke afspraken, direct aansluitend bij gemeentelijk
                                    beleid, een eenmalig of incidenteel karakter draagt;</al></li><li nr="i."><al>contractsubsidie: een subsidie die aan een instelling wordt
                                    verleend op basis van een voor één of maximaal vier jaren te
                                    sluiten overeenkomst waarin de door de instelling te leveren
                                    activiteiten en prestaties zijn vastgelegd;</al></li><li nr="j."><al>activiteitenplan: een door de instelling voor de subsidieperiode
                                    te leveren beschrijving van de beleidsuitgangspunten van de
                                    instelling en de in relatie hiermee te verrichten
                                    activiteit(en), te behalen prestatie(s) en beoogde effecten. De
                                    instelling die een prestatiesubsidie aanvraagt, vermeldt in de
                                    aanvraag ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de
                                    gemeente of haar inwoners en op de door de gemeente vastgestelde
                                    doelen;</al></li><li nr="k."><al>evenement: een activiteit in de vorm van een openbaar
                                    toegankelijke vertoning of gebeurtenis, van tijdelijke aard,
                                    gericht op een relatief groot publiek, substantieel bijdragend
                                    aan de verbetering van de identiteit van de stad, met een
                                    regionale of (inter)nationale uitstraling;</al></li><li nr="l."><al>deelsubsidieverordening: een door de raad vastgestelde
                                    verordening voor een activiteit of een groep activiteiten;</al></li><li nr="m."><al>financiële voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel
                                    2:374 Burgerlijk Wetboek, zijnde vermogensbestanddelen voor
                                    toekomstige kosten die een periode van twee of meer jaren
                                    omvatten en die niet binnen de jaarlijkse exploitatie opgevangen
                                    kunnen worden, nu reeds te voorzien zijn, onvermijdelijk zijn,
                                    hun oorzaak in het verleden hebben en kwantificeerbaar en
                                    berekenbaar zijn;</al></li><li nr="n."><al>algemene reserve: reserve van de instelling met een algemeen en
                                    vrij aanwendbaar karakter;</al></li><li nr="o."><al>bestemmingsreserve bestanddeel van het eigen vermogen van een
                                    instelling, dat bestemd is om toekomstige uitgaven die zijn
                                    verbonden aan beoogde specifieke doelen te kunnen bekostigen,
                                    waarbij aannemelijk gemaakt wordt dat de toekomstige middelen
                                    daarvoor tekort schieten;</al></li><li nr="p."><al>egalisatiereserve: een reserve als bedoeld in artikel 4:72 Awb,
                                    bedoeld om aannemelijk gemaakte toekomstige schommelingen in
                                    lasten op te kunnen vangen;</al></li><li nr="q."><al>BCF: beleidsgestuurde contractfinanciering
                                    (subsidiesystematiek);</al></li><li nr="r."><al>Begroting: jaarlijks in de gemeenteraad vastgestelde
                                    programmabegroting en de daarbij behorende meerjarenraming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Reikwijdte van deze verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verlening van alle
                                gemeentelijke subsidies, voor activiteiten op beleidsterreinen zoals
                                genoemd in de begroting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidie op basis van deze verordening wordt verleend aan
                                instellingen. Het verlenen van subsidie in bijzondere gevallen aan
                                natuurlijke personen is slechts mogelijk voor zover dit in nadere
                                regels is bepaald en is in deze verordening op die aanvragen van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd tot het verlenen van subsidies binnen de door
                                de raad gestelde kaders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de verlening van een subsidie indien op de
                                gemeentebegroting geen bedragen beschikbaar zijn gesteld voor het
                                doel waarvoor die subsidie wordt aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle in de subsidietitel 4.2 Awb aan het bestuursorgaan toegekende
                                bevoegdheden worden uitgeoefend door het college. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en kan
                                daartoe nadere regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan jaarlijks subsidieplafonds vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van deze verordening subsidie
                                verlenen, indien de voor de subsidie benodigde gelden op de
                                begroting gereserveerd en toereikend zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor in deelsubsidieverordeningen ondergebrachte
                                subsidies een subsidieplafond vaststellen voor een nader te bepalen
                                periode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Begrotingsvoorbehoud</titel></kop><al>Voor zover een meerjarige subsidie wordt verleend, wordt de subsidie ten
                            laste van elk jaar waarvoor nog een begroting dient te worden
                            vastgesteld of goedgekeurd, verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                            gelden ter beschikking worden gesteld. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>De subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor
                                een contractsubsidie wordt aangevraagd, dient een instelling bij het
                                college een subsidieaanvraag in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kunnen aanvragen voor
                                prestatiesubsidies worden ingediend tot 13 weken vóór de datum van
                                uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidieaanvraag bestemd
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen indien een
                                activiteit, waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds heeft
                                plaatsgevonden dan wel reeds is aangevangen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen na het
                                onverrichterzake verstrijken van de hersteltermijn, zoals bedoeld in
                                artikel 2:2 lid 5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Gegevens bij de subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de subsidieaanvraag worden de volgende stukken ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van de doelstelling, de aard, de inhoud en
                                        de omvang van de activiteit, en een activiteitenplan als
                                        bedoeld in artikel 4:62 Awb;</al></li><li nr="b."><al>bij de eerste aanvraag: een afschrift van de statuten en de
                                        reglementen die de inrichting en de werkzaamheden van de
                                        instelling regelen;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van de bestuurssamenstelling;</al></li><li nr="d."><al>het registratienummer bij de Kamer van Koophandel, indien de
                                        instelling een rechtspersoon is die een prestatiesubsidie
                                        aanvraagt voor een activiteit;</al></li><li nr="e."><al>een exploitatiebegroting voor het jaar waarvoor de subsidie
                                        wordt gevraagd;</al></li><li nr="f."><al>een begroting als bedoeld in artikel 4:63 Awb betreffende de
                                        te subsidiëren activiteit(en);</al></li><li nr="g."><al>indien een aanvraag voor een contractsubsidie wordt
                                        ingediend:</al><lijst><li nr="-"><al>een meerjarenplan incl. meerjarenraming voor de
                                                komende vier jaar, dan wel een bijstelling
                                                daarvan;</al></li><li nr="-"><al>de meest recente jaarrekening als bedoeld in artikel
                                                2:361 Burgerlijk Wetboek en artikel 4:76 Awb, of
                                                voor zover deze ontbreekt een door het bestuur
                                                gewaarmerkt verslag inzake de financiële positie,
                                                met daarvan deel uitmakend een exploitatieoverzicht
                                                en balans van het afgelopen boekjaar;</al></li><li nr="-"><al>een beheers- en beleidsplan ten aanzien van
                                                bestemmingsreserves en financiële voorzieningen en
                                                een opgave van de omvang van de algemene en
                                                egalisatiereserve;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al>een motivering die kan worden getoetst aan de onder artikel
                                        2.3 gestelde criteria en tevens een indicatie geeft van de
                                        omvang van het gemeentelijke aandeel in specifieke
                                        kostenposten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 sub g en h, is niet van toepassing op
                                instellingen waarvoor het definitief vastgestelde subsidiebedrag van
                                het vorige jaar het totaalbedrag van € 5.000,- niet
                                overschrijdt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan het college nadere
                                gegevens of bescheiden verlangen van de instelling, evenzeer als het
                                ontheffing kan verlenen van het gestelde in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover een instelling voor dezelfde activiteit(en) en begrote
                                uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meerdere
                                andere instanties, doet zij daarvan mededeling in de aanvraag, onder
                                vermelding van de omvang van de elders gevraagde subsidie en de
                                stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag
                                of aanvragen tot en met de (nog te) ontvangen besluiten die zij op
                                die aanvragen verkrijgt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het ontbreken van vereiste gegevens geldt een eenmalige
                                hersteltermijn van drie weken met ingang van de datum van
                                rappel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieverlening kan naast de in artikel 4:25 (subsidieplafond)
                                en artikel 4:35 (weigeringsgronden) Awb genoemde gevallen worden
                                geweigerd indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten van de instelling niet gericht zijn op de
                                        gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde subsidie niet past binnen de door de raad
                                        vastgestelde beleidskaders en financiële kaders, en/of
                                        binnen vastgestelde nadere regels;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van subsidie niet of in onvoldoende mate zal
                                        worden besteed voor het doel waarvoor de subsidie benodigd
                                        wordt geacht en beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van subsidie niet doelmatig en doeltreffend zal
                                        worden besteed;</al></li><li nr="e."><al>de in een eerder subsidiejaar verleende subsidie niet of
                                        niet in hoofdzaak is besteed aan de activiteiten waarvoor
                                        deze bestemd was;</al></li><li nr="f."><al>de instelling doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                        ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen
                                        belang of de openbare orde;</al></li><li nr="g."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverlening over de benodigde
                                        gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                        derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te
                                        dekken;</al></li><li nr="h."><al>het verlenen van de subsidie in strijd is met de Europese
                                        regels inzake staatssteun.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen subsidie wordt verleend, indien doelstellingen, activiteiten,
                                statuten of reglementen van de instelling dan wel het beoogde
                                gebruik van de subsidie discriminatie opleveren wegens godsdienst,
                                levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke
                                staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of welke grond dan ook.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen subsidie wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het gebouw waarin de activiteit plaatsvindt niet
                                        rookvrij is;</al></li><li nr="b."><al>indien het gebouw, waarin de activiteit plaatsvindt, niet
                                        rolstoeltoegankelijk is;</al></li><li nr="c."><al>indien in het gebouw, waarin de activiteit plaatsvindt, de
                                        instelling mede inkomstenverkrijgt door verkoop van
                                        alcoholhoudende dranken aan publiek dat de leeftijd van 18
                                        jaar nog niet heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien in het gebouw, waarin de activiteit plaatsvindt,
                                        sprake is van verkoop dan wel gebruikvan verdovende middelen
                                        in de zin van de Opiumwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan subsidies weigeren of intrekken in het geval en
                                onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                                integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Geen subsidie wordt verleend na het onverrichterzake verstrijken van
                                de hersteltermijn als bedoeld in artikel 2:2 lid 5, dit mede conform
                                artikel 2:1 lid 4.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Naast de in lid 1 genoemde (algemene) weigeringsgronden kan het
                                college ook op andere gronden een subsidieaanvraag weigeren, voor
                                zover hierin door een nadere regel wordt voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beschikt op de aanvraag voor een contractsubsidie als
                                bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, vóór 31 december van het jaar
                                voorafgaande aan het jaar waarvoor subsidie is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beschikt op een subsidieaanvraag voor een
                                prestatiesubsidie als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, zo spoedig
                                mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 weken, na ontvangst van de
                                subsidieaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden de in het tweede lid
                                gestelde termijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Van het besluit
                                tot verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                subsidieaanvrager.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college voorziet in nadere regels ter beoordeling van
                                subsidieaanvragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Intrekking en wijziging subsidiebedrag</titel></kop><al>Op grond van het bepaalde in artikelen 4:48 en 4:50 Awb kan een
                            subsidieverlening, zolang zij nog niet is vastgesteld, worden
                            ingetrokken of ten nadele van de instelling worden gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>Een beschikking tot subsidieverlening wordt geacht tevens een
                            beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in hoofdstuk 4 te zijn
                            indien het verleende subsidiebedrag lager of gelijk is aan € 5.000,-.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Evaluatieplicht</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast voor de toepassing van artikel 4:24
                            van de Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Algemene verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een instelling informeert het college onverwijld over:</al><lijst><li nr="a."><al>ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen leiden dat de
                                        activiteiten niet kunnen worden verwezenlijkt;</al></li><li nr="b."><al>het geheel of gedeeltelijk (tussentijds) beëindigen van de
                                        activiteiten;</al></li><li nr="c."><al>besluiten of procedures die de uitvoering van de betreffende
                                        activiteiten of het voortbestaan van de instelling bedreigen
                                        of kunnen bedreigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wijzigingen in statuten of organisatievorm worden direct na
                                wijziging bij het college gemeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een instelling is verplicht medewerking te verlenen aan onderzoeken
                                van de rekenkamercommissie van de gemeente Den Helder, indien deze
                                daarom verzoekt. Artikel 184 Gemeentewet aangaande de bevoegdheden
                                van de rekenkamer is hierbij van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Naast de algemene verplichtingen als bedoeld in voorgaande leden,
                                kunnen verdere algemene en bijzondere verplichtingen voortvloeien
                                uit nadere regels. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Financiële verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling draagt zorg voor een zodanige inrichting van de
                                financiële administratie alsmede eventuele projectadministratie, dat
                                op een eenvoudige wijze inzicht kan worden verkregen in de
                                ondernomen activiteiten en verkregen resultaten, de financiële en
                                vermogenspositie en in de mate waarin de subsidieontvanger door
                                leden, contribuanten, donateurs of anderen wordt ondersteund.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instelling waarvan een subsidiebedrag groter dan € 50.000,- per
                                jaar is verleend, legt per subsidiejaar een accountantsverklaring
                                over als bedoeld in artikel 2:393, vijfde lid, Burgerlijk
                                Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan instellingen, die een subsidie van meer dan €
                                5.000,- per jaar ontvangen, verplichten een accountantsverklaring te
                                overleggen als bedoeld in artikel 2:393, vijfde lid, Burgerlijk
                                Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het tweede en derde lid bedoelde verklaring dient zich tevens
                                uit te strekken tot een onderzoek van de naleving van de aan de
                                subsidieverlening verbonden verplichtingen en in het bijzonder naar
                                het daadwerkelijk verricht zijn van de opgegeven activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het boekjaar van de instelling dient gelijk te zijn aan een
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De administratie als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste
                                zeven jaar door de instelling bewaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Informatie- en meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling verleent aan het college of aan door of namens het
                                college aangewezen personen inzage in de administratie en verstrekt
                                inlichtingen welke voor de beoordeling van de doelmatigheid en de
                                rechtmatigheid van de besteding van de subsidie van belang kunnen
                                zijn. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen
                                wordt daarbij gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instelling geeft het college onverwijld schriftelijk kennis van
                                elke omstandigheid die ingevolge het tweede lid van artikel 4:46 Awb
                                leidt tot een subsidievaststelling die kan afwijken van de
                                subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De instelling deelt wijzigingen in de algemene financiële situatie
                                dan wel in de financiële of organisatorische verhoudingen met derden
                                terstond schriftelijk aan het college mee.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de instelling na subsidieverlening ook subsidies voor
                                dezelfde activiteit van derde partijen verkrijgt en/of andere derde
                                geldstromen genereert, doet zij het college daarvan direct
                                schriftelijk mededeling, ook onder de werking van artikel 2:5 en
                                onder aantoonbare vermelding van de omvang van het verkregen
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De instelling deelt wijzigingen in de stichtingsakte, statuten en
                                reglementen, organisatievorm, werk- en beleidsplannen, het adres
                                en/of de samenstelling van het bestuur terstond schriftelijk aan het
                                college mee.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De instelling deelt een besluit tot opheffing of fusie terstond
                                schriftelijk aan het college mee.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onder de informatieplicht vallen ook de omstandigheden zoals
                                omschreven in artikel 2:2 lid 4, artikel 2:5, artikel 3:2 en artikel
                                4:2 lid 5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Toestemming</titel></kop><al>De instelling heeft toestemming van het college nodig voor de
                            handelingen bedoeld in artikel 4:71, lid 1, Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Reserves en vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vormen van reserves en/of vermogen is toegestaan indien dit het
                                doel heeft de vervanging van goederen dan wel kapitaalinvesteringen
                                mogelijk te maken. De hoogte van het bedrag is, ongeacht de
                                herkomst, onderworpen aan voorafgaande goedkeuring van het college,
                                dat hierbij nadere regels hanteert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vormen van reserves en/of vermogen is toegestaan indien deze
                                worden gegenereerd en gereserveerd ten behoeve van maatschappelijke
                                activiteiten, in overeenstemming met doelstellingen van gemeentelijk
                                beleid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college hanteert nadere regels bij de beoordeling van reserve-
                                en vermogensposities, als bedoeld in het tweede lid en gegeven
                                artikel 2:3 lid 1, ongeacht hun totstandkoming, bij de verlening of
                                weigering van subsidie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het besluit tot subsidieverlening kan een instelling worden
                                verplicht om een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in artikel
                                4:72 Awb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is een instelling toegestaan om, los van reserve- of
                                vermogensvorming als bedoeld in het tweede lid, specifiek benoemde
                                bestemmingsreserves of financiële voorzieningen te vormen, voor
                                zover dit bij de aanvraag om subsidie wordt aangegeven en planmatig
                                door de aanvragende instelling wordt onderbouwd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan in het besluit tot subsidieverlening of in de
                                uitvoeringsovereenkomst ingevolge artikel 4:36 Awb (beperkende)
                                voorwaarden verbinden aan het vormen van bestemmingsreserves en
                                financiële voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb is de
                                instelling aan het college een vergoeding verschuldigd, welke bij
                                afzonderlijke besluitvorming wordt vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag waarmee subsidiëring door
                                het college heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding
                                tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van
                                de economische waarde van de eigendommen en de andere
                                vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding
                                verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of
                                beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag, dat als
                                schadevergoeding door de instelling is ontvangen. Indien het een
                                onroerende zaak betreft, geschiedt de waardebepaling door één of
                                drie onafhankelijke deskundigen. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college kan op een daartoe strekkend verzoek besluiten dat geen
                                vergoeding is verschuldigd, indien de activiteiten of werkzaamheden
                                van de instelling worden overgenomen en voortgezet door een
                                rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling, en
                                de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Ingeval sprake is van ontbinding van een rechtspersoon die subsidie
                                heeft ontvangen, dan wel, naar het oordeel van het college,
                                kennelijke beëindiging van de activiteiten en indien de instelling
                                naar het oordeel van het college niet in staat is de eventueel
                                resterende gelden of (on)roerende zaken overeenkomstig de
                                doelstelling van de instelling aan te wenden, wordt het positief
                                liquidatiesaldo bij voorrang ter beschikking gesteld van de gemeente
                                Den Helder, indien een eventueel batig saldo van de door een
                                accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid Burgerlijk
                                Wetboek opgestelde (liquidatie)rekening dit toelaat. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regel afwijken van het bepaalde in het
                                eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling voert het activiteitenplan uit zoals dat aan de
                                subsidieverlening ten grondslag ligt. Afwijking van het plan behoeft
                                de goedkeuring van het college, dat daarbij nadere regels
                                hanteert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van een doelmatige werkwijze en uitvoering, alsmede ten
                                behoeve van een verantwoord gebruik van de beschikbare middelen, kan
                                het college aan de subsidieverlening voorwaarden of voorschriften
                                verbinden, de samenwerking met andere instellingen, externe
                                niet-gebonden natuurlijke personen en/of de gemeente daaronder
                                begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op instellingen,
                                waarvan het verleende subsidie wordt vastgesteld op een bedrag lager
                                of gelijk aan € 5.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><al>Een instelling kan slechts aanspraak maken op subsidie, met inachtneming
                            van artikel 2:3 lid 1a, indien zij haar diensten ter beschikking stelt
                            aan alle inwoners van de gemeente Den Helder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Professionaliteitseisen en andere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling verzekert zijn bezittingen, het in dienst zijnde
                                personeel en de bij de activiteiten betrokken goederen en
                                vrijwilligers tegen schade en het risico van wettelijke
                                aansprakelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de activiteiten door beroepskrachten worden uitgevoerd en/of
                                begeleid, dienen deze te handelen in overeenstemming met de voor hun
                                beroepsuitoefening geldende professionele standaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4:37 Awb kan
                                het college bij een besluit totsubsidieverlening ook andere
                                verplichtingen opleggen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 van
                                de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>De aanvraag om subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de beschikking tot subsidievaststelling wordt een aanvraag bij
                                het college ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De instelling aan wie een contractsubsidie is verleend, dient binnen
                                dertien weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot
                                vaststelling van de subsidie in, met inachtneming van het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De instelling aan wie een prestatiesubsidie is verleend, dient
                                binnen dertien weken na afloop van de activiteit(en) waarvoor de
                                subsidie is aangevraagd een aanvraag tot vaststelling van de
                                subsidie in, met inachtneming van het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in lid 2 en 3
                                worden ingediend, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in een uitvoeringsovereenkomst anders is geregeld;</al></li><li nr="b."><al>in de subsidiebeschikking anders is bepaald;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een subsidiebeschikking als bedoeld in
                                        artikel 2:6.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Gegevens bij de aanvraag om subsidievaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag van de beschikking tot vaststelling van de
                                    subsidie van € 5.000,- of meer, worden de volgende stukken
                                    ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>een gespecificeerde rekening van baten en lasten,
                                            betrekking hebbende op de gesubsidieerde activiteiten,
                                            alsmede een duidelijke toelichting op deze rekening in
                                            relatie tot de begroting, i.c. een financieel verslag
                                            als bedoeld in de artikelen 4:45 en 4:76 Awb;</al></li><li nr="b."><al>een beknopt en overzichtelijk verslag van de verrichte
                                            activiteiten en prestaties, i.c. een activiteitenverslag
                                            als bedoeld in artikel 4:80 Awb., met speciale aandacht
                                            voor de duur en het bereik van de uitgevoerde
                                            activiteiten en voor het activerende karakter en
                                            resultaat van die activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan in bijzondere gevallen van het in het eerste lid
                                    gestelde afwijken en voor zover het dit noodzakelijk acht de
                                    instelling verplichten andere gegevens en bescheiden over te
                                    leggen.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien de instelling ingevolge wettelijk voorschrift verplicht
                                    is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel
                                    2:361 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de
                                    subsidieverlening is bepaald, legt zij in plaats van het
                                    financieel verslag de jaarrekening over.</al></li><li nr="4."><al>Bij de aanvraag tot subsidievaststelling waarbij het
                                    subsidiebedrag dan wel de som van meerdere door het college
                                    verleende subsidies berekend over een subsidiejaar € 50.000,- of
                                    hoger is, is de instelling verplicht naast het verslag als
                                    bedoeld in het vorige lid tevens een goedkeurende
                                    accountantsverklaring te overleggen, en wel vóór 1 juni van het
                                    jaar in aansluiting op het subsidiejaar.</al></li><li nr="5."><al>Bij instellingen als bedoeld in het voorgaande lid, waarbij de
                                    fysieke overdracht van eenondertekende accountantsverklaring
                                    geweigerd wordt (wegens vermijding handtekeningmisbruik),
                                    hanteert het college een handelwijze gebaseerd op de Wet
                                    Toezicht Accountantsorganisatiesen vereist het een separate
                                    getekende of geparafeerde accountants-controleverklaring,
                                    alsmede de mogelijkheid tot volledige inzage in de
                                    niet-afgedragen officiële ondertekende stukken van de instelling
                                    in kwestie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de subsidie vast overeenkomstig het bepaalde in
                                artikel 4:46 Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd overeenkomstig artikel 4:50 Awb de
                                subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen ten nadele van de
                                subsidieontvanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Ambtshalve vaststelling</titel></kop><al>Het college is bevoegd ambtshalve de subsidie vast te stellen indien 13
                            weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend, door de
                            instelling geen aanvraag is ingediend om vaststelling van de subsidie,
                            tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Beslistermijn bij vaststelling</titel></kop><al>Op de aanvraag om subsidievaststelling wordt binnen 13 weken na
                            ommekomst van de in artikel 4:1 lid 2 en 3 genoemde termijnen voor de
                            indiening ervan, door het college beslist. Het college kan deze termijn
                            één maal met maximaal 8 weken verlengen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Betaling en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt in de verleningsbeschikking de hoogte van het
                                voorschot en het aantal termijnen waarin betaald wordt; het college
                                stelt hiertoe nadere regels vast met betrekking tot de
                                bevoorschotting van instellingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verzoek van de instelling tot (extra) bevoorschotting moet
                                schriftelijk, onder opgave van redenen, bij het college worden
                                ingediend, dat daarop zo spoedig mogelijk zal beslissen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorschot op een prestatiesubsidie wordt niet eerder verleend
                                dan nadat de instelling de overeenkomst waarin de activiteiten en
                                prestaties staan weergegeven heeft ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Batig saldo</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in de artikelen 3:6, leden 2 en 3, en artikel
                                4:3, leden 2 en 3, kan het college beslissen tot restitutie van een
                                batig saldo, indien de jaarrekening of de afrekening bij de
                                subsidievaststelling van de instelling een batig saldo aanwijst. Het
                                bedrag van het saldo, gelimiteerd tot het bedrag van de verleende
                                subsidie, dient bij invordering op eerste aanmaning van het college
                                in de gemeentekas te worden teruggestort, tenzij het college anders
                                beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de instelling tevens subsidie ontvangt van andere
                                subsidiënten dan de gemeente, vindt terugstorting als bedoeld in het
                                eerste lid, naar evenredigheid van de toegekende subsidies
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op aan
                                instellingen verstrekte prestatiesubsidies, indien de vooraf
                                overeengekomen prestaties volledig zijn vervuld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Bijzondere bevoegdheden</titel></kop><al>Het college kan, mits bij beschikking gemotiveerd, besluiten tot
                            opschorting van het verstrekken van voorschotten, terugvordering van
                            reeds verleende voorschotten óf tot wijziging of intrekking van de
                            subsidiebeschikking in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de instelling heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt
                                    en kennis van de juiste gegevens zou tot een andere beschikking
                                    hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de instelling voldoet niet of niet geheel aan het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>de instelling is niet of onvoldoende overeenkomstig haar
                                    doelstelling werkzaam;</al></li><li nr="d."><al>het effect en/of de omvang van de activiteiten geeft daartoe
                                    aanleiding;</al></li><li nr="e."><al>de instelling voldoet niet of niet tijdig aan de informatie- en
                                    meldingsplicht met betrekking tot de te leveren prestaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Meerjarige contractsubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een instelling alleen een subsidie verlenen voor
                                een langere periode dan één jaar, wanneer dit in overeenstemming is
                                met het resultaat van een daartoe met de raad gevoerde wensen- en
                                bedenkingenprocedure.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van het bepaalde in het vorige lid
                                een meerjarige subsidie verlenen voor een periode van maximaal vier
                                kalenderjaren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college met inachtneming van het eerste en tweede lid een
                                meerjarige subsidie verleent, wordt in de beschikking aangegeven op
                                welk bedrag de aanvrager voor ieder jaar recht heeft, dan wel op
                                welke wijze het verleende subsidie jaarlijks geïndexeerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er sprake is van indexering, past het college het
                                subsidiebedrag jaarlijks aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het College kan bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten
                            of ten gunste van instelling daarvan afwijken, voor zover toepassing van
                            betreffende bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende
                            aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidieaanvragen, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van
                                deze verordening en waarover bij de inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet is beslist, worden geacht te zijn ingediend op
                                basis van deze verordening en op die basis behandeld, dan wel op
                                daarbij genoemde deelsubsidieverordeningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vaststelling van de in lid 1 genoemde subsidie vindt eveneens
                                plaats op basis van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn
                                verleend en die nog niet zijn vastgesteld, blijven de bepalingen
                                zoals opgenomen in de Algemene subsidieverordening 2008, of de
                                daarbij relevante deelsubsidieverordening, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften wordt beslist met toepassing van de
                                (deel)verordening zoals deze gold bij de primaire
                                besluitvorming.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Aanmelding staatssteun</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidie op grond van deze verordening die aan alle criteria
                                voor meldingsplichtige staatssteun lijkt te voldoen, wordt voordat
                                zij wordt verleend door het college aangemeld bij de Europese
                                Commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidie die mogelijk staatssteun vormt, wordt niet verleend
                                voordat de Europese Commissie een beschikking tot goedkeuring van
                                die steun heeft gegeven of wordt geacht die te hebben gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>De-minimis-regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover een subsidie kan worden aangemerkt als staatssteun en
                                wordt verleend onder de de-minimis-verordening, bedraagt de subsidie
                                niet meer dan het bedrag dat op grond van die verordening maximaal
                                mag worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling van het subsidiebedrag als bedoeld in het eerste
                                lid, wordt de over een periode van de afgelopen drie jaar verkregen
                                overheidssteun meegerekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval van het eerste lid ondertekent de instelling een
                                verklaring waarbij hij/zij verklaart dat met de betreffende
                                subsidieverstrekking het maximaal te verstrekken bedrag, gerekend
                                over een periode van drie jaar, niet wordt overschreden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening of een nadere regel niet voorziet,
                            beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:8</nr><label>Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt na haar bekendmaking in werking met ingang van 1
                            januari 2013.</al><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening komt de “Algemene
                            subsidieverordening 2008” te vervallen.</al><al>Deelsubsidieverordeningen en in dit kader van toepassing zijnde
                            beleidsregels blijven van kracht totdat zij zijn aangepast aan het
                            bepaalde in deze verordening. Indien deelsubsidieverordeningen en
                            beleidsregels niet zijn aangepast op 1 januari 2013, is deze verordening
                            bij strijdigheid van toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                            2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 28 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene Subsidieverordening 2013 </titel></kop><tussenkop>1. Algemeen </tussenkop><al>In deze toelichting worden in het eerste deel zaken toegelicht die in algemene
                    zin verband houden met deze verordening als formeel juridisch instrument,
                    waaronder het wettelijk kader, de structuur van het subsidiestelsel en enkele
                    aanverwante zaken. Een inhoudelijke toelichting zal worden gekoppeld aan de
                    bijbehorende nog door het college vast te stellen set beleidsregels (materieel
                    instrument). Het tweede deel van deze toelichting bevat een artikelsgewijze
                    toelichting op de Algemene subsidie-verordening (Asv) 2013. Deze toelichting
                    biedt daarmee technische en juridische handvatten voor de toepassing en de
                    interpretatie van de verordening.</al><al/><tussenkop>2. Geldende kaders voor de Asv </tussenkop><tussenkop>2.1 Algemeen juridisch kader</tussenkop><al>Subsidietitel 4.2 Awb bevat het algemene juridische kader voor vrijwel alle
                    subsidies op alle beleidsterreinen die worden verstrekt door het Rijk en lagere
                    overheden (waaronder de gemeenten).</al><al>De subsidietitel in de Awb omvat samengevat de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="·"><al>een algemene regeling van de rechtspositie van het subsidieverlenende
                            bestuursorgaan en van de subsidieontvanger;</al></li><li nr="·"><al>verschillende instrumenten om misbruik en oneigenlijk gebruik van
                            subsidie tegen te gaan;</al></li><li nr="·"><al>instrumenten om overschrijding tegen te gaan van de op de begroting van
                            het bestuursorgaan uitgetrokken middelen voor subsidiëring;</al></li><li nr="·"><al>het vereiste dat de bevoegdheid van het bestuursorgaan om bepaalde
                            activiteiten te subsidiëren uit een bijzondere wet of verordening
                            blijkt.</al></li></lijst><al>Een subsidie kan alleen worden verleend als er een wettelijke grondslag voor is.
                    Deze grondslag wordt geboden door artikel 4:21 Awb, dat van toepassing is op
                    subsidies die door gemeentelijke bestuursorganen worden verstrekt. De
                    subsidietitel van de Awb bevat een standaardregeling voor alle
                    subsidieverstrekkingen. De verbijzondering naar deze lokale situatie staat in de
                    lokale - in dit geval Helderse – Algemene subsidieverordening 2013. </al><al>In de lijn van deregulering en administratieve lastenverlichting is gekozen voor
                    een sobere en universeel toepasbare Asv 2013. Voordeel hiervan is dat deze in de
                    toekomst ook als basisregeling kan dienen voor nieuwe beleidsonderwerpen voor
                    zover uitwerking noodzakelijk is in nadere regels en/of beleidsregels. </al><al/><tussenkop>3. Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen </tussenkop><al>De onderdelen a tot en met c spreken voor zich en behoeven geen nadere
                    toelichting.</al><al>In onderdeel d wordt het begrip ‘subsidie’ gedefinieerd. De definitie is
                    overgenomen uit artikel 4:21 Awb. Het subsidiebegrip is een zogenoemd materieel
                    begrip. Dat wil zeggen dat bepalend is of voldaan is aan de elementen van het
                    begrip, ongeacht de benaming. Begrippen als bijdrage, financiering of uitkering
                    kunnen dus ook subsidie zijn. </al><al>Met ‘aanspraak op financiële middelen' is bedoeld dat die middelen in rechte
                    afdwingbaar zijn. Het bijvoeglijk naamwoord 'financiële' geeft aan dat het niet
                    gaat om een bijdrage of ondersteuning in natura, zoals bijvoorbeeld een lagere
                    prijs voor een museumkaartje, vrijstelling van precario en dergelijke.</al><al>Het element 'door een bestuursorgaan verleend' betekent voor de gemeente dat de
                    subsidie kan worden verstrekt door de burgemeester, het college en de
                    gemeenteraad, maar ook door een commissie met bepaalde bevoegdheden. In de
                    gemeentelijke praktijk stelt de raad de (beleids)kaders en het budget vast en
                    voert het college de verordening uit. Meer hierover in de toelichting bij
                    artikel 1:3.</al><al>Met het element 'met het oog op bepaalde activiteiten' wordt bedoeld dat
                    voorafgaand aan de activiteiten de bestedingsrichting van de gelden is
                    vastgelegd. De aard van de activiteiten kan zeer uiteenlopen. Het kan gaan om
                    incidentele of voortdurende activiteiten. Door deze omschrijving vallen de
                    sociale uitkeringen, huursubsidie (!), tegemoetkoming in de kosten van
                    kinderopvang, schade-vergoeding en studiefinanciering niet onder het
                    subsidiebegrip. Het gaat dan niet om een bepaalde activiteit, maar om een
                    bepaalde vorm van inkomensvoorziening.</al><al>De toevoeging 'anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                    goederen of diensten’ geeft aan dat de betaling voor het leveren van goederen en
                    diensten aan de gemeente niet wordt beschouwd als een subsidie.</al><al>Hoewel bijzondere bijstand en specifieke subsidies voor gehandicapten
                    (bijvoorbeeld met het oog op woningaanpassing of (re)integratie in het
                    arbeidsproces) naar de letter van artikel 4:21 Awb als subsidie zouden kunnen
                    worden aangemerkt, heeft de wetgever deze zaken toch van de toepasselijkheid van
                    de subsidietitel uitgesloten. Het argument is gelegen in de nauwe verwevenheid
                    met de verstrekkingen op grond van de sociale zekerheidswetgeving die geen
                    subsidies zijn.</al><al>In onderdeel e wordt het begrip ‘boekjaar’ gedefinieerd. De meeste subsidies
                    hebben immers betrekking op het tijdvak dat begint op 1 januari en eindigt op 31
                    december van een bepaald jaar, en hiermee is dit begrip ook in lijn met afdeling
                    4.2.8 van de Awb. Op sommige beleidsterreinen (te denken valt aan onderwijs)
                    zijn ook andere tijdvakken gebruikelijk. Subsidiëring voor een ander tijdvak
                    (bijvoorbeeld een schooljaar) is in de nieuwe systematiek en opzet slechts
                    mogelijk voor zover een nadere regeling of bijzondere regeling hier expliciet in
                    voorziet.</al><al>In onderdeel f wordt het begrip ‘instelling’ gedefinieerd. Vast ligt het
                    uitgangspunt dat alleen rechtspersonen of door het college aanvaardbaar geachte
                    organisatorische eenheden voor subsidie in aanmerking komen. Toch kan in sommige
                    situaties er geen bezwaar tegen bestaan als ook natuurlijke personen in
                    aanmerking komen voor subsidie. Hierbij kan worden gedacht aan (spontane)
                    particuliere initiatieven voor buurt- of wijkactiviteiten, activiteiten die
                    normaliter onder de noemer van het wijkgericht werken mogelijk aanspraak kunnen
                    maken op middelen die op basis van het wijkconvenant beschikbaar kunnen worden
                    gesteld. Subsidiëring is hier slechts mogelijk voor zover betrokkenen zich in
                    een rechtspersoon hebben verenigd, dan wel voor zover een nadere regeling hier
                    expliciet voorziet in subsidieverlening aan natuurlijke personen.</al><al>Onderdeel g spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.</al><al>In de onderdelen h en i worden de gehanteerde subsidiecategorieën/-soorten
                    gedefinieerd. Het betreft hier de prestatie- en contractsubsidie. De oude Asv
                    onderscheidde meerdere categorieën dan wel soorten subsidies: exploitatie-,
                    investerings-, incidentele, garantie- en budgetsubsidies. Er is nu voor een
                    vergaande vereenvoudiging gekozen.</al><al>Geconstateerd is dat het strikt (blijven) scheiden en definiëren van deze
                    meerdere ‘oude’ subsidie-categorieën geen toegevoegde waarde heeft.
                    Complicerende factor bij die strikte scheiding is dat sommige activiteiten,
                    afhankelijk van de gekozen insteek (zoals aard, duur of subject), onder meerdere
                    noemers kunnen worden gebracht. Het vereist niet veel inlevingsvermogen om zich
                    een voorstelling te maken van een activiteit die zowel voor een incidentele, als
                    voor een waarderings-, evenementen-, project- of garantiesubsidie in aanmerking
                    zou kunnen komen. </al><al>Het onderscheidend vermogen tussen bepaalde subsidiecategorieën dan wel -soorten
                    is met regelmaat dan ook gering of van geen enkele waarde. Volstaan kan worden
                    met een beperkt aantal subsidiecategorieën dan wel -soorten. Deze richten zich
                    op de <cursief>activiteit</cursief> die de gemeente op basis van haar beleid
                    gerealiseerd wil zien, niet op specifieke kostenposten die met subsidiegeld
                    worden afgedekt, en uiteindelijk uiteraard op het maatschappelijk resultaat dat
                    ermee bereikt wordt. Een grote diversiteit aan subsidiesoorten leidt enkel tot
                    onnodig uitgebreide regelgeving en tot discussies of vragen die voorbij gaan aan
                    de essentie van subsidiëring. Met en binnen de twee gedefinieerde kerntypen van
                    subsidie – nl. prestatie- en contractsubsidies - is het mogelijk aan alle
                    gemeentelijke beleidsdoelstellingen bij te dragen via gesubsidieerde
                    activiteiten. Verder gespecificeerde subsidiecategorieën dan wel -soorten zijn
                    niet nodig. </al><al>De contractsubsidie wordt een instelling verleend op basis van een overeenkomst
                    waarin de door de instelling te leveren activiteiten en prestaties zijn
                    vastgelegd. Deze zijn daarbij expliciet verbonden aan de effecten, doelen en
                    prestatie-indicatoren die de gemeente hanteert. Deze vormen immers uitgangs-punt
                    en ijkpunt, ook bij de verantwoording en vaststelling. In de Helderse praktijk
                    betreft het voornamelijk subsidieovereenkomsten in het kader van de zogenoemde
                    beleidsgestuurde contract-financiering (BCF). Maar, de contractsubsidie is
                        <cursief>niet synoniem</cursief> aan BCF-subsidie. Ook niet-BCF-partners
                    kunnen in aanmerking komen voor een (bijvoorbeeld éénjarige) contract- of
                    prestatiesubsidie. Nadere regelgeving zal hier moeten voorzien in de expliciete
                    en uitgewerkte koppeling van gesubsidieerde activiteiten aan vanuit de gemeente
                    beoogde maatschappelijke effecten en doelen, en daarbij gehanteerde
                    prestatie-afspraken en -indicatoren. </al><al>De onderdelen k en l spreken voor zich. Onderdeel m omschrijft het begrip
                    financiële voorziening. Een voorziening wordt beschouwd als vreemd vermogen. De
                    onderdelen n tot en met p beschrijven verschillende vormen van financiële
                    reserves. Dit om tot duiding van de omgang met reserves en vermogen te komen. </al><al/><tussenkop>Artikel 1:2 Reikwijdte verordening en aangewezen beleidsterreinen </tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt dat deze verordening van toepassing is op alle
                    gemeentelijke subsidies. Dit neemt overigens niet weg dat de raad - in
                    voorkomend geval - altijd bevoegd is om bijzondere subsidieverordeningen vast te
                    stellen wanneer dit opportuun is.</al><al>Artikel 4:23, eerste lid Awb verplicht de gemeente bij verordening aan te geven
                    voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Met een verwijzing naar
                    de begroting is een en ander voldoende bepaalbaar. Voordeel van deze constructie
                    is dat bij subsidiëring van nieuwe beleidsvelden de Asv niet behoeft te worden
                    gewijzigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 1:3 Bevoegdheden</tussenkop><al>Dit artikel wijst op de (verdeling van) bevoegdheden in het duale stelsel. In
                    dit stelsel is er een scheiding aangebracht tussen de positie en bevoegdheden
                    van de gemeenteraad en die van het college. In het duale systeem kan de
                    gemeenteraad vooraf kaders stellen voor het beleid met zijn budgettaire en
                    regelgevende functie en achteraf de uitvoering controleren met alle hem ter
                    beschikking staande controle-instrumenten. Het college is in de lijn van deze
                    ontwikkeling belast met de uitvoering van het beleid.</al><al>In deze verordening zijn alle uitvoeringsaspecten neergelegd bij het college,
                    zoals het hoort. Het gaat dan primair om het verlenen, vaststellen, wijzigen en
                    intrekken van subsidies. Ook kan bij uitvoeringshandelingen worden gedacht aan
                    zaken als bevoorschotting, betaalbaarstelling en het sluiten van
                    uitvoeringsovereenkomsten met instellingen.</al><al>Wat de subsidieovereenkomsten betreft nog het volgende. De Awb maakt het
                    mogelijk om ter uitvoering van de subsidieverlening uitvoeringsovereenkomsten te
                    sluiten ingevolge artikel 4:36 Awb. Een dergelijk in Den Helder
                    ‘subsidieovereenkomst’ genoemd document mag geen doublure zijn van de
                    subsidiebeschikking. Essentiële elementen van de subsidieverhouding moeten in de
                    beschikking staan, zoals een aanduiding van de activiteiten, eventuele
                    verplichtingen, het subsidiebedrag of de berekeningswijze daarvan. Denkbaar is
                    wel dat deze elementen in de beschikking in meer algemene zin worden geregeld en
                    dat de uitwerking of verfijning plaats heeft in de subsidieovereenkomst. </al><al>Naast deze primaire functie geeft de subsidieovereenkomst ook uitdrukking aan de
                    onderhandelings-relatie tussen de gemeente en subsidieontvangers, ofwel aan de
                    gemaakte afspraken en de vastgelegde prestatie-eisen. Meestal wordt de
                    subsidieovereenkomst gehanteerd om prestatieafspraken met grote, professionele
                    subsidieontvangers vast te leggen. Overigens is het sluiten van een overeenkomst
                    geen juridische noodzaak: de gemeente kan en mag volstaan met een beschikking
                    tot subsidieverlening waarin is vastgelegd wat van de subsidieontvanger wordt
                    verwacht. Deze verordening gaat er echter van uit dat bij prestatiesubsidies in
                    de praktijk subsidieovereenkomsten worden gesloten. </al><al>De verhouding tussen subsidiebeschikking en -overeenkomst is onder meer van
                    belang met het oog op de rechtsbescherming. Subsidiëring is en blijft conform de
                    Awb een publiekrechtelijke handeling waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. De
                    prestatieovereenkomst zelf wordt beheerst door het privaatrecht. </al><al>Het vijfde lid van artikel 1:3 bepaalt dat het college bevoegd is om nadere
                    regels te stellen en dus ook om via nadere regels op onderdelen af te wijken van
                    het bepaalde in de verordening. In feite verschaft deze bepaling het college de
                    juridische legitimatie om specifieke regelgeving vast te stellen. Het gaat hier
                    om gedelegeerde regelgeving: een andere benaming voor nadere regels of
                    ‘beleidsregels’.</al><al>Het is echter niet de bedoeling om via voornoemde afwijkingsbevoegdheid het
                    college als het ware een blanco volmacht te verstrekken. Van de bevoegdheid om
                    in nadere regels af te wijken van hoofdregels en uitgangspunten zoals gesteld in
                    de Asv, mag van de zijde van het college slechts met terughoudendheid gebruik
                    worden gemaakt. Gebruikmaking ligt in ieder geval voor de hand om afwijkende
                    normering, bijvoorbeeld uit oude deelverordeningen, te vertalen naar de nieuwe
                    systematiek.</al><al/><tussenkop>Artikel 1:4 Subsidieplafond </tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel is vastgelegd dat de gemeenteraad
                    subsidieplafonds in de zin van artikel 4:22 Awb kan vaststellen. In Den Helder
                    geschiedt dit in beginsel jaarlijks voor het daarop volgende jaar en doorgaans
                    tegelijk met de behandeling van de begroting. Het vaststellen van
                    subsidieplafonds (voor elk beleidsterrein) is door het bezigen van de term ‘kan’
                    niet verplicht, maar met een subsidieplafond wordt voorkomen dat een
                    subsidieregeling tot onbegrensde uitgaven leidt. Een subsidie moet namelijk
                    (door het college) worden geweigerd, indien door verstrekking van de subsidie
                    een vastgesteld subsidieplafond zou worden overschreden (zie artikel 4:25,
                    tweede lid, Awb). Deze bepaling inzake het subsidieplafond beoogt enerzijds
                    recht te doen aan de rechtszekerheid van subsidieaanvragers, anderzijds aan de
                    begrotingsdiscipline. </al><al>Uitgangspunt in de bepaling ‘jaarlijks’ is dat een subsidiejaar gelijk is aan
                    een kalenderjaar. Ingevolge het vijfde lid van artikel 1:3 kan het college
                    hiervan in een individueel geval afwijken en heeft het de mogelijkheid om een en
                    ander meer generiek te regelen via nadere regels.</al><al>De wijze van verdeling van het beschikbare bedrag bij een subsidieplafond moet
                    volgens het eerste lid van artikel 4:26 Awb worden geregeld bij wettelijk
                    voorschrift of door het bestuursorgaan dat de bevoegdheid aan een wettelijk
                    voorschrift ontleent. Met het tweede lid wordt invulling gegeven aan deze
                    wettelijke verplichting en is het vervolgens aan het college om de verdeelregels
                    (per beleids-terrein en/of beleidsonderwerp) te bepalen. Daarbij heeft het
                    college grofweg de keuze tussen een tendersysteem (selectie op basis van
                    inhoudelijke en kwalitatieve criteria) of een systeem volgens het principe ‘wie
                    het eerst komt, het eerst maalt’ (volgorde van binnenkomst aanvraag). </al><al/><tussenkop>Artikel 1:5 Begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>Het begrotingsvoorbehoud is geregeld in artikel 4:34 Awb en geeft het bevoegde
                    bestuursorgaan (het college) het recht om een reeds verleende subsidie in te
                    trekken of te wijzigen, indien de definitieve begroting of tussentijdse
                    ontwikkelingen (artikel 2:5) onvoldoende ruimte bieden om de subsidieverlening
                    gestand te doen. Duidelijk is dat een begrotingsvoorbehoud met name van</al><al>betekenis is bij subsidies die voor meerdere jaren tegelijk worden verleend. Het
                    college kan daarbij wat de beschikbaarheid van de financiële middelen betreft
                    alleen over het eerste subsidiejaar echte zekerheid verschaffen. Voor de
                    subsidiejaren daarna is het raadzaam om een begrotingsvoorbehoud te maken. </al><al>Bij meerjarige subsidies brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
                    overigens met zich mee dat het begrotingsvoorbehoud slechts kan worden
                    ingeroepen met inachtneming van een redelijke termijn en alleen met werking ex
                    nunc (beoordeling vanuit de huidige situatie en niet vanuit de situatie die
                    bestond ten tijde van de afsluiting van de meerjarige overeenkomst, zie ook het
                    vierde lid van artikel 4:34 Awb). Gezien het bijzondere karakter van het
                    begrotingsvoorbehoud moet hiervan altijd melding worden gemaakt in het
                    verleningsbesluit en in de beschikking. Ten slotte dient een
                    begrotingsvoorbehoud binnen vier weken na vaststelling van de begroting te
                    worden ingeroepen: daarna vervalt het (zie artikel 4:34, derde lid, Awb).</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2 De Subsidieverlening </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2:1 De subsidieaanvraag</tussenkop><al>Subsidieverlening geschiedt op aanvraag. Titel 4.2 Awb (Subsidies) bevat geen
                    specifieke voorschriften waaraan een aanvraag moet voldoen. Daarvoor moet worden
                    teruggevallen op de algemene bepalingen in Titel 4.1 Awb (Beschikkingen) omtrent
                    het aanvragen van beschikkingen. De specifieke of aanvullende voorschriften
                    treft men aan in deze verordening en in onderliggende regels (nadere regels of
                    beleidsregels).</al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt gesteld dat prestatiesubsidies
                    aangevraagd dienen te worden vóór 1 juli voorafgaand aan het feitelijke
                    subsidiejaar. Dit is gelijk aan de termijn uit de voorgaande verordening. Het
                    tweede lid heeft betrekking op waarderingssubsidies en stelt de termijn daarvoor
                    vast op 1 oktober. </al><al>Op grond van artikel 2:4, tweede lid is bepaald dat op een aanvraag voor een
                    prestatiesubsidie (artikel2:1 lid 3) binnen acht weken wordt beslist. Dit
                    betekent dat de instelling normaal gesproken, zelfs bij een tussentijdse
                    verlenging van de beslistermijn met vier weken, voor de uitvoering van de
                    voorgenomen activiteit een beslissing heeft op de aanvraag.</al><al>Het vierde lid is opgenomen om te voorkomen dat aanvragen worden ingediend
                    wanneer al met de activiteiten is gestart of wanneer die al zijn afgerond.
                    Aanvragen die te laat worden ingediend, kunnen geweigerd worden. Ook kan de
                    hardheidsclausule (artikel 6:3) nog in beeld komen. Het is niet mogelijk om een
                    te laat ingediende aanvraag buiten behandeling te stellen overeenkomstig artikel
                    4:5 Awb. Dit artikel is bij termijnoverschrijding niet aan de orde. Een
                    onvolledige aanvraag die op tijd wordt ingediend, wordt in beginsel beschouwd
                    als een tijdige aanvraag, ook al behoeft deze naderhand nog aanvulling. Een
                    instelling is ingevolge artikel 2:2 lid 5 verplicht om subsidieaanvragen
                    ingediend bij andere instanties aan het college te melden.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:2 Gegevens bij de subsidieaanvraag</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:3 Weigeringsgronden </tussenkop><al>In het eerste lid wordt op de eerste plaats gewezen op de algemene
                    weigeringsgronden uit de Awb. Het betreft hier de artikelen 4:25 en 4:35 Awb
                    Naast het genoemde in lid 1 kan conform artikel 4:35 Awb de subsidie ook worden
                    geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="1."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zouden hebben geleid;</al></li><li nr="2."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li></lijst><al>De in artikel 2:3, eerste lid onder c genoemde weigeringsgrond kan vragen rond
                    de begrippen ‘voldoende’ en ‘eigen middelen’ oproepen. Het verdient aanbeveling
                    deze begrippen in de toekomst eenduidig in nadere regels te definiëren.
                    Onderhavige weigeringsgrond is evenwel een standaard-bepaling, die nagenoeg door
                    alle grote en middelgrote gemeenten gehanteerd wordt. Definiëring van het begrip
                    ‘voldoende’ is vooralsnog in geen enkele gemeentelijke subsidieverordening
                    aangetroffen. Definiëring is op zich ook een lastige opgave. In deze verordening
                    is bovendien gekozen voor het begrip ‘benodigd’, dat tevens aangeeft dat het
                    gaat om de gelden die door de instelling zelf als ‘nodig’ zijn benoemd.</al><al>Die ‘benodigdheid‘ van middelen speelt nog een rol bij de subsidieaanvraag.
                    Getoetst moet worden of de aanvrager beschikt over voldoende eigen middelen om
                    de activiteiten uit te voeren. De vorming van eigen vermogen speelt daarbij een
                    rol. Voorkomen moet worden dat het verstrekken van subsidie leidt tot
                    structurele en ongewenste groei van het vermogen van de instelling. Onder andere
                    de artikelen 3:4 en 3:5 van deze verordening spelen daarbij ook een rol. </al><al>Voor de uitvoeringspraktijk is nog van belang dat, wanneer het college
                    voornemens is om een subsidieaanvraag te weigeren, de instelling in beginsel
                    niet behoeft te worden gehoord ex artikel 4:7 Awb. Dit vanwege het feit dat een
                    subsidiebeschikking een beschikking is die strekt tot het vaststellen van een
                    financiële verplichting of aanspraak. Uitzondering op deze hoofdregel is onder
                    andere de weigering op basis van het bepaalde in artikel 4:35 Awb (zie artikel
                    4:12, tweede lid Awb). Bij weigering op grond van een eigen subsidieverordening
                    geldt de hoorplicht dus niet, tenzij het gaat om de in artikel 4:51 Awb bedoelde
                    weigering om een meer dan drie jaar durende subsidieverstrekking voort te zetten
                    wegens veranderende omstandigheden of gewijzigde inzichten (zie artikel 4:12,
                    tweede lid Awb).</al><al>Het vijfde lid van artikel 2:3 geeft uitdrukking aan het bestaan van nadere
                    regels waarin specifieke zaken zijn geregeld (zie het algemene deel van deze
                    toelichting). In deze nadere regels kunnen specifieke weigeringsgronden
                    voorkomen die gelden op dat specifieke deelterrein. </al><al>Een klein decennium geleden, op 1 juni 2003, is de Wet bevordering
                    integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB) in werking getreden.
                    De achtergrond van deze wet is overheidsinstanties die te maken hebben met
                    vergunningen, subsidies en aanbestedingen een instrumentarium te geven waarmee
                    ze de integriteit van betrokkenen beter kunnen beoordelen. Het is een middel dat
                    kan worden gebruikt om subsidies te weigeren, lager vast te stellen of in te
                    trekken voor zover er een vermoeden bestaat dat subsidie kan worden gebruikt
                    voor het plegen van strafbare feiten of het witwassen van zwart geld. </al><al>De Wet BIBOB zelf schept geen bevoegdheid om subsidieaanvragen te weigeren,
                    lager vast te stellen of in te trekken. In bijzondere subsidieregelingen zou dan
                    een en ander juridisch verankerd moeten worden. Tevens is toestemming van de
                    ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie vereist. De
                    toestemming wordt alleen geweigerd indien de toepassing van het BIBOB-instrument
                    een onevenredig zwaar middel zou zijn ten opzichte van het belang dat moet
                    worden gehecht aan de desbetreffende subsidie(s). </al><al>Hoewel het niet de bedoeling is geweest van de wetgever om algemene
                    subsidieregelingen aan te wijzen waarop de Wet BIBOB kan worden toegepast, in
                    verband met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, heeft het
                    college wel de mogelijkheid het BIBOB-instrument in te roepen (artikel
                    2:3).</al><al>Die mogelijkheid behoudt het college ook, hoewel het zich voorheen in principe
                    heeft uitgesproken subsidies niet onder de werking van de wet BIBOB te willen
                    laten vallen. Op dit moment vallen in Den Helder - conform besluitvorming in
                    2004 - alleen de horeca, speelhallen, coffeeshops en bordelen onder de werking
                    van de wet BIBOB. Dat heeft het college in 2004 bepaald. De Wet BIBOB is in 2012
                    gewijzigd. Ook andere beleidsterreinen kunnen onder de werking van deze wet
                    vallen. Bestuurlijk neigt men in Den Helder naar uitbreiding richting
                    vastgoedsector. Subsidies vallen dan nog altijd niet onder die werking, maar de
                    mogelijkheid van BIBOB-hantering staat voor het college wel open. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:4 Beslistermijn </tussenkop><al>Normaliter beslist het college na vaststelling van de gemeentelijke begroting
                    (november van iedere jaargang). Op basis van het tweede lid neemt het college
                    binnen acht weken na ontvangst van een volledige aanvraag voor een
                    prestatiesubsidie een besluit. Het college gaat hierbij uiteraard uit van de dan
                    geldende budgettaire omstandigheden en hanteert daarbij artikel 2:3 lid 1 van
                    deze verordening en artikel 4:25 Awb. </al><al>Met nadruk moet worden vermeld dat de termijn pas een aanvang neemt na ontvangst
                    van de volledige aanvraag. Indien een aanvraag niet volledig is vangt de termijn
                    pas aan na ontvangst van de ontbrekende gegevens. De beslistermijn voor
                    prestatiesubsidies is in deze verordening verkort tot acht weken. Wat de
                    argumentatie betreft zij kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel
                    2:1, lid 2. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:5 Intrekking en wijziging subsidiebedrag</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:6 Schakelbepaling</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Verplichtingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3:1 Evaluatieplicht</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:2 Algemene verplichtingen</tussenkop><al>Het is van belang dat het college tijdig geïnformeerd wordt over feiten en
                    omstandigheden die van invloed zijn of kunnen zijn op de uitvoering van de
                    activiteiten en de naleving van de subsidieverplichtingen. Een subsidieontvanger
                    is altijd verplicht de in dit artikel genoemde feiten en omstandigheden te
                    melden. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:3 Financiële verantwoording</tussenkop><al>In het eerste lid staat een aantal algemene administratieve verplichtingen voor
                    instellingen waaraan subsidie is verleend. Voor alle instellingen, voor beide
                    Helderse subsidiesoorten. Voor wat verstaan moet worden onder een zodanig
                    ingerichte administratie dat een getrouw en inzichtelijk beeld ontstaat van de
                    ondernomen activiteiten en financiële positie, wordt verwezen naar artikel 2:10
                    Burgerlijk Wetboek. Er dienen afdoende boeken, bescheiden of andere
                    gegevensdragers te zijn alsmede een balans en staat van baten en lasten.</al><al>In het vijfde lid is bepaald dat het boekjaar van een subsidieontvanger gelijk
                    moet zijn aan het kalenderjaar. Sommige subsidieontvangers hanteren een ander
                    boekjaar dan het kalenderjaar. Het is voor deze subsidieontvangers hierdoor
                    moeilijk om op tijd de jaarstukken in te dienen. De subsidieontvanger vraagt of
                    ontvangt subsidie en het is dan ook redelijk dat de gemeente verlangt dat de
                    aanvrager/subsidieontvanger zich aanpast aan de regels en termijnen van de
                    gemeente, en niet omgekeerd. Desondanks kan het college onder de werking van
                    deze verordening, en zeker indien zij nadere regels vaststelt, afwijken van
                    bestaande regels. Zij kan o.a. dus ook besluiten dat het boekjaar niet gelijk
                    hoeft te lopen met een kalenderjaar. De praktijk heeft uitgewezen dat wijziging
                    van het boekjaar in gevallen aan de zijde van de subsidieontvanger onredelijk
                    veel consequenties met zich meebrengt.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:4 Informatie- en meldingsplicht</tussenkop><al>In artikel 3:4 is opgenomen dat de subsidieontvanger op eigen initiatief melding
                    maakt van omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van artikelen uit deze
                    verordening en uit de wet. In artikel 4:46 Awb en artikel 4:49 Awb wordt tevens
                    bepaald wanneer respectievelijk een subsidie lager kan worden vastgesteld dan
                    wel na vaststelling met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd of
                    ingetrokken. Het gaat om de volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="1."><al>de activiteiten hebben niet of niet geheel plaatsgevonden;</al></li><li nr="2."><al>de subsidieontvanger heeft zich voor of na de subsidievaststelling niet
                            aan zijn verplichtingen gehouden;</al></li><li nr="3."><al>verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens;</al></li><li nr="4."><al>de subsidieverlening of -vaststelling is onjuist en de subsidieontvanger
                            behoorde dit te weten;</al></li><li nr="5."><al>feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de subsidievaststelling
                            en die bij de beschikking nog niet bekend waren.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 3:5 Toestemming</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:6 Reserves en vermogen</tussenkop><al>Gesubsidieerde instellingen moeten voldoende vrijheid van handelen hebben om
                    bedrijfsmatig te kunnen werken. Een positief resultaat direct en volledig
                    afromen kan niet alleen ervaren worden als ‘bestraffing’ van efficiënte
                    bedrijfsvoering: het ontneemt de instelling bovendien de mogelijkheid reserves
                    op te bouwen voor een periode waarin financiële tegenvallers zich kunnen
                    voordoen, in bepaalde structurele, toekomstige of onderhoudskosten te voorzien
                    e.d. Ook mogen creatieve - en wellicht ook lucratieve - initiatieven en
                    samenwerkingsverbanden die zich kunnen voordoen, niet op voorhand worden
                    gesmoord in een dreigende afroming van subsidies. Ook kan directe afroming er
                    gemakkelijk toe leiden dat aan het eind van een begrotingsjaar uitgaven gedaan
                    worden die niet direct noodzakelijk zijn. Wel moet worden voorkomen dat
                    instellingen de gelegenheid geboden wordt om gemeenschapsgelden te gebruiken
                    voor bovenmatige reserve c.q. vermogensvorming. </al><al>Algemene reserves zijn vrij besteedbaar en kunnen gebruikt worden om eventuele
                    (onvoorziene) bedrijfsrisico’s op te vangen. Algemene reserves behoren ook tot
                    het eigen vermogen van de instelling. Voor het vormen van algemene reserves zijn
                    geen regels opgenomen. Op de vraag wanneer algemene reserves bovenmatig zijn is
                    geen eenduidig antwoord te geven. Het heeft vaak te maken met zaken als
                    proportionaliteit en de specifieke omstandigheden die op een instelling van
                    toepassing zijn. De ene bovenmatigheid is de andere niet. Daarom moet per geval
                    worden bekeken of de algemene reserves bovenmatig zijn en verdient het
                    aanbeveling de ontwikkeling van nadere regels te onderzoeken. Indien er
                    uiteindelijk sprake is van bovenmatige reservevorming, kan de subsidie worden
                    afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 2:3, eerste lid onder g.</al><al>Voor bestemmingsreserves en voorzieningen geldt dat ze expliciet in een
                    financieel plan moeten zijn vastgelegd. Een bestemmingsreserve is een specifieke
                    reserve voor een te voren benoemde bestemming. Een voorziening wordt gevormd met
                    het oog op toekomstige verplichtingen. Met voorzieningen worden toekomstige
                    risico’s afgedekt zoals reorganisatiekosten, schadeclaims, fiscale
                    verplichtingen, en dergelijke. Voor zover reëel is het vormen van
                    bestemmingreserve en voorzieningen toegestaan.</al><al>Het vierde lid van artikel 3:6 spreekt over het stellen van beperkende
                    voorwaarden aan het vormen van bestemmingsreserves en voorzieningen. Het gaat
                    daarbij met name over de hoogte van beide componenten. Nadere regels zijn hier
                    wenselijk.</al><al>In het vijfde lid wordt verwezen naar artikel 4:41 Awb, dat een
                    vergoedingsverplichting aan het bestuursorgaan (de gemeente) bevat voor gevallen
                    waarin de subsidie bij de subsidieontvanger tot vermogensvorming heeft geleid.
                    Het bepaalde in artikel 4:41 Awb geldt alleen wanneer de verordening daarover
                    een bepaling bevat. Daarom is dit artikel in deze verordening opgenomen. Van
                    toepassingverklaring impliceert dat een vergoeding verschuldigd is in situaties
                    waarbij de subsidie-ontvanger goederen vervreemdt, een schadevergoeding ontvangt
                    voor verlies of beschadiging van goederen, de activiteiten heeft beëindigd of
                    wanneer de subsidieverlening of vaststelling wordt ingetrokken of de
                    rechtspersoon wordt ontbonden. De toelichting op de wet noemt als voorbeeld dat
                    een gesubsidieerde instelling met subsidiegeld een pand in eigendom verkrijgt en
                    dat pand na enkele jaren vervreemdt. De hoogte van de vergoeding wordt bij
                    afzonderlijke beschikking door het college aangegeven en door haar bepaald op
                    basis van het zesde lid.</al><al>Bij het achtste lid kan bijvoorbeeld worden gedacht aan maatschappelijke
                    instellingen die fuseren of deel gaan uitmaken van een koepelorganisatie. In een
                    dergelijke situatie kan het college een vergoeding verlangen. Bedoeld artikellid
                    geeft het college de mogelijkheid hiervan af te zien, als de werkzaamheden of
                    activiteiten worden voortgezet door een rechtspersoon met een gelijke of
                    nagenoeg gelijke doelstelling en na een daartoe strekkend verzoek van de
                    subsidieontvanger. Het spreekt voor zich dat een dergelijk verzoek tijdig moet
                    worden ingediend, zodat het college voldoende tijd heeft voor het verrichten van
                    een onderzoek.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:7 Uitvoering</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:8 Aanspraak</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:9 Professionaliteitseisen en andere verplichtingen </tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:10 Overige aan de verlening verbonden
                    verplichtingen</tussenkop><al>Artikel 4:37 Awb bevat een overzicht van verplichtingen die het bestuursorgaan
                    kan opleggen. Op grond van artikel 4:38 Awb kan het bestuursorgaan ook andere
                    verplichtingen aan de subsidieverlening verbinden die strekken tot
                    verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4:39 Awb bepaalt dat ook
                    niet-doelgebonden verplichtingen kunnen worden opgenomen mits daarin is voorzien
                    bij wettelijk voorschrift. Om deze mogelijkheid te hebben is dit artikel in de
                    verordening opgenomen. </al><al>Overigens moeten niet-doelgebonden verplichtingen wel enig verband houden met de
                    gesubsidieerde activiteit. In de toelichting op de Awb wordt als voorbeeld
                    genoemd dat van een gesubsidieerde welzijnsinstelling of een museum nog wel kan
                    worden geëist dat de eigen activiteiten waar mogelijk op milieuvriendelijke
                    wijze worden verricht, maar niet dat wordt meegewerkt aan het verspreiden van
                    folders over het milieubeleid van het subsidiërende bestuursorgaan.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 De Subsidievaststelling</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4:1 De aanvraag om subsidievaststelling</tussenkop><al>In dit artikel, tweede lid, is bepaald is dat binnen dertien weken na afloop van
                    de activiteiten of het tijdvak waarover de subsidie is verleend, een aanvraag
                    tot vaststelling moet worden ingediend. Hiervoor zullen middels nadere regels
                    een procedure en waar nodig specifiek te gebruiken formats worden
                    ontwikkelen.</al><al>Er zijn natuurlijk ook gevallen waarin het allemaal minder procedureel kan
                    worden afgehandeld.</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag tot vaststelling kan uiteraard achterwege blijven als bij
                            overeenkomst of bij de beschikking tot subsidieverlening anders is
                            bepaald. Het kan namelijk voorkomen dat bij de subsidieverlening al
                            duidelijk is hoe hoog de subsidievaststelling zal zijn en dat financieel
                            onderzoek na afloop van de activiteit niets op zal leveren. De
                            administratieve zwaarte kan zo voor subsidieontvanger en ambtelijk
                            apparaat worden verminderd. </al></li><li nr="2."><al>Bij subsidies tot maximaal € 5.000 wordt in beginsel geen financiële
                            verantwoording verlangd en wordt met de beschikking ook de vaststelling
                            geacht te zijn geleverd. Voor een resterende mogelijke wijze van
                            verantwoording is hier artikel 4:2, lid 5 en 6, van belang.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 4:2 Gegevens bij de aanvraag om vaststelling</tussenkop><al>De gegevens die nodig zijn om een aanvraag tot vaststelling inhoudelijk te
                    beoordelen moeten worden overgelegd. In geval van subsidies van € 50.000 of meer
                    is de subsidieontvanger verplicht een goedkeurende accountantsverklaring te
                    overleggen. Een dergelijke accountantsverklaring omvat normaal gesproken ook een
                    beoordeling van de accountant omtrent de rechtmatige besteding van de
                    subsidiegelden. </al><al>Bij subsidies die maximaal € 5.000,- bedragen worden geen financiële
                    verantwoordingsverplichtingen gehanteerd. De hoogte van de subsidie staat in
                    geen verhouding tot de administratieve werkzaamheden die deze verplichtingen met
                    zich meebrengen. Ook achteraf worden geen financiële verplichtingen opgelegd.
                    Door invoeging van het zesde lid is het wel mogelijk om steekproefsgewijze
                    controle uit te oefenen. Hiermee kan misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    gemeentelijke subsidiegelden worden opgespoord en tegengegaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:3 Vaststelling</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:4 Ambtshalve vaststelling</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:5 Beslistermijn bij vaststelling</tussenkop><al>Het college neemt binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag
                    een besluit. Nadrukkelijk is opgenomen dat de termijn een aanvang neemt na
                    ontvangst van de <cursief>volledige</cursief> aanvraag. Indien een aanvraag niet
                    volledig is vangt de termijn pas aan na ontvangst van de ontbrekende
                    gegevens.</al><al>Alle procedures en termijnen voor de twee subsidiesoorten in schema, met
                    inachtneming van de artikelen 2:1, 2:4, 4:1 en 4:5. Uitgangspunt is uiteraard
                    dat een subsidieaanvraag voor jaargang X in jaargang X - 1 door de gemeente
                    wordt ontvangen; dat de mogelijke beschikking in jaargang X - 1 wordt verzonden;
                    dat de vaststellingsaanvraag in jaargang X + 1 wordt ontvangen; en dat de
                    vaststelling in jaargang X + 1 wordt verzonden. </al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Subsidiesoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aanvraag</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikking</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Vaststellingsaanvraag</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Vaststelling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Contract</al></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 1 juli</al></entry><entry colname="col3"><al>&lt; 31 december</al></entry><entry colname="col4"><al>&lt; boekjaar + 13 weken *¹</al></entry><entry colname="col5"><al>&lt; 13 weken + max. 8 wk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prestatie</al></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 13 weken</al></entry><entry colname="col3"><al>&lt; 8 weken + max. 4 wk</al></entry><entry colname="col4"><al>&lt; 13 weken</al></entry><entry colname="col5"><al>&lt; 13 weken + max. 8 wk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asv-artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2:1</al></entry><entry colname="col3"><al>2:4</al></entry><entry colname="col4"><al>4:1</al></entry><entry colname="col5"><al>4:5</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*¹: accountantsverklaring &lt; 1 juni na boekjaar. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5 Betaling en terugvordering</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5:1 Voorschotten</tussenkop><al>In artikel 4:54 Awb is bepaald dat voorschotten kunnen worden verleend, mits dit
                    bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Dit artikel
                    5:1 legt die mogelijkheid in deze verordening vast en geeft de bevoegdheid tot
                    bevoorschotting aan het college. </al><al>Voorschotverlening is naast subsidieverlening en subsidievaststelling één van de
                    drie beschikkingen die de Awb noemt. De beschikking dient het bedrag van het
                    voorschot te vermelden, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald
                    (artikel 4:54 lid 2 Awb). Tegen deze beschikking kan de subsidieontvanger in
                    bezwaar gaan. Om de last van eventuele bezwaarschriftprocedures te beperken, is
                    de beschikking tot voorschotverlening gecombineerd met de beschikking tot
                    subsidieverlening. In deze zin is ook het eerste lid van artikel 5:1
                    verwoord.</al><al>In de praktijk is een voorschotmogelijkheid tot 100% mogelijk, maar hier moet
                    terughoudend mee om worden gegaan. Met een voorschot van 90% worden
                    subsidieontvangers aangespoord bij de aanvraag tot vaststelling tijdig de
                    volledige gegevens in te dienen, omdat men anders het risico loopt niet het in
                    totaal beschikte bedrag te ontvangen. Bovendien kan de 10%-marge ook de
                    speelruimte vormen die in geval van een lagere vaststelling een terugvordering
                    overbodig maakt. </al><al>Normaliter, bij subsidieontvangers die aan hun verplichtingen voldoen, zijn
                    aansporingen niet nodig. Ook bij subsidie tot maximaal € 5.000,- is het niet
                    opportuun om geen voorschot tot 100% te verlenen omdat in beginsel bij die
                    subsidies geen financiële verplichtingen worden gesteld (zie artikel 2:2 van de
                    verordening).</al><al/><tussenkop>Artikel 5:2 Batig saldo</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6 Overige Bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 6:1 Bijzondere bevoegdheden</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6:2 Meerjarige contractsubsidies</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6:3 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Het college kan bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of ten
                    gunste van belanghebbende daarvan afwijken, voor zover toepassing van
                    betreffende bepalingen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
                    aard.</al><al>Dit artikel is opgenomen om ten opzichte van een instelling in begunstigende zin
                    te kunnen afwijken van deze verordening of van het gestelde in nadere regels.
                    Daarvoor is wel nodig dat sprake is van bijzondere omstandigheden van
                    individuele aard waarbij onverkorte toepassing van de verordening leidt tot een
                    evidente onbillijkheden voor de aanvrager. </al><al>Generieke toepassing, als verkapte vrijstellings- of verschoningsbepaling, is
                    uitgesloten. De motivering moet zorgvuldig zijn. Immers, het honoreren van een
                    afwijking voor een ‘normaal geval' leidt al gauw tot strijd met het
                    gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De hardheidsclausule wordt
                    alleen gebruikt als het beleidsdoel dat met de subsidieverstrekking is gemoeid
                    ermee gediend is. Om praktische kwesties rond verantwoordingstermijnen op
                    BCF-gebied te vergemakkelijken of te voorkomen, en het inroepen van de
                    hardheidsclausule te ontmoedigen, is voorzien in artikel 4:1 lid 3. Het college
                    stelt nadere regels op betreffende de handhaving op dit punt. </al><al/><tussenkop>Artikel 6:4 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6:5 Aanmelding staatssteun </tussenkop><al>Op grond van het Europese recht kan het verlenen van een subsidie worden
                    aangemerkt als het verlenen van steun. Het verstrekken van staatssteun is niet
                    geoorloofd als het leidt tot een verstoring van de concurrentie die het
                    gemeenschappelijk handelsverkeer ongunstig beïnvloedt. Steun-maatregelen die als
                    steun kunnen worden beschouwd moeten van tevoren worden aangemeld bij de
                    Europese Commissie. Uit artikel 87 EG-Verdrag blijkt wanneer sprake is van
                    staatssteun. </al><al/><tussenkop>Artikel 6:6 De-minimis-regeling </tussenkop><al>Onder bepaalde omstandigheden mag een overheid wel steun verlenen en hoeft deze
                    steun (bijvoorbeeld in de vorm van een subsidie) niet te worden aangemeld bij de
                    Europese Commissie. Eén van deze omstandigheden is het verlenen van steun onder
                    de zogenaamde de-minimis-verordening (Verordening EG nr. 69/2001). Om te
                    waarborgen dat subsidieverlening door de gemeente Den Helder aan de regels over
                    de-minimis-steun voldoet, zijn in dit hoofdstuk enkele bepalingen met betrekking
                    tot steun opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 6:7 Onvoorziene gevallen </tussenkop><al>Bij hoge uitzondering kan het voorkomen dat zich een bepaalde situatie voordoet
                    die onder geen enkele bepaling van de verordening of nadere regel is te brengen,
                    omdat bij het vaststellen van de verordening in deze situatie niet is voorzien.
                    Het is belangrijk dat dan toch een beslissing wordt genomen. Dit artikel is
                    opgenomen om ook in die gevallen een beslissing mogelijk te maken.</al><al/><tussenkop>Artikel 6:8 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6:9 Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>