<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300348_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012 - 2</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-10-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2012, 40</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012 - 2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=147&amp;g=2020-01-01">artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=108&amp;g=2020-01-01">artikel 108 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2020-07-01">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=20&amp;g=2020-07-01">artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=35&amp;g=2020-07-01">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=20&amp;g=2020-07-01">artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB12.0163</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012 - 2</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening zijn gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde
                                        netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>verlaging: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                        artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ
                                        evenals het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren
                                        van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW
                                        en artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet
                                        of niet behoorlijk nakomenvan een inlichtingenverplichting
                                        ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van de IOAW evenals hij die recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In overeenstemming met deze verordening wordt een verlaging
                                    toegepast indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college niet of onvoldoende de
                                            verplichtingen voortvloeiende uit de wet dan wel artikel
                                            30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur
                                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen nakomt;</al></li><li nr="b."><al>blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                            bestaan;</al></li><li nr="c."><al>zich jegens het college zeer ernstig heeft misdragen.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                    belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening
                                    genormeerde verlagingen. </al></li><li nr="3."><al>Het toepassen van de verlagingen in de praktijk wordt tweemaal
                                    per jaar geëvalueerd in de Commissie Maatschappelijke
                                    Ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Voor de bepaling van de hoogte van de verlagingen wordt, onverminderd
                            het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een categorie-indeling gehanteerd
                            op basis van de verwijtbare gedraging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Eerste categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                        gestelde termijn nakomen van de inlichtingen en
                                        medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ, voor
                                        zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                                        te hoog bedrag ontvangen van uitkering.</al></li><li nr="b."><al>Het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                        gestelde termijn nakomen van de inlichtingen en
                                        medewerkeringsplicht als bedoeld in artikel 30c van de Wet
                                        structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></li><li nr="c."><al>Het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij
                                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 5% van de
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><label>Tweede categorie</label></kop><al/><lijst><li nr="a."><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot scholing en arbeidsinschakeling, waaronder
                                    begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="b."><al>Het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                    medische aard.</al></li><li nr="c."><al>Het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de inlichtingen en
                                    medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ, als dit
                                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    ontvangen van uitkering.</al><al>Van een verlaging wordt afgezien:</al><lijst><li nr="1."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="2."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                            doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                            belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Het niet naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                                    maatschappelijke nuttige werkzaamheden verrichten die worden
                                    verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                                    leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt. </al><al/></li></lijst><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 30% van de
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Derde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen.</al></li><li nr="b."><al>Het niet dan wel onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden participatievoorziening, voor zover dit
                                        heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                        vroegtijdige beëindiging van het participatietraject.</al></li><li nr="c."><al>Het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                        beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 50% van de
                                uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vierde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door
                                        het niet of te laat aanvragen van een voorliggende
                                        voorziening.</al></li><li nr="b."><al>Het stellen van onredelijke eisen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        belemmeren.</al></li><li nr="c."><al>Het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college en de
                                        in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers, onder
                                        omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                        uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de verlaging bedraagt 100% van de uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vijfde categorie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> a. Het blijk geven van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als
                                    bedoeld in artikel 20 lid 1 IOAW/IOAZ en met inachtneming van
                                    het bepaalde in artikel 20 lid 4 IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>De uitkering wordt blijvend geweigerd tot de mate waarin de
                                    belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Uitvoeringsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de uitkering aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende uitkeringsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid vindt de verlaging van de uitkering
                                direct plaats als:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van het niet of te laat inleveren van een
                                        rechtmatigheidsformulier;</al></li><li nr="b."><al>de uitkering in die maand nog niet is uitbetaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de verlaging van de uitkering vindt plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van
                                        een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al> voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of
                                        een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
                                        na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging. De duur
                                        van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                        zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                                        waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt
                                        aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                                        categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is
                                        toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                                        zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 13,
                                        tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
                                hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
                                maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
                                bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
                                bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                                daartoe aanleiding geven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd dan wel het
                                    bedrag waarmee debijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>de maand(en) waarin de uitkering wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien
                                    elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór
                                            constatering van die gedraging door het college heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en alsgevolg van die
                                            gedraging ten onrechte een uitkering is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het een eerste verwijtbare gedraging betreft die niet
                                            heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van of tot
                                            een te hoog bedrag aan uitkering. Dit lid is niet van
                                            toepassing indien sprake is van het niet of niet tijdig
                                            inleveren van het rechtmatigheidsformulier. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan afzien van het toepassen van een verlaging
                                    indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                    Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als
                                    verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende
                                    redenen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt éénmaal een
                                verlaging toegepast. Indien voor schending van die verplichtingen
                                verlagingen met verschillende percentages gelden, wordt de verlaging
                                met het hoogste percentage toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                                verlagingen worden gelijktijdig toegepast, tenzij dit gelet op
                                artikel 4, eerste lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college heroverweegt de verlaging van de uitkering bedoeld
                                    in artikel 10, vierde en vijfde lid, als de verlaging wordt
                                    toegepast voor een periode van meer dan drie maanden, binnen de
                                    termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit
                                    tot verlaging. </al></li><li nr="2."><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                    beoordeelt het college of en inhoeverre de omstandigheden en het
                                    gedrag van de belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                    beëindiging of voortzetting van het toepassen van het toepassen
                                    van de verlaging van de bijstand. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van het
                                    toepassen van de verlaging van de bijstand het percentage van de
                                    verlaging verdubbelen, rekening houdend met het gestelde in
                                    artikel 2, tweede lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bevoegdheid College</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor lopende onderzoeken die betrekking hebben op verwijtbare
                                gedragingen vóór 1 januari 2012, geldt dat deze gedragingen zullen
                                worden beoordeeld conform het gestelde in de Maatregelenverordening
                                IOAW en IOAW 2011, die geldt vanaf 1 juli 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de beoordeling van recidive op grond van deze verordening geldt
                                dat alle reeds vastgestelde besluiten tot verlaging van de uitkering
                                op grond van de Maatregelenverordening IOAW en IOAW 2011 zoals die
                                van toepassing was vóór 1 januari 2012 meetellen bij de beoordeling
                                van recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening treedt na haar bekendmaking in werking en werkt terug
                                vanaf 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de verordening wordt de
                                Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012, door de raad vastgesteld
                                in zijn vergadering van 19 december 2011, ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAW en
                            IOAZ 2012 - 2.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 17 september 2012.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al/><al>Uitgangspunten in deze verordening zijn dat het college op grond van artikel 20
                    IOAW/IOAZ verplicht is de uitkering te verlagen bij het niet nakomen van de
                    verplichtingen zoals opgenomen in de verordening (en uitgewerkt in
                    beleidsregels) en dat maatwerk geleverd wordt bij het verlagen van de bijstand.
                    Wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    verlaging van de uitkering. </al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><tussenkop>Lid 2 onder c. de IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><tussenkop>Lid 2 onder c. uitkeringsnorm</tussenkop><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de
                    IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm.</al><tussenkop>Lid 2 onder d. verlaging</tussenkop><al>Ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen
                    deze verordening wordt als verlaging aangemerkt. Dit houdt verband met de
                    mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.</al><tussenkop>Lid 2 onder g. belanghebbende</tussenkop><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het toepassen
                    van een verlaging, volgens dat artikel, daar enkel gelden voor de persoon die is
                    aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in
                    die zin ingeperkt.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Het toepassen van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De Wet Suwi en de IOAW/IOAZ verbindt aan het recht op uitkering verschillende
                    verplichtingen.</al><al>Uit het oogpunt van de IOAW/IOAZ is het recht op uitkering geen basisinkomen
                    voor een belanghebbende maar een voorwaardelijk recht, waaraan bij de toekenning
                    nadrukkelijk vorenstaande verplichtingen zijn verbonden. Wanneer de
                    verplichtingen niet worden nagekomen, wordt de uitkeringsnorm verlaagd.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In de verordening zijn voor de verschillende gedragingen die een schending van
                    een verplichting betekenen, standaard verlagingen vastgesteld in de vorm van een
                    vaste procentuele verlaging van de uitkering. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de verlaging dient
                    af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate
                    van verwijtbaarheid. </al><al>Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze bepaling
                    met zich mee dat het college bij afstemming zal moeten nagaan of, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende, afwijking van de hoogte en de
                    duur van de voorgeschreven standaard verlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaard verlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de aan het ontvangen
                    van een uitkering verbonden verplichtingen, zijn ingedeeld in categorieën op
                    basis van de verwijtbare gedraging. Een gedraging wordt ernstiger naar mate de
                    gedraging concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid dan wel voor het niet bereiken van de doelstelling van een
                    participatietraject. </al><al>Ook hebben de categorieën een zekere “bandbreedte”. Niet elke gedraging binnen
                    dezelfde categorie is even ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect
                    zal in de afweging moeten worden betrokken, waarbij nadrukkelijk overwogen dient
                    te worden of de belanghebbende de gevolgen van zijn gedrag redelijkerwijs had
                    kunnen voorzien. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Eerste categorie</tussenkop><al>In deze categorie zijn de relatief lichte schendingen van de algemene, uit de
                    wet (Suwi én IOAW/IOAZ) voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingsplicht,
                    zoals het niet of het niet tijdig verstrekken van inlichtingen die van belang
                    kunnen zijn bij de arbeidsinschakeling en de beoordeling van het recht op
                    uitkering. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Tweede categorie</tussenkop><al>De gedragingen in deze categorie behoren tot het niet of onvoldoende meewerken
                    in de voorfase van de arbeidsinschakeling dan wel de minder positieve houding
                    met betrekking tot de medewerkingsverplichting. </al><al>De in deze categorie opgenomen gedragingen zullen leiden tot vertraging van de
                    arbeidsinschakeling of het participatietraject. Van onvoldoende medewerking is
                    in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken in het kader van
                    arbeidsinschakeling/gemeentelijke ondersteuning verschijnt, opdrachten in het
                    kader van het plan van aanpak of scholing niet naar behoren uitvoert of zich
                    niet coöperatief opstelt ten aanzien van diagnostisch onderzoek. </al><al>In deze categorie is tevens opgenomen het niet naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die
                    worden verricht naast op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op
                    de arbeidsmarkt. Omdat het niet nakomen van deze verplichtingen geen belemmering
                    vormen m.b.t. (het komen tot) het zelfstandig voorzien in de noodzakelijke
                    kosten van het bestaan, is deze gedraging in een lagere categorie geplaatst dan
                    bijvoorbeeld het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Derde categorie</tussenkop><al>In deze categorie vallen de gedragingen welke belemmerend werken voor het
                    aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, het niet of onvoldoende meewerken
                    aan het behoud van werk. Het gaat in deze categorie om een negatieve houding en
                    gedrag van de belanghebbende ten aanzien van de arbeidsinschakeling en
                    participatie. Het gaat in deze categorie om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie maar met het belangrijke verschil dat de
                    gedragingen reeds gevolgen hebben (gehad) zoals bij voorbeeld het geen doorgang
                    vinden of afbreken van een participatietraject of de gemeentelijke ondersteuning
                    en het niet nakomen van gemaakte afspraken.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Vierde categorie</tussenkop><al>Lid 1 onder c. </al><al>Met zich zeer ernstig misdragen wordt vooral bedoeld agressief gedrag. Onder
                    “het college en in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers” wordt niet
                    alleen de consulent verstaan, maar ook de medewerker van de receptie, de
                    telefonist en iedere andere medewerker die namens het college met de
                    belanghebbende in contact treedt. </al><al>Onder agressief gedrag wordt verstaan: alle vormen van fysiek geweld, van
                    dreiging met geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar geslacht,
                    geloof of ras, seksuele intimidatie, vernieling en het dragen van wapens of
                    gevaarlijke voorwerpen. Als er sprake is van agressief gedrag moet uitvoerig
                    worden gerapporteerd over de exacte aard van het gedrag en de omstandigheden
                    waarin het zich heeft voorgedaan. </al><al>Voor de vaststelling van de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid (en daarmee dus ook voor de hoogte van het percentage van de
                    verlaging) vormen de omschrijvingen van agressief gedrag in het
                    “Veiligheidsprotocol gemeente Den Helder” het uitgangspunt. In dit protocol
                    worden de diverse gedragingen omschreven en is een onderverdeling gemaakt naar
                    ernst van gedragingen. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie. Het college besluit tot verlaging, terwijl de
                    medewerker tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al>Het verlagen van de uitkering wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid
                    onverlet om de pleger gedurende een periode de toegang tot het gebouw te
                    ontzeggen. </al><al>Voorwaarde voor het kunnen opleggen van een verlaging is dat het zich zeer
                    ernstig misdragen dient plaats te vinden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan het ontvangen van de uitkering verbonden verplichting. Indien een
                    belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los, van een (andere) aan het
                    ontvangen van de uitkering verbonden verplichting, dan is binnen de IOAW/IOAZ
                    tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Vijfde categorie</tussenkop><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt. Indien niet bekend is wat de omvang van de inkomsten had kunnen
                    zijn, wordt uit gegaan van het minimum (cao-)loon.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Zoals al aangegeven wordt de verlaging toegepast op de netto norm.</al><al>Onder de norm wordt verstaan de van toepassing zijnde wettelijke norm inclusief
                    gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Verlagen van de uitkering kan in beginsel op twee manieren, te weten: met
                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering of door
                    middels van verlaging van de uitkering in de eerstvolgende maand(en). In deze
                    verordening is bewust gekozen voor de tweede manier, omdat in dat geval niet
                    overgegaan te worden tot herziening en terugvordering van uitkering. Om die
                    reden is in dit lid vastgelegd dat de verlaging ingaat per de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    uitkeringsnorm. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In twee situaties vindt de verlaging direct plaats; als het
                    rechtmatigheidsformulier niet tijdig maar binnen de gegeven hersteltermijn wordt
                    ingeleverd én in de situatie dat het besluit tot verlaging is genomen (middels
                    beschikking) en de uitkering nog niet is uitbetaald aan belanghebbende. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het derde lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub a)
                    en bij recidive binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan
                    hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur van één kalendermaand, een
                    tweede gedraging tot maximaal twee kalendermaanden. Bepalend voor recidive is de
                    datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de
                    belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn (dus de
                    verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging). </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Horen van belanghebbende</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is in een aantal
                    gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                    beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van
                    beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12
                    Awb) behalve bij subsidies. In dit artikel wordt het horen van belanghebbende,
                    voordat een verlaging wordt toegepast, in beginsel voorgeschreven. Het horen kan
                    zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Dit lid bevat de uitzondering dat in de situatie dat de verlaging van de
                    bijstand het gevolg is van het feit dat belanghebbende de inlichtingen- en/of
                    medewerkingsplicht niet nakomt, niet meer overgegaan hoeft te worden tot het
                    horen van de belanghebbende hierover. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Het besluit tot toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering als gevolg van een verwijtbare gedragingvindt
                    plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder
                    geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en
                    dan in het bijzonder het motiveringsbeginsel. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Afzien van het toepassen van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In artikel 20 derde lid IOAW/IOAZ is bepaald dat het college van een verlaging
                    afziet indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Dit lid regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid om bij een
                    eerste verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan. Uitgangspunt
                    blijft echter dat verwijtbaar gedrag in beginsel tot verlaging van de uitkering
                    leidt. Als wordt overwogen om met een waarschuwing te volstaan, moet dit
                    uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Een waarschuwing bij een eerste gedraging is
                    dus geen automatisme. Het zal in vrijwel alle gevallen gaan om relatief
                    onbeduidende gedragingen met geen voor het recht op, of de hoogte van de
                    bijstand directe gevolgen en/of van geringe mate van verwijtbaarheid. De
                    feitelijke gedraging moet wel worden omschreven in een waarschuwingsbeschikking
                    en telt mee bij recidive.</al><al>Bij iedere categorie gedragingen kan, met inachtneming van bovenstaande, in
                    beginsel met een waarschuwing worden volstaan. </al><al>Er wordt géén schriftelijke waarschuwing gegeven als de verwijtbare gedraging
                    het te laat inleveren van het periodieke rechtmatigheidsformullier betreft. </al><al>Een andere reden om af te zien van het verlagen van de uitkering is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. In verband met de effectiviteit
                    (lik-op-stuk) is het nodig dat de verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden, wordt toegepast. Om deze reden is dan ook in dit lid geregeld
                    dat het college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan een
                    jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Om de verwijtbare gedraging toch niet als onopgemerkt voorbij te laten gaan,
                    wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenverplichting inhouden en
                    als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend,
                    geldt in deze verordening geen termijn. Dit daar het schenden van de
                    inlichtingenplicht zich ook na de duur van een jaar kan openbaren.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete (nood)situatie en kan derhalve niet
                    op voorhand worden vastgelegd. De (nood)situatie mag echter niet het gevolg zijn
                    van de verwijtbare gedraging. Als de belanghebbende door verwijtbaar ontslag in
                    ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van
                    de afstemming van bijstand af te zien. Die omstandigheden zijn immers het gevolg
                    van het verwijtbare gedrag. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive en in het kader van het motiveringsbeginsel (artikel 3:46
                    Awb). </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Indien door één gedraging meerdere verplichtingen tegelijkertijd worden
                    geschonden, wordt éénmaal een verlaging toegepast. Uitgegaan wordt dan van de
                    verlaging met het hoogste percentage. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het toepassen van meerdere verlagingen tegelijkertijd is mogelijk. Het dient dan
                    echter wel te gaan om verschillende gedragingen waarvoor een verlaging mogelijk
                    is. Bij samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen die schending van
                    één of meerdere verplichtingen tot gevolg hebben, dient het college de
                    percentages bij elkaar op te tellen (de zogenaamde stapeling). Bij de
                    beoordeling van de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid kunnen de
                    verschillende gedragingen uiteraard wel in onderlinge samenhang worden bezien.
                    Dit kan reden zijn om voor het geheel aan gedragingen een verlaging met een
                    lager percentage toe te passen. </al><al/><tussenkop>Artikel 15 Heroverweging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In de IOAW/IOAZ is niet vastgelegd dat een besluit tot verlaging van langere of
                    onbeperkte duur heroverwogen dient te worden. Een onderzoek in het kader van
                    dergelijke heroverweging binnen drie maanden na het besluit tot verlaging van
                    uitkering voor langere of onbepaalde duur is genomen, is in deze verordening
                    opgenomen om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen.</al><al>Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van
                    de aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, in de situatie van het niet
                    nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van
                    schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat belanghebbende wel voldoende
                    inspanningen heeft gepleegd om werk te vinden. In andere situaties kan het
                    noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de
                    gevraagde gegevens niet overlegt, of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt
                    de heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens dat veelal tot
                    voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een
                    beschikking. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan tweeledig zijn. Beëindiging van de
                    verlaging na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende laat blijken zich
                    inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de
                    verlaging was toegepast of aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de
                    opgelegde verplichtingen zal houden. </al><al>Van voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                    heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De
                    voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en
                    ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of onbepaalde duur. Bij
                    voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw een
                    heroverweging plaatsvinden. </al><al>Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting met vaststelling van een
                    lager percentage als de belanghebbende blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar
                    onvoldoende, te hebben verbeterd. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharing het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan participatietraject. Als hiervoor een
                    verlaging is toegepast en belanghebbende blijft medewerking weigeren, ook na een
                    tweede verlaging van bijstand voor twee maanden en na een derde voor onbepaalde
                    duur, dan kan bij voortzetting het percentage worden verdubbeld. Ook hierbij
                    staat een zorgvuldige belangenafweging voorop. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>