<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300134_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bronckhorst</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bronckhorst</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Contact, 16 juli 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779">Art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779">Art. 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779">Art. 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779">Art. 2.25, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0027464/Hoofdstuk2/23/Artikel27">Art. 2.7 van het Besluit omgevingsrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0027464/BijlageII">Art. 4 van de Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk4/Titel43/Artikel481">Art. 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-07-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-03-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>OnbekeZ41100 BW13-00479</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27473</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27474</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27475</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27476</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27477</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27478</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27479</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27480</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27481</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27482</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27483</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27484</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27485</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27486</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27487</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27488</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27489</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27490</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27491</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27492</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27493</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27494</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27495</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27496</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27497</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst;</al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is voor de uitoefening van hun
                        afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a,
                        onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, beleidsregels vast
                        te stellen;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°,
                        2.23, 2.24 en 2.25, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                        artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht en artikel 4 van bijlage II van
                        het Besluit omgevingsrecht;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al/><al><vet>B E S L U I T E N:</vet></al><al/><al>vast te stellen de navolgende beleidsregels voor de uitoefening van de
                        afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a,
                        onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht jo artikel 2.7 van
                        het Besluit omgevingsrecht jo artikel 4 van Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht;</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1.</label><nr>INLEIDING</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>1.1</label><nr>Algemeen</nr><titel/></kop><al>Per 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                            en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met het in
                            werking treden van de Wabo zijn enkele artikelen uit de Wet ruimtelijke
                            ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) komen te
                            vervallen. Het gaat om artikel 3.10 Wro (projectbesluit), artikel 3.6,
                            eerste lid, onder c Wro (binnenplanse ontheffing), artikel 3.22 Wro
                            (tijdelijke ontheffing buitenplans), artikel 3.23 Wro (ontheffing
                            buitenplans ‘kruimelgevallen’) en artikel 4.1.1 Bro (kruimellijst). Deze
                            Wro-instrumenten zijn vanaf dat moment als afwijkingsbevoegdheden
                            opgenomen in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, 2° en 3°
                            van de Wabo.</al><al/><al>De categorieën van zogeheten “kruimellijst” uit artikel 3.23 en artikel
                            4.1.1 Bro zijn vanaf dat moment geregeld in artikel 2.12, eerste lid,
                            onder a, onder 2° van de Wabo, artikel 2.7 van het Bor en artikel 4 van
                            bijlage II bij het Bor.</al><al/><al>De afwijking van het bestemmingsplan voor een bepaalde termijn werd
                            voortaan geregeld in de artikelen 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° en
                            2.12, tweede lid, 2.23 en 2.25, derde lid van de Wabo en artikel 5.18
                            van het Bor. Bij de herziening van de Wabo in 2013, ten gevolge van het
                            permanent maken van de Crisis- en herstelwet (Chw), is de zelfstandige
                            bepaling voor tijdelijke afwijking in artikel 2.12, tweede lid Wabo
                            komen te vervallen. De tijdelijke afwijking is toegevoegd aan de lijst
                            in artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Ten tijde van het ontwerp van
                            deze beleidsregels is de exacte tekst van het toegevoegde onderdeel nog
                            exact bekend. In dit stuk is vooralsnog uitgegaan van de tekst zoals
                            opgenomen in de Memorie van Toelichting op het permanent maken van de
                            Chw.</al><al/><al>In de Wro heette dit een “ontheffing” en gold naast een eventuele
                            bouwvergunning een zelfstandige ontheffingsprocedure. Onder de Wabo heet
                            dit voortaan een “afwijking” en is dit een onderdeel van de reguliere
                            procedure van een omgevingsvergunning. Op die wijze kunnen projecten van
                            minder ingrijpende aard, zogeheten “kruimelgevallen”, zonder tijdrovende
                            procedures middels een omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Voor
                            deze afwijking geldt niet de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing.
                            Dit in tegenstelling tot afwijking als bedoeld in artikel 2.12, eerste
                            lid, onder a, onder 3° Wabo (voorheen projectbesluit) waar wel een goede
                            ruimtelijke onderbouwing is vereist.</al><al/><al>Op 3 augustus 2011 hebben wij de beleidsregels onder de Wro vervangen en
                            opnieuw vastgelegd onder het regime van de Wabo. In voorliggend document
                            stellen wij de beleidsregels opnieuw vast en hebben wij deze op
                            onderdelen gewijzigd naar nieuwe (wettelijke) ontwikkelingen en
                            inzichten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2 </label><nr>Afwijkingsbeleid</nr><titel/></kop><al>Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat
                            besluiten, waaronder ook beslissingen op verzoeken om
                            omgevingsvergunning vallen, op zorgvuldige wijze tot stand moeten komen.
                            Het gaat hier om een bevoegdheid, geen plicht, hetgeen betekent dat er
                            ook een ruime belangenafweging zal moeten plaatsvinden
                            (motiveringsplicht). Artikel 4:82 Awb regelt dat wij beleidsregels
                            kunnen vaststellen voor de uitoefening van de ons toekomende
                            bevoegdheden. Via onderhavige beleidsregels geven wij aan hoe wij in
                            zijn algemeenheid met verzoeken om omgevingsvergunning ex artikel 2.12,
                            eerste lid, onder a, onder 2° Wabo wensen om te gaan.</al><al/><al>Het bij een omgevingsvergunning afwijken van een bestemmingsplan is geen
                            ‘verplichting’, maar een ‘bevoegdheid’ met een afweging per individueel
                            geval. Bepaalde aanvragen kunnen weliswaar kwantitatief passen binnen de
                            beleidsregels, maar vanuit het oogpunt van stedenbouw en/of woonmilieu
                            in relatie tot de omgeving ongewenst zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor
                            gevallen waarin het afwijken leidt tot een verdichting van de achtertuin
                            in relatie tot een stedenbouwkundig gewenste openheid, al dan niet mede
                            in relatie tot de omgeving. Maar ook bijvoorbeeld voor woongebieden
                            waarvoor in het bestemmingsplan een afwijkende regeling is opgenomen en
                            de beperking een beleidsmatige keuze is. Te denken valt hierbij aan o.a.
                            bungalows, bejaardenwoningen, recreatiewoningen of woongebouwen waar een
                            specifiek stedenbouwkundig concept aan ten grondslag heeft gelegen.
                            Binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht kan het afwijken tot
                            ongewenste situaties leiden die de ruimtelijke en/of cultuurhistorische
                            kwaliteit aantasten. In dergelijke gevallen kunnen wij gemotiveerd het
                            verzoek om omgevingsvergunning afwijzen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2.1 Kruimellijst</label><nr/><titel/></kop><al>Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo geeft burgemeester en
                            wethouders, in de in artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor
                            aangegeven categorieën en onder de daarin gestelde voorwaarden, de
                            mogelijkheid om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de
                            bepalingen van het bestemmingsplan. De zogeheten “kruimellijst”. Deze
                            lijst was aanvankelijk samengesteld uit afwijkingen van minder
                            ingrijpende aard, vandaar de naam. Echter door de jaren heen is deze
                            lijst steeds meer uitgebreid en is de omvang van de toe te laten
                            afwijking steeds groter geworden. De vraag kan dan ook terecht worden
                            gesteld of de naam “kruimellijst” nog wel op zijn plaats is. In de
                            volksmond wordt deze naam echter nog steeds gehanteerd.</al><al/><al>Ten aanzien van de afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid,
                            onder a, onder 2° Wabo geeft het Bor zelf al zekere beperkingen aan
                            reikwijdte van deze bevoegdheid. Er blijft echter een zekere
                            beleidsvrijheid aan gemeenten. De situaties waar het om gaat zijn
                            opgesomd in het Bor. Deze opsomming is weliswaar limitatief, maar de
                            normstelling per geval is ruim, dan wel afwezig. De
                            afwijkingsmogelijkheid lijkt in beginsel zeer ruime mogelijkheden te
                            bieden en alle ruimte te geven tot invulling via eigen (gemeentelijk)
                            beleid.</al><al/><al>Dat een en ander zou kunnen leiden tot onduidelijkheid en tot excessen
                            in stedenbouwkundige zin en uit oogpunt van een goed woonmilieu, is
                            onder andere aanleiding om voor de toepassing van de
                            afwijkingsbevoegdheid deze beleidsregels vast te stellen. Een andere
                            reden is dat door de gewijzigde wetgeving de beleidsregels die onder de
                            Wro tot stand zijn gekomen niet van rechtswege als beleidsregels onder
                            de Wabo worden beschouwd. Een derde reden is dat, hoewel inhoudelijk
                            grotendeels gelijk, er ook enkele inhoudelijke verschillen en
                            aanvullingen zijn tussen in het Bor ten opzichte van het Bro.</al><al/><al>Over het algemeen houden deze beleidsregels een nuancering in van de in
                            het Bor geboden afwijkingsmogelijkheden, met name door het stellen van
                            criteria, zoals maximale afmetingen. De ruimte hiertoe is door de
                            wetgever ook gegeven blijkens de wetsgeschiedenis inzake de WRO/Wro en
                            Bro 1985/Bro. Volgens de nota van toelichting bij het Bro 1985 zou
                            vergunning niet meerdere keren mogen worden toegepast. Dit blijft ook
                            voor afwijkingen met een omgevingsvergunning op grond van de Wabo
                            gelden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2.1.1</label><nr>Tijdelijke afwijking</nr><titel/></kop><al>In artikel 4 van bijlage II van het Bor is een categorie opgenomen
                            waarvoor burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning op grond
                            van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo voor een activiteit
                            voor een bepaalde termijn kunnen afwijken van de bepalingen van het
                            bestemmingsplan. </al><al/><al>Voor de toepassing van deze bevoegdheid geeft de Wabo zelf geen kaders
                            anders dan dat het betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde
                            termijn en die termijn maximaal 10 jaar mag bedragen. Omdat de situaties
                            waarin deze bevoegdheid zou kunnen worden toegepast nogal divers kunnen
                            zijn, is het niet mogelijk en wenselijk om voor al die situaties op
                            voorhand beleidsregels te stellen. Echter het bewonen van niet voor
                            bewoning bestemde gebouwen is een situatie waarbij wij het wel
                            noodzakelijk en wenselijk achten om vooraf regels te stellen. Dit geeft
                            duidelijkheid aan belanghebbenden en vereenvoudigt de afhandeling van
                            dergelijke verzoeken. Ook achten wij het noodzakelijk om beleid vast te
                            stellen ten aanzien van de maximale termijn waarvoor deze afwijking kan
                            worden toegepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2.1.2</label><nr>Actualisatie bestemmingsplannen</nr><titel/></kop><al>De Wro kent de verplichting om voor het hele grondgebied van de gemeente
                            actuele bestemmingsplannen te hebben. Dat wil zeggen plannen die niet
                            ouder zijn dan 10 jaar. Op 1 juli 2013 moeten alle bestemmingsplannen
                            die op dat moment ouder zijn dan 10 jaar zijn geactualiseerd. Wij
                            vergevorderd met het proces van actualisatie van de bestemmingsplannen
                            voor ons grondgebied. Het doel is om van zo’n 250 bestemmingsplannen
                            terug te gaan naar ca. 10 hoofdplannen voor de hele gemeente. Dit proces
                            zal een aantal jaren in beslag nemen. Integratie van het
                            afwijkingsbeleid in die nieuwe plannen is het uitgangspunt voor de
                            toekomst. Voor de tussentijd is het, zeker voor de wat oudere plannen,
                            wenselijk beleidsregels te hebben voor de toepassing van artikel 2.12,
                            eerste lid, onder a, onder 2° Wabo.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2.1.3</label><nr>Toepassing afwijkingsbevoegdheid</nr><titel/></kop><al>Met de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid willen wij
                            rechtsongelijkheid tussen situaties binnen en buiten geactualiseerde
                            bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3) voorkomen. Zo kan, binnen de
                            criteria van artikel 2.7 Bor, ook voor oudere plannen worden ingespeeld
                            op ontwikkelingen, zoals die in jongere plannen worden toegestaan.</al><al/><al>Wij willen echter voorkomen dat met het gebruikmaken van deze
                            afwijkingsbevoegdheid binnen oudere plannen mogelijkheden worden geboden
                            die in vergelijkbare gebieden met een actueel plan niet mogelijk zijn.
                            In zo’n geval kunnen wij onder verwijzing naar deze beleidsregels het
                            verzoek gemotiveerd afwijzen.</al><al/><al>Omdat de beleidsregels aansluiten bij de bouw- en gebruiksmogelijkheden
                            van actuele bestemmingsplannen, willen wij ook voorkomen dat in actuele
                            bestemmingsplannen met afwijking nog eens extra ruimte wordt geboden. We
                            gaan er van uit dat plannen die jonger zijn dan 5 jaar voldoende actuele
                            mogelijkheden bieden. Wij zullen artikel 2.12, eerste lid, onder a,
                            onder 2° Wabo voor de in artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor
                            genoemde categorieën 1 t/m 9 dan ook niet toepassen dan ook niet
                            toepassen in gebieden waarvoor een bestemmingsplan jonger dan 5 jaar
                            geldt, tenzij daarvoor dringende redenen zijn.</al><al>Gedurende het proces van actualisatie kunnen echter gewijzigde inzichten
                            ontstaan in de bestemmingsregeling waarmee in een recent geactualiseerd
                            plan andere mogelijkheden zijn opgenomen dan in een eerder
                            geactualiseerd plan. Daardoor kunnen er verschillen zijn tussen
                            geactualiseerde bestemmingsplannen jonger dan 5 jaar. Als de generieke
                            bouw- of gebruiksregeling van recenter geactualiseerde plannen ruimere
                            mogelijkheden bieden dan eerder geactualiseerde plannen, willen wij in
                            voorkomende gevallen toepassing geven aan artikel 2.12, eerste lid,
                            onder a, onder 2° Wabo voor de in artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage
                            II Bor genoemde categorieën 1 t/m 9. Hiertoe hebben wij een algemene
                            bepaling in deze beleidsregels opgenomen. De reden is dat wij de
                            verschillen in mogelijkheden die zijn ontstaan door gewijzigde inzichten
                            niet beperkend willen laten zijn voor aanvragen in het eerder
                            geactualiseerde plan. Deze toepassing geldt ook als het plan waarin de
                            aanvraag is gelegen jonger is dan 5 jaar. Wij willen benadrukken dat dit
                            enkel geldt voor de generieke bouw- of gebruiksregeling en niet voor
                            specifieke locatieafhankelijke bepalingen.</al><al/><al>Ruimere mogelijkheden in eerder geactualiseerde plannen, die in
                            recentere plannen zijn beperkt, kunnen wij met een omgevingsvergunning
                            niet beperken. Wij willen echter voorkomen dat deze ruimere
                            mogelijkheden, die in recentere plannen bewust zijn komen te vervallen,
                            met deze afwijking alsnog worden toegepast. Er wordt dus altijd
                            uitgegaan van het meest recent geactualiseerde (ontwerp)plan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.3</label><nr>Afwijken van het beleid</nr><titel/></kop><al>Wij kunnen, en moeten soms zelfs, afwijken van deze beleidsregels, mits
                            goed gemotiveerd. Dit is met name aan de orde als de toepassing van de
                            beleidsregels wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in
                            verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doel. Deze zogeheten
                            ‘hardheidclausule’ is geregeld in artikel 4:84 Awb.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.4 </label><nr>Evaluatie</nr><titel/></kop><al>Op dit moment zijn nog niet alle bestemmingsplannen geactualiseerd.
                            Gedurende het actualiseringsproces zullen wij deze beleidsregels dus
                            geregeld tegen het licht houden en zo nodig aanpassing. In ieder geval
                            één jaar na inwerkingtreding van de beleidsregels wordt het beleid
                            geëvalueerd en zo nodig aangepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.5</label><nr>Opzet van de beleidsnota</nr><titel/></kop><al>Na dit inleidende hoofdstuk is in Hoofdstuk 2 een toelichting op het
                            wettelijk kader en de toepassing daarvan in Bronckhorst, alsmede een
                            toelichting op de beleidsregels opgenomen. Daarin wordt uitgelegd hoe
                            wij omgaan met de afwijkingsbevoegdheid voor de diverse categorieën.
                            Tenslotte zijn in Hoofdstuk 3 de beleidsregels zelf opgenomen.
                            Aansluitend volgen enkele bijlagen. Bijlage 1 bevat de Staat van
                            bedrijfsactiviteiten – functiemenging, Bijlage 2 de relevante
                            wetteksten, Bijlage 3 de toelichting op de wetteksten en Bijlage 4 de
                            kaarten met de begrenzing van de bebouwde kommen van Bronckhorst.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2.</label><titel>TOELICHTING OP DE BELEIDSREGELS</titel></kop><artikel><kop><label>2.1</label><nr>Beleidsregels kruimellijst</nr><titel/></kop><al>De beleidsregels gaan in op de zogenaamde kruimelgevallen, waarvoor
                            burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
                            onder a, onder 2° Wabo omgevingsvergunning met afwijking van het
                            geldende bestemmingsplan kunnen verlenen. Deze beleidsregels geven een
                            nadere uitwerking van een aantal van de in artikel 4 bijlage II Bor
                            geboden afwijkingsmogelijkheden, met name door het stellen van criteria,
                            zoals maximale oppervlakten en bouwhoogtes.</al><al/><al>Kaderstellend voor het beleid voor toepassing van artikel 2.12 Wabo van
                            de gemeente Bronckhorst zijn:</al><lijst><li nr="°"><al>de toepassingsmogelijkheden genoemd in artikel 2.7 Bor jo
                                    artikel 4 bijlage II Bor en daaraan gekoppelde criteria;</al></li><li nr="°"><al>de mogelijkheden in geactualiseerde bestemmingsplannen die na 1
                                    juli 2008 als ontwerp ter visie zijn gelegd.</al></li></lijst><al/><al>Het verlenen van een omgevingsvergunning is geen verplichting maar een
                            bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Dat wil
                            zeggen dat burgemeester en wethouders, ook al is een bouwplan in
                            overeenstemming met de beleidsregels, een omgevingsvergunning kunnen
                            weigeren, mits deze weigering gemotiveerd is.</al><al/><al>Een aspect dat daarbij ook een rol kan spelen is de mogelijkheid van
                            planschade in verband met een afwijking voor gebruik van gronden en
                            gebouwen (art. 4, lid 8 t/m 10 Bijlage II Bor) en de bereidheid van
                            initiatiefnemer om daar al dan niet een planschadeovereenkomst voor te
                            sluiten. Daarmee is niet gezegd dat een planschadeovereenkomst standaard
                            is bij deze afwijkingen, maar bij de beoordeling van medewerking aan
                            gevoelige of ingrijpende situaties kan dit wel worden meegewogen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.1 </label><nr>Toepassing beleidsregels</nr><titel/></kop><al>Indien een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, dan zal er
                            eerst aan het vigerende bestemmingsplan moeten worden getoetst alvorens
                            er een afweging plaatsvindt om hiervan af te wijken.</al><al>De toetsing zal op de volgende wijze geschieden:</al><lijst><li nr="1."><al>Beoordeling of de aangevraagde activiteit vergunningsvrij
                                    is</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Bestemmingsplan:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>a. toetsing aan de (bouw)mogelijkheden van het vigerende
                                    bestemmingsplan (rechtstreeks toelaatbaar); </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>b. toetsing aan de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen
                                    afwijkingsmogelijkheden (binnenplans) en wijzigingsbevoegdheden.
                                </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo:</al><al>a. toesting aan artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor</al><al>b. toetsing aan het beleid voor toepassing van artikel 2.12,
                                    eerste lid, onder a, onder 2° Wabo.</al></li><li nr="4."><al>Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>a. een zelfstandige afweging van ruimtelijke en
                                    stedenbouwkundige aspecten en actueel beleid.</al></li></lijst><al>Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo betreft dus het
                            gedeelte van de toetsing van de planologische mogelijkheden na de
                            binnenplanse mogelijkheden en voordat een afweging wordt gemaakt of er
                            een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure met afwijking of herziening
                            van het bestemmingsplan wordt toegepast.</al><al/><al>Aanspreekpunt voor de omgevingsvergunning is de afdeling
                            Dienstverlening, cluster Vergunningen.</al><al/><al>Afhankelijk van aard en omvang van de aanvraag om omgevingsvergunning
                            zal de casemanager moeten zorgen dat de gebruikelijke deeladviezen van
                            andere medewerkers binnen de cluster, andere clusters of andere
                            afdelingen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.2</label><nr>Aanvullende werking</nr><titel/></kop><al>De voorliggende beleidsregels beperken zich tot de meest voorkomende cq
                            verwachte situaties genoemd in artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II
                            Bor. Zij zijn aanvullend op de in het Bor gegeven voorwaarden en perken
                            deze ook op onderdelen in. Bij een afwijkingsmogelijkheid waarin deze
                            beleidsregels niet voorzien, beslissen wij per specifieke situatie,
                            gelet op de in het Bor gegeven voorwaarden, omtrent het al dan niet
                            verlenen van de omgevingsvergunning. Dit is met name aan de orde bij een
                            installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling, een
                            installatie bij een agrarisch bedrijf voor biovergisting, een andere
                            antenne-installatie dan GSM of UMTS en een jaarlijks terugkerend
                            evenement.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.3</label><nr>Binnen en buiten bebouwde kom</nr><titel/></kop><al>Artikel 2.7 jo artikel 4 bijlage II Bor maakt onderscheid tussen
                            mogelijkheden binnen en buiten de bebouwde kom ten aanzien van
                            bijbehorende bouwwerken en gebruikswijzigingen van gebouwen.</al><al/><al>Voor de begrenzing van de bebouwde kommen wordt voor deze beleidsregels
                            zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de geldende en in procedure
                            gebrachte, danwel te brengen, bestemmingsplannen. Een en ander zoals op
                            de bij dit besluit als Bijlage 4 behorende kaarten nader is
                            aangegeven.</al><al/><al>Het gemeentelijke beleid voor de bebouwde kom ligt vast in het “Handboek
                            ruimtelijke plannen Bronckhorst” en het meest recente bestemmingsplan
                            Vorden Dorp en de ten tijde van vaststelling van deze beleidsregels in
                            procedure zijnde bestemmingsplannen Steenderen Dorp, Kleine kernen 1 en
                            Kleine kernen 2, die zijn opgesteld conform het genoemde handboek.</al><al/><al>Het gemeentelijke beleid voor het buitengebied ligt vast in het
                            “Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst” en het meest recente
                            bestemmingsplan Buitengebied Steenderen/Hummelo en Keppel.</al><al/><al>Nieuwe bestemmingsplannen worden opgesteld volgens het “Handboek
                            ruimtelijke plannen Bronckhorst”.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.4</label><nr>Procedure</nr><titel/></kop><al>Op de voorbereiding van een besluit omtrent een omgevingsvergunning ex
                            artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo is reguliere procedure
                            van toepassing. Er is geen zienswijze op een voorgenomen besluit
                            mogelijk. Tegen het verlenen van de vergunning staan bezwaar en beroep
                            open.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5</label><nr>Afwijkingscategorieën</nr><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.1</label><nr>Bijbehorend bouwwerk</nr><titel/></kop><al>Voor uitbreiding van of een bijgebouw bij een hoofdgebouw geeft artikel
                            4, onder 1 bijlage II Bor zelf voorwaarden ten aanzien van hoogte,
                            oppervlak en bebouwingspercentage buiten de bebouwde kom. Binnen de
                            bebouwde kom gelden geen wettelijke voorwaarden. Ruime toepassing zonder
                            verdere beperkingen zou tot ruimtelijk ongewenste situaties kunnen
                            leiden. Wij vinden het dan ook wenselijk om aanvullende voorwaarden te
                            stellen.</al><al/><al>Daarbij volgen wij de lijn van het “Handboek ruimtelijke plannen
                            Bronckhorst” en de meest recente bestemmingsplannen.</al><al/><al>De ruimte voor bijbehorende bouwwerken lijkt voor de meeste
                            hoofdgebouwen in de bebouwde kom ruimschoots voldoende. In geval van
                            relatief kleine achtertuinen bij woningen kan het voorkomen dat er
                            minder oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen opgericht kan
                            worden. Dit komt doordat volgens het Bor slechts 50% mag worden
                            bebouwd.</al><al/><al>In de bebouwde kom geldt een ‘erkerregeling’ en een maximaal toegelaten
                            (absolute) oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en
                            overkappingen van 120 m² en een, ten opzichte van het Bor afwijkend,
                            maximaal toegelaten bebouwingspercentage. Buiten de bebouwde kom geldt
                            een, ten opzichte van het Bor afwijkende, maximaal toegelaten
                            inhoudsmaat van 750 m<sup>3</sup> voor woningen en maximale oppervlakte
                            van 100 m² voor bijgebouwen bij woningen. In actuele bestemmingsplannen
                            is van de inhoudsmaat voor woningen geen 10% afwijking meer mogelijk.
                            Het gaat namelijk al om een ruimere mogelijkheid dan de 600
                            m<sup>3</sup> in oudere plannen. Wij vinden het niet wenselijk om de
                            maximale inhoudsmaat van actuele bestemmingsplannen nog verder te
                            overschrijden.</al><al/><al>Bij de in 2007 gestarte actualisatie van bestemmingsplannen in de
                            bebouwde kom is gebleken dat bij andere functies dan wonen (commerciële
                            en maatschappelijke functie) de regeling voor bijbehorende bouwwerken
                            wel eens beperkend kan zijn ten opzichte van voorgaande
                            bestemmingsplannen. Dit komt door harmonisatie van verschillende
                            plansystematieken. Bij de op hand zijnde 2<sup>e</sup> fase van de
                            actualiseringsronde houden wij de bestemmingsregelingen nogmaals tegen
                            het licht. Ten aanzien van bijbehorende bouwwerken bij commerciële en
                            maatschappelijke functies zal een regeling worden opgenomen die ruimere
                            mogelijkheden biedt. Tot die tijd willen wij in voorkomende gevallen
                            meewerken aan afwijking van het bestemmingsplan als het na 2007 recent
                            geactualiseerde plan voor bijbehorende bouwwerken minder mogelijkheden
                            biedt dan het voorgaande plan. Voorwaarde is dat de bouwactivitiet moet
                            passen binnen het voorgaande plan.</al><al/><al>Wel of geen medewerking verlenen is sterk afhankelijk van de specifieke
                            situatie en omgeving. Ruime toepassing zonder verdere beperkingen zou
                            wel tot ruimtelijk ongewenste situaties kunnen leiden. Wij zullen dan
                            ook terughoudend omgaan met toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid.
                            Toepassing vindt enkel plaats nadat het beoogde plan, voorafgaand aan de
                            welstandstoets, ruimtelijk-stedenbouwkundig positief is beoordeeld.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.2</label><nr>Gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare
                                voorziening</nr><titel/></kop><al>Voor een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare
                            voorziening geeft artikel 4, onder 2 bijlage II Bor zelf voorwaarden ten
                            aanzien van oppervlak en (bouw)hoogte. Omwille van ruimtelijke kwaliteit
                            vinden wij het wenselijk om ook beperkingen te stellen aan inhoudsmaat
                            en goothoogte. Hierdoor In de meeste bestemmingsplannen is al een
                            afwijkingsregeling opgenomen voor dit soort voorzieningen van openbaar
                            nut.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.3</label><nr>Bouwwerk, geen gebouw zijnde</nr><titel/></kop><al>Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, geeft artikel 4, onder 3 bijlage
                            II Bor zelf voorwaarden ten aanzien van oppervlak en hoogte. Omwille van
                            de ruimtelijke kwaliteit vinden wij het wenselijk om de maximale hoogte
                            van erf- en terreinafscheidingen en andere bouwwerken te beperken. Ook
                            stellen wij een functionele eis dat de bouwwerken worden opgericht ten
                            behoeve van het toegestane gebruik.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.4</label><nr>Dakkapel, dakopbouw of gelijkstoortige uitbreiding van een
                                gebouw</nr><titel/></kop><al>Voor een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een
                            gebouw, geeft artikel 4, onder 4 bijlage II Bor geen voorwaarden. Dit
                            kan bij zowel woningen als andere gebouwen worden toegepast. Omwille van
                            de ruimtelijke kwaliteit vinden wij het wenselijk om nadere regels te
                            stellen. Voor dakkapellen geldt, in aansluiting op de systematiek van
                            het “Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst”, een maximale inhoudsmaat
                            waarbinnen deze niet wordt gerekend tot de inhoud van de woning. Bij
                            dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen gelden beperkingen ten
                            aanzien van het aantal bouwlagen, de hoogte en een terugliggende
                            situering achter de oorspronkelijke buitengevels.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.5</label><nr>Antenne-installatie</nr><titel/></kop><al>Voor antenne-installaties geeft artikel 4, onder 4 bijlage II Bor zelf
                            voorwaarden ten aanzien van de hoogte. Afhankelijk van de locatie kunnen
                            deze bouwwerken een behoorlijke impact hebben. Voor de toepassing van
                            deze mogelijkheid geldt dat per aanvraag een goede afweging gemaakt
                            dient te worden over de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Wij vinden het
                            wenselijk om, voor zover het gaat om GSM- en UMTS-antenne(drager)s,
                            nadere regels te stellen ten aanzien van de minimale afstand tot
                            woningen en ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Daartoe hebben
                            wij op 11 september 2007 beleidsregels vastgesteld. Voor de
                            duidelijkheid en eenduidigheid verklaren wij in onderhavige
                            beleidsregels het specifieke beleid voor GSM- en UMTS-antenne(drager)s
                            van toepassing.</al><al>Omdat de maatschappelijke en politieke discussie omtrent dit onderwerp
                            in beweging is, bewegen inzichten over de toelaatbaarheid en voorwaarden
                            voor het plaatsen van deze masten mee. Dit kan leiden tot wijziging van
                            het specifieke beleid. Wij hebben daarom opgenomen dat een verzoek om
                            omgevingsvergunning, naast het gestelde in het Bor, wordt getoetst aan
                            de op het moment van verzoek geldende specifieke beleidsregels voor GSM-
                            en UMTS-antenne(drager)s.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.6</label><nr>Installatie bij een galstuinbouwbedrijfvoor
                                warmtekrachtkoppeling</nr><titel/></kop><al>Voor installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling
                            geeft artikel 4, onder 6 bijlage II Bor geen voorwaarden. Wij vinden het
                            niet zinvol om aanvullende voorwaarden te stellen. Per geval zal een
                            afweging gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk
                            is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.7</label><nr>Installatie bij een agrarisch bedrijf voor biovergisting</nr><titel/></kop><al>Voor installatie bij een agrarisch bedrijf voor biovergisting geeft
                            artikel 4, onder 7 bijlage II Bor geen voorwaarden. Wij achten het niet
                            zinvol om aanvullende voorwaarden te stellen. Per geval zal een afweging
                            gemaakt worden of afwijking van het bestemmingsplan wenselijk is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.8</label><nr>Jaarlijks terugkerend evenement</nr><titel/></kop><al>Voor jaarlijks terugkerende evenementen geeft artikel 4, onder 8 bijlage
                            II Bor zelf voorwaarden ten aanzien van het aantal en de duur van
                            evenementen. Wij achten het niet zinvol om aanvullende voorwaarden te
                            stellen. In nieuwe bestemmingsplannen zullen wij terreinen voor
                            evenementen buiten de openbare ruimte (mede) bestemmen. Daar waar
                            bestemmingsplannen nog niet zijn geactualiseerd, kunnen wij gebruik
                            maken van deze afwijkingsmogelijkheid. Jaarlijks terugkerende
                            evenementen in onze gemeente zijn onder andere diverse kermissen,
                            schuttersfeesten en oranjefeesten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.9</label><nr>Wijzigen gebruik van bouwwerken</nr><titel/></kop><al>Voor wijzigingen in het gebruik van bouwwerken geeft artikel 4, onder 9
                            bijlage II Bor zelf voorwaarden ten aanzien van ligging in de bebouwde
                            kom en het maximale bruto vloeroppervlak. Ruime toepassing zonder
                            verdere beperkingen qua gebruik zou tot ruimtelijk of planologisch
                            ongewenste situaties kunnen leiden. Wij vinden het dan ook wenselijk om
                            aanvullende voorwaarden te stellen ten aanzien van de vormen van het
                            toegelaten gebruik.</al><al/><al><onderstreept>Nevenfuncties bij wonen en detailhandel
                            </onderstreept></al><al>Met het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten aan huis en
                            nevenfuncties bij detailhandel wordt een gedeelte van de woning of
                            detailhandelsbedrijf aan haar bestemming onttrokken. Uitgangspunt is dat
                            de woon- of detailhandelsfunctie in overwegende mate behouden blijft en
                            de bewoner of exploitant de activiteit uitoefent.</al><al/><al>Bezien moet worden of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet
                            meer te rijmen valt met de woon- of detailhandelsfunctie van het
                            betrokken pand of perceel. De beschreven criteria hebben tot doel om de
                            impact van de activiteit te reduceren en de gevolgen op de omgeving te
                            beperken.</al><al/><al>Hoewel het gaat om wijzigingen in het gebruik, zijn er soms ook
                            bouwkundige aanpassingen noodzakelijk om de functiewijziging mogelijk te
                            maken. Alleen inpandige bouwactiviteiten, al dan niet met
                            bouwvergunning, zijn mogelijk.</al><al/><al><cursief>Aan huis verbonden beroep</cursief></al><al>Dit artikel kan worden toegepast voor die situaties waar een aanvrager
                            binnen de bebouwde kom een aan huis verbonden beroep (de ‘traditionele’,
                            zoals arts, notaris, advocaat en andere vrije beroepen) of bedrijf wil
                            vestigen, zoals een kapsalon, reclamebureau, assurantiekantoor en wat
                            dies meer zij. Het onderscheid tussen beroep en bedrijf is vervaagd en
                            is in feite alleen maar relevant met het oog op de uitstralingseffecten
                            van het gebruik (hinder, detailhandel, parkeren, reclame etc.) en de
                            verhouding tot de (primaire) woonfunctie. In de jurisprudentie wordt
                            vanuit die hoek ook wat kritischer gekeken naar bedrijfsmatige
                            activiteiten dan naar de (traditioneel) aan huis gebonden (vrije)
                            beroepen. Bij de beoordeling van de strijdigheid met de
                            (woon-)bestemming is de ruimtelijke uitwerking die het gebruik gezien
                            zijn aard, omvang en uitstraling heeft, maatgevend.</al><al/><al><cursief>Aan huis verbonden bedrijf</cursief></al><al>De beleidsnotitie “Kansen benutten voor Bronckhorst, beleid voor
                            economische ontwikkeling van de gemeente Bronckhorst 2006–2010” vraagt
                            aandacht en ruimte voor bedrijvigheid in de woonomgeving. Wij willen
                            starters ondersteunen door in het beleid ruimte te bieden voor de vaak
                            aantrekkelijke optie om vanuit huis een bedrijfje te starten. Voor de
                            toegelaten activiteiten hebben wij aansluiting gezocht bij de actuele
                            bestemmingsplannen. Er zijn voorwaarden gesteld waaronder de
                            omgevingsvergunning kan worden verleend. De voornaamste is dat alleen
                            activiteiten die qua aard, omvang en uitstraling passen in een
                            woonomgeving zijn toegestaan. Aanvullend moeten de activiteiten vermeld
                            zijn in de als Bijlage 4 bij de beleidsregels gevoegde <extref doc="https://cvdr.overheid.nl/CVDR/DURP/Handboek/NL.IMRO.1876.-BP00/rb_NL.IMRO.1876.-BP00_2.pdf">Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging</extref>, die ook
                            in actuele bestemmingsplannen voor het toelaten van een aan huis
                            verbonden bedrijf is opgenomen. Omdat de functiemengingslijst een
                            algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is
                            niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten.
                            Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er
                            enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is
                            detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.</al><al/><al><cursief>Horeca</cursief></al><al>Bij een aan huis verbonden bedrijf is functiewijziging ten behoeve van
                            horeca-activiteiten uitgesloten. Voor vormen van horeca-activiteiten als
                            de tearoom bij een bakkerij, die qua exploitatievorm en openingstijden
                            aansluiten bij detailhandel, en waar naast kleinere etenswaren
                            alcoholvrije dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, willen
                            wij beperkt ruimte bieden. Omwille van de kleinschaligheid en
                            ondergeschiktheid hebben wij regels gesteld ten aanzien van omvang,
                            openingstijden (gerelateerd aan de winkeltijden), ruimtelijke
                            uitstraling en parkeren.</al><al/><al><cursief>Bed &amp; breakfast</cursief></al><al>Ook willen wij ruimte bieden aan een horecagerelateerde activiteit als
                            bed &amp; breakfast (b&amp;b) bij wonen als ondergeschikt medegebruik.
                            Het gaat hierbij om een kleinschalige toeristische activiteit. Deze
                            voorziening kan door het kleinschalige karakter, spreiding in de
                            gemeente en het beperkt aantal aaneengesloten overnachtingen, een
                            wezenlijke bijdrage leveren aan het toeristische product naast hotels,
                            recreatiewoningen en campings. Wel stellen wij voorwaarden waaronder
                            b&amp;b toelaatbaar is. Omwille van de kleinschaligheid en
                            ondergeschiktheid hebben wij regels gesteld ten aanzien van omvang,
                            ruimtelijke uitstraling en parkeren. De regels voorzien in b&amp;b als
                            ondergeschikte activiteit bij woningen. Dit betekent niet dat b&amp;b in
                            andere vormen, dus niet als onderdeel van de woning maar bijvoorbeeld
                            bij een theeschenkerij of ambachtelijk bedrijf, zonder meer is
                            uitgesloten. Voor die situaties gelden geen algemene regels. Deze
                            initiatieven zullen op hun merites worden beoordeeld op de mogelijkheid
                            en wenselijkheid van vestiging ter plaatse.</al><al/><al><cursief>Voorbeelden</cursief></al><al>Voorbeelden van toelaatbare activiteiten aan huis zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>(para-) medische beroepen (huisarts, fysiotherapie);</al></li><li nr="-"><al>een kapsalon of schoonheidssalon aan huis;</al></li><li nr="-"><al>administratieve beroepen (advocaat, accountant);</al></li><li nr="-"><al>een kantoor aan huis (verzekeringsagent, belastingadviseur,
                                    adviesbureau, reclamebureau);</al></li><li nr="-"><al>het voeren van een administratie ten behoeve van een
                                    eenmanszaak;</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van dranken en spijzen als ondergeschikte
                                    activiteit bij een detailhandelsactiviteit (tijdens de
                                    winkeltijden);</al></li><li nr="-"><al>bed &amp; breakfast.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Horeca op de verdieping in
                            centrumgebieden</onderstreept></al><al>Het is wenselijk dat het centrumgebied ook na winkelsluitingstijd
                            levendig blijft. Daarom zijn woningen boven winkels en kantoorfuncties
                            beoogd. Bij horeca en maatschappelijke functies vinden activiteiten voor
                            een deel ook in de avonduren plaats zodat deze functies, net als het
                            wonen, de levendigheid vergroten. Als deze functies als onderdeel van de
                            op de begane grond aanwezige horeca- of maatschappelijke functie tevens
                            op de verdieping plaatsvinden, is het niet noodzakelijk dat er ook een
                            bovenwoning aanwezig is. Vanuit de ruimtelijke ordening willen we deze
                            functies op de verdieping niet op voorhand uitsluiten. Bij concrete
                            plannen zal toetsing aan milieu- en bouwregelgeving plaatsvinden. De
                            meest recente bestemmingsplannen hebben dit reeds als uitgangspunt. Een
                            aantal nog niet geactualiseerde plannen en het in 2010 geactualiseerde
                            bestemmingsplan Zelhem Dorp sluiten de functies horeca en
                            maatschappelijk op de verdieping uit. Met deze bepaling willen wij ook
                            voor aanvragen binnen die plannen invulling geven aan de beoogde
                            situatie binnen de bestemming ‘Centrum’.</al><al/><al><onderstreept>Internetverkoop</onderstreept></al><al>De bedrijfsmatige verkoop van goederen via internet neemt in
                            populariteit toe. In de praktijk komen verschillende vormen voor. Het
                            kan bijvoorbeeld gaan om zelfstandige (detail)handelsbedrijven, die
                            producten uitsluitend via internet aanbieden/verkopen en bij de klanten
                            per post of bezorgdienst afleveren (webshops) maar ook als
                            nevenactiviteiten van winkels of productiebedrijven. Internetverkoop is
                            een vorm van detailhandel, maar wijkt op essentiële punten af van de
                            traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel
                            nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke)
                            uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist
                            vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten
                            in.</al><al/><al>Het is gewenst om een algemeen afwegingskader vast te stellen voor
                            planologische medewerking aan internetverkoopbedrijven. In deze
                            beleidsregels is dit afwegingskader opgenomen.</al><al/><al><cursief>Beleid detailhandel </cursief>In de Structuurvisie Bronckhorst
                            en de Masterplannen voor de dorpscentra van Hengelo en Vorden staat
                            onder meer dat detailhandel zoveel mogelijk moet worden geconcentreerd
                            in de centra van de kernen Zelhem, Hengelo, Vorden en Steenderen. Dit
                            met het oog op de functionaliteit van die kernen, de aard en de
                            economische spin-off van deze activiteiten, alsmede i.v.m. het streven
                            om de voorzieningen in die kernen in de centrumgebieden op peil en
                            vitaal te houden en elkaar zoveel mogelijk te laten versterken.</al><al/><al><cursief>Bestaande bestemmingsregeling</cursief></al><al>Internetverkoopactiviteiten is in de regels van recent vastgestelde- en
                            in procedure gebrachte bestemmingsplannen niet expliciet vastgelegd. De
                            activiteiten worden nu regeltechnisch als een vorm van detailhandel
                            beschouwd en worden ook alleen op de als zodanig bestemde plaatsen
                            toegelaten. Voor zover die bestemmingsregels direct detailhandel
                            toelaten, is dus ook internetverkoop in die producten toegestaan. </al><al>Detailhandel is in geldende bestemmingsplannen op de volgende manieren
                            geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>direct in de regels toegelaten door toekenning van een daarop
                                    gerichte bestemming als ‘Detailhandel’, ‘Centrum’, ‘Gemengd’
                                    e.d.;</al></li><li nr="b."><al>direct in de regels toegelaten voor grootschalige detailhandel
                                    en/of detailhandel in volumineuze goederen binnen de niet op
                                    detailhandel gerichte bestemming ‘Bedrijventerrein’;</al></li><li nr="c."><al>direct via een (specifieke) functieaanduiding op de verbeelding
                                    binnen een niet op detailhandel gerichte bestemming (bijv.
                                    ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’, ‘Dienstverlening’);</al></li><li nr="d."><al>indirect via een – in de regels opgenomen –
                                    afwijkingsbevoegdheid qua gebruik bij niet op detailhandel
                                    gerichte bestemmingen; </al></li><li nr="e."><al>direct als ondergeschikte nevenactiviteit (van ter plaatse
                                    vervaardigde en/of streekeigen producten) in een bedrijfs- of
                                    agrarische bestemming.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Definitie detailhandel en internetverkoop</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) deed de
                            afgelopen jaren meerdere uitspraken, waarin de vraag is beantwoord of in
                            voorkomende gevallen verkoop via het internet gerekend moet worden tot
                            detailhandel. De RvS stelt dat, indien er sprake is van enige vorm van
                            ruimtelijke uitstraling van handelsactiviteiten op een perceel, er niet
                            uitsluitend gehandeld wordt via internet. Vormen van ruimtelijke
                            uitstraling van handelsactiviteiten zijn bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="°"><al>de mogelijkheid om ter plaatse producten uit te proberen, af te
                                    halen en te betalen</al></li><li nr="°"><al>een op gezette tijden en/of op afspraak voor klanten geopende
                                    locatie, waar vandaan verkoop via het internet plaatsvindt </al></li><li nr="°"><al>de aanwezigheid van een showroom </al></li><li nr="°"><al>het uitstallen van producten die ten verkoop worden
                                    aangeboden</al></li></lijst><al>Anders gezegd; zónder bovenvermelde vormen van ruimtelijke uitstraling
                            is bij internetverkoop volgens jurisprudentie sprake van
                            handelsactiviteiten, maar niet van detailhandel. Dat betekent dat
                            dergelijke activiteiten niet persé binnen een bestemming voor
                            detailhandel zouden moeten plaatsvinden.</al><al/><al><cursief>Wensen van ondernemers</cursief></al><al>Ondernemers die internetverkoop (willen) bedrijven, willen hun producten
                            veelal op enigerlei wijze uitstallen, opdat potentiële klanten deze
                            kunnen bekijken en testen. Ook is er de wens dat klanten de
                            geselecteerde producten op de bedrijfslocatie kunnen afhalen en betalen.
                            Het gaat daarbij veelal om een ‘beperkte’ ruimte met ‘beperkte’
                            openingstijden. Voor bedrijven is het financieel-economisch gezien
                            doorgaans niet haalbaar om naast de bedrijfslocatie voor de opslag en
                            het kantoor e.d. ook nog een winkellocatie voor die ‘activiteiten met
                            ruimtelijke uitstraling’ in bijvoorbeeld het centrumgebied van een dorp
                            te huren of te kopen. Hoewel dit laatste probleem wordt onderkend, moet
                            het algemeen belang van het concentreren van de detailhandel in de
                            dorpscentra voor de daar aanwezige ondernemers tóch zwaarder worden
                            geacht dan het individuele belang op dit punt van het
                            internetverkoopbedrijf. Tevens moet hierbij worden bedacht, dat
                            eventuele regels voor ‘beperkte detailhandelsactiviteiten’ in de
                            praktijk nauwelijks controleerbaar en handhaafbaar zullen zijn.
                            Bovendien is er, wanneer die detailhandel gerelateerde activiteiten
                            eenmaal ter plaatse als functie worden toegelaten, bestuurlijk
                            nauwelijks meer een mogelijkheid om een later verzoek om uitbreiding van
                            die activiteiten te weigeren. De praktijk wijst namelijk uit dat
                            financieel-economische argumenten van zo’n ondernemer vrijwel altijd
                            doorslaggevend zijn.</al><al/><al><cursief>Handhaafbaarheid </cursief>Het is met het oog op de
                            handhaafbaarheid van groot belang om handelsactiviteiten met ruimtelijke
                            uitstraling buiten detailhandelsbestemmingen expliciet uit te sluiten
                            bij internetverkoop. De grenzen worden anders, ook al zijn die
                            aanvullende activiteiten beperkt, te vaag. De in deze beleidsregels
                            opgenomen kaders zijn bij strikte toepassing goed te gebruiken bij
                            handhavingskwesties. </al><al/><al><cursief>Toelaatbaarheid internetverkoop</cursief></al><al>Vestiging op een bedrijventerrein of een solitair bedrijfsperceel is
                            functioneel gezien voor internetverkoopbedrijven, die niet als
                            detailhandel worden aangemerkt, de meest logische keuze. Zij behoeven
                            immers op de bedrijfslocatie ten hoogste opslag- en kantoorruimten met
                            sanitaire- en personeelsvoorzieningen, alsmede stallingsruimten voor
                            (bezorgdienst)voertuigen. Afhankelijk van de aard en omvang van de
                            activiteiten, de verkeers- en parkeertechnische situatie alsmede van de
                            ruimtelijke uitstraling op de omgeving is vestiging van zo’n bedrijf ook
                            in woonwijken (binnen de kaders voor een ‘aan-huis-verbonden-bedrijf’)
                            of op percelen in het buitengebied denkbaar/acceptabel.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.10</label><nr>Bewoning recreatiewoningen</nr><titel/></kop><al>Voor persoonsgebonden omgevingsvergunningen voor bewoning van
                            recreatiewoningen geeft artikel 4, onder 10 bijlage II Bro zelf
                            voorwaarden ten aanzien van de toepasbaarheid. De recreatiewoning moet
                            voldoen aan de bouwtechnische eisen van een reguliere woning, de
                            verlening mag niet in strijd zijn met milieuregelgeving en de aanvrager
                            moet in elk geval op 31 oktober 2003 meerderjarig zijn en op dat moment
                            de recreatiewoning als woning in gebruik hebben gehad en deze sedertdien
                            onafgebroken hebben bewoond. In tegenstelling tot de andere vergunningen
                            op grond van artikel 2.12 Wabo is deze vergunning persoonsgebonden en
                            niet overdraagbaar. </al><al/><al>Artikel 4, onder 10 bijlage II Bor geeft slechts beperkte voorwaarden
                            voor het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Wij achten het
                            noodzakelijk om aanvullende voorwaarden te stellen. Verzoeken zullen aan
                            de wettelijke bepalingen en de beleidsregels worden getoetst.</al><al/><al>Op 15 mei 2007 hebben wij beleid vastgesteld ten aanzien van
                            onrechtmatige bewoning van recreatiewoonverblijven. Dat beleid stelt
                            regels aan het verlenen van persoonsgebonden gedoogbeschikkingen (PGB’s)
                            maar is, na de komst van de Wabo, niet aangewezen als beleid ten aanzien
                            van omgevingsvergunningen. Aanvragen om omgevingsvergunningen werden op
                            grond van de wettelijke kaders getoetst. Ons beleid komt grotendeels
                            overeen met de wettelijke bepalingen. Het gemeentelijke beleid geeft
                            echter een aantal extra voorwaarden. Wij wensen het gevoerde beleid
                            ongewijzigd voort te zetten.</al><al/><al>In de ledenbrief van de VNG van 8 februari 2012 doet zij een voorstel om
                            gemeentelijk beleid vast te stellen. De modelbeleidsregels van de VNG
                            stellen dat een situatie niet in aanmerking komt voor een
                            omgevingsvergunning als er vóór 1 januari 2010 een last onder dwangsom
                            of bestuursdwang is opgelegd of er een gedoogbeschikking is genomen. De
                            op 15 mei 2007 vastgestelde beleidsregels gaan er van uit dat een
                            situatie ook al niet in aanmerking kwam voor een PGB als een situatie
                            voor 31 oktober 2003 is gewraakt en er nog geen handhavingsbeschikking
                            is genomen.</al><al>Om te voorkomen dat personen in aanmerking komen voor een
                            omgevingsvergunning terwijl zij zijn aangeschreven middels een
                            wrakingsbrief en daarmee een handhavingsactie in gang is gezet, is het
                            gewenst om het op 15 mei 2007 vastgestelde beleid als beleidsregels voor
                            het verlenen omgevingsvergunningen voor het bewonen van
                            recreatiewoningen te gebruiken. Daarbij is het reëel om als criterium te
                            blijven hanteren dat een situatie niet in aanmerking komt als deze op of
                            vóór 31 oktober 2003 is gewraakt.</al><al/><al>De VNG stelt ook voor om regels te stellen voor het aanvoeren van
                            bewijsmiddelen om aan te tonen dat de bewoning vóór 31 oktober 2003 is
                            aangevangen en dat nog steeds onafgebroken plaatsvindt. Daarbij wordt
                            een lijst van gegevens genoemd waarbij ten minste twee genoemde
                            bewijsmiddelen moeten worden overgelegd. Om op basis van slechts twee
                            administratieve bewijsmiddelen af te gaan is echter niet reëel. Beter is
                            het om uit te gaan van de samenhang van feiten en omstandigheden die
                            leiden tot het beeld dat iemand ergens permanent woont. Bij
                            handhavingszaken wordt hier door de rechtelijke macht ook altijd van
                            uitgegaan. In de omgekeerde situatie zou dit dan ook niet anders moeten
                            zijn. Ook is het een ongewenst effect dat personen waarvan de aanvraag
                            reeds eerder is afgewezen opnieuw een beroep zouden kunnen doen. Er is
                            op grond van ons beleid namelijk altijd gekeken naar de totale samenhang
                            van feiten en omstandigheden. Zo kunnen situaties zijn afgewezen waarbij
                            bijvoorbeeld twee bewijsmiddelen de stelling ondersteunen dat iemand aan
                            de criteria voldoet maar er acht bewijsmiddelen tegenover staan die het
                            tegendeel bewijzen. Als een aanvraag nu op grond van slechts twee
                            bewijsmiddelen (zonder de totale samenhang) wordt beoordeeld, zou dit
                            tot een onterechte verlening van een vergunning kunnen leiden.</al><al/><al>Wij hebben de peildatum en de bepaling omtrent bewijsmiddelen van de VNG
                            niet overgenomen. Wij verklaren paragraaf 5.1.1 van het op 15 mei 2007
                            vastgestelde beleid ten aanzien van het verlenen van beschikkingen van
                            toepassing als beleidsregels voor het verlenen een omgevingsvergunning
                            voor het bewonen van recreatiewoonverblijven. Daarmee wordt het sinds
                            2007 gevoerde beleid ongewijzigd voortgezet.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.1.5.11</label><nr>Tijdelijke afwijking</nr><titel/></kop><al>De tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan kan voor diverse vormen
                            van gebruik van gronden en bouwwerken worden toegepast. Het is
                            onmogelijk en niet zinvol om voor alle vormen op voorhand beleidsregels
                            op te stellen. Voor het bewonen van niet voor bewoning bestemde gebouwen
                            achten wij het wel noodzakelijk en wenselijk om vooraf regels te
                            stellen. Dit geeft duidelijkheid aan belanghebbenden en vereenvoudigt de
                            afhandeling van dergelijke verzoeken.</al><al/><al>In de gemeente Bronckhorst is het bewonen van ‘niet voor bewoning
                            bestemde gebouwen’ niet toegestaan. Ook niet als dat maar voor een
                            beperkte periode is. Het gaat hier bijvoorbeeld om het bewonen van
                            recreatiewoningen, stacaravans, units en bijgebouwen. Er zijn echter
                            situaties denkbaar waarbij behoefte is aan een tijdelijke oplossing. Wij
                            kunnen met een omgevingsvergunning tijdelijk afwijken van het
                            bestemmingsplan voor bewoning in situaties waarbij behoefte is aan een
                            tijdelijke oplossing.</al><al/><al>Er gelden echter wel enkele voorwaarden. Zo moet de tijdelijkheid op
                            voorhand vaststaan en er reeds sprake zijn van een concrete einddatum,
                            komen alleen inwoners van Bronckhorst of toekomstige inwoners in
                            aanmerking en moet de te verlaten of de te betrekken woning in de
                            gemeente liggen. Zo kan de omgevingsvergunning worden verleend in
                            situaties waarbij sprake is van een overbruggingsperiode tussen de
                            verkoop van de ene woning en de oplevering van de andere woning of de
                            woning tijdelijk door verbouwing, brand of natuurramp niet bewoonbaar
                            is. Ook bij een echtscheiding of beëindiging van een geregistreerd
                            partnerschap, waarbij aantoonbaar geen onderdak binnen familie- of
                            kennissenkring mogelijk is, is een tijdelijke afwijking mogelijk.</al><al/><al>De maximale termijn voor tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan is
                            in het Besluit omgevingsrecht op 10 jaar gesteld. Een periode van 10
                            jaar voor tijdelijke afwijking kan echter nauwelijks nog tijdelijk
                            worden genoemd. De duur van de tijdelijke afwijking zou daarmee net zo
                            lang worden als de geldingsduur van een bestemmingsplan. In zo’n geval
                            zou de gewenste situatie in een bestemmingsplan moeten worden geregeld.
                            Ook geldt dat het de vraag is of de situatie nog wel handhaafbaar is als
                            de termijn van 10 jaar voorbij is. Als een gebruik zo lang mogelijk is,
                            kan worden afgevraagd of er redenen zijn om het gebruik niet langer kan
                            worden toegestaan en zal de afwijking bij een volgende actualisatie
                            alsnog in het bestemmingsplan worden opgenomen. Dit geldt zowel voor
                            tijdelijke afwijking ten behoeve van bewoning als voor andere vormen van
                            tijdelijke afwijking. Deze wijzigingen ten gevolge van de Crisis- en
                            herstelwet ziet voornamelijk in de problematiek in grote steden waar een
                            grote woningbehoefte is en daarentegen veel kantoorpanden leeg staan.
                            Het is de bedoeling om het gebruik van kantoorpanden voor bewoning te
                            vereenvoudigen. In onze gemeente ligt deze situatie anders. Er is juist
                            een afnemende behoefte aan woningen. Er staan weliswaar bedrijfspanden
                            leeg maar ook woningen waar een betere invulling kan worden gegeven aan
                            tijdelijke behoefte aan woonruimte. Voor de centrumgebieden geldt
                            daarbij dat bewoning voor langere tijd het centrum onaantrekkelijk maakt
                            en bij bedrijfsbestemmingen kan het de bedrijfsvoering van bestaande
                            bedrijven belemmeren. Wij zullen deze maximale termijn niet te benutten
                            en in de regel vast te houden aan de nu nog geldende maximale termijn
                            van 5 jaar. Dit geldt voor alle vormen van tijdelijke afwijking, dus
                            niet alleen bewoning maar ook andere vormen van tijdelijke afwijking.
                            Zoals bij elk beleid kan hier incidenteel gemotiveerd van worden
                            afgeweken als daartoe dringen redenen zijn (hardheidsclausule).</al><al/><al>Een uitzondering hierop vormt het gebruik van recreatiewoningen voor
                            tijdelijke bewoning. Daarvoor gold op grond van de Wabo, het Bor en het
                            gemeentelijke beleid dat uit 2007 stamt, een maximale termijn van 5
                            jaar. Uit de afgelopen jaren is gebleken dat een termijn van 5 jaar
                            nauwelijks van toepassing is bij recreatiewoonverblijven. Het toepassen
                            van zo’n lange termijn zou naar huidige inzichten ook niet meer
                            wenselijk zijn. Recreatiewoningen zijn bedoeld voor recreatief gebruik.
                            Recreatiewoningen zouden daarmee langdurig aan dat gebruik worden
                            onttrokken. Het leefpatroon van een bewoner is volledig anders dan dat
                            van een recreant. Door het voorgaande wordt het recreatieve product
                            minder aantrekkelijk voor recreanten. Recreanten, eigenaren van
                            recreatiewoningen, parkbeheerders en ook de gemeente worden hierdoor
                            onnodig benadeeld. En dat terwijl er betere alternatieven voorhanden
                            zijn. In de huidige situatie op het gebied van krimp en de woningmarkt
                            is tijdelijke verhuur van leegstaande woningen in kader van de
                            Leegstandswet is betere oplossing. Reguliere woningen hebben reeds een
                            woonbestemming waardoor afwijking van het bestemmingsplan niet nodig is.
                            Ook is het een onwenselijke situatie dat recreatiewoningen voor langere
                            tijd worden verhuurd terwijl er elders reguliere woningen leeg staan.
                            Voor het woon- en leefklimaat van de woongebieden is het beter als er
                            geen woningen leeg staan. Daarbij is tijdelijke verhuur van leegstaande
                            woningen middels de Leegstandswet eenvoudiger geworden. Het is naar
                            huidige inzichten reëler en wenselijker om voortaan een termijn van
                            maximaal 1 jaar te hanteren.</al><al/><al>Niet-inwoners van Bronckhorst dienen binnen hun eigen gemeente een
                            oplossing te vinden. Aan tijdelijke bewoning van een recreatiewoning
                            gedurende maximaal 6 maanden door niet-inwoners kan incidenteel onder
                            aanvullende voorwaarden medewerking worden verleend. Deze mogelijkheid
                            hebben wij gecreëerd om gecontroleerd te voorkomen dat niet-inwoners
                            buiten ons zichtsveld toch recreatiewoningen bewonen. De aanvullende
                            voorwaarden zijn er op gericht om meer zekerheid te hebben over de
                            tijdelijkheid.</al><al/><al>Aan situaties waarbij ingezetenen noodgedwongen buiten hun schuld om een
                            huur- of koopwoning in de gemeente moeten verlaten en er nog geen zicht
                            is op vervangende woonruimte is tevens incidenteel medewerking mogelijk.
                            Ook hier gelden aanvullende voorwaarden. De betrokkene moet als
                            woningzoekende ingeschreven staan bij een binnen de gemeente werkzame
                            woningcorporatie of vergelijkbare instelling. Het moeten verlaten van de
                            woning kan bijvoorbeeld zijn in verband met scheiding, faillissement of
                            financiële situatie die het bewonen van de (te dure) woning niet meer
                            toelaat en gezocht wordt naar een wel betaalbare woning. Dus geen
                            personen die een huis hebben verkocht maar nog op zoek zijn naar een
                            nieuwe koopwoning. Ook personen die het ouderlijk huis verlaten komen
                            niet in aanmerking evenals personen die na hun studie weer op zoek gaan
                            naar woonruimte in de gemeente. Zij hebben namelijk de mogelijkheid om
                            bij hun ouders te blijven of gaan wonen. Zij kunnen vanuit die situatie
                            op zoek gaan naar eigen woonruimte. De afwijking geldt voor maximaal één
                            jaar. In dat jaar moet belanghebbende aantoonbaar voldoende inspanning
                            leveren om een passende huurwoning te vinden. Als criterium geldt dat
                            belanghebbende gemiddeld één keer per maand moet reageren op het
                            woningaanbod (actieve inschrijving op passende woning) in de gemeente.
                            Als kan worden aangetoond dat er minder vaak dan één keer per maand een
                            passende woning wordt aangeboden geldt dat op de wel aangeboden woningen
                            móet worden gereageerd. Een voordracht voor een passende woning mag
                            slechts één keer worden geweigerd. Als men weigert moet belanghebbende
                            met opgave van redenen daarvan direct melding doen. Na afloop van de
                            termijn van een jaar doet de belanghebbende via de woningbouwcorporatie
                            opgaaf van zijn inspanningen. Verlenging van de vergunning is slechts en
                            voor maximaal vijf jaar mogelijk als men aan alle voorgaande criteria
                            heeft voldaan maar na afloop van de vergunning nog geen passende
                            huurwoning heeft gevonden. Als blijkt dat belanghebbende geen melding
                            heeft gedaan van een weigering komt deze niet in aanmerking voor
                            verlenging.</al><al/><al>De in deze beleidsregels gestelde maximale termijnen voor tijdelijke
                            afwijking worden niet als vanzelfsprekend toegepast. Het is een maximale
                            termijn waarvoor wij een afwijking willen toestaan. Bij de aanvraag om
                            een tijdelijke afwijking bij een omgevingsverguning moet reeds zicht
                            zijn op een concrete te onderbouwen einddatum. Deze datum moet in ieder
                            geval binnen termijn van respectievelijk 6 maanden en 1 jaar voor
                            recreatiewoningen en 5 jaar voor andere gebouwen vallen.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.</label><nr>BELEIDSREGELS</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>3.1</label><nr>Inleidende bepalingen</nr><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>3.1.1</label><nr>Begrippen</nr><titel/></kop><al><onderstreept>Aan huis verbonden beroep:</onderstreept></al><al>Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief,
                            juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch,
                            cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen
                            prostitutie, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij
                            behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden
                            uitgeoefend.</al><al/><al><onderstreept>Aan huis verbonden bedrijf:</onderstreept></al><al>Het bedrijfsmatig verlenen van diensten dan wel het uitoefenen van
                            ambachtelijke bedrijvigheid, daaronder niet begrepen prostitutie of een
                            seksinrichting, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten,
                            geheel of overwegend door middel van handwerk en waarvan de omvang van
                            de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning en de
                            daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen
                            worden uitgeoefend.</al><al/><al><onderstreept>Aanbouw:</onderstreept></al><al>Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als afzonderlijke ruimte
                            aan het hoofdgebouw is aangebouwd, dat architectonisch ondergeschikt is
                            aan, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.</al><al/><al><onderstreept>Achtergevelrooilijn:</onderstreept></al><al>De lijn die, evenwijdig aan de voorgevelrooilijn, gelijk loopt aan de
                            van de wegzijde gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde
                            daarvan.</al><al/><al><onderstreept>Achtererf:</onderstreept></al><al>Het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen achter de
                            achtergevelrooilijn, indien het perceelsgedeelte niet reeds is
                            aangemerkt als voor- of zijtuin.</al><al/><al><onderstreept>Ander gebouw:</onderstreept></al><al>Een gebouw, geen woongebouw zijnde.</al><al/><al><onderstreept>Antennedrager:</onderstreept></al><al>Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een
                            antenne.</al><al/><al><onderstreept>Antenne-installatie:</onderstreept></al><al>Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading
                            en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur,
                            met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.</al><al/><al><onderstreept>Bebouwde kom:</onderstreept></al><al>Het in bijlage 1 op de kaart als zodanig aangegeven gebied.</al><al/><al><onderstreept>Bebouwingspercentage:</onderstreept></al><al>Het percentage van een bouwperceel dat ten hoogste mag worden
                            bebouwd.</al><al/><al><onderstreept>Bed &amp; breakfast:</onderstreept></al><al>Een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie, waarbij één of meerdere
                            gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen
                            kookgelegenheid hebben en waarbij er een gemeenschappelijke ruimte is
                            waar de gasten een door de ondernemer bereid maaltijd (ontbijt) kunnen
                            nuttigen.</al><al/><al><onderstreept>Bijbehorend bouwwerk:</onderstreept></al><al>Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op
                            hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet
                            tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.</al><al/><al><onderstreept>Bijgebouw:</onderstreept></al><al>Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw, dat ten dienste staat van
                            een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet aan het
                            hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of
                            garagebox en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het
                            hoofdgebouw.</al><al/><al><onderstreept>Bouwen:</onderstreept></al><al>Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of
                            veranderen en het vergroten van een bouwwerk.</al><al/><al><onderstreept>Bouwperceel:</onderstreept></al><al>Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens een bestemmingsplan, een
                            zelfstandige bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.</al><al/><al><onderstreept>Bouwwerk:</onderstreept></al><al>Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden,
                            hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.</al><al/><al><onderstreept>Bouwwijze:</onderstreept></al><al>De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>onder <onderstreept>aaneengebouwd</onderstreept> wordt verstaan
                                    een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee
                                    woningen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het
                                    op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd
                                    (ook wel rijwoningen genoemd);</al></li><li nr="b."><al>onder <onderstreept>twee-aaneen</onderstreept> wordt verstaan
                                    een woning, waarvan het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok
                                    van maximaal twee direct aaneengebouwde hoofdgebouwen (ook wel
                                    twee-onder-één-kap of halfvrijstaand genoemd);</al></li><li nr="c."><al>onder vrijstaand wordt verstaan een woning, waarvan het
                                    hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen
                                    gebouw is aangebouwd;</al></li><li nr="d."><al>onder gestapeld worden appartementen binnen één gebouw
                                    verstaan.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Detailhandel:</onderstreept></al><al>Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling
                            ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die
                            deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in
                            de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een
                            showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is;
                            horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.</al><al/><al><onderstreept>Dienstverlening: </onderstreept></al><al>Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een
                            verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette,
                            kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau,
                            reisbureau, bank, postkantoor, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief
                            ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf,
                            reparatiebedrijf voor muziekinstrumenten, cateringbedrijf, alsmede naar
                            aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven.</al><al/><al><onderstreept>Erf:</onderstreept></al><al>Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is
                            gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten
                            dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een
                            bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die
                            inrichting niet verbieden.</al><al/><al><onderstreept>Gebouw:</onderstreept></al><al>Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al/><al><onderstreept>Hoofdgebouw:</onderstreept></al><al>Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking
                            van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien
                            meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het
                            belangrijkst is.</al><al/><al><onderstreept>Internetverkoop: </onderstreept>een specifieke vorm van
                            detailhandel, waarbij: </al><lijst><li nr="1."><al>de te verkopen goederen uitsluitend via internet worden getoond
                                    en aangeboden;</al></li><li nr="2."><al>de transactie via internet tot stand komt; </al></li><li nr="3."><al>opslag van goederen plaatsvindt (op de bedrijfslocatie zelf of
                                    elders);</al></li><li nr="4."><al>op de bedrijfslocatie geen sprake is van enige fysieke vorm van
                                    uitstalling ten verkoop of showroom, noch van verkoop, betaling
                                    en/of het afhalen van goederen én</al></li><li nr="5."><al>de uitlevering van verkochte goederen aan kopers geschiedt per
                                    post of bezorgdienst.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Kleinschalige horeca:</onderstreept></al><al>Vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij
                            winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren alcoholvrije dranken
                            worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, waarvan de exploitatie zowel
                            overdag als in de vroege avonduren, alleen tijdens openingstijden van de
                            winkel plaatsvindt.</al><al/><al><onderstreept>Uitbouw:</onderstreept></al><al>Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een als vergroting van het hoofdgebouw
                            gebouwd gebouw, hetwelk door de vorm kan worden onderscheiden van het
                            hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is,
                            maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw.</al><al/><al><onderstreept>Voorgevelrooilijn:</onderstreept></al><al>De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het
                            verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee
                            straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de
                            straatkant, gezien worden als voorgevel.)</al><al/><al><onderstreept>Voortuin:</onderstreept></al><al>Het bij de woning behorende perceelsgedeelte dat is gelegen vóór de
                            voorgevelrooilijn(en).</al><al/><al><onderstreept>Woning:</onderstreept></al><al>Een complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, uitsluitend
                            bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.</al><al/><al><onderstreept>Woongebouw:</onderstreept></al><al>Een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven
                            elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke
                            verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.</al><al/><al><onderstreept>Zijtuin:</onderstreept></al><al>Het bij de woning behorende perceelgedeelte dat is gelegen naast de
                            zijgevel, tussen de voor en achtergevelrooilijn, indien het
                            perceelsgedeelte niet reeds is aangemerkt als voortuin.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.1.2</label><nr>Overige begrippen</nr><titel/></kop><al>Voor de begripsbepalingen die niet in deze beleidsregels zijn voorzien,
                            gelden de bepalingen van het desbetreffende bestemmingsplan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.1.3</label><nr>Wijze van meten</nr><titel/></kop><al>Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de bepalingen van het
                            desbetreffende bestemmingsplan omtrent ‘de wijze van meten’
                            toegepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2</label><nr>Beleidsregels kruimellijst</nr><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.1</label><nr>Bijbehorend bouwwerk</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht jo artikel 2.7 van het Besluit
                            omgevingsrecht jo artikel 4, onder 1 in Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komen in aanmerking:</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.1.1</label><nr>Bijbehorend bouwwerk in de bebouwde kom</nr><titel/></kop><al>Met inachtneming van de volgende bepalingen:</al><al/><al>a. vóór de voorgevelrooilijn alsmede in zijtuinen, grenzend aan de
                            openbare weg of openbaar groen (de zogenaamde hoeksituaties), is enkel
                            bebouwing toegestaan in de vorm van een erker en mogen geen bijgebouwen
                            worden opgericht, met dien verstande dat;</al><lijst><li nr="1."><al>de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter, gemeten vanuit
                                    de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw;</al></li><li nr="2."><al>de hoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 meter;</al></li><li nr="3."><al>de breedte niet meer bedraagt dan 60% van de voorgevel van het
                                    hoofdgebouw;</al></li><li nr="4."><al>de afstand van de erker tot de openbare weg en/of het openbaar
                                    groen minimaal 1,5 m moet bedragen.</al></li></lijst><al/><al>b. ten aanzien van het bouwen achter de voorgevelrooilijn (zijgevel of
                            achtergevel) mogen <vet>aan- of uitbouwen en bijgebouwen </vet>worden
                            opgericht met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;</al></li><li nr="2."><al>de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter;</al></li><li nr="3."><al>de breedte van aan- of uitbouw en aangebouwd bijgebouw aan de
                                    zijgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 60% van de
                                    oorspronkelijke gevelbreedte van de voorgevel van het
                                    hoofdgebouw heeft, met een absoluut maximum van 5 meter;</al></li><li nr="4."><al>de voorgevel tenminste 3 meter achter de voorgevelrooilijn
                                    ligt.</al></li></lijst><al/><al>c. onverminderd het in het onder a en b gestelde, geldt voor
                                <vet>bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen met een
                                woonbestemming in de bebouwde kom</vet> voorts dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de totale bebouwde oppervlakte van aan- en uitbouwen,
                                    bijgebouwen en overkappingen, de in het bestemmingsplan
                                    toegestane bebouwing inbegrepen, per hoofdgebouw maximaal 120 m²
                                    mag bedragen;</al></li><li nr="2."><al>het bebouwingspercentage per bouwperceel van het hoofdgebouw,
                                    afhankelijk van de bouwwijze, niet meer mag bedragen dan:</al></li></lijst><al>1e. bij vrijstaande woningen: 30%;</al><al>2e. bij twee-aaneen woningen: 40%;</al><al>3e. bij aaneengebouwde woningen: 50%;</al><al>4e. bij gestapelde woningen: bij de ruimtelijk-stedenbouwkundige
                            beoordeling nader te bepalen, afhankelijk van de specifieke
                            situatie.</al><al/><al>d. in afwijking van het onder a en b gestelde, geldt voor
                                <vet>bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen zonder een
                                woonbestemming in de bebouwde kom</vet> voorts dat, indien het
                            geldende bestemmingsplan een bijbehorend bouwwerk niet toelaat, danwel
                            in een geringere omvang of andere positie toelaat, maar het voorgaande
                            bestemmingsplan biedt hiervoor ruimere mogelijkheden, dan kan in
                            afwijking van het geldende bestemmingsplan medewerking worden verleend
                            mits het bijbehorend bouwwerk past in het voorgaande
                            bestemmingsplan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.1.2</label><nr>Bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom</nr><titel/></kop><al>mits het aantal woningen gelijk blijft, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de totale inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan 750
                                    m<sup>3</sup>;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de totale oppervlakte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan
                                    100 m².</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.1.3</label><nr>Kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een
                                agrarisch bedrijf</nr><titel/></kop><al>Waarbij gelet op de goede ruimtelijke ordening, per individueel verzoek
                            om een afweging wordt gemaakt binnen de in het Besluit omgevingsrecht
                            gegeven voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.2</label><nr>Gebouw ten behoeve infrastructurele of openbare voorziening</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 2 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komt in aanmerking een <vet>gebouw ten behoeve van een
                                openbare nutsvoorziening, telecommunicatie, openbaar vervoer en
                                trein-, water of wegverkeer, </vet>met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inhoud niet meer mag bedragen dan 50 m<sup>3</sup>;</al></li><li nr="b."><al>de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.3</label><nr>Bouwwerk, geen gebouw zijnde</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 3 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komt in aanmerking een <vet>bouwwerk geen gebouw
                                </vet><vet>zijnde</vet>, met inachtneming van de volgende
                            bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2
                                    meter bedragen, met dien verstande dat het gedeelte vóór de
                                    voorgevelrooilijn nooit meer dan 1 meter mag bedragen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de hoogte van overige andere bouwwerken, met uitzondering van
                                    die voor verkeersdoeleinden, verlichtingsarmaturen, wegwijzers,
                                    kunstwerken en –objecten en overige openbare
                                    (nuts)voorzieningen, mag niet meer dan 3 meter bedragen;</al></li><li nr="c."><al>de betreffende bouwwerken moeten qua functie passen binnen de
                                    bestemming die in het bestemmingsplan aan de betreffende gronden
                                    is gegeven.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.4</label><nr>Dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding</nr></kop><al>Dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding </al><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 4 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komt in aanmerking een <vet>dakkapel, dakopbouw of
                                gelijksoortige uitbreiding</vet>, met inachtneming van de volgende
                            bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van een <vet>dakkapel of gelijksoortige
                                        uitbreiding,</vet> geldt een maximale inhoudsmaat van 7
                                    m<sup>3</sup>.</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van een <vet>dakopbouw of gelijksoortige
                                        uitbreiding</vet></al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>geldt dat deze mogen worden opgericht, met dien verstande
                                    dat:</al><lijst><li nr="1."><al>het om maximaal één bouwlaag, boven op de
                                            oorspronkelijke bouwlaag, gaat;</al></li><li nr="2."><al>de hoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, gemeten
                                            vanaf de oorspronkelijke bouwhoogte;</al></li><li nr="3."><al>de dakopbouw minimaal 1,5 meter achter de
                                            oorspronkelijke buitengevels wordt gebouwd.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.5</label><nr>Antenne-installatie</nr></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 5 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht zijn aanvullend op de in voornoemd artikel gegeven
                            voorwaarden, voor zover het <vet>GSM- en/of UMTS-antenne(drager)s</vet>
                            betreft, de op het moment van verzoek om omgevingsvergunning geldende
                            beleidsregels voor GSM- en UMTS-antenne(drager)s van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2.6</label><nr>Installatie bij glastuinbouwbedrijf vor warmtekrachtkoppeling</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 6 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht wordt, gelet op de goede ruimtelijke ordening, per
                            individuele situatie een afweging gemaakt binnen de in het Besluit
                            omgevingsrecht gegeven voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.7</label><nr>Installatie bij agrarisch bedrijf voor biovergisting</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 7 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht wordt, gelet op de goede ruimtelijke ordening, per
                            individuele situatie een afweging gemaakt binnen de in het Besluit
                            omgevingsrecht gegeven voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.8</label><nr>Gebruik van gronden of bouwwerken voor evenementen</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 8 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht wordt, gelet op de goede ruimtelijke ordening, per
                            individuele situatie een afweging gemaakt binnen de in het Bor genoemde
                            voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.9</label><nr>Gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige
                                bouwactiviteiten</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 9 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komt in aanmerking een <vet>wijziging in het gebruik van
                                bouwwerken in de bebouwde kom;</vet></al><al/><al><vet>A. nevenfunctie bij wonen en detailhandel</vet></al><al>Voor bij de functie van wonen of detailhandel passend gebruik, met
                            inachtneming van de volgende bepalingen:</al><al/><al><cursief>1. algemeen:</cursief></al><al>a. de nieuwe functie mag:</al><lijst><li nr="1."><al>geen onevenredige hinder voor het woon- en leefklimaat opleveren
                                    en geen afbreuk doen aan het karakter van omgeving;</al></li><li nr="2."><al>bij wijziging binnen de functie wonen geen detailhandel
                                    betreffen, behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de
                                    uitoefening van het aan huis verbonden beroep of bedrijf;</al></li><li nr="3."><al>geen seksinrichting, escortbureau, sekswinkel dan wel
                                    prostitutiebedrijven omvatten;</al></li><li nr="4."><al>geen horeca-activiteiten betreffen, anders dan kleinschalige
                                    horeca als nevenfunctie bij detailhandel en bed &amp; breakfast
                                    als kleinschalige nevenfunctie bij wonen;</al></li><li nr="5."><al>geen buitenopslag met zich meebrengen;</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>niet leiden tot een onevenredige aantasting van de
                                    verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse.</al></li></lijst><al>b. functiewijziging op bedrijventerreinen is beperkt tot die waarin, op
                            basis van concrete gegevens, geconcludeerd kan worden dat de nieuwe
                            activiteit naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat gelijk is
                            te stellen met de bedrijven, genoemd in de voor die gebieden geldende
                            bestemmingsplannen opgenomen staat van inrichtingen.</al><al/><al><cursief>2. specifiek:</cursief></al><al>a. de wijzigingen voor het medegebruik van een woning en/of bijgebouw
                            voor de uitoefening van een <vet>aan huis verbonden beroep </vet>is
                            toegestaan, mits voldaan wordt aan het volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het aan huis verbonden beroep mag maximaal 40% van de
                                    bebouwde oppervlakte worden gebruikt;</al></li><li nr="2."><al>degene die de activiteiten in de woning en/of het bijgebouw zal
                                    uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;</al></li><li nr="3."><al>de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het
                                    aan huis verbonden beroep is hieraan ondergeschikt.</al></li></lijst><al/><al>b. de wijzigingen voor het medegebruik van een woning en/of bijgebouw
                            voor de uitoefening van een <vet>aan huis verbonden bedrijf </vet>is
                            toegestaan, mits voldaan wordt aan het volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de
                                    bebouwde oppervlakte worden gebruikt, met een absoluut maximum
                                    van 50 m2;</al></li><li nr="2."><al>degene die de activiteiten in de woning en/of het bijgebouw zal
                                    uitvoeren, is tevens de bewoner van de woning;</al></li><li nr="3."><al>de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het
                                    aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt;</al></li><li nr="4."><al>het pand blijft het uiterlijk van een woning behouden;</al></li><li nr="5."><al>het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van
                                    de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; </al></li><li nr="6."><al>de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in
                                    een woonomgeving; in dit verband zijn alleen activiteiten
                                    toegestaan die vallen in categorie A en B van de in Bijlage 1
                                    van deze beleidsregels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten
                                    – functiemenging;</al></li><li nr="7."><al>er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte
                                    verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met het
                                    aan huis gebonden bedrijf.</al></li></lijst><al/><al>c. de wijzigingen voor het medegebruik van een gebouw bestemd voor
                            detailhandel, voor het toestaan van <vet>kleinschalige
                                horeca-activiteiten</vet> als nevenfunctie, mits voldaan wordt aan
                            het volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de horeca-activiteit mag maximaal 25 m<sup>2</sup> worden
                                    gebruikt;</al></li><li nr="2."><al>degene die de horeca-activiteit zal uitvoeren, is tevens de
                                    exploitant van de detailhandelsactiviteit;</al></li><li nr="3."><al>de detailhandelsfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening
                                    van de horeca-activiteit is hieraan ondergeschikt;</al></li><li nr="4."><al>het pand blijft het uiterlijk van een detailhandelsbedrijf
                                    behouden;</al></li><li nr="5."><al>het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van
                                    de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; </al></li><li nr="6."><al>de horeca-activiteit mag alleen plaatsvinden tijdens de
                                    openingstijden van het detailhandelsbedrijf.</al></li></lijst><al/><al>d. de wijzigingen voor het medegebruik van een woning voor het toestaan
                            van <vet>bed &amp; breakfast</vet><vet>voorziening</vet> in
                            maximaal 3 kamers als nevenfunctie, mits voldaan wordt aan het
                            volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>bed &amp; breakfast is enkel in de woning of in een bijgebouw
                                    toegestaan;</al></li><li nr="2."><al>een kamer mag door niet meer dan 2 personen worden
                                    gebruikt;</al></li><li nr="3."><al>er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van bed
                                    &amp; breakfast plaats;</al></li><li nr="4."><al>permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is
                                    niet toegestaan;</al></li><li nr="5."><al>de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden
                                    aangetast;</al></li><li nr="6."><al>bed &amp; breakfast mag niet leiden tot een onevenredige
                                    aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter
                                    plaatse.</al></li></lijst><al/><al><vet>B. </vet><vet>gebruik van verdiepingen in de bestemming ‘Centrum’
                                voor horeca en maatschappelijk</vet></al><al>de wijzigingen voor het gebruik van verdiepingen in de bestemming
                            ‘Centrum’ voor de functies horeca en maatschappelijk, met inachtneming
                            van de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de functies is een niet-zelfstandig onderdeel van de functie op
                                    de begane grond;</al></li><li nr="2."><al>de functie mag geen onevenredige hinder voor het woon- en
                                    leefklimaat opleveren en geen afbreuk doen aan het karakter van
                                    omgeving;</al></li><li nr="3."><al>de functie mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van
                                    de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse.</al></li></lijst><al/><al><vet>C. Internetverkoop</vet></al><al>het toestaan van internetverkoop buiten bestemmingen waar detailhandel
                            is toegelaten, met inachtneming van de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Verkoopruimte</onderstreept> (showroom, winkel,
                                    e.d.) De handel vindt plaats via een digitale winkel op
                                    internet, waarbij de verkoopactiviteiten worden uitgevoerd via
                                    internet en/of telefonisch. Een fysieke verkoopruimte (showroom,
                                    winkel, e.d.) is niet toegestaan. De uitlevering van producten
                                    vindt plaats per post en/of (eigen) bezorgdienst. Het bekijken,
                                    testen en/of afhalen van producten door kopers op de
                                    bedrijfslocatie is niet toegestaan. Betalingen geschieden via
                                    internet of per acceptgiro. ‘Normale’ detailhandel kenmerkt zich
                                    door klanten die een fysieke verkoopruimte bezoeken om daar
                                    uitgestalde producten te vergelijken, te beoordelen en eventueel
                                    te kopen. Zij nemen doorgaans een gekocht product direct mee.
                                    Ingeval internetverkoop wordt gecombineerd met een fysieke
                                    verkoopruimte en/of afhaal- en betalingsmogelijkheden ter
                                    plaatse, dan worden de bedrijfsactiviteiten beschouwd als
                                    ‘normale’ detailhandel en kan de vergunning niet worden
                                    verleend. Deze activiteiten dienen plaats te vinden binnen
                                    bestemmingen waar detailhandel is toegelaten.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>Bedrijfsactiviteiten </onderstreept>Een bedrijf
                                    voor uitsluitend internetverkoop omvat op de bedrijfslocatie of
                                    elders niet anders dan opslag-, transport- en/of administratieve
                                    activiteiten. Daartoe mogen (functioneel gezien) opslag- en
                                    kantoorruimten met sanitaire- en personeelsvoorzieningen alsmede
                                    stallingsruimten voor transportmiddelen aanwezig zijn. De
                                    aanwezigheid van een (bedrijfs)woning is slechts toegestaan op
                                    locaties, waar in de bestaande toestand ook al een
                                    (bedrijfs)woning aanwezig- of planologisch toegestaan
                                    is.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>Locatie</onderstreept> Met het oog op de
                                    functionaliteit, de vitaliteit en de leefbaarheid van
                                    dorpskernen, alsmede vanwege de economische spin-off, wordt
                                    detailhandel (eventueel in combinatie met internetverkoop)
                                    beleidsmatig zoveel mogelijk in de dorpscentra geconcentreerd.
                                    Slechts detailhandel, die qua aard en/of omvang niet in die
                                    centrumgebieden past of die slechts ter plaatse geproduceerde-
                                    en/of streekeigen producten betreft, wordt (al dan niet met een
                                    afwijking van het bestemmingsplan) toegelaten op
                                    bedrijventerreinen, bedrijfspercelen of bij agrarische
                                    bedrijven. Functioneel is vestiging van een bedrijf voor
                                    zelfstandige internetverkoop op een bedrijventerrein de meest
                                    logische keuze. Met name met het oog op de aan- en afvoer van
                                    producten en het ontbreken van een showroom, winkel en
                                    dergelijke. De toelaatbaarheid van de vestiging van een bedrijf
                                    voor zelfstandige internetverkoop (als
                                    ‘aan-huis-verbonden-bedrijf’) in woonwijken of op percelen in
                                    het buitengebied is afhankelijk van de aard en omvang van de
                                    activiteiten, de verkeers- en parkeertechnische situatie alsmede
                                    van de ruimtelijke uitstraling op de omgeving. Qua omvang dienen
                                    de bedrijfsactiviteiten zich binnen een woonbestemming te
                                    beperken tot hetgeen standaard al voor
                                    aan-huis-verbonden-bedrijven wordt toegelaten, moeten voldoende
                                    parkeervoorzieningen op eigen erf aanwezig zijn en mag de aan-
                                    en afvoer van producten niet leiden tot onevenredige
                                    verkeershinder. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.2.10</label><nr>Gebruik van en recreatiewoning voor bewoning</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 10 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht en de artikelen 3 en 4 van de Wet vergunning
                            onrechtmatige bewoning recreatiewoningen wordt per individuele situatie
                            een afweging gemaakt binnen de in het Besluit omgevingsrecht en in de
                            gemeentelijke “Beleidsnota onrechtmatige bewoning van
                            recreatiewoonverblijven” (vastgesteld 15 mei 2007) gegeven
                            voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11</label><nr>Tijdelijke afweging</nr><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.1</label><nr>Algemeen</nr><titel/></kop><al>Voor toepassing van artikel 4, onder 11 in bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht komen in aanmerking <vet>tijdelijke afwijkingen van het
                                bestemmingsplan:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>voor een duur van maximaal 5 jaar;</al></li><li nr="2."><al>in afwijking van het gestelde onder 3.2.11.1 onder 1 geldt voor
                                    het tijdelijk bewonen van niet in een bestemmingsplan voor
                                    bewoning bestemde gebouwen het bepaalde in 3.2.11.2.2 onder 11
                                    en 3.2.11.2.4 onder 11.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2</label><nr>Tijdelijke bewoning</nr><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2.1</label><nr>Afwijkingsmogelijkheid</nr><label/></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen medewerking verlenen aan het tijdelijk
                            bewonen respectievelijk het tijdelijk plaatsen, bouwen of verbouwen van
                            een niet in een bestemmingsplan voor bewoning bestemd gebouw indien het
                            gaat om een activiteit die voorziet in een tijdelijke welke verband
                            houdt met:</al><lijst><li nr="1."><al>het overbruggen van een periode tussen het verlaten van de oude
                                    woning en het kunnen betrekken van de nieuwe woning, bestaande
                                    bouw dan wel nieuwbouw, bij verhuizing;</al></li><li nr="2."><al>het tijdelijk ongeschikt zijn van de bestaande woning door
                                    verbouwing, brand of natuurramp;</al></li><li nr="3."><al>een in procedure zijnde echtscheiding of beëindiging van een
                                    geregistreerd partnerschap, waarbij aantoonbaar geen onderdak
                                    binnen familie- of kennissenkring mogelijk is.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2.2</label><nr/><titel/></kop><al>Medewerking wordt slechts verleend indien, voor zover van toepassing,
                            aan elk van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning geldt, gelijk aan voornoemde wettelijke
                                    bepalingen, voor ten hoogste een jaar, waarbij de tijdelijkheid
                                    gegarandeerd moet zijn door een concrete en aantoonbare
                                    einddatum;</al></li><li nr="2."><al>de betrokkene in gevallen als bedoeld in 3.2.11.2.1 is
                                    ingezetene van de gemeente Bronckhorst, dan wel de betrokkene in
                                    gevallen als bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 1 wordt na de bedoelde
                                    verhuizing ingezetene van de gemeente Bronckhorst;</al></li><li nr="3."><al>één van beide woningen als bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 1, dan
                                    wel de woning als bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 2, bevindt zich
                                    in de gemeente Bronckhorst;</al></li><li nr="4."><al>bij verhuizing als bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 1 is de
                                    verhuisdatum bekend;</al></li><li nr="5."><al>betrokkene dient zich op het tijdelijke adres in te laten
                                    schrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).</al></li><li nr="6."><al>het bewonen van het tijdelijke woonverblijf start eerst na
                                    verkregen vergunning voor dat verblijf;</al></li></lijst><lijst><li nr="7."><al>het plaatsen of bouwen van een tijdelijk woonverblijf, zoals een
                                    woonunit, stacaravan, e.d., dan wel het verbouwen tot tijdelijke
                                    woonruimte van een bestaand gebouw geschiedt, in gevallen als
                                    bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 1 en 2, op het perceel waar de in
                                    aanbouw zijnde, de in verbouw zijnde of getroffen woning
                                    aanwezig;</al></li><li nr="8."><al>betrokkenen, in verband met verbouw als bedoeld in 3.2.11.2.1,
                                    onder 2, die na de verbouw in de woning zullen wonen en dus
                                    beschikken over een woonverblijf elders, komen alleen in
                                    aanmerking als de te verbouwen woning in een afgelegen omgeving
                                    staat en toezicht noodzakelijk is;</al></li><li nr="9."><al>het plaatsen, bouwen of verbouwen en bewonen van een tijdelijk
                                    woonverblijf, in gevallen als bedoeld in 3.2.11.2.1, onder 2,
                                    gebeurt slechts door betrokkenen, die reeds vóór de verbouw,
                                    brand of natuurramp in de op het perceel aanwezige woning wonen
                                    óf door betrokkenen die na de verbouw in de woning zullen
                                    wonen;</al></li><li nr="10."><al>het plaatsen, bouwen of verbouwen en bewonen van een tijdelijk
                                    woonverblijf, bij nieuwbouw of verbouw als bedoeld in
                                    3.2.11.2.1, onder 1 en 2, vindt slechts plaats gedurende de
                                    nieuwbouw of verbouw;</al></li><li nr="11."><al>het plaatsen, bouwen of verbouwen van het tijdelijke
                                    woonverblijf start eerst na verkregen vergunning voor dat
                                    tijdelijke verblijf, maar niet eerder dan één maand vóór aanvang
                                    van de bouw of verbouw van de woning;</al></li><li nr="12."><al>voorafgaand aan het verlenen van vergun­ning voor het plaatsen,
                                    bouwen of verbouwen van het tijdelijke woonverblijf zal, aan de
                                    hand van een ingediende aanvraag om bouwvergunning,
                                    duidelijkheid moeten bestaan over het kunnen verlenen van
                                    vergunning voor nieuwbouw of verbouw van de op het perceel
                                    aanwezige woning;</al></li><li nr="13."><al>het verwijderen, dan wel het ontmantelen van het tijdelijke
                                    woonverblijf is uiterlijk één maand na voltooiing van de
                                    nieuwbouw of verbouw van de woning afgerond.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2.3</label><nr>Coulanceregeling</nr></kop><al>In afwijking van het bepaalde onder 3.2.11.2.1 en 3.2.11.2.2 kunnen
                            burgemeester en wethouders voorts vergunning als bedoeld in 3.2.11.2.1
                            verlenen aan een personen die een zelfstandige woning buiten hun schuld
                            hebben moeten verlaten en op zoek zijn naar een passende huurwoning,
                            waarbij de volgende voorwaarden gelden:</al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning geldt voor ten hoogste één jaar;</al></li><li nr="2."><al>de betrokkene is ingezetene van de gemeente Bronckhorst, dan wel
                                    de betrokkene wordt na het vinden van een passende huurwoning
                                    ingezetene van de gemeente Bronckhorst;</al></li><li nr="3."><al>de betrokkene moet als woningzoekende voor een woning binnen de
                                    gemeentegrenzen ingeschreven staan bij een binnen het
                                    grondgebied van de gemeente Bronckhorst werkzame
                                    woningcorporatie of vergelijkbare instelling;</al></li><li nr="4."><al>een woning is passend als betrokkene ingevolgde de door
                                    corporatie of instelling gegeven criteria op grond van diens
                                    persoonlijke situatie in aanmerking komt voor de woning;</al></li><li nr="5."><al>gedurende de vergunningstermijn moet belanghebbende gemiddeld
                                    één keer per maand inschrijven op een passende woning in de
                                    gemeente Bronckhorst;</al></li><li nr="6."><al>als belanghebbende aantoont dat er minder vaak dan één keer per
                                    maand een passende woning wordt aangeboden geldt dat op de wel
                                    aangeboden woningen móet worden gereageerd;</al></li><li nr="7."><al>een voordracht voor een passende woning mag slechts één keer
                                    worden geweigerd;</al></li><li nr="8."><al>van een weigering doet belanghebbende met opgave van redenen
                                    onverwijld schriftelijk melding bij de gemeente
                                    Bronckhorst;</al></li></lijst><lijst><li nr="9."><al>na afloop van de vergunningstermijn doet de belanghebbende via
                                    de woningbouwcorporatie opgaaf van zijn inspanningen gedurende
                                    de vergunningstermijn;</al></li><li nr="10."><al>verlenging van de vergunning is slechts mogelijk als
                                    belanghebbende aan alle voorgaande criteria heeft voldaan maar
                                    na afloop van de vergunning nog geen passende woning heeft
                                    gevonden;</al></li><li nr="11."><al>als blijkt dat belanghebbende geen melding heeft gedaan van een
                                    weigering komt deze niet in aanmerking voor verlenging;</al></li><li nr="12."><al>het bewonen van het tijdelijke woonverblijf start eerst na
                                    verkregen vergunning voor dat verblijf;</al></li><li nr="13."><al>een belanghebbende die reeds zonder vooraf verleende vergunning
                                    een niet voor bewoning bestemd gebouw bewoont en nadien om
                                    vergunning verzoekt moet aantonen dat hij vanaf de datum van
                                    bewoning reeds voldoet aan het voorgaande.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2.4</label><nr>Uitzonderingsbepaling</nr><titel/></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorts vergunning als bedoeld in
                            3.2.11.2.1 danwel 3.2.11.2.3 verlenen indien de betrokkene, als bedoeld
                            in 3.2.11.2.2, onder 2 en 3.2.11.2.3, onder 2, geen ingezetene van de
                            gemeente is of wordt en/of de woningen, als bedoeld in 3.2.11.2.2, onder
                            3 en 3.2.11.2.3, onder 3, zich niet in de gemeente bevinden, waarbij in
                            afwijking van het bepaalde onder 3.2.11.2.2, onder 1, 2 en 3 en
                            3.2.11.2.3, onder 1, 2 en 3, met behoud van de overige in 3.2.11.2.2 en
                            3.2.11.2.3 gestelde voorwaarden, de volgende aanvullende voorwaarden
                            gelden:</al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning geldt voor ten hoogste zes maanden en kan niet
                                    worden verlengd;</al></li><li nr="2."><al>de vergunning betreft uitsluitend recreatiewoningen op
                                    bedrijfsmatig geëxploiteerde recreatieparken;</al></li><li nr="3."><al>de tijdelijkheid moet zijn gegarandeerd middels een
                                    huurovereenkomst, met een contractduur van ten hoogste zes
                                    maanden, tussen betrokkene en de exploitant.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.11.2.5</label><nr>Nadere voorschriften</nr><titel/></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorschriften verbinden aan de
                            situering, de grootte, de landschappelijke inpassing, de kleurstelling
                            en de (technische/hygiënische) uitrusting van het tijdelijke
                            woonverblijf.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.12</label><nr>Bebouwd gebied</nr><titel/></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.2.1 t/m 3.2.9, komen voor de
                            toepassing van artikel 4 in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
                            voor de gebieden binnen de bebouwde kom, in aanmerking de in voormeld
                            artikel genoemde categorieën 1a, 2 t/m 5, 8 en 9 voor zover passend
                            binnen de in voormeld artikel gegeven voorwaarden, die in
                            overeenstemming zijn met een vergelijkbare situatie in het Handboek
                            ruimtelijke plannen Bronckhorst zoals vertaald in de meest recente
                            bestemmingsplannen als Vorden Dorp en de ten tijde van vaststelling van
                            deze beleidsregels in procedure zijnde bestemmingsplannen Kleine kernen
                            1, Kleine kernen 2 en Steenderen Dorp.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.2.12</label><nr>Landelijk gebied</nr><titel/></kop><al>Onverminderd het bepaalde in voorgaande artikelen, komen voor de
                            toepassing van artikel 4 in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
                            voor de gebieden buiten de bebouwde kom, in aanmerking de in voormeld
                            artikel genoemde categorieën 1b en 2 t/m 8, voor zover passend binnen de
                            in voormeld artikel gegeven voorwaarden, die in overeenstemming zijn met
                            een vergelijkbare situatie in het Handboek ruimtelijke plannen
                            Bronckhorst zoals vertaald in de meest recente bestemmingsplannen als
                            Buitengebied Zelhem en Buitengebied Steenderen / Hummelo en Keppel.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.3</label><nr>SLOTBEPALINGEN</nr><titel/></kop><artikel><kop><label>3.3.1</label><nr>Hardheidsclausule</nr><titel/></kop><al>Burgemeester en wethouders blijven bevoegd om af te wijken van de
                            regeling wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen hebben
                            die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot
                            de met de beleidsregels te dienen doelen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.3.2</label><nr>Inwerkingtreding</nr><titel/></kop><al>Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking, ter vervanging
                            van de “Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht” zoals vastgesteld op 30 augustus 2011, welke hiermee
                            komen te vervallen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>3.3.3</label><nr>Titel</nr><titel/></kop><al>Dit besluit kan worden aangehaald als “Beleidsregels artikel 2.12 Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Hengelo (Gld.) 9 juli 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>A. van Hout H.A.J. Aalderink</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><cursief><vet>Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten -
                        Functiemenging</vet></cursief></al><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225883.pdf">Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten - Functiemenging</extref></al></bijlage><bijlage><al><cursief><vet>Bijlage 2: Kaarten bebouwde kommen
                    Bronckhorst</vet></cursief></al><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225884.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Achter-Drempt</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225885.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Baak</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225886.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Bronkhorst</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225887.pdf">bijlage 2 bebouwde kom Halle</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225888.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Hengelo</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225889.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Hoog-Keppel</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225890.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Hummelo</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225891.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Keijenborg</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225892.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Kranenburg</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225893.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Laag-Keppel</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225894.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Olburgen</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225895.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Steenderen</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225896.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Toldijk</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225897.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Veldhoek</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225898.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Velswijk</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225899.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Voor-Drempt</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225900.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Vorden</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225901.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Wichmond</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225902.pdf">Bijlage 2 bebouwde kom Zelhem</extref></al></bijlage><bijlage><al><vet><cursief>Bijlage 3: Beleidsregels voor GSM- en
                            UMTS-Antenne(drager)s</cursief></vet></al><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225903.pdf">Bijlage 3.1 Beleidsregels voor GSM- en UMTS- antenne(drager)s</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225904.pdf">Bijlage 3.2 Beleidsregels voor GSM- en UMTS- antenne(drager)s</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225905.pdf">Bijlage 3.3 Beleidsregels voor GSM- en UMTS- antenne(drager)s</extref></al></bijlage><bijlage><al><vet><cursief>Bijlage 4: Relevante wetsartikelen </cursief></vet></al><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225906.pdf">bijlage 4 Relevante wetsartikelen</extref></al></bijlage><bijlage><al><vet><cursief>Bijlage 5: Toelichting op relevante wetsartikelen
                    </cursief></vet></al><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i225907.pdf">Bijlage 5 Toelichting op relevante wetsartikelen</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>