<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR300034_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Buren 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-07-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">&lt;a title="De stad Buren, 15 mei
                2013" href="http://www.stadburen.nl"&gt;De stad Buren, 15 mei
                2013&lt;/a&gt;</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Buren 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/regeling_type_wetten+AMVB+ministeries/titel_bevat_gemeentewet/datum_8-7-2013/uitklappen_72436/pagina_1#72436">Gemeente wet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/regeling_type_wetten+AMVB+ministeries/titel_bevat_Monumentenwet%2B1988/datum_8-7-2013">Monumentenwet 1988</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/geldigheidsdatum_08-07-2013">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-07-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV/13/00301</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE BUREN 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>datum vastgesteld in de gemeenteraad van Buren : 2 april
                            2013</cursief></al><al><cursief>datum inwerkingtreding : 1 juni 2013</cursief></al><al/><al>De raad van de gemeente Buren;</al><al>gezien het voorstel van het college van 13 februari 2013;</al><al>gelet op de Gemeentewet, de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende</al><al/><al><vet>“ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE BUREN 2013”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. zaak, die van
                                    algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de
                                    wetenschap of cultuurhistorische waarde; 2. terrein dat van
                                    algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder
                                    1;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a; </al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="d."><al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit: de op basis van art.15, lid 1
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de verordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart: topografische
                                    kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het
                                    grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische beleidsadvieskaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="n."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li><li nr="o."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Buren</al></li><li nr="p."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht. </al></li><li nr="q."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk binnen
                                    8 weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies
                                    van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, maar in ieder geval
                                    binnen 20 weken na de adviesaanvraag. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst. </al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen. </al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. </al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege. </al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988. </al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen; </al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4 voud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend; </al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft; </al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen zes maanden van de vergunning gebruik wordt gemaakt.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de
                                aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                afschrift. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geadviseerd te hebben.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al><vet>P.M.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al><vet>P.M.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al><vet>P.M.</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast: de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De “Erfgoedverordening Gemeente Buren 2009” wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken “Erfgoedverordening
                                Gemeente Buren 2009” aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vastgestelde verordening of het vastgestelde deel van deze
                                verordening treedt in werking op 1 juni 2013. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening Gemeente Buren
                            2013”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 april 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>Drs. K.C. Tammes G. van Droffelaar</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><label/><nr>A.</nr><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>Achtergrond aanpassing verordening</vet></al><al>Gelet op de vaststelling van de Welstandsnota 2013 moeten de Bouwverordening
                        en de Erfgoedverordening worden aangepast. Voor het overige heeft deze
                        nieuwe erfgoedverordening een consoliderend karakter. </al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig
                        in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat.
                        Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                        omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te
                        slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te
                        herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt
                        ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig
                        integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de
                        verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de
                        verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen
                        om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van
                        artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning
                        (facultatieve integratie). </al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te
                        stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere
                        regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke
                        toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten
                        is daarom in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                        gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit
                        nieuwe model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin
                        gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen
                        bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads-
                        en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel
                        gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze
                        artikelen gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten
                        bij burgers genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007
                        was er al voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de
                        modelverordening op te nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het
                        VNG-model op dit en op andere onderdelen zelf aan te vullen.</al></divisie><divisie><kop><label/><nr>B.</nr><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                        uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving
                        van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is
                        volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                        waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens
                        in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                        Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken
                        en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te
                        worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische
                        waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook
                        gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet
                        vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een
                        gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                        ruimer begrip.</al><al/><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                        monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                        monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze
                        ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al/><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                        onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                        vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                        worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee
                        buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun
                        aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                        krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in
                        het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook
                        roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat
                        gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat
                        cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van
                        deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                        aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft
                        geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling.
                        Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot
                        gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                        aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                        toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij
                        de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de
                        Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een
                        onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet
                        1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten
                        zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan
                        elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instellen. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is een commissie
                        die adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de
                        raad bepaald dat een Commissie Ruimtelijke Kwaliteit advies moet uitbrengen
                        aan het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In
                        artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                        inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd
                        gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
                        bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft
                        hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten
                        aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit door het college moet door middel van een apart
                        collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                        (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                        besluit tot instellen van een Commissie Ruimtelijke Kwaliteit gebruik te
                        maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is
                        te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                        www.modelverordeningen.nl .</al><al>De taken van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit strekken zich uit over de
                        Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over
                        de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan
                        het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een
                        gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de
                        bepaling opgenomen worden. Overigens kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        worden gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al/><al><cursief>Sub n</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                        hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt
                        verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                        deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                        behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                        gedereguleerde verordening geschrapt:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                        deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het
                        college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch
                        onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de
                        eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te
                        verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet
                        mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden
                        puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen
                        is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het
                        Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet
                        mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot
                        monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                        binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening.
                        Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                        aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                        aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                        afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                        monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                        voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische
                        waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van
                        een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van)
                        een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot
                        een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                        evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in
                        relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                        bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten
                        verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen
                        hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                        dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt
                        het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument.
                        Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een
                        vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait
                        hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                        onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om
                        bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek
                        verplicht te stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af
                        aan het intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                        toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                        college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                        aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                        zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de
                        constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik
                        van het object zelf. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                        monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                        heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                        monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                        college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                        besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van
                        de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                        besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                        schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                        het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft
                        het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                        aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede
                        lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                        worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                        vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                        vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken,
                        dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken
                        te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                        beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                        vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om
                        alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot
                        monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                        achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                        monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor
                        het bouwen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        als bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                        bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                        werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bepaalt, is daarvoor de
                        aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over
                        een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van)
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op
                        een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                        gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                        monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de
                        periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument
                        op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                        aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en
                        met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere
                        dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument
                        niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                        omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels
                        opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden
                        aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                        financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                        voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                        beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub
                        1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                        deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor
                        geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren
                        voor het inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                        artikel 6 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                        moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten
                        alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering
                        van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke
                        invulling met betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen
                        geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve
                        lasten voor de burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Commissie Ruimtelijke
                        Kwaliteit niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken:
                        zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht
                        advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken.
                        Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een
                        fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                        mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een
                        reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat
                        de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                        verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                        aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder
                        a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                        publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                        voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                        bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                        (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                        en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde
                        in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                        besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder
                        snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij
                        tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                        (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                        wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                        aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                        4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het
                        advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit nodig. Monumenten op de
                        gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                        zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college
                        van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking
                        van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds
                        kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt
                        het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                        gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al><al/><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                        beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen
                        van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor
                        het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                        aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                        materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                        nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de
                        burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat
                        het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                        monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen,
                        zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                        geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de
                        gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken
                        welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat
                        de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt
                        aangetast.</al><al/><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                        Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming
                        tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                        geldt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                        digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen
                        het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                        ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                        keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg
                        indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over
                        de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen
                        is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na
                        verloop van twee jaren in werking te laten treden. </al><al/><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                        lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                        aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                        bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid
                        van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van
                        twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                        project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al/><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling
                        gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning
                        waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                        opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de
                        overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van
                        rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men
                        spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                        paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering
                        van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende
                        vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en
                        wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                        is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                        toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                        toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader
                        van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten
                        in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                        monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het
                        economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het
                        belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag
                        verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning
                        moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet
                        strijdig is met het belang van de monumentenzorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken.
                        De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij
                        de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo
                        kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden,
                        de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het
                        bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                        Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te
                        worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst
                        van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                        konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                        Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al><al/><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                        invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                        vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                        advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                        verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen
                        wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een
                        beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Ter
                        compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                        gemeenten vanaf 2009 een Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten hebben
                        aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de
                        Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een Commissie
                        Ruimtelijke Kwaliteit in diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het
                        beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W
                        verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de
                        adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                        advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst
                        dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet adviseren,
                        zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        bij de aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al><cursief>P.M.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al><cursief>P.M.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al><cursief>P.M</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op
                        grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                        rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                        toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                        toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                        staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                        voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                        moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                        modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de
                        specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                        mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te
                        kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige
                        model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor
                        het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1
                        Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te
                        besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte
                        van de kosten en omvang van deze procedure. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10,
                        derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                        strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten
                        is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                        vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                        aangemerkt als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                        van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding
                        van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                        al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23
                        van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op
                        te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal €
                        370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari
                        2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te
                        nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om
                        enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                        tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van
                        de nadere regels voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het
                        is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de
                        ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen
                        van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college
                        geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening
                        en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                        de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                        zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met
                        het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                        enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve
                        in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld
                        dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren
                        aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                        college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                        Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                        opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben
                        in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                        feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat niet
                        twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                        uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden
                        gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde
                        wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking op 1 juni 2013</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>