<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR29987_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Heemstede</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Heemstede</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBR0020031">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR30077_1">Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemstede</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-03-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>niet van toepassing</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      BELEIDSREGELS WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>BELEIDSREGELS WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>Heemstede, februari 2007 (wijziging juli 2007).</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>Sector Samenleving.</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <tekst>
          <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
          <al>Deze beleidsregels geven verdere invulling aan het in de gemeentelijke
                        verordening en besluit vastgelegde beleid. De beleidsregels geven aan hoe
                        het beleid nader ingevuld dient te worden.</al>
          <al>De beleidsregels zijn “beleidsarm” vastgesteld. Dat heeft vooral te maken
                        met het korte tijdsbestek waarin deze beleidsregels moesten worden
                        vastgesteld. Nadat de wet eind juni in het Staatsblad was gepubliceerd
                        restte nog een half jaar (inclusief vakantiemaanden) waarin inspraak,
                        vaststelling verordening, vaststelling besluit en vaststelling
                        beleidsregels, naast aanbesteding en andere aspecten, plaats zouden moeten
                        vinden.</al>
          <al>Omdat in de gehele parlementaire behandeling duidelijk is aangegeven dat met
                        invoering van de Wmo niet bedoeld is het aan de Wmo voorafgaande Wvg- en
                        AWBZ (Huishoudelijke verzorging)- beleid uit te breiden of in te perken, is
                        zeer dicht bij het oude beleid aangesloten. Dat maakt voor de eerste periode
                        van de Wmo uitvoering mogelijk zonder grote onzekerheden en sluit tevens aan
                        bij het in de Wmo geregelde overgangsrecht.</al>
          <al>De modelbeleidsregels, opgesteld door de Vereniging Nederlandse Gemeenten,
                        zijn als uitgangspunt genomen voor de nu voorliggende beleidsregels.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 1. Vorm van de te verstrekken
                        voorzieningen. </tussenkop>
          
          <tussenkop>1.1. Verschillende wijzen om voorzieningen te
                        verstrekken.</tussenkop>
          <al>Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende:</al>
          <al>
            <cursief>“ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
                            aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het
                            ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee
                            vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende
                            bezwaren bestaan.” </cursief>
          </al>
          <al>Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele
                        voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er <onderstreept>de voorziening
                            in natura</onderstreept>. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager
                        een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. </al>
          <al>Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening
                        in natura geboden moet worden en wel in de vorm van <onderstreept>een
                            persoonsgebonden budget</onderstreept>. Dat is de tweede vorm van
                        verstrekking. </al>
          <al>De derde vorm van verstrekking is <onderstreept>de financiële
                            tegemoetkoming</onderstreept>, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo:</al>
          <al>
            <cursief>“Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor
                            een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt
                            verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van
                            overeenkomstige toepassing.”</cursief>
          </al>
          <al>In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg
                        – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen
                        aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan
                        alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget
                        genoemd worden. </al>
          <al>In dit verband wordt onder een bouwkundige woonvoorziening verstaan een
                        ingreep aan de woning dan wel een bouwkundige aanpassing van de woning. Het
                        aanbrengen van voorzieningen valt niet onder het begrip bouwkundige
                        woonvoorziening, bijvoorbeeld als een traplift kan worden aangebracht zonder
                        verdere bouwtechnische aanpassingen, kan daarvoor een persoonsgebonden
                        budget aan de huurder worden verstrekt. Wél is het dan de
                        verantwoordelijkheid van de huurder de voorziening aan te (laten) brengen na
                        verkregen toestemming van de verhuurder.</al>
          <al>Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om
                        een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt
                        verstrekt.</al>
          
          <tussenkop>1.2. Persoonsgebonden budget, financiële
                        tegemoetkoming, zorg in natura</tussenkop>
          <al>Artikel 3 van de Verordening bepaalt:</al>
          <al>
            <cursief>“Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente ………. neergelegde criteria.”</cursief>
          </al>
          <al>In dit artikel vallen de termen financiële tegemoetkoming en
                        persoonsgebonden budget. Het onderscheid tussen deze begrippen is niet
                        altijd even duidelijk. Daar komt bij dat soms financiële tegemoetkomingen
                        forfaitaire financiële tegemoetkomingen zijn, net weer iets anders. De
                        verschillen tussen deze verstrekkingswijzen kunnen het beste als volgt
                        worden weergegeven.</al>
          <al>Een <cursief>financiële tegemoetkoming</cursief> is een bedrag bedoeld om
                        een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële
                        tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken
                        wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of
                        woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële
                        tegemoetkoming kan mede afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de
                        aanvrager. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming
                        kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het
                        bedrag zit. Dat kan dan, als in deze beleidsregels dit is geregeld, in
                        mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel.</al>
          <al>Een <cursief>forfaitaire financiële tegemoetkoming</cursief> is een bedrag
                        dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld.
                        Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de
                        aanvrager worden vastgesteld. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding
                        of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening
                        worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals het tarief van het
                        collectief vervoer.</al>
          <al>Een <cursief>persoonsgebonden budget</cursief> is een geldbedrag bedoeld om
                        zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te
                        betalen. Op dit Pb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht,
                        tenzij het om een rolstoel gaat. Ook hier kan eventueel met een algemeen
                        gebruikelijk deel rekening worden gehouden.</al>
          <al>Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een financiële
                        tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een bouwkundige
                        woningaanpassing die aan de eigenaar, niet de bewoner, moet worden
                        uitbetaald, niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget. </al>
          <al>Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in
                        natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de
                        mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de
                        basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn
                        van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen.</al>
          <al>Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief
                        vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een
                        aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan
                        maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het
                        hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt.</al>
          <al>Naast deze redenen kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een zeer
                        progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen niet al te
                        lange tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door
                        een andere voorziening. En wellicht daarna weer. Het moge duidelijk zijn dat
                        deze situatie zich ook niet leent voor een persoonsgebonden budget, omdat al
                        vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal
                        blijven.</al>
          <al>Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een
                        persoonsgebonden budget geweigerd moet worden is op dit moment nog niet te
                        overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties
                        zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later
                        toegevoegd worden.</al>
          
          <tussenkop>1.3. Het persoonsgebonden budget </tussenkop>
          <tussenkop>De voorwaarden</tussenkop>
          <al>Artikel 5 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn
                        op het persoons-gebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een
                        persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele
                        voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen
                        persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard
                        van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte
                        duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op
                        incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden
                        geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid:
                        indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate
                        oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan
                        een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die
                        volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden
                        afgehandeld.</al>
          <al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al>
          <lijst>
            <li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;</al></li>
            <li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                complexe zorg;</al></li>
            <li nr="·"><al>Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                zorgbehoefte.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop>
          <al>De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij
                        dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden:</al>
          <al>Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ,
                        dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij
                        het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen
                        afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen, </al>
          <al>woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.</al>
          
          <tussenkop>Huishoudelijke hulp</tussenkop>
          <al>Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is
                        zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van
                        persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget
                        vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de
                        thuiszorg. Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies
                        bepaald. Voor de functie huishoudelijke verzorging was hierbij sprake van de
                        volgende tarieven:</al>
          <table>
            <tgroup cols="2">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 1 (0 t/m 1,9 uur per week)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 904,00</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 2 (2 t/m 3,9 uur per week) </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 2.714,00</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 3 (4 t/m 6,9 uur per week) </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 4.977,00 </al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 4 (7 t/m 9,9 uur per week) </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 7.692,00 </al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 5 (10 t/m 12,9 uur per week)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 10.407,00 </al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Klasse 6 (13 t/m 15,9 uur per week)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 13.120,00 </al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie
                        hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als
                        de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Daarna vallen
                        zij onder de gemeentelijke regels.</al>
          <al>Diegenen die in 2007 een eerste aanvraag doen en direct onder de
                        gemeentelijke regels vallen krijgen een bedrag dat gelijk is aan de
                        AWBZ-tarieven.</al>
          <al>Bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden zal ook een
                        bedrag aan overhead toegevoegd moeten worden. Bij de tabellen zoals in de
                        AWBZ gehanteerd is dat bedrag al inbegrepen. Met dit bedrag kunnen
                        budgethouders ondersteuning inhuren.</al>
          <al>De tarieven voor het pgb huishoudelijke hulp zijn vastgelegd in het Besluit
                        voorzieningen Wmo. Bij de vaststelling van dit besluit is expliciet
                        meegenomen dat de tarieven in 2007 mogelijk heroverwogen kunnen worden en
                        per 1 januari 2008 bijgesteld kunnen worden.</al>
          
          <tussenkop>Rolstoelen, vervoers- en
                        woonvoorzieningen</tussenkop>
          <al>Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een
                        berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening als de
                        voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat
                        kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij worden bedragen
                        geteld voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover
                        daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen
                        beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een
                        leverancier bij de leverancier worden opgevraagd.</al>
          <al>Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het
                        bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal
                        veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier
                        een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt
                        doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de
                        bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan
                        verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden
                        dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal
                        kunnen worden aangeschaft.</al>
          
          <tussenkop>Uitbetaling persoonsgebonden budget</tussenkop>
          <al>Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de
                        aanvrager worden bekend gemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de
                        omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het
                        persoonsgebonden budget bedoeld is.</al>
          <al>Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget
                        dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te
                        schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk
                        omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan
                        voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de
                        voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt
                        aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op
                        zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is
                        uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten
                        maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die
                        niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de
                        beschikking.</al>
          <al>In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen
                        bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen
                        bijdrage uiteindelijk wordt vastgesteld door het CAK, wordt in eerste
                        instantie <onderstreept>een voorlopige eigen
                            b</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>jdrage</onderstreept>
                        op het persoonsgebondenbudget in mindering gebracht.</al>
          <al>Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar
                        worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan
                        te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou
                        ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor
                        hulp bij het huishouden.</al>
          <al>Om de betaling overzichtelijk te houden wordt er voor gekozen om dit
                        persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden <onderstreept>per
                            kwartaal</onderstreept> beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening
                        mee moeten worden gehouden dat bij betaling over een lange periode
                        uitsluitend betaling achteraf problemen zal opleveren. Betaling per
                        voorschot, aan het begin van de periode, ligt voor de hand.</al>
          
          <tussenkop>De verantwoording</tussenkop>
          <al>Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li>
            <li nr="-"><al>een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening</al></li>
            <li nr="-"><al>of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen</al></li>
          </lijst>
          <al>Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders deze
                        stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden
                        budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.</al>
          <al>Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het
                        persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan neemt het college
                        een besluit om het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te
                        vorderen. </al>
          
          <tussenkop>Eigen bijdrage</tussenkop>
          <al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat bij een te verstrekken
                        persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze eigen
                        bijdrage wordt uiteindelijk berekend door het Centraal Administratie Kantoor
                        (CAK).</al>
          <al>Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar
                        voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens,
                        die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006
                        doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat
                        het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er
                        soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een
                        definitieve vaststelling. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden
                        uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget (of een
                        financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag elke 4 weken gevraagd
                        worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven
                        gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te
                        boven gaan. Wordt een persoonsgebonden budget (of een financiële
                        tegemoetkoming met een eigen aandeel) verstrekt voor een voorziening die in
                        eigendom van de aanvrager wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage niet
                        meer dan 39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor
                        een doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen
                        bijdrage worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt gebruikt. </al>
          <al>In geval van een inkomensachteruitgang ten opzichte van het peiljaar is het
                        mogelijk om bij het CAK een verzoek te doen om rekening te houden met het
                        gewijzigde lagere inkomen. De aanvraag dient dit zelf te verzoeken.</al>
          
          <tussenkop>Voorziening in natura</tussenkop>
          <al>Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in
                        natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de
                        beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking
                        plaatsvindt.</al>
          <al>Hier geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente
                        slechts aangekondigd kan worden aangezien berekening en inning plaats zal </al>
          <al>vinden via het CAK.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 2. Woonvoorzieningen.</tussenkop>
          
          <tussenkop>2.1. Uitsluitingen</tussenkop>
          <al>Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel
                        16 van de verordening van toepassing is:</al>
          <al>
            <cursief>“De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                            treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                            kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                            kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                            woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                            ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                            noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.”</cursief>
          </al>
          <al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op
                        een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn
                        uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw
                        verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig
                        zijn.</al>
          <al>Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand
                        mogelijk.</al>
          
          <tussenkop>2.2. Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop>
          <al>Artikel 12 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een
                        woonvoorziening te verstrekken:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>als algemene woonvoorziening;</al></li>
            <li nr="b."><al>als woonvoorziening in natura;</al></li>
            <li nr="c."><al>als persoonsgebonden budget;</al></li>
            <li nr="d."><al>als financiële tegemoetkoming.</al></li>
          </lijst>
          <al>Artikel 13 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de
                        criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een
                        aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in
                        aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan
                        lossen.</al>
          
          <tussenkop>2.3. Algemene woonvoorzieningen</tussenkop>
          <al>De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de
                        verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte
                        duur zijn, lichte, niet complexe zorg/ voorzieningen of betrekking hebben op
                        incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden
                        geen eigen bijdragen gevraagd. </al>
          <al>Op dit moment kent Heemstede geen algemene woonvoorzieningen. Om deze reden
                        is dit onderdeel niet verder uitgewerkt in de beleidsregels.</al>
          <al/>
          <tussenkop>2.4. Primaat verhuizing</tussenkop>
          <al>Artikel 15 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast
                        staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of
                        verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en
                        gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking
                        komt.</al>
          <al>In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing
                        op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal
                        dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van
                        woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de
                        verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de
                        goedkoopst-adequate oplossing. </al>
          <al>Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de
                        verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek
                        waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de
                        besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve
                        gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd
                        besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling
                        verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan
                        de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op
                        verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de
                        verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente
                        aan haar compensatieverplichting voldaan.</al>
          <al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke
                        afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders
                        is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal
                        vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen
                        spelen bij de besluitvorming.</al>
          <al/>
          <al>- <cursief>De snelheid waarmee het probleem kan worden
                            gecompenseerd.</cursief></al>
          <al>De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in
                        het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem
                        sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te
                        passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan,
                        het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een
                        minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van
                        een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd
                        een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het
                        essentieel is dat uit het indicatieadvies blijkt binnen welke medisch
                        aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het
                        woonprobleem.</al>
          <al/>
          <al>- <cursief>Rekening houden met sociale factoren</cursief></al>
          <al>Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld
                        de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de
                        huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke
                        voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen
                        en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol
                        spelen in het afwegingsproces, vooral in situaties waarin sprake is van
                        mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatieonderzoek
                        zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar
                        wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige
                        woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden.
                        Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals
                        winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van
                        verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder
                        vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis"
                        heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de
                        bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de
                        vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder
                        aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen
                        bedrijf kan hebben.</al>
          <al/>
          <al>- <cursief>Rekening houden met woonlasten en</cursief><cursief> financiële
                            draagkracht van de gehandicapte.</cursief></al>
          <al>Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op de woningmarkt, maakt het
                        college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke
                        nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden
                        genomen.</al>
          <al>Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of
                        woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de
                        woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en
                        financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning.</al>
          <al>Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het
                        verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het
                        verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten
                        daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen
                        doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of
                        -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een
                        hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen
                        kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen,
                        ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een
                        eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch
                        verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich
                        mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van
                        de eigen woning en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen.</al>
          <al/>
          <al>- <cursief>Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe
                            woonruimte</cursief></al>
          <al>Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige
                        woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in
                        de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk
                        geval meegenomen in de overwegingen:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al
                                bewoonde woonruimte;</al></li>
            <li nr="-"><al>De kosten van een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten;</al></li>
            <li nr="-"><al>De eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;</al></li>
            <li nr="-"><al>Kosten van het eventueel vrijmaken van de woning;</al></li>
            <li nr="-"><al>Een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving.</al></li>
          </lijst>
          <al>De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren
                        kunnen een rol spelen. </al>
          <al/>
          <al>- <cursief>De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing.</cursief></al>
          <al>Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning
                        naar</al>
          <al>alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in
                        aanmerking te</al>
          <al>komen.</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen
                                woningen;</al></li>
            <li nr="-"><al>De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen;</al></li>
            <li nr="-"><al>Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die
                                woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien
                                geschikt is voor de betreffende woonruimte.</al></li>
          </lijst>
          <al>Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele
                        belanghebbende aangepast worden.</al>
          <al>Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan
                        aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden
                        verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de
                        aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van
                        belang. </al>
          <al>Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat
                        iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als
                        gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan
                        dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing en/of
                        aanpassen.</al>
          <al>Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning
                        door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen
                        blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in
                        het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend.
                        Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na
                        weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat
                        voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt
                        afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.</al>
          <al>Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het
                        al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing.</al>
          
          <tussenkop>2.5. De verhuiskostenvergoeding</tussenkop>
          <al>Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een financiële
                        tegemoetkoming worden verstrekt. Dit is in drie situaties mogelijk aan de
                        orde:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de
                                woning verhuizen naar een adequate woning.</al></li>
            <li nr="2."><al>De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een
                                woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst
                                adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is
                                dat de betreffende woning niet kan worden aangepast.</al></li>
            <li nr="3."><al>Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in
                                een aangepaste woning woont.</al></li>
          </lijst>
          <al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en
                        herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een
                        dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen
                        gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen
                        wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen
                        zijn in beginsel algemeen gebruikelijk.</al>
          <al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt
                        geen financiële tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar
                        woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals
                        in artikel 18, aanhef en onder e van de verordening wordt bepaald.</al>
          <al>Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er
                        sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de
                        woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate wijze
                        kunnen worden opgelost. </al>
          <al>Een verhuiskostenvergoeding kan ook worden verstrekt als het gaat om een
                        verhuizing naar een ADL-woning en wanneer een persoon buiten de
                        Wmo-doelgroep op verzoek van het college een aangepaste woning vrijmaakt. </al>
          <al>Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming voor
                        verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden
                        voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden
                        vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden
                        ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat
                        reden voor afwijzing.</al>
          
          <tussenkop>2.6. Bouwkundige voorzieningen.</tussenkop>
          <al>De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning
                        betreffen.</al>
          <al>Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat
                        zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk
                        geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang,
                        het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal
                        verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen
                        spelen in de woonruimte (de tuin wordt hier ook onder begrepen). </al>
          <al>Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden
                        gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen
                        met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch
                        baden). </al>
          <al>Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel
                        karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben
                        te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen
                        van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten
                        behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen
                        compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat
                        om ruimten met een elementaire woonfunctie. </al>
          <al>Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter
                        compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de
                        uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot
                        rust doen komen van personen met een specifieke beperking. </al>
          <al>Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld
                        in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in
                        respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden
                        woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale
                        Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan
                        worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten,
                        inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van
                        ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke
                        oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de
                        inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in
                        de woning. </al>
          
          <tussenkop>2.7. Kosten i.v.m. onderhoud, tijdelijke huisvesting
                        en huurderving</tussenkop>
          <al>In artikel 14 worden de volgende overige woonvoorzieningen genoemd:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie
                                van een woonvoorziening;</al></li>
            <li nr="-"><al>een tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke
                                huisvesting;</al></li>
            <li nr="-"><al>een tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en
                        reparatie van een woonvoorziening</tussenkop>
          <al> Alleen de werkelijk gemaakte kosten (met een maximum van de in de tabel
                        genoemde bedragen) van keuring, onderhoud en reparatie aan de hieronder
                        genoemde onderdelen komen in aanmerking voor een financiële
                        tegemoetkoming.</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>stoelliften;</al></li>
            <li nr="b."><al>rolstoel- of staplateauliften;</al></li>
            <li nr="c."><al>woonhuisliften;</al></li>
            <li nr="d."><al>hefplateauliften;</al></li>
            <li nr="e."><al>balansliften;</al></li>
            <li nr="f."><al>plafondliften;</al></li>
            <li nr="g."><al>de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte
                                verstelbaar keukenblok, bad of wastafel;</al></li>
            <li nr="h."><al>elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van
                                deuren.</al></li>
          </lijst>
          <al>De maximale vergoeding van kosten voor onderhoud en keuring van diverse
                        soorten liften in woningen en trappenhuizen (per 1-1-2006) bedraagt:</al>
          <table>
            <tgroup cols="5">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/>
              <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/>
              <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/>
              <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/>
              <thead>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Keuring van liften</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Beginkeuring</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Kosten ex BTW</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>Periodieke keuring</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>Kosten ex BTW</al>
                  </entry>
                </row>
              </thead>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Stoellift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ja</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 309</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 4 jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 225</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Rolstoel- plateauliften</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ja</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 309</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 4 jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 225</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Staplateauift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ja</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 484</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 4 jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 279</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Woonhuislift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ja</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 477</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 1 ½ jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 275</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Hefplateaulift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ja</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 484</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 1 ½ jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 279</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Balanslift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>*</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>*</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1 x per 1 ½ jr</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col5">
                    <al>€ 80</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>In de bovengenoemde bedragen zijn opgenomen de kosten voor de keuring door
                        het liftinstituut (voorrijkosten + keuringstarieven), vermenigvuldigd met
                        een factor 2 (personen), vanwege de noodzakelijke assistentie door de
                        onderhoudsfirma.</al>
          <al>* Balansliften worden niet meer nieuw gemaakt. Bestaande balansliften kunnen
                        nog wel gewoon gekeurd en onderhouden worden. Het liftinstituut berekent de
                        kosten voor periodieke keuring van balansliften op grond van een uurtarief
                        van € 80.</al>
          <table>
            <tgroup cols="3">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/>
              <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/>
              <thead>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Onderhoud van liften</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Frequentie</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Kosten ex BTW</al>
                  </entry>
                </row>
              </thead>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Stoellift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>1 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 155</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Rolstoelplateaulift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>1 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 155</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Staplateaulift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>1 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 155</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Woonhuislift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>2 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 224</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Hefplateaulift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>2 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 155</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Balanslift</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>1 x per jaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>€ 155</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>Maximale toeslagen op bovengenoemde tarieven:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>50% voor installaties geplaatst buiten de woning;</al></li>
            <li nr="-"><al>50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen;</al></li>
            <li nr="-"><al>50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven
                                plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch wegklapbare
                                raildelen.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Een tegemoetkoming in de kosten in verband met
                        tijdelijke huisvesting</tussenkop>
          <al>De hoogte van de te verlenen financiële tegemoetkoming bedraagt:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de werkelijke kosten met een maximum van € 453,78 per maand als
                                tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van
                                zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te
                                verlaten woonruimte;</al></li>
            <li nr="b."><al>de werkelijke kosten met een maximum van € 226,89 per maand als
                                tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een
                                niet-zelfstandige woonruimte.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Een tegemoetkoming in de kosten in verband met
                        huurderving</tussenkop>
          <al>De hoogte van de te verlenen financiële tegemoetkoming bedraagt niet meer
                        dan de kale huur van de woonruimte voor de duur van maximaal 6 maanden.</al>
          <al>De hier genoemde bedragen worden jaarlijks op 1 januari verhoogd met het </al>
          <al>prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie van het CBS.</al>
          
          <tussenkop>2.8. Beperkingen</tussenkop>
          
          <tussenkop>Hoofdverblijf</tussenkop>
          <al>Artikel 17 van de verordening bepaalt in lid 1:</al>
          <al>
            <cursief>“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager
                            zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                            voorziening wordt getroffen.”</cursief>
          </al>
          <al>Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                        bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in
                        de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan
                        ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene
                        een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft
                        compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de
                        Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een
                        aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding
                        behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.</al>
          <al>In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij
                        moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in
                        co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene
                        helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij
                        de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen
                        woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is
                        van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke
                        situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de
                        compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende
                        ouder is gelegen.</al>
          <al>Artikel 17 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze
                        hoofdregel:</al>
          <al>2. <cursief>“In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                            woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                            woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                            AWBZ-instelling.</cursief></al>
          <tussenkop>3. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                        gemeente waar de aan te passen woning staat.</tussenkop>
          <tussenkop>4. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                        het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen
                        maximumbedrag.</tussenkop>
          <tussenkop>5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                        de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</tussenkop>
          <al>Het gaat hier om een bovenwettelijke bepaling die uitsluitend betreft de in
                        artikel 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de
                        woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat:
                        het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig
                        lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich
                        meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak.</al>
          <al>Aanvullend wordt opgemerkt dat er vanuit wordt gegaan dat wanneer de
                        aanvrager het toilet kan bereiken, hij/zij het ook kan gebruiken. Mocht dat
                        laatste niet het geval zijn, dan wordt naar alternatieven gezocht.</al>
          
          <tussenkop>Overige beperkingen woonvoorzieningen</tussenkop>
          <al>Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals
                        in de verordening vastgelegd in artikel 18:</al>
          <al>
            <cursief>“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                            wordt geweigerd indien:</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                            van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
                            gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding
                            bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                            beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij
                            daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
                            college;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                            ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra
                            trapleuningen;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                            van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                            voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                            onverwacht optredende noodzaak;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>e. De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
                            vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door
                            bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                            instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
                            woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                            ondervonden.”</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een
                        aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder
                        aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar
                        inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke
                        reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op
                        een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een
                        echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven
                        worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de
                        aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan
                        bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is.</al>
          <al/>
          <al>Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar
                        de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat
                        betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet
                        geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt
                        dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen
                        worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden
                        worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare
                        geschikte woningen.</al>
          <al/>
          <al>Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de
                        jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c
                        vastgelegd. </al>
          <al/>
          <al>Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke
                        verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt
                        aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. </al>
          <al>Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding al
                        besproken.</al>
          
          <tussenkop>2.9. Overige woonvoorzieningen</tussenkop>
          
          <tussenkop>Uitbreiding van ruimten</tussenkop>
          <al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima
                        aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard
                        dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur
                        van de gemeente) aangegeven te worden:</al>
          <table>
            <tgroup cols="4">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/>
              <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/>
              <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/>
              <thead>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Soort vertrek</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Bij aanbouw<noot id="nt1"><noot.nr>*</noot.nr><noot.al>aantal vierkante meters dat ten hoogste
                                                  voor een bijdrage in aanmerking komt.</noot.al></noot></al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Bij uitbreiding<nootref refid="nt1"/></al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>nieuwbouw<nootref refid="nt1"/></al>
                  </entry>
                </row>
              </thead>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>woonkamer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>30 </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>6</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>6</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Keuken</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>10</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>1persoonsslaapkamer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>10 </al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>2persoonsslaapkamer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>18</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>7</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>toiletruimte</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>1</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>badkamer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>- wastafelruimte</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>1</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>1</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>- doucheruimte</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>3</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>entree/hal/gang</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>5</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>2</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>berging</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>6</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>4</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>8</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Terras</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>6</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>0</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>6</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>Verharde paden tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte
                        dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort, dat bij het
                        nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden
                        komt ten hoogste 20 m2 voor een bijdrage in aanmerking.</al>
          
          <tussenkop>Bouwkundige en niet-bouwkundige
                        voorzieningen</tussenkop>
          <al>Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste
                        (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de
                        woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij
                        losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften,
                        douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk
                        zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van
                        losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om
                        inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een
                        oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden
                        geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse
                        voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste
                        voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als
                        transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een
                        transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt
                        in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in
                        andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar
                        waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich
                        meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden
                        zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een
                        slooppand wonen.</al>
          
          <tussenkop>Woningsanering in verband met COPD (CARA)</tussenkop>
          <al>Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor
                        woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis
                        (COPD) noodzakelijk is. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke
                        diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het
                        verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon
                        en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en
                        -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met
                        inschakeling van een gespecialiseerde COPD-verpleegkundige. Verwacht wordt
                        dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen
                        aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag
                        verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treffen ter voorkoming van
                        COPD-klachten.</al>
          <al>In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat
                                COPD zou ontstaan/verergeren;</al></li>
            <li nr="-"><al>vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn
                                noodzakelijk is.</al></li>
          </lijst>
          <al>Geen vergoeding wordt verstrekt indien:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie
                                van de cliënt leidt;</al></li>
            <li nr="-"><al>de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen
                                weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.</al></li>
          </lijst>
          <al>De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het
                        slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager
                        jonger is dan vier jaar.</al>
          <al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te
                        vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is
                        afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming
                        verleend.</al>
          <al>Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden
                        met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een
                        percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode:</al>
          <al>100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar;</al>
          <al>75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;</al>
          <al>50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;</al>
          <al>25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. </al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding
                                verstrekt;</al></li>
            <li nr="-"><al>Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning
                                opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden
                                met de ondervonden klachten. </al></li>
          </lijst>
          <al>Als normbedragen worden gehanteerd:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>voor zeil of linoleum € 53,- per meter (uitgaande van een gemiddelde
                                breedte van de rol van 4 meter), inclusief egalisatiekosten;</al></li>
            <li nr="-"><al>gordijnen: € 15,- per meter voor rolgordijnen of een ander soort
                                gladde gordijnen.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>De uitraasruimte.</tussenkop>
          <al>De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar
                        is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel 14, aanhef en onder g
                        luidt dan ook: </al>
          <tussenkop>“De in artikel 12 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                        bestaan uit: (……)</tussenkop>
          <tussenkop>d. een uitraasruimte.”</tussenkop>
          <al>Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een
                        aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen
                        komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele
                        Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn.</al>
          <al>De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor
                        huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn
                        van verstrekking. </al>
          <al>Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag
                        tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige
                        voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust
                        laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten
                        zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk
                        maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de
                        voorziening vallen.</al>
          <al>Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk
                        psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis
                        worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar
                        mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de
                        slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is.</al>
          
          <tussenkop>2.10. Procedure bij bouwkundige
                        aanpassing</tussenkop>
          <al>Procedure aanvraag woningaanpassing</al>
          <lijst>
            <li nr="1 "><al>Vaststellen programma van eisen</al><al>Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij
                                een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en
                                bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma
                                van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. </al><al>De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen enkele
                                offertes bij een aannemer op. </al></li>
            <li nr="2 "><al>Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate
                                oplossing biedt</al><al>De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het
                                verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor
                                het vaststellen van het PGB. </al></li>
            <li nr="3 "><al>Het college geeft toestemming</al><al>Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing,
                                op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt
                                met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het
                                persoonsgebonden budget betrekking heeft. </al></li>
            <li nr="4 "><al>De eigenaar voert uit</al><al>De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de
                                woningaanpassing conform het programma van eisen. </al></li>
            <li nr="5 "><al>Het college controleert </al><al>Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een
                                financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door
                                hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar
                                de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen
                                achteraf plaats.</al><al>De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en
                                tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de
                                gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.</al></li>
            <li nr="6 "><al>Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding</al><al>De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de
                                woningeigenaar.</al><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk
                                binnen één jaar na het verlenen van toestemming voor het aanpassen
                                van de woning, verklaart diegene aan wie de financiële
                                tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college
                                dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding).</al><al>Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al><al>De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het
                                treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder
                                het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is
                                verleend.</al><al>Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële
                                tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5
                                jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></li>
          </lijst>
          <al>Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het
                        programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is
                        een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook
                        daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook in de beschikking
                        aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de
                        aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan
                        het besluit is gebonden. </al>
          
          <tussenkop>2.11. <vet>V</vet><vet>oorwaarden voor verstrekking
                            pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming.</vet></tussenkop>
          <al>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden
                                gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële
                                tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke
                                toestemming van het college;</al></li>
            <li nr="b."><al>Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of
                                huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing
                                wordt aangebracht;</al></li>
            <li nr="c."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in
                                bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                woningaanpassing;</al></li>
            <li nr="d."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het
                                controleren van de woningaanpassing;</al></li>
            <li nr="e."><al>Direct na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen
                                12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming
                                verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het
                                college dat de bedoelde werkzaamheden zijn vol¬tooid conform het
                                programma van eisen (PvE);</al></li>
            <li nr="f."><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                uitbetaling van de financiële tegemoetkoming;</al></li>
            <li nr="g."><al>De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het
                                treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder
                                de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en
                                betalingsbewijzen worden bijgevoegd.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>2.12. Kosten van woningaanpassingen.</tussenkop>
          <al>De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in
                        aanmerking worden genomen bij de vaststelling van (het persoonsgebonden
                        budget of) de financiële tegemoetkoming:</al>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het
                                treffen van de voorziening;</al></li>
            <li nr="2"><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming
                                van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw
                                1991;</al></li>
            <li nr="3"><al>Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met
                                dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als
                                bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het
                                noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet
                                worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het
                                betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen.</al></li>
            <li nr="4"><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit
                                noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;</al></li>
            <li nr="5"><al>De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de
                                voorziening;</al></li>
            <li nr="6"><al>De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                omzetbelasting;</al></li>
            <li nr="7"><al>Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke
                                betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover
                                deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van
                                voorzieningen;</al></li>
            <li nr="8"><al>De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de
                                oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel.
                            </al></li>
            <li nr="9"><al>De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde
                                kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al></li>
            <li nr="10"><al>De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</al></li>
            <li nr="11 "><al>De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening;</al><al>Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil
                                vergoeden kan het volgende opgenomen worden:</al></li>
            <li nr="12"><al>De administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het
                                treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de
                                kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,-- bedragen, 10% van
                                die kosten, met een maximum van € 575,--.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>2.13. Opstalverzekering</tussenkop>
          <al>Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van
                        de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning
                        aanpast.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.</tussenkop>
          
          <tussenkop>3.1. Inleiding</tussenkop>
          <al>De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven
                        functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit
                        zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt
                        (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder
                        a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over “een huishouden te
                        voeren” waaronder in de verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt
                        verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg.</al>
          <al>Bij deze beleidsregels zijn twee bijlagen opgenomen die bij dit hoofdstuk
                        horen:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo.</al></li>
            <li nr="2."><al>Handreiking normering hulp bij het huishouden</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>3.2. Mogelijke voorzieningen</tussenkop>
          <al>Artikel 7 van de verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken
                        voorzieningen aan:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het
                                huishouden;</al></li>
            <li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li>
            <li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                huishouden.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Hulp bij het huishouden in natura of door middel van
                        een persoonsgebonden budget.</tussenkop>
          <al>Artikel 8 van de verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het
                        huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden
                        een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij
                        het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan
                        hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van
                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij
                        het uitvoeren van de mantelzorg.</al>
          <al>Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare
                        beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen
                        liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                        onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch
                        psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan
                        zal op objectieve wijze plaats moeten vinden. Het kan noodzakelijk zijn
                        medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige
                        deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de
                        zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij
                        gewaakt moet worden voor het verlenen van antirevaliderende hulp. </al>
          <al>Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat
                        de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat
                        die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij
                        het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van
                        uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de
                        hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis,
                        indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager.</al>
          <al>Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan
                        komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden.</al>
          
          <tussenkop>3.3. Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het
                        huishouden</tussenkop>
          <al>Artikel 9 van de verordening bepaalt dat<cursief>, “als tot de leefeenheid
                            waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die
                            wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in
                            aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet
                            “gebruikelijke zorg”</cursief> en is overgenomen uit de beleidsregels
                        zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de
                        invoering van de Wmo.</al>
          <al>Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die
                        het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door
                        een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp
                        bij het huishouden te indiceren.</al>
          <al>Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid
                        in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat
                        betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen
                        hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld
                        worden dit over te nemen.</al>
          <al>Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten
                        ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met
                        studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen
                        draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te
                        kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het
                        huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de
                        tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening
                        gehouden worden bij de indicatie.</al>
          <al>Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al
                        dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die
                        nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een
                        tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak
                        wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.</al>
          <al>Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de
                        gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn
                        werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals
                        het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook
                        ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen
                        onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden
                        aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.</al>
          <al>Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en
                        (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden
                        gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn.
                        Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over
                        te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze,
                        zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een
                        verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het
                        buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden
                        achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.</al>
          <al>Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen
                        die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei
                        familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een
                        huurovereenkomst liggen.</al>
          <al>In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de
                        huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd!</al>
          <al>Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen
                        bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen
                        een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan
                        wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer
                        indien men dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend
                        voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau
                        sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten,
                        gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid
                        van de gemeenschap.</al>
          <al>Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie
                        verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden.</al>
          <al>Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het
                        huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan
                        worden in zoverre de zorg niet door het tehuis wordt betaald. Dan gaat het
                        immers om al aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem.
                        Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of
                        maaltijdverzorging.</al>
          <al>Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp
                        bij het huishouden te worden vastgesteld.</al>
          <al>Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan
                        uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de
                        AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang
                        van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten
                        worden.</al>
          <al>De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden
                        zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en
                        samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen.
                        Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en
                        eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde
                        activiteiten (zie bijlage).</al>
          
          <tussenkop>3.4. Voorliggende voorzieningen</tussenkop>
          <al>Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan.</al>
          <al>Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar
                        bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken.</al>
          <al>Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage kan voor de
                        individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is.
                        Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan verstrekt
                        worden.</al>
          <al>De verstrekking is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar
                        voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen
                        gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in:</al>
          <al>kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school,
                        voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten;
                        hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz.</al>
          <al>De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat
                        niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is
                        het nodig rekening te houden met de sociale kaart zoals die ter plekke
                        bestaat.</al>
          <al>Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het
                        huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan
                        de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling
                        de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden
                        dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend.</al>
          <al>Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten –
                        de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen
                        bijdragen int.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 4. Lokaal verplaatsen per
                        vervoermiddel.</tussenkop>
          <al>Artikel 20 van de verordening luidt:</al>
          <al>
            <cursief>“De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich
                            lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>a. een algemene voorziening waaronder een collectieve
                            vervoersvoorziening;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>b. een vervoersvoorziening in natura;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                            vervoersvoorziening.”</cursief>
          </al>
          
          <tussenkop>4.1. Vormen van vervoersvoorzieningen</tussenkop>
          <al>Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden
                        budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene
                        vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 21 blijkt verder
                        dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een
                        primaat voor het collectief vervoer.</al>
          <al>Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken
                        wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor
                        kunnen bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of
                        collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan
                        komen andere voorzieningen in aanmerking.</al>
          
          <tussenkop>Primaat collectief vervoer.</tussenkop>
          <al>Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast
                        een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt
                        het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een
                        persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan
                        bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst –
                        indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer.</al>
          <al>De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik
                        kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de
                        Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het
                        loopafstands-criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800
                        meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo,
                        afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen
                        bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te
                        komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.</al>
          <al>Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het
                        opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te
                        liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. </al>
          <al>Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening
                        mee worden gehouden.</al>
          <al>Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in
                        aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het
                        eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het
                        “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de
                        afstand waarvoor niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen
                        nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen
                        bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met
                        een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100
                        meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op
                        beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit
                        niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het
                        dwingend voorgeschreven!</al>
          <al>Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer
                        komt op basis van artikel 20 verordening in aanmerking voor collectief
                        vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel
                        gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt
                        dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij
                        ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief
                        vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is
                        collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor
                        verstrekking.</al>
          <al>Bij collectief vervoer zal veelal een tarief betaald moeten worden. Dat
                        bedrag is geen eigen bijdrage in de zin van de Wmo, maar een algemeen
                        gebruikelijk tarief, zoals ook gebruikers van elk openbaar vervoer een
                        tarief betalen.</al>
          <al>De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het
                        bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van
                        collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt
                        aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te
                        brengen.</al>
          <al>Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals
                        het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden
                        met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 24 lid 1
                        van de verordening bepaalt hierover:</al>
          <al>
            <cursief>“1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                            de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen.”</cursief>
          </al>
          <al>De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te
                        bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om 6 zones vanaf het woonadres.</al>
          <al>Artikel 24, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie
                        van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers
                        geboden moet worden.</al>
          <al>
            <cursief>“2. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                            participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                            omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                            kilometer mogelijk maken.”</cursief>
          </al>
          <al>Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een
                        uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van
                        voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie
                        geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad.</al>
          <al>Als collectief vervoer medisch gezien voor de aanvrager niet adequaat is of
                        niet aanwezig is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden. Het kan
                        dan gaan om een voorziening in natura (een bruikleenauto, een
                        autoaanpassing, een gesloten buitenwagen) of een persoonsgebonden budget,
                        als alternatief voor een voorziening in natura of een geldbedrag bedoeld
                        voor een zelf te regelen voorziening (autokostenvergoeding,
                        taxikostenvergoeding, rolstoeltaxikostenvergoeding).</al>
          <al>Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een
                        scootermobiel of een driewielfiets. Of een persoonsgebonden budget om
                        dergelijke voorzieningen aan te schaffen.</al>
          <al>Artikel 23 biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen voor bepaalde
                        vervoersvoorzieningen. Afhankelijk van deze keuze, die in de gemeente 1,5
                        maal het norminkomen (relevant minimuminkomen) bedraagt, kunnen aanvragers
                        met een inkomen boven deze grens bepaalde vervoersvoorzieningen niet
                        krijgen. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of
                        voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat is bijvoorbeeld de
                        taxi. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is,
                        van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat
                        wil zeggen dat als vergoeding of persoonsgebonden budget uitsluitend het
                        verschil tussen beide vergoedingen kan worden toegekend.</al>
          <al>De inkomensgrens is niet van toepassing voor het collectief vervoer en
                        autoaanpassingen.</al>
          
          <tussenkop>4.2. Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal
                        vervoer in de eigen woon – of leefomgeving</tussenkop>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Het leven van alledag in de directe woon- of
                            leefomgeving</onderstreept>
          </al>
          <al>De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal
                        vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de
                        directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om
                        verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving
                        maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te
                        bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. </al>
          <al>Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te
                        kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en
                        oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare
                        scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht.</al>
          <al>Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon
                        van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een
                        Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een
                        vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op
                        recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo
                        verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die
                        de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje
                        te kunnen bekostigen/regelen.</al>
          <al>Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die
                        handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn
                        betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de
                        Wmo-compensatieplicht.</al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Vervoer in verband met werk</onderstreept>
          </al>
          <al>Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen
                        rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die
                        in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er
                        voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die
                        zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden
                        uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale
                        werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw
                        een beroep doen op hun werkgever.</al>
          <tussenkop>Vervoer in verband met vrijwilligerswerk</tussenkop>
          <al>Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen
                        aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale
                        Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten
                        betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk
                        verricht wordt.</al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of
                            bezoek aan medische behandelaars</onderstreept>
          </al>
          <al>Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt
                        evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van
                        het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties
                        voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering.</al>
          <al>Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe
                        evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te
                        vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag
                        plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam
                        uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken,
                        omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging.</al>
          <al>Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch
                        moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend)
                        therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de
                        dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol.
                        Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die
                        erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in
                        verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven
                        van alledag. </al>
          <al/>
          <tussenkop>
            <onderstreept>Vervoer in verband met het volgen van onderwijs</onderstreept>
          </tussenkop>
          <al>Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de
                        Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het
                        leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die
                        via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen.</al>
          
          <tussenkop>Vervoer van kinderen door ouders met een
                        beperking</tussenkop>
          <al>Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden
                        met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan
                        echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de
                        ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep.</al>
          
          <tussenkop>Vervoer voor
                        AWBZ-instellingsbewoners.</tussenkop>
          <al>Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt
                        tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente
                        woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële
                        regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft
                        vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners.</al>
          <al>Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige
                        Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt
                        overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van
                        de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. </al>
          <al>Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan
                        zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate
                        boodschappen hoeven te doen. </al>
          
          <tussenkop>Begeleiding bij het vervoer van
                        AWBZ-bewoners</tussenkop>
          <al>Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie.
                        Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij
                        AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak
                        van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen.
                        Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q.
                        compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. Slechts in
                        uitzonderingssituaties, als begeleiding slechts in ontoereikende mate of
                        tegen substantiële meerkosten mogelijk is, en deze op medische gronden
                        noodzakelijk is, kan een tegemoetkoming in de meerkosten worden
                        verstrekt.</al>
          <al>Het persoongebonden budget voor de tegemoetkoming in de kosten van het
                        gebruik van eigen auto, taxi of rolstoeltaxi voor bewoners van AWBZ
                        instellingen wordt bepaald op 50% van de kosten genoemd in artikel 7 van het
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning. </al>
          <al>Maximale vergoeding per 1-1-2007 eigen auto of taxi bedraagt 50% van € 2.035
                        = € 1.017</al>
          <table>
            <tgroup cols="2">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 10 % vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 204</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 10 – 20% vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 407</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 20 – 30 % vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 611</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 30 – 40% vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 814</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 40% en meer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 1.017</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al>Maximale vergoeding er 1-1-2007 rolstoeltaxi 50% van € 3.053 = € 1.527</al>
          <table>
            <tgroup cols="2">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 10 % vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 304</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 10 – 20% vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 611</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 20 – 30 % vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 916</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 30 – 40% vergoeding</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 1.221</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Vervoersbehoefte 40% en meer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>€ 1.527</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <tussenkop>Hoofdstuk 5. Verplaatsen in en rond de woning: de
                        rolstoel.</tussenkop>
          
          <tussenkop>5.1. Verplaatsen in en rond de woning</tussenkop>
          <al>Artikel 4 lid 1 Wmo, aanhef en onder b luidt:</al>
          <al>
            <cursief>“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt
                            in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het
                            college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van
                            maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>b. zich te verplaatsen in en om de woning.”</cursief>
          </al>
          <al>Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden:
                        met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een
                        rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de
                        Wvg eerder het geval, onder de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder
                        andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 3 Wmo
                        uitgesloten.</al>
          <al>Er is van afgezien – net als in de Wvg – om een begripsomschrijving van een
                        rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een
                        kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren. Daarom
                        blijft staan als eerder onder de Wvg: onder rolstoel dient te worden
                        verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder
                        wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de
                        woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4
                        wielen, soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms 2 grote
                        wielen achter en 2 kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan
                        de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan inderdaad met
                        de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op
                        een rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te
                        ondersteunen, lichter te maken.</al>
          <al>Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor
                        verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.</al>
          
          <tussenkop>5.2. Vormen van rolstoelvoorzieningen</tussenkop>
          <al>Artikel 25 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om
                        rolstoelen te verstrekken:</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Een algemene rolstoelvoorziening;</al></li>
            <li nr="-"><al>Een rolstoel in natura;</al></li>
            <li nr="-"><al>Een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoel;</al></li>
            <li nr="-"><al>Een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>Rolstoel in natura en pgb</tussenkop>
          <al>Voor hen die vaker, met name dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor
                        verplaatsing in en rond de woning kan op basis van het gestelde in artikel
                        26, lid 2 van de verordening een rolstoel toegekend worden. Dit kan
                        ingevolge artikel 25 van de verordening, aanhef en onder b en c als
                        voorziening in natura en als persoonsgebonden budget.</al>
          <al>Via een medisch onderzoek zal bepaald worden of er een indicatie is voor een
                        rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens van de aanvrager
                        bepalend en zal een persoonsgebonden budget uitsluitend geweigerd worden als
                        daarvan sprake is op basis van artikel 3 van de verordening en artikel 1.2
                        van het Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al>
          <al>Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen. Voor een
                        sportrolstoel komt men ingevolge artikel 26, lid 3 van de verordening in
                        aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door
                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Dit om het ook
                        mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan
                        sport te kunnen doen.</al>
          <al>Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn
                        er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een
                        sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten worden niet
                        onder sport gerekend. </al>
          <al>Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportvereniging de
                        mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te proberen
                        of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan
                        nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet
                        of nauwelijks gebruikt wordt.</al>
          <al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend als persoonsgebonden budget verstrekt.
                        In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel
                        bedoeld en een deel voor onderhoud.</al>
          <al>In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische rolstoel
                        noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een beroep op de
                        hardheidsclausule een hoger bedrag worden verstrekt. Dat zal mogelijk zijn
                        als het inkomen de aanschaf van een elektrische sportrolstoel met een
                        persoonsgebonden budget niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele
                        beoordeling is hiervoor noodzakelijk.</al>
          <al>Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor
                        sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal
                        vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken.</al>
          <al>De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrolstoel. Net als
                        in de Wvg is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de sportrolstoel als
                        uitzondering vanuit de AAW meegenomen. Dit gebeurt nu weer vanuit de Wvg
                        naar de Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in
                        de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van de Wmo geen extra geld
                        beschikbaar is gekomen om ruimer sportvoorzieningen te verstrekken is deze
                        regel vanuit de Wvg in de Wmo aangehouden.</al>
          
          <tussenkop>Rolstoel en eigen bijdrage.</tussenkop>
          <al>Ingevolge artikel 4.1, lid 4 Wmo mag voor een rolstoel nooit een eigen
                        bijdrage worden gevraagd.</al>
          
          <tussenkop>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door
                        AWBZ-bewoners</tussenkop>
          <al>Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet toelating
                        zorginstellingen zijn erkend komen, ingevolge artikel 27 van de Verordening,
                        slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen
                        aanspraak kunnen maken op een rolstoel. Hiervan zal sprake zijn als artikel
                        15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing is. </al>
          <al>Artikel 15 Bza luidt: </al>
          <al>
            <cursief>“1. Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling,
                            omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, tevens:</cursief>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>
                <cursief>geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde
                                    paramedische zorg;</cursief>
              </al></li>
            <li nr="b."><al>
                <cursief>farmaceutische zorg;</cursief>
              </al></li>
            <li nr="c."><al>
                <cursief>hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de
                                    instelling gegeven zorg;</cursief>
              </al></li>
            <li nr="d."><al>
                <cursief>tandheelkundige zorg; </cursief>
              </al></li>
            <li nr="e."><al>
                <cursief>kleding, verband houdende met het karakter en de
                                    doelstelling van de instelling;</cursief>
              </al></li>
            <li nr="f."><al>
                <cursief>het individueel gebruik van een rolstoel.</cursief>
              </al></li>
          </lijst>
          <al>
            <cursief>2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het
                            verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.”</cursief>
          </al>
          <al>De zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie
                        behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg. Dat betekent dat de
                        combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling, het
                        verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen
                        zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of
                        revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal uiteraard een
                        rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.</al>
          <al>Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen
                        ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een
                        toegelaten instelling. In die situatie zal moeten worden nagegaan of op
                        betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Besluit
                        zorgaanspraken van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de
                        zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 6. Het medisch advies.</tussenkop>
          
          <tussenkop>6.1. Aanleiding</tussenkop>
          <al>Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij
                        indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging AWBZ
                        was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit de jurisprudentie van
                        de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt dat die medische
                        noodzaak in de ogen van de Raad noodzakelijk is om voorzieningen te
                        verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een
                        onafhankelijk sociaal medisch adviseur, ook in de op de Wvg en de
                        AWBZ-functie HV volgende Wmo van cruciaal belang is. Daarom is hierover een
                        apart hoofdstuk opgenomen.</al>
          
          <tussenkop>6.2. Verordening</tussenkop>
          <al>In de verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 30, (met name in lid
                        2):</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li>
                <li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>het college voornemens is de gevraagde voorziening om
                                        medische redenen af te wijzen;</al></li>
                <li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></li>
            <li nr="4."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></li>
            <li nr="5."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>6.3. Gebruik van artikel 30 uit de
                        verordening</tussenkop>
          <al>Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te
                        bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de
                        jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de
                        aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende
                        onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de
                        medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld
                        moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan
                        worden.</al>
          <al>Lid 3 van dit artikel bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn voor
                        het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan het college.
                        Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan financiële
                        gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij
                        medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende
                        sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime
                        tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de
                        aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager
                        vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de
                        aanvrager aangeeft welk (groot) belang hij heeft bij het verstrekken van de
                        gevraagde informatie aan de medische adviseur.</al>
          <al>Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector
                        uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij dient in
                        de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens
                        opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke
                        gegevens het gaat en met welk doel.</al>
          <al>Lid 4 bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de
                        International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de
                        zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. </al>
          <al>“De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De
                        classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de
                        gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder
                        gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle
                        ordening geplaatst.”<noot id="d9659e1719"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Uit Nederlandse vertaling van de ‘International Classification
                                of Functioning, Disability and Health Compilatie, blz. 22, dit is
                                een toelichting op de ICF, zie
                                http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf</noot.al></noot></al>
          <al>Van de zeer uitgebreide ICF<noot id="d9659e1726"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm</noot.al></noot> zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en
                        participatie” van belang. Daarom zijn deze lijsten als bijlage bij dit
                        hoofdstuk toegevoegd.</al>
          <al>De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door de
                        adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de
                        aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij
                        met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met
                        name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst
                        van deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk.</al>
          <al>Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor
                        de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat
                        wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies worden
                        aangegeven.</al>
          <al>Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en
                        participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo
                        plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in
                        “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het
                        begrippenkader van de ICF. De indeling van activiteiten en participatie is
                        als bijlage 2 bij dit hoofdstuk opgenomen.</al>
          <al>Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag
                        de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die
                        beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of
                        de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt
                        gebruikt.</al>
          <al>Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot
                        (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde
                        compensatie/voorziening.</al>
          
          <tussenkop>Hoofdstuk 7. Verkrijgen van voorzieningen en
                        motiveren van besluiten.</tussenkop>
          
          <tussenkop>7.1. Aanvraag</tussenkop>
          <al>Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is
                        de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Aanvragen in het kader van de
                        Wmo kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend. Een uitzondering
                        daarop kunnen de algemene voorzieningen zijn.</al>
          <al>Voor zover het geen algemene voorziening betreft zal de aanvraag
                        schriftelijk plaats moeten vinden. Dit gebeurt ingevolge artikel 30 van de
                        verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. Voordeel van een
                        dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is, alle voor de
                        behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.</al>
          <al>De aanvraag dient ingediend te worden op de in artikel 29 van de verordening
                        genoemde plaats t.w. het Loket Heemstede. Is op het terrein van de Wmo en op
                        het terrein van de AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan
                        die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het
                        vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de
                        indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo.</al>
          <al>Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens
                        tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden
                        genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van ten hoogste
                        8 weken beschikbaar.</al>
          <al>Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag een
                        beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn
                        betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van
                        de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden.</al>
          
          <tussenkop>7.2. Onderzoek – doelgroep</tussenkop>
          <al>Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de aanvrager
                        behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten
                        in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten in de
                        modelverordening. In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten:</al>
          <al>Artikel 2 Wmo bepaalt: </al>
          <al>
            <cursief>“Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor
                            zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
                            aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op
                            grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.”</cursief>
          </al>
          <al>Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening
                        wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om
                        wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de
                        WIA.</al>
          <al>Artikel 4 van de Wmo spreekt van <cursief>“de beperkingen die een persoon
                            als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°,
                            ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke
                            participatie”.</cursief></al>
          <al>Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is: </al>
          <al>
            <cursief>“4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun
                            bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk
                            niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van
                            vrijwilligers;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>5° het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer
                            en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                            probleem;</cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of
                            een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal
                            probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun
                            zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke
                            verkeer;”</cursief>
          </al>
          <al>Het gaat daarbij om </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>mantelzorgers,</al></li>
            <li nr="2."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan
                                het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren;</al></li>
            <li nr="3."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen
                                ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig
                                functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer.</al></li>
          </lijst>
          <al>Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot voorzieningen
                        geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij
                        die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt
                        voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam
                        aangevraagd moeten worden.</al>
          <al>Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt.
                        Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke
                        verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een
                        indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de
                        mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor
                        de persoonlijke verzorging.</al>
          <al>Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen
                        huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker
                        te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de
                        zorgvrager.</al>
          <al>Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking
                        of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem
                        zal soms een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de
                        beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te objectiveren is en welke
                        mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik
                        gemaakt worden van de ICF, wat verder is uitgewerkt in hoofdstuk 6.</al>
          <al>In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd
                        bestaande uit “beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” (art. 8
                        verordening) of “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek”
                        (artikel 13, lid 1 verordening), “aantoonbare beperkingen op grond van
                        ziekte of gebrek” (artikel 15, lid 1 verordening), “aantoonbare beperkingen
                        op grond van ziekte of gebrek” (artikel 22, lid 1 verordening) en
                        “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” (artikel 26, de
                        leden 1, 2 en 3 verordening).</al>
          <al>Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van
                        (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat hierbij om
                        een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de Wvg en de
                        AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van
                        voorzieningen. Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er
                        inderdaad medische noodzaak bestaat. Op het medisch onderzoek wordt in
                        hoofdstuk 6 ingegaan.</al>
          <al>Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare
                        beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn
                        geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn speelt de vraag of er
                        algemene beperkingen zijn.</al>
          <al>Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin een
                        uitgebreid medisch onderzoek te starten als vooraf duidelijk is dat het
                        probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het criterium
                        langdurig-noodzakelijk.</al>
          
          <tussenkop>7.3. Algemene beperkingen</tussenkop>
          <al>Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele algemene
                        beperkingen, zoals vastgelegd in de verordening in artikel 2. Het gaat
                        daarbij om de begrippen langdurig noodzakelijk (art. 2.1, aanhef en onder
                        a), goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b) en in overwegende
                        mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en onder c).</al>
          <al>Verder wordt in een aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het
                        geval bij een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                        a), als de aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag
                        wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder b), voor zover de
                        ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen
                        (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c), voor zover de aanvraag gericht is op
                        een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2,
                        lid 2 aanhef en onder d), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel
                        2, lid 2 aanhef en onder e), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand
                        aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f) en tot
                        slot voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid
                        2 aanhef en onder g).</al>
          
          <tussenkop>Langdurig noodzakelijk (art. 2.1, aanhef en onder
                        a)</tussenkop>
          <al>De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft te maken
                        met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ
                        beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie
                        maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel
                        worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen
                        betaling te huren. Dat wil echter niet zeggen dat de grens van langdurig
                        noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag:
                        gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat
                        8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden
                        uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens
                        niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden
                        is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot
                        de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige
                        noodzaak.</al>
          
          <tussenkop>Goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder
                        b).</tussenkop>
          <al>Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstrekken
                        voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer
                        voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste
                        voorziening.</al>
          <al>De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de
                        gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is.
                        Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen,
                        overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief
                        vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten
                        te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in
                        het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag
                        meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met
                        een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er
                        uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in
                        gevaar zou kunnen komen.</al>
          <tussenkop>In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en
                        onder c).</tussenkop>
          <al>Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening
                        gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de
                        voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten
                        worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.</al>
          
          <tussenkop>Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2
                        aanhef en onder a).</tussenkop>
          <al>Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW. Volgens
                        de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen
                        gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing zijn:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld;</al></li>
            <li nr="2."><al>de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar;</al></li>
            <li nr="3."><al>de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke
                                producten;</al></li>
            <li nr="4."><al>de voorziening kan voor een niet-gehandicapte in een financieel
                                vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden
                                gerekend.</al></li>
          </lijst>
          <al>In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen
                        gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de
                        aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan
                        een uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat om:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>een plotseling optredende handicap, waardoor algemeen gebruikelijke
                                voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen;</al></li>
            <li nr="2."><al>de aanvrager heeft een inkomen, dat door aantoonbare kosten van de
                                handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te
                                komen.</al></li>
          </lijst>
          
          <tussenkop>De aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente
                        waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                        b)</tussenkop>
          <al>De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten” (art. 2, lid
                        1). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat het
                        compensatiebeginsel van de gemeente alleen maar geldt ten aanzien van in de
                        gemeente woonachtige aanvragers.</al>
          
          <tussenkop>Voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit
                        de aard der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                        c)</tussenkop>
          <al>zal ook geen voorziening worden verstrekt. Het zal hierbij vooral om
                        woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan spaanplaat dat
                        deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel
                        waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht
                        een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde problemen
                        kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de
                        combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een
                        voorziening te weigeren.</al>
          
          <tussenkop>Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau
                        dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en
                        onder d). </tussenkop>
          <al>Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis
                        kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch
                        hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als
                        hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te
                        houden. Een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden
                        gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een
                        scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze
                        regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. </al>
          
          <tussenkop>Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2,
                        lid 2 aanhef en onder e).</tussenkop>
          <al>wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het
                        compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand
                        die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als
                        hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie
                        komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.</al>
          <al>Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel
                        bestaat over de noodzaak van een voorziening.</al>
          
          <tussenkop>Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het
                        moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f).</tussenkop>
          <al>wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait
                        accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op
                        de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening
                        aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de
                        jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet
                        zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de
                        regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een
                        woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld
                        kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot
                        consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de
                        goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven.
                        Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden,
                        ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de
                        consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft
                        aangeschaft.</al>
          <tussenkop>Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2,
                        lid 2 aanhef en onder g), en daarbij sprake is van schuld.</tussenkop>
          <al>zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel,
                        die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met
                        enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik
                        regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend
                        te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol
                        of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met
                        betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de
                        bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan
                        overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de
                        voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan
                        kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te
                        vinden.</al>
          <al>Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening
                        verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen
                        nieuwe voorziening verstrekt te worden.</al>
          <al>Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer
                        ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.</al>
          <al>Als iemand een persoonsgebonden budget heeft en de voorziening gaat verloren
                        dan kan gedurende de looptijd van de verstrekking gehandeld worden op
                        gelijke wijze als omschreven bij verstrekking in natura.</al>
          <al>Naast deze algemene beperkingen spelen ook per verstrekkingengebied
                        bijzondere beperkingen. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken
                        besproken.</al>
          <al>Als er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                        (met inbegrip van psychosociale problemen) en er is recht op compensatie in
                        de vorm van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, kan er
                        toekenning plaatsvinden middels een positieve beschikking.</al>
          
          <tussenkop>7.4. Motivering van besluiten</tussenkop>
          <al>Ingevolge artikel 26, lid 1 Wmo, dat luidt:</al>
          <al>
            <cursief>“1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een
                            individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                            bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en
                            de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of
                            een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                            probleem.”</cursief>
          </al>
          <al>Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten worden op
                        welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het
                        bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke
                        participatie van betrokkene.</al>
          <al>Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn.
                        Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt
                        door de toegekende voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. </al>
          <al>Enkele voorbeelden:</al>
          <al>Bij toekenning van een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift, kan
                        aangegeven worden dat door deze voorziening betrokkene, die voordien
                        problemen had bij het normale gebruik van de woning, doordat de verdieping
                        niet te bereiken was, thans met de traplift weer op de verdieping kan komen
                        om de slaapkamer en de sanitaire ruimte te bereiken, waarmee het probleem is
                        gecompenseerd.</al>
          <al>Bij toekenning van een scootermobiel kan aangegeven worden dat betrokkene
                        voordien problemen had bij verplaatsing in de directe woonomgeving, en
                        daardoor problemen bij het bezoeken van winkels, familie en kennissen enz.
                        Deze problemen zijn gecompenseerd middels een persoonsgebonden budget
                        waarmee betrokkene een scootermobiel kan aanschaffen waarmee gedurende vijf
                        jaar de verplaatsingen in de directe woon en leefomgeving gemaakt kunnen
                        worden.</al>
          <al>Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek,
                        bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken
                        van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij het huishouden,
                        ook dan zal ingevolge artikel 26 lid 1 Wmo gemotiveerd moeten worden
                            <cursief>op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het
                            behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                            maatschappelijke participatie </cursief>van betrokkene.</al>
          <al>Dit is uiteraard niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve
                        beschikking is aangegeven.</al>
          <al>Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering waarbij
                        aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is,
                        omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook in staat is
                        zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden of te
                        bevorderen.</al>
          <al>Enkele voorbeelden:</al>
          <al>Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de woning
                        en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek blijkt dat de diagnose
                        fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling
                        heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend
                        worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat
                        vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl
                        er dus nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De medisch adviseur zal
                        aanvrager naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden te
                        benutten. Hangende die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel noch hulp bij
                        het huishouden worden toegekend. Mocht mevrouw in behandeling gaan,
                        bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de
                        behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet van een
                        rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling
                        niet in de weg staat.</al>
          <al>De motivering zal dus kunnen zijn:</al>
          <al>Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch
                        onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u
                        nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen bestaat de mogelijkheid dat u
                        door gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg staat.
                        Het doel van de Wmo is niet aanvragers afhankelijk te maken van
                        voorzieningen, maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering
                        mogelijk is. Daarom zullen wij u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij
                        het huishouden toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw
                        behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u
                        opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw
                        behandelaars.</al>
          <al>In de verordening is in artikel 31 opgenomen dat men verplicht is om
                        wijzigingen in de situatie te melden:</al>
          <al>
            <cursief>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                            verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</cursief>
          </al>
          <al>Ondanks dat deze regel in de verordening staat, is het van belang deze
                        voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te
                        nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent wordt
                        gemaakt.</al>
          
          <tussenkop>Lijst van afkortingen</tussenkop>
          <table>
            <tgroup cols="2">
              <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="39*"/>
              <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>AAW</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>AWBZ</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene wet bijzondere ziektekosten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Awb</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Algemene wet bestuursrecht</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>BNA</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Bond van Nederlandse Architecten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>B&amp;w</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Burgemeester en wethouders</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Bza</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Besluitzorgaanspraken (AWBZ)</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CAK</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Centraal Administratiekantoor</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CAO</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Collectieve Arbeidsovereenkomst</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CARA</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CBS</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Centraal Bureau voor de Statistiek</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CIZ</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Centrum indicatiestelling zorg</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>COPD</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Chronic Obstructive Pulmonary Diseases; chronisch
                                            (langdurig) obstructieve longziekte</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>CRvB</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Centrale Raad van Beroep</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>HV</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Huishoudelijke verzorging</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>ICF</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>International Classification of Functioning, Disability
                                            and Health</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Pve</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Programma van eisen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>PGB</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Persoonsgebonden budget</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>PV</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Persoonlijke Verzorging</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>VNG</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Vereniging Nederlandse Gemeenten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>VWS</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Wajong</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            jonggehandicapten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>WAO</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Waz</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Wet Rea</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet Reïntegratie arbeidsongeschikten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>WIA</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Wmo</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet maatschappelijke ondersteuning</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Wsw</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet sociale werkvoorziening</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>Wvg</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Wet voorzieningen gehandicapten</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>ZVN</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Zorgverzekeraars Nederland</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>ZW</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Ziektewet</al>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
        </tekst>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>I</nr>
          <titel>bij hoofdstuk 3: Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41
                        Wmo.</titel>
        </kop>
        <tussenkop>1. De situatie van het overgangsrecht voor diegenen die een
                    AWBZ-indicatie hebben op 31 december 2006.</tussenkop>
        <al>Artikel 41, lid 3 bepaalt:</al>
        <al>
          <cursief>“De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de
                        inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging
                        waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een
                        indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, tenzij
                        de verzekerde in het buitenland woont, blijven gelden gedurende de looptijd
                        van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding
                        van deze wet, met dien verstande dat het college van burgemeester en
                        wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene,
                        bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel
                        6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college
                        van burgemeester en wethouders is verschuldigd.”</cursief>
        </al>
        <al>Op basis van deze situatie heeft iedereen die op 31 december 2006 een indicatie,
                    afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg of één van de voorgangers van
                    het CIZ, heeft die doorloopt in 2007, gedurende de looptijd van die indicatie,
                    doch uiterlijk tot 1 januari 2008, recht op de zorg zoals die gold op 31
                    december 2006.</al>
        <al>Dit geldt voor de omvang (uitgedrukt in klassen volgens de indeling zoals die
                    nog geldt in 2006), alsmede voor de vorm (zorg in natura of een persoonsgebonden
                    budget) alsook voor de eigen bijdrage zoals die geldt op 31 december 2006 in de
                    AWBZ, waarbij is aangegeven dat deze eigen bijdrage niet meer verschuldigd is
                    aan het CAK, maar aan het college van burgemeester en wethouders. </al>
        <al>Of dit recht op voortzetting van een bestaande situatie ook geldt voor de
                    zorgverlener, in de situatie van zorg in natura, is afhankelijk van de vraag of
                    de gemeente een contract heeft met deze zorgverlener. Er is geen sprake van een
                    overgangsrecht in deze. Bij een persoonsgebonden budget speelt dit geen rol,
                    omdat daar een rechtstreekse relatie bestaat tussen zorgvrager en zorgverlener.
                    Omdat deze relatie bij zorg in natura niet bestaat (daar gaat het onder de AWBZ
                    om een relatie tussen Zorgkantoor en zorgverlener/zorgaanbieder) kan het
                    voorkomen dat de gemeente er niet in slaagt een contract af te sluiten met de
                    zorgaanbieder, zodat er geen sprake kan zijn van voortzetting van dezelfde
                    zorgverlener. De zorgverlener zal dan ook door het college worden bepaald.</al>
        <al>Aangezien er gesproken wordt over “d<cursief>e rechten en verplichtingen die
                        gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking
                        tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet
                        Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de
                        inwerkingtreding van deze wet”</cursief> vervalt het overgangsrecht op het
                    moment dat er een aanvraag ingediend wordt voor meer hulp bij het huishouden.
                    Het gaat dan immers niet meer om een onder de AWBZ afgegeven indicatiebesluit en
                    ook niet meer om rechten en plichten die gelden op het tijdstip van
                    inwerkingtreding van de Wmo. De mogelijkheid om naast de oude rechten een kleine
                    omvang nieuwe rechten toe te kennen moet als onwerkbaar van de hand worden
                    gewezen.</al>
        <al>Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2007, zolang de indicatie nog loopt, maar
                    maximaal tot 1 januari 2008 het volgende:</al>
        <al>Gedurende deze periode blijft de omvang van de zorg gelijk. Is HV klasse 3
                    toegekend, dan zal recht blijven bestaan op hulp bij het huishouden met de
                    omvang klasse 3. Hierbij wordt de volgende klassenindeling gehanteerd:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 1</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>0-1,9 uur per week</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 2</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>2-3,9 uur per week</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 3</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>4-6,9 uur per week</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 4</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>7-9,9 uur per week</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 5</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>10-12,9 uur per week</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Klasse 6</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>13-15,9 uur per week.</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Mocht er geen behoefte meer aan zorg bestaan (bijvoorbeeld door overlijden) of
                    mocht de behoefte aan zorg verminderen (bijvoorbeeld na een operatie waardoor
                    men weer meer zelf kan en mag), dan zou ook onder de AWBZ het recht op zorg
                    stoppen of gewijzigd worden, zodat ook tijdens het overgangsrecht de zorg
                    gestopt of bijgesteld kan worden. Het gaat dan om een gewijzigde situatie, die
                    men ook onder de AWBZ verplicht was door te geven.</al>
        <al>Mocht de behoefte aan zorg toenemen, zodat er een nieuwe aanvraag wordt
                    ingediend bij het college, dan ontstaat een nieuwe situatie. Zoals hierboven
                    reeds aangegeven gaan de oude rechten dan over in nieuwe rechten. De gewijzigde
                    situatie zal doorgevoerd worden in een nieuwe indicatie, die ook het nieuwe
                    beleid kan volgen.</al>
        <al>Voor aanvragers betekent dit, tenzij zij de nieuwe situatie ambiëren, dat zij na
                    moeten gaan of naar verwachting de aangevraagde uitbreiding zodanig van omvang
                    is, dat daardoor meer zorg kan worden toegekend. Is dat niet het geval dan kan
                    overwogen worden de oude situatie te continueren en geen aanvraag in te
                    dienen.</al>
        <al>Ook de omvang van de tot 1 januari 2007 aan het CAK verschuldigde eigen bijdrage
                    AWBZ blijft gedurende de looptijd van de indicatie, maar maximaal tot 1 januari
                    2008, gelijk. Het CAK int deze eigen bijdrage.</al>
        <al>Bij het indienen van een nieuwe aanvraag ontstaat ook ten aanzien van de eigen
                    bijdragen een nieuwe situatie. Dat kan betekenen dat dan de oude situatie stopt,
                    er een nieuwe eigen bijdrage berekend dient te worden op basis van het
                    gemeentelijk beleid ten aanzien van de Wmo en deze eigen bijdrage in de plaats
                    treedt van de oude, AWBZ-eigen bijdrage.</al>
        <al>Voor deze groep hoeft door het college vooreerst geen beschikking te worden
                    afgegeven. Hun recht op zorg conform de AWBZ-regels ontlenen zij immers aan
                    artikel 41 van de Wmo. Anders wordt de situatie na afloop van de indicatie
                    gedurende het jaar 2007 of per 1 januari 2008. Op dat moment eindigt het
                    overgangsrecht van rechtswege en zal via een beschikking een nieuw recht op zorg
                    toegekend dienen te worden. De hiervoor benodigde informatie behoort bij de
                    informatie die door het Zorgkantoor aan de gemeenten verstrekt wordt. Het is ook
                    mogelijk dat de zorgvragers zelf een aanvraag bij de gemeente indienen om
                    voortgang van de zorg veilig te stellen.</al>
        <tussenkop>Ruilzorg.</tussenkop>
        <al>Het Protocol van overdracht geeft over de zogenaamde ruilzorg nog het volgende
                    aan:</al>
        <al>
          <cursief>“Onder ruilzorg wordt zorg verstaan waarbij de cliënt een indicatie
                        heeft voor huishoudelijke verzorging maar in de praktijk een andere vorm van
                        AWBZ-zorg ontvangt, bijvoorbeeld persoonlijke verzorging. Voor ruilzorg
                        bestaat geen wettelijke basis</cursief>
          <noot id="d9659e2308">
            <noot.nr>3</noot.nr>
            <noot.al>Een uitzondering vormt het meervoudige persoonsgebonden budget
                            (bijvoorbeeld combinaties van huishoudelijke zorg en persoonlijke
                            verzorging). Binnen de PGB-spelregels van de AWBZ mag de cliënt schuiven
                            tussen de zorgfuncties.</noot.al>
          </noot>
          <cursief>. Het gaat hierbij om ontstane gedragslijnen. Dergelijke gedragslijnen
                        (al dan niet neergelegd in protocollen) vinden geen basis in de AWBZ en
                        overige relevante wet- en regelgeving. Het gemeentebestuur is juridisch niet
                        gebonden aan deze gedragslijnen. Het verdient aanbeveling dat de gemeente
                        hierover een standpunt inneemt, bijvoorbeeld in het visiedocument. Leidend
                        voor het college is de indicatie en niet de daadwerkelijk geleverde
                        zorg.”</cursief>
        </al>
        <al>Aansluitend bij de laatste zin betekent dit dat personen met een AWBZ-indicatie
                    voor PV (en niet voor HV, bijvoorbeeld vanwege gebruikelijke zorg) die dit
                    omgezet hebben in HV en geen pgb hebben (met een pgb hoeft dat onder de AWBZ
                    geen problemen te geven) in principe onder de Wmo geen hulp bij het huishouden
                    ontvangen, tenzij zij daarvoor een Wmo-aanvraag indienen en deze aanvraag
                    gehonoreerd wordt.</al>
        <al>Samenvatting</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Deze groep heeft op basis van artikel 41 Wmo vanaf 1 januari 2007 recht
                            op een voorziening zoals die was tot en met 31 december 2006 m.u.v. de
                            zorgverlener.</al></li>
          <li nr="-"><al>Bij een nieuwe aanvraag gedurende 2007 of gedurende de looptijd van de
                            AWBZ/indicatie wordt deze situatie automatisch beëindigd.</al></li>
          <li nr="-"><al>Het is van belang dat deze groep tijdig, dat wil zeggen voordat de
                            AWBZ-indicatie haar werking verliest, doch uiterlijk voor 1 januari
                            2008, wordt herbeoordeeld.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>2. De situatie van diegenen die voor 1 januari 2007 een
                    aanvraag hebben ingediend binnen de AWBZ maar waarvoor nog geen besluit is
                    genomen.</tussenkop>
        <al>Uiteraard konden zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij
                    het CIZ voor een indicatie. Het kan voorkomen dat aanvragers bewust besloten
                    hebben niet te wachten tot na 1 januari 2007 omdat zij het AWBZ-beleid
                    prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de
                    situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd
                    en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker
                    zou worden.</al>
        <al>Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald:</al>
        <al>
          <cursief>“Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl
                        enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het volgende:
                    </cursief>
        </al>
        <al>
          <cursief>tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden
                        afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing); per 1 januari 0.00 uur
                        worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime (Wmo-beslissing).</cursief>
        </al>
        <al>
          <cursief>Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende
                        afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006 binnen
                        komen:</cursief>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>
              <cursief>Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het
                                CIZ voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging.</cursief>
            </al></li>
          <li nr="·"><al>
              <cursief>Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn
                                afgehandeld betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn
                                overgangscliënten. Leidend is de datum van het
                                indicatie-besluit.</cursief>
            </al></li>
          <li nr="·"><al>
              <cursief>Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft
                                het CIZ een advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie
                                aan de gemeente. Hiertoe maakt de gemeente afspraken met het CIZ
                                (zie bijlage 3). Het CIZ hanteert altijd een termijn van maximaal
                                zes weken voor de afhandeling van de aanvragen. Het college van
                                B&amp;W neemt een beslissing onder het Wmo-regime. Dit zijn géén
                                overgangscliënten.</cursief>
            </al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het
                        volgende: het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden
                        doorsturen naar de gemeente, tenzij de gemeente het CIZ heeft aangewezen om
                        de indicatiestelling voor de Wmo te verzorgen.”</cursief>
        </al>
        <al>Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ aanvragen worden
                    afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de
                    AWBZ-regelgeving zoals die gold tot 1 januari 2007. Het college neemt op basis
                    van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo
                    geldende regime.</al>
        <al>Voor alle aanvragen die door het CIZ zijn afgehandeld tot en met 31 december
                    2006 geldt de AWBZ en dus het onder 1 beschreven overgangsrecht van artikel 41
                    Wmo.</al>
        <al>Voor aanvragen die vanaf 1 januari 2007 bij het CIZ worden ingediend geldt dat
                    het CIZ deze aanvragen doorzendt naar de gemeente. Voor deze aanvragen geldt dat
                    de datum van indiening bij het CIZ geldt als datum van aanvraag en als datum
                    waarna het college binnen 8 weken op deze aanvragen een besluit dient te
                    nemen.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>II</nr>
          <titel>bij hoofdstuk 3: Handreiking normering hulp bij het huishouden</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven.</tussenkop>
        <al>Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en
                    opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en
                    met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer
                    dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per
                    week boodschappen worden toegekend. Indien de afstand tot de winkels groot is,
                    kan 30 minuten extra worden toegekend.</al>
        <al>Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150
                    minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te
                    koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van
                    boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet
                    gehonoreerd.</al>
        <al>Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden.</al>
        <tussenkop>Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme
                    maaltijd.</tussenkop>
        <al>Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel
                    dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of
                    handmatig.</al>
        <al>Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en
                    koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer
                    levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de
                    warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen jonger dan
                    12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.</al>
        <al>Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de
                    variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten.</al>
        <tussenkop>Licht poetswerk in huis, kamers opruimen.</tussenkop>
        <al>Hieronder vallen de volgende activiteiten:</al>
        <al>Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30
                    minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer.</al>
        <al>Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is
                    afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de
                    gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.</al>
        <al>Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een
                    gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot
                    extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die
                    in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra
                    toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten.</al>
        <al>Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</al>
        <tussenkop>Zwaar huishoudelijk werk.</tussenkop>
        <al>Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken,
                    bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval.</al>
        <al>Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14
                    dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met
                    meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2 (aanpassen in uren!).</al>
        <al>In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad
                    (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een
                    gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren,
                    afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt
                    meegenomen en niet extra geïndiceerd.</al>
        <tussenkop>Verzorging kleding/linnengoed.</tussenkop>
        <al>Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een
                    wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen,
                    strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed.</al>
        <al>Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90
                    minuten per week.</al>
        <al>Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij
                    bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige
                    transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij
                    huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden
                    toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week.</al>
        <tussenkop>Organisatie van het huishouden.</tussenkop>
        <al>Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen
                    huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het
                    bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in
                    staat is de ouderrol op zich te nemen.</al>
        <al>Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden,
                    te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd
                    voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten.</al>
        <al>Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd
                    van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van
                    kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende
                    activiteiten.</al>
        <tussenkop>Dagelijkse organisatie van het huishouden.</tussenkop>
        <al>Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen.
                    Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden
                    geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen
                    onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere
                    problematiek bij meerdere huisgenoten.</al>
        <tussenkop>Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische
                    stoornissen.</tussenkop>
        <al>Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking
                    tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden,
                    helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij
                    opvoering (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding
                    kinderen. Omvang 30 minuten per week.</al>
        <tussenkop>Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het
                    huishouden.</tussenkop>
        <al>Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk,
                    instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie komen.
                    Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken. Bij
                    communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>III</nr>
          <titel>bij hoofdstuk 6. De ICF: FUNCTIES</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>(bron: </vet>http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm)</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 1 Mentale functies.</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Algemene mentale functies.</cursief>
                  </al>
                  <al>Bewustzijn</al>
                  <al>Oriëntatie</al>
                  <al>Intellectuele functies</al>
                  <al>Globale psychosociale functies</al>
                  <al>Temperament en persoonlijkheid</al>
                  <al>Energie en driften</al>
                  <al>Slaap</al>
                  <al>Algemene mentale functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Specifieke mentale functies.</cursief>
                  </al>
                  <al>Aandacht</al>
                  <al>Geheugen</al>
                  <al>Psychomotorische functies</al>
                  <al>Stemming</al>
                  <al>Perceptie</al>
                  <al>Denken</al>
                  <al>Hogere cognitieve functies</al>
                  <al>Mentale functies gerelateerd aan taal</al>
                  <al>Mentale functies gerelateerd aan rekenen</al>
                  <al>Bepalen sequentie bij complexe bewegingen</al>
                  <al>Ervaren van zelf en tijd</al>
                  <al>Specifieke mentale functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Mentale functies, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Mentale functies, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 2 Sensorische functies en
                                                pijn</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Visuele en verwante functies.</cursief>
                  </al>
                  <al>Visuele functies</al>
                  <al>Functies van aan oog verwante structuren</al>
                  <al>Gewaarwordingen van oog en verwante structuren</al>
                  <al>Visuele en verwante functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Hoorfuncties en vestibulaire functies</cursief>
                  </al>
                  <al>Hoorfuncties</al>
                  <al>Vestibulaire functies</al>
                  <al>Gewaarwordingen gepaard gaande met hoorfuncties en
                                        vestibulaire functies</al>
                  <al>Hoorfuncties vestibulaire functies, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd </al>
                  <al>
                    <cursief>Andere sensorische functies</cursief>
                  </al>
                  <al>Smaak</al>
                  <al>Reuk</al>
                  <al>Propriocepsis</al>
                  <al>Tast</al>
                  <al>Sensorische functies verwant aan temperatuur en andere
                                        stimuli</al>
                  <al>Andere sensorische functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Pijn</cursief>
                  </al>
                  <al>Pijngewaarwording</al>
                  <al>Pijngewaarwording, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Sensorische functies en pijn, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Sensorische functies en pijn, niet gespecificeerd.</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 3 Stem en spraak</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Stem</cursief>
                  </al>
                  <al>Articulatie</al>
                  <al>Vloeiendheid en ritme van spreken</al>
                  <al>Alternatieve vormen van stemgebruik</al>
                  <al>Stem en spraak, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Stem en spraak, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 4 Functies van hart en
                                                bloedvatenstelsel. Hematologisch systeem,
                                                afweersysteem en ademhalingsstelsel</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van hart en bloedvatenstelsel</cursief>
                  </al>
                  <al>Hartfuncties</al>
                  <al>Functies van bloedvaten</al>
                  <al>Bloeddruk</al>
                  <al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van hematologisch systeem en
                                            afweersysteem</cursief>
                  </al>
                  <al>Functies van hematologisch systeem</al>
                  <al>Functies van afweersysteem</al>
                  <al>Functies van hematologisch systeem en afweersysteem, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van ademhalingsstelsel</cursief>
                  </al>
                  <al>Ademhaling</al>
                  <al>Functies van ademhalingsspieren</al>
                  <al>Functies van ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Andere functies en gewaarwordingen van hart en
                                            bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel</cursief>
                  </al>
                  <al>Andere ademhalingsfuncties</al>
                  <al>Inspanningstolerantie</al>
                  <al>Gewaarwordingen gepaard gaande met cardiovasculaire en
                                        respiratoire functies</al>
                  <al>Andere functies en gewaarwordingen van hart en
                                        bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch
                                        systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, anders
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch
                                        systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 5 Functies van
                                                spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                                hormoonstelsel</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Opname van voedsel</cursief>
                  </al>
                  <al>Vertering</al>
                  <al>Assimilatie</al>
                  <al>Defecatie</al>
                  <al>Handhaving lichaamsgewicht</al>
                  <al>Gewaarwordingen verband houdend met
                                        spijsverteringsstelsel</al>
                  <al>Functies van spijsverteringsstelsel, anders gespecificeerd
                                        en niet gespecificeerd</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <cursief>Functies van metabool stelsel en
                                            hormoonstelsel</cursief>
                  </al>
                  <al>Algemene metabole functies</al>
                  <al>Water-, mineraal- en elektrolytenbalans</al>
                  <al>Thermoregulatoire functies</al>
                  <al>Functies van endocriene klieren</al>
                  <al>Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                        hormoonstelsel, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                        hormoonstelsel, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 6 Functies van urogenitaal stelsel en
                                                reproductieve functies</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Functies gerelateerd aan urine</cursief>
                  </al>
                  <al>Productie en opslag van urine</al>
                  <al>Functies gerelateerd aan urinelozing</al>
                  <al>Gewaarwordingen gepaard gaande met urinelozing</al>
                  <al>Functies gerelateerd aan urine, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Genitale en reproductieve functies</cursief>
                  </al>
                  <al>Seksuele functies</al>
                  <al>Functies gerelateerd aan menstruatie</al>
                  <al>Functies gerelateerd aan voortplanting</al>
                  <al>Gewaarwordingen gepaard gaande met genitale en reproductieve
                                        functies</al>
                  <al>Genitale en reproductieve functies, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies,
                                        anders gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies,
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 7 Functies van bewegingssysteem en
                                                aan beweging verwante functies</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van gewrichten en botten</cursief>
                  </al>
                  <al>Mobiliteit van gewrichten</al>
                  <al>Stabiliteit van gewrichten</al>
                  <al>Mobiliteit van botten</al>
                  <al>Functies van gewrichten en botten, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Spierfuncties</cursief>
                  </al>
                  <al>Spiersterkte</al>
                  <al>Spiertonus</al>
                  <al>Spieruithoudingsvermogen</al>
                  <al>Spierfuncties, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Bewegingsfuncties</cursief>
                  </al>
                  <al>Motorische reflexfuncties</al>
                  <al>Onwillekeurige bewegingsreacties</al>
                  <al>Controle van willekeurige bewegingen</al>
                  <al>Onwillekeurige bewegingen</al>
                  <al>Gangpatroon</al>
                  <al>Gewaarwordingen verband houdend met spieren en
                                        bewegingsfuncties</al>
                  <al>Bewegingsfuncties, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante
                                        functies, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante
                                        functies, niet gespecificeerd</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 8 Functies van huid en verwante
                                                structuren</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van de huid</cursief>
                  </al>
                  <al>Beschermende functies van huid</al>
                  <al>Herstelfuncties van huid</al>
                  <al>Andere functies van huid</al>
                  <al>Gewaarwording verband houdend met huid</al>
                  <al>Functies van huid, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Functies van haren en nagels</cursief>
                  </al>
                  <al>Functies van haar</al>
                  <al>Functies van nagels</al>
                  <al>Functies van haren en nagels, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van huid en verwante structuren, anders
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Functies van huid en verwante structuren, niet
                                        gespecificeerd</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>IV</nr>
          <titel>bij hoofdstuk 6. De ICF: ACTIVITEITEN EN PARTICIPATIE</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>(bron: </vet>http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm)</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 1 Leren en toepassen van
                                                kennis</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Doelbewust gebruiken van zintuigen</cursief>
                  </al>
                  <al>Gadeslaan</al>
                  <al>Luisteren</al>
                  <al>Doelbewust gebruiken van andere zintuigen</al>
                  <al>Doelbewust gebruiken van zintuigen, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Basaal leren</cursief>
                  </al>
                  <al>Nadoen</al>
                  <al>Herhalen</al>
                  <al>Leren lezen</al>
                  <al>Leren schrijven</al>
                  <al>Leren rekenen</al>
                  <al>Ontwikkelen van vaardigheden</al>
                  <al>Basaal leren, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Toepassen van kennis</cursief>
                  </al>
                  <al>Richten van aandacht</al>
                  <al>Denken</al>
                  <al>Lezen</al>
                  <al>Schrijven</al>
                  <al>Rekenen</al>
                  <al>Oplossen van problemen</al>
                  <al>Besluiten nemen</al>
                  <al>Toepassen van kennis, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Leren en toepassen van kennis, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Leren en toepassen van kennis, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 2 Algemene taken en eisen</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>Ondernemen van enkelvoudige taak</al>
                  <al>Ondernemen van meervoudige taken</al>
                  <al>Uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen</al>
                  <al>Omgaan met stress en andere mentale eisen</al>
                  <al>Algemene taken en eisen, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Algemene taken en eisen, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 3 Communicatie</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Communiceren - begrijpen</cursief>
                  </al>
                  <al>Begrijpen van gesproken boodschappen</al>
                  <al>Begrijpen van non-verbale boodschappen</al>
                  <al>Begrijpen van formele gebarentaal</al>
                  <al>Begrijpen van geschreven boodschappen</al>
                  <al>Communiceren - begrijpen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Communiceren – zich uiten</cursief> Spreken</al>
                  <al>Zich non-verbaal uiten</al>
                  <al>Zich uiten via formele gebarentaal</al>
                  <al>Schrijven van boodschappen</al>
                  <al>Communiceren - zich uiten, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Conversatie en gebruik van communicatie-apparatuur
                                            en -technieken</cursief>
                  </al>
                  <al>Converseren</al>
                  <al>Bespreken <cursief>Huishoudelijke taken</cursief></al>
                  <al>Bereiden van maaltijden</al>
                  <al>Huishoudelijke taken, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Huishouden doen</al>
                  <al>
                    <cursief>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en
                                            assisteren van andere personen</cursief>
                  </al>
                  <al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort</al>
                  <al>Assisteren van andere personen</al>
                  <al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van
                                        andere personen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Huishouden, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Huishouden, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 7 Tussenmenselijke interacties en
                                                relaties</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Algemene tussenmenselijke interacties</cursief>
                  </al>
                  <al>Basale tussenmenselijke interacties</al>
                  <al>Complexe tussenmenselijke interacties</al>
                  <al>Omgaan met onbekenden</al>
                  <al>Formele relaties</al>
                  <al>Informele sociale relaties</al>
                  <al>Familierelaties</al>
                  <al>Intieme relaties</al>
                  <al>Bijzondere tussenmenselijke relaties, anders gespecificeerd
                                        en niet gespecificeerd</al>
                  <al>Tussenmenselijke interacties en relaties, anders
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Tussenmenselijke interacties en relaties, niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 8 Belangrijke
                                                levensgebieden</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Informele opleiding</cursief>
                  </al>
                  <al>Voorschoolse opleiding</al>
                  <al>Schoolse opleiding</al>
                  <al>Beroepsopleiding</al>
                  <al>Hogere opleiding</al>
                  <al>Opleiding, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Beroep en werk</cursief>
                  </al>
                  <al>Werkend leren</al>
                  <al>Verwerven, behouden en beëindigen van werk</al>
                  <al>Betaald werk</al>
                  <al>Onbetaald werk</al>
                  <al>Beroep en werk, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Economisch leven</cursief>
                  </al>
                  <al>Basale financiële transacties</al>
                  <al>Complexe financiële transacties</al>
                  <al>Economische zelfstandigheid</al>
                  <al>Economische leven, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Belangrijke levensgebieden, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Belangrijke levensgebieden, niet gespecificeerd</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gebruiken van communicatieapparatuur en -technieken</al>
                  <al>Communicatie, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Communicatie, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 4</cursief>
                    </vet>
                    <vet>
                      <cursief>Mobiliteit</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Veranderen en handhaven van
                                            lichaamshouding</cursief>
                  </al>
                  <al>Veranderen van basale lichaamshouding</al>
                  <al>Handhaven van lichaamshouding</al>
                  <al>Uitvoeren van transfers</al>
                  <al>Veranderen en handhaven van lichaamshouding, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of
                                            iemand</cursief>
                  </al>
                  <al>Optillen en meenemen</al>
                  <al>Verplaatsen van iets of iemand met onderste
                                        extremiteiten</al>
                  <al>Nauwkeurig gebruiken van hand</al>
                  <al>Gebruiken van hand en arm</al>
                  <al>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand,
                                        anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Lopen en zich verplaatsen</cursief>
                  </al>
                  <al>Lopen</al>
                  <al>Zich verplaatsen</al>
                  <al>Zich verplaatsen tussen verschillende locaties</al>
                  <al>Zich verplaatsen met speciale middelen</al>
                  <al>Lopen en zich verplaatsen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <cursief>Zich verplaatsen per vervoermiddel</cursief>
                  </al>
                  <al>Gebruiken van vervoermiddel</al>
                  <al>Besturen</al>
                  <al>Rijden op dieren als vervoermiddel</al>
                  <al>Zich verplaatsen per vervoermiddel, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al>
                  <al>Mobiliteit, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Mobiliteit, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 5 Zelfverzorging</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>Zich wassen</al>
                  <al>Verzorgen van lichaamsdelen</al>
                  <al>Zorgdragen voor toiletgang</al>
                  <al>Zich kleden</al>
                  <al>Eten</al>
                  <al>Drinken</al>
                  <al>Zorgdragen voor eigen gezondheid</al>
                  <al>Zelfverzorging, anders gespecificeerd</al>
                  <al>Zelfverzorging, niet gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 6 Huishouden</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Verwerven van benodigdheden</cursief> Verwerven van
                                        woonruimte</al>
                  <al>Verwerven van goederen en diensten</al>
                  <al>Verwerven van benodigdheden, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>
                    <vet>
                      <cursief>Hoofdstuk 9 Maatschappelijk, sociaal en
                                                burgerlijk leven</cursief>
                    </vet>
                  </al>
                  <al>
                    <cursief>Maatschappelijk leven</cursief>
                  </al>
                  <al>Recreatie en vrije tijd</al>
                  <al>Religie en spiritualiteit</al>
                  <al>Mensenrechten</al>
                  <al>Politiek en burgerschap</al>
                  <al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, anders
                                        gespecificeerd</al>
                  <al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, niet
                                        gespecificeerd.</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 6 maart 2007, nr.
                    7</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>