<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR299727_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012, nummer 22</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">artikel 149, 154 en 156 derde lid Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-04-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/68346</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regeling voor de regio noordzeekanaalgebied</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Havenreglement Noordzeekanaalgebied 2012</al><al>(2012/56566)</al><al>wijzigingsverordening APV m.b.t. Regionale</al><al>Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012</al><al>(2012/56572)</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>§ 1 </nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>afvalstoffen:</al></entry><entry><al>scheepsafval, ladingresiduen, alsmede vloeibare of
                                                vaste afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken
                                                van een schip;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>behandelen van een gevaarlijke of schadelijke
                                                vloeistof:</al></entry><entry><al>laden, lossen, overslaan, intern verpompen of mengen
                                                ( blenden) van een gevaarlijke of schadelijke
                                                vloeistof;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>binnenschip:</al></entry><entry><al> vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de
                                                binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse
                                                wateren;</al></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>bootliedenorganisatie:</al></entry><entry><al> door het college erkende organisatie van bootlieden
                                                die activiteiten verricht ter waarborging van de
                                                vakbekwaamheid van bootlieden en zorgdraagt voor
                                                het</al><al>vereiste materieel;</al></entry></row><row><entry><al>e.</al></entry><entry><al>bootman: </al></entry><entry><al>degene die in de uitoefening van zijn beroep een
                                                zeeschip vast- of losmaakt;</al></entry></row><row><entry><al>f.</al></entry><entry><al> Bpr:</al></entry><entry><al>Binnenvaartpolitiereglement;</al></entry></row><row><entry><al>g.</al></entry><entry><al>brandstofolie:</al></entry><entry><al> elke olie die wordt gebruikt als brandstof voor de
                                                voortstuwings- of hulpwerktuigen van schepen;</al></entry></row><row><entry><al>h.</al></entry><entry><al>bunkeren: </al></entry><entry><al>overslag van brandstofolie of smeerolie van een
                                                bunkerschip naar een zeeschip;</al></entry></row><row><entry><al>i.</al></entry><entry><al>bunkerschip:</al></entry><entry><al> tankschip gebruikt voor het bevoorraden van schepen
                                                met brandstofolie of smeerolie;</al></entry></row><row><entry><al>j.</al></entry><entry><al>bunkercontrolelijst: </al></entry><entry><al>bunkercontrolelijst als bedoeld in de ISGOTT of de
                                                ISGINTT;</al></entry></row><row><entry><al>k.</al></entry><entry><al>college:</al></entry><entry><al> college van burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry><al>l.</al></entry><entry><al>dienstverlenend schip: </al></entry><entry><al>elk schip betrokken bij diensten aan een ander schip
                                                betreffende het repareren, schoonmaken, brengen of
                                                halen van voorraden of scheepsonderdelen of ophalen
                                                van afvalstoffen;</al></entry></row><row><entry><al>m.</al></entry><entry><al>exploitant:</al></entry><entry><al> eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander
                                                die zeggenschap heeft over het gebruik van het
                                                schip;</al></entry></row><row><entry><al>n.</al></entry><entry><al>gasdeskundige: </al></entry><entry><al>gasdeskundige als bedoeld in paragraaf 4.1 van de
                                                Arbeidsomstandighedenregeling;</al></entry></row><row><entry><al>o.</al></entry><entry><al> gevaarlijke stoffen:</al></entry><entry><al> stoffen, die als gevaarlijk zijn geclassificeerd,
                                                benoemd in de International Maritime Dangerous Goods
                                                Code, de (International) Code for the Construction
                                                and Equipment</al><al>of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk, de
                                                (International) Code for the Construction and
                                                Equipment of ships carrying Liquefied Gasses in Bulk
                                                van de Internationale Maritieme Organisatie of het
                                                Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer
                                                van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (Adn)
                                                vanwege het gevaar voor explosie, brand, corrosie,
                                                vergiftiging, bedwelming of straling en die
                                                afhankelijk van de vervoersmodaliteit verpakt, als
                                                losgestorte droge bulk of vloeibare bulk vervoerd
                                                worden;</al></entry></row><row><entry><al>p.</al></entry><entry><al>haven: </al></entry><entry><al>wateren binnen het Noordzeekanaalgebied die voor de
                                                scheepvaart openstaan, alsmede alle tot de haven
                                                behorende kunstwerken en de scheepshellingen,
                                                dokken, scheepsreparatiewerven en los- en
                                                laadplaatsen, zoals aangegeven op de kaart in
                                                bijlage 2 bij deze verordening;</al></entry></row><row><entry><al>q.</al></entry><entry><al>havenbekken: </al></entry><entry><al>aan een doorgaande vaarweg kunstmatig gegraven
                                                bassin, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2
                                                bij deze verordening, dat toegankelijk is voor de
                                                beroepsscheepvaart;</al></entry></row><row><entry><al>r.</al></entry><entry><al>havenmeester: </al></entry><entry><al>havenmeester van de gemeente Zaanstad;</al></entry></row><row><entry><al>s.</al></entry><entry><al>ISGINTT: </al></entry><entry><al>International Safety Guide for Inland Navigation
                                                Tank barges and Terminals;</al></entry></row><row><entry><al>t.</al></entry><entry><al>ISGOTT: </al></entry><entry><al>International Safety Guide for Oiltankers and
                                                Terminals;</al></entry></row><row><entry><al>u.</al></entry><entry><al>kapitein: </al></entry><entry><al>degene die de feitelijke leiding over een zeeschip
                                                voert;</al></entry></row><row><entry><al>v.</al></entry><entry><al>ladingresiduen:</al></entry><entry><al> restanten van lading in ruimen of tanks aan boord
                                                die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met
                                                inbegrip van restanten na lading of lossing en
                                                morsingen;</al></entry></row><row><entry><al>w.</al></entry><entry><al>lengte:</al></entry><entry><al>lengte als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de
                                                Meetbrievenwet 1981;</al></entry></row><row><entry><al>x.</al></entry><entry><al>Noordzeekanaalgebied: </al></entry><entry><al>gebied zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij
                                                deze verordening;</al></entry></row><row><entry><al>y.</al></entry><entry><al> oliehavengebied:</al></entry><entry><al>gebied ingericht voor de afhandeling van een
                                                tankschip met onverpakte gevaarlijke vloeibare
                                                lading;</al></entry></row><row><entry><al>z.</al></entry><entry><al>ontvangstvoorziening: </al></entry><entry><al>voorziening geschikt voor de ontvangst van
                                                scheepsafval, overige schadelijke stoffen of
                                                restanten van schadelijke stoffen;</al></entry></row><row><entry><al>aa.</al></entry><entry><al>operationele ruimte: </al></entry><entry><al>in lengte, breedte, diepte en hoogte begrensd
                                                gebied, waarbinnen schepen ligplaats kunnen nemen om
                                                hun activiteiten uit te oefenen;</al></entry></row><row><entry><al>bb.</al></entry><entry><al> passagiersschip: </al></entry><entry><al>elk schip dat is ingericht voor het vervoer van meer
                                                dan twaalf passagiers en dat in het bezit is van
                                                toereikende en geldende certificaten;</al></entry></row><row><entry><al>cc.</al></entry><entry><al>pleziervaartuig:</al></entry><entry><al>schip hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet
                                                bedrijfsmatig varende recreatie;</al></entry></row><row><entry><al>dd.</al></entry><entry><al>schadelijke stoffen:</al></entry><entry><al> stoffen die als zodanig bij of krachtens de Wet
                                                voorkoming verontreiniging door schepen zijn
                                                aangewezen of worden genoemd;</al></entry></row><row><entry><al>ee.</al></entry><entry><al>scheepsafval: </al></entry><entry><al>afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde
                                                ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat
                                                tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt
                                                onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van
                                                het Internationaal Verdrag ter voorkoming van
                                                verontreiniging door schepen, alsmede ladinggebonden
                                                afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de
                                                stuwage en verwerking van de lading als afval
                                                overblijft, waaronder in ieder geval begrepen wordt
                                                stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden,
                                                verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton,
                                                draad of stalen banden;</al></entry></row><row><entry><al>ff.</al></entry><entry><al>schip:</al></entry><entry><al> elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig,
                                                een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een
                                                boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk
                                                object, een baggermolen, een drijvende kraan, een
                                                elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een
                                                drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;</al></entry></row><row><entry><al>gg.</al></entry><entry><al> schipper:</al></entry><entry><al>degene die de feitelijke leiding over een
                                                binnenschip voert;</al></entry></row><row><entry><al>hh.</al></entry><entry><al>smeerolie:</al></entry><entry><al>elke vloeistof bestemd voor smering van machines aan
                                                boord van schepen;</al></entry></row><row><entry><al>ii.</al></entry><entry><al>spudpaal: </al></entry><entry><al>voorziening waarmee een schip zichzelf in de
                                                onderwaterbodem kan verankeren door middel van
                                                verticale meerpalen waarmee het schip zelf is
                                                uitgerust;</al></entry></row><row><entry><al>jj.</al></entry><entry><al>tankschip:</al></entry><entry><al>zee- of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan
                                                het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn
                                                laadruimten;</al></entry></row><row><entry><al>kk.</al></entry><entry><al>toestemming:</al></entry><entry><al>vergunning, erkenning, ontheffing of
                                                vrijstelling;</al></entry></row><row><entry><al>ll.</al></entry><entry><al>werkschip: </al></entry><entry><al>elk schip dat onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan
                                                de haveninfrastructuur, uitgezonderd een schip dat
                                                baggerwerkzaamheden uitvoert;</al></entry></row><row><entry><al>mm.</al></entry><entry><al>zeeschip: </al></entry><entry><al>schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of
                                                dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee
                                                is bestemd en elk schip dat is voorzien van een
                                                document - afgegeven door het bevoegde gezag van het
                                                land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt
                                                dat het geschikt is voor de vaart ter zee;</al></entry></row><row><entry><al>nn.</al></entry><entry><al>zeilvaartuig: </al></entry><entry><al>een zeilschip dat bedrijfsmatig of
                                                niet-bedrijfsmatig wordt gebruikt.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Toepassingsgebied</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing in de haven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht
                            gelden met betrekking tot toestemmingen en aanwijzingen bij of krachtens
                            deze verordening de bepalingen van deze paragraaf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een toestemming binnen vier
                                weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij bij of
                                krachtens deze verordening een andere beslistermijn is
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag de in
                                het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken
                                verlengen. Het doet hiervan mededeling aan de aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een toestemming voorschriften en beperkingen
                                verbinden, die slechts strekken tot bescherming van het belang of de
                                belangen in verband waarmee de toestemming is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene voor wie de toestemming geldt is verplicht de daaraan
                                verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Geldigheidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald, wordt
                                een vergunning of vrijstelling verleend voor de duur van maximaal
                                vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een aanwijzing of erkenning kan voor onbepaalde duur worden gegeven
                                dan wel verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ontheffing wordt verleend voor een eenmalige gedraging of
                                handeling voor de duur van die gedraging of handeling, met dien
                                verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt
                                verleend</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling kan in
                                spoedeisende gevallenmondeling worden verleend. De ontheffing wordt
                                zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming of
                                aanwijzing</titel></kop><al>Het college kan, onverminderd het elders bij of krachtens deze
                            verordening bepaalde, een toestemming of aanwijzing weigeren, wijzigen
                            of intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een of meer van de belangen die worden beschermd door deze
                                    verordening, te weten de ordening, de veiligheid, het milieu en
                                    de omgeving van de haven en de kwaliteit van de dienstverlening
                                    in de haven, dat noodzakelijk maken;</al></li><li nr="b."><al>de verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij is
                                    verleend, niet zijn of worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al> zich na de verlening een zodanig feit of omstandigheid voordoet
                                    dat, indien dit ten tijde van de verlening bekend was geweest,
                                    de toestemming niet of niet onder die voorschriften of
                                    beperkingen zou zijn verleend;</al></li><li nr="d."><al>op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                                    opgetreden na het verlenen van de toestemming of het geven van
                                    de aanwijzing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                    wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                    bescherming waarvan de toestemming of aanwijzing is
                                    vereist;</al></li><li nr="e."><al> ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt;</al></li><li nr="f."><al> van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                    binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een
                                    dergelijke termijn, binnen een naar het oordeel van het college
                                    redelijke termijn; of</al></li><li nr="g."><al> degene voor wie de toestemming geldt of op wie de aanwijzing
                                    betrekking heeft, dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Grond voor verlening van een ontheffing of vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ontheffing of vrijstelling bij of krachtens deze verordening
                                wordt slechts verleend, indien het belang dat door het betrokken
                                verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vrijstelling kan ambtshalve of op verzoek worden verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Verplichtingen van houders van toestemmingen</titel></kop><al>De houder van een toestemming houdt de toestemming, die op een schip
                            betrekking heeft, of een kopie hiervan, aan boord van het schip, tenzij
                            het een schip zonder bemanningsverblijf betreft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Normadressaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de kapitein of de
                                schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een kapitein of een schipper, is de exploitant
                                verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Havenmeester</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Aanwijzing havenmeester</titel></kop><al>Het college wijst de havenmeester aan.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ordening en gebruik van de haven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Verkeerstekens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in de haven in het belang van de ordening
                                verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Bpr en kan die
                                verkeerstekens voorzien van nadere aanduidingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te handelen in strijd met het verkeersteken of de
                                daarbij behorende nadere aanduidingen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Verbod tot nemen van ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een schip ligplaats te nemen of zich met een
                                schip op een ligplaats te bevinden, tenzij dit geschiedt:</al><lijst><li nr="a."><al>in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte
                                        verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel
                                        3.1;</al></li><li nr="b."><al>in overeenstemming met een door het bevoegd gezag genomen
                                        besluit met dezelfde strekking als een verkeersteken;</al></li><li nr="c."><al>op ligplaatsen gelegen aan een afmeervoorziening van een
                                        huurder, erfpachter of eigenaar. Dit geldt niet indien het
                                        college het nemen of houden van een ligplaats niet toestaat
                                        uit het oogpunt van ordening, veiligheid of milieu;</al></li><li nr="d."><al> overeenkomstig een door het bevoegd gezag verleende
                                        ligplaatsvergunning en/of ontheffing; of</al></li><li nr="e."><al>voor tankschepen, in overeenstemming met het bepaalde in
                                        artikel 3.10.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Aanwijzing en verbod overschrijding operationele ruimte
                                ligplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van een ligplaats als bedoeld in artikel
                                3.2, eerste lid, onder c, operationele ruimte aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan deze aanwijzing voorschriften en beperkingen
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden voor de huurder, erfpachter of eigenaar van de
                                afmeervoorziening, waaraan de ligplaats is gelegen, schepen geheel
                                of gedeeltelijk ligplaats te laten nemen buiten de in het eerste lid
                                bedoelde operationele ruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden voor bunkerschepen of dienstverlenende schepen om
                                geheel of gedeeltelijk ligplaats in te nemen buiten de operationele
                                ruimte voor het uitvoeren van activiteiten, tenzij dit geschiedt na
                                toestemming van het college op basis van een melding, die door de
                                schipper van een bunkerschip of dienstverlenend schip aan de
                                havenmeester wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het derde lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Verhalen van schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de kapitein of schipper opdragen het schip te
                                verhalen of te doen verhalennaar een andere ligplaats, indien dit in
                                het kader van de ordening of ter bescherming van veiligheids- of
                                milieubelangen noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie de in het eerste lid bedoelde opdracht is gegeven, is
                                verplicht daaraan gevolg te geven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in spoedeisende gevallen of indien de exploitant
                                onbekend is het schip direct verhalen of doen verhalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Verbod opvijzelen boor- of werkeiland</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een boorinstallatie, een werkeiland of een
                                soortgelijk object op te vijzelen, tenzij deze zich bevinden op een
                                scheepswerf of bij een herstellingsinrichting, waarvoor een
                                vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en technische gegevens van het op te vijzelen
                                        object;</al></li><li nr="b."><al>de naam van de scheepsagent;</al></li><li nr="c."><al>het resultaat van een onderzoek naar de ondergrondse kabels-
                                        en</al><al>netwerkeninfrastructuur; en</al></li><li nr="d."><al>de aard en tijdsduur van de uit te voeren activiteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar het in het eerste lid
                                bedoelde verbod niet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te
                                gebruiken, indien het schip:</al><lijst><li nr="a."><al> aan de grond zit;</al></li><li nr="b."><al>gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of</al></li><li nr="c."><al>ter hoogte van kade of oevers wordt gaande gehouden of tegen
                                        de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor
                                        het ontmeren of afmeren;</al></li><li nr=""><al>tenzij het een aan een ander schip gemeerd schip betreft,
                                        dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>Het is niet-rechthebbenden verboden een schip vast te houden, zich
                            daarop te begeven, zich daarop te bevinden of dat los te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Aanwijzing havenbekkens met een invaarverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan havenbekkens aanwijzen waar een verbod geldt voor
                                een schip om die havenbekkens in te varen of zich te bevinden in die
                                havenbekkens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in het eerste lid bedoelde havenbekkens in te
                                varen of zich daarin te bevinden, tenzij het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>een schip dat moet laden, lossen of wachten op een ligplaats
                                        als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>een zeegaand passagiersschip of een riviercruiseschip dat
                                        zich rechtstreeks en zonder onderbreking naar een hiertoe
                                        bestemde ligplaats begeeft;</al></li><li nr="c."><al>een pleziervaartuig of zeilschip dat zich rechtstreeks en
                                        zonder onderbreking begeeft naar een in het havenbekken
                                        gelegen jachthaven, scheepswerf of een op het havenbekken
                                        aansluitende vaarweg die voor die vaartuigen openstaat dan
                                        wel een voor deze vaartuigen bestemde ligplaats;</al></li><li nr="d."><al>een dienstverlenend schip;</al></li><li nr="e."><al>een bunkerschip;</al></li><li nr="f."><al>een schip dat in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam
                                        dan wel werkzaamheden verricht in opdracht van een
                                        publiekrechtelijk lichaam;</al></li><li nr="g."><al>een schip waarvan de aanwezigheid in de haven in verband met
                                        de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als
                                        bedoeld in onderdeel a of b, uit een oogpunt van de
                                        uitoefening van het scheepvaartbedrijf noodzakelijk is;</al></li><li nr="h."><al>een werkschip waarvan de aanwezigheid in de haven
                                        noodzakelijk is in verband met nieuwbouw - of
                                        onderhoudswerkzaamheden aan de haveninfrastructuur; of</al></li><li nr="i."><al>een schip dat baggerwerkzaamheden uitvoert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen
                                wordt voortbewogen te varen in een havenbekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het tweede en derde lid genoemde verboden
                                ontheffing of vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9 Maatregelen onttrekking economisch verkeer</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan maatregelen opleggen ter bescherming van
                                veiligheids- of milieubelangen aan de kapitein, schipper of
                                exploitant van een schip dat in de haven verblijft of zich op een
                                ligplaats bevindt, indien dat schip wordt onttrokken aan het
                                economisch verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie de maatregelen zijn opgelegd, is verplicht daaraan
                                gevolg te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10 </nr><titel>Aanwijzing ligplaatsen tankschepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan openbare ligplaatsen aanwijzen, waar tankschepen
                                geladen met of leeg van vloeibare, onverpakte, gevaarlijke of
                                schadelijke stoffen ligplaats mogen nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid,
                                voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de aard en
                                hoeveelheid van de vervoerde ladingen, het milieu, de</al><al>omgeving van de haven en de uit te voeren activiteiten door de
                                schepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Aanwijzing oliehavengebieden</titel></kop><al>Het college kan oliehavengebieden aanwijzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Erkenning bootliedenorganisatie</titel></kop><al>Het college kan bootliedenorganisaties erkennen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Veiligheid en milieu in de haven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende
                                stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om aan boord van een schip, door middel van geperst
                                gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar
                                de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip
                                ontsnapt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Gebruik afvalverbrandingsoven</titel></kop><al>Het is een ieder verboden in de haven aan boord van een schip een
                            afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Generatorverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar het verboden is om aan boord
                                van een afgemeerd binnenschip een generator te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om aan boord van een afgemeerd binnenschip een
                                generator te gebruiken in gebieden die het college heeft
                                aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Verbod gebruik hoofd- of hulpmotor</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar het verboden is om aan boord
                                van een afgemeerd schip de hoofd- en of hulpmotor in werking te
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om op een afgemeerd schip de hoofd- of hulpmotor in
                                werking te hebben, tenzij direct voorafgaand aan het vertrek van het
                                schip:</al><lijst><li nr="a."><al>in een gebied als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.</al></li><li nr="b."><al> in andere door het college aan te wijzen gebieden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>verslag tussen schepen en tanks als bedoeld in de
                                vervoerswetgeving op de wal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een ieder verboden gevaarlijke of schadelijke vloeistoffen
                                over te slaan tussen een schip en een tank op de wal, tenzij de
                                laad- of losinstallatie deel uitmaakt van een inrichting waarop de
                                Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht,</al><al>van toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Vergunning ontvangstvoorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college scheepsafval, overige
                            schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen in ontvangst te
                            nemen die rechtstreeks afkomstig zijn van zeeschepen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7 </nr><titel>Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, indien naar zijn oordeel een schip ernstig gevaar,
                                schade, hinder of ernstige verstoring van de ordening in de haven
                                veroorzaakt of kan veroorzaken:</al><lijst><li nr="a."><al>een verbod opleggen om met dat schip de haven binnen te
                                        komen, in de haven te verblijven of zich met dat schip op
                                        een ligplaats te bevinden; of</al></li><li nr="b."><al>maatregelen opleggen aan de kapitein, de schipper of de
                                        exploitant van het schip dat in de haven verblijft of zich
                                        op een ligplaats bevindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie het verbod is of de maatregelen zijn opgelegd, is
                                verplicht daaraan gevolg te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><label>Binkercontrolelijst/bunkeren</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een zeeschip te bunkeren, tenzij aan boord van de
                                bij het bunkeren betrokken schepen wordt zorggedragen dat voordat
                                met het bunkeren wordt begonnen de bunkercontrolelijst:</al><lijst><li nr="a."><al>volledig, positief en naar waarheid is ingevuld; en</al></li><li nr="b."><al>is ondertekend door de voor het bunkeren verantwoordelijke
                                        personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan boord van de bij het bunkeren betrokken schepen wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdens het bunkeren het gestelde in de bunkercontrolelijst
                                        nageleefd; en</al></li><li nr="b."><al>het bunkeren onmiddellijk gestopt als het gestelde in de
                                        bunkercontrolelijst niet wordt nageleefd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bunkercontrolelijst wordt tijdens en tot vierentwintig uur na het
                                einde van de bunkering aan boord van de bij het bunkeren betrokken
                                schepen gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien meer dan één bunkerschip betrokken is bij de aanlevering van
                                een partij brandstofolie of smeerolie vult de verantwoordelijke
                                persoon van ieder bunkerschip een afzonderlijke bunkercontrolelijst
                                in, die wordt ondertekend door de voor het bunkeren
                                verantwoordelijke personen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het bunkeren wordt door de schipper van het bunkerschip aan de
                                havenmeester een melding gedaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan van in het eerste lid gestelde verbod en van het in
                                het vijfde lid bepaalde vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Verbod terugpompen brandstofolie of smeerolie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden brandstofolie of smeerolie van een zeeschip in een
                                bunkerschip terug te pompen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Deugdelijk afmeren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een ieder verboden een schip te laden of te lossen, tenzij
                                het schip op deugdelijke wijze is afgemeerd.</al><al>Het is een ieder verboden een schip te laden of te lossen, tenzij
                                het schip op deugdelijke wijze is afgemeerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een zeeschip dat is afgemeerd heeft een sleeptros aan dek gereed of
                                tot de waterspiegel uitgevierd, die gebruiksklaar is, indien het
                                schip:</al><lijst><li nr="a."><al>is afgemeerd in een oliehavengebied; of</al></li><li nr="b."><al>een lengte heeft van meer dan 120 meter.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Gebruik van ankers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse
                                        aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als
                                        bedoeld in artikel 3.1;</al></li><li nr="b."><al>dit geschiedt in overeenstemming met een door het bevoegd
                                        gezag genomen besluit met dezelfde strekking als een
                                        verkeersteken;</al></li><li nr="c."><al> ligplaats wordt genomen aan afmeerboeien; of</al></li><li nr="d."><al>dit geschiedt door een drijvende kraan en zeker is gesteld
                                        dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de
                                        onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of
                                        oever- of kadeverdedigingswerken, mits het voornemen het
                                        anker te gebruiken wordt gemeld aan de havenmeester.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gebruik van spudpalen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een spudpaal te gebruiken, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse
                                        aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als
                                        bedoeld in artikel 3.1; of</al></li><li nr="b."><al>dit geschiedt met een door het bevoegd gezag genomen besluit
                                        met dezelfde strekking als een verkeersteken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Verbod vast- en losmaken schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een ieder verboden de diensten van bootman te verrichten,
                                voor zover het betreft een zeeschip:</al><lijst><li nr="a."><al>met een lengte van meer dan 75 meter; of</al></li><li nr="b."><al>met een lengte van 75 meter of minder dat is gebouwd of
                                        wordt gebezigd voor het vervoer van vloeibare gevaarlijke
                                        stoffen in bulk, tenzij het schip leeg is en de tanks van
                                        die stoffen zijn gereinigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>terstond als bootman wordt gehandeld door de bemanningsleden
                                        die, bij aankomst of vertrek van het schip op de betreffende
                                        ligplaats, aan boord zijn en de kapitein dit meldt aan de
                                        havenmeester;</al></li><li nr="b."><al>wordt gehandeld door een bootman die aangesloten is bij een
                                        door het college erkende bootliedenorganisatie;</al></li><li nr="c."><al>het zeeschip wordt verhaald langs een kade, zonder daarvan
                                        volledig los te komen;</al></li><li nr="d."><al>de werkzaamheden worden verricht in het kader van de
                                        opleiding Bootman, onder verantwoordelijkheid van een
                                        bootman als bedoeld in onderdeel b; of</al></li><li nr="e."><al>het marine- of visserijschepen betreft en de kapitein aan de
                                        havenmeester meldt dat van de dienst van een bootman geen
                                        gebruik wordt gemaakt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of te doen
                                verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de
                                aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip</al><al>of het voorwerp, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of
                                        herstellingsinrichting aan welke een vergunning krachtens de
                                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;</al><al>of</al></li><li nr="b."><al>het schip geen ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of
                                        herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de
                                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is</al><al>verleend; en</al></li><li nr=""><lijst><li nr=""><al>1°. per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten
                                                werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag
                                                nemen;</al><al>2°. er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of
                                                hinder kan ontstaan. Dit betekent onder meer
                                                dat:</al><lijst><li nr="."><al>voor zover de werkzaamheden plaatsvinden op of
                                                  aan een schip gelegen in een oliehavengebied, het
                                                  geen werkzaamheden betreft ten gevolge waarvan
                                                  vonkvorming naar de buitenlucht optreedt of kan
                                                  optreden dan wel het geen werkzaamheden betreft
                                                  die betrekking hebben op de
                                                  bedrijfsgereedheid;</al></li><li nr="."><al>de werkzaamheden ten minste 25 meter
                                                  verwijderd zijn van gevaarlijke stoffen of
                                                  brandbaar materiaal;</al></li></lijst><al>3°. voor zover de werkzaamheden plaatsvinden op een
                                                tankschip of aan of in een brandstoftank van een
                                                schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een
                                                gasdeskundige een Veiligheids- en
                                                Gezondheidsverklaring als bedoeld in de
                                                Arbeidsomstandighedenregeling is afgegeven voor de
                                                uit te voerenwerkzaamheden;</al><al>4°. doelmatige brandblusmiddelen en personen die met
                                                het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is voor een ieder verboden om aan, buitenboord of onder een
                                schip of aan een voorwerp aan boord van een schip sloopwerkzaamheden
                                te verrichten of doen verrichten met als doel om het schip uit de
                                vaart te nemen, tenzij het schip ligplaats heeft op of bij een
                                inrichting die</al><al>beschikt over een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden wordt door de
                                kapitein, schipper of exploitant een melding gedaan aan de
                                havenmeester.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in:</al><al>1°. het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen;</al><al>2°. het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling
                                verlenen; en</al><al>3°. het derde lid bepaalde vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Ontsmetten van schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een schip ligplaats te nemen om het schip of de
                                lading te ontsmettendoor het met gassen of stoffen die gassen
                                afstaan te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Bunkeren, overnemen van voorraden of afgeven van afvalstoffen
                                door zeetankschepen</titel><subtitel/></kop><al>De kapitein van een zeetankschip draagt er zorg voor dat het bij het
                            bunkeren, overnemen van voorraden of scheepsonderdelen of afgeven van
                            afvalstoffen betrokken scheepspersoneel niet tegelijkertijd betrokken is
                            bij het behandelen van een gevaarlijke of schadelijke vloeistof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Veilige toegang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een afgemeerd schip beschikt over een toegang, die geen gevaar of
                                schade kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van
                                        laad - of loshandelingen; of</al></li><li nr="b."><al>het afmeren van korte duur is.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Het stellen van nadere regels door het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels met betrekking tot de volgende
                                onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder schepen zich in een oliehavengebied
                                        mogen bevinden, welke voorwaarden betrekking kunnen hebben
                                        op activiteiten die in een oliehavengebied plaats vinden of
                                        op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen,
                                        wanneer zij in het oliehavengebied verblijven;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezigheid van een tankschip met gevaarlijke stoffen
                                        buiten een oliehavengebied<cursief>;</cursief></al></li><li nr="c."><al>het behandelen van gevaarlijke of schadelijke stoffen in
                                        bulk;</al></li><li nr="d."><al>het schoonmaken van scheepsruimtes die een gevaarlijke of
                                        schadelijke stof bevatten;</al></li><li nr="e."><al>de voorwaarden waaronder het langszij afmeren bij
                                        tankschepen met gevaarlijke stoffen plaatsvindt;</al></li><li nr="f."><al>de aanvraag van een vergunning om scheepsafval, overige
                                        schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen van
                                        schepen in ontvangst te mogen nemen;</al></li><li nr="g."><al>de erkenning aan bootliedenorganisaties;</al></li><li nr="h."><al>de verplichtingen waaraan bootmannen moeten voldoen;</al></li><li nr="i."><al>het ligplaats nemen van schepen waarvan de lading met
                                        ontsmettingsmiddelen is behandeld, en het uitvoeren van
                                        operationele handelingen aan boord van deze schepen;</al></li><li nr="j."><al>de gegevens die schepen moeten melden, het bestuursorgaan
                                        waaraan gemeld wordt, het tijdstip en de wijze van de
                                        melding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de volgende
                                onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>het ligplaats nemen binnen een nader te bepalen afstand tot
                                        een kwetsbaar object door een schip dat geladen is met
                                        gevaarlijke stoffen in verpakking;</al></li><li nr="b."><al>het ligplaats nemen op een specifieke ligplaats.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Aanwijzingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aanwijzingen geven in het belang van de ordening en
                                de veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het
                                scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter voorkoming van
                                gevaar, schade of hinder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing
                                onmiddellijk op te volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Toezichthoudende ambtenaren</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aangewezen personen of categorieën van personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Betreden van woonruimten</titel></kop><al>Personen die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing
                            van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn bevoegd een
                            woning binnen te treden in het kader van het toezicht en de handhaving
                            van de veiligheid, zonder toestemming van de bewoner, voor zover het
                            toezicht op de naleving of de opsporing van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening dit vereist.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 wordt
                            ingetrokken met ingang van de datum van het inwerking treden
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toestemmingen en aanwijzingen die zijn verleend bij of krachtens de
                                Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 en die van
                                kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening,
                                worden aangemerkt als toestemmingen of aanwijzingen bij of krachtens
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om toestemming op grond van de Regionale
                                Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 is ingediend waarop nog
                                niet is beslist, wordt daarop het bepaalde bij of krachtens
                                deze</al><al>verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                toestemming krachtens de Regionale Havenverordening
                                Noordzeekanaalgebied 2010 wordt beslist met toepassing van het
                                bepaalde bij of krachtens deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Regionale Havenverordening
                            Noordzeekanaalgebied 2012.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>behorende bij artikel 1.1. onderdeel x</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i561904f9-de4d-497a-96e8-a44ae257f147" naam="i226743i561904f9-de4d-497a-96e8-a44ae257f147.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="if8cc780c-6931-4e4f-8b9b-ec255849586d" naam="i226770if8cc780c-6931-4e4f-8b9b-ec255849586d.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.2cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>behorende bij artikel 1.1, onderdeel p en q</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="ifc6b49b1-4def-44d6-9138-a9ef0ac6ceae" naam="i226744ifc6b49b1-4def-44d6-9138-a9ef0ac6ceae.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="22.9cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="icc4adbfd-4150-4765-a298-149b9b51154e" naam="i226771icc4adbfd-4150-4765-a298-149b9b51154e.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="22.9cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i27598bd9-6f4f-4576-a294-2ada458a7bac" naam="i226745i27598bd9-6f4f-4576-a294-2ada458a7bac.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.1cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i21de5ce1-810b-4f49-b220-654c2ded1db1" naam="i226757i21de5ce1-810b-4f49-b220-654c2ded1db1.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.1cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i0dd875e4-e5c2-4ed1-b92c-8cfbdf16e463" naam="i226772i0dd875e4-e5c2-4ed1-b92c-8cfbdf16e463.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.1cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i9fa7bdcb-64a8-4591-bf16-50f915b8bc8a" naam="i226773i9fa7bdcb-64a8-4591-bf16-50f915b8bc8a.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.1cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3 transponeringstabellen</nr></kop><al><plaatje><illustratie id="ia0cba1ff-ece1-4a75-9794-ad48361b0798" naam="i226748ia0cba1ff-ece1-4a75-9794-ad48361b0798.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.9cm"/></plaatje>Transponeringstabel 1:Rhv 2010-Rhv 2012-HrN 2012</al><al><plaatje><illustratie id="i1bb10bfe-c973-4f69-998e-d957b7ba2819" naam="i226774i1bb10bfe-c973-4f69-998e-d957b7ba2819.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i15ebf60e-fadf-4b98-b50d-08eda6072251" naam="i226776i15ebf60e-fadf-4b98-b50d-08eda6072251.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i7a9a63aa-6862-4f93-9bf9-c5dec3bde062" naam="i226777i7a9a63aa-6862-4f93-9bf9-c5dec3bde062.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje>Transponeringstabel 2: van 2012-2010</al><al><plaatje><illustratie id="i506b0cca-262e-4d34-8f03-58346870b92f" naam="i226778i506b0cca-262e-4d34-8f03-58346870b92f.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="idcbf3d21-a062-4ba7-ba61-19ad43aee6ae" naam="i226779idcbf3d21-a062-4ba7-ba61-19ad43aee6ae.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i3c54c623-b884-4cfd-9d39-aa824a96cd51" naam="i226780i3c54c623-b884-4cfd-9d39-aa824a96cd51.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i8663578a-7dbb-4406-b959-3315a3f15ebd" naam="i226760i8663578a-7dbb-4406-b959-3315a3f15ebd.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i869f76df-edde-4d52-a186-5e9b384fc3a1" naam="i226761i869f76df-edde-4d52-a186-5e9b384fc3a1.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="iaf8c2c9d-9bbc-4bfa-8ac5-2c98693b42df" naam="i226762iaf8c2c9d-9bbc-4bfa-8ac5-2c98693b42df.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="id0792d26-72b4-439c-a444-ee2632020649" naam="i226763id0792d26-72b4-439c-a444-ee2632020649.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i04cd2b8b-bf31-42f4-8226-537c9a51cee4" naam="i226765i04cd2b8b-bf31-42f4-8226-537c9a51cee4.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i901b76a8-debe-412e-a617-c37dc6751176" naam="i226766i901b76a8-debe-412e-a617-c37dc6751176.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.2cm"/></plaatje></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>Regionale Havenverordening Noorzeekanaalgebied 2012</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Tussen 2010 en 2012 was in de gemeenten Amsterdam, Beverwijk, Velsen en Zaanstad
                    de Regionale havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 (Rhv 2010) van kracht.
                    Hoewel elke gemeente zijn eigen verordening kende, waren deze verordeningen
                    inhoudelijk gezien hetzelfde. De Rhv 2010 stelde regels op gemeentelijk niveau
                    op het gebied van ordening, veiligheid en milieu voor zee- en beroepsvaart, met
                    oog voor de lokale belangen. De Rhv 2010 bood het juridische instrumentarium
                    voor de inrichting en het beheer van het openbaar water en was daarmee
                    aanvullend op vervoers- en verkeerswetgeving, zoals de</al><al>Scheepvaartverkeerswet (Svw) en het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr).</al><al/><al>In het kader van deregulering, administratieve lastenverlichting en eenduidig
                    beleid is de Rhv 2010 in de afgelopen periode verder ontwikkeld. Hierbij is het
                    leidende principe van een stelsel van ontheffingen veranderd in een stelsel van
                    algemene regels met meldingsverplichtingen. Dit betekent minder
                    ontheffingsaanvragen (administratieve lastenverlichting) en meer
                    verantwoordelijkheid bij de gebruiker van de haven. Het stelsel van</al><al>ontheffingen/vrijstellingen is niet geheel verlaten. Waar voorheen veel verboden
                    was zonder ontheffing, is in deze verordening veel mogelijk zonder ontheffing en
                    is nog wel - voor uitzonderingsgevallen – vastgehouden aan het ontheffingen-/
                    vrijstellingenstelsel, omdat er</al><al>situaties blijven bestaan die onder het verbod vallen, maar mogelijk zouden
                    moeten zijn, als men de belangen die deze verordening beoogt te dienen
                    (ordening, milieu, veiligheid) in ogenschouw neemt. Want bij het verlenen van
                    een ontheffing/vrijstelling weegt het college de belangen van de verordening af
                    tegen het belang van de aanvrager. En als eerstgenoemde belangen geen nadeel
                    ondervinden, is het mogelijk een ontheffing/vrijstelling te verlenen.</al><al/><al>Bij de ontwikkeling van dit nieuwe stelsel is zoveel mogelijk gestreefd naar
                    landelijke uniformiteit en is regelgeving waar mogelijk vereenvoudigd. Daarbij
                    is geen concessie gedaan aan het bestaande veiligheidsniveau. Het bovenstaande
                    principe is vorm gegeven in een kader stellende Regionale Havenverordening
                    Noordzeekanaalgebied 2012. In een nader op te stellen Havenreglement
                    Noordzeekanaalgebied 2012 zijn nadere operationele regels vastgesteld.</al><al/><al>In de verordening zijn de volgende kader stellende regels opgenomen:</al><al>- algemene verboden;</al><al>- regels die in het hele toepassingsgebied gelden;</al><al>- artikelen met ruimtelijke ordeningsaspecten, zoals locaties waar
                    generatorgebruik verplicht is of een ligplaatsverbod geldt.</al><al/><al>In het reglement worden de volgende nadere regels opgenomen:</al><al>artikelen met ruimtelijke ordeningsaspecten, zoals locaties waar
                    generatorgebruik verplicht is of een ligplaatsverbod geldt.</al><al/><al>In het reglement worden de volgende nadere regels opgenomen:</al><al>- technische en operationele voorschriften;</al><al>- regels met betrekking tot het aanvragen van een vergunning of het verlenen van
                    een erkenning;</al><al>- de inhoudelijke uitwerking van de opgenomen operationele
                    meldingsverplichtingen.</al><al/><al>De verordening (de raad) stelt kaders die vervolgens door het college uitgewerkt
                    kunnen worden (bevoegdheid) of moeten worden (onderwerpen, waarvoor de raad in
                    de verordening het kader heeft neergezet en het college de verplichting oplegt
                    om dit nader uit te werken).</al><al>Een en ander is neergelegd in artikel 5.1 van de verordening).</al><al>de inhoudelijke uitwerking van de opgenomen operationele
                    meldingsverplichtingen.</al><al/><al><vet>Verhouding tot andere regelgeving</vet></al><al>De bepalingen in de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012 zijn
                    aanvullend ten opzichte van hogere regelgeving, zoals rijksregelgeving, in het
                    bijzonder het Binnenvaartpolitiereglement, de Regeling communicatie en
                    loodsaanvragen zeevaart, de</al><al>Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen, de Wet voorkoming
                    verontreiniging door schepen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het
                    Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over
                    de binnenwateren.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>§ 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al/><al>De begrippen die in de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012
                    (hierna: de Havenverordening) worden gebruikt, zijn ondergebracht in artikel
                    1.1. Enkele begrippen die voorheen deel uitmaakten van de Regionale
                    havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010</al><al>(hierna: Rhv 2010) zijn nu opgenomen in artikel 1.1 van het Havenreglement
                    Noordzeekanaalgebied 2012 (hierna: het Havenreglement), omdat die begrippen nu
                    daarin aan de orde komen. De begrippen van de Havenverordening zijn ook van
                    toepassing op diezelfde begrippen in het</al><al>Havenreglement.</al><al/><al>Hieronder volgt een toelichting op een aantal begrippen.</al><al/><al><cursief>Behandelen van een gevaarlijke of schadelijke
                    vloeistof</cursief></al><al>Deze definitie is opgenomen als containerbegrip voor alle handelingen, waarbij
                    vloeistoffen verplaatst worden op een tankschip. Bij deze handelingen treden
                    steeds dezelfde veiligheiden milieurisico’s op. Opgemerkt wordt dat schoonmaken
                    geen onderdeel uitmaakt van de</al><al>definitie.</al><al/><al><cursief>Exploitant</cursief></al><al>Een goede omschrijving van het begrip “exploitant” is van belang, omdat de
                    exploitant normadressaat is in de zin van artikel 1.10 van deze
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Gevaarlijke stoffen</cursief></al><al>De definitie van gevaarlijke stoffen is gebaseerd op de indeling vanuit de
                    internationale vervoerswetgeving, waarbij het criterium veiligheid tijdens het
                    vervoer en behandeling wordtgehanteerd. Hierbij is doorslaggevend het type
                    vervoermiddel, de verpakkingsvorm en deeigenschappen van de bewuste stof
                    behorend bij de wijze van vervoer: verpakt, losgestorte</al><al>droge bulk, vloeibare bulk (incl. vloeibaar gemaakt gas).</al><al>Het onderscheid tussen gevaarlijke en schadelijke stoffen (zie hieronder) is
                    voor de toepassing van diverse artikelen in deze verordening van belang. Een als
                    lading vervoerde stof kan louter gevaarlijk zijn, louter schadelijk, in de zin
                    van verontreinigend voor het mariene milieu, of zowel gevaarlijk als schadelijk.
                    Vervoerde eetbare olie in bulk in een tanker is</al><al>bijvoorbeeld een schadelijke, maar géén gevaarlijke stof. Vervoerde benzine in
                    bulk in een tanker is zowel een schadelijke als gevaarlijke stof, terwijl
                    benzine vervoerd in een tankcontainer alleen een gevaarlijke stof is.</al><al/><al><cursief>Haven</cursief></al><al>Het gebied is op de kaart aangegeven, het betreft het gebied waar de verordening
                    van toepassing is. Het gaat om openstaande wateren voor de scheepvaart in het
                    Noordzeekanaalgebied. In bijlage 2 bij deze verordening is deze kaart opgenomen,
                    waarop het gebied haven is aangegeven.</al><al>Jachthavens zijn van het op de kaart aangegeven gebied uitgezonderd, omdat daar
                    specifieke plaatselijke regelgeving geldt. Het toepassingsgebied van de RHV2010
                    wordt hiermee gecontinueerd.</al><al/><al>Kunstwerken, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en
                    laadplaatsen diezich in de haven bevinden en grenzen aan of liggen in deze
                    wateren, maken ook onderdeel uit van het begrip haven, waardoor zij vallen onder
                    het toepassingsgebied (zie artikel 1.2) van</al><al>deze verordening.</al><al/><al><cursief>Havenbekken</cursief></al><al>Een havenbekken maakt onderdeel uit van de haven. Een havenbekken wordt
                    hoofzakelijk gebruikt door de beroepsvaart om te laden, te lossen en te wachten.
                    Een havenbekken kent in de meeste gevallen geen doorgaande vaart. Havenbekkens
                    vormen samen met de doorgaande vaarwegen de wateren die vallen onder het begrip
                    haven. De havenbekkens zijn</al><al>op de kaart in bijlage 2 bij deze Havenverordening aangegeven.</al><al/><al><cursief>Havenmeester</cursief></al><al>Onder het begrip “havenmeester” wordt de publiekrechtelijke, door het college
                    aangewezen havenmeester verstaan, dat wil zeggen de autoriteit die in de haven
                    toeziet op de ordening, het milieu en veiligheid. In artikel 2.1 is opgenomen
                    dat het college de havenmeester aanwijst.</al><al/><al><cursief>Kapitein en schipper</cursief></al><al>De kapitein of de schipper is degene die de feitelijke leiding heeft over een
                    schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein, maar kan ook zijn vervanger
                    zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de feitelijke leiding
                    heeft. De begripsbepalingen “kapitein” en “schipper” zijn van belang voor
                    artikel 1.10 waarin de normadressaat is opgenomen.</al><al/><al><cursief>Noordzeekanaalgebied</cursief></al><al>Het Noordzeekanaalgebied in deze Havenverordening bestaat uit het geheel van
                    openstaande wateren voor de scheepvaart binnen de gemeentegrenzen in de regio.
                    Het Noordzeekanaalgebied is op de kaart in bijlage 1 bij deze Havenverordening
                    aangegeven.</al><al/><al><cursief>Oliehavengebied</cursief></al><al>et begrip “oliehaven” is gewijzigd ten opzichte van de voorheen geldende
                    verordening. In de Rhv 2010 was de norm opgenomen dat het college de
                    oliehavengebieden aanwijst. Deze bevoegdheid is uit de begripsbepaling
                    gehaald.</al><al/><al><cursief>Schadelijke stoffen</cursief></al><al>n dit begrip wordt alleen nog naar de Wet voorkoming verontreiniging door
                    schepen verwezen. In deze wet worden alle schadelijke stoffen aangewezen. Om die
                    reden behoeft het college, zoals voorheen het geval was, deze stoffen niet nader
                    aan te wijzen.</al><al/><al><cursief>Scheepsafval</cursief></al><al>“Scheepsafval” is gedefinieerd als het afval van een schip, dat ontstaat tijdens
                    de reguliere bedrijfsvoering van een schip. Specifiek is vermeld olie-afval uit
                    de machinekamer,huishoudelijk afvalwater, huisvuil, klein gevaarlijk afval en
                    ozon aantastende stoffen, die</al><al>voorkomen in bijvoorbeeld oude brandblussers. Daarnaast bevat het begrip
                    “scheepsafval” ook lading gebonden afval, zoals stuwhout en
                    verpakkingsmateriaal. Ladingresiduen, zowel droog als nat, zijn stoffen die
                    achterblijven na lossing van de lading en vallen niet onder deze</al><al>definitie.</al><al/><al><cursief>Schip</cursief></al><al>Aan het begrip “schip” zijn de begrippen boorinstallatie, een werkeiland of
                    soortgelijk object toegevoegd. Dit hangt samen met artikel 3.5, waarin het
                    verbod tot het opvijzelen van booren werkeilanden is geregeld. Door deze
                    begrippen hier op te nemen, wordt voorkomen dat een werkeiland of soortgelijk
                    object niet onder het begrip "schip" zou vallen. Voorts wordt</al><al>daarmee bereikt dat een opgevijzeld (op zijn poten staand) booreiland onder de
                    werking van de definitie valt.</al><al/><al>Spudpaal</al><al>Een spudpaal is een inrichting, anders dan ankers, waarmee het schip
                    zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren.</al><al/><al><cursief>Zeeschip</cursief></al><al>Ten aanzien van het begrip “zeeschip” wordt opgemerkt dat schepen die de
                    vereiste documenten hebben om op de binnenwateren en op zee te varen (de
                    zogenaamde binnenbuitenschepen), op grond van deze definitie worden aangemerkt
                    als zeeschip.</al><al/><al><cursief>Zeilvaartuig</cursief></al><al>Ten aanzien van het begrip “zeilvaartuig” wordt opgemerkt dat niet-bedrijfsmatig
                    gebruik inhoudt dat het zeilvaartuig voor recreatief gebruik wordt
                    aangewend.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Toepassingsgebied</vet></al><al/><al>Deze verordening is van toepassing in de haven. Zie ook de toelichting bij het
                    begrip “haven”.</al><al>Artikel 1.3 Aanvulling of afwijking van de Algemene wet bestuursrecht</al><al/><al>Dit artikel regelt de verhouding van onderdelen van de Havenverordening tot de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al/><al><vet>Artikel 1.4 Beslistermijn</vet></al><al>n de Rhv 2010 was een beslistermijn van acht weken opgenomen met een</al><al>verlengingsmogelijkheid. Deze is teruggebracht naar vier weken, eveneens met een
                    verlengingsmogelijkheid. Deze verlenging moet binnen de eerste vier weken aan de
                    aanvrager gemeld worden.</al><al>Op grond van het eerste lid is mogelijk gemaakt dat bij of krachtens deze
                    verordening voor bepaalde besluiten een andere, afwijkende beslistermijn kan
                    worden vastgesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>n de strafbepaling van deze verordening wordt overtreding van het bij of
                    krachtens deze verordening bepaalde met straf gesanctioneerd. Dat geldt dus ook
                    voor overtreding van de aan de toestemming verbonden voorschriften of
                    beperkingen. Ook bestuursrechtelijkehandhaving is mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 1.6 Geldigheidsduur</vet></al><al>In het eerste lid is geregeld dat een vergunning of vrijstelling wordt verleend
                    voor de duur van maximaal vijf jaar. Omdat de ordening, veiligheid en het milieu
                    in het geding is, zoals bijvoorbeeld bij de vergunning voor de
                    havenontvangstvoorziening, die om een zo actueel mogelijke benadering vragen, en
                    omdat de ontwikkelingen snel gaan en omstandigheden nogal eens veranderen, is
                    besloten deze termijn te hanteren, in afwijking van artikel 33 van de
                    Dienstenwet., Deze afwijking is ingegeven door het algemeen belang dat om zo
                    actueel mogelijke vergunningen etc. vraagt gelet op de belangen die de
                    verordening op het oog heeft.</al><al>Het tweede lid regelt dat een aanwijzing of erkenning voor onbepaalde duur kan
                    worden gegeven of verleend. Dit geldt voor de aanwijzing van bijvoorbeeld
                    oliehavengebieden.</al><al>Erkenningen kunnen bijvoorbeeld worden verleend aan bootliedenorganisaties.</al><al>Het derde lid bepaalt dat een ontheffing, indien deze wordt verleend voor een
                    eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging
                    of handeling.</al><al>Kanttekening hierbij is dat een ontheffing nooit langer dan voor de duur van zes
                    maanden kan worden verleend. Dit houdt onder meer verband met de werking van de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij het afgeven van een ontheffing zal
                    getoetst worden of de handeling niet van een zodanig karakter is, dat de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht mogelijk van toepassing is. Een gehanteerd
                    criterium is de tijdsduur van de gedraging,</al><al>waardoor de handeling een mogelijk structureel karakter krijgt.</al><al>Op grond van het vierde lid kan de ontheffing in spoedeisende gevallen mondeling
                    worden verleend voor een eenmalige gedraging of handeling. Wel wordt de
                    ontheffing daarna zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 1.7 Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming of
                        aanwijzing</vet></al><al>In het bepaalde in onderdeel d, worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze
                    kunnen tot intrekking of wijziging van de toestemming of aanwijzing leiden.
                    Daarbij moet het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
                    acht nemen.</al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel wijziging van de
                    vergunning of ontheffing dan wel aanwijzing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere
                    niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de
                    administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. De algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur kunnen de bevoegdheid tot wijziging en intrekking
                    beperken.</al><al/><al><vet>Artikel 1.8 Grond voor verlening van een ontheffing of
                    vrijstelling</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich: het bepaalt dat een ontheffing of vrijstelling
                    bij of krachtens deze verordening slechts kan worden verleend, indien het belang
                    dat door het betrokken verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet. In
                    feite is bepaald dat het bestuursorgaan dat een bevoegdheid gebruikt, daar
                    gebruik van dient te maken conform het doel, waarvoor die</al><al>bevoegdheid is gegeven. Concreet betekent dit dat het bestuursorgaan bij de
                    uitoefening van genoemde bevoegdheden het belang van ordening, milieu en
                    veiligheid in acht dient tenemen. Het kan zijn dat niet in alle gevallen alle
                    vermelde belangen in het geding zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 1.9 Verplichtingen van houders van toestemmingen</vet></al><al>Op grond van dit artikel moet de houder – indien een toestemming op een schip
                    betrekking heeft – de toestemming of een kopie daarvan, aan boord van het schip
                    houden, tenzij het schip geen bemanningsverblijf heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 1.10 Normadressaat</vet></al><al>Dit artikel bepaalt tot wie de voorschriften van de verordening zich richten. De
                    voorschriften in de Rhv 2010 waren altijd gericht aan de kapitein of de
                    schipper. Gebleken is dat dit niet altijd voldoende was. Vandaar het opnemen van
                    dit artikel. Tenzij uit de tekst anders blijkt, is de kapitein of de schipper
                    verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                    verordening. De kapitein of schipper is degene die de feitelijke leiding heeft
                    over een schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein of schipper, maar kan
                    ook zijn vervanger zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de
                    feitelijke leiding heeft. Overal waar in de verordening staat “het is verboden”,
                    richt de norm zich dus in de eerste plaats tot de kapitein, de schipper, of zijn
                    plaatsvervanger. Voor dit systeem is in deze verordening gekozen om
                    eenduidigheid ten aanzien van de normadressaat te verkrijgen. Bijkomend voordeel
                    is dat niet langer in elk artikel afzonderlijk behoeft te worden bepaald tot wie
                    de norm zich richt.</al><al>Met nadruk zij hier opgemerkt dat er enkele artikelen in de verordening zijn
                    opgenomen waarin expliciet is bepaald dat “een ieder” zich aan dat voorschrift
                    dient te houden (bijvoorbeeld artikel 4.2, 4.10, eerste lid of 4.13, eerste
                    lid). De normen in die artikelen richten zich niet alleen tot de kapitein of de
                    schipper, maar tot iedereen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een kapitein of een
                    schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens deze verordening.</al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen waarin een ponton of een ander soort
                    schip is afgemeerd en er geen bemanning (meer) aan boord is.</al><al/><al><vet>§ 2 Havenmeester</vet></al><al><vet>Artikel 2.1 Aanwijzing havenmeester</vet></al><al>Artikel 2.1 verplicht het college om de – publiekrechtelijke – havenmeester aan
                    te wijzen.</al><al/><al><vet>§ 3 Ordening in en gebruik van de haven</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 Verkeerstekens</vet></al><al>In het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) is een voor Nederland uniform systeem
                    van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit
                    artikel vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de
                    ordening in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl de
                    verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, ordening
                    en veiligheid). Door nu, middels dit artikel, de borden uit het Bpr verplicht te
                    stellen, ontstaat er uniformiteit in verkeersborden.</al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Verbod tot nemen van ligplaats</vet></al><al>Dit artikel vervangt het toelatingsartikel tot de ligplaats uit de
                    Rhv 2010. In genoemd artikel diende een zeeschip of een schip geladen met of
                    leeg van gevaarlijke stoffen een vergunning te hebben om de haven in te varen,
                    ligplaats te nemen of om binnen de haven te verhalen.</al><al>Dat artikel bracht veel administratieve lasten met zich mee. Ter vermindering
                    van administratieve lasten is – met behoud van hetzelfde niveau van veiligheid –
                    gekozen voor algemene regels in plaats van een vergunningstelsel.</al><al/><al>In principe is het verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een
                    ligplaats te bevinden, tenzij een van de uitzonderingen, bedoeld in het eerste
                    lid, zich voordoet. Het nemen van ligplaats omvat tevens het ankeren of gebruik
                    maken van spudpalen op de aangewezen ankerplaatsen.</al><al>De genoemde uitzonderingen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën en
                    vormen tezamen de basis voor het bevoegd gezag van de ordeningsmogelijkheden en
                    het algemene toelatingsbeleid tot de ligplaatsen binnen de haven; kortom de
                    ruimtelijke indeling van de haven uit het oogpunt van ordening, veiligheid en
                    milieu. Hiernaast bestaan er op basis van het Bpr, specifiek in hoofdstuk 7 en
                    hoofdstuk 9, regels voor het ligplaats nemen vanuit een andere juridische
                    beweegreden, namelijk die van een veilige verkeersafhandeling. Dit artikel uit
                    de Havenverordening is zodanig opgesteld, dat de belangen van de Verordening ten
                    behoeve van de ruimtelijke indeling versus de belangen van het Bpr ten behoeve
                    van een veilige verkeersafhandeling niet strijdig zijn met elkaar en naast
                    elkaar kunnen bestaan.</al><al/><al>Onderdeel a regelt het afmeren van schepen door middel van verkeerstekens. Deze
                    verkeerstekens dienen, conform artikel 3.1, te zijn vermeld in het Bpr. Hierbij
                    valt te denken aan het afmeren van kegelschepen. Indien uit praktische
                    overwegingen géén verkeerstekens</al><al>geplaatst kunnen worden, kan er ook een besluit gelden met een zelfde strekking
                    als een verkeersteken. Een voorbeeld hierbij is een aangewezen ankerplaats.</al><al/><al>In onderdeel d is de uitzondering vermeld, wanneer een schip een specifieke
                    ligplaatsvergunning en/of ontheffing heeft. Dit kan een specifieke
                    ligplaatsvergunning of ontheffing zijn, die door het college is afgegeven, maar
                    dit kan ook zijn een ligplaatsvergunning, die afgegeven is door een ander
                    bevoegd gezag, zoals bijvoorbeeld Rijkswaterstaat. Als voorbeeld kan gedacht kan
                    worden aan vaste ligplaatsen voor bunkerschepen.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op de door het college specifiek aangewezen
                    openbare ligplaatsen voor tankschepen geladen met of leeg van onverpakte
                    vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen. Dit lid is opgenomen uit het
                    oogpunt dat op niet-aangewezen openbare ligplaatsen in principe een verbod geldt
                    voor het ligplaats nemen van deze schepen. De bedoelde openbare ligplaatsen
                    kunnen boeien, afmeerpalen of openbare kades zijn. Het artikelonderdeel verwijst
                    daarom naar artikel 3.10 dat de aanwijzing regelt.</al><al/><al>In artikel 3.2 wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke
                    toestemming en de privaatrechtelijke instemming. In onderdeel c is geregeld dat
                    een schip in principe kan afmeren op ligplaatsen, gelegen aan
                    afmeervoorzieningen van een huurder, erfpachter of eigenaar van deze
                    afmeervoorzieningen. Dat geldt niet, en het verbod blijft dus van toepassing,
                    als het college dit uit het oogpunt van ordening, veiligheid en milieu ongewenst
                    acht. Los hiervan staat het privaatrecht; een huurder, erfpachter of eigenaar
                    van een afmeervoorziening, waaraan het betreffende schip afmeert, heeft vanuit
                    zijn private belang de mogelijkheid schepen te ontvangen of te weigeren; dat is
                    zijn of haar eigen</al><al>verantwoordelijkheid, en daar staat de gemeente buiten. In de praktijk zullen de
                    genoemde privaatrechtelijke beheerders van deze afmeervoorzieningen, waaraan
                    deze ligplaatsen gelegen zijn, in de meeste gevallen slechts die schepen
                    toelaten tot hun ligplaats, die daar moeten komen omwille van reguliere
                    bedrijfsactiviteiten.</al><al>Door de opzet van dit artikel naast de hierboven beschreven dagelijkse praktijk
                    zal in bijna alle gevallen het verbod als bedoeld in het eerste lid niet van
                    toepassing zijn. Het voorziet in de basis om de dagelijkse reguliere afhandeling
                    van de schepen vrijwel zonder tussenkomst</al><al>van de autoriteit plaats te laten vinden.</al><al/><al>Naast dit algemene ligplaatsbeleidskader voor ordening en ligplaatstoelating,
                    gelden er ook operationele regels en gedragsregels bij of krachtens de
                    Havenverordening, die het toelatingsbeleid tot de bewuste ligplaats verder
                    operationeel uitwerken en specificeren, afhankelijk van criteria zoals type
                    schip, voorgenomen activiteit, ladingsoort en of de ligplaats zich in of buiten
                    een oliehavengebied bevindt. Het eerste lid van artikel 3.2, onderdeel c, legt
                    het verband tussen dit algemene ligplaatsartikel en deze nadere regels. Er
                    treedt alsnog eenligplaatsverbod op, indien de ligplaatsinname van een schip aan
                    een afmeervoorziening van een huurder, erfpachter of eigenaar niet past binnen
                    deze publiekrechtelijke regels.</al><al/><al>De in het tweede lid opgenomen mogelijkheid van een ontheffing is noodzakelijk,
                    voor die unieke gevallen waarin het samenstel van het algemene
                    ligplaatsbeleidskader enerzijds en de operationele en gedragsregels anderzijds
                    niet volledig voorziet. Door opname van deze</al><al>mogelijkheid kan het college middels beperkingen en voorschriften die aan een
                    ontheffing worden verbonden, anticiperen op de specifieke omstandigheden van de
                    ligplaats, wanneer besloten wordt een schip onder voorschriften/beperkingen toch
                    ligplaats te laten nemen.</al><al>Deze unieke gevallen komen met name voor op openbare ligplaatsen.</al><al/><al><vet>Artikel 3.3 Aanwijzing en verbod overschrijding operationele ruimte
                        ligplaatsen</vet></al><al>De ligplaatsen, genoemd onder artikel 3.2, eerste lid onder c, zijn alle
                    ligplaatsen die in de haven aanwezig zijn. De afmeervoorzieningen, waar zij aan
                    liggen, kunnen onder beheer staan van verscheidene partijen: huurders,
                    erfpachters of eigenaren. In verband met aan de</al><al>ene kant een toenemende verkeersintensiteit en aan de andere kant een
                    optimalisering en intensivering van het gebruik van het aanwezige wateroppervlak
                    in de haven, is een maatregel noodzakelijk gebleken om uit het kader van
                    ordening en veiligheid in de haven de operationele ruimte van een ligplaats te
                    reguleren. Door middel van een publiekrechtelijk</al><al>besluit, de aanwijzing, kan het college aan een ligplaats een operationele
                    ruimte toewijzen, een in drie dimensies afgebakend waterperceel, waarbinnen
                    schepen ligplaats kunnen nemen om hun activiteiten uit te voeren. Het
                    vaststellen van de grenzen van deze ruimte</al><al>geschiedt op een zodanige wijze, dat de eigenaar van de ligplaats onder
                    praktisch alle omstandigheden al zijn reguliere scheepvaartontvangsten kan
                    afhandelen, waarbij ook voldoende manoeuvreerruimte overblijft voor het vertrek
                    en de aankomst van schepen op naburige ligplaatsen.</al><al/><al>In het derde lid van dit artikel wordt de verantwoordelijkheid voor de naleving
                    van het afhandelen van de schepen binnen de vastgestelde operationele ruimte
                    neergelegd bij de huurder, erfpachter of eigenaar (=beheerder) van de
                    afmeervoorzieningen, waar de ligplaats</al><al>aan ligt, aangezien deze beschikt over de actuele planning van verwachte
                    scheepvaart op zijn of haar ligplaats. Mocht de operationele ruimte geheel of
                    gedeeltelijk overschreden gaan worden, dan biedt het vijfde lid van dit artikel
                    de mogelijkheid aan het college om onder het stellen van voorschriften en
                    beperkingen ontheffing te verlenen van het verbod tot</al><al>overschrijding van de operationele ruimte. Bij het al dan niet afgeven van de
                    ontheffing zullen criteria als maximale tijdsduur, afstemming met omliggende
                    bedrijven ten aanzien van verwachte scheepvaart en de grootte van de
                    overschrijding een rol spelen. Op deze wijze wordt aan de voorkant van de
                    afhandeling van het scheepvaartproces ingespeeld op een</al><al>veilige en verantwoorde afhandeling van de scheepvaart en worden plotseling
                    optredende knelpunten in ligplaats- en manoeuvreerruimte voorkomen.</al><al/><al>In het vierde lid wordt een uitzondering gemaakt voor de zogenaamde
                    faciliterende schepen; de bunkerschepen en dienstverlenende schepen. De
                    activiteiten van deze schepen worden afgestemd tussen de schepen op de ligplaats
                    en de faciliterende schepen. Veelal heeft de beheerder van de ligplaats hier
                    géén directe planning van beschikbaar en deze activiteiten</al><al>vallen ook niet onder diens directe verantwoordelijkheid. Gelet op het relatief
                    kortdurende karakter van deze activiteiten is er voor gekozen om deze
                    bunkerschepen en dienstverlenende schepen een operationele melding aan de
                    havenmeester te laten doen. Deze kan overzien of de operationele ruimte wordt
                    overschreden en zo ja, of dit een knelpunt gaat opleveren in de
                    scheepvaartafhandeling. Indien dit niet het geval is, zal aan het bunkerschip of
                    dienstverlenende schip toestemming worden gegeven.</al><al/><al>Ten slotte zij vermeld dat aan de aanwijzing van de operationele ruimte door het
                    college nadere voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden van een
                    nautische aard, voor zover deze uit het oogpunt van ordening, veiligheid, milieu
                    en de omgeving van de haven noodzakelijk zijn. Te denken hierbij valt aan het
                    verplicht stellen van bepaalde borden en verlichting op afmeerpalen, het
                    verplicht door een schip laten gebruiken van een stormbolder bij bepaalde
                    weersomstandigheden en de minimale kielspeling van een schip opdie
                    ligplaats.</al><al/><al><vet>Artikel 3.4 Verhalen van schepen</vet></al><al>Dit artikel regelt het verhalen van schepen.</al><al>Aangezien niet altijd in strijd met bestaande wettelijke voorschriften wordt
                    gehandeld, is een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de
                    Gemeentewet en artikel 5:21 Algemene wet bestuursrecht in dergelijke gevallen
                    niet mogelijk. Teneinde de havengebruiker tegen</al><al>onnodig optreden te beschermen, is in het eerste lid bepaald dat de beslissing
                    op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid
                    gebruik worden gemaakt, indien dit noodzakelijk is in het kader van de ordening
                    of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een
                    niet-spoedeisend belang in het kader van de ordening van de haven, is het
                    noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger
                    waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt. De kapitein of
                    schipper van een schip kan op basis van dit artikel worden verzocht binnen een
                    redelijke termijn het schip te verhalen naar een andere ligplaats. Op basis van
                    artikel 1.10 kan bij afwezigheid van de kapitein of schipper ook de exploitant
                    worden aangeschreven. Indien medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald
                    worden. Indien ook de exploitant onbekend is, kan het</al><al>college op basis van het derde lid het schip toch (laten) verhalen.</al><al>Het derde lid regelt tevens dat schepen in verband met de veiligheid of het
                    milieu met spoed verhaald kunnen worden, indien zich een calamiteit voordoet in
                    de haven, ook al mogen deze schepen er conform de regelgeving ligplaats hebben.
                    Bij een brand zouden de schepen</al><al>bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor incidenten
                    bestrijdingsvaartuigen.</al><al/><al><vet>Artikel 3.5 Verbod opvijzelen boor- of werkeiland</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het verboden om een boorinstallatie, een werkeiland
                    of een soortgelijk object (hierna: werkeiland) op te vijzelen. Dit artikel is
                    opgenomen in verband met het mogelijk gebruik van de haven door
                    boorinstallaties, werkeilanden of soortgelijke objecten. Bij het opvijzelen -
                    dat is het met behulp van de aan boord geplaatste vijzels op</al><al>eigen kracht verheffen van een werkeiland - worden de poten van het werkeiland
                    op de bodem geplaatst. Vervolgens werkt het werkeiland zich </al><al>omhoog.</al><al/><al>In artikel 1.7 is bepaald dat het college de afgifte van een ontheffing kan
                    weigeren, indien een of meer van de belangen die worden beschermd door deze
                    verordening, te weten ordening, veiligheid of milieu in de haven en de omgeving
                    , dat wenselijk maken. De gegevens die moeten worden verstrekt bij de aanvraag
                    tot een ontheffing bieden de mogelijkheid om tot een goede beoordeling van de
                    nautische en andere aspecten van de haven te komen. De exploitant van een
                    werkeiland, die eerstverantwoordelijke is voor de activiteiten, heeft tevens
                    belang bij een zo effectief mogelijke informatie-uitwisseling met het college.
                    In de bodem kunnen zich bijvoorbeeld leidingen, kabels of duikers bevinden die
                    door de vrijkomende krachten beschadigd kunnen worden. Ook dient rekening te
                    worden gehouden met de vergrote windgevoeligheid van het werkeiland tijdens en
                    na het opvijzelen. De gegevens die moeten worden overgelegd bij de aanvraag om
                    een ontheffing omvatten dan ook een mededeling omtrent de resultaten van het
                    door de exploitant uit te (laten) voeren onderzoek naar ondergrondse kabels en
                    netwerken.</al><al/><al>Daarnaast zijn er gebieden, waarvan bekend is, dat er géén ondergrondse
                    infrastructuur aanwezig is. In die gevallen kan het college die gebieden,
                    bijvoorbeeld havenbekkens, aanwijzen om onnodige ontheffingsaanvragen te
                    voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 3.6 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of
                    hekschroeven</vet></al><al>Dit artikel beoogt bescherming van de onderwaterinfrastructuur in de haven. In,
                    onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels, tunnels,
                    pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers (schroeven),
                    boegschroeven of hekschroeven kan</al><al>schade veroorzaken aan deze voorzieningen, indien het in andere gevallen wordt
                    gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Onder gebruik
                    wordt in dit geval verstaan, dat de schroeven een daadwerkelijke
                    waterverplaatsing genereren; indien de schroeven dit niet doen, zoals
                    bijvoorbeeld het geval is bij een verstelbare schroef in een neutrale
                    positie,</al><al>dan is dit artikel niet van toepassing.</al><al>Het verbod is eveneens van toepassing in de situatie dat het schip op spudpalen
                    ligt of indien men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het
                    schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt, waarbij het schip niet met
                    trossen is afgemeerd. Reden van het</al><al>verbod is gelegen in het feit dat gebleken is dat door gebruikers van de haven
                    gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met name – het
                    proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen, indien een schip
                    aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een
                    schip, dat afgemeerd is aan een ander</al><al>schip, ter voorkoming van schade, levert een verwaarloosbaar risico op voor de
                    haveninfrastructuur en is daarom, gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter
                    voorkoming van directe schade, aanvaardbaar.</al><al>Ontheffingen worden slechts in beperkte gevallen verleend. Voor het proefdraaien
                    wordt slechts op een beperkt aantal locaties ontheffing verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 3.7 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>In de praktijk van de haven komt het regelmatig voor dat handelingen
                    plaatsvinden, zoals het vasthouden en losmaken van schepen alsmede het zich
                    begeven en bevinden op schepen.</al><al>Dit is nadelig voor de schepen. Met het opnemen van dit artikel wordt handhaving
                    mogelijk gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 3.8 Aanwijzing havenbekkens met een invaarverbod</vet></al><al>Artikel 3.8 vervangt bestaande verkeersbesluiten waarin het algemene
                    invaarverbod geregeld is.</al><al>Het eerste lid schept de mogelijkheid voor het college om havenbekkens aan te
                    wijzen waarvoor een invaarverbod geldt of waarin het verboden is zich te
                    bevinden.</al><al/><al>In het tweede lid is een opsomming opgenomen van categorieën van schepen waarop
                    het verbod niet van toepassing is. Dit zijn de schepen die dienen te laden, te
                    lossen of te wachten in een havenbekken. Hieronder vallen eveneens de
                    passagiersschepen. Verder betreft het</al><al>ook de schepen die om in dit lid genoemde redenen noodzakelijk zijn voor de
                    scheepvaart, zoals bunkerschepen en dienstverlenende schepen. Ook de schepen van
                    toezichthouders en schepen die werkzaamheden aan de haveninfrastructuur
                    uitvoeren, vallen onder de uitzondering van het tweede lid.</al><al/><al>In onderdeel c is een uitzondering gemaakt voor pleziervaartuigen en
                    zeilvaartuigen, indien zij zich in een havenbekken bevinden of een havenbekken
                    invaren als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Wel is hieraan de voorwaarde verbonden dat zij zich rechtstreeks en zonder
                    onderbreking begeven naar een in het havenbekken gelegen jachthaven, scheepswerf
                    of een op het havenbekken aansluitende vaarweg die openstaat voor deze schepen.
                    Dit beoogt om het verblijf van deze schepen in de havenbekkens zo kort mogelijk
                    te houden. Het varen met</al><al>pleziervaartuigen en zeilvaartuigen in havens die worden gebruikt door de
                    beroepsvaart, kan gevaarlijke situaties met zich meebrengen. Het kan echter zijn
                    dat in een havenbekken een specifieke ligplaats, niet zijnde een jachthaven of
                    scheepswerf, is bestemd voor pleziervaartuigen of zeilvaartuigen. Ook voor het
                    varen van de vaartuigen naar die</al><al>voorziening geldt het invaarverbod niet. Met zeilvaartuigen worden zowel de
                    recreatieve als de bedrijfsmatige (dus tegen vergoeding) zeilvaartuigen -
                    bedoeld.</al><al/><al>De schepen, bedoeld in onderdeel g, zijn sleepboten en de schepen van de
                    bootlieden, voor zover de aanwezigheid van deze schepen verband houdt met de
                    aankomst of vertrek van een schip.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het verboden is de zeilvaart te beoefenen in de
                    havenbekken.</al><al/><al>Het vierde lid regelt dat het verbod in het derde lid niet van toepassing is,
                    indien wordt gehandeld met een door het college verleende ontheffing of
                    vrijstelling. Een ontheffing kan worden gegeven in een individueel geval. Een
                    vrijstelling kan gegeven worden voor een groep of categorie schepen,
                    bijvoorbeeld wanneer in verband met een zeilwedstrijd besloten wordt een deel
                    van het havenbekken vrij te geven voor deze schepen om ligplaats te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 3.9 Maatregelen onttrekking economisch verkeer</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen in de verordening omdat het in de haven regelmatig
                    voorkomt dat schepen door de eigenaar worden onttrokken aan het economisch
                    verkeer (worden “opgelegd”), of niet vrijwillig onttrokken worden aan het
                    economisch verkeer, omdat schepen onder beslag worden gelegd of dat schepen een
                    vaarverbod krijgen opgelegd.</al><al>Bij een opgelegd schip blijft vaak een minimum aan bemanningsleden aan boord.
                    Dit, om enerzijds te zorgen voor een kostenreductie en om er anderzijds voor te
                    zorgen dat het minimale onderhoud dat aan boord vereist is, plaats vindt. Bij
                    een schip waarop beslag of een vaarverbod is gelegd, kan ook, vanwege de duur
                    van de maatregel, een deel van de bemanning van boord gehaald worden.</al><al>Bij een gevaarlijke situatie in de haven dient in beginsel elk afgemeerd schip
                    te allen tijde in staat te zijn op eigen kracht of met behulp van sleepboten
                    onmiddellijk van ligplaats te veranderen. Daarnaast moet onder meer toegezien
                    worden op een blijvende deugdelijke afmeersituatie.</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen doeltreffende
                    maatregelen op te kunnen leggen aan de kapitein, schipper of exploitant van het
                    schip om de ordening, veiligheid of het milieu ten aanzien van het schip en haar
                    omgeving blijvend te waarborgen.</al><al>Te denken valt aan het voorschrijven van een minimum aan verplichte
                    bemanningssterkte. Dit artikel bestaat naast verplichtingen uit het Bpr,
                    aangezien het Bpr dit niet uitputtend regelt.</al><al>Gelet op de lokale situatie en betrokken schip dienen maatwerkmaatregelen
                    mogelijk te zijn voor de specifieke casus. In het tiende wijzigingsbesluit van
                    het Bpr wordt aan de beslaglegger voor een stilliggend schip onder beslag een
                    aantal verplichtingen opgelegd.Deze verplichtingen gelden alleen voor lichten,
                    geluidsseinen, tekens en bewaking en toezicht.</al><al/><al><vet>Artikel 3.10 Aanwijzing ligplaatsen tankschepen</vet></al><al>Artikel 3.10 regelt specifiek de leemte in het ligplaatsenbeleid voor
                    tankschepen geladen met of leeg van onverpakte vloeibare gevaarlijke en
                    schadelijke stoffen op openbare ligplaatsen.</al><al>Het college kan vanuit haar ordeningsbevoegdheid openbare ligplaatsen aanwijzen,
                    waar deze schepen veilig en verantwoord ligplaats kunnen nemen. Dit artikel
                    bestaat naast de reeds bestaande mogelijkheden die het Adn en het Bpr bieden
                    voor wachtende binnentankschepen die ingevolge hun vervoerde lading seinplichtig
                    zijn. Dit artikel vult dus de leemte in voor zeetankschepen, maar gaat verder
                    dan alleen de activiteit wachten. Ook activiteiten als schoonmaken, repareren en
                    overslag vallen binnen de werkingssfeer van dit artikel en dit geldt dan zowel
                    voor zee- als binnentankvaart.</al><al>Bij het aanwijzen van openbare ligplaatsen houdt het college rekening met
                    aspecten als externe veiligheid en milieubelasting in relatie tot de aard en
                    hoeveelheden van de gevaarlijke en schadelijke stoffen en de door de schepen
                    uitgevoerde activiteiten als schoonmaken,repareren en ladingoverslag. De
                    operationele milieu- en veiligheidsvoorschriften en</al><al>beperkingen die vervolgens aan deze activiteiten worden gesteld, zijn bij of
                    krachtens deze Havenverordening geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 3.11 Aanwijzing oliehavengebieden</vet></al><al>Dit artikel schept door middel van een collegebesluit de mogelijkheid om
                    oliehavengebieden aan te wijzen. In deze gebieden moeten tankschepen met
                    gevaarlijke stoffen afmeren. In deze gebieden geldt een strenger regiem dan in
                    de overige delen van de haven. De gebieden</al><al>sluiten aan bij de olie- en chemieterminals op de wal, waar deze tankschepen met
                    gevaarlijke stoffen afmeren om te laden en te lossen. Het begrip oliehavengebied
                    beperkt zich tot aangewezen wateroppervlaktes aangezien het veiligheids- en
                    milieuregiem op de wal valt</al><al>onder de vergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 3.12 Erkenning bootliedenorganisaties</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bootliedenorganisaties te
                    erkennen. Dergelijke organisaties zijn van belang om zorg te dragen voor
                    gekwalificeerde bootlieden.</al><al/><al><vet>§ 4 Veiligheid en milieu in de haven</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico
                        veroorzakende stoffen</vet></al><al>Artikel 4.1 , eerste lid, regelt dat het verboden is om roet uit een schip te
                    laten ontsnappen ten gevolge van het doorblazen van het
                    uitlaatgassensysteem.</al><al>Het in het eerste gestelde verbod beperkt zich tot handelingen die plaatsvinden
                    aan boord van een schip. Handelingen gepleegd vanaf de wal vallen buiten deze
                    bepalingen. Deze handelingen worden geregeld in de milieuwet- en
                    regelgeving.</al><al/><al>Het tweede lid regelt dat het college ontheffing kan verlenen van het in het
                    eerste lid gestelde verbod. Een voorbeeld van een situatie waarin het college
                    een ontheffing kan verlenen is het voorkomen van een schoorsteenbrand bij een
                    schip dat al langer stilligt.</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Gebruik afvalverbrandingsoven</vet></al><al>Artikel 4.2 is opgenomen in verband met het toenemende gebruik van</al><al>afvalverbrandingsovens aan boord van schepen. Ter voorkoming van gevaar, schade
                    en hinder van afvalverbrandingsovens voor de omgeving, door bijvoorbeeld
                    ernstige rookontwikkeling en het gebruik van de afvalverbrandingsoven terwijl
                    het schip is afgemeerd in een oliehaven, is een algemeen geldend verbod
                    opgenomen op het gebruik van afvalverbrandingsovens aan boord van schepen.
                    Eventueel zich aan boord bevindend afvalkan worden afgegeven aan de daartoe
                    bestemde inzamelaars.</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Generatorverbod</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen in het kader van het leveren van een bijdrage aan het
                    verbeteren van de (lokale) geluid- en luchtkwaliteit in de haven. In door het
                    college aan te wijzen gebieden is het verboden om terstond na het afmeren een
                    generator te gebruiken. In deze gebieden zijn bij de ligplaatsen aansluitingen
                    voor de afname van elektriciteit ten behoeve</al><al>van de binnenvaart gerealiseerd. Er is geen verplichting tot het gebruik van de
                    walstroomaansluiting. Er kan door het afgemeerde schip ook gekozen worden om
                    gebruik te maken van een aan boord aanwezige, andere stroomvoorziening, zoals
                    bijvoorbeeld accu’s.</al><al>Artikel 4.3 is geen absoluut verbod, maar is afhankelijk van een aanwijzing van
                    gebieden door het college.</al><al>Voor zover het gebieden betreft waar walstroom beschikbaar is, maar die niet
                    zijn aangewezen, geldt geen verbod om een generator te gebruiken.</al><al>Door de relatie met artikel 4.4 is het tevens verboden op deze afgemeerde
                    schepen andere motoren te laten draaien, tenzij direct voor het vertrek van het
                    schip.</al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Verbod gebruik hoofd- of hulpmotor</vet></al><al>Ook dit artikel is opgenomen in het kader van het leveren van een bijdrage aan
                    het verbeteren van de (lokale) geluid- en luchtkwaliteit in de haven. Artikel
                    4.3 ziet toe op de binnenvaart, terwijl artikel 4.4 zich richt op alle schepen.
                    Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig
                    laten draaien, anders dan direct voor vertrek</al><al>van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en het kan
                    hinder voor omwonenden veroorzaken. Evenals artikel 4.3 is artikel 4.4 geen
                    absoluut verbod, maar afhankelijk van een aanwijzing van gebieden door het
                    college. Door de gekozen formulering blijft het mogelijk om bijvoorbeeld de
                    hoofdmotor ten dienste van het proefdraaien in werking te hebben. Voor deze
                    activiteit is wel een door het college</al><al>verleende ontheffing nodig.</al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Overslag tussen schepen en tanks als bedoeld in de
                        vervoerswetgeving, </vet><vet>op de wal</vet></al><al>Dit artikel regelt de overslag van vloeibare stoffen van tanks in die gevallen
                    waarin de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet vervoer gevaarlijke
                    stoffen niet voorziet. Dit is met name het geval bij de incidentele overslag van
                    gevaarlijke en schadelijke stoffen op openbare kades. Hierbij valt te denken aan
                    het laden en lossen vanuit bijvoorbeeld tankwagens, tankcontainers of
                    tankwagons.</al><al>Van het verbod in het eerste lid kan ontheffing worden verleend in incidentele
                    gevallen in het geval de veiligheid en het milieu via voorschriften in de
                    ontheffing kan worden gewaarborgd.</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Vergunning ontvangstvoorzieningen</vet></al><al>Nederland heeft op 2 juli 1983 het (gewijzigde) Internationaal Verdrag ter
                    voorkoming van verontreiniging door schepen geratificeerd. Dit zogenoemde
                    Marpol-Verdrag heeft tot doel verontreiniging van de zee (en van de kusten) ten
                    gevolge van het lozen van schadelijke afvalstoffen van schepen te voorkomen. Het
                    betreft afvalstoffen, afkomstig uit de normale bedrijfsvoering aan boord, zoals
                    olierestanten en oliehoudende mengsels, schadelijke vloeibare chemicaliën,
                    gevaarlijke en voor het milieu schadelijke stoffen in verpakte vorm, sanitair
                    afval en vuilnis. Het Marpol-Verdrag is geïmplementeerd in de Wet
                    voorkoming</al><al>verontreiniging door schepen (Wvvs).</al><al>Op basis van het onderhavige artikel 4.6 kan het college aan bedrijven
                    vergunning verlenen om een bedrijf met ontvangstvoorzieningen uit te oefenen,
                    zodat kan worden voldaan aan de wettelijke verplichting, bedoeld in de Wvvs, om
                    zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst
                    nemen van restanten van schadelijke stoffen, afkomstig van zeeschepen, zonder
                    aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken. Daarbij kunnen drie groepen
                    van bedrijven in aanmerking komen voor een vergunning: de overslagterminals en
                    scheepsreparatiewerven, de bedrijven met een vaste inrichting aan de wal om de
                    aangeboden schadelijke stoffen te ontvangen en eventueel te bewerken, te
                    verwerken of te vernietigen en ten slotte de (transport)bedrijven die de
                    afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele voorzieningen (lichters,
                    voertuigen).</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting in de Wvvs blijkt dat een overlap met de
                    vergunningvereiste voor een inzamelvergunning conform de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht door de wetgever ongewenst wordt geacht. De wetgever heeft bij de
                    wijziging van de Wvvs uitdrukkelijk de keuze gemaakt om beantwoording van de
                    vraag welke personen scheepsafvalstoffen mogen inzamelen, over te laten aan de
                    regeling neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Alleen
                    bedrijven die beschikken over een op deze wet gebaseerde vergunning zijn
                    gerechtigd tot het inzamelen van afvalstoffen van zeeschepen.</al><al>De havenbeheerder kan echter wel gebruik maken van het instrument vergunning
                    teneinde nadere voorschriften te kunnen geven aan bedrijven die
                    scheepsafvalstoffen inzamelen in de haven. Dit betreffen operationele en
                    administratieve voorschriften om zorg te dragen voor een goede logistieke
                    infrastructuur in de haven.</al><al/><al>Bovengenoemde vergunning die is neergelegd in de Havenverordening heeft dus een
                    ander oogmerk en een aanvullend karakter op de inzamelvergunning van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>Ten slotte dient nog te worden vermeld, dat in het verleden in plaats van de
                    term “vergunning” de term “aanwijzing” werd gehanteerd, in oorsprong ontstaan
                    vanuit de Wvvs. Om verwarring te voorkomen met het begrip “aanwijzing” zoals dat
                    in andere artikelen wordt gehanteerd, en</al><al>omdat dit juridisch zuiverder is, is besloten voortaan de term “vergunning” te
                    hanteren, nu hetom een begunstigende beslissing op verzoek gaat.</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen</vet></al><al>De Scheepvaartverkeerswet regelt het toelatingsbeleid met betrekking tot het
                    varende verkeer. Voor het toelatingsbeleid tot de ligplaats, de ordening in de
                    haven, was in de Rhv 2010 géén specifiek artikel gewijd aan ernstig gevaar,
                    schade of hinder opleverende schepen. Artikel 4.7 beoogt om te komen tot een
                    goed havenbeheer en biedt tevens de</al><al>mogelijkheid om bij incidenten in te kunnen grijpen. Het kan namelijk voorkomen
                    dat het noodzakelijk is ten aanzien van schepen die ernstig gevaar, schade of
                    hinder of ernstigegevolgen voor de ordening veroorzaken of kunnen veroorzaken,
                    maatregelen te treffen. Dit artikel schept hiertoe de mogelijkheid. Deze
                    maatregelen kunnen van min of meer ingrijpende</al><al>aard zijn. Hierbij kan gedacht worden aan schepen die in brand staan, dreigen te
                    zinken of schepen waaruit gevaarlijke stoffen lekken. De maatregelen kunnen
                    variëren van het treffen</al><al>van noodvoorzieningen aan boord van het schip, tot - in het uiterste geval - het
                    verbieden van de binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. Het
                    verbieden van de binnenkomst in de haven kan in bijzondere gevallen door de
                    minister worden opgeheven, wanneer de minister het uit het oogpunt van
                    veiligheid en milieu doelmatiger acht voor een dergelijk schip</al><al>een haven aan te lopen dan op zee te blijven. Dit is geregeld in de Wet
                    bestrijding ongevallen Noordzee. De te treffen maatregelen en het verbod zullen
                    (zo nodig achteraf) schriftelijkworden meegedeeld.</al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Bunkercontrolelijst/ bunkeren</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op het bunkeren van zeeschepen. De in het artikel
                    genoemde bunkercontrolelijst is te vinden in zowel het ISGOTT als het ISGINTT
                    (zie definities). Gedownloade checklists kunnen worden gebruikt door de
                    betrokken schepen. Met het oogmerk om milieuverontreinigingen bij het bunkeren
                    te voorkomen wordt via de checklist door de betrokken partijen een aantal
                    praktische operationele afspraken gemaakt en onderlinge verantwoordelijkheden
                    vastgelegd, voordat begonnen mag worden met bunkeren.</al><al>Het artikel ziet erop toe dat tijdens de gehele bunkeroperatie deze afspraken
                    worden nageleefd. Ten behoeve van de handhaving van dit artikel is een
                    bewaarplicht van 24 uur voorgeschreven. In het vijfde lid is de mogelijkheid
                    opgenomen om van het gebruik van de bunkerchecklist ontheffing of vrijstelling
                    te verlenen. Ten slotte moet de schipper van het bunkerschip een melding doen
                    aan de havenmeester, zodat deze een actueel beeld heeft van de havenactiviteiten
                    uit het oogpunt van veiligheid en milieu. De wijze waarop dient te worden gemeld
                    zal geregeld worden in het Havenreglement dat het college vaststelt.</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Verbod terugpompen brandstofolie of smeerolie</vet></al><al>In incidentele gevallen komt het voor, dat er een verzoek wordt gedaan om
                    gebunkerde brandstofolie of smeerolie vanuit het zeeschip terug te pompen in een
                    bunkerschip. Vanwege het feit dat dit zelden voorkomt en het feit, dat er bij
                    een dergelijke operatie andere milieurisico’s kunnen optreden, is deze operatie
                    in principe verboden. Door deze verbodsconstructie met een
                    ontheffingsmogelijkheid kan in voorkomende gevallen getoetst worden of deze
                    operatie onder het stellen van beperkingen en voorschriften</al><al>milieuverantwoord plaats kan vinden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Deugdelijk afmeren</vet></al><al>Het eerste lid van artikel 4.10 bepaalt dat het verboden is te laden of te
                    lossen, tenzij het schip op deugdelijke wijze is afgemeerd. Door de formulering
                    "het is een ieder verboden" richt de norm zich niet alleen tot de kapitein,
                    schipper of exploitant. Door deze formulering kan
                            ook
                    degene die het schip laadt of lost vanaf de wal gehouden worden aan de
                    verplichting om het schip eerst deugdelijk af te (laten) meren.</al><al>In het artikel wordt bewust niet verder omschreven wat onder deugdelijk afmeren
                    wordt verstaan. Goed zeemanschap en bestaande richtlijnen, zoals onder andere de
                    Guidelines on Mooring van OCIMF (Oil Compagnies International Marine Forum) die
                    richting geven hoe een bepaald type schip dient af te meren, laten de
                    verantwoordelijkheid voor het afmeren in eerste instantie bij de kapitein of de
                    schipper.</al><al>In de praktijk komt het regelmatig voor dat een schip slechts op een spring is
                    afgemeerd en men vervolgens overgaat tot lossen of laden. Hierdoor bestaat het
                    gevaar dat lading in het oppervlaktewater wordt gemorst of materiële schade aan
                    schip of haveninfrastructuur ontstaat. Door het opnemen van de verplichting op
                    deugdelijke wijze af te meren, kan hiertegen worden opgetreden. Het schip moet
                    zodanig zijn afgemeerd dat het geen voor- of achterwaartse verplaatsing kan
                    ondergaan, met dien verstande dat enige beweging als gevolg van golfslag of
                    winddruk onvermijdelijk is en schade, anders dan door toedoen van menselijk
                    handelen, wordt voorkomen. Ten gevolge van veranderingen in de atmosfeer worden
                    schepen, ook in de haven, vaker geconfronteerd met zware stormen en extreme
                    weersomstandigheden. Dit heeft in het recente verleden regelmatig tot gevolg
                    gehad dat afgemeerde schepen van de wal of van afmeerboeien losbraken en door de
                    storm in de haven op drift raakten. Dit heeft inmiddels ook tot buitengewone
                    schade geleid.</al><al/><al>In het tweede lid, onder a, wordt voor alle zeeschepen die afgemeerd liggen in
                    het oliehavengebied voorgeschreven dat (minimaal) een sleeptros gebruiksklaar
                    dient te liggen of afgevierd dient te zijn tot op de waterlijn. Dit vereiste
                    zorgt ervoor dat een zeeschip door een of meerdere sleepboten kan worden
                    aangepakt en weggesleept kan worden, indien dit</al><al>noodzakelijk is in verband met een calamiteit aan de wal. Hierbij is het aan de
                    kapitein om vanuit goed zeemanschap zorg te dragen voor de meest optimale
                    locatie/belegging van deze tros op het schip, onder andere gelet op de richting
                    waarin het schip zal moeten wordenweggesleept. Het tweede lid onder a dekt alle
                    zeeschepen af die in het oliehavengebied afgemeerd zijn. Hiernaast bestaat voor
                    zeetankschepen, die bij een terminal bezig zijn met operationele handelingen van
                    gevaarlijke of schadelijke stoffen, ingevolgde de verplichtingen van de
                    ship/shore safety checklist de aanvullende eis, dat er zowel op het voor-als
                    achterschip een sleeptros aanwezig moet zijn.</al><al>In het tweede lid, onder b, wordt voor zeeschepen met een lengte van meer dan
                    120 meter voorgeschreven dat (minimaal) een sleeptros gebruiksklaar dient te
                    liggen of afgevierd dient te zijn tot op de waterlijn. Dit is van belang voor
                    een losgebroken schip dat door aangesnelde sleepboten, middels de sleeptros, kan
                    worden aangepakt en voor verder driften kan worden</al><al>behoed. Daarnaast kunnen ook bij deze schepen incidenten aan de wal, zoals
                    bijvoorbeeld een brand in een opslagloods, het overal in de haven noodzakelijk
                    maken dat het schip onmiddellijk moet worden aangepakt en versleept. Hierbij is
                    het aan de kapitein om vanuit goed zeemanschap zorg te dragen voor de meest
                    optimale locatie/belegging van deze tros</al><al>op het schip, onder andere gelet op de richting waarin het schip zal moeten
                    worden weggesleept.</al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Gebruik van ankers</vet></al><al>In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen
                    infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het
                    gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze
                    infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te
                    voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van een anker gebruik
                    te maken. Daarnaast is het in verband met de ordening in de haven niet
                    acceptabel dat naar eigen inzicht van de schipper of kapitein ten anker wordt
                    gegaan.</al><al>Het gebruikmaken van een anker is, op grond van onderdeel a en b van het eerste
                    lid, wel toegestaan indien ligplaats wordt genomen op aangewezen ligplaatsen of
                    ankergebieden. De aanwijzing kan zowel door verkeerstekens als door een ander
                    besluit van het bevoegd gezag plaats vinden.</al><al>Het gebruikmaken van een anker is, op grond van onderdeel c van het eerste lid,
                    wel toegestaan indien ligplaats wordt genomen aan afmeerboeien. Het anker mag
                    daarbij niet in de nabijheid van een boei of een paal worden neergelaten,
                    aangezien het anker de boei of paal zou kunnen beschadigen.</al><al>Tevens is het gebruik van een anker toegestaan, indien dit geschiedt door een
                    drijvende kraan en zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade
                    toebrengt aan de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of
                    oever- of kadeverdedigingswerken. Drijvende kranen werken doorgaans op een
                    zelfde locatie in de haven, waardoor bekend is of er ter plaatse veilig geankerd
                    kan worden.</al><al>Indien een drijvende kraan zijn anker wil gebruiken, dient dit gemeld te worden
                    aan de havenmeester. De wijze waarop dient te worden gemeld zal geregeld worden
                    het Havenreglement.</al><al>Dit artikel is gebaseerd vanuit de beheergrondslag van de verordening en bestaat
                    in aanvulling op en naast de eventuele anker- en afmeerbepalingen vanuit de
                    verkeersregelingen op basis van de scheepvaartverkeerswet en het BPR. Dit
                    betekent dat op basis van die wetgeving in geval van overmacht en nautische
                    beweegredenen (om schade aan schip en objecten in de omgeving te voorkomen
                    vanuit goed zeemanschap) het gebruik van een anker voor een bepaalde manoeuvre
                    wel is toegestaan, als de kapitein of schipper zich ervan vergewist dat er géén
                    kabels en leidingen aanwezig zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gebruik van spudpalen</vet></al><al>In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen
                    infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het
                    gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van
                    deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit
                    te voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van spudpalen
                    gebruik te maken. Daarnaast is</al><al>het in verband met de ordening in de haven niet acceptabel dat de schipper of
                    kapitein zijn spudpalen naar eigen inzicht gebruikt.</al><al>Het verbod geldt niet, indien dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse
                    aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 3.1,
                    aangezien ankeren en het gebruik van spudpalen op grond van het BPR is
                    gelijkgesteld. Ook het gebruik van spudpalen</al><al>op aangewezen ligplaatsen middels een ander besluit met een zelfde strekking als
                    een verkeersteken wordt toegestaan.</al><al>Aangezien het gebruik van spudpalen op overige locaties een steeds vaker
                    voorkomende situatie is, met name in de binnenvaart, is in het derde lid de
                    mogelijkheid tot ontheffing opgenomen. Voorlopig blijft deze toets noodzakelijk
                    omdat in tegenstelling tot drijvende kranen de aangevraagde locaties voor dit
                    spudpalengebruik in de haven sterk kunnen</al><al>variëren.</al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Verbod vast- en losmaken schepen</vet></al><al>Dit artikel bevat het algemene verbod tot het verrichten van diensten van een
                    bootman.</al><al>Schepen groter dan 75 meter moeten worden vast- en losgemaakt door een
                    bootman.</al><al>Schepen van 75 meter of kleiner die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten
                    eveneens door eenbootman worden vast- en losgemaakt. Deze grens van 75 meter
                    hangt samen met voorschriften voor loodsplichtige schepen die zijn opgenomen in
                    het Loodsplichtbesluit 1995.</al><al>Let wel: het betreft twee verschillende verplichtingen, maar het is logisch een
                    verband tussen die verplichtingen te leggen wat betreft de schepen waarvoor zij
                    beide gelden.</al><al/><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op het verbod diensten van
                    bootman te verrichten. De mogelijkheid om vast te kunnen maken door
                    bemanningsleden van het schip zelf is opgenomen voor gevallen waarbij geen hulp
                    van derden is vereist, bijvoorbeeld indien vanwege de afmetingen van het schip
                    het voorschrijven van professionele hulp niet redelijk zou zijn. Het oprekken
                    van de mogelijkheden om “met eigen bemanning los en vast te maken” zou immers
                    kunnen leiden tot het ontstaan van semi-roeiersmaatschappijen, zonder daartoe
                    opgeleid personeel, met als gevolg veiligheidsrisico’s en onbeheersbaarheid van
                    het logistieke scheepsafwikkelingsproces (beschikbaarheid loodsen en slepers).
                    Voorts werkt een dergelijke verruiming onderbemand varen in de hand en bestaat
                    het gevaar dat de bemanningsleden de afmeerlocatie niet tijdig zullen bereiken.
                    Bovendien zou het beschikbaarheids- en kwaliteitsniveau van de bootmannen kunnen
                    worden aangetast. In onderdeel e is een uitzondering opgenomen voor marine- en
                    visserijschepen. Hiermee is een historisch gegroeide gedoogsituatie
                    gecodificeerd. Er dient overigens wel een melding aan de havenmeester te worden
                    gedaan. Gebeurt dat niet, dan is de uitzondering niet van toepassing en geldt
                    het verbod van het eerste lid. Dit artikel legt derhalve de verantwoordelijkheid
                    bij de kapitein van het schip om af te zien van het gebruik van bootlieden, mits
                    de kapitein dit tijdig meldt aan de havenmeester. De havenmeester kan echter,
                    wanneer bijzondere omstandigheden dit naar zijn oordeel toch vereisen, ad
                    hoc</al><al>besluiten via artikel 6.1 van de Havenverordening het gebruik van bootlieden
                    voor te schrijven door middel van een operationele aanwijzing.</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verrichten van werkzaamheden</vet></al><al>Artikel 4.14 geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen. In
                    het artikel van de Rhv 2010 werden alle werkzaamheden op of aan het openbaar
                    water geregeld.</al><al>Gebleken is dat dit niet wenselijk is, omdat werkzaamheden aan steigers, kades
                    en installaties aan het openbaar water geregeld zijn in de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht. In de nieuwe redactie van dit artikel is opgenomen
                    dat hieronder ook werkzaamheden vallen die buitenboord of onderwater aan een
                    schip plaatsvinden. Hiermee worden duikwerkzaamheden specifiek onder de werking
                    van dit artikel gebracht. Tevens vallen werkzaamheden die worden uitgevoerd aan
                    een voorwerp aan boord van een schip onder de werking van dit artikel.</al><al>Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in
                    een dok.</al><al/><al>Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning,
                    door bijvoorbeeld een reparatiefirma of door werknemers van de stuwadoor. Het
                    verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich
                    meebrengen. Het verbod</al><al>richt zich niet alleen op de kapitein of de schipper, maar tevens op alle andere
                    personen, door de toevoeging van de zinsnede “een ieder”. Zie voor een
                    toelichting hierop tevens de toelichting op artikel 1.10.</al><al>Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of</al><al>herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente
                    veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. Het criterium
                    ten aanzien van de aard van de werkzaamheden is dat hierdoor geen gevaar, schade
                    of hinder voor de omgeving kan ontstaan, hetgeen per reparatie afhankelijk is
                    van de omstandigheden van het geval. Voorts</al><al>zijn in het eerste lid de voorwaarden opgenomen, waaronder de werkzaamheden
                    dienen te worden verricht. Onder het regime van de Rhv 2010 maakten deze
                    voorwaarden deel uit vande ontheffing in de vorm van beperkingen en
                    voorschriften. Het ontheffingsinstrument is in het</al><al>onderhavige artikel vervangen door algemene regels, met dien verstande dat de
                    termijn vandrie dagen niet wordt overschreden en wordt voldaan aan de overige in
                    het artikel gestelde voorwaarden.</al><al/><al>Het eerste lid is ook van toepassing ten aanzien van de bedrijfsgereedheid van
                    het schip. Werkzaamheden aan bijvoorbeeld de voortstuwingsinstallatie mogen niet
                    leiden tot het belemmeren van de bedrijfsgereedheid voor een periode van meer
                    dan drie dagen. Verder wordt opgemerkt dat het verbod van open vuur en
                    vonkvorming en het bedrijfsklaar hebben van een schip in het oliehavengebied,
                    dat wordt geregeld in het Havenreglement, onverkort van kracht zijn. In lid 1,
                    onder b, ten 2° wordt deze uitzondering omschreven.</al><al>Verder wordt opgemerkt dat het verbod van open vuur en vonkvorming en het
                    bedrijfsklaar hebben van een schip in het oliehavengebied, dat wordt geregeld in
                    het Havenreglement, onverkort van kracht zijn.</al><al/><al>Onder het in het eerste lid, onder b, bedoelde tankschip wordt tevens begrepen
                    een combinatietankschip, dat is omgebouwd tot bulkcarrier en nog slechts
                    geschikt is voor het vervoer van droge lading. In de praktijk is gebleken dat in
                    deze van scheepstype veranderde schepen restanten van voormalig vervoerde
                    vloeibare lading achter kunnen blijven, welke bij</al><al>het uitvoeren van werkzaamheden met vuur kunnen leiden tot ongewenste
                    gevaarlijke situaties.</al><al/><al>In het tweede lid zijn de sloopwerkzaamheden opgenomen. Met slopen wordt bedoeld
                    het vernietigen van (een deel van) de scheepsconstructie. Het tweede lid is
                    opgenomen, aangezien sloopwerkzaamheden specifieke werkzaamheden zijn die niet
                    op het herstel van het schip gericht zijn. Sloopwerkzaamheden zijn verboden,
                    tenzij deze werkzaamheden plaats vinden bij een inrichting die beschikt over een
                    vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In bijzondere
                    gevallen kan op basis van het vierde lid ontheffing worden verleend,
                    bijvoorbeeld wanneer het noodzakelijk is om delen van een schip al te
                    verwijderen om het mogelijk te maken met dat schip een sloopwerf fysiek te
                    bereiken.</al><al>Indien de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing
                    worden aangevraagd op grond van het derde lid. Tevens kan een vrijstelling
                    worden verleend op basis van het derde lid. Hierbij valt onder andere te denken
                    aan doelgroepschepen, zoals bepaalde visserijschepen die met grote regelmaat
                    voor een iets langere periode regulier onderhoud plegen in de haven.</al><al>Ten slotte is in het vijfde lid een meldingsverplichting aan de havenmeester
                    opgenomen, met als doel een unieke toetsing van het criterium gevaar, schade of
                    hinder ten aanzien van de omgeving. De wijze waarop dient te worden gemeld wordt
                    geregeld in het Havenreglement.</al><al/><al><vet>Artikel 4.15 Ontsmetten van schepen</vet></al><al>Artikel 4.15 regelt het ontsmetten van schepen in de haven. Een verbod van
                    behandeling van lading van schepen met (bepaalde) gassen is opgenomen in de Wet
                    gewasbeschermingsmiddelen en biociden.</al><al>Het in het eerste lid opgenomen verbod is beperkt tot het nemen van ligplaats.
                    Tijdens hetgassen van ruimten aan boord van een schip kunnen risico's ontstaan
                    voor het havengebied.</al><al>In verband met de veiligheid van deze omgeving, is het noodzakelijk dat de
                    havenmeester instemt met het nemen van ligplaats door een schip en met het op
                    die bepaalde plaats verrichten van ontsmettingsactiviteiten in de haven.</al><al/><al><vet>Artikel 4.16 Bunkeren, overnemen van stores of afgeven van afvalstoffen aan
                        </vet><vet>zeetankschepen</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen, om zeker te stellen, dat niet dezelfde personen zich
                    tegelijkertijd bezighouden met verschillende operationele handelingen aan boord
                    van een zeetankschipmet gevaarlijke of schadelijke vloeistoffen. Deze
                    aanbeveling uit zowel de ISGOTT als de ISGINTT is middels dit artikel wettelijk
                    voorschrift en moet zorg dragen voor een veilige en verantwoorde afhandeling van
                    zowel ladingoperaties als genoemde operationele handelingen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.17 Veilige toegang</vet></al><al>Dit artikel is toegevoegd aangezien er zich in de havenpraktijk bij de betreding
                    van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voordoen.
                    Veilige toegang tot een schip was nergens geregeld, tenzij een schip uitsluitend
                    als een werkplaats werd gezien.</al><al>Voor dat geval waren in de Arbowetgeving algemene voorschriften opgenomen dat de
                    werkplek veilig moest kunnen worden betreden. Echter, er wordt niet altijd
                    gewerkt. Er wordt op een schip ook gewoond en geleefd en ook dan dient een schip
                    op veilige wijze te kunnen</al><al>worden betreden. Het motief voor het onderhavige artikel is gelegen in het wonen
                    en leven aan boord, met al het daartoe noodzakelijk maatschappelijk verkeer. In
                    dit artikel wordt als norm gesteld dat het schip over een toegang dient te
                    beschikken, waardoor in redelijkheid geen gevaar of schade voor personen kan
                    ontstaan.</al><al>Voor binnenschepen is het in sommige gevallen niet mogelijk of zeer onpraktisch
                    om een veilige toegang tot het schip te creëren. Enerzijds is dit het geval bij
                    laad- of loshandelingen.</al><al>Door het laden of lossen van lading aan boord van een binnenschip, kan het schip
                    aanzienlijk bewegen. In dit soort situaties kan een veilige toegang niet worden
                    gegarandeerd, sterker nog, een toegang is in dit soort gevallen juist onveilig.
                    Anderzijds meert een binnenschip soms kort af, bijvoorbeeld om passagiers of een
                    auto af te zetten. Om bij dit soort handelingen van een binnenschipper te eisen
                    dat hij een veilige toegang creëert, zou een</al><al>onevenredige belasting voor een binnenschipper opleveren.</al><al/><al><vet>§ 5 Nadere regels</vet></al><al><vet>Artikel 5.1 Het stellen van nadere regels door het college</vet></al><al>Aan de in dit artikel opgenomen delegatiegrondslagen wordt in het Havenreglement
                    uitvoering gegeven. In de Rhv 2010 waren de grondslagen verspreid over de
                    verschillende artikelen. In plaats hiervan zijn deze nu overzichtelijk in dit
                    artikel aangegeven. De genoemde grondslagen vormen de basis voor het college om
                    nadere regels te stellen.</al><al>In het artikel is een onderscheid gemaakt tussen regels, die het college stelt
                    in het eerste lid en regels die het college kan stellen in het tweede lid. In
                    het eerste lid zijn alle grondslagen opgenomen, die noodzakelijk zijn voor een
                    sluitend stelsel van regels ter waarborging van de ordening, veiligheid, milieu,
                    omgeving of kwaliteit van dienstverlening in de haven ter</al><al>voorkoming van gevaar, schade of hinder.</al><al/><al>In het tweede lid zijn de grondslagen opgenomen, die, afhankelijk van de
                    plaatselijke situatie en omstandigheden, nodig kunnen zijn. In die gevallen kan
                    het college besluiten deze regels te stellen.</al><al>Het verschil zit in het feit dat het in het eerste geval gaat om een opdracht
                    van de raad en in het tweede geval om een bevoegdheid van het college.</al><al/><al><vet>§ 6 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 6.1 Aanwijzingen</vet></al><al>Op basis van dit artikel kan het college aanwijzingen geven in het belang van de
                    ordening en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het
                    scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar,
                    schade of hinder.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt gestraft
                    met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie
                    op grond van artikel 154 van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 6.3 Toezichthoudende ambtenaren</vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthoudende ambtenaren aangewezen. De bepaling
                    gaat over de aanwijzing van personen belast met het toezicht op de naleving. In
                    artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht is de bevoegdheid van de
                    toezichthouder tot het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden
                    geregeld. In artikel 5:18 Algemene wet bestuursrecht is de bevoegdheid van de
                    toezichthouder om zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan
                    monsters te nemen, opgenomen.</al><al/><al>Ten aanzien van de aanwijzing van opsporingsambtenaren wordt opgemerkt dat in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordening zijn belast met
                    het toezicht op de naleving daarvan, een en</al><al>ander voor zover de personen zijn beëdigd. De toezichthouders die zijn
                    aangewezen in dit artikel, beschikken derhalve tevens over
                    opsporingsbevoegdheden. Aangezien buitengewoon</al><al>opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen,
                    is een nadere regeling in deze verordening niet nodig; de aanwijzing als
                    toezichthouder is de grondslag hiervoor. De buitengewoon opsporingsambtenaren
                    dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de eisen
                    van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen. Tevens dienen zij te zijn
                    beëdigd door de directe toezichthouder.</al><al/><al>De plicht tot medewerking is in algemene zin geregeld in artikel 5:20 Algemene
                    wet bestuursrecht: "een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door
                    hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
                    redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden". Deze
                    plicht beoogt alle denkbare vormen van medewerking te omvatten, met inbegrip van
                    het verstrekken van inlichtingen en de afgifte van gevorderde gegevens en
                    bescheiden. In het tweede lid kunnen ook andere personen als toezichthouder
                    worden aangewezen; met name zal dit het geval zijn, indien betrokkenen niet
                    beschikken over opsporingsbevoegdheid.</al><al/><al><vet>Artikel 6.4 Betreden van woonruimten </vet></al><al>In artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat een
                    toezichthouder bevoegd is elke plaats te betreden met uitzondering van een
                    woning zonder toestemming van een bewoner. In artikel 6.4 wordt om die reden nu
                    slechts bepaald in welke gevallen toezichthouders of opsporingambtenaren bevoegd
                    zijn een woning binnen te treden, zonder toestemming van de bewoner, mits het
                    gaat om het toezicht in het kader van de veiligheid. De bevoegdheid tot het
                    binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Van de bevoegdheid
                    kan in principe alleen gebruik worden gemaakt indien een machtiging op grond van
                    de Algemene wet op het binnentreden is afgegeven. Opgemerkt wordt dat onder het
                    begrip "woning" tevens een woning aan boord van een schip moet worden
                    verstaan.</al><al/><al/><al><vet>§ 7 Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 7.1 Intrekken oude verordening</vet></al><al>In dit artikel wordt de Regionale havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010
                    ingetrokken met ingang van de datum dat de onderhavige verordening in werking
                    treedt. Zo ontstaat er geen vacuüm in het van toepassing zijn van regelgeving in
                    de haven.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2 Overgangsrecht</vet></al><al>In artikel 7.2 is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid is bepaald dat
                    de op basis van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010
                    afgegeven beschikkingen hun geldigheid behouden na inwerkingtreding van de
                    onderhavige verordening onder de destijds</al><al>geldende voorwaarden en beperkingen. Voorts zal een 3 jaar geleden afgegeven
                    vergunning met een geldigheidsduur van 5 jaar, ook onder deze nieuwe Regionale
                    Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012, nog 2 jaar zijn geldigheid
                    behouden.</al><al/><al>In het tweede lid is geregeld dat indien vóór het inwerkingtreden van de
                    Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012 aanvragen om toestemming
                    zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, deze aanvragen op grond van het
                    nieuwe recht wordenbehandeld.</al><al/><al>Het derde lid bepaalt dat als een bezwaarschrift is ingediend tegen een
                    beschikking om een toestemming die is gebaseerd op de Regionale Havenverordening
                    Noordzeekanaalgebied 2010, dit bezwaarschrift wordt afgehandeld met toepassing
                    van het bepaalde bij of krachtens de Regionale Havenverordening
                    Noordzeekanaalgebied 2012. In dat geval wordt het nieuwe recht dus
                    toegepast.</al><al/><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al>Op de bijgevoegde kaart is het Noordzeekanaalgebied aangegeven. Het is het
                    geheel aan wateren binnen de gemeentegrenzen, die openstaan voor de scheepvaart.
                    In bijlage 2 wordt vervolgens voor de gemeente aangegeven op welk deel van deze
                    wateren de Havenverordening van toepassing is.</al><al/><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al>Op de bijgevoegde kaart(en) is door middel van het als “haven” gemarkeerde
                    gebied aangegeven, op welk deel van de openstaande wateren binnen het
                    Noordzeekanaalgebied in de gemeente de Havenverordening van toepassing is.
                    Tevens is op deze kaart aangegeven</al><al>welke havenbekkens zich allemaal bevinden binnen het gebied “haven”. Dit is van
                    belang in verband met artikel 3.8, op grond waarvan het college op deze kaart
                    aangegeven havenbekkens kan aanwijzen waarvoor een invaarverbod geldt.</al><al/><al><vet>Bijlage 3</vet></al><al>Deze transponeringstabellen zijn opgenomen om aan te geven welke oude en nieuwe
                    artikelen met elkaar corresponderen, welke artikelen zijn verwijderd en welke
                    nieuwe artikelen zijn opgenomen</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>