<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR299600_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2012 - 2</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2012, 39</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012 - 2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, lid 1 en 3 en artikel 108, lid 2 Gemeentewet en artikel 8, lid 1 WWB</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-09-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-10-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB12.0161</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Toeslagenverordening WWB 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2012 - 2</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebbendezelfde betekening als in de Wet werk en
                                bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>de norm: de bijstandsnorm zoals gedefinieerd in artikel 5
                                        onder c van de wet;</al></li><li nr="d."><al>toeslag: een verhoging van de norm als bedoeld in artikel 25
                                        van de wet;</al></li><li nr="e."><al>minimumloon: het netto minimumloon als bedoeld in artikel 37
                                        van de wet;</al></li><li nr="f."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                        Wet op de huurtoeslag, evenals een woonwagen of een
                                        woonschip.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend geldt een
                                categorieaanduiding. De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 van de wet laten de toepassing van
                                artikel 18 eerste lid van de wet onverlet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening voorziet niet in een verlaging ten aanzien van
                                schoolverlaters zoals genoemd in</al><al> artikel 28 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 20% van het
                                minimumloon voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 10% van het
                                minimumloon voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens
                                woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het voorgaande wordt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar en 22 jaar op grond van artikel 29 van de
                                wet afwijkend vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag 10%
                                        van het minimumloon en voor een alleenstaande van 22 jaar
                                        15% van het minimumloon, als in diens woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande van 21 jaar én 22 jaar bedraagt de
                                        toeslag 5% van het minimumloon, als in diens woning één of
                                        meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen alseen ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder die
                                        aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 en een in aanmerking te nemen
                                        inkomen heeft van ten hoogste 80% van de bijstandsnorm voor
                                        gehuwden;</al></li><li nr="b."><al>een inwonend niet-studerend kind van 18 jaar of ouder die
                                        een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste het
                                        normbedrag genoemd in artikel 21, lid a of b, van de
                                        wet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van
                                    het minimumloon voor de gehuwden diemet één of meer anderen hun
                                    hoofdverblijf in dezelfde woonruimte hebben.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder die
                                            aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de
                                            Wet studiefinanciering 2000 en een in aanmerking te
                                            nemen inkomen heeft van ten hoogste 80% van de
                                            bijstandsnorm voor gehuwden;</al></li><li nr="b."><al>een inwonend niet-studerend kind van 18 tot 23 jaar die
                                            een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste
                                            het normbedrag genoemd in artikel 21, lid a of b, van de
                                            wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging wegens woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>15% van het minimumloon indien woning wordt bewoond waaraan geen
                                    woonlasten zijn verbonden, voor de alleenstaande, de
                                    alleenstaande ouder of de gehuwden;</al></li><li nr="2."><al>15% van het minimumloon indien geen woning wordt bewoond door de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden;</al></li><li nr="3."><al>de verlaging bedoeld in sub 1 en sub 2 van dit artikel vindt
                                    plaats op de toeslag en bij de categorie gehuwden vindt de
                                    verlaging plaats op de norm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bevoegdheid College</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening,
                            nadere regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                                2012<vet>-</vet>2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening treedt na haar bekendmaking in werking op de dag
                                    waarop de Wet afschaffing huishoudens inkomenstoets in werking
                                    treedt en werkt terug vanaf 1 januari 2012.</al></li><li nr="2."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de verordening wordt de
                                    Toeslagenverordening WWB 2012, door de raad vastgesteld in zijn
                                    vergadering van 19 december 2011, ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 17 september 2012.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening is tot stand gekomen als gevolg van de wetswijziging van de Wet
                    werk en bijstand 2012 (WWB) nadat de Wet Afschaffing Huishoudinkomenstoets in
                    werking is getreden. In de Wet Afschaffing Huishoudinkomenstoets zijn de
                    definities van gezin en middelen herzien met het oog op bijstand van gehuwden
                    met meerderjarige inwonende kinderen en alleenstaanden of alleenstaande ouders
                    met meerderjarige inwonende kinderen. Daarmee is de aanscherping van de
                    gezinsbijstand en de huishoudinkomenstoets zoals die per 1 januari 2012 gold te
                    niet gedaan. </al><al>De regering is van mening dat bij degenen die bloed- en aanverwanten in de
                    eerste graad zijn en die op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben er geen
                    sprake is van schaalvoordelen binnen de huishouding doordat zij alle algemene
                    noodzakelijke kosten van het bestaan zouden kunnen delen. Dit geldt alleen voor
                    gehuwden of daarmee gelijkgestelden en de <cursief>niet</cursief> zakelijke
                    relaties, zoals onderhuurschap, kostgangerschap of andere woonvormen
                    (studentenhuizen en woongroepen) én bloed- en aanverwanten in de tweede graad en
                    verder.</al><al>Bij zakelijke relaties gaat het om deelname aan het economische verkeer, waarbij
                    door een partij voor de te leveren prestaties (gebruik van woonruimte) een prijs
                    is bedongen en de andere partij voor die prestaties bereid is daarvoor een prijs
                    te betalen (huur). In de bijstand wordt, via inkomenskorting en/of via deze
                    verordening (toeslagenbeleid), rekening gehouden met de opbrengst van de ene
                    partij en de prijs die de andere partij betaalt. Naarmate de zakelijkheid
                    toeneemt, vermindert de financiële verstrengeling. </al><al>Hoewel bij zakelijke relaties in zekere mate de kosten van het bestaan kunnen
                    worden gedeeld, is er geensprake van een volledige financiële verstrengeling,
                    zoals die wel aanwezig is bij gehuwden en daarmeegelijkgestelden. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Er is voor gekozen om de begrippen die zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet
                    worden gewijzigd. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze elementaire begrippen in deze verordening verwijzen naar de definiëring in
                    de WWB, om alle misverstanden te voorkomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Categorieën</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In artikel 30 van de wet is bepaald dat de verordening een categoriaal karakter
                    moet hebben. </al><al>De normen zijn in de wet, achtereenvolgend in de artikelen 20, 21 en 22
                    onderverdeeld in de categorieën alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin. In
                    de verordening is ervoor gekozen om deze categoriale indeling te hanteren. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor belanghebbenden in de leeftijdscategorie 18 tot en met 20 jaar gelden de
                    normen als bedoeld in de wet. Ingevolge artikel 30 derde lid van de wet kan het
                    college slechts de norm verhogen in de gevallen als bedoeld in artikel 20,
                    eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b van de wet. </al><al>Deze verordening ziet daarom op belanghebbenden van 21 tot 65 jaar.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Op grond van artikel 30 vierde lid van de wet kan het college, de bijstand
                    afwijkend vaststellen als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en de
                    middelen van de belanghebbende noodzakelijk is. Om hierover bij de uitvoering
                    van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan, is de
                    individualiseringsplicht expliciet opgenomen. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Artikel 28 geeft het college de mogelijkheid om de normen voor schoolverlaters
                    die recentelijk de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding hebben beëindigd,
                    tijdelijk te verlagen. Bij de invoering van de WWB in 2004 is in Den Helder
                    ervoor gekozen om van deze verlagingsmogelijkheid geen gebruik te maken. </al><al>Daarom is in deze verordening geen nadere bepaling opgenomen dat ten opzichte
                    van belanghebbende niet gelijktijdig gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden,
                    bedoelt in de artikelen 28 en 29 eerste lid, zoals opgenomen in artikel 30,
                    tweede lid, onderdeel b. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Toeslagen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De hoogte van 20% van het minimumloon als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woonruimte geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft, is verplicht op grond van artikel 30, tweede lid, onderdeel
                    a van de wet.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van woonruimte levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten in uitgebreide zin kunnen worden
                    gedeeld. De kosten van onder andere huur, belastingen, verzekeringen, vastrecht
                    nutsbedrijven en dergelijke, zijn voor personen die woonruimte delen lager,
                    omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze
                    schaalvoordelen worden berekend op 10%.</al><al>Ingeval er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten wordt de
                    toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het
                    minimumloon. Dit is niet van toepassing als meerdere personen in een
                    hulpverleningsinstelling e.d. woonachtig zijn. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Artikel 29 van de wet geeft het college de bevoegdheid de toeslagen afwijkend
                    vast te stellen. Zonder afwijkende toeslag is het verschil met het minimumloon
                    niet of beperkt aanwezig en dat geeft een te geringe stimulans om werk te
                    aanvaarden. Reden om voor 21 en 22 jarigen een afwijkende toeslag te hanteren. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Zonder toepassing van dit lid zou een inwonend meerderjarig kind aangemerkt
                    worden als een anderwaarmee de woonlasten kunnen worden gedeeld en waarbij de
                    bijstandsgerechtigde ouder recht zouhebben op een toeslag van 10% van het
                    minimumloon. </al><al>In onderdeel a van dit lid is opgenomen dat wanneer het inwonende meerderjarige
                    kind studeert en daarmee aanspraak maakt op studiefinanciering én van wie het
                    inkomen niet meer bedraagt dan 80% van de bijstandsnorm voor gehuwden (inclusief
                    vakantietoeslag), dit kind <onderstreept>niet</onderstreept> wordt beschouwd als
                    een ander waarmee de woonlasten kunnen worden gedeeld. Daarbij is aangesloten
                    bij de WWB 2012 zoals die eerder per 1 januari 2012 in werking is getreden (vóór
                    de inwerkingtreding van de Wet Afschaffing huishoudinkomenstoets), de daarbij
                    behorende Toeslagenverordening WWB 2012 én de BBL (Beroepsbegeleidende leerweg). </al><al>Een persoon die een BBL-opleiding volgt (een zogenaamde BBL-er) wordt geacht per
                    week één dag per week naar school te gaan en vier dagen per week te werken. Hij
                    verdient hiermee een salaris welke gelijk staat aan 80% van het minimumloon. Dit
                    is vervolgens weer gelijk aan de bijstandsnorm voor gehuwden.</al><al>Een BBL-opleiding is een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding. Ondanks dat er
                    geen recht bestaat opstudiefinanciering, wordt een BBL-er wel gelijk gesteld aan
                    een studerende. </al><al>Indien de BBL-er, ongeacht de omstandigheden, meer verdient dan 80% van de
                    gehuwdennorm, wordt hij wél aangemerkt als een ander waarmee de woonlasten
                    kunnen worden gedeeld. </al><al>De bovengenoemde regel stimuleert het kind te studeren en inkomsten uit een
                    bijbaan te verwerven,zonder dat dit direct gevolgen heeft voor de uitkering van
                    de ouder bij wie het kind woonachtig is.</al><al>In onderdeel b van dit lid is vervolgens opgenomen dat een inwonende
                    meerderjarig kind tot 23 jaar watniet studeert, maar wat maandelijks een inkomen
                    heeft welke lager is dan de rijksnorm (inclusief vakantietoeslag) voor een
                    alleenstaande eveneens <onderstreept>niet</onderstreept> beschouwd wordt als een
                    ander waarmee dewoonlasten kunnen worden gedeeld. Wanneer het inwonende kind
                    aangemerkt kan worden als een alleenstaande ouder, geldt als grens de
                    alleenstaande oudernorm.</al><al>Bij het inwonende kind ouder dan 23 jaar is de hoogte van het inkomen niet meer
                    van belang. Dit kind wordt, ongeacht het inkomen, aangemerkt als zijnde een
                    ander waarmee de woonlasten kunnen worden gedeeld. Hierbij is het uitgangspunt
                    dat elk persoon van 23 jaar of ouder in ieder geval een inkomen kan verwerven
                    van minimaal de rijksnorm voor een alleenstaande plus 10% gemeentelijke toeslag. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Verlaging gehuwden</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Bij de toepassing van de norm voor gehuwden is al rekening gehouden met het feit
                    dat de gehuwden of daarmee gelijkgestelden de kosten van het huishouden volledig
                    kunnen delen met elkaar. Indien in de woonruimte nog een ander zijn
                    hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog
                    verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk
                    gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                    belanghebbenden zelf. </al><al>Ongeacht van het aantal andere personen dat in de woonruimte zijn hoofdverblijf
                    heeft, vindt een verlaging van 10% van de norm plaats. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Geldt hetzelfde als genoemd in artikel 3 lid 4.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Verlaging wegens woonsituatie</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Artikel 27 geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen
                    voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    heeft ten gevolge van zijn woonsituatie, waaronder het niet aanhouden van een
                    woning. Als aan de woonruimte geen woonkosten (kosten van huur of hypotheek)
                    verbonden zijn, is er sprake van lagere bestaanskosten. Uitgangspunt hierbij is
                    dat <cursief>niet</cursief> tegenover een derde woonkosten verschuldigd zijn.
                    Dit financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten is
                    vastgesteld op 15%, gebaseerd op het bedrag dat de minister van Infrastructuur
                    en Milieu (v/h ministerie VROM) hanteert als minimumbedrag bij het toepassen van
                    huurtoeslag (het zogenaamde normbedrag voor minimuminkomensklasse).</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Als door de belanghebbende in het geheel geen woonruimte wordt bewoond, wordt
                    hij/zij geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben
                    vanwege het ontbreken van alle woonlasten. </al><al>Gekozen is om deze situatie toch vergelijkbaar te stellen met een belanghebbende
                    die geen huur of hypotheeklasten heeft, daar een dakloze geconfronteerd wordt
                    met de hogere kosten van het op straat leven, zoals de kosten van nachtopvang.
                    De hoogte van de verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze
                    waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan
                    daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen dan wel de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De korting vindt plaats op de toeslag. Omdat in de situaties van de gehuwden
                    geen toeslag wordt verstrekt, vindt de korting plaats op de norm. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>