<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR29952_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid wonen Wet sociale werkvoorziening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuws Vlaams Advertentieblad, 4 juni 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid wonen Wet sociale werkvoorziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet sociale werkvoorziening, art. 7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-05-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale
            werkvoorziening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Terneuzen;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 april 2008;</al><al>gelezen de beleidsaanbeveling Loonkostensubsidie en Europese regelgeving
                        zoals genoemd in de Verzamelbrief april 2004 van het Ministerie van Sociale
                        Zaken en Werkgelegenheid;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 7, tiende
                        lid, van de Wet sociale werkvoorziening;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen
                        met betrekking tot het verstrekken van Persoonsgebonden budgetten;</al><al>Besluit vast te stellen de navolgende verordening”</al><al>Verordening Persoonsgebonden budget begeleid wonen Wet sociale
                        werkvoorziening</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het College van Burgemeester en Wethouders van
                                        de gemeente Terneuzen;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), zoals
                                        gewijzigd op 20 december 2007 (Staatsblad 2007, nr.
                                        564);</al></li><li nr="c."><al>persoonsgebonden budget: de loonkostensubsidie (periodieke
                                        subsidie) en overige aan de werkgever te verstrekken
                                        vergoedingen voor structurele kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt, voorzover
                                niet anders bepaald, hebben dezelfde betekenis als in de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening
                            verbonden uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het college stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de
                            rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor
                            elk te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende
                            kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt op aanvraag aan iedere SW-geïndiceerde die
                                daar recht op heeft een persoonsgebonden budget, indien werkgever en
                                begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de arbeidsplaats
                                voor de SW-geïndiceerde adequaat wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn onderneming staat (indien sprake is van een private
                                        onderneming) ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>de aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet
                                        op de indicatiestelling en mogelijkheden van de
                                        SW-geïndiceerde, als passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>de duur van het dienstverband bedraagt tenminste twaalf
                                        maanden, met een mogelijkheid tot verlenging;</al></li><li nr="d."><al>de werkplek en werkomstandigheden voldoen aan de geldige
                                        ARBO-normen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>de begeleidingsorganisatie (indien sprake is van een private
                                        onderneming) is ingeschreven bij de Kamer van
                                        Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>de begeleidingsorganisatie en / of haar medewerkers zijn
                                        gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep, c.q. de
                                        SW-geïndiceerde voor wie het persoonsgebonden budget is
                                        bestemd;</al></li><li nr="c."><al>de begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en
                                        ervaring in het werkveld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De eerste zes maanden fungeert de Gemeenschappelijke Regeling
                                Dethon als begeleidingsorganisatie.</al></li><li nr="b."><al>Als na verloop van zes maanden (nog) geen begeleidwerkenplek
                                        is gerealiseerd, kan het college overgaan tot inschakeling
                                        van een begeleidingsorganisatie die door betrokkene zelf is
                                        gekozen.</al></li><li nr="c."><al>Onverlet bovenstaande bepalingen van lid 4 onder a. kan een
                                        SW-geïndiceerde het college verzoeken om een door hem
                                        aangewezen begeleidingsorganisatie in te schakelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van dit
                                artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De wijze van vaststelling van de loonkostensubsidie aan de
                                werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op voorstel van de SW-geïndiceerde een
                                    loonkostensubsidie aan de werkgever beschikbaar stellen.</al></li><li nr="2."><al>De maximale loonkostensubsidie is het subsidiebedrag per
                                    subsidie-eenheid minus de uitvoeringskosten.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de te verstrekken loonkostensubsidie wordt onder
                                    andere op basis van de loonwaarde van de SW-geïndiceerde
                                    bepaald. Het College kan desgewenst de loonwaarde laten
                                    vaststellen aan de hand van een loonwaardeonderzoek. Daarbij kan
                                    een deskundige worden ingeschakeld.</al></li><li nr="4."><al>De loonkostensubsidie is een generieke regeling.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van dit
                                    artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden
                                herzien als hier, gelet op de ontwikkeling van de
                                arbeidsproductiviteit van de werknemer, aanleiding voor is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd als hier
                                gerede aanleiding toe is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De herziening van de loonkostensubsidie vindt onder andere plaats op
                                basis van een </al><al> loonwaardeonderzoek. Daarbij kan een deskundige worden
                                ingeschakeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoedingen aan de begeleidingsorganisatie vindt plaats op basis
                                van een overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken
                                van een begeleid werkenplaats komen alleen voor vergoeding in
                                aanmerking als dit leidt tot het totstandkomen van een
                                arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van dit
                                artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                                de omstandigheden waaronder arbied wordt verricht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige
                                    kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid
                                    wordt verricht als uit een arbeidskundig rapportblijkt
                                    dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn, deze
                                    persoonsgerelateerd zijn, en het niet redelijk is dat deze
                                    kosten door de werkgever worden gedragen.</al></li><li nr="2."><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en
                                    kosten voortvloeiend uit ARBO-wetgeving die de werkgever uit
                                    hoofde van normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer
                                    zou moeten maken komen niet in aanmerking voor vergoeding door
                                    het college.</al></li><li nr="3."><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van
                                    een dienstverband van minimaal twaalf maanden.</al></li><li nr="4."><al>Aanpassingen waarvan de kosten hoger zijn dan 10 % van de
                                    uitvoeringskosten ex artikel 2 van deze verordening komen niet
                                    voor een vergoeding in aanmerking. In dat geval wordt de
                                    arbeidsplaats niet als passend beschouwd.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan nadere regels stellen voor de wijze van
                                    uitbetaling van de vergoeding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Procedurele bepalingen</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen die verband houden met:</al><lijst><li nr="a."><al> het indienen van de aanvraag voor een persoonsgebonden
                                    budget;</al></li><li nr="b."><al> de beslistermijn;</al></li><li nr="c."><al> de inhoud van het besluit tot verlenen van het persoonsgebonden
                                    budget en de loonkostensubsidie;</al></li><li nr="d."><al> het vaststellen van de loonkostensubsidie;</al></li><li nr="e."><al>de verrekening van voorschotten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het
                                college van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn
                                voor de verstrekking van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever bewaart alle bewijsstukken die aan de
                                subsidieverstrekking ten grondslag liggen tenminste drie jaren na de
                                vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter
                                beschikking aan het college voor controledoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening persoonsgebonden
                            budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt direct na publicatie in werking en werkt terug
                            tot 1 juli 2008. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 22
                        mei 2008</ondertekening><ondertekening>Griffier, drs. T.A.M. Leeraert</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Toelichting bij de verordening</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat SW-geïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken voert de wet
                    enkele belangrijke wijzigingen door. Zo worden regie en sturing op de Wsw
                    nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee
                    gestimuleerd een visie te ontwikkelen om het doel van de wet, het realiseren van
                    aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de
                    SW-geïndiceerde, het beste te kunnen verwezenlijken.</al><al>Een tweede verandering heeft betrekking op het geven van meer rechten en
                    keuzemogelijkheden aan SW-geïndiceerden, waaronder het recht op een
                    persoonsgebonden budget (PGB) om begeleid werken te realiseren.</al><al>De wet verplicht gemeenteraden om bij verordening nadere regels vast te stellen
                    over de wijze waarop het College vormgeeft aan het PGB (artikel 7, tiende lid,
                    Wsw). Gemeenteraden moeten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet
                    deze verordening hebben vastgesteld. Pas op het moment dat de gemeenteraad de
                    verordening heeft vastgesteld, kunnen SW-geïndiceerden aanspraak maken op een
                    PGB. </al><tussenkop>Twee vormen van begeleid werken </tussenkop><al>Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door SW-geïndiceerden
                    bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de oude wet geregeld
                    in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. Bij deze
                    vorm van begeleid werken worden begeleid werkenplekken tot stand gebracht door
                    gemeente of schap. Deze wijze van tot stand brengen van begeleid werken blijft
                    ook onder de nieuwe wet bestaan.</al><al>Naast het begeleid werken dat door gemeente of schap tot stand wordt gebracht,
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via de figuur van het
                    persoonsgebonden budget (PGB). Tussen beide vormen van begeleid werken bestaat
                    een aantal verschillen. Zo is begeleid werken met een PGB als een recht voor
                    elke SW-geïndiceerde geformuleerd. Deze heeft recht op begeleid werken met een
                    PGB als de aanvraag aan de wettelijke eisen en de daarop gebaseerde
                    gemeentelijke voorwaarden voldoet. Bovendien ligt bij begeleid werken met een
                    PGB het initiatief bij de SW-geïndiceerde zelf. De SW-geïndiceerde, of iemand
                    namens hem, zal een PGB bij de gemeente moeten aanvragen en om dit te kunnen
                    doen zal hij zelf een werkgever en een begeleidingsorganisatie moeten aandragen
                    en de wijze van werkplekaanpassing moeten regelen, dan wel daar een voorstel
                    voor doen. Als een SW-geïndiceerde (of een door hem ingeschakelde
                    begeleidingsorganisatie) een werkgever vindt die hem een adequate werkplek
                    aanbiedt, de begeleiding op de werkplek adequaat wordt geregeld én de kosten van
                    begeleid werken binnen het beschikbare budget vallen, dan is de gemeente (na de
                    aanvraag te hebben beoordeeld) verplicht de wens van de SW-geïndiceerde te
                    honoreren. Iedere SW-geïndiceerde komt in beginsel in aanmerking voor begeleid
                    werken met een PGB. Voor personen op de wachtlijst geldt dat zij pas van het PGB
                    gebruik kunnen maken als zij op grond van hun plek op die wachtlijst aan de
                    beurt zijn voor een Wsw-plek. Voor het beroep op een PGB is geen begeleid
                    werken-indicatie van het CWI vereist. Hij of zij hoeft daarvoor dus niet een
                    positief advies begeleid werken te hebben gekregen. Een SW-indicatie volstaat.
                    Ook een SW-werknemer met een bestaand dienstverband kan dus een beroep doen op
                    een PGB.</al><al>Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente of schap wordt
                    georganiseerd en begeleid werken met een PGB is in principe uitsluitend gelegen
                    in de procedurele wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht.
                    Als de begeleid werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in beginsel geen
                    verschillen. Dit betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor begeleid
                    werken met een PGB zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de wijze waarop zij in
                    het algemeen het begeleid werken op dit moment organiseren. Dit geldt met name
                    voor de eisen die zij aan werkgevers, de werkplek en aan
                    begeleidingsorganisaties stellen.</al><tussenkop>De regeling van begeleid werken met een PGB</tussenkop><al>Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7, tweede tot en met
                    vierde lid van de wet. Artikel 7, tweede lid, Wsw regelt de voorwaarden om voor
                    een PGB in aanmerking te komen. De gemeente kan een verzoek van een
                    SW-geïndiceerde om voor een PGB in aanmerking niet weigeren, als: </al><al>De betrokkene al een Wsw-dienstbetrekking heeft of recht heeft op plaatsing
                    vanaf de wachtlijst;</al><al>De door de SW-geïndiceerde of de door hem aangedragen begeleidingsorganisatie
                    voorgestelde werkplek en begeleiding op de werkplek adequaat zijn;</al><al>De door de gemeente aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie en de
                    aan begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding, na aftrek van de voor de
                    gemeente rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten, niet
                    hoger zijn dan het (gemiddelde) budget dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats.
                    Komt het bedrag van de periodieke subsidie en de periodieke vergoeding van
                    begeleiding boven het budget uit dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats, dan is
                    het College niet verplicht om subsidie te verstrekken, maar mag het dat wel doen
                    (artikel 7, eerste lid, Wsw),</al><al>Het uitgangspunt van de wet is dat een SW-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Er bestaat geen recht op een bepaald budget. Het College
                    heeft de bevoegdheid om op grond van de wet en de voorwaarden in deze
                    verordening te toetsen of het aangevraagde bedrag voor het PGB nodig is om de
                    betreffende SW-geïndiceerde op een adequate wijze begeleid te laten werken, dan
                    wel dat zou kunnen worden volstaan niet een lager bedrag. Omgekeerd kan het
                    College, hoewel hij de toekenning van een dergelijke hogere aanvraag mag
                    weigeren, ook besluiten een hoger bedrag toe te kennen dan het beschikbare
                    bedrag.</al><al>Het PGB bestaat uit drie bestanddelen:</al><al>Een periodieke subsidie (loonkostensubsidie) aan de werkgever waar de
                    SW-geïndiceerde in dienst is. Deze subsidie is primair bedoeld als een
                    tegemoetkoming in de loonkosten in verband met de geringere
                    arbeidsproductiviteit. Ook kan deze subsidie worden gebruikt als een vergoeding
                    voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst
                    hebben van een SW-geïndiceerde. Daarbij kan worden gedacht aan reiskosten of
                    kosten voor intermediaire activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele of
                    auditieve handicap (zoals een voorleeshulp of een doventolk).</al><al>Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de begeleiding van
                    de SW-geïndiceerde verzorgt.</al><al>Een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                    omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht (artikel 7, derde lid, Wsw).
                    Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden voor technische
                    aanpassingen in de werkplek. Gemeenten kunnen deze vergoedingen verstrekken, ze
                    zijn daartoe niet verplicht.</al><al>Het PGB is geen rugzakje: de SW-geïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite
                    moet het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een
                    persoonsvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de SW-geïndiceerde, maar
                    de subsidie en vergoeding worden verstrekt aan de werkgever respectievelijk de
                    begeleidingsorganisatie.</al><al>De SW-geïndiceerde heeft, zoals gezegd, geen recht op een bepaald budget. Het
                    uitgangspunt van de wet is dat een SW-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Enerzijds bestaat er dus een recht op een PGB, anderzijds
                    heeft het College de verantwoordelijkheid voor het zo efficiënt en effectief
                    inzetten van publieke middelen en het realiseren van de jaarlijkse
                    (rijks)taakstelling voor het realiseren van Wsw-plekken. Het bestaan van een PGB
                    ontslaat het College ook niet van de zorgplicht zoals die is geformuleerd in
                    art. 1 lid 3 van de wet.</al><tussenkop>De onderwerpen in de verordening</tussenkop><al>In artikel 7, tiende lid, Wsw staan de onderwerpen genoemd die de gemeenteraad
                    in ieder geval in zijn verordening zal moeten regelen:</al><al>de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te
                    worden vastgesteld;</al><al>de hoogte van de voor het College rechtstreeks aan de subsidieverlening
                    verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis;</al><al>de voorwaarden waaronder het College aan de werkgever een vergoeding verstrekt
                    voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden
                    waaronder arbeid wordt verricht, en; </al><al>de voorwaarden waaronder het College een begeleidingsorganisatie inschakelt die
                    door de SW-geïndiceerde zelf is aangewezen.</al><al>Naast deze vier verplichte onderwerpen kunnen gemeenten nog een aantal andere
                    zaken in hun verordening regelen of daaraan in ieder geval aandacht besteden als
                    ze het PGB gaan regelen. Het gaat dan om voorwaarden die de gemeente kan stellen
                    aan de werkgever en de werkplek van de SW-geïndiceerde. Het College zal bij elke
                    aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de werkgever de voorgestelde inpassing
                    in de arbeid adequaat kan verzorgen. In verband hiermee kan een gemeente eisen
                    stellen aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek. Omdat begeleid
                    werken met een PGB een recht is voor alle SW-geïndiceerden, zullen eventuele
                    voorwaarden waaronder dit recht kan worden gerealiseerd bij verordening moeten
                    worden geregeld.</al><al>Daarnaast kunnen ook procedurele bepalingen in de verordening worden opgenomen
                    die verband houden met het feit dat een PGB moet worden aangevraagd. Het gaat
                    dan om aangelegenheden als gegevens en documenten die bij de aanvraag voor een
                    PGB moeten worden overgelegd, de beslistermijn en de bevoegdheid van het College
                    om een subsidie te wijzigen. Er is voor gekozen om het College hiervoor nadere
                    beleidsregels te laten opstellen.</al><tussenkop>Onderscheid subsidies en vergoedingen</tussenkop><al>De wet maakt een onderscheid tussen subsidies en vergoedingen. De periodieke
                    betalingen door de gemeente aan een werkgever worden als een subsidie aangemerkt
                    en de periodieke betalingen aan de begeleidingsorganisatie als een vergoeding.
                    Ook de betalingen in verband met eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek
                    worden in de wet als een vergoeding aangemerkt.</al><al>Om vast te stellen of een bepaalde geldverstrekking een subsidie is (die op
                    basis van een beschikking wordt verstrekt) of een commerciële transactie
                    (waarvoor een overeenkomst wordt gesloten) doet de naamgeving van de
                    geldverstrekking niet ter zake. Als tegenover de betaling door de gemeente een
                    reële economische tegenprestatie staat (in de vorm van een concrete dienst of
                    concreet product), is er sprake van een commerciële transactie. Staat tegenover
                    de betaling door de gemeente geen duidelijke economische tegenprestatie, dan is
                    er sprake van een subsidie. Dit betekent dat de periodieke subsidie aan de
                    werkgever en de vergoeding voor de eenmalige kosten van aanpassing van de
                    werkplek moeten worden aangemerkt als een subsidie. Dit, ondanks de andere
                    terminologie (vergoeding) die het rijk hier aan geeft in de wet. Tegenover deze
                    betalingen staan immers geen economische tegenprestaties van werkgevers.</al><al>De periodieke vergoeding aan een begeleidingsorganisatie moet worden opgevat als
                    een commerciële transactie. De gemeente koopt een dienst in bij de
                    begeleidingsorganisatie en betaalt daarvoor in principe de marktprijs.</al><al>Het verstrekken van subsidies is een publiekrechtelijke rechtshandeling: het
                    vindt plaats op basis van een beschikking. De bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn in beginsel van toepassing op de subsidies die de
                    gemeente in het kader van het PGB verstrekt. In de verordening kunnen nadere
                    regels worden gesteld over de subsidieverstrekking in het kader van het PGB. De
                    verstrekking van periodieke vergoedingen aan een begeleidingsorganisatie is
                    privaatrechtelijk van aard. Hierover hoeven in de verordening in beginsel geen
                    regels te worden gesteld. Niettemin kan het om reden van transparantie en
                    explicitering van beleidsuitgangspunten gewenst zijn dit wél te doen.</al><tussenkop>De bevoegdheid om de verordening vast te stellen</tussenkop><al>De uitvoering van de Wsw gebeurt in praktijk op verschillende manieren, een
                    aantal gemeenten (vaak de grotere) voert de Wsw zelf uit. De meeste gemeenten
                    voeren de Wsw uit samen met andere gemeenten. In de meeste gevallen hebben de
                    gemeenten daarbij de uitvoering van de Wsw overgedragen aan een
                    gemeenschappelijke regeling, zo ook de gemeenten Hulst, Terneuzen en Sluis. Voor
                    gemeenten die zelf de Wsw uitvoeren ligt het vaststellen van een verordening
                    eenvoudig; dat is een besluit van de raad. Voor gemeenten die de uitvoering van
                    de Wsw hebben overgedragen aan een gemeenschappelijke regeling is dit complexer.
                    Het antwoord op de vraag wie dan bevoegd is om de (PGB)verordening vast te
                    stellen is afhankelijk van de wijze waarop de bestuursorganen van gemeenten op
                    dit momentbevoegdheden hebben overgedragen aan gemeenschappelijke
                    regelingen.</al><al>In de praktijk blijken veel van de bestaande gemeenschappelijke regelingen op
                    het terrein van de sociale werkvoorziening een of meer bepalingen te bevatten
                    die er op neerkomen dat alle (raads- en college)bevoegdheden als genoemd in de
                    Wsw automatisch worden overgedragen aan de gemeenschappelijke regeling. </al><al>In de huidige Gemeenschappelijke Regeling is in artikel 8 lid 1 opgenomen, dat
                    de bevoegdheden van het algemeen bestuur analoog zijn aan die welke in de
                    Gemeentewet zijn aangegeven voor de gemeenteraad.</al><al>Het is de vraag of dit een al dan niet gewenste situatie oplevert voor wat
                    betreft de bevoegdheid om de verordening PGB vast te laten stellen door het
                    algemeen bestuur van het schap. Vanwege de sterke regierol van de gemeenten die
                    in de moderniseringsplannen van de Wsw verankerd ligt het in afwijking van de
                    Gemeenschappelijke Regeling daarom voor de hand om de Raden van Sluis, Hulst en
                    Terneuzen de verordening formeel te laten vaststellen.</al><al>Overigens gaat de discussie over de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenten en
                    schap over meer aspecten van uitvoering van de Wsw dan alléén de vraag wie
                    bevoegd is om de (PGB) verordening vast te stellen.</al><al>Daar waar in de verordening gesproken wordt over de ‘gemeenteraad’ zal dus, als
                    sprake is van een bevoegdheid van Dethon gelezen moeten worden "het algemene
                    bestuur". Waar het College wordt genoemd moet dan "dagelijks bestuur" worden
                    gelezen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de wet voldoende
                    duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een uitgebreidere)
                    begrippenlijst is derhalve overbodig.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop> De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening </tussenkop><tussenkop>verbonden uitvoeringskosten</tussenkop><al>Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de voor het College rechtstreeks aan
                    de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
                    Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit
                    artikel wordt bepaald dat het College elk jaar de hoogte van de gemeentelijke
                    uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt. De gemeente zal
                    zelf moeten bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan een
                    SW-geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat
                    precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval
                    gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel
                    7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan kosten in
                    verband met de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>het beoordelen van aanvragen voor een PGB;</al></li><li nr="-"><al>de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van
                            subsidies en vergoedingen in het kader van het PGB;</al></li><li nr="-"><al>het monitoren van het begeleid werken met een PGB;</al></li><li nr="-"><al>het tussentijds bepalen van loonwaarde;</al></li><li nr="-"><al>het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en
                            werkgever.</al></li></lijst><al>De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per SW-geïndiceerde van het rijk ontvangt. Het bedrag dat de
                    gemeente (gemiddeld) per SW-geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de
                    (gemiddelde) uitvoeringskosten per SW-geïndiceerde levert vervolgens het bedrag
                    op dat de gemeente in beginsel beschikbaar heeft voor een PGB.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop> Invulling voorwaarden adequate werkplek</tussenkop><al>Het College zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de inpassing
                    in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek
                    adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, Wsw). In
                    verband hiermee kan een gemeente eisen stellen aan de werkgever (lid 2) en de
                    door hem aangeboden werkplek. In artikel 7, tiende lid, Wsw dient de
                    gemeenteraad in zijn verordening de voorwaarden te regelen waaronder het College
                    een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de SW-geïndiceerde is aangewezen
                    (lid 3).</al><al>Er wordt zoveel mogelijk geprobeerd aan te sluiten bij de wijze waarop zij op
                    dit moment begeleid werken organiseert. </al><al>En is bewust niet gekozen voor het formuleren van te stringente eisen aan de
                    begeleidingsorganisatie, daar dat zich niet verenigt met het, in beginsel, vrije
                    keuzerecht van een SW-geïndiceerde voor een dergelijke organisatie</al><al>Het vrije keuzerecht is in de eerste 6 maanden beperkt tot Dethon. De wet biedt
                    deze ruimte. Er is hiervoor gekozen om de kwaliteit van de begeleiding te
                    waarborgen. Het meest voor de hand liggende is dan om de SW-geïndiceerde in zijn
                    vertrouwde werkomgeving kan blijven werken.</al><al>De klant heeft de keuze uit twee of meer organisaties (lid 4 onder b).</al><al>Als Dethon (als begeleidingsorganisatie) zelf op zoek is gegaan naar een
                    begeleid werkenplek en/of de SW-geïndiceerde van mening is dat onvoldoende
                    resultaat is geboekt dan kan de SW-geïndiceerde het College verzoeken om een
                    door hem aangewezen begeleidingsorganisatie in te schakelen. Het kan zich dus
                    voordoen dat een SW-geïndiceerde ook gedurende de eerste 6 maanden zèlf een
                    werkgever en een andere geschikte begeleidingsorganisatie kiest (lid 4 onder
                    c).</al><al>Lid 5 maakt het mogelijk om nadere regels te stellen als het College van mening
                    is deze regels te verruimen of te beperken.</al><tussenkop>Artikel 4 De wijze van vaststelling van de loonkostensubsidie aan de </tussenkop><tussenkop>Artikel 4 De wijze van vaststelling van de loonkostensubsidie aan de </tussenkop><tussenkop>Werkgever</tussenkop><al>In dit artikel zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de
                    hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te worden vastgesteld
                    (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, Wsw). De periodieke subsidie bestaat uit
                    een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een vergoeding voor structurele
                    kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een
                    SW-geïndiceerde (bijvoorbeeld reiskosten of terugkerende kosten voor
                    intermediaire activiteiten).</al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in
                    de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de
                    SW-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie
                    moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de
                    betrokken SW-geïndiceerde. In alle gevallen wordt gebruik gemaakt van bestaande
                    methodieken voor inschatting van de loonwaarde als leidraad. In de praktijk
                    wordt de hoogte van de loonkostensubsidie bepaald door te onderhandelen (lid 1,
                    2 en 3). Ook het functieprofiel van de te vervullen functie en het daarbij
                    behorende (CAO)- loon maken vaak deel uit van dit proces. </al><al>Ten einde te voorkomen dat in het kader van Europese regelgeving sprake zou zijn
                    van een aanmeldingsplichtige steunmaatregel is in lid 4 opgenomen dat het gaat
                    om een generieke loonkostensubsidie. Dit betekent dat ieder bedrijf of
                    onderneming ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van
                    tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op loonkostensubsidie,
                    uiteraard zover aan de overige bepalingen van dit artikel wordt voldaan. </al><al>In nadere beleidsregels kunnen zaken worden vastgelegd als de doelgroepen en de
                    maximale vergoeding (lid 5).</al><tussenkop>Artikel 5 Herziening van de loonkostensubsidie</tussenkop><al>De productiviteit van een SW-geïndiceerde kan wijzigen, als deze persoon langer
                    op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de
                    loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de
                    productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, met
                    instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de loonkostensubsidie te
                    herzien (lid 1). De werkgever moet zijn verzoek om herziening met redenen
                    omkleden. Ook ambtshalve (lid 2) kan het College, als er een gerede aanleiding
                    is voor een (tussentijds) aanpassing van de subsidie, een hernieuwde beoordeling
                    voor de hoogte van het subsidie doen. Dit zal zich overigens alleen in
                    uitzonderlijke gevallen voordoen, bijvoorbeeld als er sprake is van kennelijke
                    onredelijkheid bij handhaving van een bestaande situatie. In de praktijk zal het
                    waarschijnlijk vaker voorkomen dat in de subsidiebeschikking aan de werkgever
                    wordt opgenomen hoe, en op welke wijze, (tussentijdse) herbeoordelingen van
                    loonwaarde zullen plaatsvinden. De herbeoordeling van de loonwaarde vindt plaats
                    op basis van een loonwaardeonderzoek (lid 3).</al><tussenkop>Artikel 6 De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie </tussenkop><al>De vergoedingen aan begeleidingsorganisaties vinden op basis van een
                    overeenkomst plaats (lid 1) en zijn in feite de uitkomsten van onderhandelingen
                    hierover.</al><al>Omdat de behoefte aan begeleiding van een SW-geïndiceerde op de werkplek van
                    geval tot geval kan verschillen, en mede afhankelijk is van de aard van de
                    handicap, zal in de praktijk de beoordeling van de omvang van de begeleiding
                    gebaseerd moeten zijn op maatwerk. </al><al>In het tweede lid is het principe no cure, no pay geregeld. De vergoeding voor
                    het zoeken naar een werkplek wordt pas gehonoreerd als dit ook daadwerkelijk
                    leidt tot een arbeidsovereenkomst. Het stelsel van de PGB gaat uit van de
                    veronderstelling dat een SW-geïndiceerde zelf met een werkgever aankomt. In de
                    praktijk komt het echter voor dat de begeleidingsorganisatie, c.q. het
                    reïntegratiebedrijf, eerst een werkplek moet gaan zoeken, omdat die op voorhand
                    niet beschikbaar is. Art. 7 lid 4 van de wet geeft dit ook aan. Lukt het zoeken
                    van een werkplek niet, of niet tijdig, en er zou toch voor die dienst moeten
                    worden betaald, dan is dat vanuit financieel oogpunt ongewenst.</al><al>Lid 3 maakt het mogelijk hierover nadere regels te stellen.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><tussenkop> Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van  aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid
                wordt verricht</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting om in de verordening
                    regels op te nemen die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder het College
                    aan de werkgever een vergoeding (subsidie) verstrekt voor de eenmalige
                    noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt
                    verricht (artikel 7, tiende lid, Wsw).</al><al>Het eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt. </al><al>Het tweede lid behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Het derde lid stelt een minimale duur van 12 maanden aan het dienstverband dat
                    de werkgever met de betrokken SW-geïndiceerde moet aangaan, alvorens tot
                    investeringen wordt overgegaan.</al><al>In het vierde lid wordt een maximum gesteld aan de hoogte van de vergoeding. De
                    gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit bedrag uitgaan de aangeboden
                    arbeidsplaats als niet passend moet worden beschouwd. In de praktijk zullen
                    hierbij van geval tot geval kosten en baten tegen elkaar moeten worden
                    afgewogen. Hier is sprake van maatwerk, waarbij het bedrag is gemaximeerd. Het
                    vijfde lid bepaalt dat het College de wijze van uitbetaling van de vergoeding
                    regelt. Daarbij kan worden gedacht aan de termijnen van betaling.</al><tussenkop>Artikel 8 Procedurele bepalingen</tussenkop><al>Artikel 8 regelt dat het College procedurele bepalingen bij nader besluit
                    (beleidsregels) kan vaststellen.</al><al>De SW-geïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen (sub a). Omdat begeleid werken
                    met een PGB leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het
                    verstrekken van een periodieke subsidie) en een contractrelatie met de
                    begeleidingsorganisatie (in verband met het verstrekken van een periodieke
                    vergoeding), zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de
                    SW-geïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen.</al><al>Op basis van de aanvraag beslist het College vervolgens of een periodieke
                    subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de
                    begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens
                    vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op
                    basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan
                    de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst. </al><al>Ook de beslistermijn (sub b) wordt door het College bepaald, alsmede de inhoud
                    van het individuele besluit (sub c).</al><al> Met het vaststellen van de subsidie (sub d) wordt de subsidieverstrekking voor
                    het betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande
                    jaar betaalde bruto CAO-loon van de SW-geïndiceerde, vermeerderd met alle
                    werkgeverslasten.</al><al>Tenslotte kan het College regelen op welke wijze verrekening van bevoorschotting
                    plaatsvindt (sub e). <vet>Artikel 9 Verplichtingen van de
                        werkgever</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 10 Hardheidsclausule</tussenkop><tussenkop>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kan
                    het college ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen. Van
                    deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te worden, om het
                    scheppen van precedenten tegen te gaan.</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 </tussenkop><tussenkop> Citeertitel</tussenkop><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 12 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening moet binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet zijn
                    vastgesteld, derhalve uiterlijk 1 juli 2008.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>