<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR299505_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2013, 3</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, lid 1 en artikel 18 Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB12.0219</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Afstemmingsverordening WWB 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebbendezelfde betekenis als in de Wet werk en
                                bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>bijstand: de algemene en bijzondere bijstand als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel b en d van de wet;</al></li><li nr="d."><al>de bijstandsnorm: de bijstandsnorm zoals gedefinieerd in
                                        artikel 5 onder c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van
                                        artikel 18, tweede lid van de wet;</al></li><li nr="f."><al>participatie-instrumenten: instrumenten die het college ter
                                        beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als
                                        bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de
                                        wet;</al></li><li nr="g."><al>participatietraject: een plan, bestaande uit een geheel van
                                        participatie-instrumenten, dat tot doel heeft om binnen een
                                        bepaald tijdsbestek te komen tot arbeidsinschakeling of
                                        zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="h."><al>zoekperiode: de periode van vier weken na de melding, waarin
                                        de belanghebbende jonger dan 27 jaar, aantoonbare
                                        inspanningen heeft gepleegd om werk te vinden of terug te
                                        keren naar school.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In overeenstemming met deze verordening wordt de bijstand verlaagd
                                indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of onvoldoende de verplichtingen voortvloeiende uit de
                                        wet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="c."><al>zich jegens het college zeer ernstig heeft misdragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en
                                kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                verlagingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het toepassen van de verlagingen in de praktijk wordt tweemaal per
                                jaar geëvalueerd in de commissie Maatschappelijke
                                Ondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Voor de bepaling van de hoogte van de verlagingen wordt, onverminderd
                            het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een categorie-indeling gehanteerd
                            op basis van de verwijtbare gedraging.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Eerste categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                        bedoeld in artikel 55 van de wet.</al></li><li nr="b."><al>Het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij
                                        het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen.</al></li><li nr="c."><al>Het zonder afbericht geen gehoor geven aan een schriftelijke
                                        uitnodiging in verband met een gesprek over
                                        participatie(mogelijkheden).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 15% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Tweede categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Gedurende de zoekperiode onvoldoende activiteiten of
                                        inspanningen plegen om algemeengeaccepteerde arbeid te
                                        vinden.</al></li><li nr="b."><al>Het onvoldoende meewerken aan het opstellen van het plan van
                                        aanpak met betrekking tot de arbeidsinschakeling in het
                                        kader van de gemeentelijke ondersteuning.</al></li><li nr="c."><al>Het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot scholing, arbeidsinschakeling dan
                                        wel maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="d."><al>Het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling
                                        van medische aard.</al></li><li nr="e."><al>Het niet dan wel onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden participatie-instrument, voor zover dit
                                        niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                        voortijdige beëindiging van het participatietraject.</al></li><li nr="f."><al>Het niet naar vermogen door het college opgedragen
                                        onbeloonde maatschappelijke nuttigewerkzaamheden te
                                        verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op
                                        reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                        arbeidsmarkt.</al></li><li nr="g."><al>Het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in hetbestaan door
                                        vermogen op onverantwoord snelle wijze in te teren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 30% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Derde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen.</al></li><li nr="b."><al>Het niet dan wel onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden participatie-instrument, voor zover dit
                                        heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                        beëindiging van het participatietraject.</al></li><li nr="c."><al>Het niet nakomen van de afspraken in het plan van aanpak met
                                        betrekking tot de arbeidsinschakeling in het kader van de
                                        gemeentelijke ondersteuning, waaronder begrepen het niet of
                                        onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van
                                        arbeidsbekwaamheid dan wel het niet of onvoldoende meewerken
                                        aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de
                                        arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="d."><al>Het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                        beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 50% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vierde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>Het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
                                        waaronder in ieder geval wordt verstaan het niet aanvaarden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid, verwijtbaar ontslag uit
                                        dienstbetrekking, het niet of te laat aanvragen van een
                                        voorliggende voorziening.</al></li><li nr="b."><al>Het stellen van onredelijke eisen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        belemmeren.</al></li><li nr="c."><al>Het zeer ernstig misdragen tegenover het college en de in
                                        zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers als bedoeld
                                        in artikel 18 tweede lid van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 100% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Uitvoeringsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de bijstand aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid vindt de verlaging van de bijstand
                                direct plaats als de bijstand in die maand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen vindt
                                de verlaging van de bijstand plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van
                                        een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al>voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of
                                        een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
                                        na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
                                hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
                                maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
                                bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
                                bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                                daartoe aanleiding geven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 onder
                                g wordt de bijstand verlaagd voor de duur dat redelijkerwijs met het
                                te snel ingeteerde vermogen in de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan voorzien had kunnen worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd evenals het
                                    bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>de maand(en) waarin de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het een eerste verwijtbare gedraging betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van het uitvoeren van de verlaging van de
                                bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende
                                redenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt éénmaal een
                                verlaging toegepast. Indien voor schending van die verplichtingen
                                verlagingen van verschillende percentages gelden, wordt de verlaging
                                met het hoogste percentage toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wetgenoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                                verlagingen worden gelijktijdig toegepast, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heroverweegt de verlaging van de bijstand bedoeld in
                                artikel 5 onder g en 9 vierde en vijfde lid, als de verlaging wordt
                                toegepast voor een periode van meer dan drie maanden, binnen de
                                termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
                                verlaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van de belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                beëindiging of voortzetting van het toepassen van de verlaging van
                                de bijstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van het toepassen
                                van de verlaging van de bijstand het percentage van de verlaging
                                verdubbelen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2 tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bevoegdheid College</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening,
                            nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor lopende onderzoeken die betrekking hebben op verwijtbare
                                    gedragingen vóór 1 januari 201<vet>3</vet>, geldt dat deze
                                    gedragingen zullen worden beoordeeld conform het gestelde in de
                                    Afstemmingsverordening WWB 2012, die geldt vanaf 1 januari
                                    2012;</al></li><li nr="2."><al>Voor de beoordeling van recidive op grond van deze verordening
                                    geldt dat alle al vastgestelde besluiten tot verlaging van de
                                    bijstand op grond van de Afstemmingsverordening WWB 2012<vet>,
                                    </vet>zoals die van toepassing was vóór 1 januari 2013,
                                    meetellen bij de beoordeling van recidive.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB
                            2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na haar bekendmaking treedt de verordening in werking op 1
                                    januari 2013.</al></li><li nr="2."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening is
                                    ingetrokken de Afstemmingsverordening WWB 2012, door de raad
                                    laatstelijk vastgesteld in zijn vergadering van 19 december
                                    2011.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 17 december 2012.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening is tot stand gekomen als gevolg van de wetswijziging van de Wet
                    werk en bijstand per 1 januari 2013. Uit deze wijziging vloeit voort dat bij het
                    schenden van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de Wet werk en
                    bijstand en artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de bijstand niet langer wordt afgestemd,
                    maar een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De Afstemmingsverordening is hierop
                    aangepast. </al><al>Uitgangspunten in deze verordening zijn dat het college op grond van artikel 18
                    WWB verplicht is de bijstand te verlagen bij het niet nakomen van de
                    verplichtingen zoals opgenomen in de verordening (en uitgewerkt in
                    beleidsregels) en dat maatwerk geleverd wordt bij het verlagen van de bijstand.
                    Wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    verlaging van de uitkering. </al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB. Tevens wordt in de verordening
                    “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip is in artikel 1:2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht gedefinieerd. </al><al>Bij de wetwijziging per 1 januari 2012 is in artikel 43 van de wet een periode
                    van vier weken na melding geïntroduceerd voor de jongere (tot 27 jaar) waarna
                    pas een aanvraag kan worden ingediend. Door het college dient dan in ogenschouw
                    te worden genomen wat de jongere in de vier weken na de melding heeft gedaan.
                    Deze periode van vier weken is als “de zoekperiode” benoemd. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Het toepassen van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De Wet Suwi en de WWB verbindt aan het recht op uitkering verschillende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18 tweede lid WWB).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB).</al></li><li nr="3."><al>Aanvullende verplichtingen (artikel 55 en 57 WWB).</al></li></lijst><al>Uit het oogpunt van de WWB is het recht op bijstand geen basisinkomen voor een
                    belanghebbende maar een voorwaardelijk recht, waaraan bij de toekenning
                    nadrukkelijk vorenstaande verplichtingen zijn verbonden. Wanneer de
                    verplichtingen niet worden nagekomen, wordt de bijstandsnorm verlaagd.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de verlaging dient
                    af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate
                    van verwijtbaarheid. </al><al>Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze bepaling
                    met zich mee dat het college bij afstemming zal moeten nagaan of, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende, afwijking van de hoogte en de
                    duur van de voorgeschreven standaard verlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaard verlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de aan de
                    arbeidsinschakeling en bijstandsverlening zijn ingedeeld in categorieën op basis
                    van de verwijtbare gedraging. Een gedraging wordt ernstiger naar mate de
                    gedraging concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid dan wel voor het niet bereiken van de doelstelling van een
                    participatietraject. </al><al>Ook hebben de categorieën een zekere “bandbreedte”. Niet elke gedraging binnen
                    dezelfde categorie is even ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect
                    zal in de afweging moeten worden betrokken, waarbij nadrukkelijk overwogen dient
                    te worden of de belanghebbende de gevolgen van zijn gedrag redelijkerwijs had
                    kunnen voorzien. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Eerste categorie</tussenkop><al>In deze categorie valt de weigering te voldoen aan de op grond van de artikelen
                    55 en 57 van de wet opgelegde nadere verplichtingen. De aanvullende
                    verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel
                    plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een later stadium, zodra de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende
                    verplichtingen, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het
                    recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden
                    met de aard en het doel van de bijstand (het kan bijvoorbeeld gaan om de
                    verplichting om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of om een
                    medische behandeling te ondergaan).</al><al>Daarnaast is in deze categorie opgenomen het zonder afbericht geen gehoor geven
                    aan een schriftelijke uitnodiging in verband met een gesprek over
                    participatie(mogelijkheden). Het gaat om gesprekken welke van belang worden
                    geacht om de mogelijkheden tot participatie te bespreken. Indien de
                    belanghebbende geen gehoor geeft aan deze oproep, kan niet beoordeeld worden óf
                    en zo ja, welke participatietraject kan worden ingezet.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Tweede categorie</tussenkop><al>De gedragingen in deze categorie behoren onder andere tot het niet of
                    onvoldoende meewerken in de voorfase van de arbeidsinschakeling dan wel de
                    minder positieve houding met betrekking tot de medewerkingsverplichting. </al><al>De in deze categorie opgenomen gedragingen zullen leiden tot vertraging van de
                    arbeidsinschakeling of het participatietraject. Van onvoldoende medewerking is
                    in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken in het kader van
                    arbeidsinschakeling/gemeentelijke ondersteuning verschijnt welke voor de
                    voorzetting van een reeds ingezet participatietraject noodzakelijk worden
                    geacht, opdrachten in het kader van het plan van aanpak of scholing niet naar
                    behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van diagnostisch
                    onderzoek. </al><al>Ook het niet of voldoende gebruik maken van een reeds aangeboden
                    participatie-instrument zonder dat dit leidt tot het geen doorgang vinden of tot
                    voortijdig beëindigen van het ingezette traject, behoort tot deze categorie.
                    Gedacht kan worden aan veelvuldige ziekmeldingen of afwezigheid tijdens een
                    traject, waarbij nog niet meteen besloten wordt tot beëindiging van het
                    traject.</al><al>In deze categorie is tevens opgenomen het niet naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te verrichten die
                    worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden
                    tot verdringing op de arbeidsmarkt. Omdat het niet nakomen van deze
                    verplichtingen geen belemmering vormen met betrekking tot (het komen tot) het
                    zelfstandig voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, is deze
                    gedraging in een lagere categorie geplaatst dan bijvoorbeeld het weigeren van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Een te snelle intering vermogen waardoor (eerder) een beroep op de bijstand
                    gedaan wordt is ook in de tweede categorie opgenomen. Bij de vaststelling of
                    vermogen onverantwoord is ingeteerd dienen de omstandigheden van betrokkene in
                    ogenschouw genomen te worden. 1,5 maal de relevante bijstandsnorm, eventueel
                    aangevuld met een bedrag aan ziektekostenverzekering, zal niet snel als
                    onverantwoord worden aangemerkt. Ook is het voorstelbaar dat – na een langdurige
                    periode van het voeren van een huishouden op het sociaal minimum – uitgaven met
                    betrekking tot vervanging van duurzame gebruiksgoederen niet bij beoordeling of
                    onverantwoord is ingeteerd, betrokken zullen worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Derde categorie</tussenkop><al>In deze categorie vallen de gedragingen welke belemmerend werken voor het
                    aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, het niet of onvoldoende meewerken
                    aan het behoud van werk. Het gaat in deze categorie om een negatieve houding en
                    gedrag van de belanghebbende ten aanzien van de arbeidsinschakeling en
                    participatie. Het gaat in deze categorie om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie maar met het belangrijke verschil dat de
                    gedragingen al gevolgen hebben (gehad) zoals bij voorbeeld het geen doorgang
                    vinden of afbreken van een participatietraject of de gemeentelijke
                    ondersteuning, het niet nakomen van gemaakte afspraken zoals opgenomen in het
                    plan van aanpak e.d.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Vierde categorie</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                            in het bestaan wordtin deze verordening verstaan: het nodeloos in
                            bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren. Hiertoe wordt in ieder
                            geval (niet limitatief) gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>verwijtbaar ontslag uit dienstbetrekking (nemen of
                                    krijgen);</al></li><li nr="-"><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>verkoop woning beneden de waarde;</al></li><li nr="-"><al>onderbedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="-"><al>niet of te laat aanvragen van voorliggende voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Door deze zeer negatieve houding wordt afgezien van de kans om geheel of
                            gedeeltelijk uit de bijstand te komen en blijft de
                            uitkeringsafhankelijkheid voortduren. </al></li><li nr="c."><al>Met zeer ernstig misdragen wordt vooral bedoeld agressief gedrag. Onder
                            “het college en in zijnopdracht werkende ambtenaren en medewerkers”
                            wordt niet alleen de consulent verstaan, maar ook de medewerker van de
                            receptie, de telefonist en iedere andere medewerker die namens het
                            college met de belanghebbende in contact treedt. </al><al>Onder agressief gedrag wordt verstaan: alle vormen van fysiek geweld,
                            van dreiging met geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar
                            geslacht, geloof of ras, seksuele intimidatie, vernieling en het dragen
                            van wapens of gevaarlijke voorwerpen. Als er sprake is van agressief
                            gedrag moet uitvoerig worden gerapporteerd over de exacte aard van het
                            gedrag en de omstandigheden waarin het zich heeft voorgedaan. </al><al>Voor de vaststelling van de ernst van de gedraging en de mate van
                            verwijtbaarheid (en daarmee dus ook voor de hoogte van het percentage
                            van de verlaging) vormen de omschrijvingen van agressief gedrag in het
                            “Veiligheidsprotocol gemeente Den Helder” het uitgangspunt. In dit
                            protocol worden de diverse gedragingen omschreven en is een
                            onderverdeling gemaakt naar ernst van gedragingen. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen
                            van aangifte bij de politie. Het college besluit tot verlaging, terwijl
                            de medewerker tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij
                            de politie. </al><al>Het verlagen van de bijstand wegens ernstig wangedrag laat de
                            bevoegdheid onverlet om de pleger gedurende een periode de toegang tot
                            het gebouw te ontzeggen. </al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 8 Berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat de verlaging plaats vindt op de
                    bijstandsnorm. Mogelijk ten overvloede wordt hierbij nogmaals gesteld dat onder
                    de bijstandsnorm wordt verstaan de van toepassing zijnde wettelijke norm
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging (zie artikel 4 en 5 van de
                    Toeslagenverordening WWB 2012) en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De 18 tot 21- jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op die lage jongerennorm zou worden
                    opgelegd, zou dat leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het afstemmen van de bijstand vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlagen van de bijstand kan in beginsel op twee manieren, te weten: met
                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering of door
                    middels van verlaging van de bijstandsnorm in de eerstvolgende maand(en). In
                    deze verordening is bewust gekozen voor de tweede manier, omdat in dat geval
                    niet overgegaan te worden tot herziening en terugvordering van bijstand. Om die
                    reden is in dit lid vastgelegd dat de verlaging ingaat per de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De verlaging vindt direct plaats in de situatie dat het besluit tot verlaging is
                    genomen (middels beschikking) en de uitkering nog niet is uitbetaald aan
                    belanghebbende. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Voornamelijk met betrekking tot de duur van de verlaging zijn door het college
                    beleidsregels opgesteld die specifiek betrekking hebben op de onverantwoorde
                    wijze van interen vermogen. Deze “categorie” van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan vormt daarom een
                    uitzondering voor wat betreft de duur van de verlaging. </al><al>Het derde lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub a)
                    en bij recidive binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan
                    hoogstens leiden tot een verlaging voor de duur van één kalendermaand, een
                    tweede gedraging tot maximaal twee kalendermaanden. Bepalend voor recidive is de
                    datum waarop de eerste gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de
                    belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn (dus de
                    verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging). </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Het besluit tot toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand als gevolg van een verwijtbare gedraging vindt
                    plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder
                    geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en
                    dan in het bijzonder het motiveringsbeginsel. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Afzien van het toepassen van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In artikel 18 tweede lid WWB is bepaald dat het college van een verlaging afziet
                    indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Dit lid regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid om bij een
                    eerste verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan. Uitgangspunt
                    blijft echter dat verwijtbaar gedrag in beginsel tot verlaging van de bijstand
                    leidt. Als wordt overwogen om met een waarschuwing te volstaan, moet dit
                    uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Een waarschuwing bij een eerste gedraging is
                    dus geen automatisme. Het zal in vrijwel alle gevallen gaan om relatief
                    onbeduidende gedragingen met geen voor het recht op, of de hoogte van de
                    bijstand directe gevolgen en/of van geringe mate van verwijtbaarheid. De
                    feitelijke gedraging moet wel worden omschreven in een waarschuwingsbeschikking
                    en telt gewoon mee bij recidive.</al><al>Bij iedere categorie gedragingen kan, met inachtneming van bovenstaande, in
                    beginsel met een waarschuwing worden volstaan. </al><al> Een andere reden om af te zien van het verlagen van de bijstand is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. In verband met de effectiviteit
                    (lik-op-stuk) is het nodig dat de verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden, wordt toegepast. Om deze reden is dan ook in dit lid geregeld
                    dat het college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan een
                    jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Om de verwijtbare gedraging toch niet als onopgemerkt voorbij te laten gaan,
                    wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete (nood)situatie en kan daarom niet
                    op voorhand worden vastgelegd. De (nood)situatie mag echter niet het gevolg zijn
                    van de verwijtbare gedraging. Als de belanghebbende door verwijtbaar ontslag in
                    ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van
                    de afstemming van bijstand af te zien. Die omstandigheden zijn immers het gevolg
                    van het verwijtbare gedrag. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive en in het kader van het motiveringsbeginsel (artikel 3:46
                    Awb). </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Indien door één gedraging meerdere verplichtingen tegelijkertijd worden
                    geschonden, wordt éénmaal een verlaging toegepast. Uitgegaan wordt dan van de
                    verlaging met het hoogste percentage. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het toepassen van meerdere verlagingen tegelijkertijd is mogelijk. Het dient dan
                    echter wel te gaan om verschillende gedragingen waarvoor een verlaging mogelijk
                    is. Bij samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen die schending van
                    één of meerdere verplichtingen tot gevolg hebben, dient het college de
                    percentages bij elkaar op te tellen (de zogenaamde stapeling). Bij de
                    beoordeling van de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid kunnen de
                    verschillende gedragingen uiteraard wel in onderlinge samenhang worden bezien.
                    Dit kan reden zijn om voor het geheel aan gedragingen een verlaging met een
                    lager percentage toe te passen. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Heroverweging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Artikel 18, derde lid, WWB bepaalt dat het college de verlaging van de bijstand
                    moet heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan
                    achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                    maanden is opgelegd. </al><al>Binnen drie maanden na het besluit tot verlaging van bijstand voor onbepaalde
                    duur moet het college beginnen met het onderzoek in het kader van de
                    heroverweging. Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden,
                    afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, in de situatie
                    van het niet nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen
                    van schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat belanghebbende wel voldoende
                    inspanningen heeft gepleegd om werk te vinden. In andere situaties kan het
                    noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de
                    gevraagde gegevens niet overlegt, of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt
                    de heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens, die veelal tot
                    voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een
                    beschikking. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan tweeledig zijn. Beëindiging van de
                    verlaging na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende laat blijken zich
                    inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de
                    verlaging was toegepast of aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de
                    opgelegde verplichtingen zal houden. </al><al>Van voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                    heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De
                    voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en
                    ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of onbepaalde duur. Bij
                    voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw een
                    heroverweging plaatsvinden. </al><al>Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting met vaststelling van een
                    lager percentage als de belanghebbende blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar
                    onvoldoende, te hebben verbeterd. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharing het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan een plan van aanpak of
                    participatietraject. Als hiervoor een verlaging is toegepast en belanghebbende
                    blijft medewerking weigeren, ook na een tweede verlaging van bijstand voor twee
                    maanden en na een derde voor onbepaalde duur, dan kan bij voortzetting het
                    percentage worden verdubbeld. Ook hierbij staat een zorgvuldige belangenafweging
                    voorop. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>