<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR299467_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Mill en St. Hubert;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        november 2008;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220i van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastingen 2009</vet></al><al>(Verordening onroerende-zaakbelastingen 2009).</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van binnen de
                        gemeente </al><al> gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al> a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        een </al><al> onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                        krachtens </al><al> eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te
                        noemen: </al><al> gebruikersbelasting;</al><al> b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        van een</al><al> onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, </al><al> verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al> a gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik
                        is </al><al> gegeven, aangemerkt als gebruik door diegene die dat deel in in gebruik
                        heeft </al><al> gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie
                        dat </al><al> deel in gebruik is gegeven;</al><al> b het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                        gebruik </al><al> aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking </al><al> heeft gesteld: degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld
                        is </al><al> bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter </al><al> beschikking is gesteld. </al><al>3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                        eigendom, </al><al> bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als </al><al> zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op
                        dat tijdstip geen </al><al> genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III </al><al> van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al>2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de warde die op
                        grond van </al><al> hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die
                        in </al><al> hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die
                        dienen tot </al><al> woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                        onroerende </al><al> zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak
                        waarbinnen het in </al><al> artikel 1 bedoelde kalenderjaar valt.</al><al>2 Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                        op de voet van </al><al> hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die </al><al> onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij
                        of </al><al> krachtens de artikelen 17, 18, 19, eerste lid en tweede lid, onderdelen b
                        en c, 20, tweede </al><al> lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten </al><al> aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling
                        van de in dat </al><al> artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al> a ten behoeve van de land- en of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                        cultuurgrond, </al><al> daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van </al><al> glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van </al><al> gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al><al> b glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                        van </al><al> gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                        bedoelde </al><al> grond;</al><al> c onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                        of voor </al><al> het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke
                        aard, </al><al> een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                        dienen </al><al> als woning;</al><al> d een of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de </al><al> Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1,
                        derde </al><al> lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de
                        daarop </al><al> voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al> e natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, </al><al> zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                        volledige </al><al> rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud
                        van </al><al> natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al><al> f openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                        en </al><al> ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al> g waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                        organen, </al><al> instellingen of diensten van publiekrechterlijke rechtspersonen, met
                        uitzondering van </al><al> de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al> h werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                        en die </al><al> worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                        publiekrechterlijke </al><al> rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die
                        dienen als </al><al> woning;</al><al> i werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                        dat </al><al> beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet
                        op </al><al> zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al><al> j onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                        publieke </al><al> dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende </al><al> zaken die zijn bestemd te worden gebruikt voor het geven van
                        onderwijs;</al><al> k straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen – </al><al> niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van
                        het </al><al> publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                        zoals </al><al> lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                        banken, </al><al> abri’s, hekken en palen.</al><al> l plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                        of </al><al> waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, </al><al> met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als </al><al> woning.</al><al> m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen
                        van </al><al> zodanige onroerende zaken die dienen als woning.`</al><al>2 De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                        bedoelde </al><al>2 onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                        gemeente van </al><al>2 die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf.</al><al>Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,134%</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><al> 1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,0916%</al><al> 2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,167%</al></li></lijst><al>2 Indien de heffingsmaatstaf beneden € 11.344,51 blijft, wordt er geen
                        belasting </al><al> geheven.</al><al>3 Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de
                        toepassing </al><al> van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                        verschuldigde bedragen </al><al> onroerende-zaakbelastingen aangemerkt als één belastingbedrag</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen </al><al> worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op
                            de laatste dag van </al><al> de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld </al><al> en de tweede twee maanden later. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van </al><al> automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                            aanslagen </al><al> moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn
                            vervalt één maand </al><al> na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                            termijnen telkens een </al><al> maand later.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Machtiging tot overdracht van bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het verlenen
                            van schriftelijke toestemming met betrekking tot het verdagen van de
                            uitspraak op het bezwaarschrift voor ten hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een of meer
                            gemeenteambtenaren aanwijzen die in zijn plaats treden met betrekking
                            tot de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing
                            en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verzending van aanslagen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat voor de
                        toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste
                        lid, van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) voor de betrokken in artikel
                        212, tweede lid, van de Gemeentewet (Stb. 1994, 762) bedoelde
                        gemeenteambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nakoming van verplichtingen</titel></kop><al>De verplichtingen bedoeld in de artikelen 47, 49 en 50 van de Algemene wet
                        inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en in de artikelen 58 en 60 van de
                        Invorderingswet 1990, dan wel bedoeld of van toepassing verklaard in de
                        algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 246a van de Gemeentewet,
                        gelden mede jegens de door het college van burgemeester en wethouders
                        aangewezen ambtenaren van de gemeentelijke belastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Rente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bepaalde in Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 inzake
                            invorderingsrente vindt toepassing op de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ministeriele regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet
                            1990 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al> 1 De “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2006” van 15 december 2005,
                        laatstelijk </al><al> gewijzigd bij raadsbesluit van 31 januari 2008, wordt ingetrokken met
                        ingang van de in </al><al> het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande
                        dat zij van </al><al> toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan.</al><al> 2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na die van
                        de </al><al> bekendmaking.</al><al> 3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.</al><al> 4 Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                        onroerende-zaakbelasting 2009”</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december 2008,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mw. S. de Best – Boere Mr. J.Th.C.M. Verheijen </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>