<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR29937_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuws Vlaams Advertentieblad, 1 juli 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, artt. 8, 19, 23 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-09-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Terneuzen;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 21 april 2009;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>overwegende dat de raad groot maatschappelijk belang hecht aan
                        inburgering;</al><al>Besluit vast te stellen de navolgende verordening:</al><al>Verordening Wet inburgering</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="b."><al>het college: het College van Burgemeester en Wethouders van de
                                    gemeente Terneuzen;</al></li><li nr="c."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Terneuzen;</al></li><li nr="d."><al>trajectplan: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                    door het college aan hem opgelegd geheel van activiteiten
                                    gericht op het inburgeren dan wel het verkrijgen van betaalde
                                    arbeid dan wel het participeren en integreren in de Nederlandse
                                    maatschappij;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt, voor zover niet
                            anders bepaald, hebben dezelfde betekenis als in de Wet inburgering (WI)
                            en de daarop berustende regelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                        doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en
                        plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang tot
                        inburgeringsvoorzieningen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij
                                bij voorrang een inburgeringsvoorziening of een
                                taalkennisvoorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                                criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>het ontbreken van economische zelfstandigheid;</al></li><li nr="b."><al>het ontbreken van actieve deelname aan informele verbanden,
                                        vrijwilligerswerk en</al></li></lijst></li></lijst><al>sport in combinatie met het niet spreken van de Nederlandse taal en het
                        hebben van een opvoedingstaak.</al><al>2 . Afgeleid uit deze criteria wordt aan de volgende groepen
                        inburgeringsplichtigen prioriteit gegeven bij het aanbieden van
                        inburgeringsvoorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>uitkeringsgerechtigden;</al></li><li nr="b."><al>niet uitkeringsgerechtigden met een opvoedingstaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college roept de inburgeringsplichtigen genoemd in artikel 3
                            schriftelijk op voor het doen van een aanbod voor een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In onderling overleg word(t)(en) de inburgeringsvoorziening(en) of
                            taalkennisvoorziening bepaald en schriftelijk vastgelegd in een
                            trajectplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het trajectplan wordt gezonden naar het adres waar de
                            inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is
                            ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het aanbod worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de
                            inburgeringsvoorziening zijn verbonden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt binnen
                            10 werkdagen, door middel van het ondertekenen van het trajectplan, het
                            college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college legt de voorziening vast door middel van een beschikking.
                        </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige het in het vijfde lid genoemde aanbod
                            weigert zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien er sprake is van zelfstandige voorbereiding op het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II
                            legt het college dit vast in een handhavingsbeschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van de
                            inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                            taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                            persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                            inburgeringsplichtige;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg voor
                            dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling wordt afgestemd. De voorzieningen uit de
                            Re-integratieverordening WWB kunnen ook voor deze trajecten worden
                            ingezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan, naast datgene
                            dat in de wet is geregeld, een of meer van de volgende onderdelen
                            bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>trajectbegeleiding, stage;</al></li><li nr="b."><al>kinderopvang, scholing, kosten van leermiddelen;</al></li><li nr="c."><al>persoonlijk inburgeringsbudget (PIB)</al></li><li nr="d."><al>overige kosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening(en), de
                                taalkennisvoorziening en het trajectplan;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                inburgeringsplichtige;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands
                                als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;</al></li><li nr="e."><al>in geval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving
                                van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet,
                                aanvangt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                        inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening de termijnen van betaling
                        vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de algemene
                        bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer van de
                        volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan het overeengekomen trajectplan;</al></li><li nr="b."><al>het nakomen van het overeengekomen trajectplan en de daarin
                                opgenomen afspraken;</al><al> het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands
                                als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                worden voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                            inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op
                            redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of
                            onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel
                            25, vierde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                            uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld
                            in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                            in artikel 8 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                            wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                            overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                            artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft
                            behaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                            artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft
                            behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere
                        beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening WI”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt direct na publicatie in werking en werkt terug tot 1
                        januari 2009. De verordening Wet inburgering vastgesteld op 5 april 2007
                        komt hiermee te vervallen.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 28 mei
                        2009.</ondertekening><ondertekening>griffier (wnd.), drs. T.A.M. Leeraert</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. </al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. Er is
                    voor gekozen om in de verordening alleen het kader vast te stellen voor een
                    adequate informatievoorziening door het college aan de inburgeringsplichtigen. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Het college kan hierover nadere besluiten nemen. Zo is het
                    mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen
                    bij een centraal informatiepunt of kunnen bepaalde organisaties (bijvoorbeeld
                    educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een
                    rol krijgen bij de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al><al>Bij informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan: het inrichten van een informatiepunt, het toezenden van
                    schriftelijk voorlichtingsmateriaal, het organiseren van
                    voorlichtingsbijeenkomsten of het inrichten van een digitaal informatiepunt op
                    de gemeentelijke website.</al><tussenkop>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op grond
                            een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                            socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.</al></li></lijst><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                    criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze twee groepen
                    inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI). Dit artikel
                    vorm de uitwerking van deze verplichting. De prioriteit voor de in dit artikel
                    genoemde doelgroepen is afgeleid van het beleidsplan Wet inburgering 2007-2011.
                    De prioriteit van inburgeren en van het re-integratiebeleid is werk boven
                    bijstand, snel richting duurzame arbeid, economische onafhankelijkheid:
                        <onderstreept>werk </onderstreept>staat centraal bij het al dan niet met
                    positief resultaat kunnen inburgeren. De groep waar in de gemeente de hoogste
                    prioriteit aan wordt gegeven bij inburgering zijn dan ook de
                    uitkeringsgerechtigden. </al><al>Omdat opvoeders (moeders) vaak de sleutelrol spelen bij het voorkomen van
                    achterstanden bij de jongste jeugd ligt de volgende prioriteit bij de groep niet
                    uitkeringsgerechtigden met een opvoedingstaak.</al><al>Het aangeven van deze prioriteiten wil niet zeggen dat er geen aanbod wordt
                    gedaan aan de overige inburgeringsplichtigen. Genoemde groepen zullen met
                    voorrang worden benaderd.</al><al>Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de genoemde groepen
                    die zijn aangewezen, aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen
                    van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de groepen die hij
                    aanwijst een inburgeringsvoorziening kan aanbieden. </al><tussenkop>Artikel 4 De procedure van het doen van een aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    het aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het
                    college het aanbod van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                    de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt
                    toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in
                    de GBA (vierde lid). Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid ontstaan over het
                    feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking hebben als de uiteindelijke
                    beschikking. Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat als
                    instemming met de beschikking tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het vijfde lid). </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie
                    bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente.
                    Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod worden
                    aangepast. </al><al>In het zevende lid is geregeld dat als een inburgeringsplichtige een aanbod niet
                    accepteert, hij zich dan zelfstandig zal moeten voorbereiden op het
                    inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan zal het college in een
                    dergelijke situatie een handhavingsbeschikking opleggen: een besluit op grond
                    van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moeten hebben behaald (drie en een
                    half jaar na aanvang van deze termijn). </al><tussenkop>Artikel 5 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling van
                    de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit
                    artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft
                    voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de
                    persoon toegesneden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening samen te
                    stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven dat het college een passende
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de passendheid van een dergelijke voorziening, kunnen de volgende
                    factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>de kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit;</al></li><li nr="-"><al>de maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen;</al></li><li nr="-"><al>de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen.</al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                    worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan
                    een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt
                    op grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling
                        <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is om arbeid om arbeid te
                    verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in deze
                    specifieke situatie geen re-integratievoorziening wordt aangeboden, kan de
                    gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
                    verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde inburgeringsvoorziening
                    (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van draagt het college op om er
                    voor te zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van de
                    uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of -regelingen ook
                    door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, kan het college
                    nadere afspraken maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of -regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                    inburgeringsplichtigen kan aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een
                    inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt
                    naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                    II en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen (artikel 19, derde lid, WI).
                    Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                    inburgeringsvoorziening (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende
                    faciliteiten die het college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan aanbieden worden hier een
                    aantal mogelijkheden genoemd. </al><tussenkop>Artikel 6 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                    inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                    beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval
                    in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening en de daaraan verbonden rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige worden vermeld (onderdelen a en b). De
                    inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
                    uitvoering van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 23,
                    eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van
                    de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder
                    andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet. In de beschikking wordt van deze termijn
                    alleen melding gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 7 van de verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening vaststelt voor een
                    oudkomer, dan moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen
                    waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat
                    (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drie en een half jaar ná
                    deze datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald.
                    Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                    inburgeringsplicht van start gaat. </al><tussenkop>Artikel 7 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Het
                    aantaal termijnen wordt afgestemd om de financiële omstandigheden van
                    betrokkene. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de
                    eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt
                    door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening
                    geregeld. </al><tussenkop>Artikel 8 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan
                    het college om de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                    inburgeringsplichtigen in het kader van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                    toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen vast. </al><tussenkop>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente heeft de
                    maximale boetebedragen in de verordening overgenomen, maar ze kan ook lagere
                    bedragen vaststellen. </al><al>Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete afstemmen op de ernst
                    van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.
                    Bovendien zal het college daarbij ook zonodig rekening houden met de
                    omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid,
                    WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                    bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of -regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><tussenkop>Artikel 10 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9 mogelijk
                    is. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen 12 maanden voordoen. Artikel 34, onderdeel d, WI
                    biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de bestuurlijke boete te verhogen van
                    maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het geval dat de inburgeringsplichtige
                    bij herhaling niet voldoet aan de verplichting binnen de gestelde termijn het
                    inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in artikel 10. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan kan het college hem een bestuurlijke boete
                    opleggen. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het eerste lid van artikel 10 het mogelijk dat het college
                    een hogere boete vaststelt. Het hier vastgestelde maximum bedraagt € 1000. Ook
                    in dat geval kan in de boetebeschikking een nieuwe termijn opgenomen worden
                    waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het tweede lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete van € 1000
                    in het tweede lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van
                    termijnen door de inburgeringsplichtige. </al><tussenkop>Artikel 11 Beleid</tussenkop><al>Het college kan voor de wijze van uitvoering van deze verordening eventueel
                    nadere beleidsregels vaststellen. </al><tussenkop>Artikel 12 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kan het
                    college ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen. Van deze
                    mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te worden, om het scheppen
                    van precedenten tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 13 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 14 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening werkt terug tot 1 januari 2009 tenzij de Wet inburgering anders
                    bepaalt. De handhavingstermijn van 3,5 jaar treedt conform het bepaalde in de
                    Wet inburgering op 1 juli 2009 in werking. Iedere inburgeraar die voor die tijd
                    een beschikking krijgt heeft een handhavingstermijn van 5 jaar.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>