<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR29926_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-9595.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3ddalfsen%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20140225%26epd%3d20140225%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad 24-02-2014 nr. 9595</dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 05-03-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=7:13">Algemene wet bestuursrecht, artikel 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>1e wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>24-12-2013, nummer 157</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van
                        de gemeente Dalfsen;</al><al/><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 april 2010,
                        nummer 47;</al><al/><al>gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>“Verordening commissie bezwaarschriften”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="c."><al>college: college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen, leges of de Wet
                                    waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>rechtspositionele en andere regelingen betreffende het personeel
                                    in dienst van de gemeente Dalfsen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken van
                            of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college, na de raad te hebben
                            gehoord, benoemd, geschorst en ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzitter en de leden ontvangen een door het college vast te stellen
                            vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                            ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                            aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                            termijn van vier jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te
                            worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag
                            nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de commissie
                            blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig
                            mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie draagt zorg voor bevestiging van ontvangst van het
                            bezwaarschrift. Hierbij wordt vermeld dat de commissie over het bezwaar
                            zal adviseren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na ontvangst van het bezwaarschrift vindt zoveel als mogelijk
                            bemiddeling plaats, voordat de zaak aan de commissie wordt
                            voorgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vanuit het secretariaat van de commissie worden hiertoe de nodige
                            handelingen verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de belanghebbenden niet akkoord gaat met bemiddeling of de
                            resultaten daarvan, wordt het bezwaarschrift, met de daarbij behorende
                            stukken, zo spoedig mogelijk ter advisering in handen van de commissie
                            gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, voor wat betreft het stellen van een termijn aan de
                                indiener;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden die een bedrag van € 500,- te boven gaan, is
                            vooraf machtiging van het college vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats, datum en tijdstip van de
                            zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                            gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                            Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken de
                            datum en/of het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor de datum van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend
                            orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat naast de voorzitter, dan wel
                        zijn plaatsvervanger, tenminste één lid van de commissie aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie
                            of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Algemene wet bestuursrecht
                            bestaat in de regel uit een digitale geluidsopname.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris maakt op basis van de geluidsopname een schriftelijke
                            samenvatting van het besprokene wanneer een belanghebbende hierom
                            verzoekt, het bestuursorgaan dat nodig acht voor zijn besluitvorming of
                            wanneer een gerechtelijke instantie daarom verzoekt in geval van een
                            (hoger) beroepsprocedure.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                            nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                            beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek
                            houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                            advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien
                            die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                            ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in artikel
                            14, en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader
                            verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een afschrift van het advies wordt, gelijktijdig met het uitbrengen
                            ervan, toegezonden aan belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn
                            van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb,
                            ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en
                            het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig
                            de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                        gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De ‘Verordening bezwaarschriftencommissie’, vastgesteld op 19 januari 2001
                        (in werking getreden op 22 februari 2001) en gewijzigd op 9 mei 2005 (in
                        werking getreden op 31 augustus 2005), wordt bij de inwerkingtreding van
                        deze verordening ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt daags na publicatie in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 31 mei 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. W.P.M. Urlings H.C. Lankman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Dalfsen in zijn vergadering van 1 juni 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Het college voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de burgemeester, de secretaris-directeur,</ondertekening><ondertekening>mr. W.P.M. Urlings drs. H. Zwart</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door de burgemeester van de gemeente Dalfsen op 1 juni 2010, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester voornoemd,</ondertekening><ondertekening>mr. W.P.M. Urlings</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een onafhankelijke adviescommissie. De gemeente Dalfsen heeft sinds haar
                    herindeling in 2001 een onafhankelijke commissie die adviseert over ingediende
                    bezwaarschriften. Ook de voormalige gemeenten Nieuwleusen en Dalfsen werkten al
                    met een onafhankelijke adviescommissie. </al><al>Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die moet worden gevolgd bij de
                    behandeling van een bezwaarschrift is het noodzakelijk om de bepalingen uit de
                    Awb en de verordening naast elkaar te plaatsen. In de artikelsgewijze
                    toelichting zijn zo veel mogelijk onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang
                    zijn in de behandelingsprocedure.</al><tussenkop>Bestuursorgaan</tussenkop><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 19
                    maart 2003 (LJN AF6023) is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet
                    alleen een adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening
                    zijn regels opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De
                    raad, het college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee
                    zeggenschap over de wijze waarop de commissie haar adviestaak jegens hen
                    uitoefent.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan.</al><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of
                    een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst
                    of bedrijf.</al><al>De commissie dient te beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, een commissielid of de voorzitter, maar ook klachten over de secretaris
                    moeten worden afgedaan door de commissie zelf.</al><al>Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale
                    Ombudsman.</al><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><tussenkop>Wet dwangsom en beroep</tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, onderdeel van de Awb, in werking
                    getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is deze wet op twee punten van
                    belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend, maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen één besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim
                    vijf weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste,
                    waardoor het lastig was op tijd het eerste bezwaarschrift af te handelen.</al><al>Daarnaast is de termijn voor het bestuursorgaan om te beslissen op een
                    bezwaarschrift, indien er een commissie is, verlengd van 10 naar 12 weken.
                    Verder is de termijn om de beslissing op het bezwaarschrift te verdagen verlengd
                    van 4 naar 6 weken. </al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen
                    goed inrichten, zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De
                    bezwaarschriftencommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een
                    beslissing op bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden
                    gemaakt tussen bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk
                    dat zij zo snel mogelijk de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen
                    van de ambtelijke organisatie; voor het bestuursorgaan is het van belang dat de
                    commissie rekening houdt met de vergadercyclus van bijv. het college en dat
                    adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting op de Modelverordening commissie
                    bezwaarschriften</tussenkop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente (de raad, het college en de burgemeester), ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    alleen de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester
                    hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen
                    van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in
                    de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                    betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een
                    commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde
                    bestuursorganen zijn overgedragen.</al><tussenkop>Artikel 2. Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>In het tweede lid is aangegeven over welke bezwaarschriften de commissie niet
                    adviseert. Daarbij gaat het om personeels-, belasting/leges- en WOZ-zaken. Deze
                    bezwaarschriften hebben betrekking op een zo specifieke materie, dan wel worden
                    hierover zulke grote aantallen bezwaarschriften ingediend, dat het wenselijk is
                    daarvoor een andere methodiek van afdoening te hanteren. Over de twee
                    laatstgenoemde zaken dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over
                    beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. </al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b, van de Awb)</al></li></lijst><al>In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor
                    bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de
                    raad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde
                    commissie.</al><al>Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een
                    bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch
                    stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een
                    adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen collegebesluiten.
                    Begin 2009 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken
                    en Koninkrijksrelaties de 'Staat van de dualisering' aan de Tweede Kamer
                    aangeboden. Daarin wordt een stand van zaken geschetst rond het proces van
                    dualisering in het lokaal bestuur. De staatssecretaris geeft hierin aan dat zij
                    de mogelijkheid dat raadsleden lid kunnen zijn van een adviescommissie
                    bezwaarschriften uit de Gemeentewet wil schrappen. De staatssecretaris vindt dit
                    een onzuiver element in de verhouding tussen raad en college, omdat het geen
                    raadswerk betreft. Raadsleden krijgen op deze manier indirect de kans om op de
                    stoel van het bestuur te gaan zitten, terwijl de politieke verantwoording en
                    controle via de raad hoort te lopen.</al><al>In de gemeente Dalfsen is gekozen voor een adviescommissie die volledig bestaat
                    uit leden die geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorganen van de gemeente.</al><al>Bij de beantwoording van de vraag voor welke samenstelling van de commissie
                    wordt gekozen, moet voor ogen worden gehouden welk doel met de commissie wordt
                    nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen die de commissie vormen in
                    die mate vakkundig zijn dat er van de commissie goede adviezen te verwachten
                    zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die weten wat er speelt bij de
                    desbetreffende overheid (oud-bestuurders), maar ook aan deskundigen op het
                    gebied van geschillenbeslechting (juristen). De leden van de commissie moeten
                    gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. De taak van de
                    commissie is immers een bestuurlijke heroverweging, die naast de
                    rechtmatigheidstoetsing, toetsing van de doelmatigheid omvat.</al><al>Mogelijke voordelen externe commissie
                    (juristen/deskundigen/oud-bestuurders):</al><lijst><li nr="-"><al>schijn van partijdigheid wordt vermeden;</al></li><li nr="-"><al>ontlasting van de werkdruk van het bestuursorgaan.</al></li></lijst><al>Mogelijke nadelen externe commissie:</al><lijst><li nr="-"><al>de gevolgde procedure kan voor de burger op een rechtsgang lijken: in de
                            meeste gevallen is er nog een rechtsgang in eerste aanleg mogelijk en in
                            hoger beroep bij de onafhankelijke rechter.</al></li><li nr="-"><al>formalisering procedure: bestuurlijk direct betrokkenen hebben meer
                            mogelijkheden om in de voorprocedure te komen tot praktische oplossingen
                            dan een geheel onafhankelijke commissie. Dit nadeel verdwijnt als de
                            vertegenwoordiger van het verwerend orgaan op de hoorzitting voldoende
                            mandaat heeft gekregen om indien gewenst toezeggingen te doen.</al></li></lijst><al>Door de bepaling in het derde lid delegeert de raad de benoeming, de schorsing
                    en het ontslag van commissieleden aan het college, mits de raad hierover van
                    tevoren is gehoord. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien nodig het
                    functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid van de
                    commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de commissie
                    die hierop actie zal ondernemen, het is immers een zelfstandig bestuursorgaan.
                    De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf
                    ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt
                    voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken
                    hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het
                    college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het
                    functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg
                    hierover, wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een bezwaarschriftencommissie (gepubliceerd in JB
                    2009, 216). De aanleiding voor het ontslag was een vertrouwensbreuk. Met name in
                    de uitspraak van de Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op
                    de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te
                    ontslaan wegens een vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere
                    mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de
                    commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 4. Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5. Zittingsduur</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:11):</al><lijst><li nr="1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8).</al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie
                                    van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel
                                    6:9, tweede lid).</al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15):</al><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij
                                    het bezwaarschrift is ingediend. In de verordening is bepaald
                                    dat de commissie zorg draagt voor de bevestiging van de
                                    ontvangst. Hierbij wordt ook vermeld dat de commissie over het
                                    bezwaar zal adviseren.</al></li><li nr="2."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het
                    bestuursorgaan deze weg expliciet moet openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de
                    gemeente ook de mogelijkheid om een apart e-mail adres in te richten voor de
                    ontvangst van bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een
                    bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet
                    heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                    brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig
                    mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                    weken (artikel 7:10). </al><tussenkop>Artikel 7 Bemiddeling</tussenkop><al>Vanaf 2013 wordt alternatieve geschilbeslechting toegepast bij ingekomen
                    bezwaarschriften. Er worden gesprekken gevoerd waarbij alle belanghebbenden en
                    (vertegenwoordigers van) het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                    genomen aanwezig zijn. Deze gesprekken kunnen alleen plaatsvinden als alle
                    belanghebbenden hiermee instemmen. De ervaring leert dat in deze gesprekken soms
                    oplossingen bereikt worden, die binnen de formele bezwaarschriftenprocedure niet
                    goed mogelijk zijn (bijvoorbeeld een aanvrager die aanpassingen in een bouwplan
                    doorvoert). Vanuit het secretariaat van de commissie wordt voor deze gesprekken
                    een gespreksleider gefaciliteerd.</al><al>Bemiddeling sluit aan bij het project "Prettig contact met de overheid" van het
                    Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarin gesteld wordt dat ‘de informele
                    aanpak’, als pro-actieve en oplossingsgerichte aanpak, een voorwaarde is voor
                    behoorlijk bestuur is en daarbij ook nog leidt tot een meer efficiënte en
                    effectieve overheid (www.prettigcontactmetdeoverheid.nl). </al><al>Bemiddeling sluit ook aan bij het initiatiefwetsvoorstel "bevordering van
                    mediation in het bestuursrecht" waarin wordt gezegd dat een gerechtelijke
                    procedure wellicht wel de meest bekende, maar niet altijd de meest geschikte
                    manier van geschiloplossing is. Volgens dit wetsvoorstel is de doelstelling van
                    mediation om vanuit de belangen van partijen te komen tot een gezamenlijk
                    gedragen en voor ieder van hen optimaal resultaat. Uitgangspunt van de diverse
                    in wetgeving opgenomen oplossingsmethodes voor geschillen zou moeten zijn dat
                    bij voorkeur die methode wordt gekozen die het meest effectief en efficiënt is,
                    zo min mogelijk kosten meebrengt en waarbij zoveel mogelijk verantwoordelijkheid
                    bij de partijen zelf wordt gelaten. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33
                    727, nr. 3, p. 1-2). Hoewel het wetsvoorstel vooral regels geeft voor de
                    toepassing van (formele) mediation geldt deze doelstelling ook voor andere
                    vormen van alternatieve geschilbeslechting. </al><al>Als een (van de) belanghebbende(n) niet instemt met bemiddeling of de resultaten
                    hiervan wordt de zaak zo spoedig mogelijk voor advisering in handen van de
                    commissie gesteld.</al><tussenkop>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>Voor een doelmatige behandeling van de bezwaarschriften worden enkele
                    bevoegdheden van de bestuursorganen overgedragen aan de voorzitter van de
                    commissie. De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb
                    luiden als volgt.</al><al><cursief>Artikel 2:1, tweede lid</cursief></al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al><cursief>Artikel 6:6</cursief></al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. </al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al><cursief>Artikel 6:17</cursief></al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al><cursief>Artikel 7:4, tweede lid</cursief></al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al><cursief>Artikel 7:6, vierde lid</cursief></al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd, indien deze kosten een bedrag van € 500,- te
                    boven gaan. Dit bedrag is vanuit het oogpunt van efficiency opgenomen. Uiteraard
                    mag het niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing het werk van de
                    commissie frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al><cursief>Ad d.</cursief></al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar
                    van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden. Partijen
                    kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun (pleit)aantekeningen op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier bevestigd te krijgen.</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen
                    van mr. H. Piefers : “<cursief>Horen en adviseren door een onvolledige
                        bezwaarschriftencommissie”.</cursief></al><tussenkop>Artikel 13. Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><tussenkop>Artikel 14. Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzondere persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat van het horen
                    een verslag wordt gemaakt. Volgens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 1988-1989, 21221, nr. 3, p. 151) hangt van de omstandigheden van
                    het geval af in welke vorm het verslag wordt gegoten en hoe uitgebreid het is.
                    Aan de plicht tot verslaglegging kan op verschillende wijze vorm worden gegeven,
                    waarbij niet zozeer van belang is hóe hetgeen op een hoorzitting is gezegd wordt
                    vastgelegd, maar dát het wordt vastgelegd. </al><al>Tot op heden werd van iedere hoorzitting een schriftelijk verslag gemaakt, dat
                    aan het advies van de commissie werd toegevoegd. Dit terwijl relevante zaken die
                    tijdens de hoorzitting aan de orde komen, ook in het advies van de commissie
                    (nogmaals) tot uitdrukking worden gebracht. Hiermee heeft het afzonderlijke
                    verslag aan betekenis verloren.</al><al>Voortaan zullen alle hoorzittingen van de commissie worden opgenomen en wordt
                    alleen nog een schriftelijk verslag gemaakt als hierom door een belanghebbende
                    wordt verzocht (bijvoorbeeld als tijdens de hoorzitting nadere afspraken zijn
                    gemaakt), als het bestuursorgaan dat nodig acht voor zijn besluitvorming of
                    wanneer een gerechtelijke instantie daarom verzoekt.</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 18 Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al><cursief>Afronding van de procedure</cursief></al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 17 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 Awb is geregeld wat er daarna dient te gebeuren. Indien het
                    bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een heroverweging van het
                    bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan
                    wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de heroverweging daartoe
                    aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het
                    voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit nieuwe besluit treedt
                    daarmee in de plaats van het oorspronkelijke (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><tussenkop>Artikel 19. Jaarverslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen omdat vanuit het oogpunt van juridische
                    kwaliteitszorg het jaarverslag kan bijdragen aan het aan juridisch bewustzijn
                    van de bestuursorganen. De invulling van dit verslag is aan de commissie
                    gelaten. Voor de hand ligt dat wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn
                    ingediend, wat de werkvoorraad was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel
                    adviezen zijn uitgebracht, wat de adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels)
                    gegrond etc.) of het bestuursorgaan contrair heeft besloten, in welke gevallen
                    beroep wordt ingediend en wat de uitkomst van dit beroep is. Daarbij kan de
                    commissie algemene adviezen geven over de kwaliteit van de besluitvorming van de
                    bestuursorganen.</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit
                    ook in het jaarverslag vermeld.</al><al>Het jaarverslag is ook een instrument voor de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 20. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                    bezwaarschriften.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>