Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Velsen

Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVelsen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013
CiteertitelBesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet maatschappelijke Ondersteuning

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2009 komt te vervallen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

08-03-201316-02-2018nieuwe regeling

26-02-2013

De Jutter / Hofgeest, 7 maart 2013

B13.0074

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

  • College:

  • College van Burgemeester en Wethouders;

  • Verordening:

  • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013;

  • Wet:

  • Wet maatschappelijke ondersteuning.

2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen zoals genoemd in dit besluit dezelfde betekenis als in de Verordening, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Eigen bijdrage en eigen aandeel

  • 1.

    Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van hulp bij het huishouden.

  • 2.

    De bedragen en het percentage die gelden voor een eigen bijdrage of eigen aandeel zijn gelijk aan de bedragen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, Stb.2006 nr. 450, artikel 4.1, lid 1, zoals jaarlijks aangepast door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 3. Regels rond verstrekking en verantwoording persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen is gelijk aan de waarde van de goedkoopst compenserende voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering voor de periode van de gemiddelde economische levensduur.

  • 2.

    Alvorens het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, dient belanghebbende bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat het persoonsgebonden budget zal worden aangewend voor de bekostiging van het gewenste resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 3.

    Het college controleert steekproefsgewijs na afloop van de verstrekking van het persoonsgebonden budget dan wel na afloop van het kalenderjaar, of het persoonsgebonden budget is aangewend voor de bekostiging van het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.

  • 4.

    Bij het overlijden van een houder van een persoonsgebonden budget binnen de looptijd daarvan, dient de restwaarde (en de eventuele onbestede gelden voor onderhoud, reparatie en verzekering) door de erven te worden terugbetaald. Indien er sprake is van een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel, wordt de restwaarde bepaald op basis van hetgeen de erven bij verkoop van de voorziening hiervoor maximaal kunnen krijgen -hetzij via de zakelijke markt, hetzij via de particuliere markt.

  • 5.

    Indien een houder van een persoonsgebonden budget binnen de looptijd daarvan verhuist en daardoor geen compensatie door het college meer nodig is, dient de restwaarde (en de eventuele onbestede gelden voor onderhoud, reparatie en verzekering) te worden terugbetaald. Indien er sprake is van een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel, wordt de restwaarde bepaald op basis van hetgeen de houder van het persoonsgebonden budget bij verkoop van de voorziening hiervoor maximaal kan krijgen -hetzij via de zakelijke markt, hetzij via de particuliere markt.

  • 6.

    Overwegende bezwaren om geen persoonsgebonden budget te verstrekken zijn:

    • a. Het collectief vervoer kan in de vervoersbehoefte voorzien;

    • b. Op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden, bestaat het ernstige vermoeden dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget. In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten dat verstrekking van een persoonsgebonden budget plaatsvindt aan derden;

    • c. Belanghebbende zit in een schuldhulpverleningstraject, waaronder tevens begrepen een schuldsanering op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;

    • d. De verwachting is dat een voorziening noodzakelijk is voor een periode die korter is dan de economische levensduur;

    • e. In eerdere gevallen is gebleken dat belanghebbende niet aan de verplichting rond een persoonsgebonden budget heeft voldaan.

Artikel 4. Bedragen hulp bij het huishouden

  • Het 

    persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden bedraagt:

    • a. voor hulp bij het huishouden categorie 1, te weten huishoudelijke werkzaamheden, € 17,- per uur;

    • b. voor hulp bij het huishouden categorie 2, te weten huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met de organisatie van het huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden, € 19,- per uur.

Artikel 5. Bedragen vervoersvoorzieningen

  • De

    bedragen van een financiële tegemoetkoming voor een vervoersvoorziening zijn:

    • a. maximaal € 1.360- per jaar voor het gebruik van de eigen auto;

    • b. maximaal € 1.360- per jaar voor taxikosten;

    • c. maximaal € 2.040,- per jaar voor rolstoeltaxikosten;

    • d. maximaal € 379,- per jaar voor het gebruik van een gesloten buitenwagen;

    • e. maximaal € 879,- per jaar voor het gebruik van een bruikleenauto;

    • f. maximaal € 379,- per jaar voor vervoerskosten, als collectief vervoer alleen niet geschikt is.

Artikel 6. Bedragen woonvoorzieningen

  • 1.

    De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening is gelijk aan het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Een verstrekking voor verhuis- en herinrichtingskosten vindt plaats in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming bedraagt € 2.400,-.

Artikel 7. Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van dit Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen conform het CBS prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag volgend op de bekendmaking. Op de datum van inwerkingtreding vervalt het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2009.

Artikel 9. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als “Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013.”

TOELICHTING BESLUIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE VELSEN 2013

Algemeen

Dit besluit is mede gebaseerd op de bepalingen uit hoofdstuk 6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2013.

Deze verordening is in 2012 ontwikkeld om een juridische basis te leggen voor de nieuwe manier van werken binnen de Wmo: de Kanteling. Deze nieuwe manier van werken houdt in dat er niet meer wordt uitgegaan van de door de gemeente aangeboden voorzieningen, maar van de vraag van de belanghebbende. Daarbij staan de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende centraal.

  • De

    verordening gaat uit van acht te bereiken resultaten op basis waarvan bepaald wordt of het college moet compenseren:

    • a. een schoon en leefbaar huis;

    • b. wonen in een geschikt huis;

    • c. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

    • d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

    • e. het kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

    • f. zich verplaatsen in en om de woning;

    • g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;

    • h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 2. Eigen bijdrage en eigen aandeel

In de verordening staat in artikel 22 bepaald dat bij het verstrekken van een voorziening ten aanzien van de acht resultaten een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd kan zijn. Artikel 22 bepaald ook dat het college bevoegd is om de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast te leggen in het Besluit. De omvang van de eigen bijdrage of het eigen aandeel is afhankelijk van de leeftijd, het inkomen, de gezinssamenstelling en de kostprijs van de voorziening.

Artikel 3. Regels rond verstrekking en verantwoording persoonsgebonden budget

In de verordening is vastgelegd dat het college de hoogte van het persoonsgebonden budget vastlegt in het Besluit.

  • 1.

    Dit lid regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de verordening, van de goedkoopst compenserende voorziening. Als daar sprake van is kan verhoging plaatsvinden met een bedrag noodzakelijk voor onderhoud, reparatie en verzekering. Het persoonsgebonden budget wordt aangegaan voor de periode van de economische levensduur.

  • 2

    en 3. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden budget besteden conform de voorwaarden. Het is dus aan de raad en het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.

  • 4.

    Indien een houder van een persoonsgebonden budget overlijdt binnen de looptijd van dat persoonsgebonden budget, dienen de restwaarde en de eventueel onbestede gelden voor onderhoud, reparatie en verzekering door de erven te worden terugbetaald. Wanneer de houder van het persoonsgebonden budget een onderhoudscontract is aangegaan dat niet meer teruggedraaid kan worden, dan vallen de kosten hiervoor niet onder onbestede gelden. Indien er sprake is van een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel, wordt de restwaarde bepaald op basis van hetgeen de erven bij verkoop van de voorziening hiervoor maximaal kunnen krijgen -hetzij via de zakelijke markt, hetzij via de particuliere markt. Bij terugbetaling aan de gemeente dienen de erven een verkoopbewijs te overleggen zodat de restwaarde kan worden bepaald.

  • 5.

    Wanneer een houder van een persoonsgebonden budget verhuist, kan het zo zijn dat de compensatieplicht vervalt. Als dat het geval is dient de restwaarde (en de eventuele onbestede gelden voor onderhoud, reparatie en verzekering) te worden terugbetaald. Wanneer de houder van het persoonsgebonden budget een onderhoudscontract is aangegaan dat niet meer teruggedraaid kan worden, dan vallen de kosten hiervoor niet onder onbestede gelden. Indien er sprake is van een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel, wordt de restwaarde bepaald op basis van hetgeen de houder van het persoonsgebonden budget bij verkoop van de voorziening hiervoor maximaal kan krijgen -hetzij via de zakelijke markt, hetzij via de particuliere markt. Bij terugbetaling aan de gemeente dient de houder een verkoopbewijs te overleggen zodat de restwaarde kan worden bepaald.

  • 6.

    In artikel 19 van de verordening ligt vastgelegd dat het college bevoegd is om vast te leggen in welke situaties sprake is van overwegende bezwaren zodat er geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt.

Het is niet in alle situaties mogelijk om een persoonsgebonden budget te ontvangen. Allereerst wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt indien het collectief vervoerssysteem kan voorzien in de vervoersbehoefte. De keuzevrijheid tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget kan in dit geval leiden tot leegloop en ondergraving van het collectief vervoerssysteem.

Het is ook niet mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen als het ernstige vermoeden bestaat dat een aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de aanvrager een verslaving heeft die dagelijks functioneren bemoeilijkt, een ernstige schuldenlast heeft en problemen heeft bij afbetalingen, een zwervend bestaan leidt of veroordeeld is voor een vermogensdelict.

Indien de verwachting is dat een voorziening noodzakelijk is voor een periode korter dan de economische levensduur wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. Dit kan de gemeente namelijk op onnodige kosten jagen.

Ook als blijkt dat een belanghebbende in eerdere gevallen niet aan de verplichting rond een persoonsgebonden budget heeft voldaan, wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt.

Artikel 4. Bedragen hulp bij het huishouden

In dit artikel worden de bedragen genoemd voor het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden.

Hulp bij het huishouden 1 bestaat uit huishoudelijke werkzaamheden. Hulp bij het huishouden 2 bestaat uit huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met de organisatie van het huishouden.

Bij de vaststelling van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden is door de gemeente gekozen voor vaststelling op basis van het aantal geïndiceerde uren.

Artikel 17 van de verordening gaat ondermeer uit van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget. Omdat het persoonsgebonden budget bestaat uit een geldbedrag, mag uit de wettekst worden afgeleid dat dit geldbedrag vergelijkbaar moet zijn met het bedrag dat de gemeente betaalt voor de voorziening in natura. De budgethouder moet met het geldbedrag in staat worden gesteld dezelfde hulp in te kopen als de gemeente doet. Daarbij geldt wel, dat als men zelf iemand inhuurt, men een kleinere overhead heeft. Daarom wordt voor de vergoeding van de hulp bij het huishouden door de gemeente een uurtarief vastgesteld dat gebaseerd is op 80% van de gemiddelde kosten van zorg in natura zoals door de gemeente overeengekomen met de verschillende zorgaanbieders. De overhead ontbreekt namelijk niet volledig. Cliënten moeten verantwoording afleggen en een administratie bijhouden over de bestede gelden.

Artikel 5. Bedragen vervoersvoorzieningen

Artikel 5 legt een aantal bedragen vast voor vervoersvoorzieningen.

Artikel 6. Bedragen woonvoorzieningen

  • 1.

    In dit lid is geregeld hoe de financiële tegemoetkoming voor een woonvoorziening wordt vastgesteld. Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden. Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten van de architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht.

  • Door

    uit te gaan van de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per offerte andere kosten mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine verbouwing geen rol spelen.

  • 2.

    Dit lid legt vast welk bedrag verstrekt wordt als het gaat om een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten.

Artikel 7. Indexering

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting

Artikel 8. Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting

Artikel 9. Citeertitel

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting