<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR298773_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Steenbergse Bode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenbergen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BM1301226</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 april 2013;</al><al>gelet op: Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening;</al><al>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><tussenkop> Lid 1 Wet</tussenkop><al>Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop> Lid 2. College</tussenkop><al>College van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop> Lid 3 Compensatieplicht</tussenkop><al>De plicht van het college aan personen met een beperking, een
                                    chronisch psychisch of een psychosociaal probleem voorzieningen
                                    te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van
                                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen
                                    in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel
                                    en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                                    aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de wet het college de
                                    plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag
                                    gelden en dat in het individuele geval maatwerk is.</al><tussenkop> Lid 4 Belanghebbende</tussenkop><al>Een persoon met een aantoonbare beperking, een chronisch
                                    psychisch probleem of een psychosociaal probleem die behoefte
                                    heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn[1]
                                    deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig
                                    functioneren, die voor zichzelf of met behulp van een
                                    machtiging, door een ander of een wettelijk vertegenwoordiger
                                    een melding of een aanvraag doet of laat doen. Onder
                                    belanghebbende kan ook verstaan worden de mantelzorger(s).</al><tussenkop> Lid 5 Psychosociaal probleem</tussenkop><al>Een situatie van verlies van zelfstandigheid en, met name, een
                                    gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand ondervindt in
                                    zijn relatie met anderen en/of met zijn sociale
                                    omgeving[2].</al><tussenkop> Lid 6 Melding</tussenkop><al>Het door een belanghebbende, aan het college, kenbaar maken van
                                    een belemmering op het gebied van maatschappelijke participatie
                                    en/of het zelfstandig functioneren.</al><tussenkop> Lid 7 Aanvraag</tussenkop><al>Het verzoek van een belanghebbende aan het college, om in
                                    aanmerking te komen voor één of meerdere -individuele-
                                    voorzieningen.</al><tussenkop> Lid 8 Gesprek</tussenkop><al>Het eerste contact na een melding of aanvraag waarin met degene
                                    die maatschappelijke ondersteuning zoekt zijn gehele situatie
                                    wordt geïnventariseerd ten aanzien van de beperkingen en de
                                    gevolgen daarvan, de te bereiken resultaten, de te kiezen
                                    oplossingen via eigen mogelijkheden of via mogelijkheden van het
                                    netwerk dan wel via algemene, algemeen gebruikelijke,
                                    collectieve, (wettelijk) voorliggende en individuele
                                    voorzieningen.</al><tussenkop> Lid 9 Professional</tussenkop><al>Degene die namens het college een gesprek voert met de
                                    belanghebbende, zoals aangegeven in lid 8.</al><tussenkop> Lid 10 Voorliggende voorziening</tussenkop><al>Een voorziening die normaal in de maatschappij aanwezig en
                                    beschikbaar is en bedoeld voor iedereen die daar behoefte aan
                                    heeft.</al><tussenkop> Lid 11 Algemene voorziening</tussenkop><al>Een voorziening die wordt geleverd op basis van directe
                                    beschikbaarheid, een eenvoudige toegangsbeoordeling heeft en die
                                    een snelle, regelarme en compenserende oplossing biedt voor de
                                    belemmeringen die een belanghebbende ondervindt.</al><tussenkop> Lid 12 Algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een
                                    beperking, dus ook door anderen gebruikt kan worden, algemeen
                                    verkrijgbaar is en niet – aanzienlijk – duurder is dan
                                    vergelijkbare producten.</al><tussenkop> Lid 13 Collectieve voorziening</tussenkop><al>Een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door
                                    meerdere personen tegelijk wordt gebruikt.</al><tussenkop> Lid 14 Wettelijk voorliggende voorziening</tussenkop><al>Een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling dan
                                    de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning">Wet maatschappelijke ondersteuning</extref>, waarmee het
                                    resultaat door belanghebbende geheel of gedeeltelijk kan worden
                                    bereikt.</al><tussenkop> Lid 15 Individuele voorziening</tussenkop><al>Een voorziening die door het college ten behoeve van één persoon
                                    op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=4">artikel 4 Wmo</extref> wordt verstrekt.</al><tussenkop> Lid 16 Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>De normale, dagelijkse ondersteuning die partners en inwonende
                                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als
                                    leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond
                                    een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het
                                    functioneren van een huishouden.</al><tussenkop> Lid 17 Mantelzorger</tussenkop><al>Een persoon die mantelzorg in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, lid 1 onder b van de wet</extref> biedt.</al><tussenkop> Lid 18 Sociaal netwerk</tussenkop><al>Een verzamelnaam voor het netwerk van personen om de
                                    belanghebbende heen dat kan functioneren als ondersteuningsbron
                                    voor het welzijn en welbehagen van de belanghebbende.</al><tussenkop> Lid 19 Hoofdverblijf</tussenkop><al>De plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per
                                    jaar doorbrengt.</al><tussenkop> Lid 20 Voorziening in natura</tussenkop><al>Een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de
                                    vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt om het
                                    resultaat te bereiken.</al><tussenkop> Lid 21 Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Een geldbedrag waarmee belanghebbende een of meer aan hem te
                                    verlenen voorzieningen kan verwerven om het resultaat te
                                    bereiken, als alternatief voor een voorziening in natura.</al><tussenkop> Lid 22 Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening, bedoeld om
                                    een voorziening mee aan te schaffen voor het te bereiken
                                    resultaat.</al><tussenkop> Lid 23 Eigen aandeel</tussenkop><al>Een door het college vast te stellen bijdrage, die bij
                                    verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor rekening van
                                    de belanghebbende komt. De hoogte van het eigen aandeel is
                                    inkomensafhankelijk en wordt bepaald en geïnd door het Centraal
                                    Administratie Kantoor (CAK).</al><tussenkop> Lid 24 Eigen bijdrage</tussenkop><al>Een door het college vast te stellen bijdrage, die bij
                                    verstrekking van een voorziening in natura en persoonsgebonden
                                    budget voor rekening van de belanghebbende komt. De hoogte van
                                    de eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt bepaald en
                                    geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. RESULTAATGERICHTE COMPENSATIE</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 2. De te bereiken resultaten</titel></kop><structuurtekst><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende
                                maatregelen te bereiken resultaten zijn:</al><al>Het voeren van een huishouden</al><lijst><li nr="a."><al>Wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>Wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding.</al></li></lijst><al>Verplaatsen</al><lijst><li nr="e."><al>Zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="f."><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al></li></lijst><al>Daginvulling</al><lijst><li nr="g."><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en
                                        deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en/of
                                        religieuze activiteiten.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3. MELDING, AANVRAAG, GESPREK EN BESLUIT</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 3. Melding</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Door of namens een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, lid 1, onder g sub 4, 5 en 6 van de wet</extref>
                                    wordt een belemmering op het gebied van maatschappelijke
                                    participatie en/of het zelfstandig functioneren kenbaar gemaakt
                                    middels een melding.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>De in lid 1 genoemde melding wordt schriftelijk, digitaal,
                                    mondeling of telefonisch kenbaar gemaakt bij door het college
                                    aangewezen personen of instellingen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 4. Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Door of namens een persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20maatschappelijke%20ondersteuning/article=1">artikel 1, lid 1, onder g sub 4, 5 en 6 van de wet</extref>
                                    kan ten alle tijden een aanvraag voor een specifieke individuele
                                    voorziening worden ingediend bij door het college aangewezen
                                    personen of instellingen.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>De in het vorige lid genoemde aanvraag wordt schriftelijk of
                                    digitaal ingediend door middel van een door of namens het
                                    college ter beschikking gesteld formulier.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 5. Gesprek</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Naar aanleiding van een melding of aanvraag vindt een gesprek
                                    plaats tussen belanghebbende en professional met als doel het
                                    vaststellen van de ondersteuningsbehoefte van de belanghebbende
                                    en het zoeken naar hiervoor passende oplossingen.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Bij het voeren van het gesprek wordt de International
                                    Classification of Functions, Disabilities and Health, de
                                    zogenaamde ICF classificatie, als basis voor het begrippenkader
                                    gehanteerd[3].</al><tussenkop> Lid 3</tussenkop><al>Als de belanghebbende een mantelzorger is, wordt met de
                                    mantelzorger en zo mogelijk met de verzorgde geïnventariseerd
                                    welke belemmeringen de belanghebbende ondervindt bij en/of als
                                    gevolg van de uitvoering van de mantelzorg.</al><tussenkop> Lid 4</tussenkop><al>De inhoud van het gesprek wordt door de professional vastgelegd
                                    en op basis daarvan wordt door de professional een rapportage
                                    opgesteld.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 6. Besluit</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>De in artikel 5 lid 4
                                    genoemde rapportage is een besluit op de ingediende melding of
                                    aanvraag en wordt naar de belanghebbende toegezonden.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4. DE TE BEREIKEN RESULTATEN</titel></kop><afdeling><kop><titel>PARAGRAAF 1. HET MAKEN VAN EEN AFWEGING</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 7. Het maken van een afweging</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Mogelijkheden in het kader van gebruikelijke zorg, alle
                                    wettelijk voorliggende voorzieningen en alle voorliggende
                                    voorzieningen zoals algemene voorzieningen, algemeen
                                    gebruikelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen die
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden, als ze al niet tot een
                                    oplossing hebben geleid eerst beoordeeld.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Het college neemt bij het beoordelen van de te treffen
                                    –individuele- voorzieningen de in artikel 5 lid 4 genoemde
                                    rapportage als uitgangspunt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>PARAGRAAF 2. DE TE BEREIKEN RESULTATEN</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN HET VOEREN VAN EEN
                                    HUISHOUDEN</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 8. Wonen in een schoon en leefbaar huis</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Een schoon en leefbaar huis ten aanzien van de woonkamer,
                                    slaapvertrek of slaapvertrekken, de keuken en sanitaire
                                    ruimten.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een individuele voorziening kan getroffen worden voor het lichte
                                    en/of het zware huishoudelijke werk.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 9. Wonen in een geschikt huis</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Een geschikt huis ten aanzien van het normaal gebruik van de
                                    woonkamer, slaapvertrek of slaapvertrekken, keuken, sanitaire
                                    ruimten, berging, tuin of balkon.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een individuele voorziening kan getroffen worden ten aanzien van
                                    de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de in
                                    lid 1 genoemde vertrekken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 10. Beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften zoals
                                    eten en drinken, toiletartikelen en schoonmaakartikelen.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een individuele voorziening kan getroffen worden ten aanzien van
                                    het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen,
                                    schoonmaakmiddelen en toiletartikelen, alsmede het bereiden en
                                    aanreiken van maaltijden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 11. Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding in
                                    gewassen en zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen
                                    staat.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een individuele voorziening kan getroffen worden ten aanzien van
                                    het wassen, drogen, strijken en/of opruimen van de dagelijkse
                                    was.</al><tussenkop> TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN HET
                                    VERPLAATSEN</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 12. Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Belanghebbende is in staat zijn woonkamer, het slaapvertrek of
                                    slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging, de tuin of
                                    het balkon te bereiken en kan zich er zodanig redden dat normaal
                                    functioneren mogelijk is.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 13. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Belanghebbende kan zich zodanig verplaatsen dat hij in staat is
                                    dagelijkse boodschappen te doen, familie en/of kennissen kan
                                    bezoeken en andere gewenste activiteiten kan ondernemen, alles
                                    binnen de directe woon- en leefomgeving.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een individuele voorziening kan getroffen worden ten aanzien van
                                    het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het
                                    verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon- en
                                    leefomgeving.</al><tussenkop> TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN DAGINVULLING</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 14. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen
                                en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en/of religieuze
                                activiteiten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Belanghebbende heeft de mogelijkheid medemensen te ontmoeten en
                                    deel te nemen aan</al><al>recreatieve, maatschappelijke en/of religieuze activiteiten,
                                    inclusief het kunnen afleggen van gewenste bezoeken.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                    medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke
                                    en/of religieuze activiteiten kan een individuele voorziening
                                    worden getroffen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5. COMPENSATIE DOOR MIDDEL VAN EEN INDIVIDUELE
                            VOORZIENING</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 15. Compensatie door middel van een individuele
                                voorziening</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Ter compensatie van een belemmering op het gebied van
                                    maatschappelijke participatie en/of het zelfstandig functioneren
                                    kan een individuele voorziening worden toegekend voor
                                    zover:</al><lijst><li nr="a."><al>De noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is,
                                            tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het
                                            te bereiken resultaat;</al></li><li nr="b."><al>De te verstrekken voorziening als de
                                            goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken
                                            is.</al></li></lijst><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Ter compensatie van een belemmering op het gebied van
                                    maatschappelijke participatie en/of het zelfstandig functioneren
                                    wordt geen individuele voorziening toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien (wettelijk) voorliggende voorzieningen en/of
                                            gebruikelijke zorg voldoende compensatie bieden en
                                            leiden tot het beoogde resultaat;</al></li><li nr="b."><al>Indien het hoofdverblijf van de belanghebbende niet in
                                            de gemeente Steenbergen is;</al></li><li nr="c."><al>Voor zover de melding of aanvraag betrekking heeft op
                                            kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment
                                            van melden of aanvragen of voorgaand aan het moment van
                                            beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of
                                            deze voorziening noodzakelijk was en als
                                            goedkoopst-compenserend aan te merken valt;</al></li><li nr="d."><al>Indien een voorziening als die waarop de melding of
                                            aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze
                                            verordening, of krachtens de aan deze verordening
                                            voorafgaande Verordeningen voorzieningen
                                            maatschappelijke ondersteuning is verstrekt en de
                                            normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet
                                            verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe
                                            te rekenen;</al></li><li nr="e."><al>Indien het college door belanghebbende niet in staat
                                            wordt gesteld om door middel van onderzoek de
                                            compensatienoodzaak vast te stellen.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6. VERSTREKKING IN NATURA, ALS PERSOONSGEBONDEN BUDGET EN
                            ALS FINANCIËLE TEGEMOETKOMING</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 16. Mogelijke verstrekkingwijzen</titel></kop><structuurtekst><al>De te treffen individuele voorzieningen kunnen als voorziening in
                                natura, als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming
                                worden verstrekt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 17. Overwegende bezwaren persoonsgebonden budget</titel></kop><structuurtekst><al>Het college legt in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    Steenbergen</extref> vast in welke situaties sprake is van
                                overwegende bezwaren waardoor er geen persoonsgebonden budget
                                verstrekt wordt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7. EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 18. Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening is een eigen
                                    bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de
                                    volgende resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>Wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>Wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>Beschikken over goederen voor primaire
                                            levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                            kleding;</al></li><li nr="e."><al>Zich verplaatsen in en om de woning voor zover het geen
                                            rolstoelvoorziening betreft;</al></li><li nr="f."><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="g."><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en
                                            deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en/of
                                            religieuze activiteiten.</al></li></lijst><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Het college legt in het <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke
                                        ondersteuning Steenbergen</extref> de eigen bijdrage,
                                    respectievelijk het eigen aandeel vast.</al><tussenkop> Lid 3</tussenkop><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage of eigen
                                    aandeel wordt dit in de artikel
                                        5 lid 4 genoemde rapportage opgenomen.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 8. PROCEDURELE BEPALINGEN RONDOM BESLISTERMIJNEN,</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>ONDERZOEK, ADVISERING, BESLUITVORMING, INTREKKING EN
                            TERUGVORDERING</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 19. Beslistermijnen</titel></kop><structuurtekst><al>De termijn waarbinnen een besluit ten behoeve van een individuele
                                voorziening genomen moet worden bedraagt maximaal 8 weken voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Een voorziening voor het wonen in een schoon en leefbaar
                                        huis;</al></li><li nr="b."><al>Een voorziening voor het beschikken over goederen voor
                                        primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="c."><al>Een voorziening voor het beschikken over schone, draagbare
                                        en doelmatige kleding;</al></li><li nr="d."><al>Een voorziening voor het zich verplaatsen in en om de
                                        woning;</al></li><li nr="e."><al>Een voorziening voor het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel;</al></li><li nr="f."><al>Een voorziening voor het ontmoeten van medemensen en het op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan;</al></li><li nr="g."><al>Een voorziening voor het wonen in een geschikt huis: Als het
                                        gaat om een voorziening waarvoor geen bouwkundige offertes
                                        opgevraagd moeten worden.</al></li></lijst><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt
                                maximaal 13 weken voor:</al><lijst><li nr="h."><al>Een voorziening voor het wonen in een geschikt huis: Als het
                                        gaat om voorzieningen waarvoor bouwkundige offertes
                                        opgevraagd moeten worden.</al></li></lijst><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt
                                maximaal 27 weken voor:</al><lijst><li nr="i."><al>Een voorziening voor het wonen in een geschikt huis: Als het
                                        gaat om complexe voorzieningen waarvoor bouwkundige offertes
                                        opgevraagd moeten worden.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 20. Onderzoek en advisering</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de
                                    vaststelling van de compensatienoodzaak en de beoordeling van de
                                    melding of aanvraag, degene door wie een melding of aanvraag is
                                    ingediend, of bij gebruikelijke zorg diens relevante
                                    huisgenoten:</al><lijst><li nr="1."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            bevragen;</al></li><li nr="2."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen (medische)
                                            deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Wanneer er sprake is van de in het vorige lid genoemde
                                    advisering, wordt door de (medisch) adviseur de ICF
                                    classificatie als basis voor het begrippenkader gehanteerd.</al><tussenkop> Lid 3</tussenkop><al>Indien het voor het vaststellen van de compensatienoodzaak en de
                                    beoordeling van de melding of aanvraag noodzakelijk is om
                                    medische informatie over de belanghebbende op te vragen bij
                                    (medische) deskundigen, is een ondertekende door of namens het
                                    college ter beschikking gestelde toestemmingsverklaring van
                                    belanghebbende noodzakelijk.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 21. Wijziging situatie</titel></kop><structuurtekst><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het
                                college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan
                                redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op het
                                recht op een voorziening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 22. Heronderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>In geval er op grond van de Wmo eerder een toekenning van een
                                (individuele) voorziening heeft plaatsgevonden, is het college
                                bevoegd om op eigen initiatief een heronderzoek in te (laten)
                                stellen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 23. Intrekking</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden
                                            gesteld bij of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>Beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is
                                            dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de
                                            juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing
                                            zou zijn genomen.</al></li></lijst><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen drie maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het
                                    resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 24. Terugvordering</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Lid 1</tussenkop><al>Ingeval het recht op een voorziening is ingetrokken of gewijzigd
                                    kan het college een op basis daarvan reeds uitbetaalde
                                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                    terugvorderen tot het tijdstip vanaf wanneer de voorziening is
                                    toegekend tot maximaal 5 jaar vanaf heden, tenzij bij de
                                    intrekking of wijziging anders is bepaald.</al><tussenkop> Lid 2</tussenkop><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken kan het college deze voorziening terugvorderen,
                                    indien de voorziening is verleend op basis van valselijk
                                    verstrekte gegevens.</al><tussenkop> Lid 3</tussenkop><al>In geval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken kan het college deze voorziening terugvorderen,
                                    indien de voorziening is verleend op basis van valselijk
                                    verstrekte gegevens.</al><tussenkop> Lid 4</tussenkop><al>Ingeval uit de verantwoording van het persoonsgebonden budget
                                    blijkt dat het budget niet of niet volledig is besteed aan de
                                    voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt,
                                    of in het geval dat niet of niet tijdig een verantwoording is
                                    ingediend, kan het college het reeds uitbetaalde
                                    persoonsgebonden budget terugvorderen tot het tijdstip vanaf
                                    wanneer de voorziening is toegekend.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</titel></kop><afdeling><kop><titel>Artikel 25. Hardheidsclausule</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van hetgeen bij of krachtens deze
                                verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 26. Indexering</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan jaarlijks de hoogte van de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Besluit-voorzieningen-maatschappelijke-ondersteuning">Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    Steenbergen</extref> geldende bedragen indexeren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 27. Evaluatie</titel></kop><structuurtekst><al>Het door het college gevoerde beleid kan (jaarlijks) worden
                                geëvalueerd. Indien deze evaluatie daar aanleiding toe geeft, wordt
                                de verordening aangepast.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 28. Inwerkingtreding</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2013, onder
                                gelijktijdige intrekking van “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning Steenbergen 2011”.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Artikel 29. Citeertitel</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning Steenbergen 2013”.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 30 mei 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier,de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al>[1] Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat kan ook de vrouwelijke
                    vorm worden gelezen.</al><al>[2] Ontleend aan uitspraak CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832. Dit is een omgewerkt
                    citaat uit de parlementaire behandeling in die uitspraak geciteerd.</al><al>[3]Toelichting amendement van het lid van Miltenburg c.s. TK 2005-2006, 30131
                    nr. 65: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie)
                    een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                    voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al><vet>INLEIDING</vet></al><al>Deze verordening geeft invulling aan de in de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    (Wmo) gegeven opdracht regels te stellen bij verordening.</al><al>Met de invoering van de Wmo op 1 januari 2007 heeft de gemeente de
                    verantwoordelijkheid gekregen voor de beleidsbepaling en uitvoering van de
                    maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Artikel 5 van de Wmo schrijft voor dat de gemeenteraad een verordening vaststelt
                    waarin regels worden vastgelegd over de door het college van burgemeester en
                    wethouders te verlenen</al><al>-individuele- voorzieningen en onder welke voorwaarden personen die aanspraak
                    hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die
                    -individuele- voorzieningen in natura, het ontvangen van een financiële
                    tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.</al><al><vet>ACHTERGROND</vet></al><al>De kern van de Wmo wordt gevormd door het begrip “compensatieplicht”. Artikel 4
                    van de Wmo geeft aan dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als
                    bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in
                    zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van
                    burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van
                    maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>Een huishouden te voeren;</al></li><li nr="b."><al>Zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="c."><al>Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="d."><al>Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Vanwege de op de langere termijn toenemende vergrijzing, met als gevolg een
                    toenemende druk op (individuele) voorzieningen binnen de Wmo, is het
                    noodzakelijk de compensatieplicht anders vorm te geven. Hierbij moet een omslag
                    worden gemaakt van het huidige claim- en aanbodgericht werken (aanvraag -
                    voorziening) naar het nieuwe probleem- en ondersteuninggericht werken
                    (belemmering – oplossing). Deze laatste werkwijze vraagt om een nieuwe manier
                    van denken en doen. De relatie tussen burger en gemeente wordt hiermee meer
                    wederkerig. Het is niet langer de burger die een voorziening vraagt en de
                    gemeente die de aanvraag beoordeelt, maar de burger die samen met de gemeente
                    tijdens een gesprek in beeld brengt wat de belemmeringen zijn, wat het gewenste
                    resultaat is en hoe dit resultaat behaald kan worden. Het uitgangspunt hierbij
                    is maatwerk waarbij de participatie en eigen kracht van de burger en zijn
                    leefomgeving (nog meer) centraal komen te staan.</al><al>Om een probleem- en ondersteuninggerichte werkwijze uit te kunnen voeren in de
                    praktijk, zijn op basis van de hierboven genoemde vier domeinen zeven resultaten
                    geformuleerd:</al><al>Het voeren van een huishouden</al><lijst><li nr="a."><al>Wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>Wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding.</al></li></lijst><al>Verplaatsen</al><lijst><li nr="e."><al>Zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="f."><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al></li></lijst><al>Daginvulling</al><lijst><li nr="g."><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke en/of religieuze activiteiten.</al></li><li nr="Bovengenoemde"><al>te behalen resultaten vormen de basis van deze verordening en worden na
                            de begripsbepalingen en het procesverloop verder uitgewerkt.</al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan
                    onder:</al><al><vet>Lid 1 Wet</vet></al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).</al><al><vet>Lid 2 College</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 3 Compensatieplicht</vet></al><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze
                    uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de
                    Wmo.</al><al>Het letterlijke citaat luidt:</al><al>“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het college aan de in dat artikel
                    genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op
                    het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten
                    en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de
                    zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de
                    doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn.
                    Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de
                    gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het college om te bepalen
                    op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                    compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het
                    college daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de
                    rechtsplicht van het college om in elk concreet geval een voorziening te treffen
                    die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het
                    college, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                    compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de
                    wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende beoordeling
                    van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Wel heeft hij
                    daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een dergelijk besluit in
                    het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit
                    leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college
                    bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het
                    concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in
                    artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in
                    de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het
                    wetgevingsoverleg (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de
                    brief van de staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30
                    131, nr. 122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C,
                    p. 7, 9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30
                    131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p.
                    34-1645).”</al><al>Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de volgende
                    begripsomschrijving: “Compensatieplicht: De plicht van het college van
                    burgemeester en wethouders aan personen met een beperking, een chronisch
                    psychisch of een psychosociaal probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie
                    van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te
                    verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en
                    medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan (met
                    als doeleinden de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze
                    personen). Daarbij legt artikel 4 van de Wmo het college de plicht op om een
                    resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele
                    geval maatwerk is”</al><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet
                    het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de
                    maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een
                    huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                    sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de betrokkene. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><al><vet>Lid 4 Belanghebbende</vet></al><al>In de wet wordt gesproken over mantelzorgers als doelgroep voor de
                    compensatieplicht.</al><al>Het college is onder de Wmo verplicht mantelzorgers te ondersteunen op basis van
                    artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4 Wmo. Het college moet ter compensatie van de
                    beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4
                    Wmo, dus ook de mantelzorger, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en
                    maatschappelijke participatie voorzieningen treffen.</al><al>De staatssecretaris heeft hierover aangegeven dat gemeenten tot taak hebben
                    mantelzorgers te ondersteunen, maar niet verplicht zijn mantelzorgers
                    individuele voorzieningen aan te bieden (EK 2005-2006, 30 131, E, bijlage 1, p.
                    9). Het begrip ‘belanghebbende’ kan dus ruimer zijn dan alleen betrokkene zelf.
                    Onder belanghebbende kan dus ook verstaan worden de mantelzorgers van
                    betrokkene.</al><al><vet>Lid 5 Psychosociaal probleem</vet></al><al>Naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB
                    29-04-2009, LJN:B16832) wordt binnen de Wmo onder het begrip psychosociaal
                    probleem verstaan:</al><al>“Een situatie van verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan
                    mogelijkheden tot deelname aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door
                    belemmeringen die iemand ondervindt in zijn relatie met anderen en/of met zijn
                    sociale omgeving.”</al><al><vet>Lid 6 Melding</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 7 Aanvraag</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 8 Gesprek</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 9 Professional</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 10 Voorliggende voorziening</vet></al><al>Voorliggende voorzieningen kunnen onder andere zijn algemene voorzieningen,
                    algemeen gebruikelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen. Voorliggende
                    voorzieningen gaan voor op individuele voorzieningen als deze voldoende
                    compensatie bieden en leiden tot het beoogde resultaat.</al><al><vet>Lid 11 Algemene voorziening</vet></al><al>In een aantal gevallen kan de belanghebbende gebruik maken van een
                    (voorliggende) algemene voorziening. Het gaat hier om direct of uit voorraad
                    beschikbare voorzieningen die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden
                    verstrekt. Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>Dagrecreatie voor ouderen;</al></li><li nr="•"><al>Sociale alarmering;</al></li><li nr="•"><al>Plusbus, supermarktservice, de (vrijwillige)
                            boodschappenhulp/boodschappendienst;</al></li><li nr="•"><al>Maaltijdenservice en het eetcafé;</al></li><li nr="•"><al>Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals een
                            conciërge van een woongebouw en de klussendienst;</al></li><li nr="•"><al>(Ramen)wasservice;</al></li><li nr="•"><al>Rolstoel- en scootmobielpools voor incidenteel gebruik;</al></li><li nr="•"><al>Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen.</al></li></lijst><al>Een algemene voorziening is geen individuele voorziening en wordt altijd in
                    natura verleend, nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget.
                    Ook aan ondersteuning via algemene voorzieningen kan een melding of aanvraag en
                    eventueel een gesprek vooraf gaan.</al><al><vet>Lid 12 Algemeen gebruikelijke voorziening</vet></al><al>Voorzieningen waarover de belanghebbende, gezien zijn individuele situatie, ook
                    zonder functionele of psycho-sociale beperking zou kunnen beschikken. Het begrip
                    ‘algemeen gebruikelijk’ is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep. Deze jurisprudentie geeft aan dat een voorziening algemeen
                    gebruikelijk is wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="•"><al>Het aan te schaffen object kan voor een niet-ondersteuningsbehoevende in
                            een financieel vergelijkbare positie tot het normale
                            aanschaffingspatroon worden gerekend;</al></li><li nr="•"><al>Het aan te schaffen object is niet speciaal voor de
                            ondersteuningsbehoevende, zodat deze ook op grote schaal door
                            niet-ondersteuningsbehoevende kan worden gebruikt;</al></li><li nr="•"><al>Het is gewoon in een normale winkel te koop en niet speciaal in de
                            revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels;</al></li><li nr="•"><al>Het is niet (aanzienlijk) duurder dan soortgelijke producten.</al></li></lijst><al>Daarnaast geeft de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep aan dat er in
                    principe een uitzondering moet worden gemaakt als het gaat om vervanging van een
                    zaak die (nog lang) niet is afgeschreven.</al><al><vet>Lid 13 Collectieve voorziening</vet></al><al>Een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door meerdere personen
                    tegelijk wordt gebruikt, in casu het collectief vraagafhankelijk vervoer.</al><al><vet>Lid 14 Wettelijk voorliggende voorziening</vet></al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen die in wetgeving
                    en regelgeving zijn vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan
                    op de Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang en de
                    verschillende arbeidsongeschiktheidswetten.</al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan compenseren is er
                    geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo.</al><al><vet>Lid 15 Individuele voorziening</vet></al><al>Een individuele voorziening is niet voor iedereen beschikbaar, maar uitsluitend
                    voor diegenen die onder artikel 4 van de wet vallen. Gebruikelijke zorg en
                    (wettelijk) voorliggende voorzieningen gaan voor op individuele voorzieningen
                    als deze voldoende compensatie bieden en leiden tot het beoogde resultaat.</al><al>Individuele voorzieningen worden bij besluit toegekend en er staat bezwaar en
                    beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die rond
                    eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al><vet>Lid 16 Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Als in een leefeenheid meerderjarige personen wonen hebben zij gezamenlijk de
                    taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten. Zij zijn zelf
                    verantwoordelijk voor de (her)verdeling en dit uitgangspunt heeft een
                    verplichtend karakter. In geval de leefeenheid mede bestaat uit kinderen, dient
                    ervan te worden uitgegaan dat zij, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal
                    functioneren, een (kleine) bijdrage kunnen leveren aan het huishoudelijk werk.
                    In de beleidsregels wordt nader omschreven welke taken en activiteiten het hier
                    betreft.</al><al><vet>Lid 17 Mantelzorger</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 18 Sociaal netwerk</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 19 Hoofdverblijf</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 20 Voorziening in natura</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 21 Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag wat onder bepaalde
                    voorwaarden, gesteld door het college van burgemeester en wethouders, wordt
                    verstrekt aan een belanghebbende, waarmee hij één of meer aan hem te verlenen
                    voorzieningen kan verwerven om het resultaat te bereiken, als alternatief voor
                    een voorziening in natura. Met een pgb ontstaat er een keuzevrijheid voor de
                    belanghebbende.</al><al><vet>Lid 22 Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                    voorziening mee aan te schaffen voor het te bereiken resultaat. Het is niet
                    persé een kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming
                    in de kosten.</al><al><vet>Lid 23 Eigen aandeel</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>Lid 24 Eigen bijdrage</vet></al><al>Definitie behoeft geen verdere toelichting.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2. RESULTAATGERICHTE COMPENSATIE</vet></al><al><vet>Artikel 2. De te bereiken resultaten</vet></al><al>Op basis van artikel 4 lid 1 van de wet worden compenserende maatregelen bereikt
                    op de vier benoemde domeinen:</al><lijst><li nr="•"><al>Het voeren van een huishouden;</al></li><li nr="•"><al>Zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="•"><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="•"><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan het recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op basis van de bovengenoemde vier domeinen zijn er zeven te bereiken resultaten
                    opgesteld:</al><al>Het voeren van een huishouden</al><lijst><li nr="a."><al>Wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>Wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding.</al></li></lijst><al>Verplaatsen</al><lijst><li nr="e."><al>Zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="f."><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al></li></lijst><al>Daginvulling</al><lijst><li nr="g."><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke en/of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op bovenstaande terreinen heeft het college een resultaatverplichting. Wanneer
                    een belanghebbende niet of niet volledig in staat is om eigen oplossingen te
                    realiseren voor de ondervonden belemmeringen, treft het college compenserende
                    maatregelen om het beoogde resultaat te bereiken.</al><al><vet>HOOFDSTUK 3. MELDING, AANVRAAG, GESPREK EN BESLUIT</vet></al><al><vet>Artikel 3. Melding</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De belanghebbende, waaronder ook wordt verstaan een mantelzorger, maakt via een
                    melding</al><al>kenbaar dat hij een belemmering op het gebied van maatschappelijke participatie
                    en/of het zelfstandig functioneren ondervindt. Dit wordt ook wel een probleem-
                    en ondersteuningsgerichte benadering genoemd. Deze manier van benaderen voorkomt
                    dat de belanghebbende door middel van een aanvraag voor een specifieke
                    (individuele) voorziening zijn behoefte al vertaald heeft in een oplossing
                    terwijl het juist van belang is om eerst de ondersteuningsbehoefte van de
                    belanghebbende vast te stellen voordat er naar passende oplossingen kan worden
                    gezocht.</al><al>Het moment dat de melding door de belanghebbende kenbaar wordt gemaakt is het
                    begin van de toegangsbepaling. De melding wordt vervolgens geregistreerd en op
                    dat moment start de beslistermijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in lid 1 genoemde melding kan door belanghebbende op meerdere manieren
                    kenbaar worden gemaakt bij de door het college aangewezen personen of
                    instellingen, namelijk: Schriftelijk, digitaal, maar ook mondeling of
                    telefonisch.</al><al>In Artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Bij wettelijk voorschrift kan hier dus van worden
                    afgeweken en is het mogelijk een aanvraag, in deze een melding, mondeling of
                    telefonisch in te dienen.</al><al><vet>Artikel 4. Aanvraag</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het is noodzakelijk om eerst de ondersteuningsbehoefte van de belanghebbende
                    vast te stellen voordat er naar passende oplossingen kan worden gezocht. Hierbij
                    is het kenbaar maken van een belemmering op het gebied van maatschappelijke
                    participatie en/of het zelfstandig functioneren middels een melding het ideale
                    startpunt. Wanneer een belanghebbende zijn belemmering op het gebied van
                    maatschappelijke participatie en/of het zelfstandig functioneren niet kenbaar
                    wil maken middels een melding, maar expliciet een aanvraag voor een specifieke
                    individuele voorziening wil indienen, kan dit te allen tijden op grond van
                    artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In lid 2 is geregeld dat een aanvraag voor een individuele voorziening altijd
                    schriftelijk moet worden ingediend, waarbij digitaal een vorm van schriftelijk
                    is. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald,
                    een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden
                    ingediend op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                    aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten behandeling
                    worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de aanvraag in ieder
                    geval naam en adres van de belanghebbende en een aanduiding van de beschikking
                    die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn.
                    Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><al><vet>Artikel 5. Gesprek</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Na het kenbaar maken van een melding of het indienen van een aanvraag voor een
                    individuele voorziening door de belanghebbende, vindt er een gesprek plaats
                    tussen belanghebbende en professional. Het gesprek kan telefonisch, bij
                    Vraagwijzer of bij de belanghebbende thuis gevoerd worden. Tijdens het gesprek
                    wordt er gezamenlijk met de belanghebbende een inventarisatie gemaakt, met als
                    doel het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte en het zoeken naar hiervoor
                    passende oplossingen. Bij het zoeken naar de oplossingen staat maatwerk
                    centraal, geen belanghebbende is tenslotte hetzelfde. Het gesprek leidt
                    uiteindelijk naar één of meer passende oplossingen, ook wel een arrangement
                    genoemd. Tijdens het samenstellen van een arrangement gaan (wettelijk)
                    voorliggende voorzieningen en gebruikelijke zorg voor op individuele
                    voorzieningen als deze voldoende compensatie bieden en leiden tot het beoogde
                    resultaat.</al><al>De volgende punten worden tijdens het gesprek in ieder geval
                    geïnventariseerd:</al><lijst><li nr="•"><al>De belemmeringen die de belanghebbende als gevolg van zijn beperkingen
                            ondervindt;</al></li><li nr="•"><al>Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande
                            belemmeringen op te lossen en om de gewenste resultaten te
                            bereiken;</al></li><li nr="•"><al>De mogelijkheden die de belanghebbende heeft ondanks zijn
                            beperkingen;</al></li><li nr="•"><al>De mogelijkheden die belanghebbende heeft om de resultaten eventueel in
                            samenwerking met het sociale netwerk en/of via (wettelijk) voorliggende
                            voorzieningen te bereiken;</al></li><li nr="•"><al>De resultaten die belanghebbende wil bereiken als gevolg van zijn
                            belemmeringen op de verschillende in deze verordening weergegeven
                            terreinen;</al></li><li nr="•"><al>De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal
                            probleem dat de basis is van de behoefte aan compensatie;</al></li><li nr="•"><al>Indien van toepassing de oplossingen die de gemeente in principe biedt
                            om de belemmeringen via een individuele voorziening op te lossen.</al></li></lijst><al>Lid 2 geeft aan dat de ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek.
                    Dit wil niet zeggen dat tijdens het gesprek de ICF wordt doorgenomen of dat de
                    belanghebbende bekend moet zijn met de ICF. De ICF zal aan de basis liggen van
                    de lijst met te bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel
                    betekent dit dat de professional de ICF dient te kennen.</al><al>Lid 3 bepaalt dat als de melding of aanvraag gedaan is door een mantelzorger,
                    het gesprek met de mantelzorger en zo mogelijk ook met degene die door de
                    mantelzorger verzorgd wordt, gevoerd zal worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De inhoud van het gesprek wordt door de professional vastgelegd en op basis
                    daarvan wordt door de professional een rapportage opgesteld. In de rapportage
                    worden onder andere alle in artikel 5 genoemde punten, voor zover relevant,
                    vastgelegd. Belangrijk hierbij is de formulering van het te bereiken resultaat,
                    de daarbij behorende oplossingen, ook wel een arrangement genoemd, en de
                    onderbouwing/motivatie van deze onderdelen.</al><al>De verslaglegging middels bovengenoemde punten is noodzakelijk daar uit
                    jurisprudentie is gebleken dat rechters een breed onderzoek naar de persoonlijke
                    behoeften van de belanghebbende eisen. Middels bovenstaande verslaglegging wordt
                    hier onder andere aan voldaan.</al><al><vet>Artikel 6. Besluit</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De rapportage genoemd in artikel 5 lid 4 wordt naar de belanghebbende
                    toegezonden waarbij onder andere de mogelijkheid tot het indienen van een
                    bezwaarschrift wordt aangegeven. Dit is noodzakelijk omdat artikel 1:3 van de
                    Algemene wet bestuursrecht de volgende omschrijving voor het begrip besluit
                    hanteert: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een
                    publiekrechtelijke rechtshandeling. De rapportage kan in deze dus worden
                    beschouwd als een besluit.</al><al>Als er in het samengestelde arrangement een individuele voorziening geselecteerd
                    is, wordt er in de rapportage een omschrijving van de toegekende individuele
                    voorziening gegeven en de daaraan gestelde voorwaarden. Ook als er sprake is van
                    een te betalen eigen bijdrage of aandeel zoals aangegeven in artikel 18 lid 3
                    wordt dit in de artikel 5 lid 4 genoemde rapportage opgenomen.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4. DE TE BEREIKEN RESULTATEN</vet></al><al>In paragraaf 1 van dit hoofdstuk worden de algemene regels die voor alle zeven
                    te bereiken resultaten gelden weergegeven. Het betreft dan met name het maken
                    van een afweging.</al><al>In paragraaf 2 zijn er zeven te bereiken resultaten geformuleerd aan de hand van
                    de ICF classificatie. Per te bereiken resultaat wordt besproken wat de (globale)
                    kaders zijn. Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de (individuele)
                    voorzieningen die mogelijk zijn omdat er gewerkt wordt met een probleem- en
                    ondersteuningsgerichte benadering. Het noemen van de mogelijke (individuele)
                    voorzieningen kan er namelijk voor zorgen dat een bepaalde (individuele)
                    voorziening centraal in de procedure komt te staan in plaats van het te bereiken
                    resultaat en de daarbij passende oplossing hiervoor.</al><al><vet>PARAGRAAF 1. HET MAKEN VAN EEN AFWEGING</vet></al><al><vet>Artikel 7. Het maken van een afweging</vet></al><al>Lid 1 bepaalt dat de mogelijkheden in het kader van gebruikelijke zorg en alle
                    voorliggende voorzieningen zoals algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, collectieve voorzieningen en wettelijk voorliggende voorzieningen
                    die beschikbaar en bruikbaar zijn eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil
                    zeggen dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij
                    voorhanden voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt
                    kunnen worden. Als deze voorzieningen toch niet of gedeeltelijk leiden tot het
                    te bereiken resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden waarbij
                    onder andere gedacht kan worden aan individuele voorzieningen.</al><al>In lid 2 van artikel 7 is vastgelegd dat het college de in artikel 5 lid 4
                    opgestelde rapportage als uitgangspunt neemt bij het beoordelen van de te
                    treffen –individuele- voorzieningen. Het college gaat hierbij uit van de
                    persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende, zoals artikel 4 van de wet
                    voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken en
                    behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het
                    onderzoek zal gekeken worden naar de ondersteuningsbehoefte van belanghebbende
                    en wordt er middels maatwerk gezocht naar hiervoor passende oplossingen. Het
                    college kijkt daarbij onder andere ook naar de mogelijkheden van belanghebbende
                    om het resultaat zelf te bereiken en/of de mogelijkheden van ondersteuning
                    vanuit het sociale netwerk en/of de mogelijkheden van gebruikelijke zorg en/of
                    voorliggende voorzieningen.</al><al><vet>PARAGRAAF 2. DE TE BEREIKEN RESULTATEN</vet></al><al><vet>TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN HET VOEREN VAN EEN
                    HUISHOUDEN</vet></al><al><vet>Artikel 8. Wonen in een schoon en leefbaar huis</vet></al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geschetst wat het te bereiken resultaat
                    is ten aanzien van een schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat
                    iedereen moet kunnen wonen in een huis dat schoon en leefbaar is volgens de
                    aanvaarde maatschappelijke normen. Die normen zijn ontleend aan gangbare ideeën
                    die bestaan in de maatschappij. Uitgangspunt hierbij is dat men zelf al beschikt
                    of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat het college voor een
                    woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende.</al><al>Ten aanzien van de omvang van de woning is het uitgangspunt hierbij de omvang
                    van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is niet
                    star: er zijn altijd mogelijkheden om van dit uitgangspunt af te wijken
                    (bijstelling naar boven of naar beneden) om het gewenste maatwerk te kunnen
                    leveren. De ruimten die onder dit principe vallen zijn: een woonkamer, de
                    aanwezige en in gebruik zijnde slaapkamer(s), de keuken en de sanitaire
                    ruimten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>van artikel 8 geeft aan welke individuele compenserende maatregelen getroffen
                    kunnen worden om het gestelde resultaat te bereiken. Dat gaat via licht en/of
                    zwaar huishoudelijk werk en wil zeggen het droog, nat schoon en stofvrij maken
                    en houden van de woning. In de beleidsregels staat nader omschreven welke taken
                    en activiteiten er onder dit resultaat vallen. Het reinigen van de ramen aan de
                    buitenkant van de woning valt niet onder de compensatieplicht, omdat daarvoor
                    een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat: de glazenwasser.</al><al><vet>Artikel 9. Wonen in een geschikt huis</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>gaat over het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar men over beschikt.
                    Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een
                    woning. Het is niet zo dat het college voor een woning moet zorgen: dat is een
                    eigen verantwoordelijkheid van de</al><al>belanghebbende. Het college kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het zoeken
                    naar een (geschikte) woning indien op medische gronden een andere woning nodig
                    is. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat
                    moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het
                    bestedingspatroon.</al><al>Heeft de belanghebbende een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat
                    eventuele belemmeringen met betrekking tot het normale gebruik van de woning
                    opgelost worden ten aanzien van de woonkamer, de aanwezige en in gebruik zijnde
                    slaapvertrekken, de keuken, de sanitaire ruimten, tuin of balkon en ook een
                    eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is. Het uitgangspunt hierbij is
                    de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Er kan altijd
                    afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en zeer grote
                    ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.</al><al><vet>Lid 2.</vet></al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van
                    compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het
                    mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een
                    woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging
                    moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Goedkoopst-compenserend is
                    leidraad tijdens deze afweging. De verschillende regels die gelden bij het maken
                    van afwegingen zijn in de beleidsregels opgenomen.</al><al><vet>Artikel 10. Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>van artikel 10 heeft betrekking op het resultaat beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor
                    maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt, beschikbaar moet
                    zijn. Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. De
                    compensatieplicht van het college gaat niet over de belanghebbende financieel in
                    staat stellen te kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften.
                    De hierboven genoemde dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis
                    komen. Compensatie houdt niet per definitie in dat de aanvrager zelf de
                    boodschappen moet kunnen doen. Er zal via maatwerk gezocht moeten worden naar
                    een passende en compenserende oplossing waarmee het resultaat bereikt wordt.
                    Hierbij kan onder andere gedacht worden aan een boodschappendienst of -service,
                    waarbij wel opgelet wordt dat de supermarkt qua prijsniveau past bij het
                    bestedingspatroon van de aanvrager.</al><al>Dit resultaat gaat niet alleen om het aanschaffen van goederen voor primaire
                    levensbehoeften, maar ook om het bereiden en aanreiken van de maaltijden zelf.
                    Compensatie hiervoor betekent dat de belanghebbende beschikt over de
                    verschillende maaltijden door de dag heen. Daarbij dient onder andere rekening
                    te worden met medisch geïndiceerde diëten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>van artikel 10 heeft betrekking op welke individuele compenserende maatregelen
                    getroffen kunnen worden om het gestelde resultaat te bereiken.
                    Goedkoopst-compenserend zal bij de afweging leidraad zijn, zodat het doen van
                    boodschappen niet perse door de aanvrager zelf met hulp hoeft te worden gedaan.
                    Boodschappen kunnen namelijk op verschillende manieren gedaan worden. Ook hier
                    is het te bereiken resultaat van belang en is de manier waarop daaraan
                    ondergeschikt. In individuele gevallen kan er gekozen worden voor het inzetten
                    van hulp om de boodschappen te doen. Het onderdeel bereiden en aanreiken van de
                    maaltijd kan onder andere behaald worden via een maaltijdservice, via kant- en
                    klare (magnetron)maaltijden, via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden
                    of via het – met behulp van een vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van
                    maaltijden. Als de persoonlijke situatie van de belanghebbende dit vereist, kan
                    het bereiden van maaltijden worden overgenomen.</al><al><vet>Artikel 11. Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                    kleding</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>van artikel 11 geeft aan dat het college de belanghebbende in staat moet stellen
                    te beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleiding. Wat doelmatige
                    kleding precies is verschilt per situatie. Het moge duidelijk zijn dat het gaat
                    om dagelijkse kleding en niet om exceptionele kleding zoals bijvoorbeeld
                    speciale gelegenheidskleding.</al><al>Dit resultaat is beperkt tot het verzorgen van kleding die iemand in zijn bezit
                    heeft. Het bieden van financiële ondersteuning voor het aanschaffen van kleding
                    valt, net als begeleiding bij het kopen van kleding, niet onder de
                    compensatieplicht.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er compenserende
                    maatregelen getroffen kunnen worden voor het wassen, drogen, strijken en/of
                    opruimen van de dagelijkse was. Alles voor zover de belanghebbende daartoe zelf
                    niet in staat is. Het wassen zal veelal gebeuren met de ‘algemeen gebruikelijke’
                    wasmachine en het drogen van de was vindt indien mogelijk plaats met een
                    wasdroger. Voor zover het noodzakelijk is de kleding te strijken valt dit onder
                    de compensatieplicht. Ook bij dit resultaat is het uitgangspunt wat in de
                    maatschappij als algemeen gangbaar wordt beschouwd. Goedkoopst-compenserend is
                    leidraad tijdens het maken van de afweging(en).</al><al><vet>TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN HET VERPLAATSEN</vet></al><al><vet>Artikel 12. Zich verplaatsen in en om de woning</vet></al><al>Lid 1 geeft aan dat het te bereiken resultaat betekent dat de belanghebbende
                    zich in, om en nabij de woning moet kunnen verplaatsen en zich daardoor zodanig
                    kan redden dat, voor zover mogelijk, normaal functioneren mogelijk is. Bij al
                    deze verplaatsingen staat de woning centraal. Ook de verplaatsingen naar een
                    centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, vallen onder
                    artikel 12. Alle verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals
                    bijvoorbeeld het posten van een brief, het bezoeken van een buurman of het maken
                    van een ommetje) vallen onder artikel 13: zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel.</al><al>In de woning moeten de normale en in gebruik zijnde woonruimten bereikt kunnen
                    worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, de aanwezige en in gebruik
                    zijnde slaapkamer(s), het toilet en de douche. Ook een balkon of tuin moeten
                    bereikbaar zijn. Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in de tuin te komen,
                    de inrichting van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid. Als er een berging
                    is die belanghebbende daadwerkelijk gebruikt, moet ook de berging bereikt kunnen
                    worden.</al><al>Lid 2 geeft aan dat om dit resultaat te bereiken compensatie kan worden geboden
                    in de vorm van individuele voorzieningen. Bijvoorbeeld een rolstoel voor
                    verplaatsingen in de woning en ook een verrijdbare tillift kan worden gezien als
                    een dergelijk middel. Daarnaast kan het voorkomen dat het verstrekken van één
                    (individuele) voorziening niet voldoende is om het gestelde resultaat te
                    bereiken. Het verstrekken van een tweede (individuele) voorziening kan in
                    sommige situaties noodzakelijk zijn. Goedkoopst-compenserend is leidraad tijdens
                    het maken van de afweging(en).</al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al><vet>Artikel 13. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</vet></al><al>Lid 1 geeft aan dat als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel het te bereiken resultaat is dat de belanghebbende zich met een
                    vervoermiddel binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen
                    gebied kan verplaatsen. Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het
                    leven van alledag. Dat zijn alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken
                    hebben met verplaatsingen in het kader van betaalde arbeid. Deze vallen niet
                    onder de compensatieplicht van de Wmo. Verder zijn ook vakanties en ander
                    verblijf buiten het gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving
                    uitgesloten. Voor dit laatste is als aanvulling op de door de Wmo te compenseren
                    voorzieningen en vallend buiten de verantwoordelijkheid van het college door het
                    Ministerie van VWS de Valys beschikbaar gesteld. Het college is verantwoordelijk
                    voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens
                    woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen binnen vijf OV-zones vanaf
                    diens woonadres. Valys regelt het vervoer wanneer de pashouder een
                    vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van
                    de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan
                    5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder.</al><al>Onder dit resultaat vallen ook de verplaatsingen die noodzakelijk zijn voor het
                    doen van de boodschappen (zodat ook op deze wijze het resultaat van het kunnen
                    beschikken over de eerste levensbehoeften wordt bereikt), het op bezoek gaan en
                    het afleggen van bezoeken aan artsen/specialisten, paramedici en
                    ziekenhuisonderzoek. Ook het vervoer om in de natuur te zijn, al dan niet met
                    familie of vrienden, of het vervoer om een kerk, een sporthal, of een museum te
                    bezoeken, valt onder de compensatieplicht.</al><al>Lid 2 geeft aan dat om dit resultaat te bereiken compensatie kan worden geboden
                    in de vorm van individuele voorzieningen. Om hierbij te komen tot maatwerk zal
                    de vervoersbehoefte van de belanghebbende uitgangspunt zijn van de beoordeling
                    welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken.
                    Goedkoopst-compenserend is leidraad tijdens het maken van de afweging(en).</al><al><vet>TE BEREIKEN RESULTATEN TEN AANZIEN VAN DAGINVULLING</vet></al><al><vet>Artikel 14. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                        te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en/of religieuze
                        activiteiten</vet></al><al>Lid 1 gaat over het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                    contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve,
                    maatschappelijke en/of religieuze activiteiten. Deze bestaat uit het kunnen
                    afleggen van gewenste bezoeken en het deel kunnen nemen aan gewenste
                    activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van
                    bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het
                    verenigingsleven (o.a. sportvereniging), maar ook het volgen van cursussen om de
                    vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen. Voorwaarden hiervoor is
                    onder andere het zich kunnen verplaatsen naar deze bestemmingen.</al><al>Lid 2 geeft aan dat om dit resultaat te bereiken compensatie kan worden geboden
                    in de vorm van individuele voorzieningen. Goedkoopst-compenserend is leidraad
                    tijdens het maken van de afweging(en).</al><al><vet>HOOFDSTUK 5. COMPENSATIE DOOR MIDDEL VAN EEN INDIVIDUELE
                    VOORZIENING</vet></al><al><vet>Artikel 15. Compensatie door middel van een individuele
                    voorziening</vet></al><al>Lid 1 onder a bepaalt dat een individuele voorziening kan worden toegekend als
                    deze langdurig noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke
                    uitzondering: hulp bij het huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname. Als
                    deze kortdurende hulp bij het huishouden niet geleverd kan worden als algemene
                    voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal deze
                    hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te
                    bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is, dient gerekend te
                    worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemands gehele
                    verdere leven noodzakelijk zijn.</al><al>Lid 1 onder b bepaalt dat een individuele voorziening wordt toegekend als deze
                    voorziening als goedkoopst-compenserend kan worden aangemerkt. In de eerste
                    plaats gaat het erom dat een voorziening compenseert, zodat het te bereiken
                    resultaat daadwerkelijk wordt bereikt. Maar wanneer er meerdere voorzieningen in
                    de situatie compenserend blijken te zijn, mag volstaan worden met de goedkoopste
                    voorziening.</al><al>Lid 2 bepaalt onder a, b en c dat geen individuele voorziening wordt toegekend
                    als (wettelijk) voorliggende voorzieningen en/of gebruikelijke zorg voldoende
                    compensatie bieden en leiden tot het beoogde resultaat. Verder wordt geen
                    individuele voorziening toegekend als het hoofdverblijf van de belanghebbende
                    niet in de gemeente Steenbergen is of wanneer niet meer is na te gaan of de
                    voorziening noodzakelijk was en of er wel sprake was van een goedkoopst
                    compenserende voorziening. In dit laatste geval kan na het vaststellen van de
                    ondersteuningsbehoefte en de hiervoor passende oplossing(en) het college
                    volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de
                    goedkoopst-compenserende voorziening.</al><al>Lid 2 bepaalt onder d dat geen individuele voorziening wordt toegekend als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het aan de belanghebbende verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Indien
                    een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of
                    het mogelijk is deze derde aansprakelijk te stellen om zodoende de kosten te
                    kunnen verhalen. Hiervoor is de belanghebbende zelf aansprakelijk. Dit geldt
                    eveneens voor het afsluiten van verzekeringen van in eigendom verstrekte
                    goederen.</al><al>Lid 2 onder e bepaalt tot slot dat geen individuele voorziening wordt toegekend
                    als het college door belanghebbende niet in staat wordt gesteld door middel van
                    (medisch) onderzoek de compensatienoodzaak vast te stellen. Het college moet
                    hiervoor onderzoek kunnen verrichten naar de persoonlijke situatie van
                    belanghebbende en/of diens sociale netwerk.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6. VERSTREKKING IN NATURA, ALS PERSOONSGEBONDEN BUDGET EN ALS
                        FINANCIËLE TEGEMOETKOMING</vet></al><al><vet>Artikel 16. Mogelijke verstrekkingwijzen</vet></al><al>In dit artikel wordt behandeld in welke vormen individuele voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. Artikel 6 van de Wmo geeft aan dat het college de
                    belanghebbende die aanspraak heeft op een individuele voorzieningen de keuze
                    biedt tussen een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Daarnaast
                    geeft artikel 7 van de Wmo aan dat er ook een mogelijkheid is voor een
                    financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of
                    aan een woonruimte.</al><al><vet>Artikel 17. Overwegende bezwaren persoonsgebonden budget</vet></al><al>Artikel 17 bepaalt dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                    verstrekt wordt door het college opgenomen moeten worden in het Financieel
                    besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenbergen. Het aantal
                    situaties waarin dit is voorgekomen is nog zeer beperkt, maar in de loop der
                    jaren zullen meer situaties ontstaan waarin tegen het verstrekken van een pgb
                    overwegende bezwaren bestaan. Dit kan onder andere zijn als vast staat dat
                    belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. De keuze hiervoor moet
                    altijd onderbouwd worden en uitzonderingen moeten mogelijk zijn.</al><al><vet>HOOFDSTUK 7. EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL</vet></al><al><vet>Artikel 18. Eigen bijdrage en eigen aandeel</vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een pgb, een eigen bijdragen te vragen. Artikel 19 van de wet biedt
                    de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het
                    inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het
                    zogeheten eigen aandeel.</al><al>In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals
                    opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze
                    waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Financieel besluit
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenbergen wordt vastgelegd. Het
                    college heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de
                    mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de
                    verschillende bedragen vast te stellen. Deze bedragen worden in het Financieel
                    besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenbergen opgenomen.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage of aandeel wordt dit in de
                    artikel 5 lid 4 genoemde rapportage opgenomen.</al><al><vet>HOOFDSTUK 8. PROCEDURELE BEPALINGEN RONDOM BESLISTERMIJNEN,</vet></al><al><vet>ONDERZOEK, ADVISERING, BESLUITVORMING, INTREKKING EN
                    TERUGVORDERING</vet></al><al><vet>Artikel 19. Beslistermijn</vet></al><al>De Wmo zelf bepaalt niets over beslistermijnen. De Algemene wet bestuursrecht
                    regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, een besluit
                    genomen dient te worden binnen een redelijke termijn. Dit redelijke termijn is 8
                    weken.</al><al>Voor het te bereiken resultaat; wonen in een geschikt huis, is het hanteren van
                    langere termijnen noodzakelijk wanneer er bouwkundige offertes opgevraagd dienen
                    te worden.</al><al><vet>Artikel 20. Onderzoek en advisering</vet></al><al>Artikel 20 bepaalt dat het college bevoegd is om, voor zover dit van belang kan
                    zijn voor de vaststelling van de compensatienoodzaak en de beoordeling van de
                    melding of aanvraag voor een individuele voorziening, degene door wie een
                    melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke zorg diens relevante
                    huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                    bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen en/of hem door één of meer daartoe
                    aangewezen (medische) deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Deze
                    laatste mogelijkheid biedt ook de gelegenheid tot (medisch) onderzoek,
                    bijvoorbeeld door een arts. Hierbij zal de ICF terminologie gebruikt worden met
                    het oog op de consistentie van verslag, onderzoek en beoordeling.</al><al>Van bovenstaande mogelijkheden wordt alleen gebruik gemaakt als zonder dit
                    onderzoek geen zorgvuldige besluitvorming plaats kan vinden. In principe mag van
                    de belanghebbende verwacht worden mee te werken. Is de belanghebbende niet
                    bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder deze
                    medewerking een zorgvuldig besluit genomen kan worden. Is het maken van een
                    zorgvuldig besluit wel mogelijk dan zal dat besluit genomen moeten worden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>geeft aan dat wanneer voor het vaststellen van de compensatienoodzaak en de
                    beoordeling van de melding of aanvraag voor een individuele voorziening het
                    noodzakelijk is om medische informatie over de belanghebbende op te vragen bij
                    (medisch) deskundigen, een ondertekende toestemmingsverklaring van
                    belanghebbende dan noodzakelijk is op grond van onder andere de privacywet. Het
                    opvragen van de medische informatie zal geschieden door de in lid 1 van dit
                    artikel genoemde aangewezen (medische) deskundige(n). De toestemming kan door
                    belanghebbende worden verleend middels het ondertekenen van een door of namens
                    het college ter beschikking gestelde toestemmingsverklaring.</al><al><vet>Artikel 21. Wijziging situatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie voor de belanghebbende
                    de plicht bestaat het college hiervan op de hoogte te stellen als men kan
                    vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Bij een
                    aantal situaties kan de gemeente ook via het GBA kennis hebben genomen van deze
                    gewijzigde omstandigheid, maar dat is niet bij alle situaties zo. In die
                    situaties kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen worden
                    doorgegeven.</al><al><vet>Artikel 22. Heronderzoek</vet></al><al>In geval er op grond van de Wmo eerder een toekenning van een (individuele)
                    voorziening heeft plaatsgevonden, is het college bevoegd om op eigen initiatief
                    een heronderzoek in te (laten) stellen. Maatschappelijke, financiële, juridische
                    ontwikkelingen kunnen het noodzakelijk maken een heronderzoek uit te voeren. Een
                    heronderzoek wordt ingesteld met als doel te toetsen of de (individuele)
                    voorziening nog als goedkoopst-compenserend aangemerkt kan worden. Indien
                    collectieve voorzieningen zijn gerealiseerd die in de plaats kunnen komen van
                    individuele voorzieningen zal de toekenning van de individuele voorziening
                    hierop aangepast worden. Hierbij worden de persoonlijke omstandigheden
                    meegewogen.</al><al><vet>Artikel 23. Intrekking</vet></al><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden als bij de toekenning
                    voorwaarden gesteld zijn en daar op enig moment niet of niet meer aan is voldaan
                    of als de situatie beslist is op onjuist verstrekte gegevens. Wanneer het
                    besluit geheel of gedeeltelijk is ingetrokken bestaat tevens de mogelijkheid tot
                    terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent. Dat is in artikel 24
                    geregeld. Een besluit wordt genomen met de bedoeling dat men daar een
                    voorziening mee treft. Als binnen drie maanden na het nemen van het besluit de
                    voorziening nog niet is getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing
                    geheel of ten dele in te trekken. Uitzondering op deze drie maanden is het
                    indienen van een gereedmelding na uitvoering van een (complexe) woonvoorziening
                    ten behoeve van het resultaat: wonen in een geschikt huis.</al><al><vet>Artikel 24. Terugvordering</vet></al><al>Indien een besluit is ingetrokken kan tot terugvordering worden overgegaan
                    indien de voorziening zich daartoe leent. Voorwaarde voor terugvordering is dat
                    het recht op de voorziening is ingetrokken. Een voorziening verstrekt middels
                    een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget of een voorziening in
                    eigendom of natura kunnen worden teruggevorderd. Er wordt aangesloten bij
                    wettelijke termijnen van verhaal zoals opgenomen in de Awb (artikel 4:104 en
                    artikel 4:111. Een vordering verjaart na vijf jaar.</al><al>Als blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een pgb binnen drie maanden na
                    de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor
                    deze verleend is, wordt deze teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen
                    waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding, aan de aanschaf
                    van de voorziening vooraf is gegaan.</al><al>Uitzondering op deze drie maanden is het indienen van een gereedmelding na
                    uitvoering van een (complexe) woonvoorziening ten behoeve van het resultaat:
                    wonen in een geschikt huis.</al><al><vet>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 25. Hardheidsclausule</vet></al><al>Artikel 25 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    belanghebbende kan afwijken van de bepalingen van deze verordening en dus niet
                    van de in de wet genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen
                    van de in artikel 20 genoemde aangewezen (medische) deskundige(n). Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. Het college moet in verband met precendentwerking dan ook
                    duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al><vet>Artikel 26. Indexering</vet></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de verordening
                    gebaseerde Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                    Steenbergen aan te passen.</al><al><vet>Artikel 27. Evaluatie</vet></al><al>De wet vereist evaluatie. Indien de evaluatie daar aanleiding toe geeft wordt de
                    verordening aangepast.</al><al><vet>Artikel 28. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 29. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel regelt hoe deze verordening geciteerd gaat worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>