<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR298348_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-06-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, artikel 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-02-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/48</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening inzake de behandelling van bezwaar- en beroepschriften</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente
                        Steenwijkerland;</al><al/><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college;</al><al/><al>gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht(Awb);</al><al/><al>besluiten</al><al/><al>vast te stellen de verordening:</al><al/><al>Verordening commissie bezwaarschriften</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                    genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de
                                    bezwaarschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van: </al><lijst><li nr="o"><al> een wettelijk voorschrift inzake belastingen;</al></li><li nr="o"><al>de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en een genoegzaam aantal
                                vice-voorzitters en leden, die worden benoemd, geschorst en
                                ontslagen door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter, vice-voorzitter(s) en de leden van de commissie
                                kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder
                                verantwoordelijkheid van een gemeentelijk bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie splitst zich in elk geval op in een Algemene kamer, een
                                Sociale kamer en een Personele kamer, die belast worden met de
                                behandeling van bezwaarschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke kamer bestaat uit drie leden, te weten een voorzitter en twee
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Eén lid van de Personele kamer en zijn plaatsvervanger worden
                                benoemd op voordracht van de organisaties van overheidspersoneel die
                                zijn vertegenwoordigd in de commissie als bedoeld in artikel 12.1,
                                tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                sector gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met betrekking tot de werkwijze van de kamers is het bepaalde in
                                deze verordening zoveel mogelijk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie en haar kamers is een door het
                                college aangewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst zo nodig meerdere ambtenaren aan voor het bekleden
                                van het secretariaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is eveneens bevoegd om ook andere personen, niet zijnde
                                ambtenaar, aan te wijzen als secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                                termijn van vijf jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de
                                commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie mogen op de dag waarop de
                                benoeming of herbenoeming ingaat, de leeftijd van 70 jaar nog niet
                                hebben bereikt. Als de voorzitter of de leden van de commissie
                                gedurende de zittingsduur de leeftijd van 70 jaar bereiken, mogen ze
                                de lopende zittingsduur afmaken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het gestelde in de leden één en vier is niet van toepassing op de
                                voorzitter en de leden die reeds lid waren van de commissie op het
                                tijdstip waarop deze verordening in werking treedt. Het college
                                stelt voor hen een rooster van aftreden vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>Het bestuursorgaan onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt
                            alvorens de zaak verder in behandeling wordt genomen. De secretaris en
                            de medewerker(s) van de behandelende afdeling verrichten daartoe de
                            nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                            voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter
                            van de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al> artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al> artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                    termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                    tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                                minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                                verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken
                                het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het
                            aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn
                            plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de Algemene kamer van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De zittingen van de Sociale kamer en de Personele kamer vinden
                                achter gesloten deuren plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Awb vermeldt de namen van de
                                aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden, niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>4Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten
                                tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist
                                op zo een verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                                door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                commissie ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in
                                artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de
                                Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de belanghebbenden een
                                afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt terstond na bekendmaking in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, M.A.J. van der Tas </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, A. ten Hoff</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester, M.A. J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De secretaris, S.S. Weistra</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening commissie
                            bezwaarschriften</titel></kop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                            gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het
                            hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen.
                            Duidelijk is dat de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college
                            en de burgemeester hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het
                            besluit tot het instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze
                            manier is het mogelijk dat de bestuursorganen samen een en dezelfde
                            commissie instellen om te adviseren op bezwaren tegen besluiten van de
                            raad, het college en de burgemeester. De ondertekening gebeurt eveneens
                            door de drie bestuursorganen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in
                            de Awb voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip
                            'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening
                            voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen,
                            wordt in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de
                            gemeenteraad betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de
                            burgemeester of een commissie waaraan via delegatie bepaalde
                            bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                            overgedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><al>De commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig
                            geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het
                            maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>Uiteraard is het tweede lid een facultatieve bepaling. Denkbaar is dat
                            van de hier geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt voor die
                            bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo specifieke materie of
                            voor onderwerpen waarover zulke grote aantallen bezwaarschriften te
                            verwachten zijn dat het wenselijk is daarvoor een andere methodiek van
                            horen en adviseren te hanteren. Hierbij kan gedacht worden aan
                            belastingzaken en WOZ-zaken. Over de twee laatstgenoemde zaken dient
                            opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de
                            WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen,
                            het horen en de geheimhouding. In verband hiermee is er in deze
                            verordening voor gekozen de besluiten op basis van deze wetgeving in elk
                            geval uit te zonderen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>Gelet op het grote aantal te behandelen bezwaarschriften en het
                            onderscheid in onderwerp is het wenselijk de commissie op te splitsen in
                            kamers. In de verordening is dit vastgelegd. In verband daarmee is het
                            gewenst, dat de commissie bestaat uit een voorzitter, één of meer
                            vice-voorzitters en een genoegzaam aantal leden. Er is gekozen voor een
                            Algemene kamer, een Sociale kamer en een Personele kamer. De woorden “in
                            elk geval” in het derde lid, maken het mogelijk op enig moment meer
                            kamers in te stellen.</al><al>In zitting bijeen bestaat een kamer uit een (vice-)voorzitter en twee
                            leden. De benoeming van een genoegzaam aantal leden maakt het mogelijk
                            per zitting leden in te roosteren. Alle leden hebben op die wijze met
                            grote regelmaat zitting. Dit bevordert de betrokkenheid van de leden.
                            Hiermee is de noodzaak van benoeming van plaatsvervangende leden in
                            principe vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>Het derde lid van dit artikel maakt het mogelijk om het secretariaat uit
                            te besteden. Daarvan wordt op dit moment structureel gebruik gemaakt bij
                            de Personele kamer en incidenteel bij de andere kamers.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>De tot dusverre geldende verordening voor de commissie kent geen limiet
                            in het aantal malen dat een voorzitter of commissielid kan worden
                            herbenoemd.</al><al>Wij achten het gewenst om de zittingsduur thans zodanig te reguleren dat
                            enerzijds de deskundigheid van de commissie gewaarborgd blijft, maar er
                            anderzijds toch periodiek “doorstroming” plaatsvindt. Het eerste lid van
                            dit artikel voorziet hierin met een benoemingstermijn van vijf jaar en
                            de mogelijkheid van herbenoeming van één keer. </al><al>Het artikel voorziet tevens in een leeftijdsgrens van 70 die gelijk is
                            aan de leeftijdsgrens voor leden van de rechterlijke macht. Deze
                            leeftijdsgrens geldt voor de dag van benoeming of herbenoeming. </al><al>Voor de zittende leden wordt een rooster van aftreden vastgesteld zodat
                            de continuïteit bij de commissie gewaarborgd blijft. </al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen.
                            Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de
                            afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van
                            het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen
                            worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                            bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                            ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke
                            onderwerpen in de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr="1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel
                                            6:7).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na
                                            die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend
                                            is gemaakt (artikel 6:8).</al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een
                                            combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van
                                            toepassing (artikel 6:9, tweede lid).</al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te
                                            laat ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en
                                            6:11).</al></li><li nr="5."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van
                                            een besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel
                                            6:12).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14
                                    tot en met 6:15): </al><lijst><li nr="1."><al> Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het
                                            orgaan waarbij het bezwaarschrift is ingediend.</al></li><li nr="2."><al> Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending
                            per post ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het
                            ontvangstbewijs kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat
                            hij in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, mits de
                            mededeling spoedig na de ontvangst van het bezwaarschrift kan worden
                            gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de
                            datum van ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is
                            verzonden te bewaren. Dit is gezien het belang van de datum van de
                            poststempel en ter voorkoming van onnodige geschillen over de
                            ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax verzonden
                            bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn te
                            zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn
                            aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de
                            zendende als de ontvangende faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16
                            mei 2000, AB 00/325). Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook
                            mogelijk. Wel is het zo dat het bestuursorgaan deze weg expliciet moet
                            openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om
                            een apart e-mail adres in te richten voor de ontvangst van
                            bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een bezwaarschrift
                            heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet heeft
                            toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                            brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken
                            het bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een
                            per e-mail ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch
                            niet-ontvankelijk worden verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                            uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend
                            bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde bestuursrechter. Dit
                            heeft betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde
                            instantie is ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb
                            dient namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als
                            tijdig ingediend te beschouwen indien de indiening bij de onbevoegde
                            instantie tijdig is geschied, tenzij belanghebbende kennelijk misbruik
                            heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid, zoals gewijzigd bij de
                            Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april 2002). Hiervan
                            is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens en
                            wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient.
                            Wanneer het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het
                            bevoegd orgaan beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van
                            verwijtbaar handelen van de indiener die daarvoor zelf het risico loopt.
                            In beginsel moet doorzending binnen twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit
                            niet, dan komt dit niet voor risico van belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                            bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de
                            afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier
                            gestelde (zo spoedig mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over
                            het bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn
                            van zes weken wordt verlengd tot twaalf weken met een
                            verdagingsmogelijkheid van zes weken (artikel 7:10). Wellicht ten
                            overvloede wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling verdient indieners
                            al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte te brengen van de te
                            volgen procedure.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>Alternatieve geschillenbeslechting wordt bij de meeste bestuursorganen
                            en rechtbanken op een bepaalde manier toegepast. Veel voorkomende vormen
                            zijn (pre)-mediation of een andere aanpak.</al><al>Bij de andere aanpak wordt vaak na ontvangst van het bezwaarschrift
                            meteen gebeld naar de bezwaarde. Op deze manier kunnen misverstanden
                            worden rechtgezet, het besluit nader worden toegelicht etc. Dit kan
                            leiden tot intrekking van het bezwaarschrift.</al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een
                            mediator naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de
                            voeten kunnen. Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en
                            afspraken die hierbij horen worden formeel in een overeenkomst
                            vastgelegd.</al><al>De keuze om al dan niet tot mediation over te gaan is aan het
                            bestuursorgaan, dat ook de grenzen van de onderhandelingsruimte dient
                            vast te stellen.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging
                            mogelijk is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en
                            beroep bij niet tijdig beslissen is het van belang dat, indien er
                            gesproken wordt over mogelijke oplossingen buiten de bezwaarprocedure
                            om, formeel wordt vastgelegd dat de beslistermijn van het bezwaarschrift
                            wordt opgeschort tot het moment dat aan de secretaris wordt meegedeeld
                            wat de uitkomst van de bemiddelingspoging is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de
                            toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit
                            uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid
                            door de voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt
                            uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan
                            ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb
                            luiden als volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                            verlangen.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij
                            al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet
                            gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of
                            beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de
                            gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe
                            gestelde termijn.</al><al>Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt
                            vastgesteld door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een
                            vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in
                            algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou
                            moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een
                            redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee
                            weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds
                            moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                            geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn
                            dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit
                            jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het bieden van
                            een hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog
                            gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het
                            verzuim en waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet
                            worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten
                            worden welke consequentie verbonden is aan het niet-voldoen aan deze
                            verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze waarop artikel 6:6
                            is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het
                            bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                            uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                            situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift
                            waardoor - ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden
                            afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
                            voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend
                            bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk
                            opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een
                            verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop
                            het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                            verstreken.</al><al>Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd
                            is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende
                            stukken in elk geval aan de gemachtigde.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de
                            commissie betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het
                            verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan de
                            gemachtigde van een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG
                            2001/30).</al><al>Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                            betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten
                            minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</al><al>Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                            verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe
                            van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting:
                            wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte
                            ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om
                            stukken in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van
                            ter-inzage-legging (Rb. Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996,
                            19).</al><al>Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                            toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding
                            om gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen
                            op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                            aanwezigheid.</al><al>Toelichting</al><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                            belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn
                            dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden
                            waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid
                            geeft aan dat in dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd
                            hoeven te worden over wat er in de afzonderlijke hoorzittingen is
                            besproken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor
                            dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling
                            van het bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel
                            intern bij de gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met
                            de bezwaarde in contact te treden om nadere informatie in te winnen of
                            bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te
                            geven het bezwaarschrift in te trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding
                            van de te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij
                            vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten
                            valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het
                            inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten met zich
                            meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de gemeentebegroting.
                            Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de normale kosten
                            van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere kosten
                            gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt
                            het voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het
                            college de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een
                            begrotingspost. Om deze reden is in onderhavige bepaling voor de kosten
                            voor getuigen of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd.
                            Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing het
                            werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor
                            aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald
                            dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op
                            verzoek, de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig
                            zijn voor een goede vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                            bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van
                            het advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak
                            betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen
                            afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden
                            achtergehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van
                            deze verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                            belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift
                            is dat indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al> het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken
                                    van het recht te worden gehoord;</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan
                                    gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken
                                    van het recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="e."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                                    belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                                    geschaad.</al></li></lijst><al>Ad e.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar
                            van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met
                            de voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook
                            gewezen op artikel 6:19 Awb. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien
                            een bestuursorgaan een intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen,
                            het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit
                            tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening
                            toegekend aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus
                            niet aan het bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat
                            zou overigens ook niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid,
                            waarin onder andere is bepaald dat de commissie, voor zover bij
                            wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, beslist over de toepassing
                            van artikel 7:3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend
                            orgaan uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit
                            orgaan zich ook ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden
                            voorkomen dat er, vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig
                            beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe commissie van groot
                            belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een beslissing tot
                            stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk worden om
                            een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                            oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan
                            een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden
                            voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te
                            bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om
                            hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt
                            gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de
                            termijn van 12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar
                            moet zijn beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4
                            Awb (zie hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het
                            tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden
                            verleend. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om
                            uitstel te krijgen. Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en
                            beroep bij niet tijdig beslissen is het verstandig om indien een
                            bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee ingestemd wordt, af te spreken
                            dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde periode wordt opgeschort, en
                            dit op papier te bevestigen</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om
                            te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient
                            aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van
                            de hoorzitting mededeling te doen.</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan
                            de tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij
                            artikel 8).</al><al>Artikel 7:4</al><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere
                                    stukken indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de
                                    zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het horen,
                                    gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                                    inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen
                                    op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken
                                    ter inzage zullen liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten
                                    hoogste de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing
                                    van het tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                                    belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege
                                    laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is
                                    geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling
                                    gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover
                                    ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting
                                    bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te
                                    willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade
                                    aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een
                                    belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden
                                    voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij
                                    arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                            geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in
                            de WOB opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari
                            1996, Awb katern 1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                            van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb.
                            Alkmaar, 20 oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al>Artikel 7:8 Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem
                            meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord.</al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                            bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG
                            2000/122).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                            bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie,
                            terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden
                            (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101
                            is een artikel verschenen van mr. H. Pieffers : “Horen en adviseren door
                            een onvolledige bezwaarschriftencommissie”.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog
                            niet vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van
                            niet-vooringenomenheid sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3
                            (1996), 100).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan,
                            voorzover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen
                            in het openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze
                            bevoegdheid aan de commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting
                            van de Algemene kamer in principe in het openbaar plaatsvindt.
                            Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien
                            bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard
                            of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                            commissie, die ingevolge artikel 17 van de verordening achter gesloten
                            deuren plaatsheeft.</al><al>Indien de bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op grond van
                            de Wet werk en bijstand kan het praktisch zijn een bepaling op te nemen
                            waaruit duidelijk wordt dat deze zittingen achter gesloten deuren
                            plaatsvinden. Mogelijk zijn er meer onderwerpen te noemen waarbij
                            zittingen nooit openbaar zijn, zoals bijv. urgentieverklaringen op grond
                            van de huisvestingsverordening, bepaalde aanvragen op grond van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning en bijvoorbeeld de prostitutiebepaling
                            uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Hiermee worden problemen
                            voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                            zitting.</al><al>Gelet op de aard van de bezwaarschriften die worden behandeld in de
                            Personele kamer en en de Sociale kamer is ervoor gekozen deze zittingen
                            in beslotenheid te behandelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een
                            verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan
                            het verslag worden niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens
                            niet aan in de weg dat in de verordening een vaste procedure wordt
                            opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al
                            het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit
                            het verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig
                            was en wat door hen naar voren is gebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen
                            die op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan
                            aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te
                            horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie
                            te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb
                            wordt bepaald dat indien het in het hier bedoelde geval feiten of
                            omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te nemen beslissing van
                            aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt
                            meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                            gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet
                            van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                            belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren.
                            Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als
                            nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een
                            zorgvuldige procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet
                            rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder dat de andere
                            belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                            dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                            1999/311).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe
                            openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren
                            plaats.</al><al>Het derde lid is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum
                            wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer
                            leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                            artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen
                            bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder
                            12); de advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet
                            aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het
                            advies tot stand komt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie
                            is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari
                            2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621).</al><al>Consultatie per e-mail is eveneens mogelijk.</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in
                            strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State,
                            Afdeling bestuursrechtspraak 19 oktober 1998, JB 1998/257). Uit het
                            derde lid van dit artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen
                            op te dragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en
                            niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan)
                            volgt niet dat de gehele advisering kan worden opgedragen aan de
                            voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                            beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                            6 januari 1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking
                            getreden. Deze wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten
                            die een belanghebbende maakt bij de behandeling van een door hem
                            ingediend bezwaarschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15 en
                            8:75 Awb. Een verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan
                            voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Doorgaans zal
                            een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                            hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat
                            geval ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een
                            vergoeding en zo ja over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit
                            laatste kan worden ontleend aan het Besluit proceskosten
                            bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure
                            het verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie
                            en wordt het schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken,
                            behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de
                            mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de
                            voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als
                            hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan
                            verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb
                            zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en
                            mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing.
                            Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een
                            besluit niet in werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt
                            voor de hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van
                            het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al>Afronding van de procedure</al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en
                            eindigt er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie
                            schriftelijk advies wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna
                            dient te gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op
                            grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats te
                            vinden. Is een bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan wordt aan
                            heroverweging niet toegekomen. Voor zover de heroverweging daartoe
                            aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en
                            neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit
                            nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                            (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                            bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid
                            van art 7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent
                            dat de toetsing niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid,
                            maar binnen de grenzen van de wet zich ook dient uit te strekken tot
                            beleidsmatige en bestuurlijke aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat
                            rekening moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en
                            omstandigheden. De feiten en omstandigheden van het moment waarop het
                            nieuwe besluit wordt genomen zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te
                            geschieden. Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die
                            geheel los van de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten
                            beschouwing blijven. Het bestuursorgaan zal daarbij de naar voren
                            gebrachte bezwaren voldoende ruim naar hun strekking moeten opvatten.
                            Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt dat deze, ondanks een
                            beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan
                            zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering
                            van de positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                            bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                            Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar
                            maakt tegen bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren
                            gehonoreerd kunnen worden. Dit is het wezen van de
                            bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het
                            bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij
                            de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van
                            belang dat indien van het advies van de commissie wordt afgeweken in de
                            beslissing de reden van die afwijking wordt vermeld en het advies met de
                            beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt
                            voorgeschreven dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de
                            beslissing op het bezwaar, daarvan bij de bekendmaking van de beslissing
                            melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden aangegeven door wie, binnen
                            welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                            inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften
                            inhouden geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van
                            besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing
                            op algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft
                            dat op besluiten, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, van
                            dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn en
                            wel voorzover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet).
                            Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                            inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. De
                            bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                            andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                            (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>