<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR298093_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordeningen Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Beverwijk 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Kennemer, 13-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2013 gemeente Beverwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2013-01-24">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1, sub c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=30&amp;g=2013-01-24">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadstuk: 2012/57268</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum inwerkingtreding is onjuist opgenomen in de verordening vanwege het ontbreken van een inwerkingstredingbepaling met terugwerkende kracht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordeningen Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Beverwijk
            2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Beverwijk;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 november 2012,
                        nummer 2012/57268;</al><al/><al>gehoord de commissie Onderwijs, Sociale Zaken, Cultuur en Welzijn d.d. 18
                        december 2012;</al><al/><al><cursief>Ten aanzien van de verordening toeslagen en verlagingen
                            2013</cursief></al><al>gelet op artikel 8, lid 1 onder c juncto artikel 30 van de wet;</al><al/><al>Besluit:</al><lijst><li nr=""><al>Vast te stellen de verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en
                                bijstand gemeente Beverwijk 2013</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Beverwijk;</al></li><li nr="c."><al>woning: een woning, een woonwagen of een woonschip;</al></li><li nr="d."><al>woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de geldende
                                        huurprijs; of</al></li><li nr=""><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente,
                                        de in verband met het in eigendom hebben van de woning te
                                        betalen zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast
                                        te stellen bedrag voor onderhoud;</al></li><li nr="e."><al>gehuwdennorm; de norm als bedoeld in artikel 21, onder c,
                                        van de wet.</al></li><li nr="f."><al>verzorgingsbehoevende: persoon, die zonder de verzorging zou
                                        zijn aangewezen op opname in een instelling ter verzorging
                                        of verpleging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet en de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieaanduiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan
                                pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid
                                van de Algemene Ouderdomswet, aan wie bijstand kan worden verleend,
                                geldt een categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder; of</al></li><li nr="c."><al>gehuwde.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verhogingscriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt
                                20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                                ouder in wiens woning geen ander hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet bedraagt
                                10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande
                                ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander, die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>niet ten laste komende kinderen met een inkomen van ten
                                        hoogste de norm als bedoeld in artikel 21, onder a, van de
                                        wet, vermeerderd met de gemeentelijke toeslag als bedoeld in
                                        atikel 3 lid 2 van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder, die
                                        verzorgingsbehoevende is dan wel in wiens woning een
                                        verzorgingsbehoevende zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ouder en thuiswonend kind</titel></kop><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeaslag als bedoeld in artikel
                            25 eerste lid van de wet:</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die hoofdbewoner
                                    is en in wiens woning één of meer kinderen van 18 jaar of ouder
                                    die zelf ook een WWB-uitkering ontvangen hun hoofdverblijf
                                    hebben 15% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="2."><al>voor de alleenstaande of alleenstaande ouder, die zijn
                                    hoofdverblijf heeft in de woning waarvan zijn ouder hoofdbewoner
                                    is 5% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Toeslag 21- en 22 jarigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 en artikel 4 bedraagt de toeslag als
                                bedoeld in artikel 25 eerste lid van de wet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een zelfstandig wonende alleenstaande van 21 jaar 0% van de
                                        gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>een zelfstandig wonende alleenstaande van 22 jaar 10% van de
                                        gehuwdennorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de 22-jarige bedoeld in het vorige lid met één of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, wordt de toeslag als
                                bedoeld in het eerste lid 0% van de gehuwdennorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlagingen bijstandsnorm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van
                                de gehuwdennorm voor gehuwden, in wiens woning een ander zijn
                                hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde van artikel 3 en het eerste lid van artikel 4 zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlagingen bij ontbreken woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 18% van
                                de gehuwdennorm, indien belanghebbende geen woning bewoont, dan wel
                                een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid kan voor de alleenstaande
                                en de alleenstaande ouder niet leiden tot een uitkering, die lager
                                is dan de norm als bedoeld in artikel 21, onder a of b, van de
                                wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslisit in gevallen waarin deze verordening niet
                                voorziet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de gemeenteraad jaarlijks over de uitvoering
                                van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>in gevallen waarin de toepassing van deze verordening een bijzondere
                            hardheid zou betekenen voor de belanghebbende is het college bevoegd om
                            af te wijken van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 4 wordt uitsluitend toegepast bij aanvragen, ingediend vanaf
                                de datum waarop deze verordening in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien en voor zover een uitkeringsgerechtigde die op 31 december
                                2012 bijstand ontving door toepassing van één of meer bepalingen van
                                deze verordening recht heeft op een lagere toeslag dan met
                                toepassing van de tot 1 januari 2013 geldende verordening, blijft
                                deze laatste verordening gedurende maximaal een jaar van
                                kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al>Gelijktijdig wordt de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en
                            bijstand 2012 gemeente Beverwijk ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand 2013 gemeente Beverwijk.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Beverwijk, 24 januari 2013</al><al>de raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2013) gemeente Beverwijk</label></kop><al><vet>Toelichting algemeen</vet></al><al>Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dient de gemeenteraad een verordening
                    vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als
                    bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c juncto artikel 30 van de wet. Bij de
                    inwerkingtreding van de WWB heeft de raad de onder de Algemene bijstandswet al
                    geldende verordening van toepassing verklaard. </al><al>Per 1 april 2012 trad een nieuwe verordening in werking, vanwege de introductie
                    per 1 januari 2012 in de wet van het begrip ‘gezinsnorm’ en de daaruit
                    voortvloeiende huishoudinkomenstoets.</al><al>Na het zgn. Voorjaarsakkoord is deze toets weer ongedaan gemaakt. Dat maakte het
                    nodig de verordening weer aan te passen.</al><al>Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt om een inhoudelijke wijziging van de
                    toeslag van thuisinwonende kinderen in te voeren. Deze kinderen hebben niet
                    langer recht op een gemeentelijke toeslag van 10% maar van 5%. De toeslag voor
                    de ouder wordt in dat geval 15%. De overweging is dat een thuisinwonend kind
                    lagere bestaanskosten heeft dan iemand die zelfstandig wonend is. Ook wordt
                    daardoor een betere verhouding bereikt in het uitkeringniveau van de ouder waar
                    het kind inwoont en dat van het kind zelf. Onder de werking van de ‘oude’
                    verordening kregen beiden een gemeentelijke toeslag van 10%, terwijl in de
                    praktijk de ouder voor het grootste deel van de vaste lasten stond. De jongere
                    had daarmee financieel een bevoorrechte positie. Dat wordt met de bepalingen in
                    deze nieuwe verordening ongedaan gemaakt. De ouder krijgt een toeslag van 15% en
                    de inwonende jongere van 5%.</al><al>Zie verder de toelichting bij de artikelen 3 en 4.</al><al/><al><vet>Toelichting per artikel </vet></al><al><cursief>Artikel 1 Begripsbepalingen</cursief></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Artikel 2 </cursief><cursief>Categorieaanduiding</cursief></al><al>De werking van deze verordening is beperkt tot uitkeringsgerechtigden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot het moment dat men AOW-grechtigd is. De artikelen
                    26, 27 en 28 WWB maken ook categoriale verlagingen mogelijk voor
                    uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20 jaar. Deze uitkeringsgerechtigden hebben
                    echter al een lagere norm (de jongerennorm), omdat zij in principe een beroep
                    kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht.</al><al/><al>Wanneer het niet toepassen van de verordening op uitkeringsgerechtigden van
                    18,19 of 20 jaar onredelijke uitkomsten geeft, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18, eerste lid, van de wet de bijstand anders vast te
                    stellen. </al><al/><al><cursief>Artikel 3 </cursief><cursief>Verhogingscriteria</cursief></al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Alleenstaanden en alleenstaande ouders die de kosten niet met een ander kunnen
                    delen (in de woning heeft geen ander zijn hoofdverblijf) hebben recht op de
                    maximale toeslag van 20% van de gehuwdennorm. Dit volgt uit artikel 30, tweede
                    lid, onder a, van de wet.</al><al>Bij huur van een kamer van een kamerverhuurbedrijf wordt de kamer als
                    zelfstandige wooneenheid aangemerkt en bestaat recht op de maximale toeslag van
                    20% van de gehuwdennorm. Of hiervan sprake is, moet blijken uit concrete feiten
                    en omstandigheden. Criteria kunnen zijn: het contract, het antwoord op de vraag
                    of de verhuurder zelf ook het pand bewoont als hoofdbewoner, het aantal
                    verhuurde eenheden en of er sprake is van alle faciliteiten om van zelfstandige
                    bewoning te kunnen spreken.</al><al/><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Wanneer in de woning van de uitkeringsgerechtigde een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt er vanuit gegaan dat deze bepaalde kosten kan delen (bijvoorbeeld
                    huur en energiekosten). Het is niet van belang of de uitkeringsgerechtigde de
                    kosten daadwerkelijk deelt. Dat is een verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigde zelf.</al><al/><al>Omdat de uitkeringsgerechtigde niet <onderstreept>alle</onderstreept>
                    noodzakelijke kosten van bestaan kan delen, ontvangt hij wel een toeslag, maar
                    deze is lager dan de toeslag van het eerste lid en bedraagt 10% van de
                    gehuwdennorm. De toeslag is ook 10% als meer dan één ander zijn hoofdverblijf
                    heeft in dezelfde woning. Zolang er sprake is van een zelfstandige huishouding,
                    blijft een deel van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan uitsluitend
                    voor rekening van de uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>Voor huur van kamers bij een kamerverhuurbedrijf wordt verwezen naar de
                    toelichting op het eerste lid.</al><al/><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Het gaat hier om het delen van kosten met één of meer inwonende kinderen met een
                    eigen inkomen (geen WWB). De alleenstaande en alleenstaande ouder moeten daarom
                    de inlichtingen over de inkomsten van het kind verstrekken om vast te kunnen
                    stellen of dit lid van toepassing is. </al><al>De wet bepaalt in artikel 25 dat de kosten <onderstreept>in elk
                        geval</onderstreept> niet kunnen worden gedeeld met thuisinwonende kinderen
                    van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten
                    hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel
                    3.18 van de Wet Studiefinanciering 2000. Dat bedrag is in 2012:</al><al>€ 604,15. Wij kiezen als grens voor de basisnorm voor een alleenstaande
                    vermeerderd met 10% (samen € 802,13) omdat het is een prikkel voor het kind om
                    (meer) te verdienen zonder dat dit onmiddellijk van invloed is op de uitkering
                    van de ouder.</al><al/><al>Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoefte
                    kan worden aangenomen. De verzorgende neemt bepaalde taken van de verzorging op
                    zich die anders zouden zijn gegeven in een instelling ter verzorging of
                    verpleging.</al><al>Zorgbehoevenden en verzorgenden, tussen wie een eerste- of tweedegraads
                    bloedverwantschap bestaat, worden op grond van artikel 4 van de wet eveneens
                    niet aangemerkt als degenen in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft.</al><al/><al><cursief>Artikel 4 Ouder en thuisinwonende kind</cursief></al><al>De toeslag voor de alleenstaande (ouder) met uitsluitend inwoning van één of
                    meer niet tot hun last behorende kinderen vanaf 18 jaar met een
                    bijstandsuitkering, is vanaf 1-1-2013 bepaald op 15% van de gehuwdennorm.</al><al>In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de gemeentelijke toeslag voor
                    een thuisinwonende kind is bepaald op 5% of de ouder nu wel of niet ook bijstand
                    ontvangt. Daarbij is overwogen dat een inwonend kind voor veel minder kosten
                    staat dat een zelfstandig wonend persoon. De praktijk leert dat de ouder voor
                    het voor (vrijwel) alle vaste lasten staat en dat het kind daardoor feitelijk
                    over een hoger besteedbaar inkomen beschikt dan de ouder. Dat geeft scheve
                    verhoudingen in het gezin. Ook vergeleken met een persoon die besluit op kamers
                    te gaan wonen geeft een scheef beeld; zo’n persoon krijgt een toeslag van 10%
                    maar staat voor veel meer kosten dan het kind dat bij zijn ouder(s)
                    inwoont.</al><al/><al><cursief>Artikel 5 Toeslag 21- en 22-jarigen</cursief></al><al>De wet geeft de mogelijkheid de toeslag voor 21- en 22-jarige zelfstandig
                    wonende alleenstaanden lager vast te stellen. Dan kan zich voordoen als het
                    college van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte
                    van de toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid
                    (artikel 29 WWB).</al><al>De bijstandsnorm voor een 21-jarige met een toeslag van 20% is gelijk aan het
                    voor hem geldende minimum jeugdloon. Bij een 22-jarige is het verschil ruim
                    honderd euro. In de praktijk blijkt dat jongeren minder gemotiveerd zijn om
                    actief naar werk uit te zien als ze er (financieel) niet beter van worden. </al><al>Om die reden wordt de toeslag voor een 21-jarige nu bepaald op 0% en voor een
                    22-jarige op 10% van de gezinsnorm. Daarmee komt de totale uitkering uit op
                    ongeveer 70% van het voor hen geldende minimum jeugdloon, welk percentage
                    overeenkomt met de verhouding tussen de bijstandnorm met 20% toeslag ten
                    opzichte van het minimumloon vanaf 23 jaar.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat als de kosten met een ander kunnen worden gedeeld, de
                    toeslag voor de 22-jarige 0% worden. Dat is in lijn met artikel 3. Bij de
                    21-jarige verandert in dat geval niets omdat deze al geen toeslag ontvangt.</al><al/><al><cursief>Artikel 6 Verlaging bijstandsnorm gehuwden</cursief></al><al>De verlaging van de bijstand aan gehuwden met kostendeling is het spiegelbeeld
                    van de toeslagen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders, zoals die zijn
                    bepaald in de artikelen 3 en 4. Kunnen dus gehuwden de kosten delen dan is er
                    een verlaging van 10% van de gehuwdennorm. Worden de kosten echter gedeeld met
                    (uitsluitend) één of meer kinderen met bijstand, dan is de verlaging 5%.</al><al/><al><cursief>Artikel 7 Verlaging</cursief><cursief> bij ontbreken
                        woonkosten</cursief></al><al>Het college verlaagt de norm of de toeslag (verder) op grond van artikel 27 WWB
                    als de uitkeringsgerechtigde lagere kosten van bestaan heeft door zijn
                    woonsituatie. De verlaging is vastgesteld op 18%. Dat komt overeen met het
                    bedrag dat bij toepassing van de huurtoeslag voor eigen rekening blijft.</al><al>Als aan een door de uitkeringsgerechtigde bewoonde woning geen woonkosten zijn
                    verbonden verlaagt het college de norm met 18% van de gehuwdennorm (bijvoorbeeld
                    bij kraakwoningen).</al><al/><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat toepassing van een verlaging er niet toe
                    kan leiden dat de uitkering (inclusief eventuele toeslag) lager wordt dan de
                    norm, als bedoeld in artikel 21 van de wet. Dit geldt alleen voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder. Belanghebbenden dienen minimaal over
                    het normbedrag als bedoeld in artikel 21 van de wet te kunnen beschikken.</al><al/><al><cursief>Artikel 8 Individualisering</cursief></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Artikel 9 Hardheidsclausule</cursief></al><al>Eén van de kenmerken van de Wet werk en bijstand is afstemming van de bijstand
                    op de feitelijke behoefte in het individuele geval. Aan dit beginsel wordt ook
                    inhoud gegeven door de mogelijkheid de hoogte van toeslagen en verlagingen af te
                    stemmen op de zeer bijzondere individuele situatie van de belanghebbende.</al><al/><al><cursief>Artikel 10 Overgangsrecht</cursief></al><al>Uitgangspunt is dat de nieuwe verordening per 1 januari 2013 wordt toegepast op
                    bijstandsaanvragen die op en na die datum worden ingediend. Ook is de nieuwe
                    verordening direct van toepassing vanaf 1 januari 2013 op een uitkering die
                    reeds bestond op 31 december 2012 en waarbij toepassing van de nieuwe
                    verordening voor de belanghebbende niet tot nadeel leidt.</al><al>De oude verordening blijft tot 1 januari 2014 beperkt van toepassing. Dat houdt
                    vooral verband met de gevolgen van artikel 4. Thuisinwonende jongeren met
                    bijstand hebben onder die oude verordening recht op een gemeentelijke toeslag
                    van 10%. Dat wordt vanaf 1 januari 2013 5%, maar lopende gevallen houden hun
                    toeslag nog maximaal een jaar.</al><al/><al>Indien gedurende tenminste 30 dagen geen recht op algemene bijstand heeft
                    bestaan, eindigt de toepassing van de oude verordening. Deze situatie vloeit
                    voort uit artikel 45, derde lid, van de wet (30-dagen regel).</al><al/><al><cursief>Artikel 11 Inwerkingtreding</cursief></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Artikel 12 Citeertitel</cursief></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>