<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297992_9</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2016 nr. 4095</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 158, lid 1, aanhef en onder c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2016-008730</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsregelingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet; Overwegende dat de
                        Wet Huis voor klokkenluiders door de Eerste Kamer is aangenomen en op 1 juli
                        2016 in werking is getreden; Overwegend dat deze wet de navolgende
                        wijzigingen in de rechtspositieregelingen voor provincieambtenaren
                        noodzakelijk maakt en dat over deze wijzigingen overeenstemming is bereikt
                        met de vakorganisaties in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden
                        (SPA); BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de navolgende gewijzigde regeling: Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk A Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel A.1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan
                                onder: </al><lijst><li nr="a."><al> ambtenaar: degene die door gedeputeerde staten is
                                        aangesteld om in de openbare dienst van de provincie
                                        werkzaam te zijn;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 4 en 5 van de Wet werken inkomen naar
                                        arbeidsvermogen (WIA) tenzij er sprake is een WAO-uitkering
                                        waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);</al></li><li nr="c."><al> arbodienst: arbodienst zoals bedoeld in artikel 1, 3e lid,
                                        onderdeel j van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="d."><al> beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder
                                        deze moesten worden verricht en die niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="e."><al> bezoldiging: som van het salaris en de toelagen waarop op
                                        basis van de artikelen C.11 tot en met C.15 aanspraak
                                        bestaat;</al></li><li nr="f."><al> CAP: Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                                        Provincies;</al></li><li nr="g."><al> dienstongeval: ongeval dat in overwegende mate zijn oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder
                                        deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="h."><al> functie: samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar is
                                        opgedragen;</al></li><li nr="i."><al> IKB: individueel keuzebudget, een budget in geld, opgebouwd
                                        overeenkomstig artikel C.17;</al></li><li nr="j."><al> IPO: de vereniging het Interprovinciaal Overleg, gevestigd
                                        te ‘s-Gravenhage;</al></li><li nr="k."><al> partner: echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar dan wel
                                        de persoon met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en,
                                        met het oogmerk duurzaam samen te leven, een
                                        gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een
                                        notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
                                        wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die
                                        samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, alsmede de
                                        geregistreerde partner;</al></li><li nr="l."><al> passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="m."><al> passende functie: functie die de ambtenaar redelijkerwijs
                                        in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en
                                        de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                        opgedragen;</al></li><li nr="n."><al> pensioenreglement: pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="o."><al> reorganisatie: elke wijziging van de organisatiestructuur,
                                        van de omvang van de provinciale organisatie of van de
                                        taakinhoud van de provincie of een onderdeel daarvan -
                                        daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                                        provincie - waaraan personele consequenties zijn
                                        verbonden;</al></li><li nr="p."><al> salaris: bedrag dat met inachtneming van paragraaf 2 van
                                        hoofdstuk C en met inachtneming van bijlage 2 van deze
                                        regeling voor de ambtenaar is vastgesteld;</al></li><li nr="q."><al> salaris onderscheidenlijk bezoldiging per uur: 1/156 deel
                                        van het salaris, onderscheidenlijk de bezoldiging bij een
                                        volledige arbeidsduur;</al></li><li nr="r."><al> SPA: Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden, zijnde
                                        het overleg over arbeidsvoorwaarden en andere zaken tussen
                                        het IPO namens de provincies en de daarvoor aangewezen
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en haar uitvoeringsregelingen
                                worden niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar, genoemd in artikel 227a,
                                        tweede lid, onderdelen b, c, d en e, van de
                                        Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="c."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.2 Wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling wordt gewijzigd indien het IPO daartoe besluit op
                                grond van in het SPA bereikte overeenstemming. Wijziging vindt
                                plaats met inachtneming van het betreffende besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vaststelling en wijziging van besluiten van algemene strekking ter
                                uitvoering van deze regeling vindt slechts plaats in de gevallen
                                waarin deze regeling dat uitdrukkelijk bepaalt en onder de daarbij
                                aangegeven voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.3 Bevoegdheid besluitvorming individuele
                                gevallen</titel></kop><al>Waar in deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten besluitvorming in
                            individuele gevallen is vereist zijn Gedeputeerde Staten daartoe
                            bevoegd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.4 Bijzondere voorziening</titel></kop><al>Indien zich gevallen voordoen waarvoor deze regeling geen voorziening
                            biedt of waarin toepassing van deze regeling naar hun oordeel ernstige
                            bezwaren zou opleveren kunnen Gedeputeerde Staten daarin, zo nodig onder
                            afwijking van deze regeling, ten voordele van de individuele ambtenaar
                            voorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap </titel></kop><al>De provincie en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever
                            en een goed werknemer te gedragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.6 Bekendmaking</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten dragen zorg dat de ambtenaar kennis kan nemen van
                            alle door of vanwege het provinciebestuur vastgestelde algemene regels
                            inzake de ambtelijke rechtspositie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel A.7 Elektronische berichtgeving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Berichten inzake het maandelijks in geld vastgestelde loon en de
                                jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te
                                worden verzonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen andere berichten inzake de rechtspositie
                                van de ambtenaar dan die bedoeld in het eerste lid, aanwijzen die
                                uitsluitend elektronisch behoeven te worden verzonden nadat hierover
                                overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde berichten worden niet
                                uitsluitend elektronisch verzonden: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te
                                        nemen van een elektronisch bericht;</al></li><li nr="b."><al> bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al> op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een
                                        zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op een
                                        andere wijze.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk B Aanvang, wijziging en einde arbeid</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Aanvang arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel B.1 Aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt aangesteld in dienst van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd kan een aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, overeenkomstig artikel B.2, zesde
                                    lid, voorafgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.2 Aanstelling voor bepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege zodra
                                    die tijd is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanstelling voor bepaalde tijd na het verstrijken van
                                    die tijd voortduurt wordt de ambtenaar geacht voor dezelfde
                                    tijd, doch ten hoogste voor een jaar, op dezelfde voorwaarden
                                    als daarvoor te zijn aangesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf de dag dat: </al><lijst><li nr="a."><al> aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen
                                            van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
                                            periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
                                            hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de
                                            laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                            tijd;</al></li><li nr="b."><al> meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie
                                            maanden geldt de laatste aanstelling als een aanstelling
                                            voor onbepaalde tijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in het derde lid, onderdeel a, is niet van
                                    toepassing op een aanstelling voor bepaalde tijd, aangegaan voor
                                    niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een
                                    aanstelling voor 36 maanden of langer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden mede in aanmerking
                                    genomen dienstverbanden bij een werkgever waarvan de provincie
                                    ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet
                                    worden de opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Een aanstelling voor bepaalde tijd op proef wordt verleend voor
                                    ten hoogste een jaar, zo nodig met ten hoogste een jaar te
                                    verlengen. Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, zich niet meer voordoet wordt een
                                    aanstelling voor onbepaalde tijd verleend, tenzij daartegen op
                                    andere gronden bezwaar bestaat.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De leidinggevende maakt met de ambtenaar op diens verzoek
                                    afspraken over begeleiding van werk naar werk indien de
                                    aanstelling voor bepaalde tijd na ten minste twee jaar van
                                    rechtswege eindigt. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
                                    De begeleiding vindt plaats gedurende ten minste de laatste zes
                                    maanden voor de afloop van het dienstverband. De noodzakelijke
                                    kosten van de begeleiding komen ten laste van de provincie. Het
                                    bepaalde in dit lid geldt niet voor ambtenaren die zijn
                                    aangesteld voor bepaalde tijd op proef.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling komt slechts in aanmerking degene die voldoet
                                    aan de gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter beoordeling van die bekwaamheid en geschiktheid kan de
                                    kandidaat aan een psychologisch onderzoek en, met inachtneming
                                    van artikel E.2, aan een medische keuring worden
                                    onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat de
                                    kandidaat een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                    Wet justitiële gegevens overlegt. Gedeputeerde Staten kunnen,
                                    nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, een
                                    lijst van functies vaststellen waarvoor de in de eerste volzin
                                    bedoelde verklaring vereist is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Degene die geen Nederlander is kan slechts worden aangesteld
                                    indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en de provincie voor hem
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de
                                    Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning
                                    krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.4 Informatie bij indiensttreding</titel></kop><al>De ambtenaar ontvangt vóór zijn indiensttreding schriftelijk bericht
                                van zijn aanstelling. Daarin worden, in aanvulling op de gegevens,
                                bedoeld in artikel II, tweede lid, onderdelen a tot en met i, van de
                                Wet van 2 december 1993 (Staatsblad 1993, 635), in elk geval
                                vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al> de geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> indien de aanstelling voor bepaalde tijd geschiedt de reden
                                        van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al> het organisatieonderdeel waarbij hij is geplaatst;</al></li><li nr="d."><al> de periode van benoeming in de functie;</al></li><li nr="e."><al> de salarisschaal en de toelagen die hem zijn
                                        toegekend;</al></li><li nr="f."><al> zijn deelname aan de pensioenregeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.5 Algemene dienst</titel></kop><al>De ambtenaar wordt steeds voor een periode van in de regel ten
                                minste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie benoemd,
                                tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Wijziging arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel B.6 Andere functie of werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht na afloop van de periode van
                                    benoeming in een functie als bedoeld in artikel B.5, een hem
                                    aangeboden andere passende functie te aanvaarden. Bij het
                                    aanbieden van een andere passende functie wordt een
                                    aanzegtermijn van ten minste twee maanden in acht genomen. De
                                    ambtenaar kan na afloop van bedoelde periode ook opnieuw in
                                    dezelfde functie worden benoemd. Zolang er na afloop van de in
                                    de eerste volzin bedoelde periode geen passende functie
                                    beschikbaar is en de ambtenaar niet overeenkomstig het vierde
                                    lid tijdelijk is belast met andere werkzaamheden dan wel met de
                                    waarneming van een andere functie, blijft hij zijn functie
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar in een andere functie
                                    benoemd dan wel tijdelijk met ander werk belast als hij voldoet
                                    aan de daaraan gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht om in het belang van de dienst een
                                    andere passende functie te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht
                                    om, al dan niet binnen de provinciale organisatie, tijdelijk
                                    niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan
                                    wel tijdelijk een andere functie waar te nemen, mits deze
                                    tijdelijke werkzaamheden, onderscheidenlijk tijdelijke
                                    waarneming hem in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als belang van de dienst in de zin van het derde en vierde lid
                                    wordt voor de toepassing van die leden in elk geval aangemerkt
                                    de bevordering van de interne mobiliteit van het personeel.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                    heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden
                                    te verrichten, tenzij dat naar het oordeel van Gedeputeerde
                                    Staten met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of
                                    voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen ter uitvoering van dit artikel en
                                    ter uitvoering van artikel B.5 nadere regels inzake de
                                    rechtspositie vast nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere
                                    omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de provincie in die tijden heeft of zal krijgen dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde
                                    verplicht de opleidingen te volgen en deel te nemen aan
                                    oefeningen die verband houden met zijn in dat lid bedoelde taak.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.8 Procedure en flankerend beleid reorganisaties
                                </titel></kop><al>Bij reorganisaties worden de procedures en de hoofdlijnen van het
                                flankerend beleid in acht genomen die zijn vastgelegd in bijlage 1
                                van deze regeling, die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde
                                Staten kunnen nadere regels vaststellen omtrent de te volgen
                                procedure bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                reorganisaties.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Einde arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel B.9 Ontslaggronden</titel></kop><al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend:</al><lijst><li nr="a."><al> op aanvraag, met inachtneming van artikel B.10;</al></li><li nr="b."><al> wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd,
                                        met inachtneming van artikel B.11;</al></li><li nr="c."><al> wegens reorganisatie, met inachtneming van artikel
                                        B.12;</al></li><li nr="d."><al> indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c
                                        Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van
                                        zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan
                                        worden;</al></li><li nr="e."><al> indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van het hem krachtens artikel D.15 verleend langdurig
                                        buitengewoon verlof, niet in een passende functie herplaatst
                                        kan worden;</al></li><li nr="f."><al> wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte, met inachtneming van artikel E.9;</al></li><li nr="g."><al> wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling
                                        van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f;</al></li><li nr="h."><al> wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij
                                        het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                        geldt;</al></li><li nr="i."><al> wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="j."><al> wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="k."><al> wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot
                                        vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot
                                        terbeschikkingstelling;</al></li><li nr="l."><al> wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens
                                        bij of in verband met indiensttreding of keuring, zonder
                                        welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou
                                        zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat
                                        hij te goeder trouw heeft gehandeld;</al></li><li nr="m."><al> als disciplinaire straf, met inachtneming van artikel
                                        G.4;</al></li><li nr="n."><al> wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te
                                        verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op
                                        grond van de WIA, met inachtneming van artikel E.15;</al></li><li nr="o."><al> op andere dan de in dit artikel genoemde gronden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.10 Ontslag op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ontslag gaat niet eerder in dan één maand en niet later dan
                                    drie maanden na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Met de
                                    ambtenaar kan in afwijking hiervan een ander tijdstip worden
                                    afgesproken waarop het ontslag ingaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.11 Ontslag wegens pensionering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt ontslag verleend met ingang van de dag
                                    waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt op aanvraag ontslag verleend met het oog
                                    op de verkrijging van ABP-keuzepensioen/ouderdomspensioen vóór
                                    de in het eerste lid bedoelde datum op grond van artikel 7.4 van
                                    het pensioenreglement. Op aanvraag van de ambtenaar kan dit
                                    ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende
                                    arbeidsduur worden verleend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het ontslag gaat niet
                                    eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op het
                                    ABP-keuzepensioen/ ouderdomspensioen ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.12 Reorganisatie ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag
                                    worden verleend met inachtneming van het bepaalde in artikel 2,
                                    tweede lid, van de Regeling begeleiding van werk naar werk bij
                                    reorganisaties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is
                                    benoemd in een andere functie kan alsnog het ontslag, bedoeld in
                                    het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van
                                    uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie
                                    hem is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende functie niet
                                    passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de
                                    ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie
                                    te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij ontslagverlening op grond van het eerste en tweede lid
                                    wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.13 Voorzieningen in aanvulling op de
                                    Werkloosheidswet </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast
                                inzake voorzieningen bij werkloosheid in aanvulling op de
                                Werkloosheidswet, met inachtneming van de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel B.14 Overlijden ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanstelling eindigt door het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar wordt over de
                                    periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de laatste dag
                                    van de derde maand na die waarin het overlijden plaatsvond een
                                    bedrag uitgekeerd, gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging,
                                    vermeerderd met het bedrag dat in die periode aan IKB is
                                    opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De overlijdensuitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten
                                    betrekking ter zake van het overlijden van de ambtenaar toekomt
                                    krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering of zou zijn toegekomen indien
                                    daarop ten gevolge van het toedoen van de ambtenaar geen
                                    aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten
                                    betrekkingen verstaan de nabestaande partner, van wie de
                                    overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, of, bij
                                    ontbreken van deze, de minderjarige kinderen of, indien ook deze
                                    ontbreken, degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
                                    van de bezoldiging van de ambtenaar.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk C Bezoldiging</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.1 Recht op bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt een bezoldiging toegekend met
                                    inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                    verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten
                                    ontvangt hij geen bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.2 Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                                    tegemoetkomingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten het salaris
                                    en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot en met C.15,
                                    maandelijks.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten </al><lijst><li nr="a."><al> de vergoedingen voor overwerk, bedoeld in artikel C.23,
                                            bij de salarisbetaling binnen 3 maanden na
                                            declaratie;</al></li><li nr="b."><al> de vergoedingen van kosten, bedoeld in artikel F.4, bij
                                            de salarisbetaling in de maand na declaratie;</al></li><li nr="c."><al> de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in
                                            artikel E.12, en de doorbetaling van bezoldiging bij
                                            ziekte en arbeidsongeschiktheid op grond van de
                                            voorschriften, bedoeld in artikel E.8, maandelijks bij
                                            de salarisbetaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.3 Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken
                                </titel></kop><al>Wanneer het salaris en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot
                                en met C.15, moeten worden berekend over een gedeelte van een maand
                                wordt het bedrag per dag, tenzij anders is bepaald, vastgesteld door
                                het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die
                                maand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Salaris</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.4 Inrichting salarisgebouw</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het salarisgebouw is vastgelegd in bijlage 2 van deze regeling,
                                    die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde Staten vervangen
                                    deze bijlage met inachtneming van de hierover in het SPA
                                    gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het salarisgebouw bestaat uit 18 salarisschalen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per salarisschaal is het minimumsalaris en het maximumsalaris
                                    bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.5 Bepaling salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    met inachtneming van de zwaarte van de functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De zwaarte van de functie wordt vastgesteld met behulp van een
                                    systeem van methodische functiewaardering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen met inachtneming van de hierover in
                                    het SPA gemaakte afspraken algemeen verbindende voorschriften
                                    vast met betrekking tot het systeem van methodische
                                    functiewaardering en de procedure van totstandkoming van de
                                    functiewaardering, alsmede een conversietabel aan de hand
                                    waarvan de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Behoudens het bepaalde in het vijfde en zesde lid bepalen
                                    Gedeputeerde Staten de salarisschaal van de ambtenaar op die
                                    welke ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor
                                    de functie geldt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    bepalen op die welke direct voorligt aan de salarisschaal die
                                    ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor de
                                    functie geldt, indien de ambtenaar bij benoeming in de functie
                                    nog niet volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau
                                    voor de functie. Na maximaal 12 maanden geldt voor de ambtenaar
                                    de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal tenzij hij blijkens een beoordeling nog niet
                                    volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau voor de
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een
                                    andere functie vervult blijft de voordien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar tijdelijk bij wijze van proef is benoemd in
                                    een andere functie blijft de voordien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing, tenzij anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.6 Bepaling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij eerste aanstelling ontvangt de ambtenaar in de regel het
                                    minimumsalaris in de voor hem geldende salarisschaal. Op basis
                                    van elders opgedane relevante kennis, ervaring en vaardigheden
                                    kunnen Gedeputeerde Staten bij eerste aanstelling een hoger
                                    salaris in de voor hem geldende salarisschaal vaststellen dan
                                    het minimumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt in de voor hem geldende salarisschaal ten
                                    minste een salaris dat gelijk is aan het maandbedrag van het
                                    minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet
                                    minimumloon en minimum vakantiebijslag geldt voor werknemers van
                                    dezelfde leeftijd als de ambtenaar. Voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd
                                    geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig
                                    deel van het minimumloon in een volledige functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor dezelfde
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de regel bepaald op
                                    hetzelfde salaris als in de oude functie. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor een hogere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de voor hem geldende
                                    nieuwe salarisschaal opnieuw bepaald. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor een lagere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris bepaald op het salaris in
                                    de oude functie, doch maximaal op het maximumsalaris in de
                                    nieuwe salarisschaal. Indien het salaris in de oude functie
                                    hoger is dan het maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal wordt
                                    de ambtenaar het verschil bij wijze van toelage toegekend. Deze
                                    toelage wordt als salaris aangemerkt. Het bepaalde in de eerste
                                    en tweede volzin is niet van toepassing indien de daar bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt aansluitend op een tijdelijke benoeming in
                                    een functie waarvoor een hogere salarisschaal gold en de
                                    ambtenaar bij die tijdelijke benoeming is medegedeeld dat de
                                    salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal
                                    gelden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt met toepassing van artikel E.7, op grond
                                    van artikel G.4, eerste lid, onderdeel d, of wegens
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan door ziekte wordt het salaris bepaald op
                                    basis van de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt op aanvraag van de ambtenaar wordt het
                                    salaris bepaald op basis van de nieuwe salarisschaal. Is de
                                    ambtenaar 55 jaar of ouder en op zijn aanvraag benoemd in een
                                    andere functie waarvoor een lagere salarisschaal geldt, dan
                                    blijft de pensioenopbouw gebaseerd op het salaris in de oude
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een hogere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris doch minimaal op het
                                    minimumsalaris in de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een lagere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris, doch maximaal op het
                                    maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal. Indien het
                                    laatstelijk genoten salaris hoger is dan het maximumsalaris in
                                    de nieuwe salarisschaal wordt de ambtenaar het verschil bij
                                    wijze van toelage toegekend. Deze toelage wordt als salaris
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met
                                    toepassing van artikel C.5, vijfde lid, tweede volzin, is
                                    bepaald op de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal wordt het salaris bepaald op het minimumsalaris in
                                    de voor hem geldende nieuwe salarisschaal. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude salarisschaal
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                                    functioneren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verhogen het op grond van artikel C.6
                                    bepaalde salaris van de ambtenaar die het maximumsalaris van de
                                    voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, met: </al><lijst><li nr="a."><al> 1% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren niet
                                            geheel aan de gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="b."><al> 3% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren niet
                                            geheel aan de gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="c."><al> 4% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in ruime mate overtreft;</al></li><li nr="c."><al> 6% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in uitzonderlijke mate overtreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Is het verschil tussen het salaris van de ambtenaar en het
                                    maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal minder dan
                                    de in het eerste lid genoemde 1%, onderscheidelijk 3%, 4% en 6%
                                    van het maximumsalaris, dan verhogen Gedeputeerde Staten het
                                    salaris, indien is voldaan aan de in het eerste lid genoemde
                                    voorwaarden, tot het bedrag van het maximumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing over verhoging van het salaris op grond van dit
                                    artikel nemen Gedeputeerde Staten telkens na een periode van in
                                    de regel 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.8 Salaris bij deeltijdfuncties</titel></kop><al>Het salaris van de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt
                                vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou
                                gelden bij een volledige functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.8a Salaris bij aanstelling op grond van de
                                    banenafspraak </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel C.5, eerste en tweede lid, geldt
                                    salarisschaal A in bijlage 2 van deze regeling voor de ambtenaar
                                    die een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet
                                    valt en door beperkingen niet zelfstandig het wettelijk
                                    minimumloon kan verdienen of omdat hij een indicatie heeft op
                                    basis van de Wet Sociale Werkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaar geldt dat het
                                    schaalbedrag vermenigvuldigd met de loonwaarde maximaal het
                                    wettelijk minimumloon mag zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel C.6, eerste lid, geldt voor de
                                    ambtenaar die een aanstelling krijgt omdat hij WAJONG-er is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, dat hij recht heeft op het door zijn loonwaarde
                                    bepaalde percentage van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op het in het derde lid door loonwaarde bepaalde salaris is
                                    artikel C.6, tweede lid niet van toepassing als betrokkene in
                                    aanmerking komt voor loondispensatie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de in dit artikel bedoelde ambtenaar geldt niet de
                                    minimumvakantieuitkering per maand genoemd in bijlage 2 van deze
                                    regeling; deze ambtenaar heeft wel recht op 8% vakantietoeslag
                                    als onderdeel van zijn IKB op grond van artikel C.17.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 <vet>Variabele beloning</vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.9 Incidentele beloning van prestaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar kennen Gedeputeerde Staten, indien zijn
                                    werkresultaten blijkens een beoordeling de gestelde eisen in
                                    ruime, onderscheidenlijk uitzonderlijke mate overtreffen, een
                                    eenmalige uitkering toe van 3%, onderscheidenlijk 7% van het
                                    salaris over de periode waarop de beoordeelde werkresultaten
                                    betrekking hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De beslissing over toekenning van een eenmalige uitkering als
                                    bedoeld in dit artikel wordt telkens genomen na een periode van
                                    in de regel 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkresultaten
                                    verstaan resultaten met betrekking tot de werkzaamheden waarover
                                    in het in artikel F.7 bedoelde planningsgesprek afspraken zijn
                                    gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.10 Incidentele beloning van extra inzet</titel></kop><al>Aan de ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige
                                beloning worden toegekend bij extra inzet of voor het verrichten van
                                niet geplande activiteiten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 <vet>Toelagen</vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk in opdracht een andere functie
                                    waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, volledig
                                    waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toelage.
                                    Geen toelage wordt toegekend bij waarneming vanwege
                                    vakantieverlof, tenzij dit vakantieverlof betreft dat krachtens
                                    een spaarregeling is gespaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De toelage wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts
                                    toegekend wanneer de waarneming een periode van ten minste een
                                    maand heeft geduurd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris dat
                                    voor de 3. ambtenaar zou hebben gegolden in de bij de
                                    waargenomen functie behorende salarisschaal en een bedrag naar
                                    evenredigheid daarvan over perioden waarin niet een volle maand
                                    is waargenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij een gedeeltelijke waarneming in de zin van dit artikel kan
                                    aan de ambtenaar een toelage worden toegekend die in verhouding
                                    staat tot de aard en de omvang van de waargenomen
                                    werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.12 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die, anders dan bij wijze van overwerk, in
                                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere
                                    tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18
                                    uur, wordt een toelage toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor
                                    de ambtenaar geldende salaris per uur en wel </al><lijst><li nr="a."><al> 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6
                                            en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;</al></li><li nr="b."><al> 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0
                                            en 6 uur en tussen 22 en 24 uur en voor de uren op
                                            zaterdag;</al></li><li nr="c."><al> 65% voor de uren op zondag, de feestdagen, genoemd in
                                            artikel D.1, derde lid, en andere daarmee door
                                            Gedeputeerde Staten gelijkgestelde dagen, met dien
                                            verstande dat genoemde percentages worden berekend over
                                            ten hoogste het maximumsalaris per uur in salarisschaal
                                            6.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde morgen- en
                                    avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid
                                    is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat voor een groep van ambtenaren de in dat lid genoemde
                                    percentages worden berekend over een voor alle ambtenaren van
                                    deze groep gelijk salarisbedrag per uur.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen Gedeputeerde
                                    Staten voor de ambtenaar een vaste toelage vaststellen,
                                    onderscheidenlijk voor een groep van ambtenaren een voor alle
                                    ambtenaren van die groep gelijke vaste toelage vaststellen,
                                    zulks rekening houdend met het bepaalde in het tweede, derde en
                                    vierde lid, de geldende werktijdregeling en de mate waarin en de
                                    wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden
                                    afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen
                                    voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg
                                    heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten
                                    zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als
                                    bedoeld in artikel C.12 een blijvende verlaging ondergaat, welke
                                    ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de
                                    toelagen, bedoeld in de artikelen C.14 en C.15, wordt een
                                    aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage,
                                    direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde
                                    beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren
                                    zonder onderbreking van langer dan 2 maanden heeft genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is, onder gelijke voorwaarden,
                                    ook van toepassing als de in dat lid bedoelde beëindiging of
                                    vermindering het gevolg is van </al><lijst><li nr="a."><al> een medisch advies van de arbodienst;</al></li><li nr="b."><al> vrijwillige benoeming in een andere functie op grond
                                            van de artikelen B.5 en B.6, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al> vrijstelling van continudiensten in de nachturen van
                                            een ambtenaar van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aflopende toelage wordt toegekend voor een periode, gelijk
                                    aan een kwart van die waarin de ambtenaar, direct voorafgaande
                                    aan het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging
                                    of vermindering, zonder onderbreking van langer dan 2 maanden de
                                    toelage, bedoeld in artikel C.12, heeft genoten. De aldus
                                    berekende periode wordt naar boven afgerond op een maand. De
                                    aflopende toelage wordt toegekend voor een periode van maximaal
                                    3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De overeenkomstig het derde lid berekende periode wordt in drie
                                    gelijke delen gesplitst waarbij, zo nodig, in de eerste twee
                                    deelperioden afronding naar boven op een maand plaatsvindt,
                                    zonder dat hierdoor de totale periode wordt overschreden.
                                    Gedurende bedoelde drie deelperioden bedraagt de aflopende
                                    toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de
                                    desbetreffende maand van toepassing zijnde, in het vijfde lid
                                    bepaalde berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De berekeningsbasis, bedoeld in het vierde lid, is het bedrag
                                    dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan
                                    het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging of
                                    vermindering, gemiddeld per maand aan toelage op grond van
                                    artikel C.12 heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij
                                    daarna in totaal per maand gaat genieten aan toelage op grond
                                    van artikel C.12 en aan verhoging van de bezoldiging, anders dan
                                    wegens algemene salarisverhogingen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Ingeval er sprake is van een algemene salariswijziging wordt
                                    voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                    fictieve wijziging van de in het vijfde lid bedoelde bedragen,
                                    zulks tot het percentage van deze algemene
                                    salariswijziging.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De aflopende toelage kan met instemming van de ambtenaar worden
                                    afgekocht door een uitkering ineens.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar van 60
                                    jaar of ouder wordt, onder gelijke voorwaarden, een blijvende
                                    toelage toegekend van 100% van de in het vijfde lid bepaalde
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De aflopende toelage die op grond van dit artikel is toegekend
                                    gaat, zodra de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt, over
                                    in een blijvende toelage als bedoeld in het achtste lid. De in
                                    de vorige volzin bedoelde blijvende toelage bedraagt, in
                                    afwijking van het bepaalde in het achtste lid, het percentage
                                    van de berekeningsbasis dat voor de berekening van de aflopende
                                    toelage ingevolge het vierde lid laatstelijk op hem van
                                    toepassing was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan om redenen
                                    van werving of behoud onder nader te bepalen voorwaarden hetzij
                                    een toelage, hetzij een bindingspremie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een
                                    tevoren vastgestelde periode van maximaal 3 jaren. Deze periode
                                    kan telkens voor maximaal 3 jaren worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per maand ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris doch nooit meer dan het verschil
                                    tussen dit salaris en het maximumsalaris dat hij zou hebben
                                    genoten in de naast hogere salarisschaal. De toelage wordt in de
                                    regel maandelijks uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde bindingspremie wordt toegekend en
                                    uitbetaald na een tevoren vastgestelde periode van ten minste 3
                                    jaren.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde bindingspremie bedraagt ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris over de in het vierde lid bedoelde
                                    periode doch nooit meer dan het verschil tussen dit salaris en
                                    het maximumsalaris dat hij over die periode in de naast hogere
                                    salarisschaal zou hebben genoten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aan de ambtenaar die
                                    niet heeft kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde
                                    voorwaarden door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak de
                                    toelage, onderscheidenlijk bindingspremie gedeeltelijk wordt
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels stellen en bepalen de groepen van ambtenaren aan
                                    wie de in het eerste lid bedoelde toelage en bindingspremie kan
                                    worden toegekend nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.15 Toelage op andere gronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan groepen van ambtenaren op andere
                                    gronden dan die, vermeld in de artikelen C.11 tot en met C.14,
                                    een toelage toekennen overeenkomstig de daartoe door hen vast te
                                    stellen algemeen verbindende voorschriften. Over deze algemeen
                                    verbindende voorschriften vindt overleg plaats met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel overeenkomstig hoofdstuk
                                    I.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar een toelage
                                    worden toegekend op andere gronden dan die, vermeld in de
                                    artikelen C.11 tot en met C.14 en artikel C.15, eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Individueel Keuzebudget (IKB) </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.16 IKB algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar is er een IKB. Gedeputeerde Staten zijn
                                    beheerder van het IKB.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het IKB omvat een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de
                                    ambtenaar naar keuze kan aanwenden voor de doelen, genoemd in
                                    artikel C.18, een en ander op de wijze en onder de voorwaarden
                                    als bepaald in deze paragraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.17 Opbouw IKB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand als
                                    volgt opgebouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> met 8% van de door de ambtenaar in die maand genoten
                                            bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag niet
                                            lager kan zijn dan de minimum vakantie-uitkering per
                                            maand, genoemd in de in artikel C.4, eerste lid,
                                            bedoelde bijlage 2, onderscheidenlijk dan een bedrag
                                            naar rato hiervan bij een niet volledige arbeidsduur of
                                            bij genot van slechts een deel van de bezoldiging;</al></li><li nr="b."><al> met 8,3% van het door de ambtenaar in die maand genoten
                                            salaris; en</al></li><li nr="c."><al> met 3,4% van het in die maand genoten salaris voor de
                                            ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt die lager is
                                            dan schaal 14 en met 2,85% voor de ambtenaar voor wie
                                            een salarisschaal geldt die gelijk is aan of hoger dan
                                            schaal 14.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het niet pensioengevend deel van het IKB wordt per
                                    kalendermaand opgebouwd met 1,92% van het door de ambtenaar in
                                    die maand genoten salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 5
                                    van de IKAP-regeling provincies wordt maandelijks opgenomen in
                                    het pensioengevend deel van het IKB op basis van het gemiddelde
                                    aantal meer te werken uren per maand gedurende de periode dat de
                                    ambtenaar meer uren werkt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvraag van de ambtenaar kunnen gedeputeerde staten vaste
                                    maandelijkse toelagen opnemen in het pensioengevend deel van het
                                    IKB.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.18 Aanwending IKB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het IKB aanwenden voor één of meer van de
                                    volgende doelen: </al><lijst><li nr="a."><al> voor de bestemmingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                                            van de IKAP-regeling provincies, overeenkomstig het
                                            bepaalde in die regeling;</al></li><li nr="b."><al> voor bruto inkomen in de maand zelf en/of in de daarop
                                            volgende maand of maanden;</al></li><li nr="c."><al> voor extra verlof overeenkomstig het bepaalde in de
                                            IKAP-regeling provincies;</al></li><li nr="d."><al> voor het sparen in het kader van de Levensloopregeling,
                                            met in achtneming van het bepaalde in die regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Keuzes, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, kan de
                                    ambtenaar maken tot de maandelijkse sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking. Hij heeft voor deze keuzes geen </al><al/><al> toestemming nodig.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Keuzes kunnen alleen worden gemaakt voor zover het IKB
                                    toereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Keuzes mogen uitsluitend betrekking hebben op hetzelfde
                                    kalenderjaar. Er mag geen budget uit het IKB worden overgeheveld
                                    naar het volgende kalenderjaar. Het bedrag dat in december van
                                    het kalenderjaar nog in het IKB zit, wordt in die maand
                                    uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het extra verlof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hoeft
                                    niet in hetzelfde kalenderjaar te worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Maakt de ambtenaar vóór de sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking geen keuze dan wordt het niet aangewende deel
                                    van het IKB automatisch gereserveerd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Bedragen die uit het IKB zijn opgenomen, kunnen niet meer
                                    worden teruggestort in het IKB.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.19 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer het dienstverband eindigt, wordt het nog beschikbare
                                    budget uit het IKB bij de laatste salarisbetaling aan de
                                    ambtenaar uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij overlijden van de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel B.14,
                                            tweede lid, het budget uit het IKB waarover nog niet is
                                            beschikt, uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen;</al></li><li nr="b."><al> vindt geen verrekening plaats voor zover IKB is ingezet
                                            voor de in artikel C.18, eerste lid, onderdeel a,
                                            bedoelde bestemmingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.20 Fiscale en andere wet- en regelgeving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De provincie draagt zorg voor informatie over gevolgen van
                                    keuzes voor in ieder geval de loonheffing, het pensioen en de
                                    sociale verzekeringen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gevolgen van gemaakte keuzes zijn voor rekening van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien achteraf blijkt dat door onjuiste of onvolledige
                                    informatie vanwege de ambtenaar ten onrechte geen heffing van
                                    loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft
                                    plaatsgevonden, wordt deze verschuldigde heffing, vermeerderd
                                    met eventuele boetes, op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
                                    verhaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien wijziging van fiscale wet- en regelgeving van invloed is
                                    op de inhoud of de werking van de regeling van het IKB zullen
                                    vervallen netto voordelen voor ambtenaren niet worden </al><al/><al> gecompenseerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Uitkering en gratificatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.21 Eenmalige uitkering</titel></kop><al>De ambtenaar kan op grond van afspraken in het SPA een eenmalige
                                uitkering worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.22 Gratificatie ambtsjubileum </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vast inzake het
                                recht op een gratificatie wegens ambtsjubileum.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 <vet>Vergoedingen voor extra diensten</vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.23 Vergoeding voor overwerk</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die in opdracht overwerk verricht wordt een
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de voor de
                                    ambtenaar geldende werktijden, voor zover daardoor het voor hem
                                    vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden. Arbeid als
                                    bedoeld in de eerste volzin wordt niet als overwerk aangemerkt,
                                    indien die is verricht ter voldoening aan de verplichtingen op
                                    grond van artikel B.7.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur
                                    onmiddellijk voor het begin of onmiddellijk na het einde van de
                                    voor de ambtenaar vastgestelde werktijd wordt verricht wordt
                                    geen vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vergoeding voor overwerk bestaat uit </al><lijst><li nr="a."><al> verlof gedurende een periode, gelijk aan het aantal
                                            uren van het overwerk; en</al></li><li nr="b."><al> een bedrag in geld dat voor elk uur overwerk een
                                            percentage is van het voor de ambtenaar geldende salaris
                                            per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien naar het oordeel van de leidinggevende het dienstbelang
                                    zich verzet tegen het toekennen van verlof wordt in plaats van
                                    verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend, gelijk aan
                                    het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het in het vierde lid, onderdeel b, genoemde percentage
                                    bedraagt voor overwerk, verricht op </al><lijst><li nr="a."><al> zondag, de feestdagen, genoemd in artikel D.1, derde
                                            lid, en andere daarmee door Gedeputeerde Staten
                                            gelijkgestelde dagen, alsmede op de dag, volgende op een
                                            van voorgaande dagen, tussen 0 en 6 uur: 100%;</al></li><li nr="b."><al> zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 18 en 24 uur:
                                            75%;</al></li><li nr="c."><al> zaterdag tussen 6 en 18 uur: 50%;</al></li><li nr="d."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 20 en 24 uur:
                                            50%;</al></li><li nr="e."><al> dinsdag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur: 50%;</al></li><li nr="f."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 6 uur en het
                                            tijdstip, gelegen 2 uur voor het begin van de voor de
                                            ambtenaar geldende werktijd: 50%;</al></li><li nr="g."><al> maandag tot en met vrijdag tussen het tijdstip, gelegen
                                            tussen 2 uur na het einde van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd en 20 uur: 50%;</al></li><li nr="h."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 20 uur,
                                            behoudens de uren, bedoeld in de onderdelen f en g:
                                            25%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor de vaststelling van de duur van het overwerk gelden de
                                    uren waarop verlof is genoten als uren waarop is gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor werkzaamheden die ambtenaren
                                    met een verschillende bezoldiging en eventueel verschillende
                                    functies tezamen en gelijktijdig in overwerk moeten verrichten
                                    een gelijke, naar hun oordeel redelijke vergoeding
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan een ambtenaar die regelmatig
                                    overwerk moet verrichten, een vaste vergoeding toekennen.
                                    Gedurende de tijd dat de ambtenaar geen of een gedeelte van zijn
                                    bezoldiging geniet wordt de in de eerste volzin bedoelde
                                    vergoeding niet, onderscheidenlijk naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan een ambtenaar voor wie een
                                    hogere salarisschaal geldt dan salarisschaal 10, in bijzondere
                                    gevallen voor overwerk een door hen te bepalen vergoeding
                                    toekennen, indien en naarmate dit naar hun oordeel, gelet op de
                                    aard of de omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid
                                    daarvan, redelijk is te achten.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels vaststellen nadat hierover overeenkomstig
                                    hoofdstuk I overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties
                                    van overheidspersoneel. Zij kunnen in bijzondere gevallen een
                                    regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of
                                    daarvan afwijkt.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> De vergoeding in geld voor overwerk is pensioengevend inkomen
                                    in de zin van het pensioenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.24 Vergoeding voor andere extra diensten dan
                                    overwerk</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vaststellen
                                inzake het recht op een vergoeding voor andere extra diensten dan
                                overwerk.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk D Arbeidsduur, werktijden en verlof</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel D.1 Arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de arbeidsduur voor de ambtenaar
                                    met inachtneming van de uitkomsten van het overleg met de
                                    organisaties van overheidspersoneel in het SPA.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een volledige
                                    functie is daarbij gelijk aan het aantal kalenderdagen per jaar,
                                    verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
                                    zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2
                                    uur per dag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder feestdagen worden verstaan de nieuwjaarsdag, de tweede
                                    paasdag, hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag, de beide
                                    kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt
                                    gevierd en - eenmaal in de vijf jaar in lustrumjaren - 5
                                    mei.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt evenredig aan het deeltijdpercentage
                                    bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten, wordt de arbeidsduur van de ambtenaar op aanvraag
                                    bepaald op meer dan die in een volledige functie als bedoeld in
                                    het tweede lid. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per
                                    week. De aanspraken bij of krachtens deze regeling die zijn
                                    gerelateerd aan de arbeidsduur, worden bepaald naar
                                    evenredigheid ten opzichte van de arbeidsduur in een volledige
                                    functie als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.2 Werktijdenregelingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen een algemene werktijdenregeling
                                    vast nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de
                                    Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de
                                    ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor bepaalde onderdelen van de
                                    organisatie of voor bepaalde functies een bijzondere
                                    werktijdenregeling vaststellen nadat met inachtneming van de
                                    bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden
                                    daarover overleg met de ondernemingsraad heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van de in het eerste of
                                    tweede lid vastgestelde werktijdenregeling met de ambtenaar een
                                    individuele werktijdenregeling afspreken, daaronder begrepen een
                                    werktijdenregeling voor een langere periode dan één
                                    kalenderjaar, waarbij de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur
                                    wordt berekend naar evenredigheid van de langere periode. De
                                    afgesproken individuele werktijdenregeling wordt schriftelijk
                                    vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De werktijdenregelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde
                                    lid, worden zodanig vastgesteld, dat een goede bedrijfsvoering
                                    is gewaarborgd en dat, zo mogelijk, wordt rekening gehouden met
                                    de individuele wensen en arbeidsomstandigheden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor
                                            hem geldende werktijden;</al></li><li nr="b."><al> zich buiten de voor hem geldende werktijden ter
                                            beschikking te houden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen, nadat met inachtneming van de Wet
                                    op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden, elk jaar maximaal 7 werkdagen aanwijzen
                                    als collectieve roostervrije dagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is 5 mei een
                                    collectieve roostervrije dag in jaren dat deze op een werkdag
                                    valt en niet op grond van artikel D.1, derde lid, als feestdag
                                    wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.4 Bijzondere bepalingen ten aanzien van de werktijd
                                    van oudere ambtenaren</titel></kop><al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar van 55 jaar of ouder geheel of
                                gedeeltelijk vrijgesteld van continudiensten in de nachturen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Vakantieverlof</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft per kalenderjaar aanspraak op 144 uren
                                    vakantieverlof met behoud van de volle bezoldiging. Voor de
                                    ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt de aanspraak op zowel
                                    het basisvakantieverlof als het aanvullend vakantieverlof
                                    bepaald evenredig aan het deeltijdpercentage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij aanvang of einde van het dienstverband in de loop van het
                                    kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantieverlof vastgesteld
                                    naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd wordt de
                                    aanspraak op vakantieverlof over het eventueel resterende deel
                                    van het kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met
                                    de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.6 Vermindering en verval van aanspraak op
                                    vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking
                                    van de voor hem geldende werktijdregeling geen arbeid,
                                    onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij geen
                                    aanspraak op vakantieverlof, onderscheidenlijk aanspraak op
                                    vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de
                                    werktijd waarop de arbeid volgens de werktijdregeling is
                                    verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of
                                    gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens: </al><lijst><li nr="a."><al> genoten vakantieverlof;</al></li><li nr="b."><al> zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
                                            artikel D.11;</al></li><li nr="c."><al> buitengewoon verlof van korte duur op grond van de
                                            artikelen D.12 en D.13 en op grond van de Wet op de
                                            ondernemingsraden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de
                                    ambtenaar over de uren waarop hij met recht op gehele of
                                    gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte geen
                                    arbeid verricht, aanspraak op vakantieverlof overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel D.5.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De aanspraak op basisvakantieverlof vervalt 12 maanden na de
                                    laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is
                                    ontstaan, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip
                                    redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op
                                    te nemen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanspraak op vakantieverlof dat niet ingevolge het vierde
                                    lid vervalt, vervalt na verloop van 5 jaren na de laatste dag
                                    van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het vakantieverlof waarop hij aanspraak heeft
                                    opnemen, tenzij hem daarvoor om redenen van dienstbelang geen
                                    toestemming is verleend. De ambtenaar meldt het voornemen om
                                    vakantieverlof op te nemen tijdig.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar neemt het vakantieverlof als regel op in het
                                    kalenderjaar waarop het betrekking heeft en als regel zodanig
                                    dat hij in ieder geval 2 weken aaneengesloten vrij van dienst
                                    is. Niet opgenomen vakantieverlof wordt in het volgende
                                    kalenderjaar opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld per kalenderjaar
                                    het voor dat jaar geldende vakantieverlof op te nemen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, in de gelegenheid gesteld vakantieverlof op
                                    te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof
                                    en/of culturele achtergrond, anders dan de dagen genoemd in
                                    artikel D.1, derde lid, bij het huwelijk en geregistreerd
                                    partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede
                                    graad, bij verhuizing en bij overlijden van bloed- en
                                    aanverwanten in de derde en vierde graad van de ambtenaar of
                                    diens partner.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Wanneer zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dat
                                    noodzakelijk maken kan de aan de ambtenaar verleende toestemming
                                    om vakantieverlof op te nemen, worden ingetrokken, zowel vóór
                                    als tijdens het vakantieverlof. Indien de ambtenaar ten gevolge
                                    van het intrekken van de toestemming om vakantieverlof op te
                                    nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.8 Vakantieverlof en ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof
                                    opnemen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk geen arbeid
                                    verricht worden bij het opnemen van vakantieverlof de uren voor
                                    de gehele arbeidsduur in mindering gebracht op het
                                    vakantieverlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, indien aan
                                    hem geen toestemming zou zijn verleend om vakantieverlof op te
                                    nemen, wegens ziekte op uren van het vakantieverlof verhinderd
                                    zou zijn geweest zijn arbeid te verrichten, worden die uren als
                                    niet opgenomen vakantieverlof aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor ieder uur vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft
                                    kunnen opnemen op de dag dat het dienstverband eindigt wordt hem
                                    een vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor ieder van die
                                    uren vakantieverlof gelijk aan het salaris per uur van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het dienstverband eindigt door overlijden van de
                                    ambtenaar wordt de in het eerste lid bedoelde vergoeding
                                    toegekend aan de nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel
                                    B.14, vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op de dag dat het dienstverband eindigt blijkt dat de
                                    ambtenaar, anders dan door toedoen van de provincie, teveel
                                    vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel
                                    genoten vakantieverlof een bedrag verschuldigd ten bedrage van
                                    het salaris per uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.10 Levensloop </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen overeenkomstig de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken een levensloopregeling vast, met inachtneming van
                                het bepaalde ter zake bij en krachtens de Wet op de loonbelasting
                                1964, de Wet arbeid en zorg en de Wet inkomstenbelasting 2001.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Buitengewoon verlof</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel D.11 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wet Arbeid en Zorg
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar van wie de partner tijdens het bevallingsverlof
                                    overlijdt, heeft op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht op het
                                    resterende bevallingsverlof met doorbetaling van de
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht
                                    een bedrag, gelijk aan de uitkering krachtens de Wet Arbeid en
                                    Zorg waarop de ambtenaar gedurende het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als tijdig een
                                    aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.12 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, recht op verlof van korte duur met behoud
                                    van bezoldiging bij huwelijk en geregistreerd partnerschap van
                                    de ambtenaar voor 1 dag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar behoudt het recht op bezoldiging voor een korte,
                                    naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij tengevolge van
                                    een calamiteit verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
                                    Desgevraagd dient de ambtenaar aannemelijk te maken dat er
                                    daadwerkelijk sprake was van een calamiteit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar aan wie op grond van artikel 3:2 van de Wet arbeid
                                    en zorg in verband met de adoptie van een kind of de opname van
                                    een pleegkind als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel
                                    d, van die wet, verlof is verleend behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging. Op de bezoldiging
                                    wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk
                                    aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg waarop hij
                                    gedurende de verlofperiode recht heeft of gehad zou hebben als
                                    tijdig een aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar aan wie op grond van artikel 5:1 van de Wet arbeid
                                    en zorg kortdurend zorgverlof is verleend, behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het kort betaald verzuimverlof op grond van artikel 4:1, eerste
                                    lid, juncto tweede lid, onder-deel b, van de Wet arbeid en zorg
                                    duurt bij het overlijden van </al><lijst><li nr="a."><al> de partner en bloed- en aanverwanten in de eerste
                                            graad: vier dagen;</al></li><li nr="b."><al> overige bloed- en aanverwanten in de rechte lijn,
                                            bloed- en aanverwanten in de tweede graad van de zijlijn
                                            en huisgenoten, niet zijnde de partner of genoemde
                                            bloed- en aanverwanten: maximaal twee dagen, of, indien
                                            de ambtenaar is belast met de lijkbezorging, maximaal
                                            vier dagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.13 Buitengewoon verlof voor activiteiten van
                                    vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                                    worden per kalenderjaar ten hoogste 108 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend voor het bijwonen
                                    van vergaderingen van statutaire organen van de in artikel I.1,
                                    tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel en
                                    van centrale organisaties en internationale
                                    ambtenarenorganisaties, waarbij deze vakorganisaties zijn
                                    aangesloten, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: </al><lijst><li nr="a."><al> voor zover het betreft vergaderingen van
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel, als bestuurslid
                                            van die vakorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van een onderdeel daarvan;</al></li><li nr="b."><al> voor zover het betreft vergaderingen van centrale
                                            organisaties, waarbij de vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van
                                            die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel;</al></li><li nr="c."><al> voor zover het betreft vergaderingen van een
                                            internationale ambtenarenorganisatie, waarbij de
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten,
                                            als bestuurslid van deze internationale
                                            ambtenarenorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    per kalenderjaar tot ten hoogste 187,2 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar
                                    die door een van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel is aangewezen om
                                    bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                    ontplooien binnen zijn vakorganisatie dan wel binnen het
                                    provinciaal apparaat. De door de ambtenaar te verrichten
                                    activiteiten dienen de doelstellingen van zijn vakorganisatie
                                    van overheidspersoneel te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging
                                    verleend aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een in
                                    artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel - als cursist deelnemen aan een cursus, met
                                    dien verstande dat dit verlof ten hoogste 50,4 uren per 2
                                    kalenderjaren bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verlof, verleend op grond van het eerste, tweede en derde
                                    lid, bedraagt tezamen ten hoogste 216 uren per kalenderjaar, met
                                    dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof per kalenderjaar
                                    worden verleend aan een lid van het hoofdbestuur van een in
                                    artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel of van een centrale organisatie waarbij die
                                    vakorganisatie is aangesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het verlof,
                                    bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bepaald evenredig
                                    aan het deeltijdpercentage.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het verlof, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, wordt
                                    slechts verleend aan de ambtenaar die lid is van een in artikel
                                    I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    voor deelname aan het in artikel I.1 bedoelde overleg als
                                    vertegenwoordiger van de vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    en aan het daartoe noodzakelijke vooroverleg van de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.14 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van
                                    bezoldiging, toeslagen, toelagen, uitkeringen en
                                    vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of
                                    verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, van de
                                    Ambtenarenwet aanspraak heeft op inkomsten - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat
                                    hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een
                                    inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan
                                    worden te ontvangen als inkomsten over de met het verlof
                                    overeenkomende tijd niet te boven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.15 Kapstokbepaling buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen
                                bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen
                                voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle
                                of gedeeltelijke bezoldiging en op door hen te bepalen wijze.
                                Gedeputeerde Staten kunnen de ambtenaar ook anders dan op aanvraag
                                buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging
                                verlenen als daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.16 Langdurend onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan Gedeputeerde Staten verzoeken om onbetaald
                                    verlof te verlenen voor de volledige arbeidsduur of voor een
                                    deel daarvan. Het verlof wordt tenminste drie maanden tevoren
                                    aangevraagd. de aanvraag bevat in ieder geval de datum waarop
                                    het verlof ingaat, het aantal op te nemen uren verlof en de
                                    verdeling daarvan over de weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verlof bedraagt minimaal acht aaneengesloten weken. De
                                    maximumduur wordt in overleg tussen de ambtenaar en zijn
                                    leidinggevende vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kennen het aangevraagde verlof toe, tenzij
                                    de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de ambtenaar
                                    besluiten dat het verlof op grond van onvoorziene omstandigheden
                                    niet wordt opgenomen of niet wordt voortgezet. Zij kunnen het
                                    verzoek afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of
                                    dienstbelang zich hiertegen verzet. Aan dit verzoek hoeft niet
                                    eerder gevolg gegeven te worden dan vier weken na het verzoek.
                                    In het geval dat het verlof met toepassing van de eerste volzin
                                    na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet,
                                    vervalt het recht op het overige deel van het verlof.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het verlof wordt bij samenloop voor de duur van het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie
                                    die hij bij de aanvang van dat verlof vervulde. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het bepaalde in het vierde en zesde lid is niet van toepassing
                                    op de ambtenaar aan wie onbetaald verlof is verleend, direct
                                    voorafgaand aan pensionering met het oog op vervroegde
                                    uittreding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.17</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Over de opgenomen uren van het in artikel D.16 bedoelde
                                    onbetaald verlof heeft geen opbouw van vakantieverlof en van IKB
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van onbetaald verlof als bedoeld in
                                    artikel D.16 behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde
                                    tegemoetkoming bestaat over de uren van onbetaald verlof geen
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toelagen,
                                    uitkeringen en vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De op grond van het pensioenreglement verschuldigde
                                    pensioenpremie over de periode van onbetaald verlof komt
                                    gedurende de eerste zes maanden voor rekening van de provincie
                                    en de ambtenaar overeenkomstig de standaardverdeling van de
                                    pensioenpremie tussen werkgever en werknemer en daarna volledig
                                    voor rekening van de ambtenaar.</al><al/><al> Ingeval van onbetaald verlof, direct voorafgaand aan
                                    pensionering met het oog op vervroegde uittreding komt de
                                    verschuldigde pensioenpremie vanaf het begin van dit verlof
                                    volledig voor rekening van de ambtenaar. Bij onbetaaldverlof,
                                    direct voorafgaand aan </al><lijst><li nr="a."><al> ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                            leeftijd, of</al></li><li nr="b."><al> volledig ontslag voorafgaand aan
                                            ABP-keuzepensioen,</al><al/><al> komt de verschuldigde pensioenpremie vanaf het begin
                                            van dit verlof volledig voor rekening van de
                                            ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid, eerste
                                    volzin is van overeenkomstige toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> onbetaald ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6
                                            van de Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="b."><al> onbetaald langdurend zorgverlof als bedoeld in afdeling
                                            2 van hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk E Gezondheid en arbeidsomstandigheden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel E.1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten sluiten een overeenkomst met een
                                arbodienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, regels met
                                betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen inzake ziek- en
                                hersteldmelding daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, een lijst vast
                                met functies, waarvoor op grond van bijzondere eisen op het punt van
                                medische geschiktheid een medische keuring bij aanstelling of
                                functiewijziging is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de medische keuring, bedoeld in het eerste lid is
                                tevens van toepassing het Protocol Aanstellingskeuringen van de
                                Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der
                                Geneeskunst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte
                                arbeidsgezondheidskundige onderzoeken</titel></kop><al>Een ambtenaar die is belast met een functie, vermeld op de lijst,
                            bedoeld in het eerste lid van artikel E.2, ondergaat periodiek een
                            gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                                onderzoeken</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen de ambtenaar verplichten een
                            arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:</al><lijst><li nr="a."><al> indien naar hun oordeel gegronde redenen bestaan voor twijfel
                                    aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> indien zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de
                                    volledige geschiktheid van de ambtenaar voor het verrichten van
                                    zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
                                    aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden
                                    geacht voor de vervulling van een andere functie;</al></li><li nr="c."><al> indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft
                                    gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor
                                    ingevolge de Wet publieke gezondheid een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt;</al></li><li nr="d."><al> ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het
                                    tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te
                                    verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag
                                    verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt
                                    geacht;</al></li><li nr="e."><al> om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                                    in het eerste lid, onderdelen a en b van artikel E.9;</al></li><li nr="f."><al> om te beoordelen of een ambtenaar die wegens ziekte volledig
                                    ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
                                    hervatten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.5 Medisch advies, hernieuwd onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbodienst brengt naar aanleiding van een
                                arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3
                                en E.4 een medisch advies uit aan gedeputeerde staten. De ambtenaar
                                ontvangt zo spoedig mogelijk een afschrift van het medisch
                                advies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar het niet eens is met het medisch advies kan hij
                                het UWV verzoeken ter zake een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, eerste lid en derde lid, onderdelen a en b, van de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de ambtenaar op advies van de arbodienst
                                buiten dienst stellen, indien na een onderzoek als bedoeld in de
                                artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de ambtenaar lichamelijk of
                                geestelijk in een zodanige toestand verkeert, dat hij zijn eigen
                                belangen, de belangen van de dienst of van derden die bij het
                                verrichten van de arbeid zijn betrokken, schaadt door zijn arbeid te
                                blijven verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid buiten dienst wordt
                                gesteld, wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het
                                verrichten van arbeid, in welk geval het bepaalde in en krachtens de
                                artikelen E.7, E.8 en E.9 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.7 Re-integratie van zieke ambtenaren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten bevorderen ten aanzien van de ambtenaar, die in
                                verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn
                                arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid binnen de
                                provinciale organisatie. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet
                                meer kan worden verricht en binnen de provinciale organisatie geen
                                andere passende arbeid voorhanden is, bevorderen gedeputeerde staten
                                gedurende het tijdvak waarin de ambtenaar jegens de provincie recht
                                op bezoldiging heeft op grond van de vierde afdeling van de
                                Ziektewet, artikel 71a, negende lid, van de WAO of artikel 25,
                                negende lid, van de WIA de inschakeling van de ambtenaar in voor hem
                                passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                taak treffen gedeputeerde staten zo tijdig mogelijk zodanige
                                maatregelen en verstrekken zij zo tijdig mogelijk aanwijzingen als
                                redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te
                                verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende
                                arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                taak stellen gedeputeerde staten in overeenstemming met de ambtenaar
                                een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van
                                de WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van
                                aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd
                                en zo nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door
                                        hen aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren
                                        en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in het
                                        derde lid;</al></li><li nr="c."><al> passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen;</al></li><li nr="d."><al> de eigen arbeid te verrichten onder andere voorwaarden die
                                        in verband met de arbeidsongeschiktheid noodzakelijk
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast met
                            betrekking tot de aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar
                            bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, de daarbij in acht te nemen
                            verplichtingen en de sancties bij het niet nakomen van die
                            verplichtingen, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte
                            afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan ontslag worden verleend op grond van
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van
                                        twee jaar;</al></li><li nr="b."><al> herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
                                        maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar
                                        is te verwachten en</al></li><li nr="c."><al> het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken
                                        om de ambtenaar binnen de organisatie van de provincie
                                        andere passende arbeid aan te bieden, dan wel indien de
                                        ambtenaar geweigerd heeft andere passende arbeid te
                                        aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen
                                afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de
                                zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf
                                het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het
                                bevallingsverlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld: </al><lijst><li nr="a."><al> indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
                                        weken opvolgen; of</al></li><li nr="b."><al> indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door
                                        zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode
                                        vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van
                                        het bevallingsverlof; of</al></li><li nr="c."><al> indien een in onderdeel b bedoelde afwezigheid wordt
                                        voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van
                                        arbeidsgeschiktheid die in totaal minder dan vier weken
                                        bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                wordt verlengd met de duur van: </al><lijst><li nr="a."><al> de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64,
                                        eerste lid, van de WIA later wordt gedaan dan in of op grond
                                        van dat artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al> de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al> het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is van
                                een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
                                betrekken gedeputeerde staten de uitslag van de claimbeoordeling op
                                grond van de WIA en een eventueel door gedeputeerde staten of de
                                ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel door het UWV.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de
                                WIA voor meer dan 65% arbeidsgeschikt is verklaard wordt na afloop
                                van de in het eerste lid bedoelde termijn geen ontslag verleend op
                                grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Ontslag
                                als bedoeld in de eerste volzin, kan niet eerder worden verleend dan
                                na één jaar na de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde periode
                                van twee jaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar die door het UWV arbeidsgeschikt is verklaard voor
                                minder dan het aantal uren waarvoor hij is aangesteld en die bij de
                                provincie zijn arbeid blijft of andere passende arbeid gaat
                                verrichten voor minder uren kan ontslag op grond van dit artikel
                                slechts worden verleend voor het aantal uren dat het verschil vormt
                                tussen de oude en de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.10 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan
                                met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen
                                toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen tenzij de
                                arbodienst daartoe toestemming heeft verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste mededeling te doen aan
                                de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege de Arbo-dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar geniet over de tijd gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.11 Collectieve overeenkomst zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten sluiten met een of meer zorgverzekeraars ten
                                behoeve van de ambtenaar en zijn gezinsleden een overeenkomst als
                                bedoeld in artikel 18 van de Zorg-verzekeringswet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde overeenkomst regelt in ieder geval
                                het geldelijk voordeel voor de op grond van de Zorgverzekeringswet
                                verplichte zorgverzekering en voor de aanvullende
                                zorgverzekering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan mede betrekking
                                hebben op de gewezen ambtenaar aan wie ontslag uit provinciale
                                dienst is verleend met recht </al><lijst><li nr="a."><al> op een wettelijke uitkering wegens volledige en duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid; of</al></li><li nr="b."><al> op ouderdomspensioen ten laste van het ABP dan wel op een
                                        FPU-uitkering;</al><al/><al/><al> en op de gezinsleden van de onder a en b bedoelde gewezen
                                        ambtenaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.12</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming in
                                de ziektekosten. De tegemoetkoming bedraagt voor de ambtenaar voor
                                wie een salarisschaal geldt </al><lijst><li nr="a."><al> die lager is dan salarisschaal 7: € 25,46 per maand;</al></li><li nr="b."><al> die gelijk is aan of hoger dan salarisschaal 7: € 16,37 per
                                        maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het salaris van het provinciepersoneel een algemene
                                wijziging ondergaat worden de bedragen van de tegemoetkoming,
                                bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, overeenkomstig
                                gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.13 Ziektekosten bij dienstongeval of
                                beroepsziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval van dienstongevallen of beroepsziekten worden de ambtenaar
                                vergoed te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van Gedeputeerde
                                Staten noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                                verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor vergoeding komen, tenzij Gedeputeerde Staten in bijzondere
                                gevallen anders bepalen, niet in aanmerking, de kosten die ten laste
                                van de ambtenaar blijven vanwege de aanvaarding van een eigen risico
                                in de op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte
                                zorgverzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.14 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft wordt de
                            gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                            kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel E.15 Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie
                                ingeval van ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te
                                verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op grond
                                van de WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden
                                verleend indien hij zonder deugdelijke grond weigert of nalaat: </al><lijst><li nr="a."><al> gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door
                                        hen aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat
                                        te stellen de eigen of andere passende arbeid te
                                        verrichten;</al></li><li nr="b."><al> zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren
                                        en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA dan wel artikel 71a, tweede lid,
                                        van de WAO;</al></li><li nr="c."><al> passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Alvorens een besluit tot ontslag op grond van het eerste lid te
                                nemen wordt het UWV verzocht een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan na afloop van de
                                in artikel E.9, eerste lid, bedoelde termijn ontslag worden verleend
                                indien hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd of nagelaten een
                                uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk F Overige rechten en plichten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel F.1 Integriteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan Gedeputeerde Staten opgave te doen
                                van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                verrichten die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband
                                staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De gedane opgaven
                                worden door Gedeputeerde Staten geregistreerd. Van iedere ambtenaar
                                afzonderlijk die een functie vervult waarvoor een hogere
                                salarisschaal geldt dan salarisschaal 13 worden de ingevolge de
                                eerste volzin gemelde nevenwerkzaamheden openbaar gemaakt, met
                                vermelding van eventueel door gedeputeerde staten aan het verrichten
                                van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die in opdracht van Gedeputeerde Staten
                                nevenwerkzaamheden verricht die verband houden met de vervulling van
                                zijn functie, is verplicht de voor die werkzaamheden anders dan uit
                                de provinciale kas ontvangen vergoeding in de provinciale kas te
                                storten, tenzij Gedeputeerde Staten uitdrukkelijk anders hebben
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de provincie,
                                tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. De ambtenaar
                                is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald
                                omtrent aannemingen of leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn functie enige
                                bevoordeling te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij
                                daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Het aannemen van
                                steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden ten eigen bate of ten bate van derden: </al><lijst><li nr="-"><al> diensten te laten verrichten door personen in dienst van de
                                        provincie;</al></li><li nr="-"><al> aan de provincie toebehorende eigendommen te
                                        gebruiken;</al></li><li nr="-"><al> gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                        functie ter kennis is gekomen;</al><al/><al> tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht bij zijn aanstelling de eed of belofte af
                                te leggen. Gedeputeerde staten stellen het formulier van de eed en
                                belofte vast. Indien de ambtenaar daartoe aan zijn godsdienstige
                                gezindheid de plicht ontleent, kan hij de eed afleggen op een wijze
                                die in overeenstemming is met zijn godsdienstige gezindheid.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde staten wijzen de ambtenaren aan die werkzaamheden
                                verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar
                                meldt gedeputeerde staten financiële belangen, alsmede het bezit van
                                en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover
                                deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.
                                Gedeputeerde staten voeren een registratie van op grond van de
                                tweede volzin gedane meldingen. De ambtenaar verstrekt nadere
                                informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen
                                of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor
                                naar het oordeel van gedeputeerde staten aanleiding bestaat op grond
                                van de melding of na de melding gebleken feiten of
                                omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor
                                de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de
                                openbare dienst, voor zover dit in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, nadere regels stellen ter uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste tot en met negende lid.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> De Regeling melden vermoeden van een misstand is vastgelegd in
                                bijlage 3 van deze regeling. Bijlage 3 is onderdeel van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.2 Dienstkleding en onderscheidingstekens</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de voor
                            die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding en
                            onderscheidingstekens te dragen en zich te houden aan de ter zake
                            vastgestelde voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.3 Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die bij de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden schade toebrengt aan de provincie of aan een derde
                                jegens wie de provincie tot vergoeding van schade gehouden is, is
                                hiervoor niet jegens de provincie aansprakelijk, tenzij de schade
                                een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de
                                omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de hem
                                opgedragen werkzaamheden, anders voortvloeien dan in de eerste
                                volzin is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen naar billijkheid de ambtenaar schade
                                vergoeden aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen zijnde, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                                lijdt ten gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan de ambtenaar kan naar billijkheid schade worden vergoed aan een
                                hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij lijdt ten
                                gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden,
                                tenzij </al><lijst><li nr="a."><al> de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
                                        van de ambtenaar; of</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar dienstreizen met bedoeld motorrijtuig maakt
                                        over een totale afstand van 10.000 of meer kilometers
                                        gemiddeld per jaar en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                        gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                        kilometer; of</al></li><li nr="c."><al> hem geen toestemming is verleend voor het gebruik van
                                        bedoeld motorrijtuig.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.4 Kostenvergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen regels inzake vergoeding van reis- en
                                verblijfkosten wegens dienstreizen met inachtneming van de hierover
                                in het SPA gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen regels inzake vergoeding van
                                verhuiskosten en pensionkosten met inachtneming van de hierover in
                                het SPA gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, regels vaststellen inzake vergoeding van kosten voor
                                dienstkleding en onderscheidingstekens.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in verband met zijn functievervulling andere
                                dan in het eerste, tweede en derde lid bedoelde kosten heeft moeten
                                maken, kan vergoeding in die kosten worden verleend met inachtneming
                                van door Gedeputeerde Staten te stellen regels waarover
                                overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.5 Woonplaats</titel></kop><al>De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen nabij de
                            plaats van tewerkstelling, indien dit naar het oordeel van Gedeputeerde
                            Staten noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van de
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.6 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien dit voor de goede vervulling van de functie nodig is kan de
                                ambtenaar worden verplicht te gaan wonen in de dienstwoning die hem
                                is aangewezen. De ambtenaar dient zich te gedragen naar de
                                voorschriften die ter zake van de bewoning en het gebruik zijn
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten van de dienstwoning die volgens de
                                wet en het plaatselijk gebruik normaal voor rekening van de huurder
                                zijn, tenzij met hem andere afspraken zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Opzegging van de dienstwoning geschiedt ten minste drie maanden
                                tevoren. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen hiervan
                                afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.7 Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                                beoordeling</titel></kop><al>Met de ambtenaar wordt periodiek een planningsgesprek, een
                            voortgangsgesprek en een evaluatie- en beoordelingsgesprek gehouden.
                            Gedeputeerde Staten stellen daartoe algemeen verbindende voorschriften
                            vast met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte
                            afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.8 Aanzuivering tekorten</titel></kop><al>De rekenplichtige ambtenaar is verplicht een tekort geheel of
                            gedeeltelijk aan te zuiveren, indien hem ter zake van dat tekort een
                            ernstig verwijt kan worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.9 Verplichte opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de opleidingen te volgen die Gedeputeerde
                            Staten voor hem noodzakelijk achten in het belang van de dienst. De
                            kosten die zijn verbonden aan het volgen van de in de eerste volzin
                            bedoelde opleidingen komen ten laste van de provincie. Voor het bijwonen
                            van de lessen en het deelnemen aan (deel)examens en tentamens in
                            werktijd wordt de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend.
                            Gedeputeerde Staten regelen de faciliteiten ingeval de lessen buiten de
                            werktijd plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten minste een keer per drie jaren maken de leidinggevende en de
                                ambtenaar in het planningsgesprek, bedoeld in artikel F.7, afspraken
                                over de loopbaanontwikkeling, de daartoe benodigde competenties en
                                de in dat kader te volgen opleidingen en te ondernemen andere
                                activiteiten. De afspraken worden vastgelegd in een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De afspraken in het persoonlijk ontwikkelingsplan moeten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire en andere voorwaarden van
                                het provinciaal opleidingsbeleid en het op basis daarvan voor het
                                betrokken provinciaal personeel vastgestelde algemene
                                opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten vergoeden de kosten van de opleiding en andere
                                activiteiten die de ambtenaar maakt ter uitvoering van het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar afspraken vast over de voorzieningen, daaronder begrepen
                                de eventuele toekenning van verlof, die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen uitvoering te geven aan het ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar ook afspraken vast met betrekking tot in ieder geval een
                                of meer van de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="a."><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut en de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li><li nr="b."><al> de studieperiode;</al></li><li nr="c."><al> de minimaal te behalen resultaten en de te maken
                                        voortgang;</al></li><li nr="d."><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie,
                                        onderscheidenlijk bij het verlaten van de provinciale dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li><li nr="e."><al> andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                        uitvoering van het ontwikkelingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.11 Bescherming</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat de ambtenaar die
                            activiteiten vervult waarvoor hij op grond van het bepaalde in artikel
                            D.13 als lid van één van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            buitengewoon verlof kan genieten, niet wegens zijn lidmaatschap van of
                            activiteiten voor die vakorganisaties wordt benadeeld in zijn positie in
                            de provinciale organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel F.12 Individuele keuzemogelijkheden
                                arbeidsvoorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen, met inachtneming van de hierover in
                                het SPA gemaakte afspraken, algemeen verbindende voorschriften vast
                                waarin de ambtenaar met een aanstelling voor onbepaalde tijd of voor
                                bepaalde tijd met een resterende looptijd van ten minste 12 maanden,
                                de mogelijkheid wordt geboden onder voorwaarden bepaalde
                                arbeidsvoorwaarden naar eigen keuze in te vullen door van
                                arbeidsvoorwaarden, bedoeld in het tweede lid, die zijn aangemerkt
                                als bronnen, geheel of gedeeltelijk af te zien ter verkrijging van
                                andere arbeidsvoorwaarden, bedoeld in het derde lid, die zijn
                                aangemerkt als doelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als bronnen in de zin van het eerste lid komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> het salaris;</al></li><li nr="b."><al> de vakantie-uitkering;</al></li><li nr="c."><al> de structurele eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al> de aanspraak op algemeen verlof.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als doelen in de zin van het eerste lid komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> minder werken;</al></li><li nr="b."><al> een fiets en daarmee samenhangende zaken ten behoeve van
                                        het woon-werkverkeer;</al></li><li nr="c."><al> vergoeding van de voor eigen rekening blijvende reiskosten
                                        met het openbaar vervoer;</al></li><li nr="d."><al> vergoeding van vakbondscontributie;</al></li><li nr="e."><al> uitbetaling van algemeen verlof;</al></li><li nr="f."><al> sparen voor levensloopverlof.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk G Orde- en strafmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel G.1 Maatregelen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of op het werk zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden
                                ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel G.2 Schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan voor bepaalde tijd worden geschorst, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem
                                        wordt ingesteld;</al></li><li nr="b."><al> hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                        ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is
                                        opgelegd;</al></li><li nr="c."><al> tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het
                                        Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd of</al></li><li nr="d."><al> het belang van de dienst dit verlangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Behoudens bij schorsing op grond van het eerste lid, onderdeel d,
                                kan tijdens de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk
                                worden ingehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan
                                aan de ambtenaar worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel G.3 Plichtsverzuim </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich
                                overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan om die reden
                                disciplinair gestraft worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel G.4 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd zijn </al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijke berisping</al></li><li nr="b."><al> geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag
                                        van zijn salaris;</al></li><li nr="c."><al> benoeming in een andere functie;</al></li><li nr="d."><al> ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het opleggen van de straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
                                vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                                plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan
                                enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij
                                eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel G.5 Tenuitvoerlegging </titel></kop><al>Het besluit tot strafoplegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd,
                            tenzij anders is bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk H Dienstverband op arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel H.1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan
                                onder: </al><lijst><li nr="a."><al> werknemer: degene die op arbeidsovereenkomst naar
                                        burgerlijk recht door Gedeputeerde Staten in dienst van de
                                        provincie is genomen;</al></li><li nr="b."><al> oproepkracht: de werknemer die in dienst is genomen voor
                                        het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard
                                        of omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Namens de provincie treden Gedeputeerde Staten op als werkgever
                                voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op
                                arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan slechts
                            plaatsvinden:</al><lijst><li nr="a."><al> voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een
                                    wisselende behoefte;</al></li><li nr="b."><al> indien betrokkene blijkens de bewoordingen van de
                                    arbeidsovereenkomst hoofdzakelijk in dienst is genomen ten
                                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                    vorming;</al></li><li nr="c."><al> voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door
                                    de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                    bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde
                                    groepen van werklozen;</al></li><li nr="d."><al> voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in
                                    aard of omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.3 Vaststelling arbeidsovereenkomst </titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                            opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel a, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel b, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd die
                                noodzakelijk is voor de in dat onderdeel bedoelde wetenschappelijke
                                of praktische opleoding of vorming.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel c, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd dat de in dat
                                onderdeel bedoelde regeling op de werknemer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.5 Loon</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De werkgever bepaalt volgens welke van de hierna genoemde
                                regelingen de loonbetaling zal plaatshebben: </al><lijst><li nr="a."><al> volgens de bezoldigingsregeling voor de ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al> volgens de loonregeling voor de groep waarvan de werknemer
                                        deel uitmaakt, die de werkgever heeft vastgesteld nadat
                                        hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden;
                                        of</al></li><li nr="c."><al> op een bedrag, voor elk geval of voor elke te verrichten
                                        dienst afzonderlijk vast te stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in en krachtens hoofdstuk C is voor zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing, voor zover met toepassing van het
                                eerste lid, onderdelen b en c, niet anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.6 Toepasselijkheid bepalingen Burgerlijk Wetboek
                            </titel></kop><al>De bepalingen van Boek 7, Titel 10, afdelingen 1 tot en met 9, van het
                            Burgerlijk Wetboek zijn, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is
                            bepaald, van toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.7 Toepasselijkheid bepalingen in en krachtens deze
                                regeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In aanvulling op artikel H.6 is het bepaalde ten aanzien van
                                ambtenaren in en krachtens de artikelen A.4, A.6, B.3, B.6, derde
                                tot en met zesde lid, B.7, B.14, tweede, derde en vierde lid,
                                hoofdstuk D, de artikelen E.1 tot en met E.8, E.10 tot en met E.12
                                en E.14, alsmede de hoofdstukken F - met uitzondering van artikel
                                F.3, eerste en tweede lid - en G voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de werknemer die deelnemer is in de zin van het
                                pensioenreglement is het bepaalde in en krachtens de artikelen B.13
                                en E.9 voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de
                                arbeidsovereenkomst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.8 Einde arbeidsovereenkomst bij verlies verblijfstitel
                                vreemdelingen</titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst van de werknemer die geen Nederlander is kan te
                            allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd indien hij niet
                            langer in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8
                            van de Vreemdelingenwet 2000 of de provincie voor hem niet langer
                            beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
                            vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens
                            laatstgenoemde wet niet is vereist.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.9 Oproepkrachten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De werkgever is verplicht, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De oproepkracht is in beginsel verplicht de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een oproep tot arbeid kan door de werkgever worden afgezegd en door
                                de oproepkracht worden geweigerd tot uiterlijk twaalf uur vóór de
                                aanvang van de feitelijke werkzaamheden. In geval van niet tijdige
                                afzegging door de werkgever bestaat aanspraak op loon als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel H.10 Doorwerking wijzigingen</titel></kop><al>Een wijziging van het bepaalde bij of krachtens deze regeling geldt,
                            voorzover het tegendeel niet is bepaald, ook voor de werknemer die bij
                            het in werking treden van die wijziging al op arbeidsovereenkomst in
                            dienst van de provincie is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Overleg</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van
                                overheidspersoneel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met vakorganisaties van overheidspersoneel wordt overleg gevoerd
                                over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel I.2.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoerd tussen een
                                door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en vertegenwoordigers
                                van: </al><lijst><li nr="a."><al> FNV,</al></li><li nr="b."><al> CNV Connectief en</al></li><li nr="c."><al> andere vakorganisaties van overheidspersoneel, indien
                                        gedeputeerde staten hen, onder meer gelet op het aantal
                                        ambtenaren dat zij in de provincie vertegenwoordigen, als
                                        representatief voor de provincie hebben aangemerkt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel I.2 Onderwerpen van overleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Overleg vindt plaats over: </al><lijst><li nr="a."><al> de regeling van de rechtstoestand van de ambtenaar waar dat
                                        overleg in de onderscheiden hoofdstukken is voorgeschreven
                                        en overigens, als het overleg daarover niet is voorbehouden
                                        aan het SPA, indien en voorzover dat in het SPA is
                                        overeengekomen;</al></li><li nr="b."><al> de vaststelling van regels omtrent de te volgen procedure
                                        bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                        reorganisaties als bedoeld in artikel B.8, daaronder
                                        begrepen de vaststelling van sociale beleidskaders;</al></li><li nr="c."><al> werkgelegenheid, voor zover daarover geen overleg
                                        plaatsvindt in het SPA;</al></li><li nr="d."><al> de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken,
                                        indien dat in het SPA is overeengekomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In geval van een reorganisatie waarbij de positie van minder dan 10
                                personen is betrokken kan overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten minste eenmaal per jaar vindt overleg plaats over de algemene
                                gang van zaken in de provincie welke van belang is voor de
                                ambtenaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel I.3 Wijze van overleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het overleg wordt voorgezeten door de portefeuillehouder voor
                                personeelsaangelegenheden uit het midden van Gedeputeerde Staten.
                                Hij wordt ondersteund door een door hem aan te wijzen
                                secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De door Gedeputeerde Staten aangewezen delegatie en de
                                vertegenwoordigers van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                kunnen zich in het overleg laten bijstaan door deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het overleg vindt plaats indien de door Gedeputeerde Staten
                                aangewezen delegatie dan wel één of meer van de in artikel I.1,
                                tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel dat
                                noodzakelijk achten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitnodiging voor het overleg gaat uit van de secretaris. Deze
                                stelt de vakorganisaties van overheidspersoneel tevoren in de
                                gelegenheid om hun wensen met betrekking tot de te bespreken
                                onderwerpen kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel nadere afspraken maken over de wijze van
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel I.4 Overeenstemmingvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het overleg betrekking heeft op de invoering, wijziging of
                                intrekking van een regeling met rechten of verplichtingen van
                                individuele ambtenaren moet hierover overeenstemming worden bereikt
                                met een meerderheid van de in dat overleg vertegenwoordigde
                                vakorganisaties van overheidspersoneel.</al><al/><al> Elk van de vertegenwoordigde vakorganisaties van overheidspersoneel
                                brengt daarbij zoveel stemmen uit als deze leden heeft in de
                                provincie, met dien verstande dat het aantal stemmen van één
                                vakorganisatie van overheidspersoneel nooit meer kan zijn dan het
                                aantal stemmen van de overige vakorganisatie(s) van
                                overheidspersoneel tezamen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien overeenstemming is bereikt met niet de meerderheid van de
                                vakorganisaties van overheidspersoneel worden de voorstellen alleen
                                doorgevoerd als de voorzitter van het overleg heeft geconstateerd
                                dat hiervoor voldoende draagvlak is. Een zodanig draagvlak is in elk
                                geval niet aanwezig als het aantal uitgebrachte stemmen van de
                                vakorganisatie(s) waarmee overeenstemming is bereikt, minder is dan
                                de helft van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien en zolang de in het eerste lid bedoelde overeenstemming niet
                                wordt bereikt blijft de invoering, wijziging of intrekking van de
                                daar bedoelde regelingen achterwege. In dat geval worden ad hoc
                                nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop verder zal worden
                                gehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel I.5 Advies en arbitrage bij geschillen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        provinciebestuur en de vertegenwoordigers van de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel, genoemd in artikel
                                        I.1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al> advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie, ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel is van toepassing op geschillen inzake de
                                aangelegenheden, bedoeld in artikel I.4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid,
                                schrijft de voorzitter een overlegvergadering met de vakorganisaties
                                van overheidspersoneel uit. De vergadering moet worden gehouden
                                binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. Tenzij de deelnemers
                                aan het overleg besluiten het overleg voort te zetten dan wel te
                                beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeen- stemming
                                bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                zijn en of een oplossing van het geschil zal worden gezocht door
                                middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                                ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door
                                onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                                commissie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn – ieder voor zich – de
                                vertegenwoordiging van het provinciebestuur en een meerderheid van
                                de in het overleg vertegenwoordigde vakorganisaties van
                                overheidspersoneel bevoegd. Voor onderwerping van het geschil aan
                                arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het
                                overleg.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid,
                                wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend
                                door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het
                                advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de
                                inhoud van het geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in het
                                vierde lid, geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers
                                aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
                                geschil zijn, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun
                                visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen
                                zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid,
                                wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al> de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg
                                over het geschil voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk J Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel J.1 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding sectorale verlofregeling</titel></kop><al>(invoeging artikelen D.5 t/m D.19 en aanpassing artikelen B.11, ondereel f, F.10
                    en H.7 van de CAP)</al><al><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</vet></al><al>Op personeel dat vóór 1 april 2000 in dienst is van de provincie is de
                    garantieregeling van toepassing die is overeengekomen in onderdeel 4 van de
                    Collectieve Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector provincies 2000/2001 in geval
                    de daarin vastgelegde verlofafspraken per saldo een achteruitgang
                    betekenen.</al><al><vet>Artikel III (lokaal overgangsrecht)</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Ter uitvoering van de sectoraal overeengekomen garantieregeling geldt
                            voor ambtenaren die reeds vóór 1 april 2000 in provinciale dienst waren
                            en voor wie de in de CAO sector provincies 2000/2001 vastgelegde
                            verlofafspraken per saldo een achteruitgang betekenen, dat zij de
                            beschikking krijgen over 19,6 uren garantieverlof per jaar; deze
                            garantie geldt gedurende een periode die gelijk is aan het aantal volle
                            jaren dat de betreffende ambtenaar op 1 januari 2001 in dienst is van
                            deze provincie zulks met een minimum van 5 jaar.</al><al/><al> In aanvulling hierop geldt voor de ambtenaren die als gevolg van
                            overdracht van taken van rijk naar provincie in 1992 in het kader van de
                            Wet Herziening Wegen bij de provincie in dienst zijn getreden of in 1996
                            in het kader van de “Decentralisatie-impuls” bij de provincie in dienst
                            zijn getreden, dat de dienstjaren welke direct voorafgaand aan de
                            indiensttreding bij de provincie bij het rijk zijn doorgebracht
                            meetellen bij de berekening van de duur van de garantie.</al></li><li nr="2."><al> De ambtenaar wiens kind op 1 januari 2001 de leeftijd van 7 jaren heeft
                            bereikt, kan voor dat kind geen aanspraak maken op
                            ouderschapsfaciliteiten.</al></li><li nr="3."><al> In afwijking van het besluit omtrent het vervallen van buitengewoon
                            verlof van korte duur als bedoeld in artikel E-7, eerste lid, onder m
                            van het ambtenarenreglement voor de provincie Gelderland
                            (ambtsjubileum), behoudt de ambtenaar het recht op buitengewoon verlof
                            met behoud van bezoldiging bij het bereiken van zijn 25- of 40-jarig
                            ambtsjubileum, voor zolang recht bestaat op een
                            ambtsjubileumgratificatie terzake.</al></li><li nr="4."><lijst><li nr="a."><al> Ten aanzien van de ambtenaar die op 31 december 2000 op grond
                                    van artikel G-30 van het ambtenarenreglement voor de provincie
                                    Gelderland tijdelijk is ontheven van de vervulling van zijn
                                    functie in verband met een functie in publiekrechtelijke
                                    colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, blijft de
                                    Non-activiteitsregeling provincie Gelderland zoals deze gold op
                                    31 december 2000 van kracht tot het einde van de zittingsduur
                                    c.q. tot het moment van voortijdig aftreden.</al></li><li nr="b."><al> Ten aanzien van de ambtenaar die op 31 december 2000 aanspraak
                                    kon maken op buitengewoon verlof wegens een functie in het
                                    openbaar bestuur als bedoeld in artikel E-9 van het
                                    ambtenarenreglement voor de provincie Gelderland, blijft de
                                    Kortingsregeling voor provinciale ambtenaren/gemeenteraadslieden
                                    zoals deze gold op 31 december 2000 van kracht tot het einde van
                                    de zittingsduur c.q. tot het moment van voortijdig
                                    aftreden.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Overgangsrecht bij invoering hoofdstuk C Bezoldiging</titel></kop><al><vet>Artikel II Sectoraal overgangsrecht</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De ambtenaar wordt met ingang van 1 januari 2005 ingepast in de
                            salarisschaal die voor hem krachtens artikel C.5 van de Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies is bepaald, op het salaris waarop
                            hij op grond van de oude regeling op die datum aanspraak zou hebben
                            gehad.</al></li><li nr="2."><al> Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude regeling op
                            1 januari 2005 aanspraak zou hebben gehad ligt boven het maximumsalaris
                            van de salarisschaal die voor hem krachtens het eerste lid is bepaald,
                            wordt hij op die datum ingepast op dit maximumsalaris en ontvangt hij in
                            aanvulling hierop een garantietoelage ter grootte van het verschil
                            tussen bedoeld salaris en dit maximumsalaris. Deze garantietoelage wordt
                            aangemerkt als salaris.</al></li><li nr="3."><al> Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude regeling op
                            1 januari 2005 aanspraak zou hebben gehad ligt onder het minimumsalaris
                            van de salarisschaal die voor hem krachtens het eerste lid is bepaald,
                            wordt hij op die datum ingepast op dit minimumsalaris.</al></li><li nr="4."><al> Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling voor de
                            toekenning van een periodieke salarisverhoging een wachttijd geldt van
                            langer dan een jaar en er op 1 januari 2005 van die wachttijd een jaar
                            of meer is verstreken, wordt hij op die datum in de salarisschaal die
                            krachtens het eerste lid voor hem is bepaald, ingepast op het salaris
                            waarop hij op grond van de oude regeling aanspraak zou hebben gehad na
                            afloop van genoemde wachttijd. Is van die wachttijd op 1 januari 2005
                            nog geen jaar verstreken dan wordt de ambtenaar op het in de eerste
                            volzin bedoelde salaris ingepast met ingang van de dag waarop van die
                            wachttijd een jaar is verstreken en met ingang van 1 januari 2005 op het
                            salaris waarop hij op die datum op grond van de oude regeling aanspraak
                            zou hebben gehad.</al></li><li nr="5."><al> Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling een
                            salarisschaal geldt met een hoger maximumsalaris dan het maximumsalaris
                            in de salarisschaal die voor hem krachtens het eerste lid is bepaald,
                            behoudt hij het perspectief op eerst genoemd maximumsalaris. Hij zal dit
                            maximumsalaris bij normaal goed functioneren nooit later bereiken dan op
                            het tijdstip waarop hij dit op grond van de oude regeling zou hebben
                            bereikt. Voor de toepassing van dit lid wordt het op grond van de oude
                            regeling geldende maximumsalaris telkens aangepast aan de algemene
                            salariswijzigingen</al></li><li nr="6."><al> De ambtenaar die op 1 januari 2002 in provinciale dienst is in een
                            functie waarin hij, te rekenen vanaf de datum waarop de uitloopregeling
                            vervalt, op grond van de oude regeling binnen maximaal drie jaar
                            uitzicht heeft op de bij die functie behorende uitloop behoudt het
                            perspectief op die uitloop. Plaatsing in de uitloop is alleen mogelijk
                            als de ambtenaar blijkens een volwaardige beoordeling voldoet aan alle
                            criteria die zijn gesteld voor toekenning van die uitloop.</al></li><li nr="7."><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ambtenaar verstaan
                            degene die op 31 december 2004 als ambtenaar of werknemer in de zin van
                            de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies in provinciale
                            dienst is en dat op 1 januari 2005 ook is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel III Lokaal overgangsrecht</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Waar in het sectoraal overgangsrecht “1 januari 2005” staat, moet
                            telkens worden gelezen “1 december 2005” omdat de invoering in
                            Gelderland vertraging heeft ondervonden. Waar “31 december 2004” staat,
                            moet worden gelezen “30 november 2005”.</al></li><li nr="2."><al> De medewerker die op 1 januari 2002 in dienst was van de provincie
                            Gelderland en die op de datum van invoering van het nieuwe
                            beloningssysteem het maximum van de voor hem geldende functieschaal
                            heeft bereikt, behoudt gedurende drie jaren het perspectief op
                            toekenning van de uitloopschaal. Vindt inschaling in de uitloopschaal
                            niet plaats binnen deze periode van drie jaren, dan verliest de
                            medewerker het perspectief op die inschaling in de uitloopschaal.</al></li><li nr="3."><al> De invoering van het nieuwe hoofdstuk C van de CAP en van diverse
                            rechtspositionele wijzigingen waarin afspraken uit de CAO 2002 – 2003
                            zijn vastgelegd, heeft vertraging opgelopen. Om te voorkomen dat
                            individuele medewerkers financieel nadeel lijden door deze vertraagde
                            invoering, worden in de geest van de afspraken in de CAO 2002 – 2003 de
                            volgende garanties gegeven: </al><lijst><li nr="A."><al> Voor de medewerkers waarvoor functiewaardering met behulp van
                                    Fuwaprov en de inschaling in de bijbehorende nieuwe
                                    salarisschaal van het nieuwe 18-schalenstelsel leidt tot een
                                    hoger salaris, zal het verschil dat hierdoor ontstaat tussen de
                                    nieuwe hogere bezoldiging en de oude bezoldiging voor de periode
                                    vanaf 1 januari 2005 volledig worden gecompenseerd.</al></li><li nr="B."><al> Voor medewerkers die een overwerkvergoeding hebben ontvangen
                                    voor overwerk op of na 1 januari 2005, wordt de totale
                                    overwerkvergoeding over de periode 1 januari 2005 tot 1 december
                                    2005 herberekend met toepassing van de nieuwe overwerkregeling
                                    van artikel C.20 van de CAP. In die gevallen waarin toepassing
                                    van artikel C.20 van de CAP vanaf 1 januari 2005 tot een hogere
                                    overwerkvergoeding zou hebben geleid, wordt het verschil aan de
                                    betrokken medewerker nabetaald.</al></li><li nr="C."><al> Voor medewerkers die betrokken zijn geweest bij een
                                    reorganisatie die is afgerond tussen 1 januari 2005 en 1
                                    december 2005, geldt dat bij het toepassen van dit
                                    overgangsrecht wordt uitgegaan van de situatie die op 1 januari
                                    2005 op de medewerker van toepassing was.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING NIEUWE VAKANTIEREGELING PER 1 JANUARI
                        2013</titel></kop><al><vet>Artikel II</vet></al><al>Artikel D.6, vierde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                    Provincies is uitsluitend van toepassing op aanspraken op basisvakantieverlof
                    die zijn ontstaan na inwerkingtreding van dit besluit.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>OVERGANGSRECHT BIJ CAO PROVINCIES 2012-2015</titel></kop><al>Artikel VIII 1. Gedeputeerde Staten verminderen op aanvraag niet genoten
                    aanspraken op vakantieverlof van de ambtenaar over kalenderjaren, gelegen vóór 1
                    januari 2016. Voor elk uur verminderde aanspraak op vakantieverlof heeft de
                    ambtenaar als vergoeding recht op het salaris per uur, geldend op de datum van
                    uitbetaling van deze vergoeding. In enig kalenderjaar kunnen ten hoogste 108
                    uren vakantieverlof als vergoeding worden uitbetaald. Bij een niet volledige
                    arbeidsduur wordt het maximumaantal van 108 uren naar evenredigheid verlaagd. 2.
                    In enig kalenderjaar kan de ambtenaar niet zowel een aanvraag doen tot
                    vermindering van vakantieverlof, bedoeld in het eerste lid, als een aanvraag
                    voor extra verlof, bedoeld in artikel 6 van de IKAP-regeling provincies zoals
                    dat na inwerkingtreding van dit besluit komt te luiden.</al><al>Artikel IX De over de maanden juni tot en met december 2015 opgebouwde
                    vakantie-uitkering als bedoeld in artikel C.16 van de Collectieve
                    Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies zoals dit artikel tot 1 januari 2016
                    luidt, wordt uitbetaald in de maand mei 2016.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>OVERGANGSRECHT BIJ CAO PROVINCIES 2016</titel></kop><al>Artikel II 1. De medewerkers die tussen 1 januari 2016 en 1 april 2016 een
                    aanstelling of een arbeidsovereenkomst hadden op grond van de Collectieve
                    Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies, ontvangen een eenmalige uitkering naar
                    rato van de tijd dat zij in genoemde periode in dienst waren en naar rato van de
                    omvang van hun dienstverband in genoemde periode. 2. De eenmalige uitkering
                    bedraagt € 300,00 bruto voor de medewerker met een volledig dienstverband en die
                    gedurende de in het eerste lid genoemde periode onafgebroken in dienst was van
                    de provincie.</al><al>Artikel III 1. Als een medewerker een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel
                    E.5 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies aanvraagt, vergoedt
                    de provincie de kosten daarvan aan de medewerker. 2. Als de medewerker aangeeft
                    dat hij wil dat de provincie het in het eerste lid bedoelde deskundigenoordeel
                    aanvraagt, vraagt de provincie dat deskundigenoordeel aan en draagt de
                    provinciede kosten daarvan.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 1, BEDOELD IN ARTIKEL B.8 VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES </titel></kop><al><vet>SPELREGELS EN FLANKEREND BELEID BIJ REORGANISATIES</vet></al><al><vet>A. PROCEDURELE KADERS BIJ REORGANISATIES</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De provincie maakt met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            afspraken over de spelregels die bij reorganisaties in acht genomen
                            moeten worden. Voorzover die afspraken betrekking hebben op de rol van
                            de ondernemingsraad worden zij niet gemaakt dan nadat hierover overleg
                            met die ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al> Bij de afweging of tot reorganisatie moet worden overgegaan en bij de
                            afweging omtrent de omvang (ingrijpendheid) van de reorganisatie spelen
                            de personele aspecten een volwaardige rol naast organisatorische,
                            financiële en andere overwegingen.</al></li><li nr="3."><al> Voorafgaande aan elke reorganisatie moet helder zijn wie de
                            opdrachtgever is, wie bevoegd is (zijn) de terzake noodzakelijke
                            besluiten te nemen en wie overigens verantwoordelijk is (zijn) voor de
                            uitvoering.</al></li><li nr="4."><al> De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de te
                            onderscheiden fasen in het reorganisatieproces en een (globale)
                            opsomming van de te ondernemen activiteiten in elk van die fasen. Het
                            aantal fasen en de daarin te onderscheiden activiteiten kunnen variëren
                            naar gelang de omvang en de consequenties van die reorganisatie.</al></li><li nr="5."><al> De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de algemene
                            personele en rechtspositionele randvoorwaarden die bij reorganisaties in
                            acht genomen moeten worden.</al></li><li nr="6."><al> De spelregels bij reorganisaties geven aan wat de (wettelijke) taken en
                            bevoegdheden van de ondernemingsraad en die van de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel zijn in de verschillende fasen van het
                            reorganisatieproces. Globaal geldt daarbij de volgende taakafbakening.
                            De ondernemingsraad overlegt en adviseert, met inachtneming van het in
                            artikel 46d, onderdeel b, van de WOR geformuleerde politiek primaat,
                            over reorganisaties als zodanig op basis van met name artikel 25, eerste
                            lid, onderdelen c, d, e en m, van de WOR. Met de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel worden afspraken gemaakt over de personele, in het
                            bijzonder de rechtspositionele randvoorwaarden die bij de reorganisatie
                            in acht genomen worden.</al></li><li nr="7."><al> De ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel zullen
                            om hun taken goed te kunnen vervullen steeds tijdig en adequaat worden
                            geïnformeerd. Voor de ondernemingsraad zijn daarbij in het bijzonder de
                            artikelen 31 en 31a van de WOR van belang. Het voornemen tot
                            reorganisatie wordt de ondernemingsraad en de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel tijdig gemeld.</al></li><li nr="8."><al> In de spelregels bij reorganisaties wordt vastgelegd op welke wijze het
                            personeel wordt betrokken bij de reorganisatie en wie daarvoor
                            verantwoordelijk is. Daarbij gaat het in elk geval om: </al><lijst><li nr="-"><al> tijdige en adequate informatie over de reorganisatie en de
                                    personele gevolgen daarvan;</al></li><li nr="-"><al> de mogelijkheden om te participeren in het
                                    reorganisatieproces.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B. GEMEENSCHAPPELIJK KADER FLANKEREND BELEID PROVINCIES</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Hoofddoel van het flankerend beleid is onvrijwillige werkloosheid te
                            voorkomen. Hoge prioriteit ligt hier bij werknemers met een kwetsbare
                            positie op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al> Daartoe leveren de provincie en de werknemers wier functie wordt
                            bedreigd een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing. Als
                            provinciale taken aan een andere of nieuwe werkgever worden uitbesteed
                            of overgedragen worden daartoe afspraken gemaakt over overname van
                            werknemers en over de condities van overgang van deze werknemers. Bij
                            herplaatsing geldt het beginsel dat de werknemer, waar mogelijk, zijn
                            taak volgt.</al></li><li nr="3."><al> Waar nodig treft de provincie aanvullende voorzieningen die de
                            herplaatsingmogelijkheden vergroten of belemmeringen wegnemen.</al></li><li nr="4."><al> De werknemer is verplicht ander passend werk te aanvaarden en zijn
                            medewerking te verlenen aan maatregelen ter bevordering van zijn
                            herplaatsingmogelijkheden. Het begrip "passend" moet in het licht van de
                            inspanning onvrijwillige werkloosheid te voorkomen ruim gedefinieerd
                            worden.</al></li><li nr="5."><al> De provincie spant zich in om werknemers die niet kunnen worden
                            herplaatst elders in de omgeving aan het werk te krijgen.</al></li><li nr="6."><al> Een goed sociaal vangnet voor hen die onvrijwillig werkloos worden is
                            van groot belang. Daartoe zijn in het SPA afspraken gemaakt in de vorm
                            van een voor alle provincies gelijke bovenwettelijke
                            werkloosheidsregeling.</al></li><li nr="7."><al> Waar onvrijwillige werkloosheid onvermijdelijk is bepaalt de provincie
                            in overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel de
                            ontslagvolgorde. Zij houdt daarbij rekening met de arbeidsmarktpositie
                            van betrokkenen en de voor hen geldende wettelijke en bovenwettelijke
                            werkloosheidsvoorzieningen. Anderzijds moeten de ontslagen ook een
                            zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. De geschiktheid
                            van ambtenaren kan aanleiding zijn in een concrete situatie af te wijken
                            van de ontslagvolgorde. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin de
                            ambtenaar op grond van bijzondere kennis of bekwaamheden bezwaarlijk kan
                            worden gemist of om ambtenaren in sleutelfuncties die van zodanig belang
                            zijn voor de provinciale organisatie dat voor de vervulling van die
                            functies de kwaliteit van de ambtenaar een zwaarwegende rol moet
                            spelen.</al></li><li nr="8."><al> De provincie bevordert in geval van gedwongen ontslagen een spoedige
                            reïntegratie in het arbeidsproces. Zij treft voorzieningen die de
                            arbeidsmobiliteit bevorderen en belemmeringen wegnemen. </al><al/><al/></li></lijst><al><vet>C. INSTRUMENTEN FLANKEREND BELEID</vet></al><al>Hieronder is een opsomming gegeven van instrumenten van een flankerend beleid,
                    gericht op behoud of herstel van werk.</al><lijst><li nr="1."><al> Instrumenten t.b.v. interne herplaatsing </al><lijst><li nr="a."><al> Gerichte, individuele loopbaanbegeleiding op basis van
                                    bekwaamheden, belangstelling en aanbod van functies in de
                                    toekomst.</al></li><li nr="b."><al> Toepassen van beloningsdifferentiatie bij positieve horizontale
                                    of neerwaartse herplaatsing.</al></li><li nr="c."><al> Om-, her- en bijscholing.</al></li><li nr="d."><al> Wegnemen c.q. vermindering van financiële belemmeringen voor
                                    herplaatsing, zoals garanties t.a.v. salaris(schaal), afbouw van
                                    wegvallende of teruglopende (secundaire) emolumenten en
                                    tegemoetkomingen in extra kosten (bijv. verhuiskosten, extra
                                    reiskosten woon/werk).</al></li><li nr="e."><al> Stimulering van interne mobiliteit via bijv.
                                    mobiliteitspremies, detacheringen, proefplaatsingen en/of
                                    spijtoptantenregelingen.</al></li><li nr="f."><al> Verlening van een voorkeurspositie bij interne
                                    vacaturevervulling.</al></li><li nr="g."><al> Tijdelijke plaatsing boven de formatie (in het concrete
                                    vooruitzicht van een definitieve herplaatsing).</al></li><li nr="h."><al> Sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat tijdens de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Instrumenten ter bevordering van de (externe) arbeidsmobiliteit </al><lijst><li nr="a."><al> Tijdelijke arbeidsbemiddeling (bijv. via outplacement)</al></li><li nr="b."><al> Begeleiding en ondersteuning bij sollicitaties
                                    (sollicitatiecursus, beroepskeuzetests, voorlichting over
                                    vacatures e.d.).</al></li><li nr="c."><al> Afspraken met overheden en relevante instellingen in de
                                    omgeving en buurprovincies over bijv. vacature-uitwisseling,
                                    sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat, detacheringen
                                    en andere vormen van collegiale doorlening.</al></li><li nr="d."><al> Vertrekpremies en/of loonsuppletieregelingen ter bevordering
                                    van de arbeidsmobiliteit.</al></li><li nr="e."><al> Faciliteiten bij de opbouw van een eigen bedrijf (bijv. via
                                    afkoop van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, tijdelijke
                                    non-activiteit met terugkeermogelijkheid).</al></li><li nr="f."><al> Om-, her- en bijscholing.</al></li><li nr="g."><al> Wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit
                                    (sollicitatieverlof, flexibele opzegtermijn, ontheffing
                                    terugbetalingsplicht studie- en verhuiskosten,
                                    verhuiskostenvergoeding e.d.).</al></li></lijst></li></lijst><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 bij GS-besluit 2016-005300: BIJLAGE 2, BEDOELD IN ARTIKEL C.4,
                        EERSTE LID, VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES
                    </titel></kop><table><title>(Salarisgebouw provincies en minimumvakantie-uitkering per 1 januari 2016)</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>SCHAAL A</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>120 % van het Wettelijk Minimumloon</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>100 % van het Wettelijk Minimumloon</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 1</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 1.814,27</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 1.524,60</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 2</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 1.935,87</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 1.539,85</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 3</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.112,85</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.555,09</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 4</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.227,53</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.570,34</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 5</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.342,37</al></entry></row><row><entry><al>Minimum </al></entry><entry><al>€ 1.639,65</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 6</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.453,94</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 1.717,75</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 7</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 2.707,26</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 1.895,08</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 8</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 3.066,05</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 2.146,24</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 9</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 3.469,48</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 2.428,64</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 10</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 3.804,08</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 2.662,85</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 11</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 4.447,57</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 3.113,28</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 12</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 5.069,01</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 3.548,31</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 13</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 5.504,48</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 3.853,14</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 14</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 6.237,10</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 4.365,97</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 15</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 6.859,83</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 4.801,87</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 16</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 7.545,73</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 5.282,02</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 17</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 8.299,51</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 5.809,66</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 18</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>€ 9.129,14</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>€ 6.390,38</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Alle salarisbedragen zijn uitgedrukt in euro's. Het zijn maandbedragen die
                    gelden bij een 36-urige werkweek. Bij een formele arbeidsduur van minder (of
                    meer) uren per week worden de bedragen naar evenredigheid bepaald. De
                    minimumvakantie-uitkering per maand bedraagt bij een volledige functie per 1
                    juli 2015: € 151,67.</al><al>Het Wettelijk Minimumloon in schaal A is het Wettelijk minimumloon zoasl
                    vastgesteld op grond van de Wet minimumloon en vakantietoelage. Op schaal A zijn
                    de cao loonstijgingen in de sector provincies niet van toepassing.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 bij GS-besluit 2016-0005300: BIJLAGE 2, BEDOELD IN ARTIKEL C.4,
                        EERSTE LID, VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES
                    </titel></kop><al> (Salarisgebouw provincies en minimumvakantie-uitkering per 1 april 2016)</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>SCHAAL A</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al>120% van het Wettelijk Minimumloon</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al>100% van het Wettelijk Minimumloon</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 1</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 1.854,18</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.558,14</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 2</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum€ €</al></entry><entry><al> € 1.978,46</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.573,73</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 3</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 2.159,33</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.589,30</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 4</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 2.276,54</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.604,89</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 5</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 2.393,90</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.675,72</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 6</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 2.507,93</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 1.755,54</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 7</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 2.766,82</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> €1.936,77</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 8</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 3.133,50</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 2.193,46</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 9</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 3.545,81</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 2.482,07</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 10</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 3.887,77</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 2.721,43</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 11</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 4.545,42</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 3.181,77</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 12</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 5.180,53</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 3.626,37</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 13</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 5.625,58</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 3.937,91</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 14</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 6.374,32</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 4.462,02</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 15</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 7.010,75</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 4.907,51</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 16</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 7.711,74</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 5.398,22</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 17</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 8.482,10</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 5.937,47</al></entry></row><row><entry><al><vet>SCHAAL 18</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Maximum</al></entry><entry><al> € 9.329,98</al></entry></row><row><entry><al>Minimum</al></entry><entry><al> € 6.530,97</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Alle salarisbedragen zijn uitgedrukt in euro's. Het zijn maandbedragen die
                    gelden bij een 36-urige werkweek. Bij een formele arbeidsduur van minder (of
                    meer) uren per week worden de bedragen naar evenredigheid bepaald. De
                    minimumvakantie-uitkering per maand bedraagt bij een volledige functie per 1
                    april 2016: € 155,01.</al><al>Het Wettelijk Minimumloon in schaal A is het Wettelijk minimumloon zoasl
                    vastgesteld op grond van de Wet minimumloon en vakantietoelage. Op schaal A zijn
                    de cao loonstijgingen in de sector provincies niet van toepassing.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 3, BEDOELD IN ARTIKEL F.1, ELFDE LID, VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES (Regeling melden vermoeden van een
                        misstand) Deze regeling is de uitwerking van de wettelijke verplichting uit
                        de Wet Huis voor Klokkenluiders. Dedefinities uit deze wet zijn dus ook van
                        toepassing in deze regeling. Gedeputeerde Staten van Gelderland</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1 Definities</titel></kop><al>In deze Regeling melden vermoeden van een misstand wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al> werknemer: de persoon die werkt of heeft gewerkt voor de provincie
                                zoals bedoeld in artikel 1onderdeel h van de Wet Huis voor
                                Klokkenluiders;</al></li><li nr="b."><al> werkgever: Gedeputeerde Staten die handelen zoals bedoeld in
                                artikel 1 onderdeel g van de Wet Huis voor Klokkenluiders;</al></li><li nr="c."><al> vermoeden van een misstand: het vermoeden van een werknemer, dat
                                binnen de organisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt of bij een
                                andere organisatie indien hij door zijn werk met die organisatie in
                                aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover: </al><lijst><li nr="1e."><al> het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die
                                        voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn
                                        werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die
                                        de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een
                                        ander bedrijf of een andere organisatie, en</al></li><li nr="2e."><al> het maatschappelijk belang in het geding is bij: </al><lijst><li nr="i."><al> de (dreigende) schending van een wettelijk
                                                voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar
                                                feit,</al></li><li nr="ii."><al> een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid,</al></li><li nr="iii."><al> een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van
                                                personen,</al></li><li nr="iv."><al> een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het
                                                milieu,</al></li><li nr="v."><al> een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren
                                                van de organisatie als gevolg vaneen onbehoorlijke
                                                wijze van handelen of nalaten;</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="d."><al> vermoeden van een onregelmatigheid: een op redelijke gronden
                                gebaseerd vermoeden van een onvolkomenheid of ongerechtigheid van
                                algemene, operationele of financiële aard die plaatsvindt onder
                                verantwoordelijkheid van de organisatie en zodanig ernstig is dat
                                deze buiten de reguliere werkprocessen valt en de
                                verantwoordelijkheid van de direct leidinggevende overstijgt;</al></li><li nr="e."><al> adviseur: een persoon die door zijn functie een
                                geheimhoudingsplicht heeft en die door een werknemer in vertrouwen
                                wordt geraadpleegd over een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid;</al></li><li nr="f."><al> vertrouwenspersoon: de persoon die is aangewezen om als
                                vertrouwenspersoon integriteit voor de provincie te fungeren;</al></li><li nr="g."><al> afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling
                                advies van het Huis voor Klokkenluiders, bedoeld in artikel 3a,
                                tweede lid, Wet Huis voor Klokkenluiders;</al></li><li nr="h."><al> melding: de melding van een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid op grond van deze regeling;</al></li><li nr="i."><al> melder: de werknemer die een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid heeft gemeld op grond van deze regeling;</al></li><li nr="j."><al> contactpersoon: de persoon die door de provinciesecretaris na
                                ontvangst van de melding, in overleg met de melder, is aangewezen
                                als contactpersoon met het oog op het tegengaan vanbenadeling;</al></li><li nr="k."><al> onderzoekers: de personen aan wie de provinciesecretaris het
                                onderzoek naar de misstand opdraagt;</al></li><li nr="l."><al> externe instantie: de instantie die naar het redelijk oordeel van
                                de melder het meest in aanmerking komt om de externe melding van het
                                vermoeden van een misstand bij te doen;</al></li><li nr="m."><al> externe derde: iedere organisatie of vertegenwoordiger van een
                                organisatie die naar het redelijk oordeel van de melder in staat mag
                                worden geacht (in)direct de vermoede misstand te kunnen (doen)
                                oplossen;</al></li><li nr="n."><al> afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling
                                onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders, bedoeld in artikel 3a,
                                derde lid, Wet Huis voor Klokkenluiders.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Informatie, advies en ondersteuning voor de
                            werknemer</titel></kop><al>Een werknemer kan over een vermoeden van een misstand of
                        onregelmatigheid:</al><lijst><li nr="a."><al> een adviseur in vertrouwen raadplegen;</al></li><li nr="b."><al> de vertrouwenspersoon als adviseur in vertrouwen raadplegen;</al></li><li nr="c."><al> de afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders in vertrouwen
                                raadplegen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Interne melding</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> Een werknemer met een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid binnen de organisatie van zijn werkgever kan
                                daarvan melding doen: </al><lijst><li nr="a."><al> bij iedere leidinggevende die binnen de organisatie
                                        hiërarchisch een hogere positie bekleedt dan hij;</al></li><li nr="b."><al> via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon stuurt de
                                        melding, in overleg met de werknemer, door naar een
                                        leidinggevende of Gedeputeerde Staten als de werknemer een
                                        redelijk vermoeden heeft dat de provinciesecretaris bij de
                                        vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al> Een werknemer van een andere organisatie die door zijn
                                werkzaamheden met de organisatie van de werkgever in aanraking is
                                gekomen, en een vermoeden heeft van een misstand of onregelmatigheid
                                binnen de organisatie van de werkgever kan ook een interne melding
                                doen.</al></li><li nr="3"><al> Als de werknemer een redelijk vermoeden heeft dat de
                                provinciesecretaris bij de vermoede misstand of onregelmatigheid
                                betrokken is, moet in deze regeling voor “provinciesecretaris”
                                “Gedeputeerde Staten” worden gelezen.</al></li><li nr="4"><al> Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van
                                aangifte van een strafbaar feit onverlet.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Bescherming van de melder tegen benadeling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De werknemer die te goeder trouw en naar behoren een vermoeden van
                                een misstand of onregelmatigheid meldt, zal in verband daarmee geen
                                nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na
                                de behandeling van deze melding bij de werkgever, een andere
                                organisatie, een externe instantie of een externe derde.</al></li><li nr="2"><al> Onder nadelige gevolgen wordt in ieder geval verstaan het nemen van
                                een benadelende maatregel, zoals: </al><lijst><li nr="a."><al> het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;</al></li><li nr="b."><al> het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een
                                        aanstelling voor bepaalde tijd;</al></li><li nr="c."><al> het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in
                                        een aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="d."><al> het treffen van een disciplinaire maatregel;</al></li><li nr="e."><al> de opgelegde benoeming in een andere functie;</al></li><li nr="f."><al> het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of
                                        toekenning van vergoedingen;</al></li><li nr="g."><al> het onthouden van promotiekansen;</al></li><li nr="h."><al> het afwijzen van een verlofaanvraag.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al> De werkgever zorgt ervoor dat de melder ook op geen andere manier
                                bij zijn werk nadelige gevolgen ondervindt van de melding.</al></li><li nr="4"><al> Als de werkgever na het doen van een melding een benadelende
                                maatregel neemt, motiveert de werkgever waarom hij deze maatregel
                                nodig acht en dat deze maatregel geen verband houdt met het te
                                goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een
                                misstand of onregelmatigheid.</al></li><li nr="5"><al> De werkgever spreekt werknemers die zich schuldig maken aan
                                benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing of
                                een disciplinaire maatregel opleggen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Het tegengaan van benadeling van de melder</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De contactpersoon bespreekt samen met de melder, welke risico’s op
                                benadeling aanwezig zijn, op welke wijze die risico’s kunnen worden
                                verminderd en wat de werknemer kan doen als hij van mening is dat
                                sprake is van benadeling. De contactpersoon maakt een verslag van
                                deze bespreking en stuurt dit naar de melder.</al></li><li nr="2"><al> Als de melder vindt dat er daadwerkelijk sprake is van benadeling,
                                kan hij dat bespreken met de contactpersoon. De contactpersoon en de
                                melder bespreken welke maatregelen genomen kunnen worden om
                                benadeling tegen te gaan. De contactpersoon maakt een verslag van
                                deze bespreking en stuurt dit na goedkeuring door de melder naar de
                                provinciesecretaris.</al></li><li nr="3"><al> De provinciesecretaris zorgt ervoor dat maatregelen die nodig zijn
                                om benadeling tegen te gaan worden genomen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Bescherming van andere betrokkenen tegen benadeling</titel></kop><al>De werkgever zal:</al><lijst><li nr="a."><al> de adviseur in dienst van de werkgever niet benadelen vanwege het
                                fungeren als adviseur van de melder;</al></li><li nr="b."><al> de vertrouwenspersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de
                                in deze regeling beschreven taken;</al></li><li nr="c."><al> de contactpersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in
                                deze regeling beschreven taken;</al></li><li nr="d."><al> de onderzoekers die in dienst zijn van de werkgever niet benadelen
                                vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven
                                taken;</al></li><li nr="e."><al> een werknemer die wordt gehoord door, documenten verstrekt aan of
                                anderszins medewerking verleent aan de onderzoekers niet benadelen
                                in verband met het te goeder trouw afleggen van een verklaring.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Intern en extern onderzoek naar benadeling van de
                            melder</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De melder die meent dat er sprake is van benadeling in verband met
                                het doen van een melding van een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid, kan de provinciesecretaris vragen om onderzoek te
                                doen naar hoe er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.</al></li><li nr="2"><al> Ook de personen bedoeld in artikel 6 kunnen de provinciesecretaris
                                vragen om onderzoek te doen naar hoe er binnen de organisatie met
                                hen wordt omgegaan.</al></li><li nr="3"><al> De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor
                                Klokkenluiders vragen om een onderzoek in te stellen over hoe de
                                werkgever zich richting hem heeft gedragen naar aanleiding van de
                                melding van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Vertrouwelijke omgang met de melding en de identiteit van
                            de melder</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De werkgever zorgt ervoor dat de informatie over de melding zo
                                wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is
                                voor de personen die bij de behandeling van de melding betrokken
                                zijn.</al></li><li nr="2"><al> De personen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn
                                maken de identiteit van de melder niet bekend zonder uitdrukkelijke
                                schriftelijke instemming van de melder en gaan met de informatie
                                over de melding vertrouwelijk om.</al></li><li nr="3"><al> Als het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid is gemeld
                                via de vertrouwenspersoon en de melder geen toestemming heeft
                                gegeven zijn identiteit bekend te maken, wordt alle correspondentie
                                over de melding verstuurd aan de vertrouwenspersoon en stuurt de
                                vertrouwenspersoon dit zonder uitstel door aan de melder.</al></li><li nr="4"><al> De personen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn
                                maken de identiteit van de adviseur niet bekend zonder
                                uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en de
                                adviseur.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Vastlegging, doorsturen en ontvangstbevestiging van de
                            interne melding</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De leidinggevende of de vertrouwenspersoon die de melding ontvangt,
                                stuurt de melding zonder uitstel door aan de
                                provinciesecretaris.</al></li><li nr="2"><al> Een mondelinge melding of mondelinge toelichting wordt schriftelijk
                                vastgelegd en ter goedkeuring voorgelegd aan de melder.</al></li><li nr="3"><al> De provinciesecretaris stuurt de melder zonder uitstel een
                                ontvangstbevestiging van de melding.</al></li><li nr="4"><al> De ontvangstbevestiging bevat minimaal een zakelijke beschrijving
                                van de melding, de datum waarop deze is ontvangen en een kopie van
                                de melding.</al></li><li nr="5"><al> Na ontvangst van de melding wijst de provinciesecretaris, in
                                overleg met de melder, zonder uitstel een contactpersoon aan met het
                                oog op het tegengaan van benadeling.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Behandeling van de interne melding door de
                            werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De provinciesecretaris stelt een onderzoek in naar het gemelde
                                vermoeden van een misstand of onregelmatigheid, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al> het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden,
                                        of</al></li><li nr="b."><al> op voorhand duidelijk is dat het gemelde geen betrekking
                                        heeft op een vermoeden van een misstand of
                                        onregelmatigheid.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al> Als de provinciesecretaris besluit geen onderzoek in te stellen,
                                informeert hij de melder schriftelijk binnen twee weken na de
                                interne melding. Daarbij wordt aangegeven waarom de
                                provinciesecretaris geen onderzoek instelt.</al></li><li nr="3"><al> De provinciesecretaris beoordeelt of een externe instantie van de
                                interne melding van een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid op de hoogte moet worden gebracht. Indien de
                                werkgever een externe instantie op de hoogte stelt, stuurt de
                                provinciesecretaris de melder hiervan een kopie tenzij het
                                onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoor kan worden
                                geschaad.</al></li><li nr="4"><al> De provinciesecretaris draagt het onderzoek op aan onderzoekers die
                                onafhankelijk en onpartijdig zijn.</al></li><li nr="5"><al> Als de provinciesecretaris een externe instantie op de hoogte
                                gesteld heeft van de interne melding, kan hij voor het onderzoek
                                aansluiten bij het onderzoek dat deze externe instantie laat
                                verrichten.</al></li><li nr="6"><al> Personen die mogelijk betrokken zijn (geweest) bij de vermoede
                                misstand of onregelmatigheid voeren het onderzoek niet uit.</al></li><li nr="7"><al> De provinciesecretaris informeert zonder uitstel de melder
                                schriftelijk dat een onderzoek is ingesteld en door wie het
                                onderzoek wordt uitgevoerd. De provinciesecretaris stuurt de melder
                                daarbij een kopie van de onderzoeksopdracht tenzij het
                                onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoorkunnen worden
                                geschaad.</al></li><li nr="8"><al> De provinciesecretaris informeert de personen op wie een melding
                                betrekking heeft over de melding, tenzij het onderzoeksbelang of het
                                handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 De uitvoering van het onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De onderzoekers stellen de melder in de gelegenheid te worden
                                gehoord. De onderzoekers zorgen voor een verslag, en leggen dit
                                verslag ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De
                                melder ontvangt het vastgestelde verslag.</al></li><li nr="2"><al> De onderzoekers kunnen ook anderen horen. De onderzoekers zorgen
                                voor een verslag, en leggen dit verslag ter goedkeuring en
                                ondertekening voor aan de persoon die gehoord is. De persoon die
                                gehoord is ontvangt het vastgestelde verslag.</al></li><li nr="3"><al> De onderzoekers kunnen binnen de organisatie van de werkgever alle
                                documenten inzien en opvragen die zij voor het onderzoek
                                redelijkerwijs nodig achten.</al></li><li nr="4"><al> Werknemers mogen de onderzoekers alle documenten verstrekken
                                waarvan zij het redelijkerwijs nodig achten dat de onderzoekers daar
                                in het kader van het onderzoek kennis van nemen.</al></li><li nr="5"><al> De onderzoekers stellen een concept onderzoeksrapport op en stellen
                                de melder in de gelegenheid daar opmerkingen bij te maken, tenzij
                                hiertegen ernstige bezwaren bestaan.</al></li><li nr="6"><al> De onderzoekers stellen vervolgens het onderzoeksrapport vast. Zij
                                sturen de melder hiervan een kopie, tenzij hiertegen ernstige
                                bezwaren bestaan.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Standpunt van de werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De provinciesecretaris informeert de melder binnen acht weken na de
                                melding schriftelijk over het standpunt met betrekking tot het
                                gemelde vermoeden van een missstand of onregelmatigheid. Daarbij
                                wordt tevens aangegeven tot welke stappen de melding heeft
                                geleid.</al></li><li nr="2"><al> Als duidelijk is dat het standpunt niet binnen acht weken kan
                                worden gegeven, dan informeert de provinciesecretaris de melder
                                daarover schriftelijk. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn
                                de melder het standpunt tegemoet kan zien. Als de totale termijn
                                daardoor meer dan twaalf weken is, wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="3"><al> Na afronding van het onderzoek beoordeelt de provinciesecretaris of
                                een externe instantie van de interne melding van een vermoeden van
                                een misstand of onregelmatigheid van het onderzoeksrapport en het
                                standpunt van de werkgever op de hoogte moet worden gebracht. Indien
                                de werkgever een externe instantie op de hoogte stelt, stuurt hij de
                                melder hiervan een kopie, tenzij het onderzoeksbelang of het
                                handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></li><li nr="4"><al> De personen op wie de melding betrekking heeft, worden op dezelfde
                                manier geïnformeerd als de melder, tenzij het onderzoeksbelang of
                                het handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Hoor en wederhoor ten aanzien van onderzoeksrapport en
                            standpunt werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De werkgever stelt de melder in de gelegenheid op het
                                onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever te
                                reageren.</al></li><li nr="2"><al> Als de melder in reactie op het onderzoeksrapport of het standpunt
                                van de werkgever onderbouwd aangeeft dat het vermoeden van een
                                misstand of onregelmatigheid niet daadwerkelijk of niet deugdelijk
                                is onderzocht of dat in het onderzoeksrapport of het standpunt van
                                de werkgever sprake is van wezenlijke onjuistheden, reageert de
                                werkgever hier inhoudelijk op en stelt hij zonodig een nieuw of
                                aanvullend onderzoek in. Voor dit nieuwe of aanvullende onderzoek
                                gelden dezelfde regels als voor het eerste onderzoek.</al></li><li nr="3"><al> Als de werkgever een externe instantie op de hoogte brengt of heeft
                                gebracht, stuurt hij ook de hiervoor bedoelde reactie van de melder
                                op het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever aan die
                                externe instantie toe. De melder ontvangt hiervan een kopie.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Externe melding</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> Na het doen van een interne melding van een vermoeden van een
                                misstand of onregelmatigheid, kan de melder een externe melding doen
                                als: </al><lijst><li nr="a."><al> de melder het niet eens is met het standpunt van de
                                        werkgever of van oordeel is dat het vermoeden ten onrechte
                                        terzijde is gelegd;</al></li><li nr="b."><al> de melder niet tijdig een standpunt heeft ontvangen over
                                        zijn interne melding.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al> De melder kan direct een externe melding doen van een vermoeden van
                                een misstand of onregelmatigheid als het eerst doen van een interne
                                melding in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in
                                ieder geval aan de orde indien dit uit enig wettelijk voorschrift
                                voortvloeit of sprake is van: </al><lijst><li nr="a."><al> acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend
                                        maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding
                                        noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="b."><al> een redelijk vermoeden dat de werkgever bij de vermoede
                                        misstand betrokken is;</al></li><li nr="c."><al> een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen
                                        voor tegenmaatregelen in verband met het doen van een
                                        interne melding;</al></li><li nr="d."><al> een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of
                                        vernietiging van bewijsmateriaal;</al></li><li nr="e."><al> een eerdere melding volgens de procedure van dezelfde
                                        misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;</al></li><li nr="f."><al> een plicht tot directe externe melding.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al> De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie die
                                daarvoor naar het redelijk oordeel van de melder het meest in
                                aanmerking komt. Een externe instantie is in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> een instantie die is belast met de opsporing van strafbare
                                        feiten;</al></li><li nr="b."><al> een instantie die is belast met het toezicht op de naleving
                                        van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                                        voorschrift;</al></li><li nr="c."><al> een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden
                                        van een misstand of onregelmatigheid kan worden gemeld,
                                        waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor
                                        Klokkenluiders.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al> Als naar het redelijk oordeel van de melder het maatschappelijk
                                belang zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij
                                geheimhouding, kan de melder de externe melding ook doen bij een
                                externe derde die naar zijn redelijk oordeel in staat mag worden
                                geacht (in)direct de vermoede misstand of onregelmatigheid te kunnen
                                (doen) opheffen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Rapportage en evaluatie</titel></kop><lijst><li nr="1"><al> De provinciesecretaris maakt jaarlijks een rapportage over de
                                uitvoering van deze regeling. Deze rapportage bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> informatie over het aantal meldingen en een indicatie van
                                        de aard van de meldingen, de uitkomsten van de onderzoeken
                                        en de standpunten van de werkgever;</al></li><li nr="b."><al> algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan
                                        van benadeling van de melder;</al></li><li nr="c."><al> informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar
                                        benadeling in verband met het doen van een melding van een
                                        vermoeden van een misstand of onregelmatigheid en een
                                        indicatie van de uitkomsten van de onderzoeken en de
                                        standpunten van de werkgever.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al> De provinciesecretaris stuurt de rapportage voor bespreking aan de
                                Ondernemingsraad.</al></li></lijst></divisie></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK A</titel></kop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al><vet>Formele basis </vet></al><al>De Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) heeft een getrapte
                    formele basis. De wettelijke basis zijn de artikelen 125, tweede lid, en 134,
                    tweede lid, van de Ambtenarenwet. In het overlegprotocol dat het
                    Interprovinciaal Overleg (IPO) en de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn
                    overeengekomen is vastgelegd dat er over de arbeidsvoorwaarden voor de
                    provinciale ambtenaren overeenstemming moet zijn bereikt in het sectoroverleg
                    Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA). Het IPO treedt op voor de
                    provinciebesturen. Zijn bevoegdheid daartoe is gebaseerd op de artikelen 9,
                    eerste lid, en 15 van de statuten van de vereniging het Interprovinciaal
                    Overleg. De bevoegdheid als zodanig is een civielrechtelijke volmacht.</al><al>De bevoegdheid houdt niet in het zelf vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Zij
                    beperkt zich tot de mogelijkheid om de provincies, en dus niet de provinciale
                    ambtenaren, te binden jegens de vakorganisaties van overheidspersoneel. De
                    provinciale ambtenaren worden pas gebonden door vaststelling van de
                    arbeidsvoorwaarden via algemeen verbindende voorschriften in de provincies. Die
                    vaststelling moet gezien worden als het nakomen van de verplichting jegens de
                    vakorganisaties om de met hen overeengekomen arbeidsvoorwaarden op te nemen in
                    een vorm die ook voor de pravinciale ambtenaren rechten en verplichtingen
                    meebrengt.</al><al><vet>Wijziging van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP)
                    </vet></al><al>De tekst van de CAP kan gewijzigd worden, maar ook dat zal gebeuren
                    overeenkomstig de SPA-akkoorden tussen het IPO en de vakorganisaties van
                    overheidspersoneel. Voor de provnciebestuen zelf is wijziging dus niet meer de
                    vaststelling van nieuw beleid, maar de formalisering daarvan.</al><al><vet>Uitvoeringsregels </vet></al><al>In de CAP wordt op diverse plaatsen aan Gedeputeerde Staten opgedragen
                    uitvoeringsregels vast te stellen. Ook voor deze regels gelden de SPA-akkoorden.
                    Er kan zijn overeengekomen dat zij binnen bepaalde kaders of dat zij in het
                    decentrale overleg moeten of kunnen worden vastgesteld. De verplichting is
                    aangegeven in artikel A.2, tweede lid.</al><al><vet>Instructies </vet></al><al>De CAP heeft geen betrekking op instructies. Die moeten worden gezien als
                    algemene dienstopdrachten. Zij betreffen dus niet de rechtspositie, bedoeld in
                    de Ambtenarenwet.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel A.1 Definities </vet> De definities gelden ook voor de (lokale)
                    uitvoeringsregelingen en -besluiten. Zij hoeven daarin dus niet meer te worden
                    herhaald.</al><al>Lid 1 Voor de definitie van het begrip "ambtenaar" is de terminologie van de
                    Ambtenarenwet gevolgd. Het gaat hier om de ambtenaren die door gedeputeerde
                    staten zijn aangesteld en voor wie gedeputeerde staten het bevoegde
                    bestuursorgaan zijn. Voor de griffier van provinciale staten en zijn
                    griffieambtenaren (en de provinciaal inspecteur der archieven) zijn provinciale
                    staten het bevoegde bestuursorgaan en regelen provinciale staten de
                    rechtspositie. Op hen zijn de bepalingen van de CAP en zijn uitvoeringsregels
                    van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al>In de CAP worden de begrippen salaris en bezoldiging onderscheiden. Onder
                    salaris wordt verstaan het kale (bruto) maandbedrag zonder toelagen en
                    vergoedingen waarop i.v.m. de arbeid aanspraak bestaat. In bijlage 2 van de CAP
                    is van elke salarisschaal aangegeven wat het minimumsalaris en het
                    maximumsalaris is.</al><al>Bezoldiging is ruimer dan salaris. Het omvat het salaris met de toelagen die
                    zijn genoemd in de artikelen C.11 t/m C.15. Dat zijn de toelage waarneming
                    andere functie, de toelage onregelmatige dienst, de afbouwtoelage onregelmatige
                    dienst, de arbeidsmarkttoelage en de toelage op andere gronden.</al><al>Daarnaast zijn er nog emolumenten die als inkomsten uit arbeid zijn aan te
                    merken, maar die niet tot het salaris of de bezoldiging behoren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld de incidentele beloning van prestaties en van extra inzet
                    (artikelen C.9 en C.10), de bindingspremie (artikel C.14), de eenmalige
                    uitkering van artikel C.21, de gratificatie ambtsjubileum (artikel C.22), de
                    overwerkvergoeding (artikel C.23) en de vergoeding voor andere extra diensten
                    (artikel C.24).</al><al>Tenslotte zijn er voorzieningen die dienen ter compensatie van gemaakte kosten.
                    Te denken valt hier aan vergoedingen van reis- en verblijfkosten ingeval van
                    dienstreizen, verhuiskostenvergoedingen e.d. Ook deze behoren niet tot het
                    salaris of de bezoldiging.</al><al>Bij een aantal rechtspositionele voorzieningen is de hoogte uitgedrukt in een
                    percentage van het salaris of van de bezoldiging. Het onderscheid tussen salaris
                    en bezoldiging is hier dus van belang. Zo is voor de incidentele beloning van
                    prestaties, de toelage waarneming andere functie, de toelage onregelmatige
                    dienst en de overwerkvergoeding het salaris de grondslag en voor de uitkering
                    bij ziekte de bezoldiging.</al><al>Lid 2 Op grond van artikel 227a Provinciewet moet de provincie personen
                    aanwijzen die zijn belast met de heffing en invordering van provinciale
                    belastingen en met de functie van belastingdeurwaarder. Voorgeschreven is dat
                    zij ambtenaar zijn in provinciale dienst. Op grond van (milieu)wetgeving moet de
                    provincie ook toezichthouders (met en zonder opsporingsbevoegdheid) als
                    ambtenaar in dienst hebben. Het is niet ongebruikelijk dat de provincie voor
                    hier genoemde functies personen van buiten inhuurt. Deze personen vallen onder
                    een eigen rechtspositie. In dit lid is geregeld dat voor deze ambtenaren de CAP
                    en zijn uitvoeringsregelingen buiten toepassing blijven.</al><al><vet>Artikel A.2 Wijziging</vet> Eerste lid. In het algemeen gedeelte van deze
                    toelichting is aangegeven dat de bevoegdheid tot vaststelling van de inhoud van
                    de CAP, en dus ook van haar wijzigingen, is gebonden aan de SPA-akkoorden,
                    zijnde overeenkomsten tussen het IPO, namens de provincies, en de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel. Dit lid bevestigt dat.</al><al>Tweede lid Zoals in het algemeen gedeelte, onder Uitvoeringsregels, is
                    aangegeven, zijn ook de uitvoeringsregels bij deze verordening gebonden aan de
                    overeenkomsten tussen het IPO en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Die
                    overeenkomsten kunnen overigens aan Gedeputeerde Staten meer of minder ruimte
                    laten. Als zij bepaalde kaders inhouden, zijn die aangegeven in deze verordening
                    op de betreffende plaatsen. Het gaat om uitvoeringsregels van algemene
                    strekking, dus in de eerste plaats om de algemeen verbindende voorschriften,
                    maar ook om eventuele beleidsregels. Het gaat niet om individuele
                    beschikkingen.</al><al><vet>Artikel A.4 Bijzondere voorziening</vet> Hierin is een algemene
                    hardheidsclausule opgenomen die Gedeputeerde Staten de ruimte biedt voor
                    individueel maatwerk. Het betreffen bijzondere voorzieningen ten voordele van de
                    ambtenaar als de CAP geen voorziening kent of deze voorziening in de concrete
                    individuele situatie tot kennelijk onredelijke uitkomsten leidt.</al><al><vet>Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</vet> Aangesloten is
                    bij de vergelijkbare bepaling in het Burgerlijk Wetboek, i.c. artikel 7:611. Het
                    goed werkgeverschap zal zijn toetsing vinden in de beginselen van behoorlijk
                    bestuur van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><vet>Artikel A.6 Bekendmaking</vet> Het is wenselijk dat iedere ambtenaar een
                    direct inzicht kan hebben in alle rechtspositionele regelingen die hem aangaan.
                    Dat kan worden gerealiseerd door op diverse plaatsen in de organisatie
                    geactualiseerde bundels te plaatsen of door de doorlopende teksten elektronisch
                    ter inzage te geven. Deze verplichting geldt echter alleen voor de provinciale
                    regels, niet voor rechtspositionele wetten of algemene maatregelen van bestuur
                    of regels van derden, zoals het ABP.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK B EN SPELREGELS EN FLANKEREND BELEID BIJ
                        REORGANISATIES</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Hoofdstuk B bevat voorschriften over de aanstelling (paragraaf 1, artikelen B.1
                    t/m B.5), de wijzigingen in de arbeid (paragraaf 2, artikelen B.6 t/m B.8) en
                    over het ontslag met daarbij behorende gevolgen (paragraaf 3, artikelen B.9 t/m
                    B.14).</al><al><vet>De aanstelling</vet></al><al>Wat betreft de aanstelling is gekozen voor een open stelsel dat aansluit op dat
                    in de marktsector. Dit marktconforme open stelsel geeft het management meer
                    speelruimte voor aanstellingen voor bepaalde tijd en biedt anderzijds
                    provinciale ambtenaren dezelfde waarborgen als zijn collegae in de marktsector.
                    Het is met andere woorden een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid.
                    In navolging van het civiele arbeidsrecht is een onderscheid gemaakt tussen een
                    dienstverband voor bepaalde tijd en een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dus
                    er is niet langer een onderscheid tussen een vaste aanstelling en een tijdelijke
                    aanstelling en bij een tijdelijke aanstelling tussen die voor (vast) bepaalde
                    tijd en voor onbepaalde tijd.</al><al>Gezien de directe samenhang zijn in paragraaf 1 tevens de bepalingen inzake
                    afloop van de aanstellingen voor bepaalde tijd opgenomen. Analoog aan het
                    civiele arbeidsrecht is, zoals gezegd, afgestapt van een gesloten stelsel voor
                    de aanstelling voor bepaalde tijd. Wel is voorgeschreven dat de reden voor de
                    aanstelling voor bepaalde tijd schriftelijk wordt medegedeeld. Evenmin als in
                    het civiele arbeidsrecht is een maximumduur voor de aanstelling voor bepaalde
                    tijd vastgelegd. Wel zijn de beperkingen t.a.v. opvolgende dienstverbanden voor
                    bepaalde tijd uit de Wet Flexibiliteit en Zekerheid overgenomen. Die houden in
                    dat bij overtreding van die bepalingen het laatste dienstverband voor bepaalde
                    tijd wordt aangemerkt als een dienstverband voor onbepaalde tijd. In dat geval
                    eindigt de laatste aanstelling voor bepaalde tijd na afloop van die periode dus
                    niet van rechtswege, maar kan ontslag alleen plaatsvinden op basis van de
                    bestaande ontslaggronden.</al><al>Tussentijdse beëindiging van aanstellingen voor bepaalde tijd kan ook alleen op
                    basis van de bestaande ontslaggronden.</al><al>Analoog aan het civiele arbeidsrecht bestaat er geen (geclausuleerd) recht op
                    een aanstelling voor onbepaalde tijd na afloop van de aanstelling voor bepaalde
                    tijd. Daarvan is alleen nog sprake bij een aanstelling voor bepaalde tijd op
                    proef, die kan voorafgaan aan een aanstelling voor onbepaalde tijd. Aanspraak op
                    een automatische aanstelling voor onbepaalde tijd bestaat evenmin voor hen die
                    solliciteren vanuit een vaste aanstelling bij een andere overheidswerkgever.
                    Partijen kunnen daarover gezamenlijk afspraken maken tijdens de
                    sollicitatie.</al><al>Vastgehouden is aan de aanstelling op proef voor één tot twee jaar. Er is niet
                    gekozen voor invoering van de regels inzake de proeftijd uit het civiele
                    arbeidsrecht, omdat het ontslagstelsel niet aansluit op dat in de marktsector.
                    Anders dan nu wordt de aanstelling voor bepaalde tijd bij feitelijke
                    voortzetting verlengd voor dezelfde duur, doch voor ten hoogste een jaar en
                    vindt dus geen omzetting plaats in een (tijdelijke) aanstelling voor onbepaalde
                    tijd.</al><al><vet>Het ontslag</vet></al><al>Wat betreft het ontslag geldt een gesloten stelsel, in de vorm van een
                    limitatieve opsomming van de ontslaggronden. Binnen het gesloten ontslagstelsel
                    is er een uitgebreid aantal ontslaggronden dat een optimaal juridisch
                    instrumentarium biedt. De mogelijke ontslaggronden zijn overzichtelijk in één
                    afzonderlijke bepaling opgesomd (artikel B.9) en waar nodig in afzonderlijke
                    bepalingen nader uitgewerkt. Het gesloten ontslagstelsel houdt in dat een
                    ambtenaar alleen kan worden ontslagen op één van de met name (in artikel B.9)
                    genoemde gronden. Hieruit volgt ook dat de ontslagbescherming zoals die in het
                    civiele arbeidsrecht in de opzegverboden is neergelegd, niet nodig is. De
                    ontslaggronden kunnen worden onderscheiden in imperatieve en facultatieve
                    ontslaggronden. Bij de imperatieve gronden moet, mits aan de gestelde
                    voorwaarden is voldaan, het ontslag verleend worden. Voorbeelden zijn het
                    ontslag op aanvraag (artikel B.10) en ontslag wegens pensionering (artikelB.11).
                    Hier hebben gedeputeerde staten geen discretionaire bevoegdheid. Alle overige
                    ontslaggronden zijn facultatieve ontslaggronden, waarbij het ontslag kan worden
                    verleend. Hier zal steeds een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen
                    het belang van de organisatie en dat van de individuele ambtenaar. Aan de
                    verschillende ontslaggronden is geen kwalificatie gegeven in de vorm van
                    “eervol” of “oneervol”, zoals die in veel ambtelijke ontslagregelingen voorkomt.
                    Er zijn geen voorschriften opgenomen over de inhoud van het ontslagbesluit of
                    over de ontslagprocedure. De Awb biedt hier al voldoende waarborgen. Op grond
                    van deze wet en de jurisprudentie zal bijvoorbeeld elk ontslagbesluit op schrift
                    gesteld moeten worden en de ingangsdatum en de ontslaggrond moeten bevatten.
                    Verder kunnen worden genoemd de mogelijkheid van bedenkingen (artikel 4:8 Awb)
                    en het recht van de ambtenaar zich door een raadsman te laten bijstaan (artikel
                    2:1 Awb).</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel B.1 Aanstelling</vet></al><al>De aanstelling is bij de provincie en dus niet bij een organisatieonderdeel van
                    de provincie. De aanstelling gaat gepaard met de (tijdelijke) benoeming in een
                    functie en de (tijdelijke) plaatsing bij een organisatieonderdeel. Een
                    aanstelling is voor bepaalde of onbepaalde tijd. Een aanstelling is voor
                    bepaalde tijd als een concrete einddatum is aangegeven of als die objectief
                    bepaalbaar is. Een voorbeeld van het laatste is een aanstelling ter vervanging
                    van een zieke ambtenaar. De einddatum is niet concreet genoemd, maar wel
                    objectief bepaalbaar, t.w. de datum van herstel van de zieke ambtenaar.
                    Uitgaande van volwassen arbeidsverhoudingen maken werkgever en sollicitant samen
                    afspraken over een eventuele aanstelling op proef. De aanstelling op proef is
                    derhalve geen automatisme.</al><al><vet>Artikel B.2 Aanstelling voor bepaalde tijd</vet></al><al>Analoog aan de Wet Flexibiliteit en Zekerheid mogen maximaal drie aanstellingen
                    voor bepaalde tijd achtereen worden verleend die elk van rechtswege eindigen. De
                    verlengde aanstelling voor bepaalde tijd op grond van het eerste lid (bij
                    stilzwijgende voortzetting na afloop) telt mee voor de bepaling van die drie
                    aanstellingen voor bepaalde tijd. De totale periode van elkaar opvolgende
                    aanstellingen voor bepaalde tijd mag echter niet 36 maanden of langer zijn. Voor
                    het bepalen van die tijdsduur van 36 maanden tellen onderbrekingen van drie
                    maanden of minder tussen twee opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd
                    mee. Meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd of een periode
                    van aanstellingen voor bepaalde tijd van 36 maanden of langer betekent
                    automatisch een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al><al>Een aanstelling voor onbepaalde tijd ontstaat dus in de volgende situaties: -
                    bij meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd; of - als de
                    totale periode van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd 36 maanden of
                    langer is, onderbrekingen van drie maanden of minder meegerekend.</al><al>De aanstelling voor onbepaalde tijd vangt in die gevallen aan bij aanvang van de
                    vierde aanstelling voor bepaalde tijd (a), onderscheidenlijk vanaf de dag van
                    overschrijding van de 36 maanden (b). Bij een onderbreking van langer dan drie
                    maanden begint de telling van de schakels en de duur van de periode
                    opnieuw.</al><al>Een aanstelling voor 36 maanden of langer is mogelijk. Deze kan eenmalig worden
                    verlengd met drie maanden zonder dat dit leidt tot een aanstelling voor
                    onbepaalde tijd (lid 4).</al><al>Het vijfde lid is een vertaling van het verbod van de zogenaamde
                    draaideurconstructie in de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Hiervan zal
                    bijvoorbeeld sprake zijn als een uitzendkracht bij de provincie rechtstreeks in
                    dienst treedt van de provincie en daar dezelfde werkzaamheden blijft verrichten.
                    Het vijfde lid regelt dat in een dergelijke situatie de uitzendtijd in dezelfde
                    arbeid meetelt.</al><al><vet>Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</vet></al><al>Dit artikel bevat de eisen van geschiktheid en bekwaamheid voor
                    indiensttreding.</al><al>Die moeten uiteraard vooraf zijn bepaald. De eisen van bekwaamheid en
                    geschiktheid zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan een concrete functie. Dat
                    biedt de ruimte voor een beoordeling in het licht van een bredere inzetbaarheid.
                    Het is mogelijk om personen aan te stellen die bij indiensttreding nog niet
                    volledig voldoen aan alle eisen voor de concrete functie waarin zij worden
                    benoemd. Er is ruimte om, gezien de te verwachten groei, de eisen van
                    geschiktheid en bekwaamheid bij aanvang in voorkomende gevallen wat lager te
                    stellen.</al><al>Het vierde lid bevat een verbod tot indienstneming van vreemdelingen die geen
                    rechtmatig verblijf in Nederland hebben en voor wie de provincie geen
                    tewerkstellingsvergunning heeft. Niet altijd is een tewerkstellingsvergunning
                    voor arbeid van vreemdelingen echter vereist. Die is bijvoorbeeld niet nodig
                    voor onderdanen uit lidstaten van de Europese Unie. Het vrije verkeer van
                    werknemers uit de lidstaten brengt mee dat deze steeds in aanmerking komen voor
                    rechtmatig verblijf in Nederland met een verblijftitel die het verrichten van
                    arbeid mogelijk maakt. Als een vreemdeling echter niet langer rechtmatig
                    verblijf in Nederland heeft, kan dat leiden tot ontslag wegens verlies van een
                    vereiste bij aanstelling (artikel B.9, onderdeel i).</al><al>De verplichting een verklaring omtrent het gedrag over te leggen is geen
                    automatisme.</al><al>Voor de medische keuring bij aanstelling wordt verwezen naar de toelichting op
                    artikel E.2.</al><al><vet>Artikel B.4 Informatie bij indiensttreding</vet></al><al>In dit artikel is geregeld welke gegevens in aanvulling op de wettelijke
                    informatieplicht bij indiensttreding zullen worden verstrekt. De verplichte
                    informatie over deelname aan de pensioenregeling is geheel in lijn met de nieuwe
                    pensioenregeling vanaf 1996. Die gaat immers uit van een pensioentoezegging door
                    de werkgever. De ambtenaar zal het schriftelijk bericht van zijn aanstelling
                    uiteraard vóór zijn indiensttreding moeten ontvangen.</al><al>Op grond van de Wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635) is de werkgever
                    verplicht binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden in elk geval de
                    volgende schriftelijke informatie te verstrekken: - de identiteit van de
                    werkgever, de plaats van diens vestiging en naam en woonplaats van de werknemer;
                    - de plaats(en) van tewerkstelling; - de functie van de werknemer; - de datum
                    van indiensttreding; - indien de aanstelling voor bepaalde tijd geldt, de duur
                    daarvan; - de aanspraak op vakantieverlof of de wijze van berekening van de
                    aanspraak; - de duur van de door de werkgever respectievelijk werknemer in acht
                    te nemen ontslag/opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden
                    vastgesteld; - het salaris en de termijn van uitbetaling; - de gemiddelde
                    dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur; - de toepasselijke
                    rechtspositieregelingen.</al><al>Wijzigingen in die gegevens moeten ook binnen een maand schriftelijk worden
                    medegedeeld.</al><al><vet>Artikel B.5 Algemene dienst en artikel B.6 Andere functie of
                        werkzaamheden</vet></al><al>Deze artikelen geven de rechtspositionele basis voor de aanstelling in algemene
                    dienst in de vorm van benoemingen in functies voor 3 tot 5 jaar. Daarbij gaat
                    het om zowel lijnfuncties als functies in (tijdelijke) projecten. Uitgangspunt
                    is een plicht tot mobiliteit in het dienstbelang (artikelen B.5 en B.6, eerste
                    en derde tot en met vijfde lid) en het recht op mobiliteit als keerzijde
                    (artikel B.6, tweede lid). Van belang is dat mobiliteit wordt erkend als een
                    dienstbelang. Artikel B.6 maakt het mogelijk ambtenaren ook tijdelijk bij andere
                    werkgevers te detacheren. Aanstelling in algemene dienst moet zijn ingebed in
                    een goed scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid met als uitgangspunt een
                    evenwichtige afweging van belangen van de ambtenaar en de organisatie. De
                    afspraken hierover met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het
                    Georganiseerd Overleg zijn een invulling van een in het SPA overeengekomen
                    gemeenschappelijk kader ter zake. Daarnaast zijn ertussen Gedeputeerde Staten en
                    de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd nadere afspraken
                    over de rechtspositionele aspecten, zoals de consequenties voor toelagen en
                    vergoedingen e.d. Daarmee zijn de voorwaarden geschapen voor een effectief en
                    slagvaardig mobiliteitsbeleid met waarborgen voor de zorgvuldigheid. Daarbij
                    staat voor op dat normaal goed functionerende ambtenaren niet tussen wal en
                    schip mogen raken en zonder functie komen te zitten doordat de tijdelijke
                    benoeming in de ene functie afloopt (zonder dat die functie als zodanig
                    verdwijnt) en er geen andere passende functie voorhanden is. In dat geval zal
                    betrokkene tijdelijk worden belast met passende werkzaamheden in afwachting van
                    benoeming in een andere passende functie. Zolang dat niet mogelijk is blijft hij
                    zijn oude functie vervullen.</al><al>De eisen van zorgvuldigheid zoals die ook voortvloeien uit de Awb, brengen met
                    zich mee dat de betrokken ambtenaar vooraf wordt gehoord over de aangeboden
                    functie en dat hem voldoende tijd wordt gegeven om zich te informeren en te
                    beraden over deze nieuwe functie. Er geldt hierbij een aanzegtermijn van ten
                    minste twee maanden.</al><al>Benoemingen in andere functies vinden niet altijd plaats vanuit de algemene
                    mobiliteitswens. Denk in dit geval aan een benoeming in een andere functie
                    vanwege disfunctioneren van een individuele ambtenaar. Artikel B.6 geldt ook
                    voor een dergelijk geval. Voor benoeming van gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                    ambtenaren in een andere functie gelden echter bijzondere bepalingen (zie
                    artikel E.7).</al><al><vet>Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden</vet></al><al>Bij taken in (andere) buitengewone omstandigheden kan gedacht worden aan
                    provinciale taken in het kader van de Wet rampen en zware ongevallen.</al><al><vet>Artikel B.8 Spelregels en flankerend beleid reorganisaties</vet></al><al>Provincies zijn dynamische organisaties die snel en adequaat moeten kunnen
                    inspelen op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen. Er zullen zich naar
                    verwachting dan ook regelmatig wijzigingen voordoen in de organisatiestructuur,
                    de omvang van de organisatie of de taakinhoud van de provincie.</al><al>Het kan zinvol zijn vaste procedures vast te stellen voor de totstandkoming van
                    reorganisaties en vaste algemene regels te stellen m.b.t. de personele
                    consequenties daarvan. Die kunnen worden vastgelegd in spelregels bij
                    organisatieverandering en sociale plannen of statuten. Er kan ook voor worden
                    gekozen om bij elke afzonderlijke reorganisatie concrete procedures vast te
                    stellen en regels te stellen m.b.t. de personele gevolgen. Artikel B.8 biedt de
                    rechtspositionele basis voor de procedures en regels voor herplaatsing van
                    medewerkers bij reorganisaties. Daarbij moeten de in het SPA afgesproken globale
                    procedurele kaders in acht genomen worden Onder reorganisatie wordt in dit
                    verband overigens verstaan: elke wijziging van de organisatiestructuur, de
                    omvang van de provinciale organisatie of de taakinhoud van de provincie of een
                    onderdeel daarvan, daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                    provincie waaraan personele consequenties zijn verbonden.</al><al>Bovendien is geregeld dat het in het SPA overeengekomen globale kader voor het
                    flankerend beleid bij reorganisaties in acht genomen wordt. In het SPA-akkoord
                    1994/1997 is vastgesteld dat het flankerend beleid bij reorganisaties de
                    verantwoordelijkheid is van de afzonderlijke provincies. Wel is toen bij wijze
                    van handreiking aan de provincies een globaal kader voor een dergelijk lokaal
                    flankerend beleid overeengekomen, waarbij ook een groot aantal concrete
                    instrumenten is aangereikt. Het flankerend beleid zal zich primair moeten
                    richten op voorkoming van onvrijwillige werkloosheid en, waar dit onvermijdelijk
                    is, op bevordering van een spoedige reïntegratie in het arbeidsproces.
                    Uitgangspunt moet zijn een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing
                    van zowel de provincie als de ambtenaar wiens functie wordt bedreigd. Waar
                    ontslagen onvermijdelijk zijn zal een ontslagvolgorde moeten worden vastgesteld.
                    Daarbij moet rekening worden gehouden met de arbeidsmarktpositie van betrokkene
                    en het voor hem geldende sociale vangnet. De geschiktheid van de ambtenaar kan
                    een argument zijn om in een concrete situatie af te wijken van de
                    ontslagvolgorde. Anderzijds moeten de ontslagen ook een zekere afspiegeling van
                    het personeelsbestand vormen.</al><al><vet>Artikel B.9 Ontslaggronden</vet></al><al>Een aantal van de in dit artikel vermelde ontslaggronden is in hoofdstuk B
                    geregeld (artikelen B.10 tot en met B.12) en een aantal andere in hoofstuk E
                    (artikelen E.9 en E.16) en in hoofdstuk G (artikel G.4).</al><al>Voor een ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens
                    ziekte (onderdeel g) is nodig dat er sprake is van gedragingen of handelingen of
                    van eigenschappen van karakter, geest of gemoed (= ongeschikt), of van gebreken
                    in de wijze van opstelling in het werk of van gebreken in de kennis, kunde of
                    het niveau (= onbekwaam) van de ambtenaar op grond waarvan de conclusie
                    gerechtvaardigd is dat hij niet meer geschikt is tot uitoefening van zijn
                    functie. De ongeschiktheid moet van voldoende gewicht zijn om het ontslag te
                    rechtvaardigen.</al><al>Het komt voor dat een ambtenaar langdurig volledig verlof wordt verleend voor de
                    vervulling van een politiek ambt of om andere redenen (bijvoorbeeld een
                    langdurige detachering). In dat geval wordt betrokkene ontheven uit zijn functie
                    en zal de werkgever zich inspannen een passende functie voor hem te vinden na
                    afloop van het langdurig verlof. Is geen passende functie voorhanden dan kan
                    ontslag worden verleend op grond van artikel B.9, onderdeel d (bij politiek
                    verlof), onderscheidenlijk onderdeel e (in andere gevallen).</al><al>Bij ontslag wegens verlies van een vereiste bij aanstelling (onderdeel h) gaat
                    het om verlies van specifieke vereisten voor de benoembaarheid, zoals van een
                    geldig rijbewijs voor een ambtenaar die chauffeur van beroep is of van een
                    geldige verblijfstitel welke arbeid in dienstverband niet uitsluit, voor een
                    ambtenaar die vreemdeling is.</al><al>Ondercuratelestelling en lijfsdwang zijn aparte ontslaggronden (onderdelen i en
                    j). Ondercuratelestelling kan wegens geestelijke stoornis, verkwisting en
                    gewoonte van drankmisbruik waardoor betrokkene zijn belangen niet behoorlijk kan
                    waarnemen, in het openbaar aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen
                    in gevaar brengt. In een dergelijk geval bestaat minstens het vermoeden dat
                    betrokkene ook niet als ambtenaar in staat zal zijn om zijn functie naar behoren
                    uit te oefenen. Lijfsdwang is een dwangmiddel waarbij iemand door middel van
                    vrijheidsbeneming gedwongen kan worden tot nakoming van een verbintenis.
                    Lijfsdwang is alleen mogelijk in de door de wet genoemde gevallen. Om tot
                    lijfsdwang over te gaan is een rechterlijk vonnis nodig.</al><al>Ontslag wegens een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                    misdrijf of tot terbeschikkingstelling (onderdeel k) is pas mogelijk als er geen
                    rechtsmiddel tegen de rechterlijke veroordeling meer openstaat. Ontslag is niet
                    mogelijk bij (onherroepelijke) rechterlijke veroordeling wegens een overtreding.
                    Een veroordeling kan niet automatisch tot ontslag op deze grond leiden.
                    Gedeputeerde staten zullen eerst een zorgvuldige afweging moeten maken op grond
                    van de feiten. Relevante elementen zijn hier onder meer de aard en de ernst van
                    het delict, de strafmaat, de gevolgen van het delict en de strafoplegging voor
                    de functievervulling en voor de organisatie, de schade voor de organisatie als
                    gevolg van delict en veroordeling en de gevolgen voor de betreffende ambtenaar
                    zelf, waaronder ook zijn belang bij handhaving van het dienstverband.</al><al>Ontslag wegens het verstrekken van onjuiste gegevens bij aanstelling (onderdeel
                    l) heeft voor wat betreft medische gegevens alleen betekenis voor de functies
                    waarvoor nog een medische keuring is vereist. Andere aspecten waarop deze
                    ontslagmogelijkheid betrekking kan hebben zijn gegevens omtrent opleiding (ten
                    onrechte vermelden van diploma’s of rijbewijs) of vereiste relevante
                    werkervaring. Van belang is dat het gaat om essentiële gegevens; het moet gaan
                    om informatie op grond waarvan, als deze wel bekend was geweest, de aanstelling
                    achterwege zou zijn gebleven.</al><al>Het ontslag op andere gronden (onderdeel o) heeft een aanvullend karakter. Van
                    deze grond wordt gebruik gemaakt als er sprake is van onverenigbaarheid van
                    karakters, ook wel '‘incompatibilité d’humeurs" genoemd of verstoorde
                    arbeidsverhoudingen. Eerst zal onderzocht moeten worden of een andere
                    ontslaggrond zou moeten worden toegepast.</al><al><vet>Artikel B.12 Reorganisatieontslag</vet></al><al>Ontslag kan worden verleend bij reorganisaties. In artikel A.1 onderdeel o is
                    gedefinieerd wat onder reorganisatie moet worden verstaan. Ontslag zal in de
                    volgende situaties aan de orde kunnen zijn: • de opheffing van de eigen functie;
                    • een verminderde behoefte aan arbeidskrachten; • een verandering in de
                    inrichting van een of meer organisatieonderdelen.</al><al>Artikel B.12 moet in relatie worden gebracht met artikel B.8. Op basis van deze
                    bepaling zijn kaders voor spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties
                    vastgesteld die van belang kunnen zijn voor het ontslag. Van belang is dat niet
                    zomaar tot reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Er moet uit een
                    zorgvuldig onderzoek zijn gebleken dat benoeming in een passende functie niet
                    mogelijk is.</al><al><vet>Artikel B.13 Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet (WW)
                    </vet></al><al>Onder voorwaarden bestaat na ontslag recht op een WW-uitkering. Op basis van
                    artikel B.13 is een bovenwettelijke werkloosheidsregeling vastgesteld (Regeling
                    aanvullende voorzieningen bij werkloosheid) voor ambtenaren die aanspraak hebben
                    op een loongerelateerde WW-uitkering. Deze bovenwettelijke voorziening blijft
                    beperkt tot ambtenaren aan wie reorganisatieontslag of ontslag wegens
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is verleend. De regeling voorziet in een
                    aanvullende uitkering (bovenop de WW-uitkering gedurende de WW-periode) en in
                    een nawettelijke uitkering na afloop van de WW-periode. Laatstbedoelde uitkering
                    blijft beperkt tot hen aan wie reorganisatieontslag is verleend. De duur van de
                    nawettelijke uitkering wordt bepaald op basis van leeftijd en diensttijd. In
                    aanvulling hieop bestaat bij ontslag op andere gronden (artikel B.9, onderdeel
                    o) recht op een (aanvullende c.q. nawettelijke) uitkering die minstens gelijk is
                    aan die in geval van reorganisatieontslag (zie Regeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid).</al><al><vet>Artikel B.14 Uitkering bij overlijden</vet></al><al>Deze regeling staat naast andere voorzieningen bij overlijden, zoals de Algemene
                    nabestaandenwet en het partnerpensioen van het ABP.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK C</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Sedert 1 januari 2005 kennen de provincies een uniform beloningssysteem. Het
                    betreft een samenhangend systeem van beloning, beoordeling en functiewaardering.
                    De doelstelling van dit systeem is de bevordering van de kwaliteit van het
                    provinciale apparaat. Belangrijke elementen zijn daarin de vergroting van de
                    mogelijkheden tot bewust en gedifferentieerd belonen van ambtenaren (vergroting
                    sturingsmogelijkheden voor het management, meer outputgerichte beloning,
                    vereenvoudiging en doorbreking van automatismen) en bijstelling van het
                    loongebouw (geen aparte jeugdsalarissen, geen wachtjaren voor
                    diensttijduitlopen, aantal stappen in de schaal).</al><al>Het beloningssysteem kent vier beloningsgrondslagen, te weten functiezwaarte,
                    structurele groei in ontwikkeling, werkresultaten en marktwaarde. De marktwaarde
                    vindt zijn vertaling in het generieke salarisniveau en in specifieke
                    voorzieningen ter verbetering van de arbeidsmarktpositie. Het beloningssysteem
                    is in 2008 geëvalueerd en in 2010 aangepast door vervanging van een
                    driepuntschaal door een vijfpuntschaal van beoordelen en belonen. Zie daarvoor
                    meer in de volgende alinea en in de toelichting op de artikelen C.7 en C.9.</al><al>Op hoofdlijnen ziet het beloningssysteem er als volgt uit. Iedere ambtenaar
                    wordt ingedeeld in een van de 18 salarisschalen. De salarisschaal is afhankelijk
                    van de functiezwaarte die wordt bepaald met behulp van functiewaardering. Een
                    conversietabel vertaalt de uitkomst van de functiewaardering naar de
                    salarisschaal die bij de functie hoort. Uitgangspunt is bewust belonen, steeds
                    op basis van een beoordeling, waardoor automatismen worden doorbroken. Vooraf
                    worden afspraken gemaakt over de te behalen werkresultaten en over de
                    structurele groei in ontwikkeling. Deze afspraken worden tussentijds getoetst en
                    eventueel bijgesteld en achteraf beoordeeld en beloond. Het betreft een systeem
                    van jaargesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel werkplan
                    dat als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete afspraken
                    vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar. In deze gesprekken komen ook andere
                    zaken aan de orde, zoals opleiding, loopbaanperspectief, werktijden,
                    arbeidsomstandigheden en de ondersteuning door de leidinggevende De structurele
                    groei in ontwikkeling wordt gemeten met behulp van competenties die voor een
                    goede vervulling van de functie noodzakelijk zijn. Daartoe is een systeem van
                    competenties ontwikkeld. Een normaal goede beoordeling van de structurele groei
                    in ontwikkeling leidt tot een salarisverhoging van 3% (van het maximumsalaris)
                    in de voor betrokkene geldende salarisschaal, tot het maximumsalaris in die
                    schaal is bereikt. Een zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling van
                    de structurele groei in functioneren (door competentieontwikkeling) leidt tot
                    een salarisverhoging van 4%, onderscheidenlijk 6%. Een matige beoordeling leidt
                    tot een salarisverhoging van slechts 1%. Het salaris wordt niet verhoogd bij een
                    slechte beoordeling. Een zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling
                    van de werkresultaten leidt tot een incidentele outputbeloning van 3%,
                    onderscheidenlijk 7% van het salaris over de beoordelingsperiode (van in de
                    regel 1 jaar). Behalve de werkresultaten kan ook extra inzet van de ambtenaar
                    incidenteel extra worden beloond. De automatische periodiek bestaat niet. Er is
                    geen uitloopschaal, geen functioneringstoelage en een aanloopschaal geldt in
                    uitzonderingsgevallen voor maximaal 1 jaar. Het hier geschetste beloningssysteem
                    is te vinden in de artikelen C.4 t/m C.7, C.9 en C.10.</al><al>In hoofdstuk C zijn ook andere onderwerpen geregeld. Genoemd kunnen worden: - de
                    waarnemingstoelage (artikel C.11); - de toelage onregelmatige dienst (artikelen
                    C.12 en C.13 ); - de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie (artikel C.14); -
                    de toelage op andere gronden (artikel C.15); - de eenmalige uitkering (artikel
                    C.21); - de gratificatie ambtsjubileum (artikel C.22); - de overwerkvergoeding
                    (artikel C.23); - de vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk (artikel
                    C.24).</al><al>Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichtingen op de betreffende
                    artikelen.</al><al>Beslissingen die op grond van hoofdstuk C worden genomen zijn van groot belang
                    voor de ambtenaar. Zij hebben immers directe betekenis voor zijn inkomen. Bij
                    dergelijke beslissingen zullen vanzelfsprekend zorgvuldigheid, rechtsgelijkheid,
                    rechtszekerheid en rechtsbescherming gewaarborgd moeten zijn. Om die reden is
                    het dan ook van grote betekenis dat aan beloningsbeslissingen waarbij het
                    functioneren van de ambtenaar een rol speelt, steeds een beoordeling ten
                    grondslag moet liggen. Het beoordelingssysteem bevat immers waarborgen voor de
                    zorgvuldigheid en de objectieve onderbouwing van dergelijke
                    beloningsbeslissingen. Daarnaast biedt uiteraard de Algemene wet bestuursrecht
                    de ambtenaar tal van waarborgen. Tegen beloningsbeslissingen – maar ook tegen de
                    daaraan ten grondslag liggende beoordeling – kan betrokkene op grond van deze
                    wet bezwaar aantekenen bij Gedeputeerde Staten en vervolgens, als hij het met
                    die beslissing niet eens is, bij de rechter in beroep gaan.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel C.1. Recht op bezoldiging</vet></al><al>In dit artikel is het recht op bezoldiging vastgelegd. In artikel A.1, onderdeel
                    e, is gedefinieerd wat onder bezoldiging wordt verstaan. De ambtenaar ontvangt
                    bezoldiging voor de dienst die hij voor de provincie verricht. In het tweede lid
                    ligt het principe “geen werk, geen loon” verankerd. Dat geldt als de ambtenaar
                    opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, in strijd met zijn
                    verplichtingen.</al><al><vet>Artikel C.2 Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                        tegemoetkomingen</vet></al><al>In dit artikel is de betalingstermijn geregeld van de belangrijkste betalingen
                    van de provinciale werkgever aan zijn ambtenaren. Het betreffen, zoals in het
                    derde lid is aangegeven, betalingen die kunnen worden gedaan zonder dat daarvoor
                    een afzonderlijke beschikking moet worden genomen. Artikel C.2 spoort met
                    hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht is voorgeschreven ten aanzien van
                    betaling en invordering van geldschulden waarbij een bestuursorgaan is
                    betrokken. Op grond van artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                    bestuursrecht zal een beschikking alsnog worden afgegeven als de belanghebbende
                    ambtenaar hierom verzoekt..</al><al><vet>Artikel C.3 Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken</vet></al><al>Het salaris per dag wordt dus niet bepaald door het maandbedrag te delen door
                    het aantal werkdagen in die maand.</al><al><vet>Artikel C.4 Inrichting salarisgebouw</vet></al><al>Er zijn 18 salarisschalen. Van alle salarisschalen is slechts de bandbreedte
                    aangegeven: alleen het minimumsalaris en het maximumsalaris zijn vastgelegd. Het
                    minimumsalaris is in de salarisschalen 1 en 2 79% en in de overige
                    salarisschalen 70% van het maximumsalaris Het salarisgebouw is opgenomen in
                    bijlage 2 van de CAP. De daarin opgenomen salarisbedragen zullen telkens worden
                    aangepast aan de algemene salarisverhogingen die partijen in het SPA in de CAO
                    afspreken. Gedeputeerde Staten vervangen dan de oude bijlage door een
                    nieuwe.</al><al><vet>Artikel C.5 Bepaling salarisschaal</vet></al><al>Eerst wordt vastgesteld welke salarisschaal voor de ambtenaar geldt. Vervolgens
                    wordt op grond van artikel C.6 het salaris van de ambtenaar bepaald. Het salaris
                    moet passen binnen de bandbreedte van zijn salarisschaal. De verdere
                    salarisontwikkeling is tenslotte geregeld in artikel C.7.</al><al>De salarisschaal van de ambtenaar wordt bepaald door de zwaarte van de functie.
                    Die wordt vastgesteld met behulp van een systeem van methodische
                    functiewaardering.</al><al>De provincies hanteren voor de functiewaardering FUWAPROV. Dat is een
                    provinciale vertaling van FUWASYS dat voor het rijkspersoneel geldt. Op basis
                    van het derde lid hebben Gedeputeerde Staten de Procedureregeling methodische
                    functiewaardering vastgesteld. Met behulp van de conversietabel die hoort bij de
                    Procedureregeling methodische functiewaardering wordt de uitkomst van de
                    functiewaardering vertaald naar een van de 18 salarisschalen. Bij elke functie
                    hoort dus een salarisschaal. Die noemen wij de functieschaal. De ambtenaar wordt
                    ingepast in de functieschaal. Wordt de ambtenaar nadien in een lichtere of
                    zwaardere functie benoemd of komt de functie bij herwaardering hoger of lager
                    uit dan leidt dit tot een andere salarisschaal voor de ambtenaar. Daarbij hoort
                    dan een hernieuwde salarisinpassing overeenkomstig artikel C.6.</al><al>Bij uitzondering kan de ambtenaar in een aanloopschaal worden geplaatst. Dat is
                    geregeld in het vijfde lid. Het is alleen mogelijk als de ambtenaar nog niet
                    volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau voor de functie. Het
                    betreft steeds de direct aan de functieschaal voorliggende salarisschaal.
                    Plaatsing in de aanloopschaal kan voor maximaal 1 jaar. Daarna wordt de
                    ambtenaar in de functieschaal geplaatst tenzij uit een beoordeling blijkt dat
                    hij nog steeds niet aan de minimale vereisten voor de functie voldoet.</al><al>Het komt voor dat een ambtenaar tijdelijk een andere functie waarneemt,
                    bijvoorbeeld omdat een collega of leidinggevende voor een langere periode ziek
                    is. In dat geval wordt de ambtenaar niet geplaatst in de salarisschaal die hoort
                    bij de waargenomen functie maar blijft hij in zijn salarisschaal. Dat is
                    geregeld in het zesde lid. Wel kan onder voorwaarden een toelage worden
                    toegekend als hij een hoger gewaardeerde functie waarneemt (zie artikel C.11).
                    Het komt ook voor dat een ambtenaar voor een proefperiode in een zwaardere
                    functie wordt benoemd. In dat geval zal als regel worden bepaald dat de
                    ambtenaar in zijn oude salarisschaal blijft. Als regel: de leidinggevende kan
                    ook met de ambtenaar afspreken dat hij gelijk al in de hogere salarisschaal
                    wordt geplaatst. Mislukt de proefplaatsing dan keert de ambtenaar doorgaans
                    terug in zijn oude functie. Er zijn dan geen gevolgen voor de salarisschaal als
                    hij in de oude salarisschaal is gebleven. Wordt de ambtenaar na de proefperiode
                    definitief in de zwaardere functie benoemd dan zal hij alsnog in de daarbij
                    behorende hogere salarisschaal worden geplaatst als dat niet al gelijk is
                    gebeurd, eventueel met terugwerkende kracht tot (uiterlijk) het moment van
                    aanvang van zijn proefplaatsing.</al><al><vet>Artikel C.6 Bepaling salaris</vet></al><al>Nadat de salarisschaal is vastgesteld wordt op grond van artikel C.6 het salaris
                    in die salarisschaal bepaald. Dat kan in beginsel elk salaris zijn binnen de
                    bandbreedte van de salarisschaal. Bij eerste aanstelling is dat in de regel het
                    minimumsalaris in de salarisschaal. Afhankelijk van de relevante kennis,
                    ervaring en vaardigheden kan dat meer zijn. Het salaris bedraagt in ieder geval
                    het bedrag van het wettelijk minimumloon dat geldt voor werknemers van dezelfde
                    leeftijd als de ambtenaar. Omdat de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag
                    formeel niet geldt voor overheidspersoneel is dit geregeld in het tweede lid.
                    Een dergelijke situatie zal zich overigens, gezien het salarisgebouw van de
                    provincie, vrijwel nooit voordoen. Het derde tot en met zevende lid bevatten
                    salarisbepalingen bij latere benoemingen in andere functies.</al><al>Betreft het een benoeming in een gelijk of hoger gewaardeerde functie dan mag
                    het nieuwe salaris nooit minder zijn dan het salaris in de oude functie. Daarbij
                    moet ook in de gaten worden gehouden de salarisontwikkeling die de ambtenaar in
                    de oude functie zou doormaken. Zou hij in de oude functie bijvoorbeeld met
                    toepassing van artikel C.7 een half jaar later in aanmerking zijn gekomen voor
                    een salarisverhoging van 3% dan zal daarmee rekening gehouden moeten worden bij
                    de bepaling van het salaris in de nieuwe functie.</al><al>Is bij benoeming in een functie van gelijk niveau “horizontale inpassing” in de
                    nieuwe salarisschaal (derhalve op een gelijk salarisniveau) het uitgangspunt,
                    bij benoeming in een hoger gewaardeerde functie zal doorgaans een hoger salaris
                    worden vastgesteld. Gebruikelijk is om bij promoties het salaris in de oude
                    functie te verhogen met 3% van het maximumsalaris in de nieuwe functie. Er is
                    echter ruimte om, afhankelijk van het geval, meer of minder te doen. Een
                    horizontale overgang ligt in de rede als bijvoorbeeld een hoger salaris
                    afhankelijk wordt gesteld van de afronding van een voor de nieuwe functie
                    noodzakelijke opleiding. Uiteraard zal het nieuwe salaris steeds binnen de
                    bandbreedte van de nieuwe salarisschaal moeten liggen. Het salaris zal dus
                    altijd minimaal het minimumsalaris van die salarisschaal bedragen.</al><al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar wordt benoemd in een andere, lager
                    gewaardeerde functie. Dat is niet gebruikelijk maar soms is dat onvermijdelijk.
                    Dat kan spelen bij reorganisaties waarin voor een ambtenaar slechts een passende
                    andere functie in de nieuwe organisatie beschikbaar blijkt op een lager niveau.
                    In dat geval zal de ambtenaar worden ingepast in de bij de nieuwe functie
                    behorende lagere salarisschaal op hetzelfde salaris als in de oude functie. Dat
                    is geregeld in het vijfde lid. Is het oude salaris hoger dan het maximumsalaris
                    van de nieuwe salarisschaal dan wordt betrokkene op het maximumsalaris ingepast
                    en wordt het verschil tussen oude en nieuwe salaris gegarandeerd door toekenning
                    van een toelage. Die toelage wordt als salaris aangemerkt wat onder meer
                    betekent dat de toelage de algemene salarisontwikkeling volgt en (mede)
                    grondslag vormt voor het IKB en aan het salaris gerelateerde toelagen en
                    vergoedingen. De spelregels bij reorganisaties die tussen de provincie en de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel zijn afgesproken bevatten aanvullende
                    personele en rechtspositionele garanties en randvoorwaarden.</al><al>Niet in alle gevallen zijn er garanties dat bij benoeming in een andere, lager
                    gewaardeerde functie het oude salaris gehandhaafd blijft. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid, vierde volzin, en in het zesde en zevende lid. Vanzelfsprekend is
                    een dergelijke garantie afwezig in het geval dat de ambtenaar bij wijze van
                    disciplinaire maatregel (met toepassing van artikel G.4, eerste lid, onderdeel
                    d) is benoemd in een lager gewaardeerde functie. Voor gevallen van
                    inkomensverlies bij re-integratie van een zieke ambtenaar in een lager betaalde
                    functie (met toepassing van artikel E.7) gelden bijzondere (tijdelijke)
                    voorzieningen op grond van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte
                    en arbeidsongeschiktheid. Bij benoeming in een andere, lager gewaardeerde
                    functie die het gevolg is van disfunctioneren in de oude functie ligt de zaak
                    genuanceerd. Een algemeen recht op een salarisgarantie is er niet. Of het
                    redelijk is zo’n garantie te geven is afhankelijk van o.a. de mate van
                    disfunctioneren en de eventuele eigen schuld aan het disfunctioneren.</al><al>Indien bijvoorbeeld verwijtbaar disfunctioneren van een zodanige aard is dat
                    betrokkene op grond daarvan ontslag kan worden verleend op grond van artikel
                    B.9, onderdeel h, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid en om humanitaire
                    redenen wordt gekozen voor benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie,
                    dan ligt een salarisgarantie niet in de rede.</al><al>Een vierde situatie waarin een salarisgarantie niet hoeft te worden gegeven
                    betreft de terugkeer in de oude functie na een tijdelijke benoeming in een hoger
                    gewaardeerde functie. Het zal in de praktijk voorkomen dat een ambtenaar uit de
                    lijnorganisatie wordt gehaald om als projectleider een bepaald project te
                    trekken. Het leiden van een dergelijk project kan voor de ambtenaar een
                    interessante stap zijn in zijn loopbaan bij de provincie, maar ook een
                    salarisverbetering betekenen als die tijdelijke functie zwaarder is. De
                    eventuele salarisverbetering is uiteraard ook van tijdelijke aard. Mocht de
                    ambtenaar na afloop van het project weer terugkeren in zijn oude functie dan zal
                    hij opnieuw in zijn oude salarisschaal worden ingepast en is er voor hem geen
                    garantie dat hij ten minste het salaris houdt dat hij in de tijdelijke functie
                    ontving. Het spreekt voor zich dat deze consequenties vooraf aan de betrokken
                    ambtenaar moeten zijn duidelijk gemaakt.</al><al>Recht op een salarisgarantie is tenslotte evenmin aan de orde indien de
                    ambtenaar zelf verzoekt om benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie,
                    bijvoorbeeld omdat hij het wat rustiger aan wil doen. Als onderdeel van het
                    provinciale seniorenbeleid is in de tweede volzin van het zevende lid een
                    demotieregeling voor de oudere ambtenaar opgenomen. Deze regeling houdt in dat
                    de ambtenaar van 55 jaar of ouder, die een stapje terug doet door over te
                    stappen op een lichtere functie, daarvan geen nadelige gevolgen in het pensioen
                    zal ondervinden. Artikel 3.5 van het pensioenreglement ABP biedt hiertoe de
                    mogelijkheid. De pensioenopbouw zal gebaseerd blijven op de oude inschaling. Op
                    het salaris in de oude functie dat voor de pensioenopbouw van de ambtenaar
                    blijft gelden, worden de algemene salarisverhogingen voor het provinciepersoneel
                    toegepast. De pensioengaranties gelden niet voor taakverlichting van oudere
                    ambtenaren via vermindering van de formele arbeidsduur. In dat geval blijft de
                    pensioengrondslag ongewijzigd omdat de ambtenaar geen lager betaalde functie
                    gaat vervullen. Er zijn dan geen gevolgen voor al opgebouwde pensioenrechten,
                    maar op de nog op te bouwen pensioenjaren zal de deeltijdfactor worden
                    losgelaten.</al><al>In het achtste en negende lid is geregeld wat de salarisconsequenties zijn van
                    een herwaardering van de functie. Komt de functiewaardering hoger uit dan zal de
                    ambtenaar horizontaal worden ingepast in de nieuwe salarisschaal. Is het oude
                    salaris lager dan het minimumsalaris van de nieuwe salarisschaal dan wordt hij
                    op dit minimumsalaris ingepast. Bij een lagere functiewaardering wordt het oude
                    salaris gegarandeerd, eventueel via een toeslag boven het maximumsalaris in de
                    nieuwe salarisschaal.</al><al>Zit een ambtenaar in de aanloopschaal en wordt hij in de functieschaal geplaatst
                    omdat hij inmiddels wel aan de minimale vereisten voor de functie voldoet dan
                    zal hij in de functieschaal op het minimumsalaris worden ingepast. Mocht de
                    ambtenaar in de aanloopschaal al een hoger salaris ontvangen dan wordt hij
                    horizontaal in de functieschaal ingepast. Een en ander is geregeld in het tiende
                    lid.</al><al><vet>Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                        functioneren</vet></al><al>Zolang de ambtenaar in de voor hem geldende salarisschaal niet op het
                    maximumsalaris zit kan hij een groei in salarisontwikkeling doormaken. Daarvoor
                    is een duurzame groei in het functioneren vereist. Om structureel meer te gaan
                    verdienen moet men immers ook structureel beter functioneren. Die duurzame groei
                    in functioneren moet blijken uit een door de leidinggevende vastgestelde
                    beoordeling. Er is een systeem van jaargesprekken waarbij in beginsel jaarlijks
                    tussen leidinggevende en ambtenaar afspraken worden gemaakt over de duurzame
                    groei in het functioneren en in verband hiermee over de ontwikkeling van de
                    daartoe benodigde competenties. Deze afspraken worden in hun totaliteit in
                    beginsel jaarlijks door de leidinggevende en de ambtenaar gezamenlijk
                    geëvalueerd en door de leidinggevende formeel beoordeeld. Voor de beoordeling
                    van de duurzame groei in functioneren is het oordeel over de werkresultaten
                    overigens mede van belang. De ontwikkelingsafspraken met de ambtenaar zijn
                    immers uiteindelijk gericht op betere prestaties. Voor een nadere beschouwing
                    over de relatie tussen ontwikkeling en prestaties wordt verwezen naar de
                    toelichting op de Regeling jaargesprekken.</al><al>Aan de hand van de beoordeling wordt vervolgens een beslissing genomen over de
                    salarisontwikkeling in de salarisschaal. Daarvoor zijn in artikel C.7 regels
                    vastgesteld. Bij een normaal goede beoordeling zal het salaris na genoemde
                    periode van een jaar worden verhoogd met 3% van het maximumsalaris en bij een
                    zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling met 4%, onderscheidenlijk
                    6%. Bij een matige beoordeling zal het salaris nog wel beperkt stijgen (met 1%
                    van het maximumsalaris), maar bij een slechte beoordeling niet. Uitgaande van de
                    noodzakelijke ingroeitijd (bij een normale ontwikkeling) bedraagt het aantal
                    stappen (van 3%) van minimum tot maximum zeven in de salarisschalen 1 en 2 en
                    tien in de salarisschalen 3 tot en met 18. In de situatie dat elk jaar het
                    salaris op deze wijze met 3% wordt verhoogd zal de ambtenaar die op het
                    minimumsalaris binnenkomt en een normale groei in het functioneren doormaakt in
                    zeven jaar (salarisschalen 1 en 2) resp. tien jaar (overige salarisschalen) het
                    maximumsalaris in zijn salarisschaal kunnen bereiken.</al><al>Aannemende dat de ambtenaar dan nog steeds dezelfde functie vervult en niet al
                    eerder in het kader van zijn loopbaan in een andere functie is benoemd.</al><al>Zoals hierboven aangegeven gaat het systeem van jaargesprekken uit van een
                    jaarcyclus waarbij aan het begin van die jaarcyclus de afspraken worden gemaakt
                    over de voor de salarisontwikkeling relevante duurzame groei in het functioneren
                    en aan het eind van die jaarcyclus de gemaakte afspraken worden geëvalueerd en
                    beoordeeld. De besluitvorming over de consequenties voor de salarisontwikkeling
                    sluit daarop aan. In het derde lid is daarom bepaald dat de salarisverhoging
                    (indien is voldaan aan de gestelde voorwaarden) telkens na in de regel 12
                    maanden plaatsvindt. De toevoeging “in de regel” wil zeggen dat een
                    salarisverhoging ook eerder of later dan na 12 maanden kan plaatsvinden. Dat
                    moet wel een uitzondering zijn. Als bijvoorbeeld de ambtenaar tussentijds in een
                    andere functie wordt benoemd kan er aanleiding zijn voordien een afsluitende
                    beoordeling uit te brengen over het functioneren in de oude functie. Daaraan
                    kunnen eventueel ook eerder dan na ommekomst van de periode van 12 maanden
                    consequenties voor het salaris worden verbonden. Omgekeerd kunnen er ook
                    omstandigheden zijn waardoor het onmogelijk is om een verantwoord oordeel te
                    geven over de duurzame groei in het functioneren. Daarvan zal sprake kunnen zijn
                    bij langdurige afwezigheid, bijvoorbeeld wegens ziekte. Het moge duidelijk zijn
                    dat ingeval van afwezigheid gedurende de hele (of nagenoeg de hele) periode van
                    12 maanden er geen duurzame groei in functioneren kan worden geconstateerd en er
                    dus ook geen grondslag is voor welke salarisverhoging dan ook. Salarisverhoging
                    op grond van artikel C.7 zal in dat geval pas weer aan de orde zijn na afloop
                    van de nieuwe jaarcyclus. Het kan ook voorkomen dat de ambtenaar een
                    (substantieel) deel van de 12 maanden wel aanwezig is geweest maar die periode
                    te kort is om een verantwoord oordeel te geven over de duurzame groei in het
                    functioneren. In dat geval kan worden besloten een beslissing over een
                    salarisverhoging en de daarvoor noodzakelijke beoordeling te verschuiven naar
                    een later tijdstip dan het einde van de reguliere periode van 12 maanden. In een
                    dergelijk geval kan er aanleiding zijn om op basis van die latere beoordeling,
                    als die positief uitvalt, te bepalen dat de daaraan verbonden salarisverhoging
                    terugwerkt tot aan de datum waarop de normale periode van 12 maanden is
                    verstreken.</al><al>De omvang van de salarisverhoging bij duurzame groei in functioneren is niet een
                    volledig vrije keus van de leidinggevende maar is, afhankelijk van de uitkomst
                    van de beoordeling, 1%, 3%, 4% of 6% van het maximumsalaris in de salarisschaal.
                    Het gaat dus om vaste stappen in de salarisschaal. Als een ambtenaar bij aanvang
                    niet op het minimumsalaris is ingepast zal de laatste stap naar het
                    maximumsalaris niet 1%, 3%, 4% of 6% kunnen zijn, maar op een lager bedrag
                    uitkomen. Het vierde lid voorziet hierin.</al><al><vet>Artikel C.8 Salaris bij deeltijdfuncties</vet></al><al>Het salaris wordt bepaald naar evenredigheid van de formele arbeidsduur.
                    Bedraagt de formele arbeidsduur (tijdelijk) 40 uur per week dan is het salaris
                    40/36 (artikel D.1, vijfde lid).</al><al><vet>Artikel C.8a Salaris bij aanstelling op grond van de
                    banenafspraak</vet></al><al>De medewerkers bedoeld in dit artikel hebben zoals alle ambtenaren bij de
                    provincie een functieomschrijving op basis van FUWAPROV. De medewerkers bedoeld
                    in lid 1 worden echter ingeschaald in schaal A in plaats van in de schaal die op
                    basis van de functieomschrijving zou gelden. De medewerkers bedoeld in lid 3
                    hebben de inschaling die hoort bij hun functieomschrijving.</al><al>Omdat de medewerker bedoeld in lid 1 niet zelfstandig het minimumloon kan
                    verdienen, is lid 2 opgenomen. Een voorbeeld ter toelichting: een medewerker
                    heeft een loonwaarde van 85%. Als zijn schaalbedrag hoger zou worden dan 118%
                    (118*0,85=100) zou hij zelfstandig meer dan het minimumloon kunnen verdienen.
                    Deze bepaling is alleen van belang voor medewerkers met een loonwaarde van 83%
                    of meer (alleen dan is het maximum schaalbedrag maal de loonwaarde hoger dan het
                    WML).</al><al>Alle overige bepalingen in de CAP en haar uitvoeringsregelingen waarop in dit
                    artikel geen uitzonderingwordt gemaakt, zijn van toepassing.</al><al><vet>Artikelen C.9 en C.10 Incidentele beloning van prestaties en extra
                        inzet</vet></al><al>Naast de structurele beloning kent het beloningssysteem de variabele beloning.
                    Die kan worden gegeven voor extra prestaties of voor extra inzet van ambtenaren.
                    In het eerste geval gaat het om output. In het tweede geval om beloning van
                    input. Beide beloningsvormen hebben een incidenteel karakter. Naar de aard zal
                    de inputbeloning in belangrijke mate gericht zijn op ambtenaren in de lagere
                    salarisschalen. De outputbeloning komt op alle functieniveaus voor maar zal meer
                    betekenis hebben voor de hogere salarisschalen omdat zij meer bijdragen aan de
                    realisering van de organisatiedoelstelling waarvoor de outputbeloning wordt
                    gegeven. Het geheel aan maatregelen voor variabel belonen heeft daarmee een
                    evenwichtige spreiding over alle functieniveaus.</al><al>Bij de outputbeloning, die is geregeld in artikel C.9, zijn uitgangspunten het
                    motiveren, stimuleren en waarderen van ambtenaren om te komen tot extra
                    prestaties door het toekennen van flexibele incidentele beloningselementen. Met
                    de ambtenaar worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over het
                    realiseren van vooraf vastgelegde, concrete en zoveel mogelijk kwantificeerbare
                    werkresultaten op in beginsel het hele werkveld van de ambtenaar. Variabele
                    beloning is een outputbeloning die alleen wordt gegeven bij zeer goede of
                    uitstekende werkresultaten. Na afloop van de periode waarover in het
                    planningsgesprek werkresultaten zijn afgesproken worden de behaalde
                    werkresultaten geëvalueerd en beoordeeld. Op basis van de uitgebrachte
                    beoordeling wordt vervolgens een beslissing genomen over de toekenning van een
                    incidentele outputbeloning. Die zal worden toegekend als de werkresultaten
                    waarover in het planningsgesprek afspraken zijn gemaakt, de gestelde eisen in
                    ruime dan wel uitzonderlijke mate overtreffen. De besluitvorming over de
                    outputbeloning sluit dus aan op de jaarcyclus van het systeem van jaargesprekken
                    en zal dus telkens na in de regel 12 maanden plaatsvinden. Wat betreft de
                    periode van 12 maanden geldt hetzelfde als wat daarover is opgemerkt ten aanzien
                    van de periodieke salarisverhoging: besluitvorming over een outputbeloning en
                    een daaraan voorafgaande beoordeling kunnen bij uitzondering ook eerder of later
                    dan na 12 maanden plaatsvinden. Kortheidshalve wordt verwezen naar de
                    betreffende passage in de toelichting op artikel C.7.</al><al>De outputbeloning heeft een incidenteel karakter en is bij zeer goede
                    werkresultaten 3% en bij uitstekende werkresultaten 7% van het salaris over de
                    periode waarop de beoordeelde werkresultaten betrekking hebben, derhalve in de
                    regel 3%, onderscheidenlijk 7% van het salaris over 12 maanden.</al><al>Naast de beloning die past bij de jaarcyclus is er bij managers behoefte aan het
                    toekennen van een beloning bij extra inzet of voor het verrichten van niet
                    geplande activiteiten. Artikel C.10 biedt daarvoor de grondslag.</al><al>Gedacht kan worden aan gratificaties, theaterbonnen, een diner voor twee, een
                    werkgeversbijdrage in sabbatverlof en andere blijken van waardering voor
                    individuele ambtenaren of voor een team van ambtenaren. Het gaat hier om
                    incidentele beloningen die direct kunnen worden verstrekt (boter bij de vis). De
                    uitwerking in concreet beleid en in de ontwikkeling van instrumenten is een
                    lokale verantwoordelijkheid, af te spreken met de ondernemingsraad.</al><al><vet>Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie</vet></al><al>Op grond van dit artikel heeft de ambtenaar recht op een toelage bij volledige
                    waarneming, gedurende minimaal een maand, van een hoger gewaardeerde functie. De
                    toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris in de voor de waargenomen
                    functie geldende salarisschaal en een bedrag naar evenredigheid daarvan over
                    perioden waarin niet een volle maand is waargenomen. Het salaris met de toelage
                    komt daarmee uit op het salaris bij een horizontale inpassing in die hogere
                    salarisschaal, vermeerderd met 2 normale stappen van 3% van het maximumsalaris
                    van die schaal. Dat leidt ertoe dat de toelage hoger zal zijn naarmate de
                    waargenomen functie zwaarder is. Het betekent voorts dat de toelage niet is
                    gerelateerd aan het salaris in de eigen functie. Voor alle ambtenaren is de
                    toelage bij volledige waarneming van een functie met een zelfde hoger
                    functieniveau dus dezelfde.</al><al>In andere gevallen van waarneming is er geen recht op een toelage. Als de
                    ambtenaar een hoger gewaardeerde functie slechts gedeeltelijk waarneemt kan hij
                    daarvoor een toelage naar evenredigheid ontvangen. De hoogte daarvan is
                    afhankelijk van de aard en de omvang van de waargenomen werkzaamheden. Er is
                    geen recht op de toelage als de waarneming geen zwaardere functie betreft of
                    (behoudens bijzondere omstandigheden) korter dan een maand duurt. Recht op de
                    toelage bestaat evenmin als de waarneming plaatsvindt vanwege vakantieverlof van
                    een collega (ook al betreft het een hoger gewaardeerde functie), tenzij het
                    gespaard vakantieverlof betreft. Dan gaat het om vakantieverlof dat op grond van
                    afspraken tussen die collega en zijn leidinggevende is gespaard. Indien een
                    ambtenaar niet in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage kan er onder
                    omstandigheden wel aanleiding zijn om hem een eenmalige beloning te geven op
                    grond van artikel C.10 wegens extra inzet of het verrichten van niet geplande
                    activiteiten. </al><al>Bij de beloning wordt ervan uitgegaan dat de ambtenaar zijn arbeid in de regel
                    verricht op maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur. Als de ambtenaar in
                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig op andere tijden doordeweeks of in het
                    weekend of op feestdagen werkt dan heeft hij recht op een toelage op grond van
                    dit artikel. Daarbij gaat het niet om arbeid die in overwerk wordt verricht, dus
                    boven op de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur. In dat geval heeft hij recht
                    op een overwerkvergoeding op grond van artikel C.23. Bij arbeid op onregelmatige
                    tijden binnen de voor hem geldende arbeidsduur komt de ambtenaar in aanmerking
                    voor een toelage die per uur een percentage bedraagt van zijn uursalaris. Het
                    percentage wordt berekend over ten hoogste het maximumsalaris per uur van
                    salarisschaal 6. De hoogte van het percentage is afhankelijk van het tijdstip
                    dat de onregelmatige dienst wordt verricht. De toelage maakt onderdeel uit van
                    de bezoldiging. Het is mogelijk om voor een groep ambtenaren uit te gaan van een
                    voor ieder gelijk (gemiddeld) uursalaris. Het is ook mogelijk om een vaste
                    maandelijkse toelage toe te kennen. Geen recht op de toelage bestaat als de
                    ambtenaar is ingeschaald in salarisschaal 11 of hoger.</al><al><vet>Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige dienst</vet></al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt toegekend voor zolang de ambtenaar die
                    onregelmatige dienst verricht. Als de onregelmatige dienst eindigt of minder
                    wordt dan leidt dat in beginsel tot beëindiging of vermindering van de toelage.
                    Artikel C.13 biedt een voorziening in situaties waarin als gevolg van
                    beëindiging of vermindering van de onregelmatige dienst buiten toedoen van de
                    ambtenaar een blijvende en substantiële inkomensvermindering plaatsvindt en de
                    toelage onregelmatige dienst gedurende een redelijke periode is genoten. De
                    voorziening geldt onder dezelfde voorwaarden ook als de beëindiging of
                    vermindering van de toelage onregelmatige dienst het gevolg is van een medisch
                    advies van de arbodienst, van een vrijwillige benoeming in het kader van de
                    algemene dienst of van vrijstelling van continudienst in de nachturen vanaf 55
                    jaar. De inkomensdaling moet minimaal 3% zijn en de toelage moet minimaal 2 jaar
                    zijn genoten. In dat geval heeft de ambtenaar recht op een aflopende toelage
                    gedurende minimaal 6 maanden ( te weten een kwart van de vereiste minimumperiode
                    van 2 jaar dat de toelage moet zijn genoten) en maximaal 3 jaar.</al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt in drie gelijke perioden afgebouwd. Als de
                    afbouwperiode 3 jaar is dan ontvangt de ambtenaar het eerste jaar 75%, het
                    tweede jaar 50% en het derde jaar 25%. Verhogingen in de bezoldiging nadien,
                    anders dan ten gevolge van algemene salarisverhogingen, worden daarop in
                    mindering gebracht. In het vierde tot en met zesde lid is dat uitgewerkt.</al><al>Een voorbeeld ter illustratie. Ambtenaar A heeft een salaris van € 2.000 per
                    maand, zijnde het maximumsalaris in zijn salarisschaal, en een toelage
                    onregelmatige dienst van € 200 per maand. Die € 200 is ook het gemiddelde over
                    de laatste 12 maanden, hetgeen van belang is, omdat die de grondslag vormt voor
                    de aflopende toelage. Als gevolg van een (blijvende) vermindering van de
                    onregelmatige dienst daalt de toelage tot € 100 per maand.</al><al>Ambtenaar A heeft, gezien de periode dat hij de onregelmatige dienst heeft
                    verricht, aanspraak op een aflopende toelage gedurende de maximumperiode van 3
                    jaar. De aflopende toelage bedraagt het eerste jaar (€ 200 - € 100 =) € 100 x
                    75% = € 75 per maand. Het tweede en derde jaar bedraagt zij € 50 resp. € 25 per
                    maand. Als de ambtenaar in het eerste jaar een stap van 3% van het
                    maximumsalaris maakt (= € 60 per maand) op grond van een normaal goede
                    beoordeling dan bedraagt de aflopende toelage in het eerste jaar 75% van € 200
                    minus € 100 en minus € 60, ofwel € 30 per maand. Vindt er in plaats daarvan een
                    algemene salarisverhoging van 2% plaats dan wordt ook de aflopende toelage met
                    dat percentage verhoogd. Die komt dus uit op € 76, 50. Dat gebeurt op grond van
                    het zesde lid op de volgende wijze: (€ 200 x 102% =) € 204 minus (€ 100 x 102%
                    =) € 102 = €102 x 75% = € 76,50.</al><al>Vanaf 60 jaar kan onder voorwaarden een blijvende toelage worden toegekend. Deze
                    bedraagt steeds 100%. Is er voordien een aflopende toelage toegekend die nog
                    voortduurt op de 60-jarige leeftijd dan wordt die aflopende toelage op het dan
                    geldende niveau omgezet in een blijvende toelage. Als de aflopende toelage op
                    dat moment 50% bedraagt dan bedraagt ook de blijvende toelage vanaf 60 jaar 50%.
                    Zowel de aflopende toelage als de blijvende toelage op grond van dit artikel
                    maken onderdeel uit van de bezoldiging.</al><al><vet>Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</vet></al><al>Om kwalitatief goed en gemotiveerd personeel te hebben en te houden is het voor
                    de provincie van belang zich als een aantrekkelijke werkgever op de arbeidsmarkt
                    te positioneren. Uit onderzoek blijkt dat de aantrekkelijkheid van de werkgever
                    bij de overheid in sterke mate wordt bepaald door de inhoud van het werk en de
                    loopbaanperspectieven. Ook het salaris en andere arbeidsvoorwaarden zijn
                    belangrijk. Zoals hierboven al geconstateerd vormt de marktwaarde een van de
                    vier grondslagen van het beloningssysteem. Die marktwaarde vindt zijn vertaling
                    in het generieke salarisniveau. Soms zijn er specifieke voorzieningen nodig om
                    de arbeidsmarktpositie te verbeteren.</al><al>In de beloningssfeer kan daarbij worden gedacht aan de toekenning van een
                    arbeidsmarkttoelage of een bindingspremie. Die voorzieningen zijn opgenomen in
                    artikel C.14. Zij kunnen worden gericht op specifieke beroepsgroepen, voor de
                    vervulling van functies die, gelet op de schaarste op de arbeidsmarkt, moeilijk
                    vervulbaar zijn en op het behoud van gekwalificeerd personeel in dergelijke
                    functies. De arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie zullen daarom doorgaans
                    worden toegekend aan een groep van ambtenaren die door gedeputeerde staten is
                    aangewezen. Daarover maken zij afspraken met de vakorganisaties in het
                    Georganiseerd Overleg. Artikel C.14 biedt daarnaast de ruimte voor individueel
                    maatwerk. Ook aan een individuele ambtenaar kan, als daartoe op grond van
                    arbeidsmarktoverwegingen aanleiding bestaat, een arbeidsmarkttoelage of een
                    bindingspremie worden toegekend.</al><al>De arbeidsmarkttoelage wordt toegekend in aanvulling op het salaris en wordt dus
                    in de regel maandelijks betaald voor een tevoren bepaalde periode. De
                    bindingspremie is een eenmalige uitkering die wordt toegekend na afloop van een
                    vooraf bepaalde periode. Als de betrokken ambtenaar korter blijft krijgt hij in
                    beginsel niets. De periode waarvoor de ambtenaar zich bindt moet, om in
                    aanmerking te komen voor een bindingspremie, ten minste 3 jaar zijn.</al><al>De bindingspremie is geen toelage en is dan ook geen onderdeel van de
                    bezoldiging. De arbeidsmarkttoelage is wel onderdeel van de bezoldiging. Zij kan
                    voor maximaal 3 jaar worden toegekend. Als de arbeidsmarkt daartoe aanleiding
                    geeft kan de toelage worden verlengd, telkens voor maximaal 3 jaar. De
                    arbeidsmarkttoelage bedraagt maximaal 10% van het salaris. Het salaris met de
                    toelage mag echter nooit uitkomen boven het maximumsalaris van de naast hogere
                    salarisschaal. Een soortgelijke maximering geldt ook voor de
                    bindingspremie.</al><al>Aan de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie kunnen gedeputeerde staten
                    nadere voorwaarden verbinden. Daartoe kunnen ze nadere regels vaststellen in
                    overleg met de vakorganisaties in het Georganiseerd Overleg. Gedacht kan worden
                    aan gronden voor intrekking van de toelage en premie, bijvoorbeeld bij
                    aanvaarding van een andere functie, aan een terugbetalingsplicht van de toelage
                    bij tussentijds vertrek of aan tijdelijke opschorting van de toelage bij
                    langdurig verlof e.d. Het zesde lid biedt ruimte om toch de toelage of premie
                    gedeeltelijk te betalen, als de ambtenaar buiten zijn schuld niet aan alle
                    nadere voorwaarden heeft kunnen voldoen.</al><al><vet>Artikel C.15 Toelage op andere gronden</vet></al><al>De artikelen C.11 t/m C.14 geven een opsomming van toelagen die kunnen worden
                    verstrekt. Artikel C.15 is een kapstokbepaling die het mogelijk maakt om ook op
                    andere gronden een toelage toe te kennen. Dat kan zowel een toelage aan een
                    individuele ambtenaar zijn als aan een groep van ambtenaren. In het laatste
                    geval stellen gedeputeerde staten daarvoor een regeling vast. Daarover maken zij
                    afspraken met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd
                    Overleg. Te denken valt hier aan een toelage P.M. (inconveniënten,
                    bereikbaarheidsdiensten). Een persoonlijke toelage op grond van het (goede)
                    functioneren van de ambtenaar (functioneringstoelage) is op grond van dit
                    artikel uiteraard niet mogelijk. Daarvoor biedt het in de artikelen C.4 t/m C.7,
                    C.9 en C.10 uitgewerkte beloningssysteem immers een uitputtende
                    voorziening.</al><al><vet>Artikel C.16 t/m C.20 Individueel Keuzebudget</vet></al><al>In de artikelen C.16 t/m C.20 is het Individueel Keuzebudget (IKB)
                    geregeld.</al><al>Het IKB is een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan
                    aanwenden voor een aantal doelen. Met het IKB krijgen werknemers meer
                    verantwoordelijkheid voor en zeggenschap over de inhoud van hun
                    arbeidsvoorwaardenpakket. Zij kunnen hierdoor beter keuzes maken die aansluiten
                    bij hun levensfase en/of hun persoonlijke omstandigheden.</al><al>Het IKB is opgebouwd uit een aantal collectieve voorzieningen die voor alle
                    ambtenaren gelden. In het IKB zijn opgenomen: • de eindejaarsuitkering van 8,3%
                    • de vakantie-uitkering van 8% • de werkgeversbijdrage levensloop van 3,4%
                    (schalen 1 t/m 13) resp. 2,85% (schalen 14 en hoger).</al><al>Ook het bovenwettelijk vakantieverlof (36 uur voor voltijdwerkers) is,
                    uitgedrukt in geld, aan het IKB toegevoegd. Dit bedraagt 1,92%. Alles bij elkaar
                    opgeteld is het IKB per 1 januari 2016 13,62% resp. 13,7% van het salaris plus
                    8% van de bezoldiging.</al><al>De ambtenaar kan er voor kiezen meer uren te gaan werken. Het extra geld dat hij
                    of zij daarmee verdient, wordt dan in het IKB gestort. De werknemer krijgt ook
                    de mogelijkheid om geld dat hij of zij uit bepaalde vaste, specifiek voor hem
                    geldende (individuele) voorzieningen verdient, in het IKB te storten. Bij de
                    start van het IKB blijft die mogelijkheid beperkt tot de vaste, maandelijkse
                    toelagen, zoals garantietoelagen, arbeidsmarkttoelagen e.d.</al><al>Het IKB wordt berekend over het salaris. Alleen de vakantie-uitkering in het IKB
                    wordt (net als nu) berekend over de bezoldiging (salaris plus toelagen). Daarbij
                    geldt een wettelijk vastgestelde minimumvakantie-uitkering. Omdat het IKB is
                    berekend over het salaris resp. de bezoldiging hebben ziekte, onbetaald verlof
                    en salarisverhoging invloed op de hoogte daarvan. Bij ziekte die langer dan een
                    jaar duurt, vermindert dus de opbouw van het IKB. Een salarisverhoging leidt tot
                    een hoger IKB.</al><al>Het IKB is grotendeels pensioengevend. Alleen de waarde van het bovenwettelijk
                    vakantieverlof in het IKB is niet pensioengevend. Het budget wordt maandelijks
                    opgebouwd en bedraagt dus elke maand 1/12 deel.</al><al>De ambtenaar kan het IKB laten uitbetalen als brutoloon in de maand van opbouw
                    of later in het kalenderjaar of aanwenden voor extra verlof (voor voltijdwerkers
                    maximaal 144 uur per kalenderjaar) dan wel voor levensloop-sparen (als hij onder
                    het overgangsrecht van de Levensloopregeling valt). Hij kan het IKB tenslotte
                    ook gebruiken voor de IKAP-doelen. Zie daarvoor ook de toelichting op de
                    IKAPregeling. Hij of zij kan niet meer uit het IKB opnemen dan op dat moment is
                    opgebouwd. Het beschikbare geld kan uiteraard maar één keer worden uitgegeven.
                    En het moet in hetzelfde kalenderjaar zijn besteed. Dat ligt anders wanneer IKB
                    wordt gebruikt voor extra verlof. Dat verlof kan ook later worden opgenomen. Is
                    eenmaal een bedrag opgenomen dan kan dit niet meer worden teruggestort in het
                    IKB. Als de werknemer geen keuze maakt wordt het opgebouwde deel van het IKB in
                    dezelfde kalendermaand automatisch als brutoloon uitbetaald.</al><al>De aanvraag voor meer of minder werken kan eenmaal per jaar worden gedaan en
                    eenmaal worden herzien. De andere keuzes kunnen maandelijks worden gemaakt vóór
                    de sluitingsdatum van de salarisverwerking. <vet>Artikel C.21 Eenmalige
                        uitkering</vet></al><al>In het kader van de CAO-onderhandelingen in het SPA worden soms ook afspraken
                    gemaakt over een eenmalige uitkering voor het provinciepersoneel. Artikel C.21
                    biedt hiervoor de grondslag in de CAP.</al><al><vet>Artikel C.23 Vergoeding voor overwerk</vet></al><al>Aan de ambtenaar kan een vergoeding voor overwerk worden toegekend. Wat onder
                    overwerk wordt verstaan is vastgelegd in het tweede lid. Het moet wel gaan om
                    overwerk dat de ambtenaar is opgedragen. Van overwerkvergoeding zijn uitgesloten
                    ambtenaren in de salarisschalen 11 en hoger. Op grond van het tiende lid kan aan
                    deze hoger betaalden in bijzondere omstandigheden wel een bijzondere vergoeding
                    worden verstrekt. De overwerkvergoeding bestaat uit verlof voor de duur van het
                    overwerk en een toeslag in geld, uitgedrukt in een percentage van het salaris.
                    Als het dienstbelang zich tegen vergoeding in tijd verzet wordt de
                    overwerkvergoeding geheel in geld uitbetaald. De toeslag is afhankelijk van het
                    tijdstip waarop het overwerk wordt verricht en varieert van 25% voor overwerk op
                    doordeweekse dagen tussen 6 en 20 uur tot 100% op zon- en feestdagen. Daarbij
                    wordt geen onderscheid gemaakt tussen deeltijders en voltijdwerkers. De
                    overwerkvergoeding is geen onderdeel van de bezoldiging, maar wel
                    pensioeninkomen waarover dus volgens de gebruikelijke verdeling pensioenpremie
                    wordt betaald. Het is mogelijk voor een groep ambtenaren die samen gelijktijdig
                    overwerk verricht een gelijke overwerkvergoeding toe te kennen, ook al worden
                    zij verschillend bezoldigd en vervullen zij verschillende functies. Ook is het
                    mogelijk aan een ambtenaar een vaste vergoeding te verstrekken als hij
                    regelmatig overwerk verricht. Ter uitvoering van dit artikel kunnen Gedeputeerde
                    Staten nadere regels vaststellen. Zij kunnen zo nodig in bijzondere gevallen een
                    regeling treffen die dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.</al><al><vet>Artikel C.24 Vergoeding voor andere extra diensten dan over</vet></al><al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar extra diensten verricht die niet zijn
                    verdisconteerd in de bezoldiging (of geacht kunnen worden daarin te zijn
                    verdisconteerd). Overwerk is daarvan een voorbeeld. In dat geval kan er reden
                    zijn daarvoor een specifieke vergoeding te verstrekken.</al><al>Voor het overwerk is dat geregeld in artikel C.23. Te denken valt daarnaast aan
                    P.M. (bereikbaarheidsdiensten, gladheidbestrijding, rampenbestrijding,
                    bedrijfshulpverlening). Daarvoor kunnen Gedeputeerde Staten een
                    vergoedingsregeling vaststellen. Over deze regeling maken zij afspraken met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK D</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al><vet>Arbeidsduur en werktijden </vet></al><al>In opdracht van het bevoegd gezag van de provincies is het ambtelijk kader
                    belast met de invulling van de op sectoraal niveau vastgestelde arbeidsduur voor
                    het lokaal niveau. Het gaat erom, dat de arbeidstijden door het leidinggevende
                    kader worden gemanaged, een vorm van arbeidstijdenmanagement derhalve.</al><al>Als het gaat om arbeidsduur en werktijden voor het provinciaal personeel dan
                    zijn organisatiebelang en individueel belang nadrukkelijk in beeld. Een
                    evenwichtige benadering van beide belangen is noodzakelijk. Het
                    organisatiebelang vereist primair een goede bedrijfsvoering, waarbij werkaanbod
                    en beschikbare tijd goed op elkaar zijn afgestemd. Het individueel belang
                    vereist een adequate zorg voor de arbeidsomstandigheden en de individuele
                    wensen. Te denken valt vooral aan het scheppen van faciliteiten die een
                    combinatie van zorg en arbeid mogelijk maken. De 36-urige werkweek heeft het
                    kader geschapen om in de individuele sfeer te zorgen voor een betere combinatie
                    van zorg en arbeid.</al><al>De regeling van de arbeidsduur en de daarbinnen gehanteerde werktijden vereisen
                    een adequate verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrale (sectorale) en
                    lokale bevoegde gezag.</al><al>In de CAP zijn uitgewerkt: - de arbeidsduur; - de opdracht aan het lokale gezag
                    tot vaststelling van de werktijdenregeling en de belangrijkste randvoorwaarden
                    daarbij (kader-stellend).</al><al>Per provincie vindt vaststelling van de concrete werktijdenregeling plaats. De
                    werktijdenregelingen maken immers bij uitstek deel uit van de bedrijfsvoering,
                    die een lokale verantwoordelijkheid is.</al><al>In de CAP worden slechts randvoorwaarden aangegeven, waardoor in de lokale
                    uitwerkingsregeling ruimte voor individueel maatwerk overblijft (te denken is
                    aan individuele werktijdenregeling met spaarmogelijkheid). Gelet op de
                    ontwikkelingen in het overlegrecht is lokaal de ondernemingsraad (OR)
                    gesprekspartner bij de vaststelling of wijziging van de
                    werktijdenregelingen.</al><al><vet>Vakantieverlof en buitengewoon verlof </vet></al><al>In de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk D van de CAP is een rechtspositionele
                    regeling van het verlof opgenomen. Daarin is een onderscheid aangebracht tussen
                    vakantieverlof en buitengewoon verlof. Eerstgenoemd verlof is steeds (volledig)
                    betaald verlof. Buitengewoon verlof kan slecht om bijzondere redenen worden
                    verleend en kan ook onbetaald of gedeeltelijk betaald verlof zijn. De
                    verlofregeling regelt de verloffaciliteiten in hun onderlinge samenhang en geeft
                    de ambtenaar aanspraken op verlof met inachtneming van een aantal restricties
                    met het oog op de bedrijfsvoering. De regeling biedt daarmee een goed evenwicht
                    tussen de belangen van de individuele ambtenaar en die van de organisatie. De
                    ambtenaar heeft met deze regeling goede mogelijkheden om arbeid en privéleven
                    met elkaar te combineren, enerzijds door vakantieverlof waarover hij binnen de
                    grenzen van het dienstbelang vrij kan beschikken en anderzijds door een aantal
                    specifieke bepalingen van buitengewoon verlof.</al><al>Daarnaast zijn er binnen randvoorwaarden keuzemogelijkheden om meer of minder te
                    gaan werken. De ambtenaar is mede verantwoordelijk voor een goede afstemming
                    tussen privébelangen en organisatiebelangen.</al><al>Het management zal zoveel mogelijk rekening moeten houden met de individuele
                    verlofwensen van zijn ambtenaren. Hij is echter tevens verantwoordelijk voor een
                    zodanige sturing van de verlofopname dat de continuïteit van de werkzaamheden is
                    gewaarborgd en dat verlofstuwmeren worden voorkomen. De regeling biedt het
                    management in samenhang met andere P&amp;O-instrumenten de middelen voor een
                    planmatige aanpak.</al><al><vet>Wet arbeid en zorg </vet></al><al>Sinds 1 december 2001 geldt de Wet arbeid en zorg voor alle werknemers bij de
                    overheid en in de marktsector. Deze wet bevat een samenhangend systeem van
                    verlofregelingen met de daarbij behorende financiering. In deze wet zijn onder
                    meer de volgende verlofregelingen opgenomen: - (gedeeltelijk) betaald kortdurend
                    zorgverlof en onbetaald langdurend zorgverlof - onbetaald ouderschapsverlof -
                    betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof - betaald adoptieverlof - betaald
                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof.</al><al>Naast deze wettelijke bepalingen zijn er ook (rechtspositionele)
                    verlofbepalingen opgenomen in paragraaf 3 van hoofdstuk D van de CAP. Het is van
                    belang dat er helderheid bestaat over de verhouding tussen de wettelijke en
                    rechtspositionele verlofregelingen. Daarop wordt hieronder ingegaan.</al><al>Zorgverlof</al><al>De Wet arbeid en zorg kent twee vormen van zorgverlof, te weten het kortdurend
                    en het langdurend zorgverlof.</al><al>Er bestaat een (geclausuleerd) recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging
                    i.v.m. ziekte van de levenspartner, (inwonende) kinderen en andere
                    bloedverwanten in de eerste graad. Het verlof geldt voor een periode van
                    maximaal 2 werkweken. In die verlofperiode bestaat het wettelijke recht op
                    doorbetaling van 70% van het (maximumdag)loon, maar ten minste op het
                    minimumloon. Op grond van artikel D.12, vierde lid, van de CAP wordt dit
                    aangevuld tot 100% van de bezoldiging. Het kortdurend zorgverlof mag alleen
                    worden geweigerd als er een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is dat
                    het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en
                    billijkheid moet wijken.</al><al>Recht op langdurend zorgverlof bestaat voor de verzorging van zijn of haar
                    levenspartner, kinderen en bloedverwanten in de eerste graad die
                    levensbedreigend ziek zijn. Het gaat hier om onbetaald deeltijdverlof van
                    maximaal de helft van de arbeidsduur per week over maximaal 12 weken. Voor een
                    voltijdwerker bedraagt het onbetaald langdurend zorgverlof derhalve maximaal 216
                    uur. Het verlof kan op verzoek van de werknemer worden gespreid over een kortere
                    of langere periode, maar maximaal over een periode van 18 weken. Ook dit verlof
                    kan alleen worden geweigerd als daartegen een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang bestaat dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven
                    van redelijkheid en billijkheid moet wijken.</al><al>Voor kinderen tot 8 jaar heeft de werknemer als ouder op grond van de Wet arbeid
                    en zorg recht op ouderschapsverlof. Het betreft hier onbetaald deeltijdverlof
                    van ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week over maximaal 12 maanden.
                    Voor een voltijdwerker bedraagt het ouderschapsverlof derhalve maximaal 936 uur.
                    Het verlof kan op verzoek van de werknemer over een langere of kortere periode
                    worden gespreid. Het ouderschapsverlof kan desgewenst in maximaal zes delen
                    worden opgenomen. Elk deel van het ouderschapsverlof moet minimaal één maand
                    duren. op grond van de levensloopregeling kan voor het onbetaald
                    ouderschapsverlof levensloopsaldo worden opgenomen.</al><al>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>De regeling van artikel D.11 van de CAP is volledig afgestemd op de wettelijke
                    regeling. Het extra t.o.v. de wettelijke regeling is dat de wettelijke uitkering
                    (het dagloon) wordt aangevuld tot 100% van de bezoldiging. Dat is van belang als
                    de bezoldiging uitkomt boven het maximum dagloon.</al><al>Adoptieverlof</al><al>De in artikel D.12, derde lid, van de CAP opgenomen regeling is een aanvulling
                    op het wettelijk adoptieverlof in die zin dat wordt geregeld dat de wettelijke
                    uitkering bij het adoptieverlof (het dagloon) steeds wordt aangevuld tot 100%
                    van de bezoldiging. Dat is van belang als de bezoldiging uitkomt boven het
                    maximum dagloon.</al><al>Calamiteiten- en kort verzuimverlof </al><al>In de Wet arbeid en zorg is het recht geregeld op kort betaald verlof wegens
                    uitoefening van het actief kiesrecht, ter voldoening aan een wettelijke
                    verplichting, bij overlijden van bloed- en aanverwanten en bij bevalling van de
                    levenspartner (de dag van de bevalling en twee dagen kraamverlof). In aanvulling
                    hierop is in artikel D.12 van de CAP geregeld: kort betaald calamiteitenverlof
                    en verlof (1 dag) voor het eigen huwelijk/geregistreerd partnerschap. Ook is in
                    artikel D.12 van de CAP het verlof bij overlijden nader ingevuld (4 resp. 2
                    dagen).</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel D.1 Arbeidsduur</vet></al><al>Dit artikel bevat de verplichting voor Gedeputeerde Staten om de arbeidsduur per
                    jaar voor het personeel vast te stellen aan de hand van het actuele
                    SPA-akkoord.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1997 is de voltijd arbeidsduur per jaar vastgesteld
                    volgens de formule: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal
                    zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen,
                    vermenigvuldigd met 7,2 (arbeidsduur per dag). De gemiddelde werkweek is hiermee
                    rekenkundig van 38 uur teruggebracht tot 36 uur. In het derde lid is aangegeven
                    welke dagen als feestdagen worden aangemerkt. De 5e mei is dat eens in de vijf
                    jaar, in lustrumjaren. Het SPA-akkoord is bindend voor alle provincies. De
                    berekening van de arbeidsduur moet voor elk kalenderjaar opnieuw plaatsvinden.
                    Feitelijk is de arbeidsduur niet elk jaar gelijk. Dat komt doordat het aantal
                    feestdagen, dat op een doordeweekse dag valt, jaarlijks kan verschillen en als
                    gevolg van de vierjaarlijkse schrikkeldag.</al><al>De arbeidsduur van deeltijders wordt naar rato vastgesteld. Deeltijders met een
                    zelfde deeltijdfactor zullen op jaarbasis ook een gelijke arbeidsduur moeten
                    hebben. Of dat ook daadwerkelijk zo is, is mede afhankelijk van de dagen waarop
                    wordt gewerkt. Zo zullen bijvoorbeeld deeltijders die op maandag werken,
                    profiteren van feestdagen als tweede paasdag en tweede pinksterdag. Deeltijders
                    die op maandag niet werken, profiteren daarvan niet. Uit een oogpunt van gelijke
                    rechtsbedeling zal gezorgd moeten worden voor een zodanige vastlegging van de
                    concrete werktijden in een kalenderjaar dat deeltijders per saldo ook
                    daadwerkelijk evenveel arbeidsuren hebben.</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat de individuele (zittende of nieuw in dienst
                    tredende) ambtenaar en zijn leidinggevende kunnen afspreken dat de ambtenaar
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week gaat werken. Daarbij geldt een bovengrens van
                    40 uur per week. De normwerkweek van 36 uur blijft ongewijzigd. De afspraken om
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week te werken, kunnen voor een bepaalde periode
                    worden gemaakt, maar ook voor onbepaalde tijd. Het betreft een geclausuleerd
                    recht van de ambtenaar: een verzoek om meer dan gemiddeld 36 uur per week te
                    werken wordt ingewilligd als er geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                    zijn die zich daartegen verzetten. Er is sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang als een en ander leidt tot ernstige problemen: - van financiële of
                    organisatorische aard; - wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk; of
                    - omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
                    ontoereikend is.</al><al>Het betreft hier geen limitatieve opsomming. Ook ernstige schade aan andere
                    economische, technische of operationele belangen kan reden zijn om een
                    arbeidsduur van meer dan gemiddeld 36 uur per week niet toe te staan.
                    Voorbeelden van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zijn ook: -
                    schadelijkheid voor de gezondheid (bijv. bij een hoge verzuimfrequentie); - bij
                    oneigenlijk gebruik (bijv. wanneer de ambtenaar gedeeltelijk of volledig
                    arbeidsongeschikt is); - bij disfunctioneren van de ambtenaar, waarbij
                    voorwaarde is dat betrokkene op de hoogte is van de ontevredenheid over zijn
                    functioneren en daarover een behoorlijk gedocumenteerd dossier is
                    bijgehouden.</al><al>De uitbreiding van de arbeidsduur leidt tot een verhoging naar rato van een
                    aantal rechtspositionele voorzieningen. Daarbij gaat het om voorzieningen
                    waarvan het niveau afhankelijk is van de arbeidsduur, dus in alle gevallen
                    waarin ook de voorzieningen van deeltijders naar rato zijn bepaald. Te noemen
                    zijn o.a. het salaris, en het IKB, maar ook de loondoorbetaling bij ziekte. Er
                    zijn ook gevolgen voor de toepassing van de sociale verzekeringswetten zoals de
                    Werkloosheidswet en de WIA. Voor het pensioen wordt betrokkene gezien als een
                    deeltijder met een deeltijdfactor groter dan 1. Dat leidt tot een evenredige
                    verhoging van het pensioen en van de verschuldigde premie daarvoor. </al><al><vet>Artikel D.2 Werktijdenregelingen</vet></al><al>Elke ambtenaar werkt volgens een werktijdenregeling. De CAP bepaalt dat
                    Gedeputeerde Staten werktijdenregelingen vaststellen. De concrete invulling
                    daarvan is een lokale aangelegenheid, omdat het hier gaat om de bedrijfsvoering
                    van de lokale organisatie.</al><al>Wel is in het eerste tot en met derde lid aangegeven dat het moet gaan om
                    minimaal een algemene werktijdenregeling (vast te stellen door Gedeputeerde
                    Staten, nadat de bestuurder de vereiste instemming van de OR heeft verkregen) en
                    dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om voor bepaalde organisatieonderdelen en
                    bepaalde groepen functies een bijzondere werktijdenregeling te treffen.
                    Tenslotte kan voor iedere ambtenaar afzonderlijk desgewenst een individuele
                    werktijdenregeling worden getroffen. Deze laatste kan dan het kenmerk van een
                    spaarregeling hebben, waarbij de voor de desbetreffende ambtenaar geldende
                    arbeidsduur per jaar wordt overschreden en de extra arbeidsduur in daarop
                    volgende jaren in verlof wordt opgenomen.</al><al>Het vierde lid stelt als randvoorwaarde bij de werktijdenregeling, dat een
                    zorgvuldige afweging van organisatiebelang en individueel belang plaatsvindt aan
                    de hand van de gegeven criteria. Het organisatiebelang kan soms eisen dat de
                    ambtenaar tijdelijk arbeid verricht buiten het individueel bepaalde
                    arbeidspatroon of zich dan beschikbaar houdt voor arbeid. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid.</al><al>In de Arbeidstijdenwet en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regelingen zijn
                    de wettelijke grenzen van de werk- en rusttijden dwingendrechtelijk geregeld.
                    Bovendien is in deze wet afdoende geregeld dat de uitoefening van bepaalde
                    grondrechten die in relatie staan tot het werk (bijv. het voldoen aan
                    godsdienstige verplichtingen tijdens het werk) ongestoord kan plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</vet></al><al>Het provinciebestuur bepaalt of en wanneer de provinciale dienst collectief
                    gesloten is. Met instemming van de OR kunnen maximaal 7 collectieve roostervrije
                    dagen voor rekening van de ambtenaar worden aangewezen.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat 5 mei (zonder nadere aanwijzing door het
                    provinciale bestuur) van rechtswege in alle provincies een collectieve
                    roostervrije dag is voor rekening van de ambtenaar. Uiteraard voor zover 5 mei
                    op een werkdag valt. En niet eens in de 5 jaren is aangemerkt als feestdag (zie
                    artikel D.1, derde lid). Over deze collectieve roostervrije dag hoeft geen
                    overleg met de OR te worden gevoerd. Op deze wijze is geregeld dat 5 mei altijd
                    een vrije dag is: hetzij een vrije dag in het weekend, hetzij een (doordeweekse)
                    feestdag voor rekening van de werkgever, hetzij een (doordeweekse) collectieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar. Het tweede lid is een
                    aanvulling op het eerste lid: ook in jaren dat 5 mei een collectieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar is, kunnen Gedeputeerde Staten
                    maximaal 7 (andere) werkdagen als collectieve roostervrije dag aanwijzen. Het
                    totaal aantal collectieve roostervrije dagen kan in die jaren dan maximaal 8
                    werkdagen bedragen (7 dagen, aangewezen op grond van het eerste lid, en 5 mei
                    als 8e dag van rechtswege ingevolge het tweede lid).</al><al>De collectieve roostervrije dagen kunnen niet ten laste van het vakantieverlof
                    worden gebracht.</al><al><vet>Artikel D.4 Werktijdvermindering oudere ambtenar</vet></al><al>Dit lid bevat een (ongeclausuleerd) recht voor de oudere ambtenaar (vanaf de
                    leeftijd van 55 jaar) om te worden vrijgesteld van continudiensten in de
                    nachturen. Betrokkene heeft in dat geval recht op de afbouwregeling toelage
                    onregelmatige dienst die is opgenomen in artikel C.13.</al><al><vet>Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof </vet></al><al>In artikel D.5 is het recht op vakantieverlof geregeld. Het vakantieverlof is
                    uitgedrukt in uren en bedraagt voor iedere fulltime ambtenaar 144 uur per
                    kalenderjaar. Leeftijd en salaris van de ambtenaar zijn daarbij niet relevant.
                    De omvang van het dienstverband is wel relevant: het vakantieverlof van
                    deeltijdwerkers wordt naar rato bepaald. Aanstelling of ontslag halverwege het
                    kalenderjaar heeft uiteraard gevolgen voor de berekening van de aanspraken. Die
                    worden bepaald naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in het
                    betreffende kalenderjaar. Als de arbeidsduur van de ambtenaar wordt aangepast,
                    worden de aanspraken op vakantieverlof evenzo aangepast. Daarbij blijven de
                    bestaande aanspraken over de daaraan voorafgaande periode vanzelfsprekend
                    gehandhaafd. Alleen over het resterende deel van het kalenderjaar vindt in dat
                    geval een herberekening plaats.</al><al>Het vakantieverlof is gelijk aan het wettelijk minimum aan vakantieverlof dat
                    voor werknemers in de marktsector is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Dat is
                    4 weken, namelijk viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week, ofwel voor
                    fulltimers bij de provincies (4 x 36 =) 144 uren per kalenderjaar. Uit het IKB
                    kan de ambtenaar extra vakantieverlof kopen (voor fulltimers maximaal 144 uren
                    per kalenderjaar). Op dit extra vakantieverlof zijn de bepalingen inzake
                    vakantieverlof (artikelen D.5 t/m D.9) van overeenkomstige toepassing, met
                    uitzondering van de bepaling over het vervallen van niet opgenomen
                    vakantieverlof (zie toelichting bij artikel D.6). Dit wettelijk vakantieverlof
                    mag niet verkocht worden.</al><al><vet>Artikel D.6 Vermindering en verval van aanspraak op
                    vakantieverlof</vet></al><al>Het vakantieverlof wordt gedurende het kalenderjaar opgebouwd. Dit opbouwsysteem
                    houdt in dat in beginsel uitsluitend vakantieverlof wordt opgebouwd over
                    gewerkte tijd. Over kalendermaanden waarin de ambtenaar geen arbeid verricht
                    heeft hij geen recht op vakantieverlof. Over kalendermaanden waarin gedeeltelijk
                    arbeid wordt verricht bestaat slechts aanspraak op vakantieverlof naar
                    evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop daadwerkelijk arbeid is
                    verricht. Dit betekent dat indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid is
                    verricht, bijvoorbeeld wegens non-activiteit, ouderschapsverlof of schorsing, de
                    aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid wordt verminderd. Deze hoofdregel
                    is neergelegd in het eerste lid. Het tweede lid bevat de uitzonderingen op de
                    hoofdregel.</al><al>Zieke ambtenaren bouwen evenveel vakantieverlof op als gezonde ambtenaren. Zij
                    krijgen daardoor, overeenkomstig de Europese jurisprudentie, ook het recht op
                    minimaal 4 weken vakantieverlof.</al><al>Het vierde lid bevat een vervaltermijn van 12 maanden voor het vakantieverlof.
                    Die moet ervoor zorgen dat alle ambtenaren binnen 12 maanden na afloop van het
                    kalenderjaar waarin de vakantieaanspraak is ontstaan, hun (resterende)
                    vakantieaanspraken effectueren. Deze vervaltermijn bevordert dat alle ambtenaren
                    in het belang van hun veiligheid en gezondheid daadwerkelijk met regelmaat en
                    tijdig recupereren door elk jaar weer minimaal 4 weken vrij te zijn. De
                    vervaltermijn geldt ook voor (langdurig) zieke ambtenaren. Ook voor hen heeft
                    opname van vakantieverlof een recuperatiefunctie, namelijk herstellen of
                    uitrusten van de activiteiten die hun re-integratieplicht met zich brengt.</al><al>Er zijn situaties denkbaar dat de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is
                    geweest om het vakantieverlof op te nemen. Dat kan zijn door toedoen van de
                    werkgever, in het belang van de dienst. Bij een zieke ambtenaar zal dat
                    bijvoorbeeld spelen als die om medische redenen niet in staat is geweest tot
                    re-integratie-activiteiten. De vervaltermijn van 12 maanden geldt in die
                    situaties niet.</al><al>Het vijfde lid bevat een vervaltermijn van 5 jaren. Die geldt voor het
                    vakantieverlof dat de ambtenaar redelijkerwijs niet heeft kunnen opnemen binnen
                    12 maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het is ontstaan. De
                    vervaltermijn van 5 jaren geldt ook voor het extra (vakantie)verlof waarvoor de
                    ambtenaar IKB heeft ingezet.</al><al><vet>Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof </vet></al><al>De ambtenaar mag zoveel mogelijk naar eigen wens beschikken over zijn
                    vakantieverlof. Er geldt de algemene restrictie dat het dienstbelang zich kan
                    verzetten tegen opname van vakantieverlof.</al><al>In samenhang met de vervaltermijn van 12 maanden geldt de verplichting voor de
                    werkgever om de ambtenaar in de gelegenheid te stellen in ieder geval steeds in
                    het betreffende jaar zijn vakantieverlof op te nemen. Dat is in het derde lid
                    geregeld. Die verplichting geldt zowel jegens gezonde als zieke ambtenaren. Er
                    ligt ook een eigen verantwoordelijkheid bij de ambtenaar om het vakantieverlof
                    steeds tijdig op te nemen. Die is terug te vinden in het tweede lid.</al><al>Als er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn is het mogelijk reeds
                    toegekend vakantieverlof in te trekken, eventueel zelfs tijdens de vakantie. In
                    dat geval moet geleden geldelijke schade worden vergoed.</al><al><vet>Artikel D.8 Vakantieverlof en ziekte</vet></al><al>In het eerste lid is nog eens duidelijk vastgelegd dat ook zieke ambtenaren het
                    recht hebben om vakantieverlof op te nemen. Dat speelt uiteraard alleen in
                    situaties waarin zij medisch gezien daartoe redelijkerwijs in staat zijn. Dat
                    zal bijvoorbeeld het geval zijn bij zieke ambtenaren die in een
                    re-integratietraject zitten. Vakantieverlof betekent in dat geval dat de
                    ambtenaar in de vakantieperiode is vrijgesteld van de afgesproken
                    re-integratieactiviteiten. De ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk werkt zal
                    voor de volle arbeidsduur vakantieverlof moet opnemen. De ambtenaar die
                    bijvoorbeeld in de ochtend werkt en in de middag wegens ziekte niet werkt zal
                    een volle dag vakantieverlof moeten opnemen.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat de ambtenaar die aannemelijk kan maken dat
                    hij tijdens vakantieverlof ziek was, de uren van vakantieverlof waarin hij ziek
                    was terugkrijgt.</al><al><vet>Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband </vet></al><al>In dit artikel is de afkoop geregeld bij einde van het dienstverband. Afkoop
                    geldt voor vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen opnemen. Hoofdregel
                    is dat het verlof vóór de datum van ontslag wordt opgenomen. Kan dat niet dan
                    kan dit verlof worden afgekocht. Betreft het afkoop van vakantieverlof ingeval
                    van overlijden dan wordt het afkoopbedrag uitbetaald aan de nagelaten
                    betrekkingen.</al><al>Tegenover de uitbetaling van vakantieverlof staat dat de ambtenaar een
                    vergoeding verschuldigd is voor teveel genoten vakantieverlof. Dat is geregeld
                    in het vierde lid.</al><al><vet>Artikelen D.10 Levensloopregeling </vet></al><al>In artikel D.10 is de grondslag opgenomen voor de levensloopregeling die vanaf 1
                    januari 2006 is vastgesteld.</al><al><vet>Artikel D.11 Zwangerschaps- en bevallingsverlof </vet></al><al>In de Wet Arbeid en Zorg is een wettelijk recht op (overdracht van)
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geregeld. De bepaling van artikel D.11 van de
                    CAP is hiermee in overeenstemming. De Wet Arbeid en Zorg geeft de vrouwelijke
                    ambtenaar een wettelijk recht op een uitkering gedurende het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Die uitkering bedraagt 100% van het (gemaximeerde) dagloon.
                    Artikel D.11 van de CAP geeft daarnaast de vrouwelijke werknemer recht op
                    doorbetaling van de volle bezoldiging gedurende het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In artikel D.11, derde lid, van de CAP is een
                    anticumulatiebepaling opgenomen: de uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg
                    wordt in mindering gebracht op de bezoldiging. Als de ambtenaar tijdens het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geen uitkering op grond van de Wet arbeid en
                    zorg geniet omdat ze heeft nagelaten die (tijdig) aan te vragen, wordt de
                    fictieve uikering op de bezoldiging in mindering gebracht. Het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof wordt voor de toepassing van de rechtspositieregelingen niet
                    gelijk gesteld met verhindering wegens ziekte.</al><al><vet>Artikel D.12, D.13 en D.15 Buitengewoon verlof</vet></al><al>In de artikelen D.12 en D.13 is het kortdurend buitengewoon verlof geregeld voor
                    vakbondsactiviteiten en om andere redenen. Het betreft betaald verlof dat wordt
                    verleend, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Op het kortdurend
                    zorgverlof (lid 2 van artikel D.12) zijn verder de bepalingen in de Wet Arbeid
                    en Zorgvan toepassing. Op het verlof zoals bedoeld in lid 3 van artikel D.12
                    zijn verder de bepalingen in de Wet Arbeid en Zorgvan toepassing.</al><al><vet>Artikel D.14 Non-activiteit </vet></al><al>De non-activiteit c.q. het verlof zelf is in de Ambtenarenwet geregeld. In dit
                    artikel worden de gevolgen voor de bezoldiging geregeld.</al><al><vet>Artikel D.16 en D.17 Onbepaald verlof</vet></al><al>In de artikelen D.16 en D.17 is het recht op langdurend onbetaald verlof
                    opgenomen. Het betreft een geclausuleerd recht op onbetaald volledig verlof of
                    onbetaald deeltijdverlof. Het verlof is niet doel-gebonden en heeft een
                    tijdelijk karakter. Het kan worden geweigerd als het belang van de dienst zich
                    daartegen verzet. Voor het onbetaald ouderschapsverlof en het onbetaald
                    langdurend zorgverlof gelden de bepalingen ter zake in de Wet arbeid en
                    zorg.</al><al>De aanvraag dient met het oog op te treffen organisatorische maatregelen
                    minimaal drie maanden tevoren worden ingediend. Bij ziekte en andere onvoorziene
                    omstandigheden wordt, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet,
                    op verzoek van de ambtenaar het verlof niet opgenomen of vanaf vier weken na het
                    verzoek niet voortgezet als het verlof al is aangevangen. Het resterende verlof
                    vervalt in dat geval. Een vergelijkbare bepaling komt voor in de Wet arbeid en
                    zorg. Deze mogelijkheid bestaat niet bij onbetaald verlof, direct voorafgaand
                    aan pensionering met het oog op vervroegde uittreding. Bij samenloop met
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het onbetaald verlof opgeschort. De
                    periode van de eerste 6 maanden van onbetaald verlof zoals bedoeld in het vierde
                    lid van artikel D.17 hoeft niet aaneengesloten te zijn en kan over de jaargrens
                    heenlopen. Het gaat daarbij om de periode(s) die binnen een periode van 12
                    maanden na start van de eerste periode vallen. </al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK E</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Gezondheid en arbeidsomstandigheden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een
                    doeltreffend ziekteverzuimbeleid begint met een goed (preventief)
                    arbeidsomstandighedenbeleid.</al><al>De provinciale werkgever is voor het beleid met betrekking tot
                    arbeidsomstandigheden gebonden aan de doelstellingen en verplichtingen, die zijn
                    geformuleerd in de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit,
                    de Arbeidsomstandighedenregeling en de Beleidsregels
                    arbeidsomstandighedenwetgeving.</al><al>Het Arbeidsomstandighedenbesluit en in mindere mate de
                    Arbeidsomstandighedenregeling bestaan uit een stelsel van regels die op tal van
                    punten globaal van aard zijn. Een aantal van deze globale regels is nader
                    ingevuld via de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze beleidsregels
                    vormen een uitleg door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De
                    beleidsregels zijn niet bindend. Er wordt echter van uitgegaan, dat de
                    Arbeidsomstandighedenwetgeving op een juiste wijze wordt nageleefd, indien de
                    beleidsregels als uitgangspunt voor de praktijk worden genomen.</al><al>De arbeidsomstandighedenwetgeving geeft dus op de meeste aspecten van de
                    arbeidsomstandigheden concrete handvatten voor de werkgever en de ambtenaren.
                    Omdat het arbeidsomstandighedenbeleid een integraal onderdeel van de
                    bedrijfsvoering behoort te zijn, ligt de primaire verantwoordelijkheid hiervoor
                    bij elke provincie afzonderlijk. De Wet op de ondernemingsraden (Wor) legt op
                    dit terrein een belangrijke taak bij de OR. Een aantal zaken wordt echter voor
                    de sector provincies als geheel op uniforme wijze geregeld. Het gaat daarbij om
                    een aantal rechtspositionele voorzieningen, zoals de medische
                    aanstellingskeuring en de verplichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Een
                    recht op een arbeidsgezondheidskundig onderzoek hoeft niet meer te worden
                    geregeld omdat dit al afdoende is geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.</al><al>Niet alleen via de arbowetgeving maar ook met maatregelen op het terrein van de
                    sociale zekerheid heeft de overheid in de afgelopen decennia een krachtige
                    inspanning geleverd om het ziekteverzuim en het arbeidsongeschiktheidsvolume
                    terug te dringen. Belangrijke wettelijke maatregelen zijn geweest de Wet
                    terugdringing ziekteverzuim, de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Wet premiedifferentiatie en marktwerking
                    (Pemba), de gedeeltelijke afschaffing van de Ziektewet, de Wet verbetering
                    poortwachter, de Wet verlenging loondoorbetaling bij ziekte en de vervanging van
                    de WAO door de WIA. Ook is de uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid, mede met
                    het oog op het terugdringen van het beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen, ingrijpend gewijzigd (Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen).</al><al>Naast een doeltreffend preventief beleid is van belang dat provincies een
                    optimale inspanning leveren om zieke ambtenaren weer snel in het arbeidsproces
                    te laten terugkeren. Ook daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de
                    door sociale partners geformuleerde doelstelling om het ziekteverzuim en de
                    instroom in de WIA terug te dringen. Het gaat hier om een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid en een gezamenlijke inspanning van werkgever en werknemer.
                    Daartoe is een evenwichtig stelsel van rechten en plichten voor ambtenaar en
                    werkgever ontwikkeld dat voortvloeit uit wettelijke voorschriften, zoals die
                    bijv. zijn neergelegd in de Wet verbetering poortwachter, en uit nadere
                    afspraken tussen partijen in het SPA. Zo zijn in artikel E.7 de
                    re-integratieverplichtingen van de werkgever en de (zieke) ambtenaar vastgelegd
                    en is in artikel E.9 geregeld dat de ambtenaar in beginsel niet in de eerste
                    twee jaren van verhindering wegens ziekte om die reden kan worden
                    ontslagen.</al><al>Sancties voor werkgever en zieke ambtenaar wegens het niet nakomen van de
                    reïïntegratieverplichtingen zijn wettelijk geregeld in de WIA en
                    rechtspositioneel in de CAP (artikel B.9, onderdeel o, juncto artikel E.16) en
                    in een aparte sectorale uitvoeringsregeling. Daarbij gaat het bij de werkgever
                    bijvoorbeeld om een verlenging van de WIA-wachttijd onder handhaving van de
                    doorbetalingsplicht van de (gehele of gedeeltelijke) bezoldiging en het
                    ontslagverbod wegens ziekte ook na de genoemde 2 jaren. Sancties voor de
                    ambtenaar zijn onder meer weigering van de WIA-uitkering, stopzetting van de
                    loondoorbetaling en ontslag ook binnen genoemde periode van twee jaren van
                    verhindering wegens ziekte.</al><al>In hoofdstuk E worden drie aspecten geregeld t.a.v. gezondheid en
                    arbeidsomstandigheden, t.w.: 1.Preventieve zorg, waaronder begrepen de medische
                    keuringen. De desbetreffende artikelen geven een aanvulling op hetgeen reeds
                    geregeld is in en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de Wet op de
                    medische keuringen en het Protocol Aanstellingskeuringen 1995. 2.Curatieve zorg,
                    die is gericht op terugkeer van de zieke ambtenaar in het arbeidsproces, met
                    naast rechten ook verplichtingen en sancties voor werkgever en werknemer. Een en
                    ander is voor een belangrijk deel nader geregeld in een afzonderlijke sectorale
                    uitvoeringsregeling. 3.Een collectieve overeenkomst met een of meer
                    zorgverzekeraars waarin premiekortingen zijn geregeld en een aanvullende
                    tegemoetkoming in de ziektekosten.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel E.1 Algemene bepalingen </vet></al><al>Gedeputeerde Staten moeten een overeenkomst met een arbodienst sluiten. Het gaat
                    daarbij om de wettelijk voorgeschreven taken op het gebied van de bescherming
                    bij de arbeid.</al><al>Ten aanzien van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de verzuimbegeleiding, geeft dit
                    hoofdstuk geen nadere voorschriften. Dit is een aangelegenheid die gedeputeerde
                    staten met instemming van de OR nader dienen te regelen. Daaronder vallen met
                    name de verplichtingen en procedures inzake de ziek- en herstelmeldingen, maar
                    ook bijvoorbeeld de invulling van de taken van de bedrijfsarts en de eventuele
                    afspraken in het kader van de vrijwillige periodieke arbeidsgezondheidskundige
                    onderzoeken.</al><al><vet>Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging </vet></al><al>De Wet op de medische keuringen een aanvullend het Protocol
                    Aanstellingskeuringen van de KNMG stellen regels ten aanzien van de
                    aanstellingskeuring.</al><al>In het kort gezegd is een aanstellingskeuring alleen toegestaan voor zover deze
                    betrekking heeft op een onderzoek naar de medische geschiktheid in verband met
                    de uitoefening van de functie. Het doel van de aanstellingskeuring is om een
                    oordeel te geven over de belastbaarheid van de keurling op het moment van de
                    keuring. Bij de beoordeling zal daarnaast het voorkomen van schade voor de
                    gezondheid, de bescherming van de veiligheid van de keurling, alsmede de
                    veiligheid van derden bij de uitvoering van de betreffende arbeid worden
                    betrokken.</al><al>Een medische keuring bij aanstelling of functiewijziging vindt slechts plaats
                    voor functies, die voorkomen op de in overleg met de OR vast te stellen
                    functielijst. Het betreffen dan functies, waarbij een keuring wettelijk is
                    verplicht of waarbij Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat aan de functie
                    bijzondere eisen van medische geschiktheid moeten worden gesteld. Als basis voor
                    het opstellen van een functielijst kan een risico-inventarisatie dienen. Zodra
                    de lijst is vastgesteld, dient een vertaling van specifieke functie-eisen in
                    medische termen te worden gemaakt, zodat de medische keuring ook daadwerkelijk
                    en gericht kan plaatsvinden. De Arbo-dienst zal de werkgever daarbij behulpzaam
                    kunnen zijn.</al><al>Overeenkomstig het Protocol Aanstellingskeuringen vindt een aanstellingskeuring
                    niet eerder plaats dan nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid
                    hebben plaatsgevonden en de werkgever op grond daarvan voornemens is de
                    sollicitant aan te stellen.</al><al>Ingevolge de Wet op de medische keuringen heeft de belanghebbende bij een
                    ongunstige uitslag recht op een herkeuring. Deze herkeuring dient hij bij
                    Gedeputeerde Staten aan te vragen binnen een week nadat de uitslag aan hem
                    bekend is gemaakt. Conform het Protocol Aanstellingskeuringen komen de kosten
                    van herkeuring ten laste van de provincie.</al><al><vet>Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige
                        onderzoeken </vet></al><al>De aanstellingskeuring heeft betrekking op een onderzoek naar de medische
                    geschiktheid in verband met de uitoefening van de functie. Het is niet meer dan
                    logisch - en in een aantal gevallen zelfs wettelijk verplicht - dat dit
                    onderzoek in de loop van de uitoefening van de functie met een zekere regelmaat
                    wordt herhaald. Bij dit (vervolg)onderzoek gaat het om de vraag of de gezondheid
                    van de ambtenaar door zijn arbeid ongunstig is beïïnvloed of dat de ambtenaar
                    door zijn arbeid een onverantwoord gezondheidsrisico loopt. Een negatieve
                    uitkomst van een dergelijk onderzoek betekent dat maatregelen genomen moeten
                    worden. Deze kunnen betrekking hebben op een verbetering van de
                    arbeidsomstandigheden maar bijvoorbeeld ook op het plaatsen van de ambtenaar in
                    een andere functie.</al><al><vet>Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken
                    </vet></al><al>De zieke ambtenaar is verplicht in het kader van zijn herstel en reïïntegratie
                    mee te werken aan arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Dit artikel geeft
                    Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om de ambtenaar in een aantal situaties te
                    verplichten mee te werken aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.</al><al>Indien Gedeputeerde Staten naar hun oordeel gegronde redenen hebben om te
                    twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar, zal dit gebaseerd
                    moeten zijn op bepaalde feiten of omstandigheden, zoals het gedrag van de
                    ambtenaar of een medische verklaring.</al><al>Indien zij gegronde twijfel hebben aan de volledige geschiktheid van de
                    ambtenaar voor het verrichten van zijn arbeid, kunnen Gedeputeerde Staten hem
                    aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek onderwerpen.Met name bij een
                    voornemen tot ongeschiktheidsontslag anders dan wegens ziekte (artikel B.9, sub
                    h) zal, bij voldoende grond voor vermoeden van een medische oorzaak, een
                    dergelijk onderzoek moeten worden ingesteld. Als uit onderzoek naar voren komt
                    dat er medische oorzaken zijn voor de ongeschiktheid, is het in het belang van
                    de gezondheid van betrokkene om snel in goed overleg met hem zonder zware
                    procedures te zoeken naar ander werk. Daarbij is onder meer artikel E.7 van
                    toepassing.</al><al><vet>Artikel E.5 Medisch advies</vet></al><al>Op grond van de artikelen E.3 en E.4 verricht de arbodienst verplichte
                    periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken en individueel
                    gerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken in het kader van herstel en
                    re-ïntegratie van de zieke ambtenaar en brengt de arbodienst op basis van het
                    onderzoek een medisch advies uit. In een drietal situaties kunnen de ambtenaar
                    en de werkgever (gezamenlijk of apart) een deskundigenoordeel van het UWV
                    vragen. Het betreft: - een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot
                    werken indien werknemer en werkgever daarover een geschil hebben; - een oordeel
                    over de aanwezigheid van passende arbeid die de werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten; - een oordeel over de vraag of de werkgever t.a.v. zijn
                    zieke werknemer voldoende en geschikte re-ïntegratie-inspanningen heeft
                    verricht.</al><al>De kostenverdeling voor het deskundigenoordeel is geregeld in artikel 32a Wet
                    SUWI.</al><al><vet>Artikel E.6 Buitendienststelling </vet></al><al>Dit artikel biedt een instrument om de ambtenaar die zich niet ziek heeft
                    gemeld, naar huis te sturen. Indien uit een medisch onderzoek, als bedoeld in de
                    artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de geestelijke of lichamelijke toestand waarin
                    de ambtenaar verkeert een gevaar voor zijn eigen gezondheid of veiligheid of die
                    van derden betekent, kunnen Gedeputeerde Staten hem buiten dienst stellen.</al><al>De ambtenaar hoeft uiteraard niet buiten dienst te worden gesteld, indien hij
                    kan worden belast met andere passende werkzaamheden. In dat geval wordt hij
                    ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn eigen werkzaamheden, maar niet om
                    tijdelijk ander passend werk te doen.</al><al><vet>Artikel E.7 Re-integratie van zieke ambtenaren </vet></al><al>In dit artikel zijn re-integratieverplichtingen overgenomen van werkgever en
                    werknemer zoals die voor de marktsector zijn neergelegd in de artikelen 7:658a
                    en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en wat betreft de verplichtingen voor de
                    overheidswerkgever in de vierde afdeling van de Ziektewet.</al><al>De werkgever en de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar zullen zich
                    maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat de betrokken ambtenaar meer dan 50%
                    van zijn restverdiencapaciteit benut. Getracht zal worden de bestaande
                    arbeidsplek en het werk binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid zo aan
                    te passen dat de arbeids-ongeschikte ambtenaar zijn functie naar behoren kan
                    blijven uitoefenen. Als dat niet mogelijk is zal naar een andere passende
                    functie worden gezocht.</al><al>Omwille van een succesvol herplaatsingproces kunnen aanvullende voorzieningen
                    zoals bijscholing noodzakelijk zijn. Van geval tot geval zal worden bezien welke
                    maatregelen dienen te worden getroffen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht
                    bij het instrumentarium voor flankerend beleid bij reorganisaties. Als
                    re-integratie ondanks alle inspanningen dreigt te mislukken zal de
                    A&amp;O-organisatie van de provincies worden gevraagd te adviseren over
                    instrumenten die kunnen leiden tot een oplossing.</al><al>In het vierde lid, onderdeel d, kan worden gedacht aan herbenoeming in dezelfde
                    functie voor minder uren of aan plaatsing bij een ander organisatieonderdeel in
                    dezelfde functie.</al><al><vet>Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid </vet></al><al>Dit artikel vormt de basis voor de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij
                    ziekte en arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet>Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid </vet></al><al>Artikel E.9 bepaalt dat een ambtenaar kan worden ontslagen op grond van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ingevolge het
                    eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, kan ontslag op deze grond plaatsvinden
                    als er sprake is van een ononderbroken periode van twee jaar ziekte en herstel
                    niet binnen zes maanden na die termijn is te verwachten.</al><al>Het ontslag kan alleen worden verleend als het na zorgvuldig onderzoek niet
                    mogelijk is gebleken de ambtenaar andere passende arbeid aan te bieden dan wel
                    indien de ambtenaar heeft geweigerd die arbeid te aanvaarden (onderdeel c van
                    het eerste lid). Dat wordt in het kader van de WIA-claimbeoordeling getoetst. De
                    WIA-claimbeoordeling start in week 87 als het UWV de ambtenaar een
                    aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt. Het UWV wijst de ambtenaar
                    dan op de mogelijkheden om tijdens het claimbeoordelingsproces stukken,
                    bevindingen e.d. van een eigen arts in te brengen en zich bij de keuring te
                    laten vertegenwoordigen of bijstaan door een derde, welke derde een door de
                    ambtenaar aan te wijzen arts kan zijn. Tussen week 87 en week 91 stellen
                    werkgever en ambtenaar gezamenlijk (in overleg met de bedrijfsarts of
                    arbodienst) het re-integratieverslag op. Het door UWV (als onderdeel van de
                    WIA-beschikking) beoordeelde re-integratieverslag is basis voor het oordeel van
                    de werkgever of hij heeft voldaan aan zijn in het eerste lid, onderdeel c,
                    voorgeschreven re-integratieverplichtingen. In week 91 stuurt de ambtenaar het
                    aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het re-integratieverslag. UWV
                    beoordeelt eerst de re-integratie-inspanningen van werkgever en ambtenaar. Als
                    die inspanningen voldoende zijn beoordeeld volgt de verdere claimbeoordeling.
                    UWV beoordeelt in dat kader de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel
                    van UWV ter zake (als onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het
                    oordeel van de werkgever of is voldaan aan de onderdelen a en b van het eerste
                    lid (ongeschiktheid voor het eigen werk en geen herstel binnen zes maanden
                    mogelijk). Met een positieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering is
                    voldaan aan de (drie) ontslagvoorwaarden van het eerste lid. De werkgever
                    onderbouwt het ontslagbesluit expliciet door naar de positieve WIA-beschikking
                    te verwijzen. Als UWV de aanvraag WIA-uitkering opschort wegens onvoldoende
                    re-integratie-inspanningen van de werkgever is niet voldaan aan de voorwaarden
                    voor ontslag. De werkgever kan dan niet op grond van dit artikel ontslag
                    verlenen. Bij een negatieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering die
                    is gebaseerd op onvoldoende medewerking van de ambtenaar kan ontslag worden
                    verleend op grond van artikel E.16.</al><al>Ambtenaren die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard hebben geen
                    recht op een WIA-uitkering. Zij blijven in beginsel ook na die twee jaar in
                    provinciale dienst. De werkgever en de betrokken ambtenaar zullen zich maximaal
                    inspannen voor een succesvolle re-integratie. Voor zover redelijkerwijze
                    mogelijk zullen de werkzaamheden en/of de voorwaarden waaronder die
                    werkzaamheden moeten worden verricht, op een zodanige wijze worden aangepast dat
                    er voor de betrokken ambtenaar weer sprake is van passende arbeid. Bij
                    arbeidsgeschiktheid voor minder uren zal het gaan om herplaatsing in dezelfde
                    (of andere passende) arbeid voor het mindere aantal uren. Als dat niet mogelijk
                    is zal worden gezocht naar andere passende arbeid binnen de provinciale
                    organisatie. Als re-integratie dreigt te mislukken zal de A&amp;O-organisatie
                    van de provincies worden gevraagd te adviseren over instrumenten die kunnen
                    leiden tot een oplossing. Ontslag van ambtenaren die voor minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt zijn is uitzondering en slechts mogelijk als er een
                    zwaarwegend dienstbelang aanwezig is. Het ontslag kan niet eerder worden
                    verleend dan na 1 jaar na het einde van de periode van 2 jaar ziekte. Bij
                    ontslag bestaat onder voorwaarden recht op een WW-uitkering.</al><al>De gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die bij de provincie zijn arbeid
                    voor minder uren blijft verrichten of andere passende arbeid voor minder uren
                    gaat verrichten kan slechts ontslag op grond van artikel E.9 worden verleend
                    voor het aantal uren verschil tussen oude en nieuwe arbeidsduur.</al><al>Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
                    Gemeenschappen is in het tweede lid bepaald dat afwezigheid van een vrouwelijke
                    ambtenaar gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het
                    einde van het bevallingsverlof wegens door de zwangerschap of bevalling
                    veroorzaakte ziekte niet mag meetellen bij de berekening van de periode van twee
                    jaar, waarna ontslag kan volgen. Een zwangerschap en een bevalling welke zonder
                    enige complicatie plaatsvindt, is geen ziekte. Derhalve kan afwezigheid tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof rechtens nimmer meetellen in de periode
                    van twee jaar. Ziekte, veroorzaakt door de zwangerschap of de bevalling na het
                    einde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof mag wel meetellen bij het
                    berekenen van de periode van twee jaar, waarna ontslag kan worden verleend.</al><al>Dat geldt ook voor ziekte vóór aanvang van de zwangerschap en voor ziekte
                    tijdens de zwangerschap of het bevallingsverlof, voor zover niet veroorzaakt
                    door de zwangerschap. Bij ziekte, veroorzaakt door de zwangerschap of bevalling
                    wordt gedurende de beschermde periode in feite een lopende periode van twee jaar
                    opgeschort.</al><al><vet>Artikel E.11</vet></al><al>Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet ingevoerd. Deze voorziet in een
                    verplichte ba-sisverzekering voor ziektekosten voor elke burger. De
                    basisverzekering kent een vast pakket met een verplicht eigen risico voor iedere
                    verzekerde. De zorgverzekeraar heeft voor de basisverzekering een
                    acceptatieplicht. Een ieder is vrij in de keuze van de zorgverzekeraar. De
                    verzekerde betaalt voor de basisverzekering een nominale premie die per
                    zorgverzekeraar verschilt. Daarnaast is men wettelijk een inkomensafhankelijke
                    premie verschuldigd die de werkgever moet inhouden op het loon en afdragen aan
                    de Belastingdienst. Tegelijk moet de werkgever de bijdrage vergoeden. De
                    vergoeding van de werkgever is onderworpen aan loonheffing, maar niet aan
                    premies werknemersverzekering. Per saldo betekent dit dat het bedrag van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage voor rekening van de werkgever komt en dat de
                    werknemer de loonheffing over dit bedrag moet betalen. Kinderen tot 18 jaar
                    betalen geen premie voor de basisverzekering.</al><al>Zorgverzekeraars bieden ook aanvullende verzekeringen aan. Anders dan de
                    basisverzekering gelden hiervoor geen verzekeringsplicht en geen
                    acceptatieplicht.</al><al>De Zorgverzekeringswet biedt in artikel 18 werkgevers de mogelijkheid om een
                    collec-tieve overeenkomst voor het personeel en zijn gezinsleden af te sluiten
                    met een of meer zorgverzekeraars waarin kortingen op de premie voor de
                    basisverzekering worden bedongen. In artikel E.11 is geregeld dat gedeputeerde
                    staten een dergelijke collectieve overeenkomst voor het provinciepersoneel en
                    zijn gezinsleden afsluiten. Bij gezinsleden moet worden gedacht aan degenen die
                    in de oude publiekrechtelijke ziektekosten-regeling IZR/IZA als gezinslid werden
                    aangemerkt. Ook gezinsleden met een eigen inkomen kunnen aan de collectiviteit
                    deelnemen. De collectieve overeenkomst regelt ook de kortingen op de aanvullende
                    zorgverzekeringen.</al><al>De ambtenaar en gepensioneerde ambtenaar en zijn gezinsleden die zich verzekeren
                    bij de zorgverzekeraar waarmee de provincie een collectieve overeenkomst heeft
                    gesloten, kunnen aldus profiteren van de afgesproken premiekortingen. De
                    collectieve overeenkomst kan ook afspraken bevatten over andere zaken (zoals
                    kwaliteit van de dienstverlening). Voordat een besluit wordt genomen over de
                    keuze van de zorgverzekeraar(s) waarmee de provincies een collectieve
                    overeenkomst afsluiten, wordt hierover overleg gevoerd met de vakorganisaties in
                    het SPA.</al><al><vet>Artikel E.12</vet></al><al>Elke provincieambtenaar heeft, ongeacht de keuze van de zorgverzekeraar en de
                    inhoud van zijn zorgverzekering, recht op een aanvullende tegemoetkoming in de
                    ziektekosten. De tegemoetkoming is voor ambtenaren in de schalen 1 t/m 6 hoger
                    dan voor de salarisschalen daarboven en staat los van de omvang van het
                    dienstverband (dus geen tegemoetkoming naar rato bij deeltijdarbeid). De
                    tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald. Het betreft een kostenvergoeding,
                    maakt dus geen deel uit van de bezoldiging en is niet pensioengevend. De
                    tegemoetkoming is geïndexeerd: zij is gekoppeld aan de algemene
                    salarisontwikkeling van het provinciepersoneel.</al><al><vet>Artikel E.13</vet></al><al>In artikel E.13 is geregeld dat de provinciale werkgever bij dienstongevallen en
                    beroepsziekten in beginsel alle noodzakelijk geachte kosten van geneeskundige
                    behandeling of verzorging vergoedt die ten laste van de betrokken ambtenaar
                    blijven. Kosten die te zijnen laste blijven doordat betrokkene een eigen risico
                    in de basisverzekering heeft aanvaard worden in beginsel niet vergoed. In
                    artikel A.1 is aangegeven wat moet worden verstaan onder beroepsziekte en
                    dienstongeval.</al><al><vet>Artikel E.15 Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval
                        van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten
                        of wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering</vet></al><al>Artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk voor de werkgever
                    ook in de periode van twee jaar na het begin van de ziekte de
                    arbeidsovereenkomst op te zeggen indien de werknemer handelt in strijd met zijn
                    verplichting al het mogelijke te doen om hervatting in eigen of andere passende
                    arbeid te realiseren. Hiertoe behoort ook het niet meewerken aan het opstellen
                    van het plan van aanpak als bedoeld in de WAO/WIA. Het ontslagverbod wordt ook
                    doorbroken indien de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan
                    maatregelen en activiteiten die de werkgever dient te verrichten om te
                    bevorderen dat de werknemer wordt gere-integreerd door arbeid te gaan verrichten
                    in voor hem passende arbeid. Deze bepaling in het Burgerlijk Wetboek vindt zijn
                    vertaling in de ontslagbepaling in dit artikel. Het betreft hier niet ontslag in
                    verband met arbeidsongeschiktheid (waarvoor artikel E.9 geldt) maar ontslag
                    wegens het zonder deugdelijke grond niet meewerken van de ambtenaar aan zijn
                    re-integratie. Wie door de provincie aangeboden passende arbeid weigert kan dus
                    op grond van dit artikel worden ontslagen.</al><al>Als dat niet gebeurt blijft ontslag op grond van artikel E.9 mogelijk als
                    betrokkene uit hoofde van zijn provinciale dienstbetrekking recht heeft op een
                    WIA-uitkering.</al><al>Ontslag op grond van dit artikel binnen die twee jaar moet worden gezien als een
                    ultimum remedium. In principe dienen eerst andere wegen te worden bewandeld
                    (zoals bijvoorbeeld inhouding van de bezoldiging).</al><al>Alvorens het ontslagbesluit te nemen wordt het UWV een deskundigenoordeel
                    gevraagd op grond van artikel 32, derde lid, onderdelen a en b van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het gaat daarin om een oordeel
                    van het UWV over de aanwezigheid van passende arbeid die de zieke werknemer voor
                    de werkgever in staat is te verrichten en om een oordeel over de vraag of de
                    werkgever t.a.v. zijn zieke werknemer voldoende en geschikte
                    re-integratie-inspanningen heeft verricht.</al><al>Het derde lid, biedt de mogelijkheid om na twee jaar tot ontslag over te gaan,
                    indien zonder deugdelijke grond geen WIA-uitkering is aangevraagd. In dat geval
                    kan immers geen toepassing worden gegeven aan de ontslagbepaling van artikel
                    E.9.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK F</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Algemeen </al><al>In dit hoofdstuk is een aantal rechten en plichten van de provinciale ambtenaar,
                    dan wel de rechtspositionele grondslag daarvoor, vastgelegd, voorzover die al
                    niet bij of krachtens de wet, in andere hoofdstukken van de CAP of in of
                    krachtens andere provinciale regelingen zijn geregeld.</al><al>Integriteit </al><al>In dit hoofdstuk nemen de voorschriften inzake de integriteit van het
                    provinciaal personeel een belangrijke plaats in. Het handelen van de overheid
                    moet gekenmerkt worden door onkreukbaarheid, betrouwbaarheid en zorgvuldigheid.
                    Integriteit van de openbare sector is dan ook van de eerste orde. De integriteit
                    van de ambtelijke organisatie staat of valt met de integriteit van haar
                    bestuurders en ambtenaren. Het vraagstuk van de integriteit staat volop in de
                    belangstelling. Naast fraude, diefstal en corruptie, vormen vooral kwesties als
                    belangenverstrengeling (nevenfuncties) en het uitlekken van informatie actuele
                    thema’ s. In artikel F.1 wordt een aantal voorschriften gegeven die de
                    integriteit van de ambtenaar moeten waarborgen. Ook het Wetboek van Strafrecht
                    kent een aantal dergelijke bepalingen. De voorschriften in artikel F.1 vormen
                    hierop gedeeltelijk een aanvulling; voor een ander deel een herhaling. Dit
                    laatste is nodig om de werkgever instrumenten te verschaffen om zelf
                    rechtspositionele maatregelen te treffen, naast een eventuele veroordeling door
                    de strafrechter. Het vraagstuk van de integriteit behelst meer dan
                    rechtspositionele maatregelen alleen. Het gaat ook om organisatorische
                    maatregelen, gedragsregels en cultuurbeïnvloeding die het ethisch handelen
                    moeten garanderen. Daarbij moet een krachtig preventief beleid worden gevoerd.
                    Te denken valt aan de volgende maatregelen: - het doorlichten van de organisatie
                    naar kwetsbare organisatieonderdelen en kwetsbare functies; - het veiligstellen
                    van de integriteit van de organisatie door middel van functiescheiding,
                    functieroulatie en controle; - het systematisch bewaken van de instroom van
                    nieuw personeel door middel van extra waarborgen bij werving en selectie e.d.; -
                    het opstellen van gedragsregels voor ambtenaren en regels voor de omgang met
                    burgers; - het levend houden van gedragsregels in jaargesprekken en regelmatige
                    agendering van integriteit in vergaderingen van het management; - het treffen
                    van maatregelen, zoals overplaatsing en disciplinaire bestraffing in geval van
                    ontoelaatbaar handelen;</al><al>Het is van belang deze - en wellicht nog andere - maatregelen in hun onderlinge
                    samenhang te bezien. Afhankelijk van de bestaande situatie zal het nodig zijn
                    andere accenten te leggen of bestaande instrumenten aan te scherpen. De mate van
                    corruptie- en fraudegevoeligheid van werkzaamheden hangt direct samen met de
                    omgeving waarin die werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarom is het voeren van
                    preventief beleid maatwerk.</al><al>Het bewaken van de integriteit behoort tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid
                    van bestuur, management en ambtenaren in de afzonderlijke provincies. De
                    provincies voeren hiertoe in overleg met de OR een gericht preventief
                    P&amp;O-beleid. Nadere rechtspositionele voorzieningen worden in overleg met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg
                    getroffen.</al><al>Scholing </al><al>Een belangrijk instrument van personeelsbeleid betreft de scholing van
                    provinciale ambtenaren. Scholing is onontbeerlijk ter behoud en verbetering van
                    de kwaliteit van het ambtelijk apparaat en daarmee van de dienstverlening.
                    Scholing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en ambtenaar.
                    Enerzijds moet de ambtenaar ruimte worden geboden via scholing aan verbetering
                    van zijn arbeidsmarktpositie te werken, anderzijds moet scholing erop gericht
                    zijn te kunnen blijven functioneren in de arbeidsorganisatie. Een effectief
                    scholingsbeleid vraagt om een planmatige aanpak, door ontwikkeling van
                    actiegerichte opleidingsplannen waarin taakstellingen kunnen worden vastgelegd
                    voor de toekomstige scholing van de verschillende groepen ambtenaren. Het
                    rechtspositionele kader is geregeld in de artikelen F.9 en F.10.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel F.1 Integriteit</vet></al><al>De leden 1, 2 en 3 regelen de gedragswijze bij het verrichten van
                    nevenwerkzaamheden. Het gaat daarbij om een geclausuleerde verplichting om
                    nevenwerkzaamheden te melden, te registreren en openbaar te maken, om een verbod
                    bepaalde nevenwerkzaamheden te verrichten en om de verplichting inkomsten uit
                    q.q.-nevenfuncties in de provinciale kas te storten. De Ambtenarenwet verplicht
                    tot het opnemen van een aantal voorschriften hieromtrent in de
                    rechtspositieregelingen. De ambtenaar dient zich er zelf van te vergewissen of
                    de nevenwerkzaamheden de belangen van de dienst kunnen raken en, zo ja, daarvan
                    melding te doen. Bij het vervullen van de nevenfunctie hoeft het niet te gaan om
                    werkzaamheden tegen beloning. Ook is niet van belang of de werkzaamheden al dan
                    niet in diensttijd worden verricht. In beginsel kan elke nevenfunctie strijd met
                    het dienstbelang opleveren.</al><al>Openbaarmaking van nevenwerkzaamheden moet i.v.m. de privacy niet in zijn
                    algemeenheid gelden, maar moet beperkt blijven tot die gevallen waarin dat een
                    wezenlijke bijdrage levert aan een transparant en deugdelijk overheidsoptreden.
                    Uit de Memorie van Toelichting en de parlementaire behandeling van het
                    wetsvoorstel waarin de verplichting is opgenomen voor overheden om een regeling
                    tot openbaarmaking van nevenwerkzaamheden vast te stellen, is duidelijk geworden
                    dat een dergelijke regeling moet worden getroffen voor topambtenaren. Dat zijn
                    de ambtenaren die dichtbij de politiek staan en regelmatig namens het openbaar
                    bestuur optreden. Voor de provincies is gekozen voor de ambtenaren in de
                    functieschalen 14 en hoger.</al><al>Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de opgave van nevenwerkzaamheden moet
                    worden gedaan. Niet alle gegevens die voor de interne melding en beoordeling van
                    nevenwerkzaamheden worden geregistreerd zijn bedoeld om openbaar te worden
                    gemaakt. Dat zou een te ver gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de
                    betrokken ambtenaren (kunnen) opleveren. Voor de waarborging van de integriteit
                    van het openbaar bestuur, de geloofwaardigheid en controleerbaarheid van het
                    functioneren van de provinciale overheid op het onderhavig punt kan worden
                    volstaan met de openbaarmaking van de betiteling van de ambtenaar, diens
                    nevenwerkzaamheden en eventueel de aan het verrichten daarvan opgelegde
                    beperkingen. Aldus wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en
                    subsidiariteit zoals die met name zijn verankerd in de artikelen 8 en 11 van de
                    Wet bescherming persoonsgegevens.</al><al>Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de gegevens over de
                    nevenwerkzaamheden van ambtenaren openbaar worden gemaakt. Daarbij zou kunnen
                    worden aangesloten bij de wijze van openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden van
                    de provinciale politieke ambtsdragers. Gedeputeerde staten kunnen een formulier
                    ontwerpen waarin exact is aangegeven wat er op dit punt openbaar wordt
                    gemaakt.</al><al>Lid 4 verbiedt het deelnemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de
                    provincie. De gebezigde toevoeging ‘middellijk of onmiddellijk’ verruimt het
                    verbod tot aannemingen en leveringen door middel van rechtspersonen waar de
                    ambtenaar deel van uitmaakt.</al><al>Lid 5 verbiedt het verzoeken tot of aannemen van elke vorm van bevoordeling.
                    Strikt genomen valt hieronder ook de ballpoint, agenda of kalender. De
                    maatschappelijke realiteit is echter anders. In het algemeen worden dergelijke
                    niet te kostbare attenties acceptabel geacht omdat er geen sprake zal zijn van
                    een de ambtenaar beïnvloedende werking. Voorwaarde is wel dat hierover
                    volstrekte openheid wordt betracht. Te denken valt aan een meldingsplicht
                    ingeval een dergelijke attentie wordt aanvaard.</al><al>Lid 6 bevat een strikt geformuleerd verbod, waarbij men evenmin de ogen moet
                    sluiten voor de realiteit. De ambtenaar zal ongetwijfeld wel eens een
                    privé-gesprek via de diensttelefoon voeren of een privé-brief aan de bode ter
                    bestelling bij de post meegeven. De grens tussen toelaatbaar en ontoelaatbaar
                    handelen is hierbij echter niet goed aan te geven. Dit is immers sterk
                    afhankelijk van het gebruikelijke normpatroon ter plaatse en de concrete
                    situatie. Misbruik maken van bevoegdheden of van provinciale eigendommen is in
                    ieder geval niet toelaatbaar.</al><al>In het zevende lid wordt invulling gegeven aan de opdracht in de Ambtenarenwet
                    om voorschriften vast te stellen inzake de verplichte aflegging van de eed of
                    belofte door de ambtenaar bij zijn aanstelling. Met de eed of belofte geeft de
                    ambtenaar bij indiensttreding op officiële wijze te kennen integer te zullen
                    handelen in de uitoefening van zijn functie. Hij zweert/verklaart onder meer ook
                    dat hij niet door middel van giften of beloften en/of valse informatie in dienst
                    van de provincie is genomen.</al><al>De Ambtenarenwet verplicht de overheden om voorschriften vast te stellen inzake
                    een geclausuleerde verplichting tot melding van financiële belangen en het bezit
                    van en transacties in effecten. Voorschriften hierover zijn te vinden in het
                    achtste en negende lid.</al><al>De meldplicht betreft in de eerste plaats financiële belangen en in de tweede
                    plaats het bezit van en transacties in effecten. De clausulering is gelegen in
                    de eis dat een en ander de belangen van de dienst voor zover deze in verband
                    staan met de functievervulling, kan raken. De belangen van de dienst zijn met
                    name gelegen in de risico’s voor de integriteit van de dienst en zijn
                    ambtenaren. Die risico’s betreffen enerzijds de mogelijke verstrengeling van
                    financiële belangen van de ambtenaar met de belangen van de dienst die hij in
                    zijn functie behoort te behartigen en anderzijds mogelijk oneigenlijk gebruik
                    door de ambtenaar van koersgevoelige informatie waarover hij in de uitoefening
                    van zijn functie kan beschikken. Gedeputeerde staten zullen beoordelen of de
                    hier bedoelde risico’s zich in concreto voordoen. Zij zullen op basis van deze
                    beoordeling de ambtenaren aanwijzen op wie het bepaalde in het achtste lid
                    betrekking heeft. De Memorie van Toelichting op de wijziging van de
                    Ambtenarenwet waarbij de meldplicht is ingevoerd, zegt het volgende over het
                    begrip financieel belang. “Het begrip financieel belang is zeer divers. Het kan
                    gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond,
                    alsook om financiële deelnemingen in ondernemingen enz. Zelfs negatieve
                    financiële belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen in
                    verband met mogelijke belangenverstrengeling relevant zijn.” En: “dat vooraf
                    niet eenduidig kan worden aangegeven welke financiële belangen wel en welke niet
                    toelaatbaar zijn in relatie tot de te vervullen functie. Of een bepaald
                    financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich brengt, is afhankelijk van het
                    type organisatie waar men werkzaam is, het concrete financieel belang en de
                    concrete inhoud van de taak van de ambtenaar.” In de praktijk kan het risico van
                    financiële belangenverstrengeling zich onder meer voordoen bij ambtenaren die
                    betrokken zijn bij of beslissingsbevoegd zijn inzake bijvoorbeeld
                    aanbestedingen, subsidieverstrekkingen, het verstrekken van leningen of het
                    verlenen van advies- en onderzoeksopdrachten. Zo’n ambtenaar zou in de
                    verleiding kunnen komen zich bij het nemen van functionele beslissingen te laten
                    leiden door persoonlijk financieel belang.</al><al>Het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie ontstaat daar
                    waar de ambtenaar bij het verrichten van de opgedragen werkzaamheden kennis
                    krijgt van dossiers waarin deze informatie voorkomt of kan voorkomen. In de
                    private financiële wereld is reeds langer gebruikelijk om door middel van
                    strenge regelingen (zogenoemde insider- of complianceregelingen) oneigenlijk
                    gebruik te voorkomen dan wel te bemoeilijken. Zo wordt veelal aan werknemers die
                    met koersgevoelige informatie in aanraking (kunnen) komen de verplichting
                    opgelegd om hun effecten in depot onder te brengen bij de effectenafdeling van
                    het eigen bedrijf (locatieplicht) en voorts om vooraf toestemming te vragen voor
                    een voorgenomen effectentransactie (autorisatieplicht). De provinciale overheid
                    kan hierin niet achterblijven. Omdat in de relatie overheid - ambtenaar, gelet
                    op de grondwettelijke eisen t.a.v. de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer
                    stringentere eisen van proportionaliteit en subsidiariteit gelden, is het niet
                    mogelijk en wenselijk zover te gaan als in het bedrijfsleven gebruikelijk is. Zo
                    is het niet de bedoeling en noodzakelijk om een locatieplicht op te leggen of
                    voorafgaande toestemming voor een effectentransactie te eisen. Wel is
                    transparantie geboden om gedeputeerde staten in de gelegenheid te stellen de
                    hier in het geding zijnde risico’s en belangen in te schatten en te reguleren.
                    Die transparantie wordt bereikt door het voldoen aan de meldingsplicht en de
                    plicht om desgevraagd nadere informatie en bescheiden te verstrekken. Op basis
                    hiervan kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven en bijvoorbeeld via een
                    zogenoemde “restricted list” een verbod opleggen voor het handelen in bepaalde
                    fondsen. De meldplicht van nader aangeduid effectenbezit en effectentransacties
                    levert een belangrijke onderbouwing aan (beleids)regels die tot doel hebben om
                    (de schijn van) handelen met voorwetenschap te voorkomen.</al><al>Het is denkbaar dat de meldingen of nadien gebleken feiten en omstandigheden
                    vragen oproepen die slechts beantwoord kunnen worden door het ontvangen van
                    nadere informatie of bescheiden. In dat geval kan van de ambtenaar worden
                    gevergd dat hij deze verschaft. Dit kan onder meer betreffen informatie van de
                    bank of van de effectenbemiddelaar van de betrokken ambtenaar. Ook ten behoeve
                    van de gewenste controle van de eigen organisatie kunnen gedeputeerde staten
                    besluiten om de ontvangen meldingen steekproefsgewijs te toetsen op juistheid en
                    volledigheid. Aanleiding kan onder omstandigheden ook gevonden worden in
                    afwijkingen van wat al aan informatie beschikbaar is.</al><al>Het achtste lid draagt gedeputeerde staten op een registratie te voeren van de
                    gedane meldingen. Dat is noodzakelijk voor een zorgvuldige uitvoering van het
                    toezicht op de meldplicht. Het ligt in de rede een speciale functionaris aan te
                    wijzen aan wie de betrokken ambtenaren de melding doen en deze functionaris te
                    belasten met het opzetten en het beheer van de registratie.</al><al>De risico’s van belangenverstrengeling enerzijds en oneigenlijk gebruik van
                    koersgevoelige informatie anderzijds zijn gelegen in de situatie dat een
                    ambtenaar financiële belangen heeft dan wel op de beurs wil handelen, terwijl
                    hij in zijn taakveld de mogelijkheid heeft om de waarde daarvan ten eigen
                    voordele te beïnvloeden dan wel koersgevoelige informatie voor privé
                    beleggingstransacties te verkrijgen. Die risico’s kunnen op twee manieren worden
                    gemitigeerd. Ofwel door aanpassing van het taakveld ofwel door het hebben van de
                    betreffende financiële belangen dan wel de effectentransacties te verbieden.
                    Indien het eerste niet mogelijk of wenselijk is, resteert slechts de tweede
                    oplossing. Met het oog daarop bevat het negende lid een - geclausuleerd -
                    verbod.</al><al>Het tiende lid biedt de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Te denken valt
                    aan nadere regels inzake nevenwerkzaamheden en de aflegging van de eed of
                    belofte en aan de vaststelling van een gedragscode voor ambtenaren. De wijze
                    waarop de openbaarmaking van nevenwerkzaamheden wordt geregeld valt onder het
                    instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop
                    de gegevens over financiële belangen worden gemeld en geregistreerd. Het gaat in
                    beide gevallen om het gebruiken (verwerken) van persoonsgegevens zoals bedoeld
                    in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden.</al><al>De Ambtenarenwet verplicht tenslotte de provincies voorschriften vast te stellen
                    betreffende een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende
                    vermoedens van misstanden binnen de provinciale organisatie. Het elfde lid
                    bepaalt dat gedeputeerde staten een procedure vaststellen voor het melden van
                    dergelijke vermoedens door personen die bij de provincie werken of gewerkt
                    hebben en dat zij regels stellen voor de bescherming van de ambtenaar die
                    vermoedens van misstanden meldt. Met de bonden in het SPA is een Regeling
                    procedure en bescherming bij melding van vermoedens van een misstand
                    afgesproken.</al><al><vet>Artikel F.3 Schadevergoeding</vet></al><al>Analoog aan de bepaling ter zake in het Burgerlijk Wetboek is in het eerste lid
                    een bepaling opgenomen over de aansprakelijkheid van de ambtenaar voor schade
                    aan de werkgever of derden. De ambtenaar is niet aansprakelijk tenzij de schade
                    een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. De werkgever dient opzet
                    en bewuste roekeloosheid te bewijzen. Volgens de laatste volzin van het eerste
                    lid is het mogelijk dat uit de omstandigheden van het geval een andere uitkomst
                    voortvloeit dan volgens de hoofdregel. Hierbij kunnen een rol spelen de aard van
                    de opgedragen werkzaamheden, de beloning en de aard en duur van het
                    dienstverband. Bij schade aan derden gaat het om door de ambtenaar toegebrachte
                    schade waarvoor de werkgever aansprakelijk is en regres kan plegen op de
                    ambtenaar.</al><al>De ambtenaar die buiten zijn schuld of nalatigheid ten gevolge van het
                    uitoefenen van zijn functie schade lijdt aan hem toebehorende kleding of
                    uitrusting heeft recht op schadevergoeding. Schade aan een hem toebehorende
                    auto, motor- of bromfiets is hiervan uitgezonderd. Bij vergoeding van materiële
                    schade kan het bedrag worden afgestemd op de restwaarde van het goed. De
                    ambtenaar behoeft geen ongerechtvaardigd voordeel te genieten. Een dergelijk
                    voordeel kan ontstaan wanneer als schadevergoeding de nieuwprijs van een goed
                    wordt betaald, terwijl dat goed die waarde op het tijdstip van de schade niet
                    meer bezat.</al><al>Schade aan een motorvoertuig, dat wordt ingezet voor dienstreizen wordt als
                    regel niet vergoed, omdat in de kilometervergoeding een bedrag is opgenomen voor
                    all-risk verzekering. Volgens de jurisprudentie zal bij incidenteel gebruik van
                    de eigen auto de kilometervergoeding echter niet afdoende zijn en is de
                    werkgever in dat geval gehouden eventuele schade voor zijn rekening te nemen. In
                    artikel F.3, derde lid, is de grens van incidenteel gebruik gelegd bij 10.000
                    dienstkilometers. Uitsluiting van aansprakelijkheid in die situatie is in
                    beginsel mogelijk. Dat kan evenwel alleen als dienstreizen met de eigen auto
                    niet in opdracht van de werkgever, maar slechts met diens toestemming worden
                    gemaakt. Dienstopdrachten voor het gebruik van de eigen auto zijn echter in de
                    provincie niet uitgesloten.</al><al><vet>Artikel F.4 Kostenvergoedingen</vet></al><al>In artikel F.4 is de basis voor een door Gedeputeerde Staten vast te stellen
                    reis- en verblijfkostenregeling voor dienstreizen en een
                    verplaatsingskostenregeling. Ten aanzien van deze beide regelingen is bepaald
                    dat deze in overeenstemming moeten zijn met de afspraken die daarover in het SPA
                    zijn gemaakt. Ten aanzien van andere onkosten, bijvoorbeeld dienstkleding en
                    telefoonkosten, kunnen Gedeputeerde Staten ook nadere regels stellen.</al><al><vet>Artikel F.5 Woonplaats</vet></al><al>In hoeverre kan een ambtenaar worden verplicht om dichtbij het werk te wonen? In
                    het algemeen kan niet worden gesteld dat dit noodzakelijk is voor het goed
                    functioneren van de openbare dienst. Een noodzaak tot het opleggen van de
                    woonverplichting doet zich echter wel voor wanneer de ambtenaar zich in verband
                    met de aard van zijn functie binnen korte tijd van zijn woning naar de plaats
                    waar hij zijn werkzaamheden dient te verrichten, moet kunnen verplaatsen.</al><al>Voorts kan van die noodzaak worden gesproken indien de ambtenaar op zodanige
                    afstand van de plaats van tewerkstelling woont, dat niet is verzekerd dat hij
                    bij dagelijks heen en weer reizen tijdig op zijn werk aanwezig is of dat het
                    dagelijks heen en weer reizen een zodanige belasting vormt, dat daardoor een
                    goede vervulling van de functie wordt belemmerd. In die gevallen kan de
                    ambtenaar worden verplicht in of nabij de standplaats te gaan of te blijven
                    wonen.</al><al><vet>Artikel F.6 Dienstwoning</vet></al><al>De ambtenaar kan worden verplicht een dienstwoning te betrekken. Wanneer zo'n
                    verplichting is opgelegd en de dienstwoning is betrokken, is de onderliggende
                    rechtsverhouding tussen de ambtenaar en de provincie ter zake van de woning niet
                    die van huurder en verhuurder. De ambtenaar voldoet immers aan een wettelijke
                    verplichting. Van een dienstwoning is eerst sprake indien er een onlosmakelijk
                    verband bestaat tussen de functie van de ambtenaar en de bewoning; met andere
                    woorden als het voor een goede vervulling van de functie noodzakelijk is dat de
                    ambtenaar in een bepaald huis woont. Benoeming in een andere provinciale
                    functie, ontslag of overlijden betekent dat de dienstwoning moet worden
                    verlaten. Als regel wordt betrokkene (of diens nagelaten betrekkingen) hiertoe
                    ten minste drie maanden de tijd gegeven.</al><al><vet>Artikel F.7 Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                        beoordeling)</vet></al><al>Dit artikel vormt de grondslag voor een systeem van jaargesprekken. Daaronder
                    wordt verstaan een cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en
                    beoordelingsgesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel
                    werkplan dat, als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete
                    afspraken vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar. Ter uitvoering van dit
                    artikel hebben gedeputeerde staten de Regeling jaargesprekken vastgesteld
                    waarover in het SPA afspraken zijn gemaakt.</al><al><vet>Artikel F.8 Aanzuivering tekorten</vet></al><al>Ten aanzien van schadevergoeding is een bijzondere regeling getroffen voor de
                    rekenplichtige ambtenaar. Uitgangspunt van de regeling is dat de rekenplichtige
                    ambtenaar in beginsel verplicht is een tekort aan te zuiveren. Vervolgens wordt
                    de betrokken ambtenaar van deze verplichting geheel of gedeeltelijk ontheven
                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                    genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren. Tijdens ziekte of
                    wettige afwezigheid is de rekenplichtige ambtenaar ontheven van zijn
                    verantwoordelijkheid.</al><al><vet>Artikel F.9 Verplichte opleiding</vet></al><al>Artikel F.9 biedt de grondslag om een ambtenaar te verplichten een opleiding te
                    volgen die in het belang van de dienst noodzakelijk is. Daarbij gaat het in de
                    regel om opleidingen die voor de huidige functie vereist zijn. Ook niet op de
                    huidige functie gerichte opleidingen kunnen in het belang van de dienst
                    noodzakelijk zijn en de ambtenaar worden opgedragen.</al><al>Te denken valt aan een opleiding die nodig is om een andere (passende) functie
                    die de ambtenaar is opgedragen in het kader van bijvoorbeeld een reorganisatie
                    of de algemene dienst, naar behoren te kunnen vervullen. De kosten komen voor
                    rekening van de provincie. Voor lessen, (deel)examens en tentamens in werktijd
                    wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Als deze buiten
                    de werktijd vallen gelden de volgende faciliteiten: a. Aan de ambtenaar kan
                    verlof worden verleend voor ten hoogste de helft van de tijd welke buiten
                    werktijd wordt besteed aan het volgen van lessen tot ten hoogste een halve
                    werkdag per week. Indien de lessen buiten de woonplaats worden gevolgd, kan de
                    reistijd als lestijd worden meegeteld; b. Aan de ambtenaar die een studie volgt
                    waarbij de studietijd zelf kan worden ingedeeld, kan verlof worden verleend voor
                    twee halve werkdagen per maand, mits de studie in het normale tempo wordt
                    gevolgd; c. Het verlof, hiervoor genoemd onder a. en b., wordt verleend tenzij
                    het dienstbelang zich daartegen verzet; d. Ter voorbereiding van een tentamen of
                    tusenexamen kan twee werkdagen verlof worden verleend per studiejaar; e. Ter
                    voorbereiding van een examen aan het eind van de studie kan drie werkdagen
                    verlof worden verleend; f. Het verlof, hiervoor genoemd onder d. en e., wordt
                    verleend onder voorwaarde dat de ambtenaar zelf een gelijk aantal dagen voor dit
                    doel van zijn algemeen verlof opneemt.</al><al><vet>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling</vet></al><al>Artikel F.10 bevat een rechtspositionele regeling met betrekking tot
                    (vrijwillige) scholing in het kader van de loopbaanontwikkeling. De regeling
                    sluit nauw aan bij het systeem van jaargesprekken en past bij het uitgangspunt
                    dat scholing onderdeel is van het loopbaan- en mobiliteitsbeleid. In de CAO
                    provincies 2002/2003 zijn daarover afspraken gemaakt. Op hoofdlijnen gaat het om
                    het volgende systeem.</al><al>Met de OR wordt jaarlijks op basis van het algemene opleidingsbeleid van de
                    provincie een algemeen opleidingsplan voor (delen van) het personeel afgesproken
                    waarin onder meer doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden zijn
                    vastgelegd.</al><al>In het planningsgesprek worden, in ieder geval eens per drie jaar,
                    loopbaanafspraken gemaakt die worden neergelegd in een persoonlijk
                    ontwikkelingsplan.</al><al>Voor scholing die past binnen het algemene opleidingsplan zijn er voorzieningen
                    in tijd en geld met als uitgangspunt dat de werkgever de kosten volledig
                    vergoedt en de werknemer binnen redelijke grenzen eigen tijd inzet. Ten opzichte
                    van de oude studiefaciliteitenregeling is dat een substantiële verbetering van
                    de financiële voorzieningen in ruil voor minder verloffaciliteiten ten laste van
                    de werkgever.</al><al>Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over het tempo en intensiteit van de
                    studieactiviteiten, terugbetalingsplicht e.d.</al><al>Opleiding en ontwikkeling zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
                    ambtenaar en de leidinggevende. Essentieel is daarom dat hierover in goed
                    overleg tussen hen afspraken worden gemaakt en dat die worden ingepast in het
                    geheel van afspraken die in het jaarlijkse planningsgesprek worden gemaakt. Het
                    initiatief tot het maken van afspraken kan uitgaan van zowel de leidinggevende
                    als de ambtenaar. De regeling biedt de leidinggevende en de ambtenaar ruimte om
                    afspraken te maken die optimaal zijn toegesneden op de wensen en behoefte van
                    het individuele geval. Rechten en plichten over en weer worden zo veel mogelijk
                    in goed overleg tussen leidinggevende en ambtenaar bepaald en zijn dus niet tot
                    in detail vastgelegd in de regeling. Uiteraard moeten de afspraken liggen binnen
                    het kader van het algemene opleidingsplan dat met de OR is overeengekomen. Is
                    dat het geval dan kunnen de kosten van de afgesproken opleiding volledig worden
                    vergoed. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een voltijder en een
                    deeltijder. Er is geen sprake van een openeindregeling. Opleidingen worden
                    immers alleen vergoed als daarvoor geld beschikbaar is binnen het voor het
                    algemene opleidingsplan beschikbare budget.</al><al>De opleiding geschiedt zo veel mogelijk in eigen tijd. Van de ambtenaar mag
                    immers worden verwacht dat hij eigen tijd investeert in de ontwikkeling van zijn
                    loopbaan. De ambtenaar en zijn leidinggevende maken afspraken over eventueel
                    noodzakelijke aanpassing van de werktijden, inzet van vakantieverlof en/of
                    roostervrije tijd e.d. Daarmee wordt geregeld dat het volgen van de opleiding
                    niet ten koste gaat van het werk en dat de continuïïteit van de werkzaamheden
                    dus geen reden is om een opleiding te weigeren. Onder omstandigheden kan ook de
                    werkgever tijd beschikbaar stellen in de vorm van verlof met behoud van
                    bezoldiging. Daartoe kan aanleiding zijn vanwege de zwaarte van de opleiding of
                    op grond van persoonlijke omstandigheden. De afspraken worden vastgelegd in het
                    persoonlijk ontwikkelingsplan. Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over
                    andere vormen van medewerking van de werkgever, bijv. over inzet in een bepaald
                    project dat een directe relatie heeft met de opleiding en beschikbaarstelling
                    van technische hulpmiddelen.</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden vastgelegd de afspraken over de
                    concrete keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden
                    gevolgd, de voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden
                    uitgevoerd, wat de consequenties zijn van bijv. vroegtijdige beëindiging of
                    onderbreking, verandering van functie of ontslag.</al><al><vet>Artikel F.11 Bescherming vakbondskaderleden</vet></al><al>Het betreft een bescherming analoog aan die welke in de WOR is geregeld voor
                    leden van de OR en ambtenaren die op een kandidatenlijst voor de OR staan of
                    hebben gestaan.</al><al><vet>Artikel F.12 Spaarloonregeling</vet></al><al>In dit artikel is de basis gelegd voor het vaststellen van een spaarloonregeling
                    door Gedeputeerde Staten. Het verdient aanbeveling de tekst van die regeling ter
                    goedkeuring voor te leggen aan de belastingdienst om er zeker van te zijn dat
                    voldaan wordt aan de fiscale normen.</al><al><vet>Artikel F.14 Individuele keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden</vet></al><al>Artikel F.14 is de basisbepaling voor het systeem van individuele
                    keuzemogelijkheden op het terrein van de arbeidsvoorwaarden (IKAP). Het artikel
                    verplicht Gedeputeerde Staten algemeen verbindende voorschriften inzake IKAP
                    vast te stellen. Die zijn vastgelegd in de IKAP-regeling provincies. Aan IKAP
                    kunnen zowel provinciale ambtenaren als (via artikel H.7, eerste lid)
                    provinciale arbeidscontractanten deelnemen.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK G</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Het hoofdstuk disciplinaire maatregelen is gebaseerd op artikel 125 van de
                    Ambtenarenwet, waarin aan het bevoegde bestuursorgaan van de provincies de
                    verplichting wordt opgelegd voorschriften vast te stellen omtrent onder meer
                    disciplinaire straffen. Het disciplinaire strafrecht levert het bestuursorgaan
                    de middelen om de normen die binnen de organisatie gelden te handhaven. Dit in
                    tegenstelling tot het commune strafrecht dat tot doel heeft algemene door de
                    overheid gestelde normen te handhaven. De ambtsdelicten worden genoemd in de
                    artikelen 355 e.v. en 462 e.v. van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Bij de besluitvorming inzake het opleggen van disciplinaire straffen dient de
                    volgende procedure gevolgd te worden:</al><al>In de eerste plaats moet worden vastgesteld of er sprake is van plichtsverzuim.
                    Zijn de feiten juist en leveren de feiten ook plichtsverzuim op? Met andere
                    woorden: is de ambtenaar een hem opgelegde verplichting niet nagekomen of heeft
                    hij enig voorschrift overtreden of heeft hij zich niet als een goed werknemer
                    gedragen.</al><al>Voor het vaststellen van de feiten kan een min of meer uitvoerig onderzoek
                    noodzakelijk zijn. Als in dat onderzoek feiten aan het licht treden in
                    schriftelijke verklaringen of andere stukken, dient de betrokkene zijn visie
                    daarop te kunnen geven alvorens die feiten al dan niet als vaststaand kunnen
                    worden aangemerkt. De gelegenheid die betrokkene op dit moment krijgt moet niet
                    worden verward met de gelegenheid die hem later wordt geboden om zich te
                    verantwoorden voor het voornemen tot strafoplegging. Ten aanzien van het bewijs
                    geldt in het ambtenarenrecht, anders dan in het strafrecht, dat niet
                    noodzakelijk is dat een feit wettig en overtuigend moet zijn bewezen, maar dat
                    het feitelijk juist moet zijn. Dat wil zeggen het feit moet voor het besluit
                    voldoende feitelijke grondslag bieden.</al><al>Voorschriften kunnen zijn vervat in instructies en reglementen. Voorschriften
                    zijn ook gegeven in hoofdstuk F Overige rechten en plichten.</al><al>Ook privé-gedragingen van de ambtenaar kunnen plichtsverzuim opleveren als
                    daardoor de dienst of het ambtenarenkorps in het algemeen in opspraak komt. In
                    de jurisprudentie zijn diverse voorbeelden te vinden van situaties waarin de
                    betrouwbaarheid van de betrokken ambtenaar in het geding is en daardoor de
                    integriteit van het ambtelijk apparaat.</al><al>In de tenlastelegging komt tot uitdrukking wat er is gebeurd en waarom dat is
                    aan te merken als plichtsverzuim.</al><al>Zoals ook in het commune strafrecht geldt in het disciplinaire strafrecht het
                    uitgangspunt dat bij afwezigheid van schuld geen straf kan worden opgelegd. Een
                    disciplinaire straf kan derhalve pas worden opgelegd indien het plichtsverzuim
                    de ambtenaar kan worden toegerekend, anders gezegd indien het hem verwijtbaar
                    is.</al><al>De verwijtbaarheid kan ontbreken in geval van overmacht of in het geval van het
                    opvolgen van een al dan niet onbevoegd gegeven dienstopdracht. Verwijtbaarheid
                    kan ook ontbreken indien het plichtsverzuim niet het gevolg is van boze opzet
                    van de ambtenaar, maar van diens onbekwaamheid of ongeschiktheid. Die
                    onbekwaamheid of ongeschiktheid kan leiden tot ongevraagd ontslag anders dan bij
                    wijze van straf.</al><al>Ook van belang is of de ambtenaar de norm, die hij heeft overtreden kende of
                    ermee op de hoogte had kunnen zijn; met andere woorden: de ambtenaar moest weten
                    of had moeten weten dat hij de norm heeft overtreden.</al><al>Als is vastgesteld dat de bevoegdheid bestaat een disciplinaire straf op te
                    leggen is de volgende vraag of ook van deze bevoegdheid gebruik mag worden
                    gemaakt. Het antwoord op die vraag kan ontkennend zijn bijvoorbeeld als de
                    betrokken ambtenaar in verband met het gebeurde in fysiek of psychisch opzicht
                    al zwaar getroffen is.</al><al>Als tenslotte van de bevoegdheid tot bestraffing in redelijkheid ook gebruik mag
                    worden gemaakt dient de zwaarte van de straf te worden bepaald; de straf dient
                    evenredig te zijn aan de ernst van het plichtsverzuim. De mogelijkheid bestaat
                    om meer dan één straf tegelijkertijd op te leggen. Het systeem van disciplinaire
                    maatregelen is een gesloten systeem, d.w.z. dat alleen één of meerdere straffen
                    kunnen worden opgelegd, die voorkomen in de limitatieve opsomming van artikel
                    G.4.</al><al>Het ne bis in idem beginsel is niet van toepassing op de situatie, waarin een
                    ambtenaar in een strafrechtelijk proces is veroordeeld of is vrijgesproken, ten
                    opzichte van het daarnaast opleggen van een disciplinaire straf. Ook al wordt
                    dit door de betreffende ambtenaar ervaren als tweemaal straffen, toepassing van
                    een disciplinaire straf naast een strafrechtelijke veroordeling is
                    toegestaan.</al><al>De straf mag niet worden opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is
                    gesteld zich mondeling of schriftelijk te verantwoorden (artikel 4:8 Awb).</al><al>Daartoe moet aan betrokkene het voornemen tot strafoplegging worden medegedeeld.
                    De vraag is in dit verband of bij het kenbaar maken van het voornemen tot
                    strafoplegging ook al mededeling moet worden gedaan van de voorgenomen
                    strafmaat. Naar de opvatting van de Centrale Raad van Beroep behoeft dat niet.
                    Juist de verantwoording zal van invloed moeten zijn op de nader te bepalen
                    strafmaat.</al><al>De verantwoording vindt plaats ten overstaan van Gedeputeerde Staten. Door
                    mandatering kan worden gerealiseerd dat de verantwoording voor de voorgenomen
                    strafoplegging kan plaatsvinden ten overstaan van bijvoorbeeld het betrokken
                    diensthoofd. Bij de verantwoording kan betrokkene zich laten bijstaan door een
                    raadsman (artikel 2:1 Awb). Het is aan te bevelen bij de mededeling van de
                    voorgenomen strafoplegging alle relevante stukken mee te sturen.</al><al>Indien de verantwoording mondeling plaatsvindt, verdient het aanbeveling binnen
                    korte tijd een verslag te maken. Dit verslag dient kort zakelijk weer te geven
                    hetgeen door betrokkene en het bevoegde gezag naar voren is gebracht. Aan zowel
                    betrokkene als aan het bevoegde gezag zal worden gevraagd in te stemmen met de
                    tekst van het verslag. Door ondertekening wordt aangegeven dat de tekst van het
                    verslag een juiste weergave is van hetgeen besproken is. Als de betrokken
                    ambtenaar ondertekening weigert zal hem naar de reden daarvan gevraagd moeten
                    worden; voor zover dit voor het bevoegde gezag geen reden is de inhoud van het
                    verslag te wijzigen, is het raadzaam hiervan melding te maken in het
                    verslag.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel G.1 Maatregelen van orde</vet></al><al>In het belang van de dienst kunnen ordemaatregelen worden getroffen. De
                    ambtenaar zal zich daaraan moeten houden. Het belang van de dienst kan ook
                    meebrengen dat de ambtenaar de toegang tot de werkplek of het werk c.q. het
                    verblijf aldaar wordt ontzegd. Bij weigering van toegang tot c.q. verblijf op
                    het werk of de werkplek op grond van dit artikel is geen inhouding op de
                    bezoldiging mogelijk.</al><al><vet>Artikel G.2 Schorsing</vet></al><al>In dit artikel is de schorsing als ordemaatregel geregeld. De schorsing
                    geschiedt via een schriftelijke beschikking. Naast specifieke
                    schorsingsmogelijkheden bij strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf, bij
                    voornemen tot of oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag en bij
                    inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis (eerste lid onderdelen a, b en c)
                    bestaat er behoefte aan een meer algemene schorsingsgrond zoals de civiele
                    werkgever die ook kent. Die is opgenomen in het eerste lid, onderdeel d. Hier
                    geldt niet verwijtbaarheid als voorwaarde. Inhouding van bezoldiging tijdens de
                    schorsing (zie het tweede lid) is hier dan ook niet geoorloofd. De
                    jurisprudentie leert dat de meer open schorsingsgrond in het dienstbelang geen
                    blanco cheque inhoudt om te schorsen. Dat vloeit voort uit de Awb en de bepaling
                    inzake goed werkgeverschap. Schorsing in het dienstbelang zal aan de orde kunnen
                    zijn bij conflictsituaties die hebben geleid tot een onwerkbare situatie.
                    Daarbij weegt mee de bijdrage van betrokkene aan het ontstaan van die onwerkbare
                    situatie. Ook zal schorsing in het dienstbelang aan de orde kunnen zijn in een
                    situatie waarin het vermoeden is gerezen van ernstig plichtsverzuim. Schorsing
                    op grond van het eerste lid, onderdeel b, is op dat moment nog niet
                    mogelijk.</al><al>Is in de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bezoldiging
                    ingehouden dan kan deze later eventueel alsnog worden uitbetaald. Dat zal spelen
                    als er geen strafrechtelijke veroordeling of onvoorwaardelijk strafontslag
                    volgt.</al><al><vet>Artikel G.4 Disciplinaire straffen</vet></al><al>De in dit artikel genoemde straffen betreffen een limitatieve opsomming en lopen
                    op in zwaarte:</al><al>schriftelijke berisping Deze straf, de lichtste, zal vaak bedoeld zijn als een
                    waarschuwing dat tegen een volgend plichtsverzuim van dezelfde aard met een
                    zwaardere straf zal worden opgetreden. Is later in het gedrag van de ambtenaar
                    toch aanleiding gevonden hem een zwaardere straf op te leggen dan zal het bij de
                    evenredigheidstoetsing een rol spelen dat hij terzake reeds een waarschuwing in
                    de vorm van een berisping had gekregen.</al><al>geldboete tot ten hoogste 10% van het bedrag van het salaris per jaar Deze
                    financiële straf ligt voor de hand als de openbare dienst door het
                    plichtsverzuim op geld waardeerbare schade heeft geleden.</al><al>strafverplaatsing Deze straf houdt in de benoeming in een andere functie,
                    waarbij niet dezelfde waarborgen gelden als bij benoeming in een andere passende
                    functie in het belang van de dienst, zoals geregeld in artikel B.6.</al><al>ontslag In dit geval is sprake van verwijtbare werkloosheid als gevolg waarvan
                    geen recht op WW of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bestaat.</al><al>Bij het opleggen van de straf moet sprake zijn van evenredigheid tussen de
                    opgelegde straf en het plichtsverzuim; daarbij zijn onder meer de volgende
                    factoren van belang: - de ernst van de gedraging; - de omstandigheden waaronder
                    de misdraging plaatsvond of die daarmee in verband staan; - het gedrag of de
                    houding van de superieuren van de ambtenaar; - het gedrag van de ambtenaar bij
                    het voorafgaande onderzoek of tijdens de verantwoording; - de persoon van de
                    ambtenaar en de met hem verband houdende omstandigheden; - de leeftijd van de
                    ambtenaar; - de duur van het dienstverband; - de functie die de ambtenaar
                    uitoefent; - eventueel eerder gegeven waarschuwingen; - de huiselijke
                    omstandigheden van de ambtenaar; - de verplichtingen die de ambtenaar mogen
                    worden opgelegd; - de mate waarin de ambtenaar van zijn
                    verantwoordelijkheidsgevoel blijk geeft; - eventueel aanwezige ziekelijke
                    storing van de geestvermogens van de ambtenaar; - het al dan niet eerder
                    opgelegd zijn van disciplinaire straffen; - de gevolgen van de genomen
                    strafmaatregel voor de ambtenaar.</al><al>De strafoplegging geschiedt via een schriftelijke beschikking.</al><al><vet>Artikel G.5 Tenuitvoerlegging</vet></al><al>De opgelegde straffen kunnen onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd, tenzij
                    wordt aangegeven dat de bereidheid bestaat de behandeling van eventueel bezwaar
                    of, nog verdergaand, beroep af te wachten. Bezwaar en beroep hebben op basis van
                    de Awb geen opschortende werking.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK H</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>In dit hoofdstuk is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden
                    indienstneming van personen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan
                    plaatsvinden. De regeling in dit hoofdstuk vloeit voort uit artikel 134 van de
                    Ambtenarenwet dat voorschrijft dat bestuursorganen van overheden (zoals
                    provincies) hieromtrent bepalingen moeten vaststellen.</al><al>De regeling van hoofdstuk H voorziet slechts in een beperkt aantal gevallen in
                    de mogelijkheid om met personen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te
                    sluiten. De eenzijdige publiekrechtelijke aanstelling als ambtenaar is namelijk
                    de regel, de arbeidsovereenkomst de uitzondering. De bijzondere positie van de
                    ambtenaar is overigens in de loop van de jaren sterk afgenomen doordat steeds
                    meer wettelijke voorzieningen voor zowel werknemers in de marktsector als voor
                    ambtenaren zijn gaan gelden. Te noemen zijn hier onder andere de WOR, de
                    Arbeidstijdenwet, de Arbeidsomstandighedenwet, de pensioenwetgeving, de
                    wettelijke werknemersverzekeringen en, sinds 2006, de Zorgverzekeringswet.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel H.1 Definities</vet></al><al>Artikel H.1 bevat, in aanvulling op die in artikel A.1, een beperkt aantal
                    alleen voor hoofdstuk H relevante definities. In het tweede lid worden
                    Gedeputeerde Staten aangewezen als de werkgever in de zin van dit hoofdstuk en
                    van het Burgerlijk Wetboek.</al><al><vet>Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst</vet></al><al>Hierop is hierboven al uitvoerig ingegaan. Dit artikel bevat een beperkt,
                    limitatief opgesomd, aantal gronden voor een dienstverband op
                    arbeidsovereenkomst. Buiten de hier genoemde gevallen kan indienstneming slechts
                    op basis van een ambtelijke aanstelling plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst</vet></al><al>De duur van de arbeidsovereenkomst vanwege tijdelijke aanpassing van het
                    personeelsbestand aan een wisselende behoefte (artikel H.2, onderdeel a) is
                    beperkt tot ten hoogste 6 maanden. De leer/arbeidsovereenkomst (artikel H.2,
                    onderdeel b) kan worden aangegaan voor de afgesproken duur van de
                    leer/werkervaring bij de provincie. De duur van de arbeidsovereenkomst van
                    degene die in het kader van een werkgelegenheidsproject in dienst wordt genomen
                    (artikel H.2, onderdeel c) moet uiteraard gekoppeld zijn aan de periode waarop
                    de werkgelegenheidsmaatregel voor betrokkene geldt. Eventuele voortzetting van
                    het dienstverband nadien zal in een reguliere (ambtelijke) betrekking moeten
                    geschieden. Oproepkrachten (artikel H.2, onderdeel d) kunnen wel voor onbepaalde
                    tijd in dienst genomen worden.</al><al><vet>Artikel H.5 Loon</vet></al><al>Niet in alle gevallen zal op de werknemer de bezoldigingsregeling (integraal)
                    van toepassing zijn. Zo zal er doorgaans voor werknemers die in het kader van
                    een werkgelegenheidsproject in dienst genomen zijn een bijzondere loonregeling
                    zijn getroffen. Ook voor oproepkrachten kunnen er bijzondere loonafspraken zijn
                    gemaakt. Het loon kan ook zijn afgestemd op de specifieke (eenmalige) dienst
                    waarvoor iemand in dienst is genomen.</al><al><vet>Artikelen H.6, H.8 en H.10 Toepasselijkheid BW, einde arbeidsovereenkomst
                        vreemdelingen en doorwerking wijzigingen</vet></al><al>Hoofdregel is dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek integraal van
                    toepassing zijn (artikel H.6). Artikel H.8 bevat een t.o.v. het Burgerlijk
                    Wetboek bijzondere bepaling welke het mogelijk maakt de arbeidsovereenkomst van
                    de vreemdeling bij verlies van een geldige verblijfstitel zonder opzegtermijn te
                    beëindigen. Artikel H.10 bevat een bijzondere bepaling t.o.v. die inzake het
                    eenzijdige wijzigingsbeding in artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek.
                    Wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden, geregeld in of krachtens de CAP werken
                    zonder meer rechtstreeks door in de individuele arbeidsverhouding. Als op dit
                    punt niets zou zijn geregeld zou elke werknemer formeel met deze wijzigingen in
                    de (tweezijdige) arbeidsovereenkomst moeten instemmen.</al><al><vet>Artikel H.7 Toepasselijkheid CAP en uitvoeringsregelingen</vet></al><al>In het eerste lid van artikel H.7 is een groot aantal bepalingen van de CAP en
                    zijn uitvoeringsregelingen die voor ambtenaren gelden zoveel mogelijk van
                    toepassing verklaard op de werknemer op arbeidsovereenkomst. Dat betreffen: • de
                    bijzondere voorziening (algemene hardheidsclausule) van artikel A.4; • de
                    bekendmaking van regelingen inzake de rechtspositie (artikel A.6); • de eisen
                    van geschiktheid en bekwaamheid bij indiensttreding (artikel B.3); • de
                    verplichting in het dienstbelang een andere functie of andere werkzaamheden te
                    vervullen (artikel B.6, derde t/m zesde lid en B.7), waarbij wordt opgemerkt dat
                    de bepalingen m.b.t. de algemene dienst (artikelen B.5 en B.6, eerste en tweede
                    lid) niet gelden omdat zij zich niet voor toepassing lenen vanwege de beperkte
                    duur van de arbeidsovereenkomst of het specifieke karakter van het dienstverband
                    (oproepkrachten); • de overlijdensuitkering, in aanvulling op de wettelijke
                    regeling (artikel B.14); • de bepalingen inzake arbeidsduur en werktijden
                    (artikelen D.1 t/m D.3); • de bepalingen inzake vakantieverlof en buitengewoon
                    verlof (artikelen D.5 t/m D.17); • de bepalingen inzake gezondheid en
                    arbeidsomstandigheden bij of krachtens de artikelen E.1 t/m E.10 en E.15, met
                    dien verstande dat de ontslagbepaling wegens arbeidsongeschiktheid (artikel E.9)
                    op grond van het tweede lid van artikel H.7 alleen geldt voor ABP-deelnemers; •
                    de bepalingen over de (aanvullende) tegemoetkoming in de ziektekosten (artikelen
                    E.11 en E.12) en over inhouding van ziektekostenpremies (artikel E.13); • de
                    overige rechten en plichten zoals geregeld in hoofdstuk F, met uitzondering van
                    de bepaling inzake schadeplichtigheid van werkgever en werknemer (artikel F.3,
                    eerste en tweede lid) waarvoor specifieke regelingen gelden in het Burgerlijk
                    Wetboek, t.w. artikel 7:658 (zorgverplichting en aansprakelijkheid werkgever) en
                    artikel 7:661 (aansprakelijkheid werknemer voor schade aan werkgever of derden);
                    wel is de voor ambtenaren getroffen specifieke schadevergoedingsregeling bij
                    dienstgebruik van de eigen auto (artikel F.3, derde lid) van toepassing
                    verklaard; • de bepalingen inzake orde- en strafmaatregelen (hoofdstuk G).</al><al>In het tweede lid van artikel H.7 is de op grond van artikel B.13 getroffen
                    bovenwettelijke werkloosheidsregeling (Uitvoeringsregeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid) van toepassing verklaard op arbeidscontractanten
                    die ABP-deelnemer zijn.</al><al><vet>Artikel H.9 Oproepkrachten</vet></al><al>Dit artikel stelt nadere eisen aan de arbeidsovereenkomst met de oproepkracht.
                    Het gaat hier in de eerste plaats om de verplichting van de werkgever de
                    oproepkracht ook daadwerkelijk op te roepen als zich werkzaamheden voordoen die
                    een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen en als keerzijde de
                    verplichting voor de oproepkracht in beginsel de werkzaamheden te verrichten
                    waarvoor hij is opgeroepen. Het derde lid regelt tot wanneer een oproep door de
                    werkgever zonder verplichting tot loondoorbetaling kan worden afgezegd c.q. door
                    de werknemer kan worden geweigerd. Voor de oproepkracht zijn de volgende
                    bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in het bijzonder van belang: - het
                    rechtsvermoeden inzake de aard van de arbeidsrelatie in artikel 7:610a BW: hij
                    die t.b.v. de provincie tegen beloning gedurende drie opeenvolgende maanden
                    wekelijks dan wel gedurende ten minste 20 uren per maand arbeid verricht, wordt
                    vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst; - het
                    rechtsvermoeden inzake de omvang van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610b
                    BW: indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt
                    de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de
                    gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden; - de
                    minimumaanspraak op loon per oproep in artikel 7:628a BW : loon over ten minste
                    drie uur per oproep, hetzij bij een overeengekomen arbeidsomvang van minder dan
                    15 uur per week als de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet
                    zijn vastgelegd, hetzij ingeval de omvang van de arbeid niet (eenduidig) is
                    vastgelegd.</al><al><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK I</vet></al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Het proces van de normalisering van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid is
                    gestart in 1989. In dat normaliseringproces is reeds een aantal stappen gezet op
                    het terrein van het overleg over de arbeidsvoorwaarden, namelijk: - het
                    introduceren van het overeenstemmingsvereiste in het overleg over de
                    arbeidsvoorwaarden; - de invoering van het sectorenmodel in het
                    arbeidsvoorwaardenoverleg in 1993; - het van toepassing verklaren op de overheid
                    van de WOR in 1995.</al><al>Hiermee is het overlegrecht in een geheel nieuw perspectief geplaatst. Was het
                    overleg over de arbeidsvoorwaarden bij de provincies tot aan de start van het
                    normaliseringproces vrijwel een exclusieve aangelegenheid voor de lokale
                    commissie voor georganiseerd overleg, daarna hebben zowel het georganiseerd
                    overleg op sectorniveau (SPA) als het overleg met de OR op plaatselijk niveau
                    elk hun rol opgeëist. Dit heeft zowel door vaststelling van het
                    SPA-overlegprotocol als door toepassing van artikel 27 van de WOR
                    (instemmingsrecht OR bij vaststelling of wijziging van bepaalde
                    arbeidsvoorwaarden) geleid tot een bescheidener rol van het plaatselijk
                    georganiseerd overleg.</al><al>In artikel 125, lid 1, onderdeel m, juncto lid 2, van de Ambtenarenwet is
                    geregeld dat het bevoegde bestuursorgaan van de provincies voorschriften
                    vaststelt met betrekking tot de “wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking
                    komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over
                    aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren”.
                    Het overleg in het SPA is geregeld in het SPA-overlegprotocol. Het lokaal
                    overleg met de vakorganisaties is geregeld in hoofdstuk I. Daarbij is rekening
                    gehouden met de hierboven geschetste verschuiving van taken.</al><al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en de OR is
                    als volgt:</al><al><vet>Het overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het SPA</vet>
                    Het zwaartepunt van het arbeidsvoorwaardenoverleg ligt bij het SPA (sectoraal,
                    tenzij). Het overleg strekt zich uit tot de vaststelling en wijziging van de CAP
                    en van een groot aantal arbeidsvoorwaardenregelingen ter uitvoering van de CAP
                    (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de CAP). In het
                    SPA wordt - met inachtneming van de wettelijke regeling van taken en
                    bevoegdheden van de OR in de WOR - ook bepaald op welke overlegtafel (SPA,
                    lokaal georganiseerd overleg of OR) welk onderwerp van arbeidsvoorwaarden en
                    sociaal beleid aan de orde kan worden gesteld. De regie ligt hier met andere
                    woorden bij de sociale partners in het SPA.</al><al><vet>Het overleg op plaatselijk niveau met de vakorganisaties van
                        overheidspersoneel</vet> Niet alle arbeidsvoorwaarden worden voor alle
                    provincies gemeenschappelijk geregeld in het SPA. De CAP laat de regeling van
                    een aantal rechtspositionele zaken over aan sociale partners op lokaal niveau
                    (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de CAP). Artikel
                    I.2, eerste lid, noemt daarnaast de volgende onderwerpen voor het lokaal overleg
                    met de vakorganisaties van overheidspersoneel: - de nadere uitwerking van in het
                    SPA gemaakte afspraken; - werkgelegenheid; - spelregels bij en personele
                    gevolgen van reorganisaties.</al><al>Tenslotte biedt artikel I.2, eerste lid, de mogelijkheid om zaken op lokaal
                    niveau met de vakorganisaties van overheidspersoneel te regelen welke niet
                    geregeld worden in het SPA. Daarbij gaat het om onderwerpen die uitsluitend of
                    hoofdzakelijk betrekking hebben op de rechtspositie van de ambtenaar. Voorwaarde
                    is dat het SPA hierover vooraf een (positieve) uitspraak heeft gedaan.</al><al><vet>Het overleg op plaatselijk niveau met de OR</vet></al><al>In de CAP is ook een aantal taken op het terrein van het sociaal beleid aan de
                    OR toebedeeld (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de
                    CAP). Het betreffen onderwerpen waarop ingevolge artikel 27 van de WOR het
                    instemmingsrecht van de OR van toepassing is. Zij raken de lokale
                    bedrijfsvoering. Verder heeft de OR o.a. een adviesrol bij reorganisaties
                    overeenkomstig artikel 25 van de WOR.</al><al>Met de hierboven geschetste verdeling van verantwoordelijkheden en de regierol
                    van het SPA hierbij wordt voorkomen dat overleg over een zelfde onderwerp op
                    meer dan één overlegtafel wordt gevoerd. Dat houdt in dat zaken waarover
                    bijvoorbeeld in het SPA geen overeenstemming kan worden bereikt niet zonder
                    afspraak in het SPA kunnen worden doorgeschoven naar hetzij het lokale overleg
                    met de vakorganisaties hetzij de OR of dat op lokaal niveau sectorale afspraken
                    kunnen worden opgeplust of afgeroomd.</al><al><vet>De regierol van het SPA</vet></al><al>Hierboven is stilgestaan bij de regierol van het SPA. Die houdt, zoals gezegd,
                    in dat in het SPA wordt bepaald welke onderwerpen op welke overlegtafel aan de
                    orde komen. Deze regierol is vastgelegd in de door partijen in het SPA
                    overeengekomen CAP. In de CAP is immers een groot aantal zaken geregeld die in
                    het SPA zijn overeengekomen en is voor het overige bepaald welke regelingen ter
                    uitwerking van de CAP moeten (c.q. kunnen) worden getroffen in het SPA, in het
                    lokaal overleg met de vakorganisaties dan wel in overleg met de OR.</al><al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en OR zoals
                    hierboven geschetst zal op het moment van invoering van de CAP nog niet helemaal
                    zijn gerealiseerd. Een aantal arbeidsvoorwaardenregelingen zal eerst nadien
                    worden geharmoniseerd. Tot die tijd blijven het lokale regelingen waarover het
                    overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel op lokaal niveau wordt
                    gevoerd. Dat is vastgelegd in artikel 5 van het SPA-overlegprotocol. Daarin is
                    ook vastgelegd dat sociale partners op lokaal niveau terughoudend zullen zijn
                    met afspraken over nog te harmoniseren arbeidsvoorwaardenregelingen. In het
                    SPA-akkoord per 1 januari 2000 zijn afspraken vastgelegd over de nog te
                    harmoniseren arbeidsvoorwaardenregelingen.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van overheidspersoneel</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat overleg wordt gevoerd met vakorganisaties van
                    overheidspersoneel die voor de provincie als representatief zijn aan te merken.
                    Daarbij wordt uitgegaan van de richtlijnen inzake representativiteit van de SER.
                    Over toelating van nieuwe vakorganisaties van overheidspersoneel tot het overleg
                    zal de werkgever vooraf overleg voeren met de vakorganisaties die al in het
                    overleg zijn vertegenwoordigd.</al><al>De invoering van de CAP en in bijzonder van dit hoofdstuk van de CAP brengt geen
                    wijziging in de samenstelling van het overleg aan werknemerszijde. Dezelfde
                    vakorganisaties van overheidspersoneel als voorheen maken deel uit van het
                    overleg.</al><al>Elk van de partijen in het overleg is vrij in de samenstelling van zijn
                    delegatie. Uitgangspunt is wel dat bij bestuurlijk overleg ook aan beide kanten
                    bestuurders aanwezig zijn.</al><al><vet>Artikel I.2 Onderwerpen van overleg</vet></al><al>In dit artikel zijn de onderwerpen van overleg geregeld. Verwezen wordt
                    kortheidshalve naar de in de algemene toelichting omschreven taakverdeling
                    tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en het overleg met de OR. Op
                    grond van het tweede lid hoeft geen overleg te worden gevoerd bij kleine
                    reorganisaties. De grens wordt gelegd bij reorganisaties waarbij minder dan 10
                    personen zijn betrokken. Bij elk voornemen tot reorganisatie geldt wel een
                    meldingsplicht aan de vakorganisaties van overheidspersoneel en aan de OR. Als
                    er na de melding van het voornemen van een kleine reorganisatie toch behoefte
                    aan overleg bestaat kan dat uiteraard op grond van artikel I.3, derde lid.</al><al><vet>Artikel I.3 Wijze van overleg</vet></al><al>De wijze van overleg is in dit hoofdstuk summier geregeld en sluit aan bij de
                    afspraken die gelden voor het overleg in het SPA. De overlegpartijen kunnen
                    desgewenst nadere afspraken maken over de wijze van overleg.</al><al><vet>Artikel I.4 Overeenstemmingsvereiste</vet></al><al>In dit artikel komt de gelijkwaardigheid van de overlegpartijen tot uitdrukking
                    in de vorm van het overeenstemmingsvereiste. Zij sluit aan bij de regeling van
                    het overeenstemmingsvereiste in het overlegprotocol voor het SPA.</al><al><vet>Artikel I.5 Advies en arbitrage bij geschillen</vet></al><al>Wanneer de werkgevers- en de werknemersvertegenwoordiging geen overeenstemming
                    bereiken, is het mogelijk om het advies in te winnen van de Lokale Advies- en
                    Arbitrage Commissie (LAAC) van de VNG. Ook kan de LAAC om arbitrage worden
                    gevraagd. Deze onafhankelijke commissie heeft tot taak om, afhankelijk van het
                    verzoek van partijen, hen te adviseren hoe het overleg verder kan worden gevoerd
                    dan wel door middel van arbitrage vast te stellen met welk eindresultaat het
                    overleg moet worden afgerond. Arbitrage is namelijk bindend.</al><al>Voor het vragen van advies hoeft geen overeenstemming te bestaan. Wel ligt het
                    voor de hand dat de wederpartij wordt geïnformeerd over het feit dat advies aan
                    de LAAC zal worden gevraagd. De LAAC kan de wederpartij ook horen. De
                    plaatselijke overlegpartijen moeten het wel eens zijn over de vraag of arbitrage
                    zal worden gevraagd. Ook moet er overeenstemming bestaan over het onderwerp en
                    de omschrijving van het geschil. De geschillenprocedure is aan termijnen
                    gebonden.</al><al>Over aansluiting van de provincies bij de LAAC zijn afspraken gemaakt door
                    partijen in het SPA.</al><al><vet>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING CAP</vet></al><al><vet>Artikel V Individueel overgangsrecht </vet></al><al>In artikel V is het individueel overgangsrecht geregeld dat in het SPA is
                    afgesproken en dat in alle provincies gelijkelijk geldt.</al><al>Eerste lid </al><al>Het eerste lid houdt verband met de overstap naar de terminologie van het
                    Burgerlijk Wetboek voor wat betreft de aard van het dienstverband. De vaste
                    aanstelling en de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd wordt voortaan
                    aangeduid als aanstelling voor onbepaalde tijd. De tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd wordt de aanstelling voor bepaalde tijd. Een aantal rechten en
                    plichten zijn gerelateerd aan de aard van het dienstverband. Zeker gesteld is
                    dat die rechten en plichten niet als gevolg van de nieuwe terminologie (in
                    negatieve zin) veranderen.</al><al>Tweede lid </al><al>Het tweede lid houdt verband met de overstap naar een meer marktconform en open
                    stelsel van indienstneming, waarbij ook de beperkingen zijn overgenomen die de
                    Wet flexibiliteit en zekerheid heeft aangebracht in de mogelijkheden elkaar
                    opvolgende tijdelijke dienstverbanden aan te gaan. Tijdelijke aanstellingen voor
                    bepaalde tijd vóór de invoering van de CAP blijven nadien tot de verstrijking
                    van de duur waarvoor zij zijn aangegaan op de oude voet doorlopen. Aanstellingen
                    voor bepaalde tijd tellen na de invoering van de CAP mee voor de beperking van
                    de mogelijkheden elkaar opvolgende dienstverbanden aan te gaan.</al><al>Derde lid </al><al>In het derde lid wordt veilig gesteld dat kleine deeltijders, voor wie op het
                    moment van invoering van de CAP een regeling tegemoetkoming in de kosten van een
                    (particuliere) ziektekostenregeling geldt, in die regeling mogen blijven, ook al
                    kunnen zij op vrijwillige basis aan de IZR deelnemen. Artikel E.13, tweede lid,
                    van de CAP, die dat uitsluit, is op hen niet van toepassing.</al><al>Vierde lid </al><al>Het vierde lid tenslotte is van toepassing ingeval een werknemer op een andere
                    dan de in de CAP genoemde gronden op arbeidsovereenkomst in dienst genomen is of
                    voor een langere duur dan in de CAP bepaald. Zij zetten hun arbeidsovereenkomst
                    na invoering van de CAP op de oude voet voort.</al><al><vet>Artikel VI Inwerkingtreding</vet>De CAP treedt in werking op 1 oktober 2000
                    (eerste lid). In het SPA-akkoord is afgesproken dat de bepaling inzake de
                    aanwijzing van collectieve roostervrije dagen gelijktijdig met de invoering van
                    de nieuwe verlofregeling in werking treedt, te weten per 1 januari 2001 (tweede
                    lid).</al><al>De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling) treedt in werking op de datum van invoering van de WW bij
                    de overheid, te weten op 1 januari 2001 (vierde lid, juncto tweede lid). De
                    basisbepaling ter zake in de CAP (artikel B.14) treedt ook pas op 1 januari 2001
                    in werking (tweede lid). De bestaande (integrale) wachtgeld- en
                    uitkeringsregeling bij werkloosheid blijven echter formeel tot 1 januari 2003
                    van kracht, gezien het Kabinetsbesluit om de bestaande gevallen niet per 1
                    januari 2001 maar eerst per 1 januari 2003 onder de werking van de WW te
                    brengen. De toegang tot de wachtgeld- en uitkeringsregeling bij werkloosheid is
                    vanaf 1 januari 2001 echter gesloten voor nieuwe gevallen. Een en ander is
                    geregeld in de op grond van artikel B.14 door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                    Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (vierde lid).</al><al>In het derde lid is de invoering van de algemene dienst geregeld. Daarover zijn
                    afspraken gemaakt in het SPA-akkoord 2000/2001, in samenhang met de
                    totstandkoming van een scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid en een
                    aanvullend rechtspositioneel kader (bijlage 5b van dit akkoord). Die afspraken
                    zullen in achtgenomen worden. Gedeputeerde Staten bepalen (in overeenstemming
                    met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg) de
                    concrete datum van invoering van de algemene dienst ook voor zittend personeel.
                    De uiterste datum waarop de algemene dienst integraal in alle provincies ook
                    voor zittend personeel zal zijn ingevoerd is 1 januari 2002.</al><al>In het vierde lid is tenslotte vastgelegd dat op 1 oktober 2000, gelijktijdig
                    met de invoering van de CAP, in werking zullen treden: - de FPU-plusregeling
                    provincies (krachtens artikel B.14, derde lid, van de CAP); - de
                    Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
                    (krachtens artikel E.8, eerste lid, van de CAP); - de Suppletieregeling bij
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (krachtens artikel E.8, tweede lid, van de
                    CAP).</al><al><vet>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING SECTORALE VERLOFREGELING
                        CAP</vet></al><al><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</vet></al><al>Bij de harmonisatie van de provinciale verlofregelingen is in het SPA-akkoord
                    2000/2001 een garantieregeling afgesproken. Die geldt voor personeel dat vóór 1
                    april 2000 in dienst is en als gevolg van de harmonisatieafspraken er per saldo
                    op achteruit gaat. Ook is geregeld dat ambtenaren die op 31 december 2000
                    ouderschapsverlof genieten eenmalig kunnen kiezen tussen de oude en nieuwe
                    regeling van betaald ouderschapsverlof.</al><al><vet>TOELICHTING OVERGANGSRECHT INVOERING HOOFDSTUK C</vet></al><al><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</vet></al><al>In de CAO provincies 2002/2003 zijn afspraken gemaakt over de salarisinpassing
                    op de datum van invoering van het nieuwe beloningssysteem. Daarvoor gelden de
                    volgende regels:</al><al>Inpassing in de nieuwe salarisschaal die bij de functie hoort (functieschaal).
                    Daarbij maakt het niet uit of men voordien in een hogere schaal zat (bijv.
                    uitloopschaal). Indien men in de aanloopschaal zat is inpassing in de
                    (voorliggende) aanloopschaal alleen mogelijk als men aan de nieuwe criteria voor
                    plaatsing in de aanloopschaal voldoet. Anders komt men direct in de
                    functieschaal.</al><al>Horizontale inpassing op het salaris waarop bij invoering van het nieuwe systeem
                    op grond van de oude regels aanspraak bestaat. Dus bijv. rekening houden met de
                    periodiek waarop krachtens bestaande regels op de invoeringsdatum aanspraak
                    bestaat zodat geen anciënniteit verloren gaat. Een hogere functiewaardering of
                    indeling in een salarisschaal met een hoger maximum leidt niet tot een hoger
                    salaris.</al><al>Als het salaris waarop op grond van oude regels aanspraak bestaat ligt binnen de
                    bandbreedte van de nieuwe salarisschaal zijn er geen problemen. Er zijn geen
                    vaste salarisbedragen in de nieuwe salarisschalen zodat betrokkene op exact
                    hetzelfde bedrag kan worden ingeschaald.</al><al>In alle gevallen waarin het salarisbedrag waarop op grond van de oude regels op
                    de invoeringsdatum aanspraak bestaat, ligt boven het maximum van de nieuwe
                    salarisschaal, wordt betrokkene ingepast op het maximum van de nieuwe schaal en
                    ontvangt hij daarbovenop een garantietoelage ter grootte van het verschil. Voor
                    de toepassing van de regels (bijv. voor de eindejaarsuitkering) wordt de
                    garantietoelage als salaris aangemerkt (en is daarmee onderdeel van het bredere
                    begrip bezoldiging).</al><al>Als het salarisbedrag waarop op grond van de oude regels op de invoeringsdatum
                    aanspraak bestaat, ligt onder het minimum van de nieuwe salarisschaal, wordt
                    betrokkene ingepast op het minimum van de nieuwe schaal. Dat kan spelen ingeval
                    de functiewaardering hoger uitkomt en betrokkene nog onder in de lagere schaal
                    was ingepast. Het kan ook aan de orde zijn als betrokkene was ingepast op één
                    van de jeugdsalarissen die komen te vervallen.</al><al>Voor hen die nog zitten in de wachttijd van de diensttijduitloop (schalen 1 tot
                    en met 5) geldt het volgende. Men hoeft vanaf de invoeringsdatum nooit langer
                    dan één jaar te wachten op de diensttijduitloop. Als dus van de wachttijd op de
                    invoeringsdatum meer dan één jaar is verstreken, vindt inpassing per die datum
                    direct plaats op het salaris van de diensttijduitloop, als aan de criteria
                    daarvoor is voldaan. Voor zolang die wachttijd van één jaar niet is verstreken,
                    wordt ingepast op het oude salaris.</al><al>Deze inpassingsregels zijn opgenomen in artikel II, eerste t/m vierde lid.
                    Leidend beginsel is daarbij dat het oude salaris wordt gegarandeerd. Er zijn in
                    de CAO provincies 2002/2003 ook afspraken gemaakt over garanties van
                    perspectieven in de oude salarisschaal en over garanties van perspectieven op de
                    uitloop als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze garanties zijn terug te
                    vinden in het vijfde lid en zesde lid van artikel II. Ter verduidelijking nog
                    het volgende. Als het nieuwe maximumsalaris lager is dan het oude kan het oude
                    maximum volgens de nieuwe regels in stappen van 3% worden bereikt. Dat zou ertoe
                    kunnen leiden dat het oude maximumsalaris later wordt bereikt dan op grond van
                    de oude regeling. In het vijfde lid is daarom geregeld dat het oude maximum bij
                    normaal functioneren nooit later wordt bereikt dan onder de oude regeling. Voor
                    de toepassing van deze garantie wordt het oude maximumsalaris geïndexeerd.</al><al>Er is geen sectoraal overgangsrecht in verband met de in de paragrafen 4, 5 en 6
                    van hoofdstuk C van de CAP geregelde harmonisatie van de toelagen, uitkeringen
                    en vergoedingen. In het SPA is wel overeengekomen dat er in de afzonderlijke
                    provincies met de bonden in het Georganiseerd Overleg afspraken kunnen worden
                    gemaakt over lokaal overgangsrecht in verband met de harmonisatie van de toelage
                    onregelmatige dienst en de afbouw toelage onregelmatige dienst. Verder geldt in
                    verband met de harmonisatie van de toelagen, uitkeringen en vergoedingen nog het
                    volgende:</al><al>Bestaande (gunstiger of ongunstiger) individuele afspraken blijven overeind. Dat
                    geldt bijvoorbeeld voor de waarnemingstoelage, de arbeidsmarkttoelage en de
                    bindingspremie.</al><al>Wat betreft de overwerkvergoeding kan, als de harmonisatie leidt tot kennelijk
                    onredelijke uitkomsten, een beroep worden gedaan op de bestaande
                    hardheidsclausule van artikel A.4 van de CAP.</al><al><vet>Artikel IV (inwerkingtreding</vet></al><al>De wijzigingen in de CAP en het sectoraal overgangsrecht (artikel II) treden in
                    werking op 1 januari 2005, ongeacht of er dan al overeenstemming met de bonden
                    in het Georganiseerd Overleg is bereikt over het in artikel III te regelen
                    lokaal overgangsrecht. Ook het lokale overgangsrecht treedt op 1 januari 2005 in
                    werking. Hier ligt dus een verplichting voor lokale sociale partners om tijdig
                    afspraken te maken over het lokaal overgangsrecht dat in verband met de
                    harmonisatie nodig is.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>