<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297961_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=VOORZIENINGENVERORDENING WMO 2010">Voorzieningenverordening WMO 2010</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 22-12-2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De beleidslijnen en -regels behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2006 worden ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5132</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de
            Voorzieningenverordening WMO 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van de gemeente Blaricum heeft de Beleidsregels hulp bij het
                        huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening
                        WMO 2010 vastgesteld.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al> 1.1 Verordening: de Voorzieningenverordening WMO 2009.</al><al> 1.2. Hulp bij het huishouden: Het ondersteunen bij of overnemen van
                                activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van
                                een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon
                                behoort.</al><al> Deze activiteiten bestaan uit:</al><al> a. Huishoudelijke werkzaamheden,</al><al> b. Organisatie van het huishouden,</al><al> c. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische
                                stoornis.</al><al> 1.2.1. Huishoudelijke werkzaamheden: dit omvat de volgende
                                activiteiten:</al><al> a. boodschappen doen,</al><al> b. broodmaaltijd bereiden,</al><al> c. warme maaltijd bereiden,</al><al> d. licht huishoudelijk werk doen,</al><al> e. zwaar huishoudelijk werk doen,</al><al> f. de was doen,</al><al> g. huishoudelijke spullen in orde houden.</al><al> 1.2.2. Organisatie van het huishouden: dit omvat de volgende
                                activiteiten:</al><al> a. anderen helpen in huis met zelfverzorging,</al><al> b. anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd,</al><al> c. dagelijkse organisatie van het huishouden,</al><al> 1.2.3. Hulp bij ontregelde huishouding omvat de volgende
                                activiteiten:</al><al> a. begeleiding gericht op de huishoudelijke verzorging,</al><al> b. advies, instructie en voorlichting.</al><al> 1.3. Leefeenheid:</al><al> Een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet tezamen met één
                                of meer ongehuwden duurzaam een huishouden voeren, dan wel een
                                ongehuwde meerderjarige die met één of meer minderjarige of
                                meerderjarige ongehuwden duurzaam een huishouden voert. Onder
                                gehuwden worden daarbij ook verstaan ongehuwd samenwonenden en
                                andere volwassenen die met elkaar en/of met minderjarige en/of
                                meerderjarige kinderen samenwonen. Art. 1 lid 3 van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al> 1.3.1. Huisgenoot:</al><al> iedere persoon met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een
                                woning bewoont.</al><al> 1.4. Gebruikelijke zorg:</al><al> De krachtens artikel 10 van de verordening in aanmerking te nemen
                                hulp van huisgenoten (binnen de leefeenheid),</al><al> 1.5. Mantelzorg:</al><al> Een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid
                                1, onder b. van de wet;</al><al> 1.6. Spoedzorg: zorg die direct, in afwachting van een indicatie,
                                verstrekt kan worden en die louter betrekking kan hebben op
                                niet-uitstelbare taken waarbij gebruikelijke zorg en mantelzorg geen
                                oplossing biedt.</al><al> 1.7. Overige begrippen: alle begrippen die in deze beleidsregels
                                worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde
                                betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht en de
                                Voorzieningenverordening maatschappelijke ondersteuning.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Beleidsregels Hulp bij het huishouden</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><al>Hulp bij het huishouden bestaat uit:</al><al> 1. Huishoudelijke werkzaamheden,</al><al> 2. Organisatie van het huishouden,</al><al> 3. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische
                                stoornis.</al><al> Deze voorziening is gericht op ondersteunen bij, of overnemen van
                                huishoudelijke verrichtingen ofwel op activiteiten op het gebied van
                                verzorgen van het huishouden in relatie tot (dreigend)
                                disfunctioneren van het huishouden, de veiligheid van en de regie
                                over het huishouden. Hulp bij het huishouden komt dus in beeld als
                                disfunctioneren van de leefeenheid als gevolg van
                                gezondheidsproblemen van (een van) de verzorgende (leden) dreigt.
                                Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding),
                                verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, voeding en vocht) of
                                ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor
                                het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt.</al><al> Het doel van hulp bij het huishouden kan dan zijn het schoonhouden
                                van het huis en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende
                                huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het
                                organiseren van het huishouden dan wel het geven van
                                psychosociale</al><al> begeleiding, het verstrekken van advies en het geven van instructie
                                en voorlichting ten behoeve van het huishouden. Het kan daarbij dan
                                gaan om het motiveren, adviseren, instrueren, aansturen en zonodig
                                overnemen van, in volgorde van belangrijkheid:</al><al> ? Het verzorgen van de aanwezige hulpbehoevende personen
                                (kinderen).</al><al> ? Het zorgen voor eten en drinken: aanschaffen van
                                voedingsmiddelen, bereiden en tot zich doen nemen van voeding en
                                drinken, afvoeren van vuilnis.</al><al> ? De essentiële hygiëne van de huishouding: schone bedden, kleding,
                                sanitair, vloeren stofzuigen en dweilen.</al><al> ? Verzorgen van dieren en planten.</al><al> ? Incidentele werkzaamheden als het schoonhouden van ramen, kasten
                                enz.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar</titel></kop><al>Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de
                                niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van -overigens gezonde-
                                kinderen valt ook onder de functie hulp bij het huishouden. Als
                                uitgangspunt (niet limitatief) geldt daarbij:</al><al> ? Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen
                                verzorgen, afwassen en opruimen;</al><al> ? Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging,
                                zwaar huishoudelijk werk zoals stofzuigen, sanitair, keuken, bedden
                                verschonen.</al><al> Spoedzorg kan slechts verleend worden voor zover het
                                niet-uitstelbare taken betreft. Hierdoor zal spoedzorg slechts
                                zelden voorkomen omdat:</al><al> a. het louter de niet-uitstelbare taken betreft,</al><al> b. er veelal gebruikelijke zorg (van huisgenoten) en/of mantelzorg
                                aanwezig geacht mag worden/zal zijn,</al><al> c. situaties waarbij geen gebruikelijke zorg aanwezig is en waarbij
                                acuut zorg verleend dient te worden voor niet-uitstelbare taken zich
                                slechts zelden zullen voordoen. Dat daarbij gedacht moet worden aan
                                onverwachte, plotseling voordoende situaties zonder dat de
                                leefeenheid deze situatie kan oplossen.</al><al> Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een ouder-gezin met
                                kinderen beneden vijf jaar waarbij de ouder bijv. een ongeluk
                                krijgt. Directe hulp is dan vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Begeleiding en instructie</titel></kop><al>A. Begeleiding.</al><al> Voor de bepaling van de inhoud en omvang van de begeleiding en
                                instructie bij een ontregelde huishouding zal ook moeten worden
                                gekeken naar begeleiding die onder de Awbz voorziening Begeleiding
                                wordt geboden. Dit is een voorliggende voorziening voor de Wmo.</al><al> Het uitgangspunt daarbij is de omschrijving in artikel 6 het
                                Besluit Zorgaanspraken AWBZ:</al><al> Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan
                                verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische
                                aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of
                                zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het
                                terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het
                                psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, of die matig
                                of zwaar probleemgedrag vertonen. De activiteiten zijn gericht op
                                bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en
                                strekken tot voorkoming van opname in een instelling of
                                verwaarlozing van de verzekerde. De activiteiten bestaan uit: het
                                ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen, het
                                ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie,
                                of het overnemen van toezicht op de verzekerde.</al><al> Het verschil tussen begeleiding die onder de Awbz valt en
                                begeleiding bij hulp bij een ontregelde huishouding (zie 1.2.3.) is
                                niet altijd geheel helder. Doorslaggevend is de doelstelling van de
                                begeleiding: verbetering of handhaven van het niveau van
                                functioneren valt onder de begeleidingsfuncties (ook enige sturing
                                in het wonen en woningonderhoud valt daaronder). Als het gaat om de
                                organisatie van het onderhoud van de woning én het overnemen van
                                enige activiteiten op het gebied van het huishouden moet hulp bij
                                het huishouden worden geïndiceerd. In alle andere situaties is
                                begeleiding aan de orde.</al><al> B. Instructie bij ontregelde huishouding (art.1.2.3).</al><al> Leeftijd of het niet gewend zijn aan huishoudelijk werk kunnen
                                invloed hebben op het vermogen van andere leden uit het leefeenheid
                                om huishoudelijke taken over te nemen. Als dit noodzakelijk is door
                                uitval van een van de leden kan aan de gezonde anderen een
                                instructie worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op
                                huishoudelijk gebied. Ook het trainen van huisgenoten om bepaalde
                                huishoudelijke handelingen te verrichten of om te gaan met
                                huishoudelijke hulpmiddelen valt als activiteit onder de functie
                                hulp bij het huishouden:</al><al> instructie. Het gaat dan om een kortdurende indicatie voor beperkte
                                tijd, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden
                                aangeleerd.</al><al> Een andere situatie treedt op, wanneer iemand doelgerichte training
                                nodig heeft in ondermeer huishoudelijke vaardigheden met als doel
                                het dagelijkse functioneren te verbeteren op meer gebieden dan
                                alleen het huishouden. Een methodische aanpak is daarbij
                                noodzakelijk. In dat geval geldt de AWBZ-voorziening begeleiding als
                                dominante functie.</al><al> De instructie moet dus in directe relatie staan met de verzorgende
                                activiteiten wil er sprake kunnen zijn van de
                                Wmo-functie/voorziening instructie bij ontregelde huishouding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Eigen verantwoordelijkheid cliënt</titel></kop><al>De cliënt ondervindt derhalve beperkingen in het huishouden; deze
                                zijn gerelateerd aan beperkingen op twee andere terreinen, te weten:
                                sociale redzaamheid en/of mobiliteit.</al><al> Uitgangspunt hierbij is dat de leefeenheid primair zelf de
                                verantwoordelijkheid draagt voor het bevorderen en in stand houden
                                van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt
                                gevoerd. Dat betekent dat van een leefeenheid verwacht wordt dat,
                                bij uitval van een van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt
                                naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die
                                leefeenheid. De aanspraak op de voorziening hulp bij het huishouden
                                bestaat slechts aanvullend op eigen mogelijkheden. Daarbij geldt dat
                                in ieder geval altijd beoordeeld wordt in hoeverre hulp
                                antirevaliderend kan werken, welke technische hulpmiddelen voor
                                oplossing van huishoudelijke problemen kunnen zorgen en welke hulp
                                in redelijkheid langdurig noodzakelijk is èn tevens de goedkoopst,
                                adequate is. Ook wordt beoordeeld of aanspraak bestaat op een
                                voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 Wmo en artikel 2
                                lid 2 onder i van de Verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Revalideren</titel></kop><al>Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de huishoudelijke
                                beperkingen naar de mening van de medisch adviseur (op basis van
                                informatie van de behandelend specialist) nog behandelmogelijkheden
                                biedt, kan in de regel geen hulp bij het huishouden alleen worden
                                geïndiceerd. Hulp bij het huishouden kan in zo’n situatie immers
                                antirevaliderend werken. Ook deze mening dient gebaseerd te zijn op
                                informatie van de behandelend specialist. Wel kan hulp bij het
                                huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie worden
                                geïndiceerd. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Zo’n
                                indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid
                                van de duur van het behandel- of revalidatietraject.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Technische hulpmiddelen</titel></kop><al>Er is geen indicatie voor hulp bij het huishouden als de problemen
                                van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met technische
                                hulpmiddelen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke
                                huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze
                                hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden
                                ook voor een helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik
                                gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel
                                of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn
                                maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem,
                                hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het inzetten van hulp.
                                Hulpmiddelen kunnen ook gefinancierd zijn uit een andere
                                betalingsregeling, gericht op of aangepast aan de handicap van de
                                cliënt (AWBZ, Regeling hulpmiddelen of Wmo (indien het overige
                                voorzieningen betreft)). Zonodig kan de cliënt gewezen worden op de
                                mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor ergonomische
                                consultatie bij het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren
                                van het huishouden. De cliënt kan voor de tijd dat de hulpmiddelen
                                er niet zijn in aanmerking komen voor kortdurende hulp bij de
                                huishouding, bij wijze van overbruggingszorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Omvang zorg</titel></kop><al>Een indicatie is altijd de beoordeling van de zorg waarop een cliënt
                                in redelijkheid is aangewezen minus de zorg waarin voorzien is of
                                dient te zijn. Indien een cliënt (meer) hulp bij het huishouden
                                wenst, omdat zijn/haar standaarden met betrekking tot het huishouden
                                hoger liggen dan de algemeen gebruikelijke normeringen (zie bijlage
                                2 en 3) toelaten, is er voor deze activiteiten geen indicatie voor
                                de voorziening hulp bij het huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>De leefeenheid</titel></kop><al>Met de definitie van het begrip leefeenheid worden alle bewoners van
                                één adres die samen een duurzaam huishouden voeren, aangeduid. Als
                                er sprake is van kamerverhuur, rekenen we de huurder van de
                                betreffende ruimte niet tot het huishouden. Als mensen zelfstandig
                                samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen
                                (bijvoorbeeld bij woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of
                                gehandicapten), veronderstellen we dat het aandeel in het
                                schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt
                                overgenomen door de andere leden van de leefeenheid. De eventuele
                                indicatie voor hulp bij het huishouden betreft dan alleen de eigen
                                woonruimte (kamers) van de zorgvrager. Indien alle bewoners
                                zorgbehoevend zijn bestaat geen indicatie voor het schoonmaken van
                                de gemeenschappelijke ruimten. Het vinden van een oplossing hiervoor
                                wordt als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gezien en als
                                inherent aan de gekozen woonvorm.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorliggende, Algemeen gebruikelijke en Algemene
                                Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><al>Krachtens artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft
                                men geen recht op een voorziening voor zover een voorziening op
                                grond van een andere wettelijke bepaling met betrekking tot de
                                problematiek bestaat.</al><al> Dit wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden
                                door het gebruik maken van deze voorzieningen, deze optie voorgaat
                                boven een, in casu, aanspraak op de voorziening hulp bij het
                                huishouden.</al><al> Het bestaan van een wettelijke, anders bekostigde voorliggende
                                voorziening maakt de Wmo-aanspraak onmogelijk. Het is daarbij niet
                                van belang of van de voorliggende voorziening daadwerkelijk gebruik
                                gemaakt wordt of niet. Er moet bij de indicatiestelling vanuit
                                worden gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is.</al><al> Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is voor de
                                realisatie van de voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden
                                dit af te wentelen op de Wmo. Voorbeeld: de Zorgverzekeringswet, de
                                Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De afweging of voorliggende
                                voorzieningen een adequate oplossing bieden voor het probleem van de
                                zorgvrager is een vraag die de indicatiesteller zich stelt nadat de
                                afweging: “Is hier sprake van gebruikelijke zorg?” heeft
                                plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Algemeen gebruikelijke voorzieningen</titel></kop><al>Van algemeen gebruikelijke voorzieningen dient gebruik te worden
                                gemaakt voor zover zich (in redelijkheid) geen ernstige beletselen
                                voordoen. Op basis van jurisprudentie is duidelijk wat begrepen
                                wordt onder de algemeen gebruikelijke voorziening. Er moet voldaan
                                zijn aan de volgende voorwaarden:</al><al> 1. Het aan te schaffen object kan voor een niet-gehandicapte in een
                                financieel vergelijkbare positie tot het normale
                                aanschaffingspatroon worden gerekend.</al><al> 2. Het is gewoon te koop.</al><al> 3. Het is niet duurder dan soortgelijke producten.</al><al> 4. Het is niet speciaal voor gehandicapten.</al><al> Tot de algemeen gebruikelijke voorzieningen behoren (niet
                                limitatieve lijst):</al><al> · kinderopvang (crèche, overblijfmogelijkheden op school);</al><al> · voor- en naschoolse opvang;</al><al> · oppascentrale;</al><al> · hondenuitlaatservice;</al><al> · boodschappendienst;</al><al> · sociale alarmering.</al><al> Er zal altijd moeten worden nagegaan of dergelijke voorzieningen
                                ook daadwerkelijk beschikbaar en adequaat zijn.</al><al> De wens geen gebruik te maken van voorliggende en/of algemeen
                                gebruikelijke voorzieningen, terwijl die wel wettelijk verankerd òf
                                feitelijk aanwezig zijn, kan niet tot een indicatie leiden. Of de
                                cliënt dan daadwerkelijk de betreffende voorziening zal gaan
                                gebruiken is niet relevant. Het behoort tot de verantwoordelijkheid
                                van de cliënt en zijn leefeenheid. Van cliënten die bij de aanvraag
                                om hulp al gebruik maken van dergelijke voorzieningen wordt verwacht
                                dat zij dit blijven doen.</al><al> Aanspraak op de Wmo-voorziening hulp bij het huishouden bestaat
                                aanvullend op de eigen mogelijkheden van de leefeenheid. Afwijking
                                van deze norm is geoorloofd als het verrichten van een taak
                                geschiedt vanuit intenties als ‘aanleren’, ‘observeren’ dan wel
                                stimulering van de zelfredzaamheid.</al><al> Bij cliënten die geen gebruik maken van voorliggende en/of algemeen
                                gebruikelijke voorzieningen dient bekeken te worden in hoeverre
                                mogelijkheden aanwezig zijn om hiervan gebruik te maken. Van een
                                cliënt verwachten we dat hij/zij alles in het werk stelt om zo snel
                                mogelijk in aanmerking te komen voor adequate voorzieningen. In
                                crisissituaties kan voor een termijn van maanden een indicatie
                                worden afgegeven om de eigen oplossing te regelen. Financiële
                                omstandigheden zijn geen reden om een indicatie af te geven, maar
                                ook niet om daarvan af te zien. Tijdelijke oplossingen zoals een
                                gastgezin, buren, oppas aan huis kunnen als overbrugging fungeren
                                van de wachttijd voor een voorliggende voorziening. De
                                indicatiesteller moet de sociale kaart goed in beeld hebben, zodat
                                hij/zij kan beoordelen of een algemeen gebruikelijke voorziening
                                daadwerkelijk beschikbaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>De algemene voorzieningen</titel></kop><al>Krachtens de verordening geldt het primaat van de algemene
                                voorziening. Een algemene voorziening is, volgens de verordening,
                                een voorziening die wordt geleverd op basis van directe
                                beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle,
                                regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een
                                persoon ondervindt. Indien een dergelijke voorziening beschikbaar is
                                en een adequate oplossing biedt is er geen reden om een indicatie af
                                te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Particuliere hulp</titel></kop><al>Dit is geen voorliggende voorziening. Wanneer iemand beperkingen
                                heeft in het huishouden en daardoor aanspraak zou maken op de
                                voorziening hulp bij het huishouden, maar gebruik maakt van
                                particuliere zorg, is dat een keuze van de cliënt. Dit heeft geen
                                invloed op zijn indicatie, tenzij ervoor gekozen wordt deze hulp op
                                eigen kosten te continueren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Krachtens de wet is mantelzorg langdurige zorg die niet in het kader
                                van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al><al> Gebruikelijke zorg en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende
                                begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in
                                zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg vindt
                                plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de
                                mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te
                                leveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Vrijwilligerswerk is vervangende mantelzorg</titel></kop><al>Vrijwilligers moeten niet worden opgevat als een ‘voorliggende
                                voorziening’ maar als vervanging van mantelzorg. Dat betekent dat
                                indien er vrijwilligers aanwezig, beschikbaar en bereid zijn om de
                                zorg vrijwillig te (blijven) leveren, er voor dat deel geen
                                aanspraak bestaat op de voorziening hulp bij het huishouden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel>Beleidsregels Gebruikelijke zorg</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Een- en meerpersoonshuishouden</titel></kop><al>Indien de zorgvrager deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit
                                meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de indicatiesteller
                                vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat
                                geval verstaan wordt onder gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                                elkaar. Pas dan kan het college besluiten op welke Wmo-zorg de
                                zorgvrager redelijkerwijs is aangewezen.In geval zorgvrager een
                                éénpersoonshuishouden voert is er geen sprake van gebruikelijke
                                zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Maatschappelijke participatie</titel></kop><al>Iedere volwassen (in casu 23 jaar of ouder) burger wordt
                                verondersteld naast een volledige baan of opleiding een
                                meerpersoonshuishouden te kunnen voeren.</al><al> In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een
                                normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het
                                leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg.</al><al> Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van
                                de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke
                                participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Culturele diversiteit</titel></kop><al>Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden
                                wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur,
                                de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het
                                verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme
                                samenleving waarin een ieder gelijke aanspraken op Wmo-zorg
                                maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting</titel></kop><al>Een indicatiesteller kan besluiten dat een huisgenoot of partner
                                geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige
                                gezondheidsproblemen heeft dat de indicatiesteller redelijkerwijs
                                moet concluderen dat de</al><al> betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden.</al><al> Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of een leefeenheid,
                                gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de
                                (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast
                                wordt en overbelasting dreigt.</al><al> Wanneer partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen
                                heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of
                                opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te
                                raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door
                                de betrokkene moeten worden aangeleverd. De indiceerder en/of het
                                college moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over
                                vormen.</al><al>Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een
                                combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan
                                werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor.</al><al> Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn
                                om een indicatie te geven voor gebruikelijke zorg. Met andere
                                woorden: ondanks beoefening van vrijetijdsbesteding wordt
                                gebruikelijke zorg van de huisgenoot verwacht.</al><al> In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken
                                door de combinatie van werk en verzorging van de zieke
                                partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de
                                onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend.
                                In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de
                                leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan
                                de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een
                                partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de
                                andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk
                                en verzorging van de inwonende kinderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Fysieke afwezigheid</titel></kop><al>Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn/haar werk
                                fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling
                                uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten
                                perioden van ten minste zeven</al><al> etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een
                                verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk
                                hierbij aan off-shore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in
                                het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van
                                huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een
                                éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden
                                geleverd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke
                                    activiteiten</titel></kop><al>Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk
                                willen en/of kunnen (in de zin van “niet geleerd hebben”)
                                verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van
                                huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er
                                een indicatie worden gesteld voor 6 weken zorg voor het aanleren van
                                huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van
                                het huishouden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>De zorgvrager</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>De zorgvrager</titel></kop><al>De zorgvrager is degene die een gezondheidsprobleem heeft en
                                daardoor beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid. Ook wanneer
                                ondersteuning wordt gevraagd in het functioneren van het huishouden
                                door een ander dan de zorgvrager (zoals de echtgenote of de ouder),
                                is degene met het gezondheidsprobleem de zorgvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>De mantelzorger</titel></kop><al>Krachtens artikel 1 lid 1 onder b van de wet wordt onder mantelzorg
                                de langdurige zorg verstaan die niet in het kader van een
                                hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al><al> Dit betekent, gelet op artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4 van de
                                wet, dat er een indicatie kan bestaan indien de mantelzorger zijn
                                taken tijdelijk niet kan waarnemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Betrekken van huisgenoten/mantelzorgers bij het
                                    indicatieonderzoek</titel></kop><al>Indien er sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke zorg dan wel
                                mantelzorg leveren, is het zaak dat de indicatiesteller die
                                huisgenoten altijd persoonlijk hoort in het kader van het
                                indicatieonderzoek. Zo kan bijvoorbeeld een 18 tot 23-jarig kind
                                mantelzorg verlenen. Op die manier kan de indicatiesteller correct
                                inventariseren welke taken de huisgenoot/mantelzorger uitvoert en
                                hoe hij/zij de belasting van deze taken</al><al> ervaart in relatie tot zijn/haar maatschappelijke
                                participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Zorgplicht ouders</titel></kop><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen
                                voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor
                                hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de
                                ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien
                                in de kosten van dit alles).</al><al> Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging,
                                begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer
                                afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het
                                kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij
                                kortdurende ziekte.</al><al> Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de
                                gebruikelijke zorg voor de kinderen over.</al><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de
                                aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon
                                conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Verzorging van de
                                kinderen kan, zonodig, wel een Wmo- aanspraak zijn.</al><al> Structurele opvang van kinderen is geen Wmo-zorg.</al><al> Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of
                                calamiteiten tijdelijk tot een Wmo-aanspraak leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Eigen oplossingen gaan voor</titel></kop><al>Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar
                                geldende regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller onderzoekt,
                                in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met
                                mantelzorg kan worden</al><al> opgevangen. Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te
                                maken van (een combinatie van ) crèche, opvang op school,
                                buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen
                                gebruikelijke dan wel voorliggende en/of algemene voorzieningen).
                                Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor
                                kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële
                                omstandigheden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Voorkomen van crisis en ontwrichting</titel></kop><al>Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er
                                slechts kortdurend overbrugging nodig in</al><al> noodgevallen, dan kan de voorziening hulp bij het huishouden worden
                                ingezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding</titel></kop><al>Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de
                                gebruikelijke zorg voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke
                                verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt
                                niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan
                                worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet
                                thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank
                                vastgelegde afspraken tussen de exechtgenoten en de feitelijke
                                uitvoering daarvan. Voor die perioden dat de kinderen bij de
                                verzorgende - uitgevallen- ouder zijn kan er dan een indicatie voor
                                opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder
                                kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een
                                éénoudergezin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Uitval van ouder in éénoudergezin</titel></kop><al>Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of
                                beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van
                                de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat
                                vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende, algemeen
                                gebruikelijke en algemene voorzieningen kunnen opvangen.</al><al> Oppas en opvang van gezonde kinderen zijn in principe geen
                                Wmo-zorg, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en
                                voorliggende voorzieningen voorhanden. Wel is er een indicatie
                                mogelijk voor de verzorging van de kinderen conform leeftijd.</al><al> Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor
                                oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is
                                redelijk.</al><al> Indien indicatiesteller zich ervan heeft vergewist dat de
                                voorliggende en/of algemene en/of algemeen gebruikelijke
                                voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput
                                is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin, afhankelijk van de
                                leeftijd en ontwikkeling van het kind, een indicatie voor hulp bij
                                het huishouden mogelijk tot 40 uur per week voor oppas en opvang van
                                gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte
                                duur (max. 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet
                                worden gevonden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>De leefeenheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Taak volwassen huisgenoot</titel></kop><al>Van een volwassen (in casu 23 jaar of ouder) gezonde huisgenoot
                                wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken van het meerpersoons
                                huishouden overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Huisgenoot/partner ouder dan 75 jaar</titel></kop><al>Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een
                                nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren,
                                zoals bij ouderen op hoge leeftijd (&gt; 75 jaar) kan, indien nodig,
                                hulp voor die zwaar</al><al> huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de
                                gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. Als binnen een
                                leefeenheid degene die de huishouding voert, uitvalt en de andere
                                partner is weliswaar gezond, maar ouder dan 75, dan wordt toch hulp
                                bij het huishouden geïndiceerd.</al><al> Wanneer de hulpbehoevende partner overlijdt kan zonodig de hulp
                                worden voortgezet aangepast aan de nieuwe woonsituatie.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>De kinderen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Bijdrage van kinderen aan het huishouden</titel></kop><al>In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen,
                                dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk
                                van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen
                                leveren aan de huishoudelijke taken.</al><al> · Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de
                                huishouding.</al><al> · Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden
                                betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen,
                                tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding
                                in</al><al> de wasmand gooien.</al><al>· Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen
                                kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed
                                verschonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Taken 18-23 jarige kinderen</titel></kop><al>Een 18-23 jarige huisgenoot wordt verondersteld de taken van een
                                eenpersoons huishouden te kunnen uitvoeren.</al><al> De huishoudelijke taken voor een éénpersoons huishouden zijn:</al><al> · schoonhouden van sanitaire ruimte,</al><al> · keuken en een kamer,</al><al> · de was doen,</al><al> · boodschappen doen,</al><al> · maaltijd verzorgen,</al><al> · afwassen en opruimen.</al><al> Dit betekent dat bij aanwezigheid van een huisgenoot van 18-23 jaar
                                met de volgende normering rekening kan worden gehouden:</al><al> Te normeren naar 2 uur: uitstelbare, zware huishoudelijke taken en
                                naar 3 uur: lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week.
                                Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en
                                begeleiden.</al><al> Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of de kinderen,
                                gegeven de voor die leefeenheid geldende bijdrage door kinderen aan
                                de huishoudelijke taken, door de (chronische) uitval van een ouder
                                niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overig</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hulp bij het huishouden bij huisstofallergie</titel></kop><al>Bij allergie voor huisstofmijt zal er advisering rond het saneren
                                van de woning plaatsvinden door de daartoe bevoegde instanties, i.c.
                                de CARA/COPD verpleegkundige. Een vraag naar hulp bij het huishouden
                                zal dus pas aan de orde zijn wanneer sanering van de woning reeds
                                heeft plaatsgevonden. Voor het stofvrij houden van de woning kan één
                                klasse extra worden geïndiceerd.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Blaricum in de vergadering van 22 december 2009.</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Blaricum/i223886.pdf">Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010 Bijlagen</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>