<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297819_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coördinatieverordening gemeente Buren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.destadburen.nl">De Stad Buren</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coördinatieverordening gemeente Buren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020449/geldigheidsdatum_18-03-2013#Hoofdstuk3_Afdeling31_Artikel36">Wet ruimtelijke ordening</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/Hoofdstuk3/Afdeling35/Paragraaf353/geldigheidsdatum_18-03-2013">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV/12/00277</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Coördinatieverordening gemeente Buren
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleiding</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>1.1Aanleiding voor de verordening</vet>
            </al>
            <al>In het kader van verbetering van de dienstverlening bekijkt de gemeente
                            Buren steeds waar die dienstverlening beter en sneller kan. Bij
                            ruimtelijke plannen is de proceduretijd vaak erg lang. Mogelijkheden om
                            die te kunnen verkorten willen we graag benutten.</al>
            <al>In de Wet ruimtelijke ordening (verder Wro) is een zogenaamde
                            coördinatieregeling opgenomen die het mogelijk maakt om besluiten zoals
                            een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning gelijktijdig in procedure
                            te brengen en te verlenen. De coördinatieregeling biedt dus een
                            mogelijkheid om de duur van procedures te verkorten. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>1.2 Opzet en doel van de verordening</vet>
            </al>
            <al>Met de coördinatieverordening maken we duidelijk welke gevallen in
                            aanmerking komen voor coördinatie. In hoofdstuk 2 staan de artikelen die
                            samen de coördinatieverordening vormen. In hoofdstuk 3 staat een
                            algemene (3.1) en artikelsgewijze (3.2) toelichting op de
                            verordening.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Artikelen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>De verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <onderstreept>aanvrager</onderstreept>: een natuurlijke persoon
                                    of rechtspersoon die een aanvraag om een omgevingsvergunning
                                    heeft ingediend;</al></li>
              <li nr="b."><al>
                  <onderstreept>besluit</onderstreept>: besluit als bedoeld in
                                    artikel 3:30 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (verder
                                    Wro);</al></li>
              <li nr="c."><al>
                  <onderstreept>bestemmingsplan</onderstreept>: een plan als
                                    bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="d."><al>
                  <onderstreept>bouwen</onderstreept>: bouwen als bedoeld In
                                    artikel 1 sub a van de Woningwet en artikel 1.1, eerste lid Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht (verder Wabo);</al></li>
              <li nr="e."><al>
                  <onderstreept>coördineren</onderstreept>: het gelijktijdig en in
                                    samenhang voorbereiden van besluiten in één gezamenlijke
                                    procedure volgens de coördinatieregeling van Afdeling 3.6 van de
                                    Wro;</al></li>
              <li nr="f."><al>
                  <onderstreept>omgevingsvergunning</onderstreept>: een vergunning
                                    als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo;</al></li>
              <li nr="g."><al>
                  <onderstreept>omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                        bouwwerk</onderstreept>: een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wabo;</al></li>
              <li nr="h."><al>
                  <onderstreept>structuurvisie</onderstreept>: een structuurvisie
                                    als bedoeld in artikel 2.1 van de Wro;</al></li>
              <li nr="i."><al>
                  <onderstreept>uitwerkingsplan, wijzigingsplan</onderstreept>:
                                    een uitwerkingsplan respectievelijk wijzigingsplan als bedoeld
                                    in artikel 3.6 van de Wro;</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Reikwijdte van de verordening</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening baseerden we op het eerste lid van artikel 3.30 van de
                            Wro. De verordening is alleen van toepassing op het coördineren van de
                            voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, uitwerkingsplan of
                            wijzigingsplan vast te stellen met het besluit over een of meer daarmee
                            samenhangende omgevingsvergunningen. Dit al dan niet met aan de
                            omgevingsvergunning en/of aan het bestemmingsplan gerelateerde
                            vergunningen en ontheffingen als bedoeld in artikel 3.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Vergunningen en ontheffingen die naast de omgevingsvergunning
                                deel uit kunnen maken van de coördinatie met het besluit om een
                                bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan vast te
                                stellen</titel>
            </kop>
            <al>De voorbereiding van besluiten over onderstaande vergunningen of
                            ontheffingen kan gecoördineerd worden met de in artikel 2 genoemde
                            besluiten die de basis vormen voor de toepassing van de
                            coördinatieregeling op grond van deze verordening:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het besluit tot vaststelling van een hogere waarde
                                    ("ontheffing") als bedoeld in artikel 45, 47, 55, 61, 83, 85 of
                                    100a van de Wet geluidhinder;</al></li>
              <li nr="b."><al>een verkeersbesluit als bedoeld in de artikelen 15 en 18, eerste
                                    lid van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van de Administratieve
                                    Bepalingen voor het Wegverkeer.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel>
            </kop>
            <al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities is het college
                            van burgemeester en</al>
            <al>wethouders bevoegd te besluiten tot een gecoördineerde voorbereiding van
                            besluiten als bedoeld in de artikelen 2 en 3:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het besluit over een omgevingsvergunning die op het moment van
                                    indienen alleen op grond van artikel 2.10, eerste lid, sub c
                                    Wabo geweigerd zou moeten worden en het besluit over het
                                    bestemmingsplan dat de omgevingsvergunning mogelijk maakt, maken
                                    tenminste deel uit van de te coördineren besluiten, en</al></li>
              <li nr="b."><al>een ander besluit, als dat bij de coördinatie wordt betrokken,
                                    is genoemd in artikel 3 en verband houdt met de aanvraag of met
                                    het bestemmingsplan als bedoeld onder a, en</al></li>
              <li nr="c."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat het besluit als bedoeld onder b gecoördineerd
                                    kan worden voorbereid, en</al></li>
              <li nr="d."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering als bedoeld in artikel 5
                                    voordoet, en</al></li>
              <li nr="e."><al>de aanvrager heeft zich schriftelijk akkoord verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de
                                    aanvrager heeft.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening
                                plaatsvindt</titel>
            </kop>
            <al>In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van
                            deze verordening niet mogelijk:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>er moet op grond van artikel 7, tweede lid van de Wet
                                    milieubeheer een milieueffectrapport worden opgesteld en het
                                    betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor
                                    al een milieueffectrapport is opgesteld;</al></li>
              <li nr="b."><al>er moet op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wro een
                                    exploitatieplan worden opgesteld en er kan geen toepassing
                                    worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid van de Wro;</al></li>
              <li nr="c."><al>uit een analyse blijkt dat de bouw schade kan veroorzaken als
                                    bedoeld in artikel 6.1 van de Wro en de aanvrager is niet bereid
                                    deze schade voor zijn rekening te nemen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Procedureregeling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college van burgemeester en wethouders kan een procedureregeling
                                vaststellen ten behoeve van een goede uitvoering van de
                                coördinatieregeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke periode
                                aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking
                                te kunnen komen; de procedure kan bepalen hoe het college van
                                burgemeester en wethouders toepassing geeft aan artikel 3.20 van de
                                Algemene wet bestuursrecht (verder Awb).</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Zolang het college van burgemeester en wethouders geen regeling als
                                bedoeld in het eerste lid heeft vastgesteld, is, aanvullend op de
                                artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening en op
                                deze verordening, § 3.5.3 van Afdeling 3.5 "Samenhangende besluiten"
                                van de Awb van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.28 en
                                3.29 van die wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij de toepassing van lid 3 is het college van burgemeester en
                                wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel
                                3.22 van de Awb.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Als de gemeenteraad besloten heeft dat het wenselijk is dat de
                                coördinatieregeling wordt toegepast in een of meer andere gevallen
                                dan de gevallen die op grond van deze verordening mogelijk zijn, dan
                                zijn de leden 1 tot en met 4 van toepassing op de voorbereiding van
                                de besluiten die behoren bij die gevallen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Verzoek tot beëindiging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De aanvrager kan bij het college een verzoek indienen om geheel of
                                gedeeltelijk van een verdere gecoördineerde behandeling af te zien
                                ten aanzien één of meerdere besluiten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen 4 weken op het in lid 1 bedoelde
                                verzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het college beslist dat behandeling van een besluit buiten de
                                gecoördineerde behandeling mogelijk is, wordt de aanvraag behandeld
                                overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften voor de
                                behandeling van deze aanvraag, met inachtneming van artikel 9 van
                                deze verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Beëindiging door bevoegd gezag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan de gecoördineerde behandeling op eigen initiatief
                                geheel of gedeeltelijk beëindigen indien een meer uitgebreide
                                behandeling van een aanvraag is vereist en dit zich verzet tegen de
                                voortgang van de gecoördineerde behandeling van de andere
                                aanvragen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien het college beslist dat een bepaalde aanvraag buiten de
                                gecoördineerde behandeling wordt gelaten, wordt deze aanvraag
                                behandeld overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften voor
                                de behandeling van deze aanvraag, met inachtneming van artikel 9 van
                                deze verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Terugvalregeling</titel>
            </kop>
            <al>Als een aanvraag uit de gecoördineerde behandeling wordt gehaald, wordt
                            het tijdstip waarop deze aanvraag uit de gecoördineerde behandeling
                            wordt gehaald, geacht het tijdstip te zijn waarop de aanvraag is
                            ingediend. De voor deze aanvraag gebruikelijke wettelijke procedures en
                            termijnen vangen aan op dit tijdstip.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening gemeente
                            Buren.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Inwerkingtreding, overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                    publicatie, te weten 14 maart 2013.</al></li>
              <li nr="2."><al>Procedures die, op basis van eerder genomen
                                    coördinatiebesluiten, op het moment van inwerkingtreding van
                                    deze verordening nog niet zijn gestart, worden gestart met
                                    inachtname het bepaalde in artikel 6. Procedures die op bedoeld
                                    moment al wel zijn gestart worden voorgezet met inachtname van
                                    hetgeen in het betreffende coördinatiebesluit is bepaald.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vastgesteld in de openbarevergadering van 26 februari 2013 </ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>G.van Droffelaar drs. K.C. Tammes</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Hoofdstuk</label>
          <nr>3</nr>
          <titel>Toelichting</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>3.1 Algemene toelichting</vet>
        </al>
        <al>Als eerste geven we een algemene toelichting op de
                            coördinatieverordening. Hierbij gaat het om het brede kader van de
                            verordening.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Inleiding</titel>
          </kop>
          <al>Afdeling 3.6 Wet ruimtelijke ordening (verder Wro) bevat verschillende
                            coördinatieregelingen voor Rijk, provincie en gemeente. De
                            coördinatieregeling voor de gemeente (artikel 3.30 en verder Wro) maakt
                            het mogelijk het verlenen van een omgevingsvergunning te coördineren met
                            de vaststelling van een bestemmingsplan. De omgevingsvergunning volgt
                            dan de procedure van het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor de
                            rechtsbescherming. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Wettelijk kader</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 3.30, lid 1, Wro vormt het wettelijk kader. Dit artikel luidt
                            als volgt:</al>
          <al>
            <cursief>"Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën
                                van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een
                                onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt
                                dat:</cursief>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>
                <cursief>de voorbereiding en
                                        be</cursief>
                <cursief>k</cursief>
                <cursief>endma</cursief>
                <cursief>ki</cursief>
                <cursief>ng
                                        van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve
                                        te</cursief>
                <cursief> nemen besl</cursief>
                <cursief>uit
                                        worden geco</cursief>
                <cursief>ö</cursief>
                <cursief>rdineerd,
                                        of</cursief>
              </al></li>
            <li nr="b."><al>
                <cursief>de voorbereiding en bekendmaking van een
                                        bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking
                                        van</cursief>
                <cursief>een bestemmingsplan, of een
                                        omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel
                                        2.12</cursief>
                <cursief>eerste lid, sub a, onder 3,
                                        van de W</cursief>
                <cursief>abo</cursief>
                <cursief> van
                                        het</cursief>
                <cursief>bestemmingsplan of de
                                        beheers</cursief>
                <cursief>v</cursief>
                <cursief>erordening
                                        wordt afgeweken, wordt
                                        geco</cursief>
                <cursief>ö</cursief>
                <cursief>rdineerd met
                                        de</cursief>
                <cursief>voorbereiding en bekendmaking
                                        van besluiten als bedoeld onder a."</cursief>
              </al></li>
          </lijst>
          <al>De wet stelt grenzen aan het toepassen van de coördinatieregeling. Dit
                            omdat het besluit om de regeling toe te passen grote gevolgen heeft voor
                            de procedures van de te coördineren besluiten. De wet bevat twee
                            eisen:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>het moet gaan om de verwezenlijking van "gemeentelijk ruimtelijk
                                    beleid" en</al></li>
            <li nr="b."><al>het moet wenselijk zijn om de gecoördineerde besluitvorming in
                                    te zetten voor de verwezenlijking van dat beleid.</al></li>
          </lijst>
          <al>Om te voldoen aan deze eisen staat de coördinatieverordening alleen
                            coördinatie toe wanneer een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning
                            deel uitmaken van de te coördineren besluiten. Het bestemmingsplan is
                            vereist om te waarborgen dat het om de uitvoering van gemeentelijk
                            beleid gaat. Het bestemmingsplan is immers - naast de structuurvisie -
                            de planfiguur waarin de gemeente haar ruimtelijk beleid kenbaar maakt.
                            Als er op de uitvoering gerichte elementen in het bestemmingsplan
                            voorkomen, is het wenselijk om in een procedure zowel de planologische
                            wijziging - het bestemmingsplan - als de concrete uitwerking in de vorm
                            van een bouwplan te regelen. Daarmee is de samenhang tussen de te nemen
                            besluiten maximaal zichtbaar en wordt de door de wet beoogde
                            vereenvoudiging van procedures bewerkstelligd, zodat de dienstverlening
                            aan de vergunningaanvrager geoptimaliseerd kan worden. De efficiënte
                            procedure van de coördinatieregeling zorgt ook voor lagere
                            procedurekosten en minder bestuurlijke lasten.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Wat houdt de coördinatieregeling in?</titel>
          </kop>
          <al>Met het coördineren bedoelt de wetgever dat besluiten die met elkaar te
                            maken hebben in een procedure worden voorbereid. Het gaat bijvoorbeeld
                            om een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                            bouwwerk, het slopen van een bouwwerk en het wijzigen van een monument
                            en een bestemmingsplan nodig zijn. De procedures voor de vergunningen en
                            voor het bestemmingsplan worden dus gecombineerd tot een procedure. Het
                            vaststellingsbesluit over een bestemmingsplan mag namelijk een van de te
                            coördineren besluiten zijn. Als dat zo is, dan is de
                            bestemmingsplanprocedure ook van toepassing op de besluiten die met het
                            bestemmingsplan gecoördineerd worden voorbereid. Dit betekent dus dat we
                            eerst een ontwerp 6 weken ter inzage leggen waarbij de burger de
                            mogelijkheid heeft om zienswijzen in te dienen. Na vaststelling kan de
                            burger dan in één keer rechtstreeks beroep instellen bij de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er zijn dan dus geen aparte
                            procedures meer. Dit zorgt voor een kortere procedure. </al>
          <al/>
          <al>Daarnaast bepaalde de wetgever dat de omgevingsvergunning voor een
                            bouwplan dat met een bestemmingsplan is voorbereid, verleend kan worden
                            voordat het bestemmingsplan in werking treedt. Als de
                            coördinatieregeling niet wordt toegepast kan een omgevingsvergunning pas
                            verleend worden als het bestemmingsplan in werking is getreden. Dit
                            zorgt ook voor een kortere procedure.</al>
          <al/>
          <al>Een tweede belangrijk voordeel van de gecoördineerd voorbereide
                            besluiten is dat de samenhang tussen de te nemen besluiten voor iedereen
                            duidelijk is. Zonder dat dit ten koste gaat van eventuele bezwaar- en
                            beroepsmogelijkheden. </al>
          <al/>
          <al>Het vervallen van de mogelijkheden om bezwaar te maken en beroep bij de
                            rechtbank in te stellen kan risico's met zich meebrengen, omdat een
                            negatieve uitspraak over een van de besluiten gevolg kan hebben voor
                            daarmee samenhangende besluiten. In het geval van een negatieve
                            uitspraak over het bestemmingsplan zal bijvoorbeeld ook het besluit om
                            een omgevingsvergunning te verlenen vernietigd worden.</al>
          <al/>
          <al>Samenvattend: vergunningverlening via de coördinatieregeling is gunstig,
                            want sneller door het eenvoudige beroep en met duidelijkheid over de
                            samenhang tussen de genomen besluiten.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?</titel>
          </kop>
          <al>Het is niet goed denkbaar dat heel grote projecten gecoördineerd worden.
                            De wet geeft geen beperkingen aan de omvang van bouwprojecten. De
                            coördinatieverordening kan wel beperkingen bevatten, maar dat hoeft
                            niet. Een aanvrager wil bij grote projecten vaak zekerheid hebben over
                            de planologische inpassing in een bestemmingsplan, voordat er kosten
                            gemaakt worden om bouwtekeningen te maken. We kozen er bij deze
                            coördinatieverordening niet voor om beperkingen te stellen aan de omvang
                            het te coördineren project. Dit omdat de coördinatieverordening de
                            bestemmingsplanprocedure verplicht stelt. Ook wordt de omvang van de via
                            de coördinatieverordening te realiseren projecten op natuurlijke wijze
                            beperkt.</al>
          <al/>
          <al>De wet staat een ruime coördinatie toe. De coördinatieverordening
                            beperkt zich echter tot die gevallen waarin naast een
                            omgevingsvergunning ook de wijziging van een bestemmingsplan nodig is.
                            Dat is niet alleen om te voldoen aan het wettelijke kader, maar ook
                            omdat het goed is om aan de hand van de dagelijkse praktijk routine op
                            te doen en de behoefte in beeld te brengen. Mocht het werken met de
                            coördinatieregeling goed bevallen, dan kan het aantal gevallen
                            uitgebreid worden. Hiervoor maken we dan een apart voorstel.</al>
          <al/>
          <al>Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te
                            maken, bepaalt de verordening dat de voorbereiding niet gecoördineerd
                            mag worden als er complicerende factoren een rol spelen. Er worden
                            alleen besluiten gecoördineerd die door de gemeentelijke overheid worden
                            genomen, waarvoor geen milieueffectrapport nodig is en waarover
                            financieel overeenstemming is tussen de gemeente en de aanvrager.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>De gevolgen voor het gemeentebestuur</titel>
          </kop>
          <al>Het valt op dat de gemeenteraad de facto besluit over de
                            vergunningverlening voor plannen die niet in de geldende
                            bestemmingsplannen passen. Dat heeft de wetgever zo gewild. Het
                            bovenstaande is overigens ook het geval bij een niet-gecoördineerde
                            vergunningverlening, omdat de gemeenteraad dan ook een bestemmingsplan
                            moet vaststellen voordat de omgevingsvergunning kan worden afgegeven,
                            dan wel een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven bij een
                            omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder
                            3 Wabo (voorheen projectbesluit). De gemeenteraad van Buren stelde op 19
                            juli 2011 de Beleidsregel categorieën van gevallen vast. Voor deze
                            gevallen is geen verklaring van geen bedenkingen meer nodig. </al>
          <al/>
          <al>Het bovenstaande is wel vreemd omdat de bevoegdheid tot het nemen van
                            uitvoeringsbesluiten volgens het duale stelsel bij het uitvoerende
                            bestuursorgaan, het college, hoort te liggen. Met het vaststellen van de
                            verordening wordt voorkomen dat de gemeenteraad belast wordt met
                            besluiten over de toepassing van de coördinatieregeling. De verordening
                            verhindert niet dat de gemeenteraad een afzonderlijk besluit neemt om de
                            coördinatieregeling toe te passen in een geval dat niet onder de
                            reikwijdte van de verordening valt. De gemeenteraad bepaald dus ten alle
                            tijden nog over het al dan niet meewerken aan een project. De
                            coördinatieverordening verandert daar niets aan. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>De gevolgen voor de aanvrager</titel>
          </kop>
          <al>De snelle en overzichtelijke besluitvorming is handig voor de burger.
                            Dit geldt voor zowel de bouwende burger als voor een eventuele
                            tegenstander van de bouw. De samenhang tussen de besluiten is goed
                            zichtbaar en men weet snel waar men aan toe is.</al>
          <al/>
          <al>Hoewel de ervaring dat nog moet uitwijzen verwachten we dat de kosten in
                            geval vangecoördineerde besluiten' lager zijn,. Dit omdat er minder
                            bestuursadviezen nodig zijn. Ook zijn er minder bezwaar- en
                            beroepsprocedures.</al>
          <al/>
          <al>De gemeente moet, voordat de coördinatieregeling wordt toegepast, met de
                            aanvrager bespreken of coördinatie gunstig is. De aanvrager is in geen
                            geval verplicht tot coördinatie.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen</titel>
          </kop>
          <al>De coördinatieregeling kan en mag alleen toegepast worden als de
                            gemeenteraad daartoe besloten heeft òf als de gemeenteraad (in een
                            verordening) heeft vastgesteld in welke gevallen het mogelijk is om de
                            coördinatieregeling te gebruiken.</al>
          <al/>
          <al>Zonder coördinatieverordening kunnen we de coördinatieregeling dus
                            alleen gebruiken als de</al>
          <al>gemeenteraad daar per geval een besluit over neemt. Dat is natuurlijk
                            mogelijk, maar dat zou kunnen betekenen dat de gemeenteraad extra belast
                            wordt en dat de procedure met enige maanden vertraging start. En dat
                            terwijl de coördinatieregeling onder meer bedoeld is om tempo te kunnen
                            maken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Relatie met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de
                            Algemene Wet bestuursrecht (Awb)</titel>
          </kop>
          <al>Op 1 oktober 2010 trad de Wabo in werking. Binnen deze wet worden veel
                            vergunningen gezamenlijk afgehandeld. De Wabo biedt echter geen
                            mogelijkheden tot het coördineren van een vergunningsbesluit met het
                            wijzigen van een bestemmingsplan. De coördinatieregeling is dus een
                            aanvulling op de Wabo. Dat is ook een reden geweest om de
                            coördinatieverordening toe te spitsen op die aanvulling. Op deze wijze
                            bevat de coördinatieverordening geen elementen die in de Wabo geregeld
                            zijn.</al>
          <al/>
          <al>Daarnaast trad op 1 Juli 2008 de Wet samenhangende besluiten Awb in
                            werking. Daarin zijn procedureregels opgenomen die in acht kunnen worden
                            genomen als besluiten gecoördineerd worden. </al>
          <al/>
          <al>De coördinatieverordening maakt dankbaar gebruik van de geboden
                            wettelijke mogelijkheid. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Relatie met milieuwetgeving</titel>
          </kop>
          <al>De gecoördineerde voorbereiding van besluiten bevat altijd een
                            bestemmingsplanprocedure (zie ook hieronder: artikelsgewijze toelichting
                            over artikel 2). Daarmee is gegarandeerd dat de nodige milieuwetten
                            worden nageleefd. Het bestemmingsplan moet immers onderbouwd worden met
                            de uitkomsten van onderzoeken naar bijvoorbeeld de luchtkwaliteit, de
                            externe veiligheid, de ecologische (hoofd-)structuur, het geluid,
                            etc.</al>
        </divisie>
        <al>
          <vet>3.2 Toelichting per artikel</vet>
        </al>
        <al>Hieronder volgt een aparte toelichting per artikel. Per artikel lichten
                            we kort toe waarop het artikel betrekking heeft. </al>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft aan dat de coördinatieregeling alleen betrekking heeft
                            op het coördineren van de omgevingsvergunning met de procedure van een
                            bestemmingsplan. Daarbij kunnen vergunningen of uitvoeringsbesluit die
                            een relatie hebben met de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan ook
                            betrokken worden bij de coördinatie.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 3 geeft een opsomming van de vergunningen en ontheffingen die in
                            combinatie met debestemmingsplanherziening en de omgevingsvergunning
                            gecoördineerd kunnen worden voorbereid.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 4 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                            coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het
                            woordje "en" om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen
                            toegepast mag worden als aan alle voorwaarden is voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Lid a</onderstreept> vormt de basis van de
                            coördinatieverordening: coördinatie op grond van de
                            coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over
                            een bestemmingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning tot de
                            te coördineren besluiten behoren. De omgevingsvergunning moet een plan
                            betreffen dat op het moment van indienen op grond van artikel 2.10 lid 1
                            sub c of 2.11 lid 1 van de Wabo geweigerd zou moeten worden en die
                            slechts op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo kan
                            worden verleend. Het bestemmingsplan dat de gecoördineerd wordt, moet de
                            strijdigheid opheffen, zodat op grond van artikel 3.30 lid 3 Wro de
                            vergunning verleend kan worden.</al>
          <al>Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze
                            verordening dus niet toegepast worden als de aanvraag past in het
                            geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie met alleen een
                            nieuw bestemmingsplan neerkomen op het omzeilen van de gewone
                            vergunningprocedure. </al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Lid b</onderstreept> houdt in dat, als aan de voorwaarde
                            van lid a voldaan is, er meer besluiten in de gecoördineerde
                            voorbereiding mogen meedoen. Die besluiten moeten dan wel genoemd zijn
                            in artikel 3 van de verordening. Het college van burgemeester en
                            wethouders is het coördinerende orgaan dat controleert of aan de
                            wettelijke voorwaarden en de voorwaarden van de verordening is
                            voldaan.</al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Lid c</onderstreept> moet ruim geïnterpreteerd worden. Het
                            gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen van lid d is
                            voldaan, maar het college ziet ook of aan de procedure-eisen voldaan is.
                            Het college kan ook afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het
                            college constateert dat de gemeente geen bestemmingswijziging wil. Uit
                            artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                            coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college
                            coördinatie "bevordert". Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat
                            op grond van deze verordening mogelijk is, een gecoördineerde
                            besluitvorming voorstaat. Een ruime uitleg van lid c kan er niet toe
                            leiden dat het college gevallen coördineert die niet onder de
                            verordening vallen en waartoe de raad niet expliciet heeft besloten. De
                            wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te besluiten dat
                            gecoördineerde besluitvorming wenselijk is, niet toe.</al>
          <al/>
          <al>Op grond van <onderstreept>lid d</onderstreept> stelt het college van
                            burgemeester en wethouders vast of artikel 5 geen</al>
          <al>belemmering is voor het toepassen van de coördinatieverordening. Dit lid
                            d moet beperkt uitgelegd worden: als er een belemmering is, dan is een
                            gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.</al>
          <al/>
          <al>Uit <onderstreept>lid e</onderstreept> blijkt dat de aanvrager en de
                            gemeente samen de coördinatieregeling moeten willen</al>
          <al>toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen worden om mee te werken aan
                            een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk inhouden dat de
                            aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te vragen.
                            De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van
                            coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil
                            weten dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten
                            wil maken voor het maken van een bouwtekening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
          </kop>
          <al>In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is. De
                            leden a en b sluiten uit dat</al>
          <al>besluiten gecoördineerd worden voorbereid, terwijl de uitkomst van de
                            voorbereiding nog onzeker is. Zolang geen MER is opgesteld, is ook niet
                            duidelijk welke locatievariant of welke inrichtingsvariant de voorkeur
                            heeft.</al>
          <al/>
          <al>Ook de noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan maakt de
                            procedure ingewikkelder. Het feit dat een exploitatieplan nodig is,
                            betekent dat er met partijen geen overeenstemming is over de
                            financiering, wat geen goede basis is voor een gecoördineerde
                            voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo'n geval te proberen om alsnog
                            met partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de
                            voortvarendheid waarmee via de coördinatieregeling uitvoering kan worden
                            voorbereid.</al>
          <al/>
          <al>De gemeente kan vooraf een planschaderisico-analyse vragen. In te
                            sluiten overeenkomsten tot aanpassing van een bestemmingsplan moet in
                            ieder geval staan dat de aanvrager de kosten voor planschade voor zijn
                            rekening neemt. Als de aanvrager dat niet wil, dan zou het financiële
                            risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de gemeente
                            liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico.
                            Gecoördineerde besluitvorming Is in zo'n geval dan ook niet
                            wenselijk.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
          </kop>
          <al>De wet geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de
                            coördinatieregeling uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de
                            gemeente duidelijkheid geeft over de uitvoering. Daarom draagt de
                            gemeenteraad het college in dit artikel op om een procedureregeling vast
                            te stellen. Daarin kan bijvoorbeeld worden aangegeven hoeveel tijd de
                            aanvrager heeft om de te coördineren vergunningen aan te vragen.</al>
          <al/>
          <al>In onderdeel 8 van algemene toelichting is al uitgelegd dat de wetgever
                            hulp heeft geboden met de Wet samenhangende besluiten Awb die een
                            coördinatieprocedure toevoegt aan de Algemene wet bestuursrecht. Dit
                            nieuwe onderdeel van de Awb (met name: § 3.5.3) werkt pas als een wet of
                            een gemeentelijke verordening de procedure van toepassing verklaart.
                            Zolang het college nog geen procedureregeling heeft vastgesteld is op
                            grond van lid 3 de procedure van de Awb van toepassing (met uitzondering
                            van de artikelen 3.28 en 3.29 over administratief beroep. Deze artikelen
                            zijn overbodig, omdat de Wro dit aspect regelt). Dat is handig, omdat de
                            regeling van het college nog niet klaar is en het overigens ook aan te
                            bevelen is om die regeling pas op te stellen nadat ervaring is opgedaan
                            met het toepassen van de coördinatieregeling.</al>
          <al/>
          <al>Als het college een procedureregeling vaststelt en bekend maakt, blijft
                            lid c buiten toepassing.</al>
          <al/>
          <al>De Wet samenhangende besluiten Awb verplicht het college van
                            burgemeester en wethouders om een aanvrager in kennis te stellen van
                            alle vergunningen die de aanvrager voor zijn project nodig heeft. Lid 2
                            geeft aan dat het wenselijk is dat het college in de procedureregeling
                            aangeeft hoe aan die verplichting vorm wordt gegeven.</al>
          <al/>
          <al>Lid 4 is opgenomen voor alle duidelijkheid. Dat het college het
                            "coördinerend orgaan" is, blijkt ook al uit artikel 3.31, eerste lid
                            Wro, dus feitelijk is dit lid overbodig.</al>
          <al/>
          <al>De procedureregeling moet uiteraard ook gelden als de raad in een
                            bepaald geval dat niet onder de coördinatieverordening valt heeft
                            besloten tot coördinatie. Lid 5 ziet hierop. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
          </kop>
          <al>De aanvrager kan verzoeken de aanvraag van een bepaald besluit niet
                            langer te ‘coördineren’. Het college kan binnen een termijn een besluit
                            nemen over de onttrekking. Deze termijn is in de modelverordening
                            opengelaten. Na onttrekking uit de coördinatie herleven de 'eigen'
                            wettelijke procedures en voorschriften voor het betreffende besluit,
                            zoals de 'eigen' beslistermijnen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
          </kop>
          <al>Het college kan het noodzakelijk vinden dat de gecoördineerde
                            behandeling van een bepaald besluit wordt beëindigd, bijvoorbeeld als
                            uitvoerig nader onderzoek is vereist. Het resultaat afwachten kan de
                            gehele voortgang van de coördinatie verstoren. Het college kan in dat
                            geval besluiten dat de aanvraag voor dat besluit buiten de coördinatie
                            wordt geplaatst. De 'eigen' procedures en voorschriften voor het
                            bestreffende besluit zullen gelden op het moment dat het besluit buiten
                            de coördinatie valt.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
          </kop>
          <al>Als het college ambtshalve of op verzoek beslist dat een aanvraag voor
                            een besluit uit de coördinatie wordt gehaald, dan zou dit grote
                            onduidelijkheid kunnen opleveren over de juridische status van de
                            besluitvormingsprocedure van deze aanvraag. Voor besluiten die uit de
                            coördinatie worden gehaald geldt de hoofdregel dat de 'eigen' procedures
                            en voorschriften herleven. De vraag is echter in welke fase van
                            besluitvorming met de 'eigen' procedures en voorschriften moet worden
                            verdergegaan. Dit artikel geeft een algemene terugvalregeling voor
                            gevallen waarin de aanvraag voor een besluit uit de coördinatie wordt
                            gehaald: het tijdstip waarop wordt beslist dat de aanvraag voor het
                            besluit uit de coördinatie wordt gehaald, wordt geacht het tijdstip te
                            zijn waarop de aanvraag is ingediend. Anders gezegd, de gebruikelijke
                            wettelijke voorschriften en termijnen voor deze aanvraag vangen aan op
                            het tijdstip dat het college beslist de aanvraag uit de coördinatie te
                            halen; dit moment wordt immers geacht het moment van indiening van de
                            aanvraag te zijn.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
          </kop>
          <al>Dit artikel bevat onder meer de bepaling dat procedures, waarvoor de
                            raad al een coördinatiebesluit heeft genomen maar op het moment van
                            inwerkingtreding van deze verordening nog niet zijn gestart, worden
                            gestart met inachtname van het bepaalde in artikel 6 van deze
                            verordening. Procedures die al wel zijn gestart worden voortgezet met
                            inachtname van hetgeen in het betreffende coördinatiebesluit is bepaald.
                            Met betrekking tot de beantwoording van de vraag of een procedure al dan
                            niet is gestart is bepalend of de ontwerpbesluiten inmiddels al dan niet
                            ter inzage zijn gelegd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>