<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297671_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Capelle aan den IJssel 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-76838.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dverrekening%2bbestuurlijke%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20160202%26epd%3d20160202%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dCapelle%2baan%2bden%2bIJssel%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=4&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad Jaargang 2014 Nr. 76838 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Capelle aan den IJssel 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging artikel 1, letter 9</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verseonnr. 602269</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Capelle aan den
                IJssel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al/><al>gezien het advies van de Cliëntenraad Sociale Zaken van 10 april 2013;</al><al/><al>overwegende dat de gemeenteraad op grond van de Wet werk en bijstand bij
                        verordening regelsdient te stellen over de verrekening van de bestuurlijke
                        boete bij recidive als bedoeld in artikel 60bvan de Wet werk en
                        bijstand;</al><al/><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        Capelle aan den IJssel2013, vergezeld gaande van de daarbij behorende
                        toelichting.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende: de personen genoemd in artikel 4 van de
                                            wet;</al></li><li nr="b."><al>beslagvrije voet: de beslagvrije voet als bedoeld in de
                                            artikelen 475c tot en met 475e van hetWetboek van
                                            Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="c."><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                                            of diens gezin beschikt ofredelijkerwijs kan beschikken,
                                            met uitzondering van het in de woning met bijbehorend
                                            erfgebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid,
                                            van de wet;</al></li><li nr="d."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de
                                            gemeente Capelle aan den IJssel;</al></li><li nr="e."><al>recidiveboete: een bestuurlijke boete als bedoeld in
                                            artikel 18a, vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als bedoeld
                                            in artikel 60, vierde lid, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>wet: de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden de begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde</al><al>betekenis als in de wet, tenzij daarvan wordt afgeweken in het
                                    eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen bij voldoende bezit</titel></kop><al>1.Indien het bezit waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs
                            kan beschikken tenminste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm
                            bedraagt, verrekent het college de recidiveboetezonder inachtneming van
                            de beslagvrije voet.</al><al>2.De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                            tijdvak van ten hoogstedrie maanden met ingang van de eerste dag van de
                            kalendermaand volgend op de dagtekeningwaarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>1.Indien het bezit waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs
                            kan beschikken niet tenminste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm
                            bedraagt, verrekent het college de recidiveboetegedurende één maand
                            zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedtmet
                            ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dagtekening
                            waarop debestuurlijke boete is opgelegd.</al><al>2.Aansluitend op de verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                            het college derecidiveboete in de daaropvolgende twee maanden op een
                            dusdanige wijze dat belanghebbendeblijft beschikken over een inkomen ter
                            hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>3.Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                            gerekend als bedoeld inartikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de
                            wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van debeslagvrije voet verrekenen indien:</al><al>a.aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 2
                            of 3, zou leiden tothuisuitzetting van belanghebbende; of</al><al>b.anderszins sprake is van dringende redenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijkeboete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de wet, indien en voor zover deze boete nog niet isbetaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive</al><al>Capelle aan den IJssel 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking zoals
                            bedoeld in artikel 139van de Gemeentewet.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 10 juni 2013,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING VERREKENING BESTUURLIJKE BOETE BIJ
                        RECIDIVE</titel></kop><tussenkop>CAPELLE AAN DEN IJSSEL 2013</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werkinggetreden. Voor de WWB introduceert deze wet de
                    bestuurlijke boete bij een schending van deinlichtingenplicht. Het college is
                    verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen.</al><al>In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in
                    acht genomen worden.</al><al>Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college
                    besluiten de boetegedurende maximaal drie maanden zonder bescherming van de
                    beslagvrije voet met de bijstandsuitkering te verrekenen. Er is sprake van
                    recidive indien binnen vijf jaar (tien jaar bij eenstrafrechtelijke sanctie) na
                    het onherroepelijk worden van de eerdere boete opnieuw schending van de
                    inlichtingenplicht plaatsvindt met als gevolg het ontstaan van een
                    fraudevordering.</al><al>De wet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De nieuwe
                    bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. Omgemeenten
                    enige aanknopingspunten te bieden, hebben het RCF Kenniscentrum Handhaving -
                    Landelijk Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Schulinck gezamenlijk een
                    modelverordening ontwikkeld, waarvan het uitgangsprincipe, behoudens enkele
                    technische aspecten, in deze verordening is overgenomen.</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van debeslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van anderegemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de wet is geregeld dat het college die de uitkering
                    verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                    komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd.</al><al/><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel worden definities gegeven van begrippen die in de verordening
                    voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt
                    verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de wet om
                    ervoor te zorgen, dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving die
                    van toepassing is.</al><al/><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken.</al><al>Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. Dit
                    betekent dat ook rekening gehouden moet worden met andere (parttime) inkomsten
                    waarover de belanghebbende of zijn gezin kan beschikken.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in de verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in
                    mindering gebracht. Ook de vermogensvrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van
                    de wet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten,
                    zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                    volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                    kunnen voorzien.</al><al>Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde
                    (eigen) woning.</al><al>Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de belanghebbende een aanwezige auto te gelde
                    moet maken. Het geld dat hiervoor beschikbaar kan komen kan belanghebbende
                    redelijk snel over beschikken. Voor het bijvoorbeeld afkopen van een
                    levensverzekering zou mogelijk een langere periode kunnen gelden. Per
                    individuele situatie zal beoordeeld moeten worden of de belanghebbende op een
                    vrije korte termijn (redelijkerwijs) zijn bezit te gelde kan maken om gedurende
                    de periode van verrekening in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien.</al><al/><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De wet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke
                    Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling
                    opgenomen in de verordening.</al><al/><al/><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de belanghebbende over ten minste driemaal de toepasselijke
                    bijstandsnorm beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken.</al><al>Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode
                    van drie maanden overbrugd moeten kunnen worden. Andere inkomsten die de
                    belanghebbende de komende drie maanden ontvangt worden dus ook in ogenschouw
                    genomen.</al><al>Op grond van artikel 18a, lid 8 WWB is degene aan wie een boete is opgelegd,
                    verplicht op verzoek aan het college (binnen 7 dagen - overeenkomstig de termijn
                    die geldt om wijzigingen door te geven die van belang kunnen zijn voor het recht
                    op uitkering) inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
                    boete van belang zijn. Dit betekent dat als de belanghebbende geen of
                    onvoldoende inzage geeft in zijn bezittingen het college de boete verrekent
                    zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekeningmet de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonderinachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met debeslagvrije
                    voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een
                    inkomen ter hoogte van80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienstheeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de
                    toepasselijkebijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste
                    lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaathier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag eenduidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten.
                    Hetvolledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie
                    maanden kan kwalijkemaatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen
                    worden, nu de regeling daarmee zijn doelvoorbij zou schieten.</al><al>Een alleenstaande ouder van 27 jaar en ouder kan inkomsten uit arbeid hebben die
                    op grond van artikel 31,tweede lid, onderdelen n of r, van de wet worden
                    vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot
                    80% van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college
                    laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag
                    of een belanghebbende nogover voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid
                    3.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald dat een uitzondering kan worden gemaakt op het niet in
                    aanmerking nemen van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 2 en 3.</al><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Het gaat daarbij altijd om individuele
                    omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende.</al><al>Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige verrekening op
                    straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar verergert, met alle
                    maatschappelijke kosten van dien. Belanghebbende moet dus hoofdhuurder zijn of
                    eigenaar de woning.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b.</al><al>De belanghebbende zal aannemelijk moeten maken dat de verrekening zal leiden tot
                    huisuitzetting van de door belanghebbende bewoonde (eigen) woning. Op grond van
                    artikel 18a, achtste lid van de wet is degene aan wie een boete is opgelegd
                    verplicht desgevraagd aan het college inlichtingen te verstrekken die voor de
                    tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.</al><al>Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                    huisuitzetting, kan het college rekening houden met de bescherming van de
                    beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.</al><al>Het moet dan gaan om zeer ernstige gevolgen voor de belanghebbende of diens
                    gezin.</al><al>Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de wet is bepaald dat de bevoegdheid om te
                    verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                    bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Aangezien in de
                    praktijk nog geen sprake is van een belanghebbende waarbij na 1 januari 2013 tot
                    twee keer toe sprake is geweest van een fraudevordering die heeft geleid tot het
                    opleggen van een bestuurlijke boete, zal de latere inwerkingtreding geen tot
                    nauwelijks gevolgen hebben.</al><al>Waar een recidiveboete wel aan de orde is, vindt verrekening plaats met
                    toepassing van de beslagvrije voet.</al><al>Op deze manier wordt een belanghebbende niet in een nadelige positie
                    gebracht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>