<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297295_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Wijdemeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijdemeren</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-06-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijdemeren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wijdemeren Informeren, 05-06-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Wijdemeren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1, aanhef en onder b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de artikelen 20 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Wijdemeren</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Wijdemeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>De raad van de gemeente Wijdemeren;</cursief></al><al><cursief>gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, aanhef
                            en onder b, h en i, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 van de
                            Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen;</cursief></al><al><cursief>overwegende, dat het noodzakelijk is de Maatregelenverordening in
                            het kader van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen in overeenstemming te brengen met de Wet aanscherping
                            handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving; </cursief></al><al><cursief>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders de dato 16
                            april 2013</cursief>;</al><al><cursief>Gelet op het advies van de Cliëntenraad de dato 27 april
                            2013</cursief>;</al><al><cursief>Gehoord de commissie maatschappelijke zaken de dato 7 mei
                            2013</cursief></al><al><vet>BESLUIT</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 Wijdemeren</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) met</al><al>met inbegrip van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz
                            2004),</al><al>de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. </al><al/><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="b."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de WWB, alsmede een
                                    uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ; </al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de WWB;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de WWB of, voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ
                                    uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel
                                    5, derde vierde en vijfde lid IOAW, respectievelijk artikel 5
                                    vierde lid IOAZ; Voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering
                                    ontvangen of hebben ontvangen wordt onder ‘bijstandsnorm’
                                    verstaan de norm die op grond van artikel 78f van de wet op hen
                                    van toepassing is;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                    tweede lid, van de WWB en het verlagen van de uitkering op grond
                                    van artikel 20 van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot een
                                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="h."><al>recidiveboete: een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a
                                    vijfde lid van de WWB; </al></li><li nr="i."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="j."><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid,
                                    van de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Wijdemeren</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan, dan wel de verplichtingen die
                                voortvloeien uit de WWB, IOAW, IOAZ of de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen –met uitzondering van de
                                inlichtingenplicht op grond van artikel 17 eerste lid WWB en artikel
                                30c tweede en derde lid Wet Suwi- , dan wel de verplichtingen die in
                                de beschikking tot toekenning, wijziging of voortzetting van de
                                bijstand zijn opgenomen, niet of onvoldoende nakomt, waaronder
                                begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan
                                overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst
                                van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
                                verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de WWB, of als de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in
                                relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, daar aanleiding toe
                                geeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 en 3 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 WWB verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="2."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="3."><al>het bedrag of percentage waarmee de bijstand wordt
                                    verlaagd;</al></li><li nr="4."><al>het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de
                                    bijstandsnorm; </al></li><li nr="5."><al>en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de WWB of artikel 34 van de IOAW
                                        respectievelijk IOAZ werkzaamheden in het kader van de wet
                                        heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        WWB, of artikel 38, tweede lid, van het Bbz, of artikel 13
                                        van de IOAW respectievelijk IOAZ; of</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid,
                                        de individuele omstandigheden of het bestaan van dringende
                                        redenen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van
                                een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel
                                met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een kalendermaand,
                                tenzij in deze verordening een afwijkende termijn is opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen of schending meerdere
                                verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer
                                dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen, en het
                                niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak,
                                wordt slechts één maatregel opgelegd, bij verschil die uit de
                                hoogste categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer
                                dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen, en het
                                niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit verschillende
                                oorzaken, wordt voor iedere oorzaak een afzonderlijke maatregel
                                opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit
                                gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of
                            artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                            een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9, artikel 9a, 10, 10a en 44a en artikel 55 van de WWB, artikel
                            37 en artikel 38 en 38a IOAW, en artikel 37 en artikel 38 en 38a IOAZ
                            niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen
                                            van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen die naar
                                            het oordeel van het college noodzakelijk worden geacht
                                            voor de inschakeling in arbeid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            en scholing of sociale activering of zorg, dan wel aan
                                            een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing op
                                            opleiding;</al></li><li nr="c."><al>het niet voldoen aan de verplichting om naar vermogen
                                            opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige taken te
                                            verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren,
                                            waaronder mede wordt verstaan het onvoldoende meewerken
                                            aan het opstellen, uitvoeren, dan wel evalueren van een
                                            plan van aanpak;</al></li><li nr="b."><al>het in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling waaronder begrepen sociale
                                            activering of zorg;</al></li><li nr="c."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voor
                                            zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                                            artikel 43 lid 4 en 5 WWB.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet gebruikmaken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                            als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b WWB en
                                            artikel 10, eerste lid WWB, respectievelijk artikel 36
                                            eerste lid IOAW resp IOAZ, en artikel 37 eerste lid
                                            onderdeel e IOAW resp IOAZ , waaronder mede begrepen
                                            sociale activering of zorg, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde
                                categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het tweede lid
                                is opgelegd voor een derde keer schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging van de vierde categorie wordt een maatregel voor
                                onbepaalde tijd opgelegd, onverminderd het bepaalde bij artikel 6,
                                derde lid tweede zin. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld een besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 6 tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Gedragingen anders dan schending van de inlichtingen- dan wel
                            arbeidsverplichtingen die leiden tot een Maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, die wordt
                                afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn
                                gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van 3 maanden of korter: 30% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: 50% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke
                                boete.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10 wordt, indien
                                belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, een maatregel opgelegd
                                van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start
                                van de verrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 17 is met betrekking tot de maatregel, bedoeld in het eerste
                                lid, van overeenkomstige toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, of jegens medewerkers van een door het
                                college aangewezen bedrijf of instelling belast met de uitvoering
                                van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt onverminderd artikel
                                2, tweede lid, een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel kan worden verdubbeld, indien binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel, als
                                bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van een zelfde als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gelijkgesteld
                                het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verrekent de recidiveboete gedurende een tijdvak van
                                drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de
                                bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening als bedoeld in het eerste lid geschiedt op een
                                dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het derde lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de WWB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van artikel 15 kan het college de recidiveboete met
                            inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in artikel
                                    15, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                                    gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen</al></li></lijst><al>vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 15, 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Wet werk en bijstand, indien en voor zover deze boete nog
                            niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 5 dagen na
                                publicatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ, vastgesteld in de
                                vergadering van 2 februari 2012, wordt ingetrokken met ingang van de
                                dag van waarop deze verordening in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatregelen WWB, IOAW
                            en IOAZ 2013 Wijdemeren</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 23 mei 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier J.van Ditmarsch</ondertekening><ondertekening>de voorzitter drs. M.E. Smit</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013
                        gemeente Wijdemeren </titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctionering
                    SZW-wetgeving van kracht. Met deze wet wordt de boete geherintroduceerd in de
                    WWB, IOAW en IOAZ, als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht.
                    Daardoor valt de maatregel die hiervoor werd opgelegd weg, zodat een aanpassing
                    van de Maatregelverordening noodzakelijk is.</al><al><vet> Boete in plaats van maatregel</vet></al><al>Wie een uitkering van de gemeente ontvangt heeft verplichtingen. Komt men deze
                    niet na, dan kan dat gevolgen hebben voor de uitkering: tot nu toe werd de
                    uitkering dan tijdelijk verlaagd. Vanaf 1 januari 2013 is er een
                        <cursief>boete</cursief> als men de inlichtingenplicht niet nakomt.</al><al><vet>Welke verplichtingen zijn er onder andere?</vet></al><lijst><li nr="-"><al>de inlichtingenplicht: veranderingen in situatie zo snel mogelijk
                            doorgeven</al></li><li nr="-"><al>de arbeids- en re-integratieplicht: zoeken naar werk, solliciteren,
                            meewerken aan onderzoek of traject en aangeboden werk aannemen</al></li></lijst><al>Houdt men zich niet aan één of meer van de verplichtingen, dan heeft dit
                    gevolgen voor de uitkering. De gemeente kan de uitkering verlagen, of helemaal
                    niet uitbetalen. Dit heet een maatregel.</al><al><vet>Wat gaat er veranderen?</vet></al><al>Voor de arbeidsplicht verandert er (voorlopig) niets, wel voor de
                    inlichtingenplicht. Vanaf 1 januari 2013 kan de gemeente de uitkering niet meer
                    verlagen als men zich verwijtbaar niet aan de inlichtingenplicht houdt, men
                    krijgt nu een boete. Ook moet (een deel van) de uitkering terugbetaald als er
                    teveel uitkering is ontvangen.</al><al><vet>Hoe hoog is de boete?</vet></al><al>De boete bij het schenden van de inlichtingenplicht is vanaf 2013 100% of 150 %
                    van het bedrag dat onterecht aan uitkering is verstrekt. De boete bedraagt
                    dan</al><lijst><li nr="·"><al>100% van het bedrag als voor de eerste keer informatie niet of niet op
                            tijd is doorgegegeven</al></li><li nr="·"><al>150% van het bedrag als het de tweede of volgende keer is</al></li><li nr="·"><al>Het boetebedrag is altijd minstens € 150,-, ook als het bedrag dat
                            onterecht aan uitkering is ontvangen lager is</al></li><li nr="·"><al>Daarnaast moet men ook het teveel ontvangen bedrag aan uitkering
                            volledig terugbetalen</al></li></lijst><al>De gemeente verrekent de boete (indien mogelijk) met de uitkering. Ook het
                    bedrag aan uitkering dat onterecht werd verstrekt wordt verrekend. Als de
                    uitkering is beëindigd zal de gemeente een betalingsregeling afspreken. De
                    gemeente gebruikt ongeveer 10% van de bijstandsuitkering voor de aflossing. De
                    overige 90% heet de beslagvrije voet. Het hangt van de hoogte van de boete af
                    hoelang de aflossing duurt. Is het bedrag dat de klant betalen moet hoog, dan
                    kan de aflossing jaren duren.</al><al>De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De nieuwe
                    bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. </al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. </al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de WWB is geregeld dat het college die de uitkering
                    verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                    komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd.</al><al>Bij een IOAW/Z-uitkering mag de gemeente de uitkering 5 jaar lang gebruiken om
                    de boete af te lossen. Men krijgt dan eventueel (op verzoek) slechts geld voor
                    de huur, zorgpremie, en de kosten van de kinderen. De rest van de uitkering
                    wordt gebruikt voor de aflossing. Er geldt geen beslagvrije voet van 90% van de
                    uitkering. Wel kan men dan eventueel WWB aanvragen, waarin de beslagvrije voet
                    weer wel geldt. Binnen de WWB wordt dan een maatregel opgelegd.</al><al><vet>De term ‘maatregel’</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand omdat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of
                    in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB aangeduid
                    als het <cursief>afstemmen</cursief> van de uitkering op de mate waarin de
                    belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’
                    wordt het uitgangspunt van de WWB, IOAW en IOAZ benadrukt dat rechten en
                    plichten één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, is het advies aan gemeenten om het
                    verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen aan te duiden als het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt
                    niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en
                    Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan
                    benadrukt. Gemeenten zullen wel steeds voor ogen moeten houden dat het opleggen
                    van een maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter
                    voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                    gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand
                    met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden
                    verplichtingen nakomt.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt voor gemeenten om maatregelen op te leggen wanneer
                    een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, duiden wij de
                    verordening aan als ‘maatregelenverordening’. </al><al><vet>Verschil tussen maatregel en boete</vet></al><al>Zowel de maatregel als de boete is een bestuurlijke sanctie. Daarnaast zijn er 4
                    verschillen: </al><lijst><li nr="1."><al>De wijze van opleggen. De maatregel is reparatoir, de boete is
                            punitief.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel kan alleen opgelegd worden op een lopende uitkering en
                            betreft dan ook een verlaging van de uitkering, terwijl de boete ook nog
                            opgelegd kan worden als de uitkering al beëindigd is. De maatregel kan
                            ook nooit hoger zijn dan het bedrag aan uitkering. De boete kan wel
                            hoger zijn.</al></li><li nr="3."><al>De maatregel eindigt op het moment dat de uitkering beëindigd wordt. De
                            boete is niet aan de uitkering gebonden.</al></li><li nr="4."><al>De boete vervalt bij overlijden als de boete nog niet onherroepelijk is
                            geworden. Als de boete eenmaal onherroepelijk is geworden en betrokkene
                            komt te overlijden dan vervalt enkel de restschuld in het kader van de
                            boete, niet de boete zelf.</al></li></lijst><al>Het opleggen van een boete is een wettelijke verplichting. Hoe de boete na
                    recidive in de eerste drie maanden wordt verrekend is een vrijheid van de
                    gemeente. De regels hiervoor dienen in een verordening te worden
                    vastgelegd.</al><al><vet>Rechten en plichten in de WWB </vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. </al><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het
                    college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met
                    de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen.
                    Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien het college daartoe zeer
                    dringende reden aanwezig acht. </al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB). </al><al>Een verlaging volgens de maatregelenverordening moet niet gezien worden als een
                    strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden.
                    Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de
                    verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van
                    hetzelfde rechtsfeit. Het beginsel van ‘ne bis in idem’ (niet 2x voor hetzelfde)
                    staat daaraan in de weg.</al><al><vet>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ </vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering te verlagen of te
                    weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ).
                    De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening (artikel
                    35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAZ). </al><al><vet>De relatie met de Bbz</vet></al><al>Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het gaat hierbij om de
                    verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud, en de in de jaarnorm
                    opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en de premie
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm staat in artikel 1,
                    onderdeel g, Bbz.</al><al>Het betreft ook uitbreiding van het begrip inlichtingen- en medewerkingsplicht,
                    opgenomen in artikel 38, tweede lid van het Bbz: </al><al> De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een
                    administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop
                    van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college te overleggen. Die
                    plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om de
                    bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging van de
                    uitkeringstermijn aan de orde is. </al><al>Voor zelfstandigen die een uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben
                    ontvangen, gelden ook de algemene inlichtingplicht en de medewerkingsplicht. </al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel b, Bbz dat het
                    college de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen
                    van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In artikel 47 Bbz is
                    opgenomen dat het college kosten van bijstand in de vorm van een geldlening
                    terugvordert, indien de zelfstandige de uit de geldlening voortvloeiende
                    verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Het college is onder toepassing
                    van beide artikelen gehouden de geldlening over het betreffende boekjaar geheel
                    van de zelfstandige terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde
                    verplichting niet wordt nagekomen. Er is in dat geval in principe geen
                    aanleiding om tevens een maatregel op grond van deze verordening op te leggen:
                    de gehele jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook gen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet op
                    een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende:</al><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de
                    zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste
                    zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38,
                    derde lid Bbz).</al><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of
                    fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                    Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in
                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. </al><al>De in hoofdstuk 4 opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen)
                    zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een maatregel. Artikel 18 WWB,
                    tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het Bbz. </al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                    beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan
                    is het college bevoegd om een maatregel op te leggen, omdat de zelfstandige door
                    deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van
                    een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. </al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van
                    de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure
                    leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.),
                    op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering
                    brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.),
                    of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige
                    niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                    beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een maatregel.
                    Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de orde, indien er nog
                    sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode
                    kan worden vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen
                    en de daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de
                    maatregel, bedoeld in het derde lid van artikel 12 (20% van de bijstandnorm voor
                    één maand).</al><al>Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan. Dan
                    kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een maatregel aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013
                        gemeente Wijdemeren</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW,
                        IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden
                        gewijzigd. </al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening
                        verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is
                        de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met
                        verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een
                        uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan
                        de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5
                        IOAZ. Voor zelfstandigen met een BBZ-uitkering geldt de norm die op grond
                        van artikel 78f van de wet op hen van toepassing is;</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Eerste lid:</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het eerste lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of
                        gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of en welke maatregel moet
                        worden opgelegd, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere
                                aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Eerste lid</al><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over
                        de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                        inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al>Tweede lid</al><al>In artikel 3 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                        verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                        belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
                        12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                        die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                        uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde
                        lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat
                        uit de bijstandsnorm plus de verleende bijzondere bijstand op grond van
                        artikel 12 WWB.</al><al>Vierde lid</al><al>Dit verwijst naar de jaarnorm (de tot een bedrag per boekjaar omgerekende
                        som van de bijstandsnorm, artikel 1 onderdeel g, BBZ 2004) waarbij in het
                        begrip jaarnorm is opgenomen de bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en
                        premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                        ieder geval in het besluit moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met het
                        motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                        besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                        subsidies. De hoorplicht geldt ook niet bij het opleggen van een boete tot
                        340 euro, daarboven wel.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt’, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB en
                        artikel 20, derde lid, IOAW en IOAZ. Het antwoord op de vraag in hoeverre de
                        verwijtbaarheid ontbreekt vergt een individuele beoordeling. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b geregeld dat
                        het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                        geleden hebben plaatsgevonden. Nb: het gaat hierbij niet om schendingen
                        inlichtingenplicht.</al><al>Tweede lid</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd. </al><al>Derde lid</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive.</al><al>Gemeenten zouden in de hun verordening kunnen regelen dat in beginsel eerst
                        altijd een waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt
                        opgelegd.</al><al>In deze verordening is hiervoor niet gekozen. Hiervoor zijn twee redenen. De
                        eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat
                        uitkeringsgerechtigden (nogmaals) op de hoogte gesteld moeten worden van hun
                        verplichtingen.</al><al>Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over
                        de verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn. Klanten dienen op maat
                        geïnformeerd te worden en ook de dienstverlening zal op maat verzorgd moeten
                        worden. Deze werkwijze maakt onderdeel uit van zorgvuldig handhaven, waarbij
                        handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk
                        ook de naleving van de verplichtingen groter worden en maatregelen die
                        worden opgelegd beter worden geaccepteerd. De informatie over de maatregelen
                        moet goed toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn. Een
                        waarschuwing richting klanten kan bij dan beleid achterwege blijven.</al><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken met
                        het feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de oude
                        situatie mogelijk is. Dat is echter niet het geval. Uitgezonderd het niet of
                        niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve verplichtingen, waarbij
                        het verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand, hebben alle
                        andere gedragingen in meer of mindere mate gevolgen (gehad) voor het
                        verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>Overigens is in het individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van het
                        opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te geven.
                        In dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel a (afzien
                        van een maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt) of het
                        tweede lid (afzien van een maatregel omdat daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de eenvoudigste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                        herziening van de uitkering en het te veel betaalde bedrag aan bijstand
                        terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel
                        wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                        uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet
                        de uitkering wel worden herzien en teruggevorderd. Hier kan vooral gebruik
                        van worden gemaakt indien de belanghebbende geen recht meer op een uitkering
                        heeft en de maatregel dus niet in de toekomst kan worden uitgevoerd.</al><al>Derde lid</al><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening
                        verstrekt en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over
                        dat boekjaar definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel
                        met terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van
                        de bijstand.</al><al>Vierde lid</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd, en voor
                        de duur van een kalendermaand. Door een maatregel voor een bepaalde periode
                        op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde waar hij aan toe is. Het college
                        kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                        maatregel opleggen. Hiervoor is wel weer een apart besluit nodig.</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                        maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                        herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij
                        alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                        gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of
                        het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan
                        worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar
                        bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wél aan zijn verplichtingen
                        voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds is de
                        situatie geregeld dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                        verplichtingen oplevert. In het geval sprake is van één gedraging die
                        schending oplevert van meerdere in deze verordening geregelde verplichtingen
                        moet worden uitgegaan van de verplichting waarop de hoogste verlaging van
                        toepassing is (lid 1). </al><al>Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                        gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 2). In dit geval moet voor iedere
                        afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit niet
                        verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                        omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. </al><al>Indien sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                        verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                        afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld
                        in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie
                        voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en
                        afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke
                        sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één
                        sanctie op te leggen, waarbij de zwaarste sanctie wordt opgelegd, ongeacht
                        of dit een boete of afstemming is. Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de
                        hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke
                        boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare
                        gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer
                        maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig
                        rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                        maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk artikel 20 IOAZ
                        bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                        belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar
                        dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                        of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                        college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                        uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                        concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                        verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 9 van deze verordening
                        is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor gedragingen die verband
                        houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                        of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze gedragingen worden in
                        vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                        onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                        gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen (of behouden)
                        van betaalde arbeid.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                        arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van de
                        belanghebbende om voldoende te solliciteren en scholingsmogelijkheden te
                        onderzoeken en benutten. Hieronder valt mede het zonder geldige reden
                        niet-verschijnen op een afspraak of oproep. Aan dit artikel is ingaande 2012
                        een nieuwe bepaling toegevoegd: art 9 lid 1 onder c van de aangescherpte WWB
                        bevat de verplichting om naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                        nuttige taken te verrichten. Voorlopig is het niet voldoen aan deze
                        verplichting in de tweede categorie ondergebracht. Het betreft een nieuw
                        instrument waarmee nog eerst ervaring moet worden opgedaan en waar gezien de
                        parlementaire toelichting geen al te zware sanctie(dreiging) bij gehanteerd
                        kan worden.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                        vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren
                        daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                        aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                        arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn
                        negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het
                        opgestelde trajectplan, waaronder ook sociale activering verplicht kan
                        worden gesteld. Ook wanneer de vrijstelling van de sollicitatieplicht wordt
                        ingetrokken (art 9a lid 12 van de wet) i.v.m. wangedrag volgt in beginsel
                        een sanctie in categorie 3.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden of niet behouden van
                        algemeen geaccepteerde arbeid (al dan niet in deeltijd) en het niet
                        meewerken aan het plan van aanpak of proefplaatsing. waardoor verwijtbaar
                        een reëel uitzicht op een aansluitend dienstverband is verspeeld. Soms zien
                        klanten zonder goede reden van een dergelijk aanbod af. Dit kan worden
                        gelijkgesteld met werkweigering en wordt overeenkomstig gesanctioneerd.
                        Tenslotte wordt de vierde categorie ook van toepassing op de zwaardere
                        gevallen van onvoldoende medewerking waar uit houding en gedrag
                        ondubbelzinnig blijkt dat men niet wil voldoen aan zijn verplichtingen; voor
                        jongeren is de sanctie in deze gevallen al in de wet vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid.</al><al>Tweede lid</al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                        herhaling van de verwijtbare gedraging in dezelfde categorie, wordt de
                        grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                        verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging
                        wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                        maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                        geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                        opgelegd, bekend is gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                        toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                        hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zou moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        individuele omstandigheden van de betrokkene. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Gedragingen anders dan schending van de inlichtingen- dan wel
                            arbeidsverplichtingen die leiden tot een Maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Dit artikel is alléén van toepassing op de WWB. </al><al>Eerste lid </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd, maar ook tijdens de bijstandsperiode. Dit betekent dat wanneer
                        iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of tijdens een
                        bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden door het opleggen van een maatregel. De ernst van de gedraging
                        komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door
                        de gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand (netto). </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen van
                                alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen</al></li></lijst><al>Tweede lid </al><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de duur van de maatregel
                        en de periode waarover als gevolg van de gedraging beroep op bijstand wordt
                        gedaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten is ook aangescherpt
                        per 1 januari 2013. In wezen wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd
                        (boete ter hoogte van de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150%
                        daarvan), zij het dat de uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en Gemeente (voor
                        wat betreft de IOAW en IOAZ)) het uitstaande boetebedrag voor een termijn
                        van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder rekening te houden
                        met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat belanghebbenden, zodra de
                        verrekening wordt geëffectueerd, geen beschikking hebben over hun uitkering
                        en wanneer andere middelen ontbreken zullen zij dan een beroep moeten doen
                        op de bijstand. </al><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                        voorliggende voorzien teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef
                        van verantwoordelijkheid. Een en ander levert maatregelwaardig gedrag op, op
                        basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. De belanghebbende komt
                        feitelijk in een vergelijkbare situatie terecht als een recidiverende
                        bijstandsgerechtigde. Dit houdt in dat ook aan hem geen bijstand toekomt
                        drie maanden vanaf datum effectuering verrekening. Het staat hem daarbij wel
                        vrij om - gelijk de recidiverende bijstandsgerechtigde - een verzoek te doen
                        tot doorbetaling van de vaste lasten (tweede lid). Specifiek is de
                        effectuering van de verrekening en niet de datum van oplegging van de boete
                        gekozen als startpunt van de drie maandentermijn. Een en ander houdt verband
                        met het feit dat de verrekeningstermijn in deze vijf jaren bedraagt. Ook
                        wanneer de boete wordt opgelegd op een tijdstip dat hij niet afhankelijk is
                        van enige uitkering is de kans dat hij vanwege de verrekening op een bepaald
                        moment rechten niet te gelde kan maken reëel. </al><al>Opgemerkt zij nog dat de bepaling in welke situaties worden benoemd op basis
                        waarvan de verrekening enkel met in achtname van de beslagvrije voet wordt
                        toegepast, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Dit houdt
                        verband met het feit dat het hier niet om verrekenen maar om het verlagen
                        van de bijstand gaat. Bij verlaging van de bijstand is artikel 18, eerste
                        lid, van de Wet werk en bijstand van toepassing. Dat houdt in dat de
                        verlaging zal moeten worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en
                        middelen van belanghebbende. In dat kader kan ook rekening worden gehouden
                        met situaties die om een beperktere verlaging vragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen een
                        verlaging opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op
                        een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                        afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                        recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                        ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van
                        een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie bijvoorbeeld CRvB
                        06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat in artikel 9 van deze
                        verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB, IOAW of IOAZ. Indien een belanghebbende zich zeer
                        ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                        verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan
                        is binnen de WWB (respectievelijk IOAW en IOAZ) tegen deze gedraging geen
                        sanctie mogelijk. </al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom
                        kan geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens
                        (medewerkers van) het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging van de
                        bijstand op grond van de afstemmingsverordening. Het zich zeer ernstig
                        misdragen jegens het college in de zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens
                        het zich misdragen jegens een medewerker van het re-integratiebureau, omdat
                        deze personen werken in opdracht van het college en de misdraging van
                        negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende
                        verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008,
                        nr. 07/1478, LJN BC9884).</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                        plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                            <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake
                        als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te
                        bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die
                        ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan
                        worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate
                        van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al>In de leden 2 en 3 komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking dat
                        recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>In eerste instantie was deze verrekening – gelijk nog steeds in de IOAW en
                        IOAZ – als een verplichting opgenomen in de wet. De Kamer achtte echter,
                        juist bij bijstandsverlening, het risico reëel dat zich situaties zouden
                        kunnen voordoen waarbij de uiteindelijke totale maatschappelijke kosten
                        beduidend hoger lagen dan het met deze invorderingsmethodiek bereikte
                        resultaat. Reden voor de Kamer om de gemeente in dit kader meer
                        handelingsvrijheid te geven, om juist in deze individuele situaties af te
                        kunnen wijken van het principe. Vandaar dat bij de verrekening met de
                        bijstand niet gesproken wordt over een plicht, maar over een bij verordening
                        nader in te kaderen bevoegdheid.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om niet de volledige bijstand te
                        verrekenen, maar uit te gaan van een bepaald percentage daarvan. De wet
                        geeft gemeenten de vrijheid ook anders met de bevoegdheid om te gaan. Zo kan
                        de Gemeenteraad er ook voor kiezen om standaard in de eerste drie maanden
                        volledig te verrekenen bij voldoende bezit.</al><al>Gedurende het tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening
                        waarop de bestuurlijke boete is opgelegd, vindt weliswaar verrekening met de
                        beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft
                        beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm. Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                        invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                        wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19,
                        eerste lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                        fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                        herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                        duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                        zorgplicht van gemeenten. Het buiten werking stellen van de beslagvrije voet
                        gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben.
                        Dat moet voorkomen worden, als de regeling daarmee zijn doel voorbij zou
                        schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel
                        31, tweede lid, onderdelen n of r, van de WWB worden vrijgelaten voor de
                        algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                        bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat
                        deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag
                        of een belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld
                        in lid 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                        inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin gedeeltelijke verrekening
                        met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen
                        aan de orde in artikel 16. Het gaat daarbij altijd om individuele
                        omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van
                        artikel 15 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer verrekening met
                        20% gedurende drie maanden waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                        belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende
                        door die verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen
                        maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een
                        dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat
                        volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van
                        andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college
                        rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende
                        redenen is niet snel sprake. Het moet gaan om zeer bijzondere
                        omstandigheden, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de
                        belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te
                        verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening
                        aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen
                        voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. Bij
                        toepassing van dringende redenen kan bijv. gedacht worden dat toepassing van
                        artikel 15 onaanvaardbare consequenties heeft voor de eventuele minderjarige
                        belanghebbende(n) of dat de gezondheidstoestand van (een van de)
                        belanghebbende(n) naar het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd
                        doordat mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling
                        te financieren. Dit zijn situaties die ook tijdens de parlementaire
                        behandeling expliciet zijn benoemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de WWB is bepaald dat de bevoegdheid om te
                        verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                        bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                        recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college
                        die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 17
                        dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.
                    </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>