<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297157_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening Noordelijke Innovatie Ondersteunings Faciliteit (NIOF) 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2013, 13</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening Noordelijke Innovatie Ondersteunings Faciliteit (NIOF) 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013002003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 17-4-2013</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal blad, 2013, 13</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieverordening Noordelijke Innovatie Ondersteunings Faciliteit (NIOF) 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>inhoud</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1, Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><al>a. onderneming: duurzame organisatie die</al><al>- erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan
                            het maatschappelijke productie- en/of handelsproces met het oogmerk om
                            winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs
                            verwacht kan worden, en</al><al>- voldoet aan de in bijlage 1 van de verordening (EG) nummer 800/2008
                            van de commissie van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun
                            op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de
                            gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard ("de algemene
                            groepsvrijstellingsverordening"), vastgestelde definitie van kleine,
                            middelgrote en micro-ondernemingen. Indien de definitie zoals
                            vastgesteld door de Europese commissie wordt gewijzigd, verandert de
                            definitie van onderneming in deze regeling overeenkomstig, en</al><al>- geen publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan 10%
                            structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen;</al><al>b. groep: een economische eenheid waarin een of meer natuurlijke
                            personen, privaatrechtelijke rechtspersonen of ondernemingen
                            organisatorisch zijn verbonden met een of meer andere natuurlijke
                            personen, privaatrechtelijke rechtspersonen of ondernemingen;</al><al>c. deskundige: iemand die op grond van opleiding en ervaring
                            gekwalificeerd moet worden geacht om een opdracht uit te voeren in het
                            kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteit. De
                            deskundige is onafhankelijk;</al><al>d. prototype: model voor het aantonen van het werkingsprincipe van een
                            te ontwikkelen nieuw product dat aan productie of dienstverlening vooraf
                            gaat,maar niet wordt gebruikt voor (industriële) toepassing of
                            commerciële exploitatie. Het mag niet zien op routinematige of
                            periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen,
                            fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs
                            indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;</al><al>e. ontwikkelingsproject: systematische activiteit, erop gericht om voor
                            de onderneming technisch nieuwe producten, technisch nieuwe werkwijzen,
                            nieuwe diensten dan wel wezenlijke onderdelen daarvan te
                            ontwikkelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2, Doel van de regeling</titel></kop><al>De subsidieregeling heeft als doel de marktsector in Noord-Nederland te
                            versterken door strategische activiteiten, de verbetering van
                            inzetbaarheid van werknemers en deelneming aan een buitenlandse beurste
                            stimuleren, van de in artikel 3 opgenomen ondernemingen uit het midden-
                            en kleinbedrijf in de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3, Bepaalde ondernemingsactiviteiten</titel></kop><al>1. Subsidie kan worden verstrekt aan een onderneming, die volgens het
                            handelsregister een vestiging heeft in de provincies Drenthe, Fryslân of
                            Groningen en daar ondernemingsactiviteiten uitvoert.</al><al>2. De ondernemingsactiviteiten, waarvoor een subsidie kan worden
                            verstrekt worden vastgesteld en bekendgemaakt. Daarbij dient het project
                            uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend betrekking te hebben op de
                            desbetreffende ondernemingsactiviteit.</al><al>3. Subsidie wordt niet verleend ten behoeve van ondernemingen voor zover
                            zij zich bezig houden met de volgende activiteiten:</al><al>a. de primaire productie van landbouwproducten;</al><al>b. werkzaamheden in de kolenindustrie, of</al><al>c. werkzaamheden in de sector visserij of aquacultuur voor zover die
                            onder Verordening (EG) nummer 104/2000 vallen.</al><al>4. In afwijking van het derde lid, onder a, kan wel subsidie worden
                            verleend voor een project dat verband houdt met de verwerking en afzet
                            van landbouwproducten, met uitzondering van werkzaamheden op het gebied
                            van producten die zijn bedoeld om melk en zuivelproducten te imiteren of
                            te vervangen, zoals bedoeld in Verordening (EG) nummer 1234/2007 van de
                            Raad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4, Ontwikkelingsprojecten van en vermarkting door
                                ondernemingen</titel></kop><al>1. Voor subsidie komen in aanmerking ontwikkelingsprojecten van en
                            vermarkting door ondernemingen.</al><al>2. Als subsidiabele kosten worden hierbij in aanmerking genomen voor wat
                            betreft een:</al><al>a. ontwikkelingsproject:</al><al>1. kosten van het inschakelen van een deskundige voor een advies.
                            Uitvoerende werkzaamheden door de onafhankelijke deskundige zijn niet
                            subsidiabel;</al><al>2. onverminderd het bepaalde in het tweede lid, sub a, onder 1, kosten
                            van het inschakelen van een deskundige voor het bouwen van een
                            prototype;</al><al>3. materiaalkosten die onderdeel zijn van een prototype;</al><al>b. haalbaarheidsonderzoek: kosten van het inschakelen van een deskundige
                            voor het doen van onderzoek naar de technische of bedrijfseconomische
                            haalbaarheid van de uitbreiding van de productie met een voor de
                            onderneming nieuw product, nieuwe dienst of technisch nieuwe
                            werkwijze;</al><al>c. strategisch marketingplan: kosten van het inschakelen van een
                            deskundige voor het maken van een plan gericht op het opstellen of
                            herzien van beleid ten aanzien van de afzet van de onderneming;</al><al>d. marktverkenning: kosten van het inschakelen van een deskundige voor
                            het doen van onderzoek naar de afzetmogelijkheden van een product of
                            dienst van de onderneming;</al><al>e. bedrijfsovername:</al><al>1. kosten van het inschakelen van een deskundige voor het maken van een
                            plan waarin de bedrijfseconomische haalbaarheid inzake de overname van
                            een operationele onderneming in Drenthe, Fryslân of Groningen, behorende
                            tot de doelgroep van deze regeling, wordt onderzocht. Daarbij is de
                            overname gericht op voortzetting van de ondernemingsactiviteiten in
                            Noord-Nederland;</al><al>2. kosten van het inschakelen van een deskundige voor het maken van een
                            strategisch plan waarbij de mogelijkheden voor het laten overnemen van
                            de operationele onderneming in Drenthe, Fryslân of Groningen, behorende
                            tot de doelgroep van deze regeling, wordt onderzocht. Daarbij is het
                            plan gericht op voortzetting van de ondernemingsactiviteiten in
                            Noord-Nederland.</al><al>3. Het bedrag aan subsidiabele kosten genoemd in het tweede lid, onder a
                            tot en met e, dat per project minimaal vereist is, en het bedrag aan
                            subsidiabele kosten waarvoor per project de subsidie maximaal wordt
                            verleend, wordt vastgesteld en bekendgemaakt.</al><al>4. het subsidiepercentage wordt vastgesteld en bekendgemaakt.</al><al>5. De subsidie aan een onderneming bedraagt per kalenderjaar en per
                            kostensoort ten hoogste een nader vast te stellen en bekend te maken
                            bedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5, Verhoging van inzetbaarheid van werknemers in het
                                arbeidsproces</titel></kop><al>1. Voor subsidie komen in aanmerking projecten inzake verhoging van
                            inzetbaarheid van werknemers in het arbeidsproces.</al><al>2. Als subsidiabele kosten worden hierbij in aanmerking genomen
                            consultancykosten voor het inschakelen van een deskundige voor:</al><al>a. het uitvoeren van een employabilityscan en de eventueel daarbij
                            direct behorende begeleidingsactiviteiten, en</al><al>b. het opstellen van een ontwikkelingsplan en de daarbij direct
                            behorende begeleidingsactiviteiten gericht op:</al><al>1. het verhogen van het kwalificatieniveau van werknemers;</al><al>2. het verbeteren van de competenties van werknemers, of</al><al>3. het stimuleren van mobiliteit van werknemers.</al><al>3. Geen subsidiabele kosten zijn: kosten van scholing, opleidingen en
                            cursussen.</al><al>4. Het bedrag aan subsidiabele kosten genoemd in het tweede lid dat per
                            project minimaal vereist is en het bedrag aan subsidiabele kosten
                            waarvoor per project de subsidie maximaal wordt verleend, wordt
                            vastgesteld en bekend gemaakt.</al><al>5. Het subsidiepercentage wordt vastgesteld en bekendgemaakt.</al><al>6. De subsidie aan een onderneming bedraagt per kalenderjaar ten hoogste
                            een nader vast te stellen en bekend te maken bedrag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6, Subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in de
                                artikelen 4 en 5</titel></kop><al>Voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4 en 5 gezamenlijk wordt één
                            subsidieplafond vastgesteld en bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7, Deelneming aan buitenlandse beurzen</titel></kop><al>1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, zoals bedoeld in het
                            tweede lid, voor de eerste keer dat een onderneming aan een bepaalde
                            buitenlandse vakbeurs deelneemt.</al><al>2. Als subsidiabele kosten worden hierbij in aanmerking genomen: de
                            kosten van standbouw door derden, het huren van een stand, het huren van
                            een standplaats, huur van audiovisuele middelen, de transportkosten die
                            betrekking hebben op het vervoer van beursmaterialen en de kosten van
                            opslag van beursmaterialen ter plekke.</al><al>3. Aan een onderneming wordt gedurende een kalenderjaar voor de deelname
                            aan niet meer dan twee vakbeurzen subsidie verleend.</al><al>4. Het bedrag aan subsidiabele kosten genoemd in het tweede lid dat
                            minimaal vereist is, en het bedrag aan subsidiabele kosten waarvoor de
                            subsidie maximaal wordt verleend, wordt vastgesteld en
                            bekendgemaakt.</al><al>5. Het subsidiepercentage wordt vastgesteld en bekendgemaakt.</al><al>6. Het subsidieplafond wordt vastgesteld en bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8, Algemene bepalingen omtrent subsidiabele
                                kosten</titel></kop><al>Niet subsidiabel zijn:</al><al>a. omzetbelasting in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en
                            vergelijkbare belasting van andere staten;</al><al>b. kosten in verband met nakoming van wettelijke verplichtingen;</al><al>c. buitenlandse reis- en verblijfkosten;</al><al>d. kosten van projecten tot kwaliteitsverbetering of procesverbetering
                            gericht op certificering of de verwerving van erkenningscertificaten of
                            daarmee vergelijkbaar zijn en kosten van projecten voor de uitvoering
                            van maatregelen van milieubescherming of energiebesparing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9, Algemene bepalingen omtrent de hoogte van de
                                subsidie</titel></kop><al>1. Indien voor dezelfde kosten van het project één of meer andere
                            subsidies zijn of worden verleend, kunnen deze subsidies bij de
                            verlening of - indien deze na de verlening zijn toegekend - bij de
                            vaststelling, op het bedrag van de subsidie in mindering worden
                            gebracht.</al><al>2. Het bedrag van de subsidie wordt rechtevenredig verlaagd, indien de
                            onderneming deel uitmaakt van een groep en de gesubsidieerde
                            activiteiten mede betrekking hebben op de vestigingen van de groep
                            buiten de provincies Drenthe, Fryslân of Groningen. Het bedrag van de
                            verlaging wordt bepaald:</al><al>a. ten aanzien van de artikelen 4 en 7 aan de hand van de omzet van de
                            vestigingen buiten Noord-Nederland, ten opzichte van de totale omzet;
                            of</al><al>b. ten aanzien van artikel 4 en 7,indien geen gescheiden omzet bepaald
                            kan worden, aan de hand van het aantal fte's van de vestigingen buiten
                            Noord-Nederland, ten opzichte van het totaal aantal fte's;</al><al>c. ten aanzien van artikel 5 aan de hand van het aantal fte's van de
                            vestigingen buiten Noord-Nederland, ten opzichte van het totaalaantal
                            fte's.</al><al>3. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd indien de normen van de
                            Europese Commissie daartoe nopen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10, Verdeelsystematiek</titel></kop><al>1. Op basis van volgorde van binnenkomst van de aanvraag wordt
                            besloten,met dien verstande dat wanneer de aanvrager met toepassing van
                            artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is
                            gesteld de aanvraag aan te vullen, als datum van ontvangst geldt de dag
                            waarop de aanvulling is ontvangen.</al><al>2. Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op
                            dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden,
                            wordt de onderlinge rangschikking van de aanvragen vastgesteld door
                            middel van loting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11, Weigeringsgronden</titel></kop><al>De subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 van de
                            Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval geweigerd indien:</al><al>a. ter zake van de subsidiabele kosten verplichtingen zijn aangegaan
                            vóór de ontvangst van de aanvraag;</al><al>b. het project niet voldoet aan de voorschriften van deze regeling;</al><al>c. het project niet in overeenstemming is met het doel van deze
                            regeling;</al><al>d. tegen het project anderszins overwegende bezwaren bestaan of;</al><al>e. de aanvrager niet belastingplichtig is in de zin van Wet
                            Inkomstenbelasting 2001 of van de Wet op de Vennootschapsbelasting
                            1969.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12, Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><al>1. Bij de subsidieverlening wordt in elk geval de verplichting opgelegd
                            de kosten van de uitvoering van het project op eenduidige wijze in de
                            administratie van de subsidieontvanger weer te geven.</al><al>2. Bij iedere subsidieverlening wordt de verplichting opgelegd dat het
                            project binnen een bepaalde termijn gerealiseerd moet zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13, Wijzigings- of intrekkingsgronden</titel></kop><al>De subsidie kan onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:48 en 4:50
                            van de Algemene wet bestuursrecht worden ingetrokken of ten nadele van
                            de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien het project niet wordt
                            uitgevoerd in overeenstemming met het doel en de voorschriften van deze
                            regeling</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14, Voorschotten</titel></kop><al>De mogelijkheid tot het verstrekken van een voorschot wordt vastgesteld
                            en bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15, Subsidievaststelling</titel></kop><al>1. De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in
                            binnen een in de verleningsbeschikking bepaalde termijn, met
                            gebruikmaking van een daartoe ter beschikking gesteld
                            aanvraagformulier.</al><al>2. De subsidieontvanger dient ten minste tien jaar nadat de vaststelling
                            van de subsidie onherroepelijk is geworden haar administratie ten
                            aanzien van de kosten van de uitvoering van het project te bewaren en
                            toegankelijk te houden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16, Termijnen</titel></kop><al>De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag tot
                            subsidievaststelling wordt gesteld op 13 weken na de datum van ontvangst
                            van de aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17, Bedrag vaststelling</titel></kop><al>Het subsidiebedrag wordt vastgesteld op basis van de subsidiabele kosten
                            die door de subsidieontvanger zijn gemaakt en betaald ten behoeve van
                            het project.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18, Toezicht</titel></kop><al>1. Ten behoeve van de uitvoering van deze regeling kunnen
                            toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht worden aangewezen.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het
                            toezicht op de naleving van de in of krachtens de Algemene wet
                            bestuursrecht en in of krachtens deze regeling gegeven
                            voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19, Overgangsrecht</titel></kop><al>1. De NIOF 2010 wordt ingetrokken op de dag dat de NIOF 2013 in werking
                            treedt.</al><al>2. Op aanvragen die zijn ingediend vóór de dag dat de NIOF 2013 in
                            werking treedt blijft de NIOF 2010 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20, Afkondiging en inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Deze verordening wordt gepubliceerd en treedt in werking met ingang
                            van 1 juni 2013.</al><al>2. Deze verordening werkt terug tot 1 juni 2013 voor zover de
                            afkondiging, bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet, plaatsvindt na
                            1 juni 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21, Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als NIOF 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING VAN DE NIOF 2013</titel></kop><al>Vastgesteld door het dagelijks bestuur van het SNN op 5 maart 2013</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>- Onder a</al><al>Hierin wordt aangegeven welke ondernemers/ondernemingen (hierna:
                            onderneming) in aanmerking kunnen komen voor een subsidie in het kader
                            van de regeling.</al><al>Conform bijlage 1 van de verordening (EG) Nr. 800/2008 van de commissie
                            van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
                            artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt
                            verenigbaar worden verklaard ("de algemene
                            groepsvrijstellingsverordening"), vastgestelde definitie van kleine,
                            middelgrote en micro-ondernemingen behoren tot de categorie kleine,
                            middelgrote en micro-ondernemingen (KMO's), ondernemingen waar minder
                            dan 250 fte werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het
                            jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt. Deze normen
                            worden verder aangehaald als MKB-normen.</al><al>Gevolg van deze Europese regelgeving is dat voor het bepalen of de
                            aanvragende onderneming een KMO is, gekeken dient te worden naar het
                            gehele verband van ondernemingen waartoe de aanvragende onderneming
                            behoort. Denk bijvoorbeeld aan moedermaatschappijen, zusterondernemingen
                            en dochterondernemingen. Indien de aanvragende onderneming direct of
                            indirect voor 25% of meer en minder dan 50% qua aandelenkapitaal en/of
                            zeggenschap relaties heeft met andere ondernemingen, wordt voor het
                            bepalen of de aanvragende onderneming een KMO is, het aantal werkzame
                            personen, de jaaromzet en het balanstotaal van die ondernemingen naar
                            rato meegenomen. Dit geldt ook indien een andere onderneming 25% of meer
                            aandelen in de aanvragende onderneming heeft.</al><al>Indien de aanvragende onderneming op een andere onderneming of een
                            andere onderneming op de aanvragende onderneming overheersende invloed
                            kan uitoefenen of een andere invloed heeft als genoemd in de definitie
                            van een KMO, dienen voor het bepalen of de aanvragende onderneming een
                            KMO is, het aantal fte, de jaaromzet en het balanstotaal van die
                            ondernemingen volledig meegenomen te worden.</al><al>Indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk
                            direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het
                            kapitaal of de stemrechten van de aanvragende onderneming, dan kan de
                            aanvragende onderneming (behoudens de uitzonderingen die in de definitie
                            zijn genoemd) niet als een KMO worden aangemerkt.</al><al>- Onder c</al><al>De deskundige dient op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd te
                            zijn de opdracht uit te voeren. Daarbij wordt gekeken naar de
                            bedrijfsactiviteiten van het bedrijf dat wordt ingehuurd en/of de
                            aantoonbare kennis en ervaring van de persoon die de opdracht
                            uitvoert.</al><al>De deskundige dient onafhankelijk te zijn.</al><al>De deskundige dient onafhankelijk de gegeven opdracht uit te kunnen
                            voeren en er mag geen sprake zijn van enige vorm van
                            belangenverstrengeling. Het gaat er ook om dat de schijn van
                            belangenverstrengeling moet worden vermeden.</al><al>In dat kader wordt onder andere in de volgende situaties geoordeeld dat
                            er geen sprake is van onafhankelijkheid:</al><lijst><li nr="•"><al>als de deskundige een (financieel) belang in de aanvragende
                                    onderneming heeft;</al></li><li nr="•"><al>als de aanvragende onderneming een (financieel) belang heeft in
                                    de onderneming van de deskundige; </al></li><li nr="•"><al>als de deskundige werkzaam is of is geweest bij de aanvragende
                                    onderneming of de groep van ondernemingen waartoe de aanvragende
                                    onderneming behoort;</al></li><li nr="•"><al>als de directeur van de aanvragende onderneming ook de directeur
                                    van het bedrijf van de deskundige is;</al></li><li nr="•"><al>als de aanvragende onderneming en de deskundige samen een ander
                                    bedrijf hebben, vennoten zijn in dat bedrijf, collega's in een
                                    ander bedrijf zijn, getrouwd/levenspartners zijn en/of
                                    tegelijkertijd in een andere setting gelijkwaardige
                                    zakenpartners zijn;</al></li><li nr="•"><al>als de deskundige een aandeel krijgt in de opbrengst van het
                                    nieuwe product of de nieuwe dienst waar het advies betrekking op
                                    heeft;</al></li><li nr="•"><al>in het geval er sprake is van familierelaties in de eerste en
                                    tweede graad (ouder/kind broer/zuster);</al></li><li nr="•"><al>als de deskundige middels een uitzendconstructie, detachering of
                                    payroll wordt ingehuurd;</al></li><li nr="•"><al>als de aanvragende onderneming en de deskundige (het bedrijf dat
                                    is ingehuurd of de persoon die de opdracht uitvoert al langdurig
                                    of in meerdere projecten intensief samenwerken, waarbij de
                                    samenwerking anders is dan het inhuren van een derde voor het
                                    uitvoeren van een opdracht.</al></li></lijst><al>Deze opsomming is niet uitputtend.</al><al>- Onder d</al><al>Bij het maken van een prototype gaat het er om dat het werkingsprincipe
                            van het te ontwikkelen product wordt aangetoond. Op basis van het
                            prototype dient te worden aangetoond of hetgeen bedacht is werkt.</al><al>Bij het werkingsprincipe dient het te gaan om een go/no go moment ten
                            aanzien van de technisch nieuwe eigenschap van het te ontwikkelen
                            product.</al><al>Er dient sprake te zijn van innovatie. Het moet gaan om de ontwikkeling
                            van iets technisch nieuws, dat nog niet bestaat.</al><al>De ontwikkeling kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderdeel van
                            een product of een volledig nieuw product.</al><al><cursief>Softwarematig prototype</cursief>: Bij een softwarematig
                            prototype bestaat het prototype uit een digitale code. Met het
                            softwarematig prototype dient het werkingsprincipe van de ontwikkelde
                            digitale code aangetoond te worden. Dat is het proof of concept. Met het
                            proof of concept wordt getoetst of er sprake is van een go/no go. Alleen
                            dat proof of concept kan gesubsidieerd worden.</al><al>Digitalisering van bestaande administratieve processen en de
                            (her)ontwikkeling van websites zijn niet subsidiabel, omdat ze niet
                            vallen onder een prototype.</al><al>- Onder e</al><al>Producten of diensten die door een ondernemer op verzoek van en
                            specifiek voor een bepaalde klant worden ontwikkeld, komen niet in
                            aanmerking voor subsidie.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Aan natuurlijke personen kan geen subsidie worden verleend.</al><al>Per begrotingsjaar wordt op basis van de activiteitencode volgens de
                            Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (de
                            SBI-code) door het bevoegde bestuursorgaan in het uitvoeringsbesluit
                            vastgesteld welke ondernemingsactiviteiten voor subsidiëring in
                            aanmerking kunnen komen.</al><al>Binnen een onderneming kunnen verschillende activiteiten worden
                            ontplooid die niet in alle gevallen met dezelfde SBI-code kunnen worden
                            aangeduid. In dat geval kan de Kamer van Koophandel (KvK) de onderneming
                            voor de hoofd- en nevenactiviteit(en) aparte SBI-codes toekennen.</al><al>Van belang is wat de daadwerkelijke ondernemingsactiviteiten van de
                            aanvragende onderneming zijn en dat het project waarvoor subsidie wordt
                            aangevraagd valt onder één van deze ondernemingsactiviteiten, ook als
                            dit een nevenactiviteit is. Aan de hand van de feitelijke
                            ondernemingsactiviteit die uitgevoerd wordt of zal worden uitgevoerd en
                            waarvoor subsidie wordt aangevraagd, wordt gekeken of deze activiteit
                            genoemd staat in het uitvoeringsbesluit.</al><al>Bij de beoordeling wordt daarbij gekeken naar de inschrijving in het
                            handelsregister van de KvK en dus of daar de betreffende activiteit met
                            de bijbehorende SBI-code daarin staat genoemd.</al><al>De code waaronder de onderneming in het handelsregister van de KvK staat
                            ingeschreven is belangrijk voor de beoordeling, maar de feitelijke
                            ondernemingsactiviteit is doorslaggevend.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Indien binnen dezelfde kostensoort verschillende aanvragen door één
                            onderneming worden ingediend, dient te worden aangetoond dat elke
                            aanvraag betrekking heeft op een zelfstandig project.</al><al>- Tweede lid, onder a.1</al><al>Kosten van het inschakelen van een advies door een deskundige zijn
                            subsidiabel. Uitvoerende werkzaamheden vallen niet onder advies.</al><al>Bij uitvoerende werkzaamheden kan onder andere gedacht worden aan:</al><al>- het implementeren van het uitgebrachte advies;</al><al>- kosten van personeelsaangelegenheden;</al><al>- scholing, opleidingen en cursussen;</al><al>- testwerkzaamheden, ook al komen deze ten goede aan het uitgebrachte
                            advies.</al><al>Deze opsomming is niet uitputtend.</al><al>- Tweede lid, onder a.2</al><al>Bij het (laten) bouwen van een prototype door een deskundige zijn
                            bepaalde uitvoerende werkzaamheden wel subsidiabel, namelijk de kosten
                            voor het bouwen van een prototype en de daarbij behorende
                            testwerkzaamheden.</al><al>Onder artikel 4, tweede lid 2, onder a.2 kan de ontwikkeling van een
                            softwarematig prototype gesubsidieerd worden. Alleen de kosten die
                            betrekking hebben op het aantonen van het werkingsprincipe van de
                            ontwikkelde digitale code zijn bij de ontwikkeling van software
                            subsidiabel.</al><al>- Tweede lid, onder a.3</al><al>Indien er sprake is van prototypesoftware zijn er geen materiaalkosten.
                            Dit is anders indien embedded software het prototype is.</al><al>- Tweede lid, onder b</al><al>Bij een haalbaarheidsonderzoek dient uit het onderzoek te blijken of het
                            wel of niet technisch dan wel bedrijfseconomisch haalbaar is om de
                            productie uit te breiden met een nieuw product, een nieuwe dienst dan
                            wel een nieuwe werkwijze. Het is de bedoeling dat de aanvragende
                            onderneming op basis van de uitkomsten van het onderzoek voldoende
                            onderbouwing heeft om een go/ no go besluit te nemen.</al><al>Materiaalkosten zijn bij een haalbaarheidsonderzoek niet subsidiabel. Zo
                            zijn bijvoorbeeld grondstoffen die de deskundige nodig heeft om een
                            bepaalde test uit te voeren niet subsidiabel. Dit zijn geen kosten van
                            een deskundige voor het doen van onderzoek. Het dient te gaan om
                            consultancykosten.</al><al>- Tweede lid 2, c</al><al>Bij een strategisch marketingplan dient het te gaan om beleid hoe de
                            afzet van de onderneming vergroot kan worden op lange termijn. In
                            principe gaat het om beleid voor 2 jaar of langer. Het gaat niet om
                            reguliere bedrijfsplanning.</al><al>- Tweede lid, onder c en d</al><al>Het uitvoeren van werkzaamheden verband houdende en betrekking hebben op
                            acquisitie is niet subsidiabel.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>- Tweede lid, sub a en b</al><al>Met de zinsnede "en de daarbij direct behorende
                            begeleidingsactiviteiten" wordt bedoeld dat begeleidingsactiviteiten die
                            op zichzelf staan niet gesubsidieerd worden. Deze kosten zijn alleen
                            subsidiabel indien ze direct verband houden met en horen bij de
                            employabilityscan of het ontwikkelingsplan waarvoor de aanvraag wordt
                            gedaan.</al><al>Artikel 9</al><al>- Tweede lid</al><al>Er wordt een correctie doorgevoerd, indien de onderneming deel uitmaakt
                            van een groep en de gesubsidieerde activiteiten mede betrekking hebben
                            op de vestigingen van de groep buiten de provincies Drenthe, Fryslân of
                            Groningen. In zo'n geval slaan de effecten van de subsidie ook neer in
                            de vestigingen buiten Noord-Nederland en dat is in strijd met het doel
                            van de regeling.</al><al>- Tweede lid, onder b</al><al>In sommige gevallen is geen gescheiden omzet te bepalen, die recht doet
                            aan het rechtevenredig verlagen van de subsidie op basis van de omzet.
                            Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan één onderneming die een
                            productielocatie heeft in Noord-Nederland en een verkooplocatie buiten
                            Noord-Nederland. In dat geval wordt de omzet door beide locaties
                            gezamenlijk gerealiseerd. De ene vestiging is afhankelijk van de andere
                            vestiging voor het realiseren van de omzet. Hierdoor is in dit geval de
                            omzet geen passende maatstaf voor het rechtevenredig verlagen van de
                            subsidie. In dat geval wordt het aantal fte's gebruikt als maatstaf voor
                            het rechtevenredig verlagen van de subsidie.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>- Onder a</al><al>Onder het aangaan van verplichtingen wordt bijvoorbeeld verstaan het
                            (mondeling) bevestigen van een opdracht aan een deskundige of een
                            ondertekening voor akkoord van een offerte. Indien vóór de ontvangst van
                            de aanvraag is gestart met de werkzaamheden wordt ervan uitgegaan dat de
                            verplichting is aangegaan. Indien een verplichting is aangegaan vóór
                            ontvangst van de aanvraag wordt géén subsidie verleend.</al><al>In het geval er voor een deel van de opgevoerde projectkosten de
                            verplichting vóór ontvangst van de aanvraag is aangegaan, dan zal de
                            gehele aanvraag worden afgewezen.</al><al>- Onder e</al><al>De onderneming dient belastingplichtig te zijn voor de
                            Inkomstenbelasting of de Vennootschapsbelasting en dient niet in
                            aanmerking te kunnen komen voor één van de vrijstellingsbepalingen uit
                            genoemde belastingwetten. Indien nodig zal aan de ondernemer een kopie
                            van het aangifte- dan wel het aanslagbiljet worden gevraagd.</al><al>Stichtingen en verenigingen zijn in het algemeen niet
                            vennootschapsbelastingplichtig en worden in dat geval niet als
                            onderneming in de zin van de NIOF 2013 aangemerkt. Indien de stichting
                            of de vereniging van de Belastingdienst géén (definitieve) aanslag over
                            winst uit onderneming in het kader van voornoemde belastingen ontvangt,
                            is deze géén onderneming in de zin van de NIOF 2013.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>- Eerste lid</al><al>Projecten die vallen onder de kostensoorten genoemd in artikel 4 lid 2
                            onder a tot en met e hebben doorgaans een realisatietermijn van 18
                            maanden gerekend vanaf de datum van de subsidieverlening.</al><al>Projecten die vallen onder artikel 5 m.b.t. verhoging van inzetbaarheid
                            van werknemers in het arbeidsproces hebben doorgaans een
                            realisatietermijn van 18 maanden gerekend vanaf de datum van de
                            subsidieverlening.</al><al>Projecten met betrekking tot deelneming aan buitenlandse beurzen genoemd
                            in artikel 7 hebben doorgaans een realisatietermijn van 12 maanden
                            gerekend vanaf de datum van de subsidieverlening.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>In de artikelen 5:11 e.v. van de Algemene Wet Bestuursrecht is
                            opgenomen, wie toezichthouders zijn en wat hun bevoegdheden zijn. Verder
                            is in artikel 5:20 van die wet voorzien, dat iedereen verplicht is om
                            medewerking te verlenen aan een toezichthouder in functie, tenzij de
                            betrokkenen uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daarvan
                            zijn vrijgesteld.</al><al>Er worden toezichthouders aangewezen. De toezichthouders beschikken over
                            een legitimatiebewijs dat zij op verzoek moeten tonen. Toezichthouders
                            zijn bevoegd tot het betreden van elke plaats met medeneming van de
                            benodigde apparatuur, tot het vorderen van inlichtingen, tot het
                            vorderen van inzage in zakelijke gegevens en het maken van kopieën
                            daarvan en tot het onderzoeken van zaken, die zaken aan opneming te
                            onderwerpen en daarvan monsters te nemen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>