<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297097_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels behorende bij de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Larens Journaal 19 april 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit, 05-02-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010 worden ingetrokken per datum inwerkingtreding van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5847</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5848</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5849</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
            gemeente Laren 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u liggen de beleidsregels behorende bij de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013. De beleidsregels
                                zijn een uitwerking van de verordening zoals die door de
                                gemeenteraad is vastgesteld. In de beleidsregels staat hoe in de
                                praktijk vorm wordt gegeven aan de in de verordening gestelde
                                regels. Er is ook een Toelichting op de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013. In de
                                toelichting worden de bepalingen uit de verordening nader uitgelegd.
                                Het Besluit behorende bij de Verordening wet maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Laren 2013 vormt de financiële vertaling van
                                de verordening.</al><al/><al>Doel van de Wmo is dat iedere burger, ook met een beperking,
                                zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. Het ‘mee kunnen
                                doen aan de samenleving’ staat centraal en wanneer dit niet mogelijk
                                is, biedt het college ondersteuning. In artikel 4 van de Wmo staat
                                de compensatieplicht van het college verankerd. Daar waar burgers
                                beperkingen ondervinden bij:</al><al> het voeren van een huishouden; het zich in en om het huis
                                verplaatsen; het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; het
                                ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale verbanden;</al><al>en hierbij niet of niet volledig in staat zijn om zelf oplossingen
                                te organiseren, heeft het college de plicht om compenserende
                                maatregelen te treffen. Deze maatregelen moeten de effecten van de
                                beperkingen op de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke
                                participatie wegnemen. De compensatieplicht geeft belanghebbenden
                                geen recht op een voorziening. Wel heeft het college de plicht om
                                belanghebbende te compenseren. Dit houdt in dat burgers die
                                beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en/of
                                maatschappelijke participatie mogen verwachten dat het college hen
                                ondersteunt bij het bereiken van resultaten op bovengenoemde
                                terreinen.</al><al>Kernbegrippen van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Laren 2013 zijn:</al><al> maatwerk te bereiken resultaten zelforganiserend vermogen/eigen
                                kracht (mogelijkheden)</al><al>In het proces van vraag naar ondersteuning staan de te bereiken
                                resultaten centraal. De voorzieningen die nodig zijn om het
                                resultaat te bereiken zijn ondergeschikt aan het betreffende
                                resultaat. Hierbij geldt: eigen oplossingen gaan voor op
                                compenserende voorzieningen vanuit het college. Bij het vaststellen
                                van het te bereiken resultaat is een gesprek met de Wmo consulent
                                essentieel. Dit gesprek gaat in op verschillende levensdomeinen om
                                zo vanuit een integrale aanpak met de vraag van belanghebbende om te
                                gaan. Hierbij wordt ingegaan op de knelpunten die belanghebbende
                                ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie,
                                welke mogelijkheden hij ondanks de beperkingen heeft, welke
                                resultaten hij wenst te bereiken en in hoeverre belanghebbende eigen
                                oplossingen kan realiseren. Daar waar belanghebbende niet (volledig)
                                in staat is om eigen oplossingen te realiseren, ondersteunt het
                                college door voorzieningen te treffen die leiden tot het te bereiken
                                resultaat.</al><al/><al>In de beleidsregels wordt omschreven hoe het proces van vraag naar
                                ondersteuning ingericht is en hoe de afweging voor de inzet van
                                gemeentelijke ondersteuning wordt gemaakt. Hierbij geldt dat in de
                                afweging het principe van gemotiveerd maatwerk centraal staat.
                                Problemen van burgers hangen veelal met elkaar samen. Zo kan
                                gezondheid invloed hebben op het werk, de woonsituatie of op
                                relaties met vrienden en familie. De oplossingen zijn echter vaak
                                georganiseerd rond stukjes van de vraag van mensen. Om personen met
                                een hulpvraag adequaat te ondersteunen is het van belang dat er één
                                toegankelijke plek is waar breed wordt gekeken naar de vraag en waar
                                samen met belanghebbende prioriteiten worden gesteld: het Wmo loket.
                                Bij het integraal benaderen van de hulpvraag van belanghebbende
                                vervult een gesprek met de Wmo consulent een sleutelrol.</al><al/><al>Bij het Wmo loket en door de Wmo consulent wordt gewerkt vanuit de
                                gedachte dat personen met dezelfde beperkingen/hulpvraag niet altijd
                                met dezelfde oplossingen geholpen zijn. Elke vraag wordt individueel
                                behandeld en per individu wordt naar passende oplossingen gezocht.
                                De invulling van het proces van vraag naar ondersteuning is wel voor
                                iedereen gelijk, om zo voor iedereen een gelijke aanpak te
                                waarborgen.</al><al/><al>In hoofdstuk 2 leest u de uitgangspunten van gemeente Laren in de
                                uitvoering van de Wmo. Hoofdstuk 3 gaat over de aanspraak op
                                compensatie. In hoofdstuk 4 wordt per te bereiken resultaat het
                                afwegingskader gegeven. In hoofdstuk 5 wordt besproken hoe het
                                college komt tot de te bereiken resultaten. Hoofdstuk 6 gaat over de
                                bepalingen ten aanzien van de te verstrekken resultaatgerichte
                                voorzieningen. In hoofdstuk 7 ten slotte vindt u de procedurele
                                bepalingen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Uitgangspunten gemeente Laren in de uitvoering van het Wmo
                                beleid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.1 Inleiding</tussenkop><al>Uitgangspunten van de gemeente Laren bij de uitvoering van het
                                    Wmo beleid zijn:</al><al>a. Iedereen moet volwaardig aan de samenleving kunnen
                                    deelnemen.</al><al>b. Zelfredzaamheid en eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn
                                    uitgangspunt. Pas als mensen het zelf niet meer kunnen regelen
                                    en ook geen beroep kunnen doen op hun eigen sociale netwerk,
                                    moet de overheid ondersteuning bieden.</al><al>c. De Wmo stelt de vraag (en dus niet het aanbod) centraal.
                                    Mensen moeten zelf de regie houden en kunnen kiezen voor die
                                    vorm van ondersteuning, die het beste bij hen past.</al><tussenkop> 2.2 Zelfredzaamheid</tussenkop><al>De Wmo verlangt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen
                                    bij het oplossen van hun belemmeringen, zo mogelijk samen met
                                    het (sociale) netwerk. Wanneer belanghebbende zich tot het Wmo
                                    loket wendt met een hulpvraag wordt eerst onderzocht in hoeverre
                                    belanghebbende, eventueel samen met zijn (sociale) netwerk,
                                    eigen oplossingen kan realiseren. Eigen oplossingen gaan dan ook
                                    voor op gemeentelijke ondersteuning. De eigen oplossingen en
                                    oplossingen via het netwerk worden tijdens het gesprek met de
                                    Wmo consulent besproken. De belanghebbende kan de eigen
                                    verantwoordelijkheid bijvoorbeeld invullen door:</al><al/><al>1. Het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke
                                    voorziening:</al><al>Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die
                                    overal te verkrijgen is, laagdrempelig in de aanschaf en ook
                                    wordt aangeschaft door mensen zonder beperking.</al><al/><al>2. Het zelf dragen van de kosten voor de (aanschaf van) de
                                    voorziening: Uitgangspunt is dat men zo veel mogelijk op basis
                                    van het zelforganiserend vermogen (eigen kracht) in oplossingen
                                    voorziet. Hier valt ook financiële eigen kracht onder.
                                    Belanghebbende wordt gestimuleerd om de noodzakelijke
                                    voorziening(en) zelf aan te schaffen.</al><al/><al>3. Het organiseren van oplossingen via het netwerk:</al><al>Mensen helpen elkaar en zorgen voor elkaar, zoals buren die voor
                                    elkaar boodschappen doen, mantelzorgers, bedrijven die
                                    vrijwilligersorganisaties steunen en mensen die het initiatief
                                    nemen tot activiteiten voor de buurt. Mensen zetten zich voor
                                    elkaar in, vaak zonder dat het college zich hiermee bemoeit.
                                    Vaak is er in het netwerk veel bereidheid om te helpen.</al><al/><al>Ook bij het vermogen om eigen oplossingen te realiseren staat
                                    het principe van maatwerk altijd centraal. Wanneer de eigen
                                    mogelijkheden niet leiden tot het te bereiken resultaat,
                                    ondersteunt het college door compenserende maatregelen te
                                    treffen.</al><al/><al>Enkele voorbeelden van de eigen verantwoordelijkheid:</al><al> Als belanghebbende altijd al iemand inhuurde voor het
                                    schoonhouden van het huis, hoeft daar niets aan te veranderen
                                    als hij op basis van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt.
                                    Dat zou anders kunnen zijn als door het ontstaan van de
                                    beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de
                                    eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dit kan
                                    een aanleiding zijn om compenserende maatregelen te treffen om
                                    belanghebbende in staat te stellen te wonen in een schoon huis.
                                    Het kan ook zijn dat (veel) meer hulp in de huishouding nodig
                                    is. Dit kan ertoe leiden dat het college ter compensatie
                                    ondersteuning biedt. Belanghebbende kan zo veel mogelijk
                                    strijkvrije kleding aanschaffen en gebruiken om onnodig beroep
                                    op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden,
                                    zoals een robotstofzuiger, kunnen bekeken worden. Veel mensen
                                    zijn gewend gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking
                                    krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er voor hun
                                    verplaatsingen niets te veranderen als zij in staat blijven om
                                    zich met diezelfde auto te verplaatsen. Er is dan geen sprake
                                    van noodzaak tot compensatie. Wanneer mensen door hun beperking
                                    veel meer verplaatsingen zouden moeten maken, of als de auto
                                    voor hun handicap aangepast zou moeten worden, kan er sprake
                                    zijn van een ondersteuningsbehoefte/compensatienoodzaak.
                                    Belanghebbende kan het netwerk inzetten (meerijden) en/of zelf
                                    de kosten dragen voor ritten met aangepast vervoer. Ook kan
                                    belanghebbende eventueel (een deel van) de kosten van een
                                    eventuele autoaanpassing zelf dragen.</al><al/><al> Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag het
                                    college veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen
                                    beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje
                                    ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een
                                    douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar
                                    spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee (zoals:
                                    Is er plaats voor? Wat is de rol van het bad voor therapie?).
                                    2.3 Mantelzorgers</al><al>Binnen de Wmo vormen mantelzorgers en vrijwilligers een
                                    bijzondere groep. Zij vallen onder de werking van prestatieveld
                                    6 van de Wmo. Artikel 4 van de Wmo maakt duidelijk dat de
                                    mantelzorger geen zelfstandig recht op individuele Wmo
                                    voorzieningen heeft, maar dat de voorzieningen die worden
                                    toegekend aan degene met de beperking, ook tot doel hebben de
                                    taak van de mantelzorger te ondersteunen. In de uitvoering
                                    betekent dit dat mantelzorgers zo veel mogelijk moeten worden
                                    betrokken bij het gesprek en bij het inzetten van compenserende
                                    maatregelen bij degene aan wie zij mantelzorg verlenen. De
                                    behoeften van de verzorgde en die van de mantelzorger worden
                                    integraal aan de orde gebracht en bij het uiteindelijke besluit
                                    meegenomen. In de in hoofdstuk 4 omschreven afwegingskaders komt
                                    dit uitgangspunt per resultaat tot uiting. Per resultaat wordt
                                    er rekening gehouden met de belangen van de mantelzorger en het
                                    eventuele geval van dreigende overbelasting.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op compensatie</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 3.1 Inleiding</tussenkop><al>De in het vorige hoofdstuk omschreven eigen verantwoordelijkheid
                                    wordt vertaald in een aantal algemene bepalingen rondom
                                    aanspraak op compensatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op
                                    deze algemene bepalingen. De afwegingscriteria die worden
                                    genoemd moeten niet worden gezien als vaststaande voorwaarden.
                                    Deze criteria worden meegenomen in de aanspraak. De rol en
                                    positie van de criteria kan van persoon tot persoon verschillen.
                                    Niet het criterium op zich, maar de unieke situatie van de klant
                                    staat in het proces van vraag naar ondersteuning centraal.</al><al/><al> De aanwezigheid van een compensatienoodzaak</al><al>Het college heeft alleen een compensatieplicht wanneer er sprake
                                    is van een compensatienoodzaak. Zonder de aanwezigheid van een
                                    compensatienoodzaak, bijvoorbeeld doordat belanghebbende zelf in
                                    oplossingen kan voorzien, bestaat er geen grondslag voor het
                                    college om compenserende maatregelen te treffen. De aanwezigheid
                                    en mate van de compensatienoodzaak wordt aan de hand van
                                    zorgvuldig onderzoek vastgesteld. Hierbij staat de persoonlijke
                                    situatie van belanghebbende centraal en wordt van belanghebbende
                                    verwacht dat hij zo veel mogelijk via eigen oplossingen (zie
                                    3.3) de effecten van de beperkingen op de zelfredzaamheid en/of
                                    maatschappelijke participatie wegneemt.</al><tussenkop> 3.3. Het zelforganiserend vermogen</tussenkop><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs
                                    van belanghebbende zelf of van anderen in de omgeving van
                                    belanghebbende (zoals huisgenoten, familieleden en overige leden
                                    uit het sociale netwerk van de belanghebbende) kan worden
                                    verwacht dat zij meewerken aan het bereiken van het resultaat.
                                    Van de belanghebbende wordt verwacht dat hij in de eerste plaats
                                    zo veel mogelijk een beroep doet op zichzelf en zijn/haar
                                    omgeving, voordat hij het college om compenserende maatregelen
                                    vraagt (zie 2.2).</al><al/><al>Onder het eigen netwerk worden uitdrukkelijk ook de
                                    mantelzorger(s) verstaan. Met ingang van de Wmo zijn gemeenten
                                    verplicht mantelzorgers te ondersteunen. Het kan zijn dat in de
                                    ondersteuningsbehoefte van degene met een hulpvraag (voor een
                                    deel) kan worden voorzien door de aanwezige mantelzorger steun
                                    te bieden. Dit moet goed onderzocht worden. Het is daarom van
                                    groot belang dat de mantelzorger ook bij het gesprek met de Wmo
                                    consulent aanwezig is of daar in ieder geval bij wordt
                                    betrokken. De mantelzorger is immers een belangrijke
                                    informatiebron als ervaringsdeskundige. Hij kan ook verhelderen
                                    welke taken hij wel/niet kan uitvoeren en in hoeverre
                                    compensatie vanuit het college nodig is.</al><tussenkop> 3.4. Goedkoopst- compenserend</tussenkop><al>Het criterium goedkoopst-compenserend betekent dat een te
                                    verstrekken voorziening allereerst compenserend moet zijn en
                                    moet leiden tot het resultaat. Een voorziening is compenserend
                                    wanneer de effecten van een beperking op de (maatschappelijke)
                                    participatie en de zelfredzaamheid weggenomen worden. Zijn
                                    meerdere voorzieningen/oplossingen compenserend, leiden meerdere
                                    voorzieningen naar het te bereiken resultaat en passen meerdere
                                    voorzieningen bij de hulpvraag van de klant, dan wordt uit die
                                    voorzieningen/oplossingen voor de goedkoopste maatregel gekozen.
                                    Het gaat dan om de voorziening die voor het college het
                                    goedkoopst is. Er wordt altijd rekening gehouden met de
                                    (sociale) factoren die bij de belanghebbende spelen en de
                                    resultaatgerichtheid van de voorziening blijft centraal
                                    staan.</al><al/><al>Er kan ook rekening worden gehouden worden met zogenoemde
                                    macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de
                                    consequenties betreffen. Een voorbeeld hiervan is het
                                    compenseren via het collectief vervoer. Het collectief vervoer
                                    ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden
                                    combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden
                                    kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel
                                    mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is
                                    een andere voorziening dan het collectief vervoer wellicht
                                    goedkoper, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt
                                    worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou
                                    kunnen komen.</al><tussenkop> 3.5. Algemeen gebruikelijk</tussenkop><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die niet
                                    speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking (zodat de
                                    voorziening ook op grote schaal door personen zonder beperking
                                    wordt gebruikt), die in een reguliere winkel te koop zijn en die
                                    niet (aanzienlijk) duurder zijn dan vergelijkbare
                                    producten.</al><al/><al>Het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen ligt in
                                    lijn met het zelfoplossend vermogen van belanghebbende. Ook bij
                                    algemeen gebruikelijke voorzieningen moet goed worden gekeken
                                    naar de leefsituatie van belanghebbende en of de betreffende
                                    voorziening in de persoonlijke situatie van belanghebbende ook
                                    als algemeen gebruikelijk aan te merken is. Want: wat voor de
                                    een gebruikelijk is – een thuisbezorgde maaltijd van 10 euro –
                                    is voor de ander zeer begrotelijk, zeker als dat een paar maal
                                    per week moet gebeuren. Omdat de financiële draagkracht per
                                    persoon verschilt, is het van wezenlijk belang om maatwerk te
                                    leveren.</al><tussenkop> 3.6. Compensatie via algemene voorzieningen</tussenkop><al>Het kan zijn dat de effecten van de beperking(en) op de
                                    maatschappelijke participatie van belanghebbende via algemene
                                    voorzieningen weggenomen kunnen worden. Wanneer een algemene
                                    voorziening de goedkoopst-compenserende oplossing is en/of een
                                    gelijke of grotere compensatie biedt dan een individuele
                                    voorziening, vervalt de compensatie via een individuele
                                    voorziening. Dit omdat de algemene voorziening de hulpvraag van
                                    belanghebbende dan al beantwoord heeft.</al><al/><al>Bij algemene voorzieningen gaat het om ondersteuning die in
                                    ieder geval:</al><al> betrekking heeft op lichte, niet complexe ondersteuning;
                                    ingezet wordt voor een incidentele behoefte.</al><tussenkop> 3.7. Voorliggende oplossingen (artikel 2 Wmo)</tussenkop><al>Voorliggende oplossingen zijn oplossingen op grond van andere
                                    wettelijke regelingen, waar belanghebbende gebruik van kan
                                    maken. Het gaat daarbij om voorzieningen die belanghebbende kan
                                    aanvragen en gebruiken en die (deels) de beperkingen kunnen
                                    compenseren. Bekende voorbeelden zijn de kinderopvang, de
                                    financiële steun op grond van de Wwb, de hulpmiddelen van de
                                    Zvw, de zorg uit de AWBZ, huur- en zorgtoeslag. De Wmo consulent
                                    heeft kennis van de bestaande voorliggende voorzieningen en
                                    zorgt voor het verstrekken van advies en informatie, een
                                    eventuele doorverwijzing, en zo veel mogelijk rechtstreeks voor
                                    een directe toeleiding (bijvoorbeeld naar de
                                    zorgverzekeraar).</al><al/><al>In de onderstaande, niet-limitatieve, opsomming staan enkele
                                    wetten die voorrang hebben op de Wmo:</al><al>AWBZ; Zorgverzekeringswet; TOG 2000; Leerlingenvervoer;
                                    WIA.</al><al>Als het gaat om participatievraagstukken en/of gemeentelijke
                                    ondersteuning wordt uitgegaan van het dienstverleningsconcept
                                    één klant – één plan – één contactpersoon. Mensen met vragen
                                    over participatie moeten op één centrale plek terecht kunnen
                                    (één contactpersoon). Om vragen integraal te kunnen benaderen en
                                    tot een meer efficiënte organisatie van de informatie- en
                                    adviesfunctie te komen, beleggen we deze functie in het Wmo
                                    loket. Bij het Wmo loket wordt breed gekeken naar de vraag van
                                    belanghebbende (één plan). Belanghebbenden moeten zo veel
                                    mogelijk zelf de regie nemen over de oplossing van hun vragen.
                                    Als bij complexe vraagstukken (veel) verschillende partijen zijn
                                    betrokken, kan een Wmo consulent de procesregie nemen.</al><tussenkop> 3.8. Eerdere compensatie in het kader van enige wettelijke
                                    bepaling of regeling</tussenkop><al>Als er al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling
                                    is gecompenseerd en de normale afschrijftermijn van de
                                    voorziening nog niet is verstreken, wordt niet nogmaals
                                    gecompenseerd als belanghebbende aantoonbaar onzorgvuldig met de
                                    voorziening is omgegaan (bijvoorbeeld om het huis geschikt te
                                    maken, of een voorziening om zich te verplaatsen). Voordat er
                                    uitgegaan wordt van een onzorgvuldige behandeling van de
                                    voorziening door belanghebbende, doet de Wmo consulent
                                    zorgvuldig onderzoek. </al><al/><al>Wanneer door onzorgvuldig gebruik - of zelfs misbruik -
                                    regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een
                                    vervoersvoorziening rijdend te houden, overlegt een Wmo
                                    consulent eerst met belanghebbende om duidelijk te maken dat dit
                                    niet de bedoeling is. Wanneer belanghebbende onzorgvuldig omgaat
                                    met de voorziening wordt het resultaat niet bereikt en kan men
                                    zich afvragen of de compensatie wel noodzakelijk is. Wanneer na
                                    het gesprek met de Wmo consulent - en eventuele waarschuwingen
                                    daarna - de problemen zich blijven herhalen, dan kan de
                                    ondersteuning worden ingetrokken. Het beoogde resultaat wordt
                                    door het gedrag van belanghebbende niet bereikt. Zeker bij
                                    belanghebbenden die afhankelijk zijn van bepaalde vormen van
                                    ondersteuning kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke
                                    maatregel zijn. Goed onderzoek (naar de redenen van het verloren
                                    gaan van de voorziening) blijft daarom essentieel.</al><tussenkop> 3.9. Medewerking en legitimatie</tussenkop><al>Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan
                                    het college het wenselijk vinden dat belanghebbenden zich
                                    legitimeren. Dat kan door het overleggen van een geldig
                                    identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de
                                    identificatieplicht. Wanneer de belanghebbende weigert zich te
                                    legitimeren, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Ten
                                    aanzien van vreemdelingen die een aanvraag indienen is het
                                    identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de
                                    verblijfsrechtelijke status. Een rijbewijs wordt niet als een
                                    geldig identiteitsbewijs aangemerkt, omdat het rijbewijs geen
                                    nationaliteit vermeldt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 4.1 Algemene onderdelen van het afwegingskader</tussenkop><tussenkop> 4.1.2 Het gesprek en eigen oplossingen</tussenkop><al>De te bereiken resultaten op basis van artikel 4 lid 1 van
                                        de Wmo zijn:</al><al> Het wonen in een schoon en leefbaar huis (4.2) Het wonen in
                                        een geschikt huis (4.3) Boodschappen doen en maaltijden
                                        aanreiken (4.4) Beschikken over schone, draagbare en
                                        doelmatige kleding (4.5) Het thuis zorgen voor kinderen die
                                        tot het gezin behoren (4.6) Het zich in en om de woning
                                        verplaatsen (4.7) Het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel (4.8) Het ontmoeten van medemensen en het
                                        aangaan/onderhouden van sociale verbanden (4.9)</al><al>Op deze terreinen heeft het college een
                                        resultaatverplichting. Voor alle bovengenoemde resultaten
                                        geldt dat er allereerst een gesprek wordt gevoerd met
                                        belanghebbende. Om vanuit een integrale benadering met de
                                        hulpvraag van belanghebbende om te gaan en optimaal maatwerk
                                        te kunnen leveren, is het uitgangspunt om tijdens het
                                        gesprek in te gaan op meerdere levensdomeinen. Ten aanzien
                                        van de hulpvraag staan de mogelijkheden en eigen oplossingen
                                        van belanghebbende centraal. Wat kan belanghebbende zelf
                                        doen om het resultaat te bereiken en wat kan het sociale
                                        netwerk daarin betekenen (zie ook 2.2)? Is er sprake van
                                        gebruikelijke zorg (zie 4.1.3)?</al><al/><al>Wanneer belanghebbende niet of niet volledig in staat is om
                                        eigen oplossingen te realiseren, of wanneer er geen sprake
                                        is van gebruikelijke zorg, beoordeelt het college samen met
                                        belanghebbende overige oplossingen. Welke voorzieningen
                                        compenseren voldoende en in hoeverre leiden deze
                                        voorzieningen tot het te bereiken resultaat? Wanneer er
                                        sprake is van een compensatienoodzaak en belanghebbende niet
                                        of niet volledig in eigen oplossingen kan voorzien, treft
                                        het college de nodige compenserende maatregelen om het
                                        beoogde resultaat te bereiken.</al><tussenkop> 4.1.3 Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Van gebruikelijke zorg is sprake als er een huisgenoot
                                        aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk
                                        werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een
                                        persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op
                                        basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de
                                        persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is
                                        bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende
                                        ouders zijn. Of iemand inwonend is wordt naar de concrete
                                        feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend
                                        tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige
                                        huishouding, met een eigen huisnummer, eigen
                                        nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d. Alle huisgenoten
                                        die ouder zijn dan 18 jaar zijn verplicht om huishoudelijke
                                        zorg te bieden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een
                                        eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Tot 18 jaar wordt
                                        van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit
                                        kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te
                                        houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals
                                        het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas.
                                        Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid
                                        om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen.
                                        Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een
                                        aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken
                                        overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk
                                        werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld.
                                        Alleen als schoonmaken niet kan worden uitgesteld moet dat
                                        direct gebeuren. Voor dergelijke situaties kan het zijn dat,
                                        ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de
                                        gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te
                                        bereiken. De beoordeling van gebruikelijke zorg staat vooral
                                        in de afwegingskaders als omschreven in paragraaf 4.2, 4.4,
                                        4.5 en 4.6 centraal.</al><tussenkop> 4.1.4 Vorm van ondersteuning</tussenkop><al>Afhankelijk van het resultaat kan het college de
                                        ondersteuning toekennen in natura, als pgb of als financiële
                                        tegemoetkoming. Bij een verstrekking als pgb wordt de
                                        ondersteuning die belanghebbende zou hebben gekregen als
                                        voorziening in natura als uitgangspunt genomen.
                                        Belanghebbende betaalt een eigen bijdrage (bij ondersteuning
                                        in natura of een pgb) of een eigen aandeel (bij een
                                        financiële tegemoetkoming). Als het voor het bereiken van
                                        het beoogde resultaat noodzakelijk en wenselijk is, is er
                                        een andere vorm van toekennen mogelijk. In het Besluit
                                        Maatschappelijke Ondersteuning 2013 wordt de systematiek
                                        voor de totstandkoming van het pgb en financiële
                                        tegemoetkoming toegelicht. Wanneer het gaat om diensten kent
                                        het college de ondersteuning toe in minuten. Dit kan worden
                                        afgerond naar hele en halve uren. Wanneer het een pgb of
                                        financiële tegemoetkoming voor de inkoop van goederen gaat,
                                        kunnen eventuele kosten van onderhoud en reparatie onder de
                                        verstrekking vallen.</al><tussenkop> 4.1.5 Belangen mantelzorgers</tussenkop><al> Tijdens het gesprek en bij de invulling van de te bereiken
                                        resultaten houdt het college rekening met de belangen van
                                        mantelzorgers. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht
                                        geschonken aan (dreigende) overbelasting van de
                                        mantelzorger. Ook kan het gaan om maatregelen die de
                                        mantelzorger in staat stellen om de mantelzorg te kunnen
                                        verrichten. Zo nodig kan het college via de verzorgde
                                        compenserende maatregelen treffen. Het gaat dan om een
                                        afgeleid ´recht´ van de verzorgde. De mantelzorger heeft bij
                                        wet nog geen zelfstandig ´recht´ op een aanspraak.
                                        Bovengenoemde uitgangspunten gelden voor alle te bereiken
                                        resultaten. Ten aanzien van een aantal resultaten worden in
                                        dit hoofdstuk specifieke afwegingen opgenomen die een rol
                                        spelen bij de ondersteuning van/aan mantelzorgers.</al><tussenkop> 4.2 Het wonen in een schoon en leefbaar huis</tussenkop><tussenkop> 4.2.1. Inleiding</tussenkop><al>Wanneer gesproken wordt over het resultaat ‘een schoon en
                                        leefbaar huis’ wordt om het resultaat te bereiken
                                        ondersteuning ingezet in de vorm van zwaar en licht
                                        huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om
                                        bijvoorbeeld het stofzuigen van de woning, het soppen van
                                        badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het
                                        overige schoonhouden van de ruimten die onder de
                                        compensatieplicht vallen. Onder de compensatieplicht vallen
                                        die ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn.
                                        Hierbij wordt in de regel uitgegaan van het niveau van de
                                        sociale woningbouw. Dit niveau is vastgesteld in het
                                        Bouwbesluit 2012. Echter, persoonskenmerken en speciale
                                        omstandigheden van belanghebbende kunnen het noodzakelijk
                                        maken van dit uitgangspunt af te wijken.</al><tussenkop> 4.2.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het wonen in
                                        een schoon en leefbaar huis</tussenkop><al> Het gaat om alle activiteiten om het huis, exclusief de
                                        tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar
                                        te houden. Wanneer er compenserende maatregelen worden
                                        getroffen, worden de huishoudelijke taken in minuten
                                        berekend, met als richtlijn hoofdstukken 5 en 6 uit het
                                        document: ’Richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het
                                        Huishouden (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze
                                        beleidsregels). Deze richtlijnen gelden slechts als
                                        afwegingskader voor het bepalen van het volume. De
                                        ondersteuning wordt op basis van de persoonlijke situatie
                                        van belanghebbende ingezet. De Wmo consulent kan zo nodig de
                                        tijd die nodig is om bepaalde activiteiten uit te voeren
                                        naar boven en beneden bijstellen. Ook bij mantelzorgers kan
                                        sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit kan in
                                        twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt
                                        de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot
                                        een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen
                                        als gevolg van (dreigende) overbelasting. Een tweede
                                        situatie is dat de mantelzorger niet toekomt aan het
                                        schoonmaken van het eigen huis. In beide situaties kan het
                                        college via de verzorgde compenserende maatregelen
                                        treffen.</al><tussenkop> 4.3. Het wonen in een geschikt huis</tussenkop><tussenkop> 4.3.1. Inleiding</tussenkop><al>‘Het wonen in een geschikt huis’ valt onder artikel 4 lid 1
                                        van de Wmo. De compenserende maatregel moet erop gericht
                                        zijn de beperkingen die iemand bij het normale gebruik van
                                        de woning ondervindt weg te nemen. Het begrip ‘normale
                                        gebruik van de woning’ houdt in dat mensen de normale
                                        (elementaire) woonfuncties moeten kunnen verrichten, zoals
                                        slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële
                                        huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale
                                        verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de
                                        verzorging van kinderen. Een belangrijke voorwaarde voor
                                        compensatie is dat er al een woning is. Iedere Nederlandse
                                        burger moet zelf voor een woning zorgen. De
                                        compensatieplicht betreft het uitrustingsniveau van de
                                        sociale woningbouw, zoals vastgesteld in het Bouwbesluit
                                        2012. Woonvoorzieningen op dat uitrustingsniveau zijn van
                                        voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven
                                        niet te worden verstrekt. Ook ten aanzien van de te hanteren
                                        afschrijftermijnen wordt aangesloten bij het niveau van de
                                        sociale woningbouw.</al><tussenkop> 4.3.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het wonen in
                                        een geschikt huis</tussenkop><al> Iedereen moet zelf zorgdragen voor een woning. Daarbij mag
                                        er vanuit worden gegaan dat er redelijkerwijs rekening wordt
                                        gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de
                                        toekomst. Bij grote aanpassingen aan de eigen woning wordt
                                        beoordeeld of verhuizing (naar een al geheel aangepaste
                                        woning, of bijvoorbeeld naar een goedkoper en gemakkelijker
                                        aan te passen woning) de goedkoopste en meest compenserende
                                        oplossing is. Wanneer verhuizen naar een andere woning
                                        compenserend is, en ook de goedkoopste oplossing, spelen
                                        niet alleen deze twee criteria een rol in de beoordeling.
                                        Persoonlijke en sociale aspecten worden meegewogen:
                                        financiële consequenties van de verhuizing, de termijn
                                        waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de
                                        medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra
                                        verhuizing op basis van het sociale leven van belanghebbende
                                        en eventueel aanwezige mantelzorg. Aan een besluit gaat een
                                        zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten vooraf.</al><al/><al> Ook wanneer het om een mantelzorgwoning gaat, gaat het
                                        college uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het
                                        hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te
                                        bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de
                                        mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij moet als
                                        uitgangspunt genomen worden dat de zorgvrager ten minste
                                        dezelfde huisvestingskosten besteedt aan het gebruik van de
                                        mantelzorgwoning als hij besteedde voordat er mantelzorg
                                        verleend werd. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten
                                        nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou
                                        een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze
                                        middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek
                                        om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De Wmo
                                        consulent kan adviseren/informeren en ondersteunt zo veel
                                        mogelijk als het gaat om de nodige vergunningen op het
                                        gebied van de ruimtelijke ordening.</al><al/><al> Een aanbouw wordt alleen geplaatst als van tevoren
                                        vaststaat dat inpandige aanpassing onmogelijk is en als de
                                        aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van
                                        woningcorporaties het geval is. Bij eigen woningen is de
                                        kans op hergebruik miniem. Daarom kiest het college bij
                                        eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen
                                        van een herbruikbare losse woonunit.</al><al/><al> Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt
                                        het college altijd eerst met een programma van eisen,
                                        waarmee belanghebbende zo nodig meerdere offertes op kan
                                        vragen.</al><al/><al> Het aanpassen van doelgroepengebouwen gebeurt conform de
                                        afspraken zoals die door het college zijn of worden gemaakt
                                        met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.</al><al/><al> Het college betaalt een financiële tegemoetkoming en een
                                        pgb voor een bouwkundige aanpassing aan een woning uit aan
                                        de eigenaar van de woning (artikel 7 lid 2 Wmo). Hier
                                        betaalt belanghebbende een eigen aandeel/eigen bijdrage
                                        voor. De beschikking wordt verstuurd aan de belanghebbende,
                                        eventueel met een afschrift aan de eigenaar.</al><al/><al> Het college kan een niet-bouwkundige aanpassing aan de
                                        woning in natura en als pgb verstrekken aan belanghebbende.
                                        Hier betaalt belanghebbende een eigen bijdrage voor.</al><al/><al> Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige
                                        woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen
                                        van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere
                                        hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten
                                        worden.</al><al/><al> De normbedragen die gebruikt worden voor de kosten van
                                        compensatie zijn, voor zover van toepassing, de bedragen die
                                        NIBUD hiervoor hanteert.</al><tussenkop> 4.4. Boodschappen doen en maaltijden aanreiken</tussenkop><tussenkop> 4.4.1. Inleiding</tussenkop><al>De compensatieplicht voor ‘boodschappen doen’ is beperkt tot
                                        de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die
                                        dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden.
                                        Hieronder vallen dus niet de grotere inkopen zoals kleding
                                        en duurzame goederen, zoals apparaten.</al><al/><al>Het is maatschappelijk aanvaard dat mensen geclusterd
                                        boodschappen doen voor een aantal dagen achterelkaar. Hier
                                        wordt bij de invulling van dit resultaat bij aangesloten:
                                        -uitgegaan wordt van eenmaal per week boodschappen doen.
                                        Hierbij geldt dat er zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt
                                        van een boodschappenservice, van supermarkten of
                                        vrijwilligersorganisaties.</al><al/><al>Voor het bereiden/aangereikt krijgen van maaltijden kan in
                                        sommige gevallen gebruik worden gemaakt van een
                                        maaltijdservice. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te
                                        koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing
                                        kunnen bieden.</al><tussenkop> 4.4.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Boodschappen
                                        doen en maaltijden aanreiken</tussenkop><al> Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen voor
                                        levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo
                                        nodig de bereiding van maaltijden.</al><al/><al> Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden
                                        van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Voor dergelijke
                                        situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van
                                        gebruikelijke zorg, het college compenseert ten einde het
                                        resultaat te bereiken. Wanneer er compenserende maatregelen
                                        worden getroffen, wordt de omvang van de ondersteuning in
                                        minuten berekend, met als richtlijn hoofdstukken 5 en 6 uit
                                        het document: ’Richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het
                                        Huishouden (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze
                                        beleidsregels). Deze richtlijnen gelden slechts als
                                        afwegingskader voor het bepalen van het volume. De
                                        ondersteuning wordt op basis van de persoonlijke situatie
                                        van belanghebbende ingezet. De Wmo consulent kan zo nodig de
                                        tijd die nodig is om bepaalde activiteiten uit te voeren
                                        naar boven en beneden bijstellen. Bij boodschappen is het
                                        uitgangspunt: eenmaal in de week boodschappen doen. Wanneer
                                        blijkt dat alleen meer dan eenmaal in de week boodschappen
                                        doen tot het te bereiken resultaat leidt, wijkt het college
                                        van dit uitgangspunt af. In het geval van (dreigende)
                                        overbelasting van de mantelzorger(s) kan een individuele
                                        voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze
                                        voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft - door de
                                        mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens
                                        (dreigende) overbelasting. Het college kan ook op voorhand
                                        rekening houden met periodes van afwezigheid van de
                                        mantelzorger voor bijvoorbeeld vakantie.</al><tussenkop> 4.5 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding</tussenkop><tussenkop> 4.5.1 Inleiding</tussenkop><al>De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt
                                        worden. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde
                                        situaties strijken en eventueel repareren van kleding.</al><al/><al>Het gaat hier om de normale dagelijkse kleding. Uitgangspunt
                                        is dat belanghebbende zo veel mogelijk rekening houdt met
                                        zijn/haar beperkingen bij het kopen van kleding. Gedacht kan
                                        worden aan het inkopen van kleding die zo min mogelijk
                                        gestreken hoeft te worden. Bij het wassen en drogen van
                                        kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare -
                                        algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een
                                        wasmachine en een droger.</al><tussenkop> 4.5.2 Specifieke afwegingen voor het resultaat: Beschikken over
                                        schone, draagbare en doelmatige kleding</tussenkop><al> De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding
                                        bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht
                                        verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het
                                        aanzetten van een knoop. Bij de berekening van de omvang van
                                        de ondersteuning wordt er zo veel mogelijk aansluiting
                                        gezocht bij hoofdstukken 5 en 6 uit het document: ‘Richtlijn
                                        Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden (MO-Zaak, 2011)’
                                        (zie bijlage 3 bij deze beleidsregels).</al><al/><al> Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed
                                        gestreken.</al><al/><al> Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding
                                        gaat het over het algemeen om uitstelbare taken. Alleen als
                                        de was niet kan blijven liggen moet dat direct gebeuren.
                                        Voor dergelijke situaties kan het zijn dat, ondanks het
                                        aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, het college
                                        compenseert om het resultaat te bereiken.</al><tussenkop> 4.6. Het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren</tussenkop><tussenkop> 4.6.1. Inleiding</tussenkop><al>De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in
                                        eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende
                                        ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide
                                        werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier
                                        waarop zij dat willen (grootouders, kinderopvang), maar het
                                        is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de
                                        situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in
                                        staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie moet
                                        men een permanente oplossing zoeken.</al><al/><al>De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen
                                        zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke
                                        oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen
                                        worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een
                                        permanente oplossing. Het college compenseert alleen wanneer
                                        een van de/beide ouders/verzorgers zich met een hulpvraag
                                        bij het college meldt/melden.</al><tussenkop> 4.6.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het thuis
                                        zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren</tussenkop><al> Wanneer het gaat om tijdelijke opvang gaat het om die
                                        tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis
                                        is.</al><al/><al> Wanneer er compenserende maatregelen worden getroffen,
                                        wordt bij het bepalen van de omvang zo veel mogelijk
                                        aangesloten bij hoofdstuk 5 en 6 uit het document:
                                        ’Richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden
                                        (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze beleidsregels).
                                        Deze richtlijnen gelden slechts als afwegingskader voor het
                                        bepalen van het volume. De ondersteuning wordt op basis van
                                        de persoonlijke situatie van belanghebbende ingezet. De Wmo
                                        consulent kan zo nodig de tijd die nodig is om bepaalde
                                        activiteiten uit te voeren naar boven en beneden
                                        bijstellen.</al><al/><al> Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om
                                        welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht
                                        moet worden naar een definitieve oplossing.</al><tussenkop> 4.7. Het zich in en om de woning verplaatsen</tussenkop><tussenkop> 4.7.1. Inleiding</tussenkop><al>Om verschillende activiteiten in het dagelijks leven
                                        zelfstandig uit te kunnen voeren, moet men in staat zijn
                                        zich in en om het huis te kunnen verplaatsen. Om de effecten
                                        van de mobiliteitsbeperkingen op de (maatschappelijke)
                                        participatie van belanghebbende op te heffen, heeft de Wmo
                                        het college tot compensatie verplicht.</al><tussenkop> 4.7.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het zich in en
                                        om de woning verplaatsen</tussenkop><al> Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat
                                        betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de
                                        woning worden gedaan.</al><al/><al> Wanneer het noodzakelijk is dat het college compenseert,
                                        zet het college ondersteuning in om verplaatsingen in en om
                                        het huis mogelijk te maken. Als er noodzaak bestaat voor
                                        ondersteuning voor dagelijks zittend gebruik, stelt het
                                        college via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch
                                        advies een programma van eisen op. </al><tussenkop> 4.8. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop> 4.8.1. Inleiding</tussenkop><al>Het zich lokaal/regionaal verplaatsen per vervoermiddel is
                                        de mogelijkheid om zich in de eigen woon- en
                                        leefomgeving/regio te verplaatsen. Het gaat hierbij om
                                        vervoer in de vrije tijd, dus niet naar werk, school of
                                        dagbesteding. Reizen in de vrije tijd is bijvoorbeeld een
                                        rit naar de supermarkt, naar de sportclub of naar familie.
                                        Voor reizen naar het werk, een opleiding of naar
                                        dagbesteding bestaan aparte regelingen. Het vervoer voor
                                        verplaatsingen van meer dan 5 vervoerszones (bovenregionaal
                                        vervoer) wordt uitgevoerd door Valys in opdracht van het
                                        ministerie van VWS.</al><tussenkop> 4.8.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het zich lokaal
                                        verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><al> Het resultaat ‘het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel’ gaat om dagelijkse/recreatieve verplaatsingen
                                        binnen een straal van 5 vervoerszones.</al><al/><al> Wanneer het noodzakelijk is dat het college compenseert,
                                        zet het college ondersteuning in om lokale/regionale
                                        verplaatsingen mogelijk te maken. Hierbij staat de
                                        vervoersbehoefte van belanghebbende centraal en wordt de
                                        compensatie afgestemd op de vervoersbehoefte van
                                        belanghebbende. Kan men geen 800 meter zelfstandig en in een
                                        redelijk tempo afleggen, al dan niet met hulpmiddelen, dan
                                        wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen
                                        bereiken. Kan men dat wel, maar zijn er beperkingen bij het
                                        vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het
                                        zich staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen dan
                                        kan het college compenserende maatregelen treffen om het
                                        resultaat te bereiken.</al><al/><al> Het resultaat ’het zich lokaal/regionaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel’ kan als individuele voorziening door zowel
                                        een toekenning in natura als via een pgb worden bereikt.
                                        Voor zowel ondersteuning in natura als in de vorm van een
                                        pgb betaalt belanghebbende een eigen bijdrage. Wanneer
                                        belanghebbende voldoende gecompenseerd is via het collectief
                                        vervoer, wordt alleen een pgb verstrekt wanneer een
                                        verstrekking in natura niet voldoende compenserend is en
                                        niet bijdraagt aan het bereiken van het resultaat. Wanneer
                                        voor het collectief vervoer standaard ook een pgb zou moeten
                                        worden verstrekt, zou namelijk de mogelijkheid bestaan dat
                                        door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder
                                        dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk
                                        zijn van collectief vervoer zou zo de natura voorziening
                                        wegvallen.</al><al/><al> Wanneer het college om het resultaat te bereiken
                                        compenseert, moet de voorziening belanghebbende in staat
                                        stellen om ten minste een afstand van 2500 km per jaar
                                        kunnen afleggen. Als daar aanleiding voor is kan het college
                                        dit aantal ophogen.</al><al/><al> Wanneer het college via collectieve voorzieningen
                                        compenseert, kan belanghebbende voor gebruik van de
                                        voorziening een (reizigers)bijdrage moeten betalen in de
                                        vorm van (een deel van) het tarief dat voor de voorziening
                                        geldt.</al><tussenkop> 4.9. Het ontmoeten van medemensen en het aangaan/onderhouden van
                                    sociale verbanden</tussenkop><tussenkop> 4.9.1. Inleiding</tussenkop><al>Het gaat bij dit resultaat om de mogelijkheid deel te nemen
                                        aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze
                                        activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het
                                        leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit
                                        in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal
                                        verplaatsen per vervoermiddel.</al><tussenkop> 4.9.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het ontmoeten
                                        van medemensen en het aangaan/onderhouden van sociale
                                        verbanden</tussenkop><al>Het resultaat ‘het ontmoeten van medemensen en het
                                        aangaan/onderhouden van sociale verbanden’ gaat om het
                                        kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan
                                        gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan
                                        familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het
                                        bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het
                                        verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de
                                        vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 5.1 Aanmelding voor een gesprek</tussenkop><al>Het proces van vraag naar ondersteuning begint met een gesprek
                                    tussen belanghebbende en een Wmo consulent. Belanghebbende moet
                                    zich voor dit gesprek aanmelden. Dit doet hij bij voorkeur via
                                    een contactformulier. Dit contactformulier is ook digitaal (als
                                    e-formulier) beschikbaar op de website van de gemeente Laren.
                                    Ook is het mogelijk om zich mondeling of per e-mail voor een
                                    gesprek aan te melden.</al><al/><al>De afspraak voor het gesprek wordt binnen 10 dagen na de
                                    aanmelding gemaakt, in noodsituaties eerder. Hierdoor hebben
                                    beide partijen de gelegenheid zich op het gesprek voor te
                                    bereiden. Het gesprek zelf volgt zo spoedig mogelijk. Nadat er
                                    een afspraak ingepland is, stuurt de Wmo consulent
                                    belanghebbende een vragenlijst waarin de te bespreken
                                    onderwerpen/vragen staan.</al><tussenkop> 5.2 Het gesprek</tussenkop><al>Wanneer belanghebbende zich tot het college wendt met een
                                    hulpvraag, wordt in eerste instantie een gesprek gevoerd met een
                                    Wmo consulent. Het doel van het gesprek is het vaststellen van
                                    de ondersteuningsbehoefte. Gekeken wordt naar een of meer te
                                    bereiken resultaten en de oplossingen die daarbij passen,
                                    inclusief de eigen mogelijkheden. Dit alles binnen het kader van
                                    de compensatieplicht. Het gesprek gaat in op de knelpunten die
                                    belanghebbende ondervindt bij zijn zelfredzaamheid en
                                    maatschappelijke participatie. Hierbij staan de mogelijkheden
                                    die belanghebbende ondanks zijn beperkingen heeft centraal. De
                                    eigen oplossingen die belanghebbende, eventueel samen met het
                                    sociale netwerk, kan organiseren nemen een sterke positie in
                                    tijdens het gesprek.</al><al/><al>Om vanuit een integrale benadering met de hulpvraag van
                                    belanghebbende om te gaan, en optimaal maatwerk te kunnen
                                    leveren, gaat het gesprek in op meerdere levensdomeinen. De te
                                    bespreken levensdomeinen zijn in ieder geval:</al><al> daginvulling (de tijd tussen opstaan en naar bed gaan) wonen
                                    (verblijf en onderdak) huishouding (wassen, koken, schoonmaken,
                                    boodschappen doen) vrijetijdsbesteding (plezier van een hobby,
                                    liefhebberij of bezigheid) inkomsten en uitgaven (over geld dat
                                    binnenkomt en weer uit gaat) sociale contacten (de omgang met
                                    familie, vrienden, kennissen) (verder) leren (een opleiding of
                                    cursus nodig hebben of erbij willen doen) vervoer en mobiliteit
                                    (verplaatsingen van A naar B) zelfverzorging (de dagelijkse
                                    verzorging) zorg voor een ander (dagelijkse verzorging van
                                    anderen) administratie (persoonlijke boekhouding bijhouden en
                                    papieren bewaren)</al><al>Tijdens het gesprek is belanghebbende altijd vrij om andere
                                    onderwerpen te bespreken. Het gesprek gaat per levensdomein in
                                    op in ieder geval de volgende vragen:</al><al> Of belanghebbende belemmeringen ondervindt op het betreffende
                                    levensdomein en zo ja, welke. Of belanghebbende wenst dat er
                                    iets aan de belemmeringen wordt gedaan. Welke oplossingen
                                    volgens belanghebbende de belemmeringen weg zouden kunnen nemen.
                                    Wat belanghebbende zelf, eventueel in samenwerking met het
                                    sociale netwerk, kan doen om oplossingen te realiseren. Waar
                                    belanghebbende hulp van anderen, bijvoorbeeld de gemeente,
                                    hulpverleners, instanties nodig heeft.</al><al>Belanghebbende kan zelf kwaliteiten hebben die hij graag voor
                                    anderen inzet. In het gesprek wordt daarom stilgestaan bij de
                                    vraag wat belanghebbende zelf voor anderen kan betekenen
                                    (wederkerigheid). Ook de inzet van ervaringsdeskundigheid en
                                    kennis wordt benut, bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van beleid
                                    en de kwaliteit van de Wmo uitvoering.</al><al/><al>Het gesprek wordt volledig afgestemd op de wensen en behoeften
                                    van belanghebbende. Het staat belanghebbende vrij om voor
                                    hem/haar relevante personen bij het gesprek aanwezig te laten
                                    zijn. Het gesprek wordt bij belanghebbende thuis gevoerd. Als
                                    belanghebbende dit wenst kan het gesprek in het Wmo-loket van de
                                    gemeente Laren plaatsvinden.</al><al/><al>Hoe breed het gesprek over de ondersteuningsbehoefte is,
                                    verschilt van situatie tot situatie. Het gesprek en de formele
                                    beoordeling van een individuele aanvraag zijn verschillende
                                    zaken, ook al loopt het in de praktijk wel eens door elkaar
                                    heen. Dankzij het gesprek kan een eventuele formele procedure
                                    vlotter doorlopen worden.</al><tussenkop> 5.3 Het verslag</tussenkop><al>Elk gesprek wordt in een verslag vastgelegd. Het belangrijkste
                                    is de formulering van het te bereiken resultaat, de daarbij
                                    horende oplossing en de afspraken over de manier waarop het
                                    resultaat bereikt wordt. Wanneer belanghebbende na een gesprek
                                    een aanvraag voor een individuele voorziening indient, speelt
                                    het verslag een rol in de eventuele verdere procedure. Het
                                    verslag bevat in ieder geval:</al><al> Een omschrijving van de beperking, het chronisch psychisch
                                    probleem en/of het psychosociaal probleem zoals ervaren door
                                    belanghebbende. De mogelijkheden die belanghebbende heeft
                                    ondanks dit probleem. De problemen die belanghebbende ondervindt
                                    op basis van dit probleem. De resultaten die belanghebbende wil
                                    bereiken op de in artikel 4 lid 1 Wmo omschreven terreinen. Wat
                                    belanghebbende zelf, eventueel met hulp van anderen/het sociale
                                    netwerk kan doen om oplossingen te bewerkstelligen. Wat
                                    belanghebbende zelf kan betekenen voor anderen. Welke
                                    ondersteuning er van instanties/gemeente/hulpverleners nodig
                                    is.</al><al>Na het gesprek met de Wmo consulent ontvangt belanghebbende een
                                    verslag van het gesprek. Hoe uitgebreid het verslag is kan met
                                    belanghebbende worden afgestemd. Vaak voldoet een beknopte
                                    terugkoppeling van de belangrijkste conclusies uit het
                                    gesprek.</al><tussenkop> 5.4 De aanvraag en motivering</tussenkop><al>Als uit het gesprek blijkt dat het nodig is dat het college een
                                    individuele voorziening als compenserende maatregel treft, dan
                                    moet belanghebbende hier een formele aanvraag voor indienen.
                                    Belanghebbende kan de aanvraag doen via een daarvoor bestemd
                                    aanvraagformulier. Ook als uit het gesprek duidelijk gebleken is
                                    dat een bepaald individuele voorziening niet de geschikte
                                    compenserende maatregel vormt, kan belanghebbende desondanks een
                                    aanvraag indienen. Dit recht op het indienen van een aanvraag is
                                    in de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.</al><al/><al>Binnen de Wmo draait het om maatwerk: belanghebbenden met
                                    dezelfde beperkingen zijn niet altijd met dezelfde oplossingen
                                    geholpen. Wanneer het gaat om het wel/niet treffen van
                                    compenserende maatregelen heeft het college een expliciete,
                                    verzwaarde motiveringsplicht bij primaire beslissingen en
                                    beslissingen op bezwaar (artikel 26, Wmo). Deze bijzondere
                                    motiveringsplicht beoogt de rechtsbescherming van de aanvrager
                                    te beschermen, juist omdat vanuit het principe van maatwerk (=
                                    uitgaan van ongelijkheid) de resultaatverplichting van het
                                    college wordt ingevuld. Vindt er geen uitgebreide inventarisatie
                                    naar de persoonlijke situatie van belanghebbende plaats, dan
                                    komt een genomen besluit in aanmerking voor vernietiging wegens
                                    strijd met artikel 3(.2) van de Algemene wet bestuursrecht.
                                    Hierin zijn verplichtingen ten aanzien van het verkeer tussen
                                    burgers en bestuursorganen geregeld. Het college moet goed
                                    motiveren waarom een bepaalde voorziening wordt ingezet en een
                                    andere voorziening niet. Ook moet het college onderbouwen hoe
                                    dit besluit bijdraagt aan het bevorderen of het behoud van de
                                    zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van
                                    belanghebbende. Dit alles moet het college in de beschikking
                                    verwoorden. Om invulling te kunnen geven aan het principe van
                                    ‘gemotiveerd maatwerk’, neemt het college bij de behandeling van
                                    de aanvraag de conclusies uit het gesprek met de Wmo consulent
                                    als vertrekpunt. Deze conclusies gebruikt het college als
                                    voornaamste onderzoeksfeiten. In de beschikking staat in ieder
                                    geval het volgende:</al><al>a. De belangrijkste conclusies uit het gesprek.</al><al>b. Het te bereiken resultaat.</al><al>c. De eigen oplossingen van belanghebbende om het resultaat te
                                    bereiken.</al><al>d. Welke compenserende maatregelen het college treft om het
                                    resultaat te bereiken en de omvang daarvan.</al><al>e. In welke vorm de compensatie plaatsvindt: in natura, als pgb
                                    of als financiële tegemoetkoming.</al><al>f. Per wanneer de compensatie ingaat en de duur daarvan.</al><al>g. Bij ondersteuning in natura: welke organisatie de
                                    ondersteuning levert.</al><al>h. De voorwaarden waaronder de compensatie plaatsvindt.</al><al>i. De voorlopige hoogte van de eigen bijdrage/hoogte van het
                                    eigen aandeel.</al><al>j. De regels die gelden ten aanzien van de verantwoording van
                                    het pgb/de financiële tegemoetkoming,</al><tussenkop> 5.5 Advisering</tussenkop><al>Om de compensatieplicht van het college goed in te kunnen vullen
                                    is het in sommige gevallen vereist om vanuit medisch oogpunt de
                                    situatie van belanghebbende te onderzoeken. Dit betekent dat het
                                    voor de Wmo consulent noodzakelijk kan zijn om in het kader van
                                    het verrichten van nauwkeurig onderzoek, een (extern) medisch
                                    advies in te winnen. Daar waar een besluit om medische gronden
                                    genomen is, wordt dit onder andere met medische argumenten
                                    onderbouwd. Hier is vaak een medisch advies voor nodig. Het
                                    opvragen van medische gegevens vindt uitsluitend met toestemming
                                    van belanghebbende plaats.</al><al/><al>Bij de medische advisering wordt de systematiek zoals neergelegd
                                    in de International Classification of Functions, Disabilities
                                    and Impairments, de zogenoemde ICF classificatie, gebruikt. De
                                    ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. Deze
                                    classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en
                                    de met gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn
                                    de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke
                                    kenmerken en in een zinvolle ordening geplaatst. Van de zeer
                                    uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met ’functies’ en
                                    ’activiteiten en participatie’ van belang. De lijsten worden als
                                    bijlage bij dit hoofdstuk aan de beleidsregels gevoegd.</al><al>Als er medisch onderzoek wordt verricht, geeft de Wmo consulent
                                    eerst aan om welke stoornissen het gaat (de ICF is gericht op
                                    functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenoemde
                                    classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm
                                    van de op het tweede niveau aangegeven functies (zie bijlage I
                                    bij dit document). Het medisch advies binnen de kaders van de
                                    Wmo richt zicht op problemen met functies die leiden tot
                                    stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit
                                    niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats moet
                                    vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in
                                    ’activiteiten en participatie’ wordt gebruikgemaakt van het
                                    begrippenkader van de ICF. De indeling van activiteiten en
                                    participatie is als bijlage 2 bij dit document opgenomen.</al><al/><al>Als belanghebbende geen medewerking verleent kan de aanvraag
                                    buiten behandeling worden geplaatst, omdat het college zo niet
                                    in staat wordt gesteld om (op basis van gedegen onderzoek) een
                                    besluit te nemen. Als dit aan de orde is, wordt altijd
                                    onderzocht of de compensatienoodzaak op andere manier vast te
                                    stellen is.</al><tussenkop> 5.6 Alternatieven voor bezwaar</tussenkop><al>Als belanghebbende het niet eens is met de inhoud van een
                                    beschikking heeft hij het recht om in bezwaar te gaan.</al><al/><al>Het college streeft ernaar om, voordat een negatief of afwijkend
                                    besluit valt, belanghebbende in de gelegenheid te stellen hierop
                                    te reageren. Zo is de kans groot dat eventuele fouten die het
                                    college heeft gemaakt hersteld kunnen worden. Bij het in bezwaar
                                    gaan bestaat de mogelijkheid samen nog eens naar het probleem te
                                    kijken. Ook is mediation mogelijk, als belanghebbende en het
                                    college dat wenselijk achten.</al><tussenkop> 5.7 Wmo monitor: doorlopende kwaliteits- en
                                    tevredenheidsmeting</tussenkop><al>Met de regionale Wmo monitor monitort het college continu de
                                    klanttevredenheid over het gesprek en de vervolgdienstverlening.
                                    Met de Wmo monitor meet het college ook de kwaliteit van de
                                    dienstverlening/ondersteuning door te onderzoeken in hoeverre de
                                    verstrekte voorzieningen daadwerkelijk compenserend zijn en dus
                                    leiden tot het te bereiken resultaat. Hiervoor worden
                                    belanghebbenden (telefonisch of schriftelijk) bevraagd op vaste
                                    momenten na het gesprek met de Wmo consulent. Doelstelling is om
                                    alle personen die een gesprek hebben gevoerd met een Wmo
                                    consulent in dit onderzoek mee te nemen. Uitgangspunt is om
                                    cliëntenorganisaties zo veel mogelijk in te zetten bij de
                                    uitvoering en evaluatie van de resultaten van de monitor.</al><al/><al>Om de kwaliteits/tevredenheidsmeting te doen worden er met
                                    regelmaat panels met Wmo doelgroepen gehouden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Bepalingen ten aanzien van de te verstrekken resultaatgerichte
                                voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 6.1 Vormen van maatwerkoplossingen</tussenkop><al>Individuele voorzieningen vormen per definitie een
                                    maatwerkoplossing. De Wmo consultent verkent (vooral tijdens het
                                    gesprek) per hulpvraag op welke manier in dit specifieke geval
                                    de beperkingen zo veel mogelijk kunnen worden gecompenseerd.
                                    Hierbij geeft de Wmo consulent inzicht n de oplossingspotentie
                                    van individuele voorzieningen (functionaliteit). Wanneer uit het
                                    gesprek blijkt dat een individuele voorziening leidt tot het
                                    resultaat/voldoende compenserend is voor de beperkingen van
                                    belanghebbende, gaat de Wmo consulent tijdens het gesprek al in
                                    op het vervolgtraject om de compenserende maatregel te
                                    gebruiken/in te zetten. Het gaat dan om de aanvraagprocedure,
                                    het eventuele onderzoek, de beoordeling, de eigen bijdragen, het
                                    karakter van het besluit, bezwaar en beroep, de rol van een
                                    eventueel ondersteuningsplan, de Wmo monitor etc.</al><al/><al>Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende:</al><al> “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
                                    aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen
                                    het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van
                                    een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget,
                                    waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld
                                    in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964,
                                    tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.”</al><al/><al>Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van compensatie
                                    mogelijk om het resultaat te bereiken. De eerste vorm is
                                    compensatie in natura. Daarmee wordt bedoeld dat het college een
                                    voorziening verstrekt, die belanghebbende kant en klaar
                                    ontvangt. De tweede mogelijkheid is een te ontvangen geldbedrag,
                                    het pgb. De derde vorm van compensatie is de financiële
                                    tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: ‘Een
                                    persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor
                                    een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een
                                    woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
                                    Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing’. Artikel 7 van de
                                    Wmo sluit ondersteuning in natura en als pgb uit wanneer het
                                    gaat om bouwkundige woonvoorzieningen. Het college is bij
                                    dergelijke voorzieningen verplicht om een financiële
                                    tegemoetkoming te betalen aan de eigenaar van de woning.</al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende vormen van
                                    ondersteuning en de voorwaarden die hieraan gekoppeld zijn. In
                                    de laatste paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheid om in
                                    bezwaar te gaan en de alternatieven die er voor het bezwaar
                                    bestaan.</al><tussenkop> 6.2 Compensatie in natura</tussenkop><al>Een voorziening in natura is een voorziening die kant-en-klaar
                                    wordt verstrekt. Het gaat dan om goederen of diensten,
                                    belanghebbende ontvangt geen geldsom.</al><al/><al>De toekenning in natura vindt bij beschikking plaats. In de
                                    beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder de
                                    compensatie plaatsvindt. Voor individuele voorzieningen geldt
                                    dat belanghebbenden een eigen bijdrage (in het geval van
                                    natura/pgb) of een eigen aandeel (in het geval van een
                                    financiële tegemoetkoming) betaalt. In de beschikking voor de
                                    voorziening in natura staat de voorlopige hoogte van de eigen
                                    bijdrage. Een definitieve eigen bijdrage kan niet worden genoemd
                                    omdat alleen het CAK de definitieve berekening en de
                                    uiteindelijke inning mag doen.</al><al/><al>Voor compensatie in natura geldt dat het college de
                                    goederen/diensten van tevoren voor de klant heeft ingekocht.
                                    Hiervoor heeft het college contracten met verschillende
                                    aanbieders/leveranciers. Bij alle Wmo inkooptrajecten gelden de
                                    volgende uitgangspunten:</al><al> De klant staat bij de inkoop centraal. De participatie van de
                                    klant, vanaf het begin van het inkoopproces, wordt een
                                    belangrijke voorwaarde. De wensen van de klant worden belangrijk
                                    voor het bepalen van de kwaliteit van de Wmo voorziening.
                                    Belanghebbenden worden nauwer betrokken bij het contractbeheer.
                                    De markt (leveranciers/aanbieders) wordt nadrukkelijk betrokken
                                    bij de innovatie en verbetering van de Wmo voorzieningen. De
                                    gemeenten kopen afhankelijk van het product regionaal in en
                                    zorgen voor een eenvoudige en transparante manier van inkoop. De
                                    Wmo contracten worden afhankelijk van de schaal van inkoop
                                    regionaal beheerd.</al><al>Om de levering van kwalitatief hoogwaardige ondersteuning te
                                    borgen evalueert het college de contracten constant. Het college
                                    kan haar rol als toezichthouder op kwaliteit zo goed invullen,
                                    doordat zij vroegtijdig belemmeringen weg kan nemen/kan inspelen
                                    op ontwikkelingen en proactief kan zijn. Het waardeoordeel van
                                    de klant (gemeten via de Wmo monitor) neemt per contract een
                                    sterke positie in als prestatie-indicator; dit oordeel speelt
                                    bij alle contracten voor voorzieningen in natura een rol in het
                                    uiteindelijk besluit van het college om een contract al dan niet
                                    te verlengen.</al><tussenkop> 6.3 Compensatie via een persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag bedoeld om
                                    zelf een individuele voorziening mee aan te schaffen of te
                                    betalen. Op het pgb wordt een eigen bijdrage in mindering
                                    gebracht.</al><al/><al>In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er
                                    ten aanzien van het pgb uitzonderingen mogelijk zijn op de
                                    keuzevrijheid. Daar waar er sprake is van zogeheten ‘overwegende
                                    bezwaren’ kan het college besluiten niet te compenseren via een
                                    pgb. Dit is vooral het geval wanneer personen van wie verwacht
                                    kan worden dat zij niet met het beschikbare geld om kunnen gaan
                                    een pgb aanvragen. Als dit het geval is, is het verstrekken van
                                    een pgb niet het meest effectief om het vastgestelde resultaat
                                    te bereiken. Het pgb biedt dan ook geen compensatie.</al><al/><al>Het college bepaalt de omvang van het pgb. In het Besluit
                                    behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Laren 2013 wordt het pgb en de totstandkoming daarvan
                                    nader omschreven. Er zijn twee mogelijkheden: enerzijds het pgb
                                    voor de inkoop van diensten, anderzijds het pgb voor de aanschaf
                                    van producten/goederen.</al><tussenkop> 6.3.1 Pgb gericht op de inkoop van diensten</tussenkop><al>Bij een pgb voor de inkoop van diensten gaat het om de
                                        betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling vindt
                                        dan ook plaats per uur of een gedeelte daarvan. De geldende
                                        uurtarieven worden elk jaar aangepast aan de economische
                                        ontwikkelingen en geïndexeerd. De hoogte van het pgb hangt
                                        af van het aantal uren aan ondersteuning dat belanghebbende
                                        toegekend krijgt.</al><al/><al>Berekening</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt het tarief
                                        van ondersteuning in natura/de goedkoopst-compenserende
                                        voorziening als vertrekpunt genomen. Hierbij geldt dat het
                                        basisbedrag voor het pgb 80% van dit tarief bedraagt.
                                        HierhhhsDit omdat de gemiddelde omvang van
                                        administratie/overheadkosten (20%) van het naturatarief
                                        afgetrokken wordt. Bij de vaststelling van de hoogte van het
                                        pgb is bij wet bepaald (artikel 6.1 van de Wmo) dat het pgb
                                        vergelijkbaar moet zijn met ondersteuning in natura. Ook
                                        moet het toereikend zijn om de resultaatgerichte
                                        ondersteuning in te kopen. Om het pgb resultaatgericht in te
                                        zetten wordt daarom ook per geval een berekening gemaakt.
                                        Het pgb moet echter ten minste het bruto minimum
                                        uurloonbedrag voor de uitvoering van de nodige dienst zijn.
                                        Daar waar belanghebbende aantoonbaar niet in staat wordt
                                        gesteld om de nodige ondersteuning in te kopen met een pgb
                                        van 80% van het tarief van ondersteuning in natura/de
                                        goedkoopst-compenserende voorziening, kan het college
                                        daarvan afwijken. Het pgb wordt dan aangepast aan het
                                        geldbedrag dat nodig is om de ondersteuning te
                                        verwerven.</al><al>Het inkooptarief voor ondersteuning in natura wordt
                                        jaarlijks geïndexeerd. Dit wordt vastgelegd in de contracten
                                        tussen de gemeente en aanbieders.</al><al/><al>Netto/bruto eigen bijdrage</al><al>Bij pgb’s gericht op de inkoop van diensten kan een netto
                                        pgb worden uitbetaald. Hierbij wordt eerst de omvang van het
                                        bruto pgb bepaald. Vervolgens wordt de verschuldigde eigen
                                        bijdrage op het bruto pgb in mindering gebracht. Het bedrag
                                        dat overblijft is het netto pgb. Het CAK int de eigen
                                        bijdrage bij belanghebbende en betaalt de eigen bijdrage
                                        door aan het college. Om het netto pgb te betalen vraagt het
                                        college inkomens (en/of vermogens)gegevens (bijvoorbeeld:
                                        IB-60 formulier of definitieve belastingaanslag) op bij
                                        belanghebbende. Op basis van deze gegevens wordt een
                                        voorlopige eigen bijdrage berekend, die op het bruto pgb in
                                        mindering wordt gebracht. Nadat het CAK de definitieve eigen
                                        bijdrage heeft vastgesteld, wordt het definitieve netto pgb
                                        vastgesteld. Eventuele verschillen worden uitbetaald,
                                        verrekend of teruggevorderd.</al><tussenkop> 6.3.2 Pgb gericht op de inkoop van goederen</tussenkop><al>Ook bij de inkoop van goederen wordt het tarief voor
                                        ondersteuning in natura als uitgangspunt genomen. Zoals in
                                        het Besluit behorende bij de Verordening wet
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013 vermeld
                                        staat, moet belanghebbende de ondersteuning volgens een
                                        programma van eisen aanschaffen en wordt hierbij het pgb
                                        vastgesteld op 90% van het tarief voor ondersteuning in
                                        natura/de goedkoopst-compenserende voorziening. Hierbij
                                        wordt uitgegaan van de koopprijs. Ook voor het pgb gericht
                                        op de inkoop van goederen geldt dat het college per geval
                                        een berekening maakt. De omvang van het pgb moet voldoende
                                        zijn om de betreffende compenserende maatregel (product) aan
                                        te schaffen. </al><al/><al>Berekening</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt er rekening
                                        gehouden met kosten die gemaakt worden aan onderhoud en
                                        reparatie. Het college kan een financiële tegemoetkoming per
                                        jaar verstrekken voor onderhouds- en reparatiekosten. De
                                        kosten worden op declaratiebasis vergoed. De maximale
                                        vergoeding bedraagt de gemiddeld onderhouds- en
                                        reparatiekosten van de goedkoopst-compenserende voorziening.
                                        Bij het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage kan
                                        meegenomen worden in hoeverre een hergebruikt product
                                        voldoende compensatie biedt. De hoogte van het pgb kan
                                        hierop worden aangepast. Het gaat dan om een voorziening in
                                        depot.</al><tussenkop> 6.3.3 Uitbetaling Pgb</tussenkop><al>De compensatie via een pgb vindt bij beschikking plaats. In
                                        deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het pgb is,
                                        voor welk resultaat het pgb ingezet moet worden, onder welke
                                        voorwaarden het pgb wordt verstrekt en voor welke periode
                                        het pgb toegekend wordt.</al><al/><al>Wanneer het gaat om de aanschaf van producten, wordt bij de
                                        beschikking altijd een Programma van Eisen (PVE) gevoegd,
                                        waarin de minimale eisen vermeld staan waar de in te kopen
                                        voorziening aan moet voldoen. Dit PVE maakt deel uit van de
                                        beschikking. Het PVE maakt duidelijk wat er met het pgb
                                        aangeschaft moet worden en aan welke vereisten de aan te
                                        schaffen voorziening moet voldoen. Zo wordt geborgd dat
                                        belanghebbende op de hoogte is van waar het pgb aan besteed
                                        moet worden en welke (kwaliteits)eisen relevant zijn.
                                        Wanneer belanghebbende toch een voorziening aanschaft die
                                        niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is dit in
                                        strijd met de beschikking.</al><al/><al>Met betrekking tot het pgb neemt het college in de
                                        beschikking op dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de
                                        kosten verschuldigd is. Zodra het college de beschikking
                                        heeft verzonden, wordt het pgb beschikbaar gesteld. Dat kan
                                        in één keer, als daar aanleiding voor is, of in termijnen.
                                        Afhankelijk van de situatie van belanghebbende kan betaling
                                        van het pgb per vier weken geschieden, maar ook per kwartaal
                                        of per half jaar.</al><tussenkop> 6.3.4 Eigen bijdrage</tussenkop><al>Als er sprake is van een compenserende maatregel in de vorm
                                        van een individuele voorziening, zowel in natura of een pgb,
                                        moet een eigen bijdrage worden betaald. Dit is bepaald in
                                        artikel 20 van de verordening. De omvang van de eigen
                                        bijdrage wordt vastgesteld op de maximale eigen bijdrage
                                        binnen de kaders van artikel 4.1 en artikel 4.2 van het
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning. Bij wet is
                                        vastgesteld dat belanghebbenden die via een rolstoel
                                        gecompenseerd worden voor hun mobiliteitsbeperkingen, geen
                                        eigen bijdrage hoeven te betalen. Dit geldt ook voor
                                        individuele voorzieningen voor kinderen jonger dan 18
                                        jaar.</al><al/><al>Wanneer belanghebbende via het collectief vraagafhankelijk
                                        vervoer gecompenseerd wordt voor mobiliteitsbeperkingen dan
                                        is er geen sprake van een inkomens/vermogensafhankelijke
                                        eigen bijdrage, maar van een reizigersbijdrage dat gelijk
                                        staat aan de geldende tarieven van het reguliere OV.
                                        Belanghebbende betaalt deze eigen bijdrage direct na het
                                        reizen aan de chauffeur, of laat de kosten door de
                                        vervoerder automatisch afschrijven.</al><tussenkop> 6.3.5 Vaststellen en innen van de eigen bijdrage</tussenkop><al>De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het
                                        Centraal Administratie Kantoor (CAK). De hoogte van de eigen
                                        bijdrage is afhankelijk van het inkomen en eventuele
                                        vermogen. In de beschikking wordt een voorlopige eigen
                                        bijdrage aangekondigd. De definitieve vaststelling en de
                                        uiteindelijke inning vinden door het CAK plaats.</al><al/><al>De maximale periodebijdrage wordt berekend met het
                                        verzamelinkomen van twee jaar geleden. In 2013 doet men
                                        aangifte over 2012, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar
                                        dat het verzamelinkomen over 2011 in 2013 gebruikt wordt.
                                        Het verzamelinkomen is vastgesteld door de Belastingdienst
                                        op basis van de belastingaangifte. Het verzamelinkomen is
                                        het totaal van het inkomen uit de drie ‘boxen’:</al><al> inkomsten uit werk, of een uitkering; inkomsten uit
                                        aandelen en dividenden; opbrengsten uit beleggingen en
                                        spaargeld.</al><al/><al>Door een wijziging van de wet telt vanaf 2013 een extra deel
                                        van het vermogen mee bij de berekening van de eigen
                                        bijdrage. Wanneer belanghebbende belastingaangifte doet en
                                        vermogen heeft in box 3 telt 8% van de “grondslag sparen en
                                        beleggen” mee bij de berekening van de eigen bijdrage. De
                                        “grondslag sparen en beleggen” is het deel van het vermogen
                                        boven het heffingvrije vermogen.</al><al/><al>Een eigen bijdrage voor een pgb mag elke 4 weken gevraagd
                                        worden, maar mag nooit hoger zijn dan de grens van 39
                                        perioden. Ook mag de eigen bijdrage niet hoger zijn dan de
                                        kostprijs van de voorziening. Als er een pgb of een
                                        financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel verstrekt
                                        voor een voorziening die eigendom van belanghebbende wordt,
                                        dan mag de eigen bijdrage voor niet meer dan 39 perioden van
                                        4 weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor een
                                        doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan
                                        mag de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang als de
                                        voorziening wordt gebruikt.</al><tussenkop> 6.3.6 Ondersteuning beheer pgb</tussenkop><al>De ondersteuning bij het beheer van het pgb heeft alleen
                                        betrekking op het budget voor de inkoop van diensten. Als
                                        belanghebbende gecompenseerd wordt met een pgb voor inkoop
                                        van diensten, is hij werkgever of opdrachtgever, met alle
                                        rechten en plichten die daarbij horen.</al><al/><al>Als budgethouders die de werkgeversrol vervullen niet onder
                                        de Regeling dienstverlening aan huis van de Belastingdienst
                                        vallen moeten er loonheffingen, premies
                                        werknemersverzekeringen, inkomensafhankelijk bijdrage Zvw en
                                        werkgeverslasten worden afgedragen. Er moet een
                                        loonadministratie worden gevoerd, de wet Poortwachter is van
                                        toepassing, etc.</al><al/><al>De Sociale Verzekeringsbank (SVB) biedt ondersteuning bij de
                                        werkgevers-en opdrachtgeverstaken van budgethouders. De
                                        gemeente heeft met de SVB een contract afgesloten dat het
                                        mogelijk maakt dat belanghebbenden die na 1 januari 2007 via
                                        een pgb gecompenseerd worden van deze diensten gebruik
                                        kunnen maken. De gemeente betaalt de kosten van deze
                                        ondersteuning, maar deze is voor belanghebbende kosteloos.
                                        De SVB hanteert voor haar diensten een tarief tegen
                                        kostprijs, gebaseerd op het werkelijk gebruik van haar
                                        diensten door de budgethouders uit de gemeente. De SVB biedt
                                        in ieder geval de volgende diensten aan budgethouders:</al><al>• Advies over administratie, arbeidsrecht en
                                        werkgeversverplichtingen</al><al>• Vergoeding van loonkosten</al><al>• Arbo-begeleiding bij ziekte van de zorgverlener</al><al>• Modelovereenkomsten</al><al>• Collectieve verzekeringen voor wettelijke
                                        aansprakelijkheid, schade en rechtsbijstand</al><al>• Hulp bij de salarisadministratie (de SVB stuurt
                                        loonstroken en zorgt ervoor dat de zorgverlener netto
                                        uitbetaald wordt)</al><al>• MijnPGB (met behulp van MijnPGB regelen budgethouders
                                        digitaal persoonlijke zaken met de SVB).</al><tussenkop> 6.3.7 Verantwoording pgb</tussenkop><al>Het college kan steekproefsgewijs een controle uitvoeren
                                        naar een rechtmatige besteding van het pgb. Hierbij wordt
                                        willekeurig een aantal belanghebbenden geselecteerd die een
                                        aantal voor het onderzoek relevante documenten moeten
                                        aanleveren (zie hieronder). Als belanghebbende geselecteerd
                                        wordt, dan moet hij de administratie binnen zes weken nadat
                                        het college hierom gevraagd heeft overleggen.
                                        Belanghebbenden aan wie een pgb is verstrekt moeten in ieder
                                        geval de volgende stukken bewaren:</al><al/><al>Pgb voor de inkoop van diensten:</al><al> een overzicht van de loonadministratie met bewijsmiddelen
                                        (declaraties van de persoon of instantie bij wie
                                        belanghebbende de ondersteuning betrekt en bewijsstukken van
                                        betalingen aan de persoon of instantie bij wie
                                        belanghebbende de ondersteuning betrekt). de overeenkomst
                                        met de persoon of instantie bij wie belanghebbende de
                                        ondersteuning betrekt.</al><al/><al>Pgb voor de inkoop van goederen:</al><al> de originele nota/factuur van de aangeschafte voorziening;
                                        het betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening.</al><al/><al>Het college kan tot vijf jaar nadat het pgb is besteed de
                                        gegevens opvragen en controleren. Belanghebbende moet de
                                        administratie voor een looptijd van minimaal vijf jaar
                                        bewaren. Is het pgb anders besteed dan bedoeld, of kan
                                        belanghebbende de nodige stukken niet overleggen, dan kan
                                        het college overwegen het pgb geheel of gedeeltelijk terug
                                        te vorderen. Daarbij is leidend of er sprake was van opzet
                                        of onwetendheid. Bij opzet moet afgewogen worden of
                                        terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist
                                        is gedaan.</al><tussenkop> 6.4 De financiële tegemoetkoming en het eigen aandeel.</tussenkop><al>Naast in natura of in de vorm van een pgb kan het college de
                                    compenserende maatregel ook als financiële tegemoetkoming
                                    verstrekken. Het aantal mogelijkheden voor een financiële
                                    tegemoetkoming is beperkt. Het gaat vooral om een bouwkundige
                                    voorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een
                                    verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor
                                    het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi. De financiële
                                    tegemoetkoming is groot genoeg om de aan te schaffen voorziening
                                    daadwerkelijk aan te schaffen. Belanghebbende betaalt een eigen
                                    aandeel, dat op dezelfde manier als de eigen bijdrage wordt
                                    vastgesteld en geïnd (zie 6.3.5). Wanneer het een niet
                                    forfaitaire financiële tegemoetkoming betreft (zie hieronder)
                                    gelden voor het eigen aandeel dezelfde regels als die voor de
                                    eigen bijdrage.</al><al/><al>Een financiële tegemoetkoming kan forfaitair zijn. Hierbij geldt
                                    dat het bedrag waarmee belanghebbende gecompenseerd wordt, los
                                    van het inkomen wordt vastgesteld. De forfaitaire financiële
                                    tegemoetkoming staat los van de werkelijke kosten en is niet per
                                    se een kostendekkend bedrag. In het Besluit behorende bij de
                                    Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren
                                    2013 staan de maximale bedragen voor de forfaitaire financiële
                                    tegemoetkomingen opgenomen.</al><al/><al>Ook ten aanzien van een financiële tegemoetkoming kan het
                                    college steekproefsgewijs een controle uitvoeren naar de
                                    rechtmatige besteding. Hierbij gelden dezelfde regels als voor
                                    een controle van een rechtmatige besteding van het pgb (zie
                                    6.3.7), Belanghebbende moet dezelfde stukken binnen hetzelfde
                                    termijn kunnen overleggen. Ook ten aanzien van de financiële
                                    tegemoetkoming geldt dat college tot vijf jaar nadat de
                                    financiële tegemoetkoming is besteed, de gegevens kan opvragen
                                    en controleren. Belanghebbende moet de administratie voor een
                                    looptijd van minimaal vijf jaar bewaren. Is de financiële
                                    tegemoetkoming anders besteed dan bedoeld, of kan belanghebbende
                                    de nodige stukken niet overleggen, dan kan het college overwegen
                                    de financiële tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk terug te
                                    vorderen. Daarbij is leidend of er sprake was van opzet of
                                    onwetendheid. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering
                                    in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan.</al><tussenkop> 6.5 Afschrijftermijn en opnieuw compenseren</tussenkop><al>Wanneer belanghebbende een pgb of financiële tegemoetkoming
                                    ontvangen heeft en de ingekochte voorziening wenst te vervangen,
                                    dan moet de voorziening aan vervanging toe zijn. Er wordt
                                    uitgegaan van een gebruikelijke afschrijftermijn van minimaal
                                    zeven jaar. Een dergelijke termijn geldt ook voor voorzieningen
                                    in natura. De actuele voorziening moet minimaal zeven jaar oud
                                    voordat het college opnieuw compenserende maatregelen treft. Als
                                    de voorziening na zeven jaar niet versleten is, niet aan
                                    vervanging toe is en nog voldoende compensatie biedt, gaat het
                                    college niet over tot het opnieuw compenseren.</al><al/><al>Om goed rekening te houden met de persoonlijke situatie van
                                    belanghebbende wordt bij de overweging om binnen de
                                    afschrijftermijn opnieuw te compenseren onderzocht:</al><al> Of de voorziening is gebruikt met als doel het resultaat te
                                    bereiken. Of de voorziening (aantoonbaar) goed en conform de
                                    afspraken onderhouden is en de reguliere periodieke service en
                                    onderhoudsbeurten heeft gehad. Hoe intensief de voorziening is
                                    gebruikt.</al><al>Wanneer belanghebbende goed is omgegaan met de voorziening, de
                                    voorziening voor de juiste doeleinden gebruikt heeft en zich
                                    heeft gehouden aan de verantwoordelijkheden ten aanzien van het
                                    onderhoud, dan kan als de situatie van belanghebbende zich
                                    daartoe leent, opnieuw een compenserende maatregel worden
                                    getroffen en eventueel opnieuw een pgb worden verstrekt.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Procedurele bepalingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> 7.1 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo
                                    2010 worden ingetrokken per datum inwerkintreding van de
                                    Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren
                                    2013. De Beleidsregels behorende bij de Verordening wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013 treden in
                                    werking per datum inwerkintreding van de Verordening wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Laren 2013.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Laren
                        in de vergadering van 5 februari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>ir. B. Coppens-van Nunen drs. E.J. Roest</ondertekening><ondertekening>secretaris burgemeester</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Laren/i222183.pdf">Bijlage 1 de ICF functies</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Laren/i222184.pdf">Bijlage 2 de ICF activiteiten en participatie</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Laren/i222185.pdf">Bijlage 3 normenkader</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>