<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297045_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Katwijksche Post, De Rijnsburger</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-14</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Katwijk; </al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Katwijk d.d.11 mei
                        2010 en 22 januari 2013;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ; </al><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de <vet>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op
                                    belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                    artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ
                                    alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van
                                    een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en
                                    artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                    dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering
                                    op grond van de IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Katwijk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting
                            als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid IOAW/IOAZ of een op
                            grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening
                            een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd
                            indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                            houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer
                            ernstig misdraagt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het
                            bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en, indien
                            van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                heroverwogen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de uitkering reeds is beëindigd wordt de maatregel opgelegd
                                in de periode in het verleden waarin de bijstand werd verstrekt en
                                de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 4, eerste lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie. </al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: het niet of in onvoldoende mate gebruik maken
                                    van een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in
                                    artikel 9 van de re-integratieverordening WWB, IOAW en
                                    IOAZ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                        eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                        tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                        derde categorie.</al></li><li nr="d."><al>vijftig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                        vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onder c, legt het college, indien
                                belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW/IOAZ en
                                de belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder
                                a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door
                                eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                voor onbepaalde duur een maatregel op ter hoogte van het door eigen
                                toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
                                achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde
                                duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen
                                een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                verloren netto inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college voor onbepaalde
                                duur een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering
                                ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij weigert hem aangeboden
                                algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van veertig procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende
                                zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn
                                ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4, derde lid bedraagt de maatregel 100% van
                                de uitkeringsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is
                                opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 01 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 februari 2013.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de
                    inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een
                    grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering
                    van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz2004. </al><al/><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. </al><al>Voor de IOAW en IOAZ geldt dat er per 01 juli 2010 een maatregelenverordening
                    moet worden vastgesteld, zodat het beleid ten aanzien van de verlaging van de
                    uitkering is vastgelegd.</al><al/><al>Artikel 34 van de IOAW en artikel 34 van de IOAZ bevatten de opdracht aan
                    gemeenten om een maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen. </al><al/><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en
                    IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB, de IOAW en
                    IOAZ in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om een maatregel voor
                    onbepaalde duur op te leggen.</al><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere uitleg van de begrippen welke in de verordening
                    worden gebruikt.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                    tweede lid IOAW.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</vet></al><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In dit lid is de hoofdregel neergelegd, het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    uitkeringsgerechtigde en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met
                    zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of
                    gelet op de individuele omstandigheden van de betrokkene afwijking van de hoogte
                    en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel gebaseerd zijn op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende afzonderlijk. Waar
                    verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet
                    verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                    verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een percentage
                    bedraagt ‘onverminderd artikel 4, eerste lid’, m.a.w. met de mogelijkheid af te
                    wijken.</al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de verwijtbaarheid</al><al>Stap 4: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 7.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere financiële omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="2."><al>Sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="3."><al>Bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel aan
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur
                    van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat
                    overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat
                    deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene
                    uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering, omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                    motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar
                    is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 6 Horen van belanghebbende </vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Dit lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b
                    staan ook genoemd in artikel 4: 11 en de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder a geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In individuele omstandigheden kan wegens dringende redenen worden afgezien van
                    het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen
                    van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zou zijn. Dat vergt een
                    beoordeling van de situatie van de uitkeringsgerechtigde, maar daarvan zal niet
                    spoedig sprake zijn.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de norm in de eerstvolgende maand(en)</al></li></lijst><al>Het verlagen van de norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de uitkering en het te veel betaalde bedrag aan uitkering terug
                    te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan
                    van de voor die maand geldende norm.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de uitkeringsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    uitkering wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit voor nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. </al><al>De gemeente mag zelf bepalen wanneer de herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar
                    gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo´n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. </al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Indien de uitkering van betrokkene reeds is beëindigd en er toch verwijtbaar
                    gedrag wordt geconstateerd biedt dit lid de mogelijkheid om alsnog een maatregel
                    op te leggen. </al><al>De uitkering wordt in dat geval herzien en het teveel betaalde bedrag aan
                    bijstand wordt teruggevorderd. Dit ligt vooral voor de hand indien er sprake is
                    van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het teveel betaalde bedrag aan
                    uitkering van de uitkeringsgerechtigde moet worden teruggevorderd. In dat geval
                    wordt al een uitkeringsbedrag teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat
                    met terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Samenloop van gedragingen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikel 20 IOAW en IOAZ). Indien sprake is van
                    één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden
                    aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                    van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Daarnaast dient
                    altijd de individuele toets aan artikel 4, eerste lid worden toegepast.</al><al/><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                        algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10 Indeling in categorieën</vet></al><al>In deze verordening wordt gedifferentieerd in categorieën. Gekozen is voor zo
                    veel mogelijk aansluiting bij de maatregelenverordening WWB.</al><al/><al>De gedragingen worden in 4 categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                    gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van
                    betaalde arbeid.</al><al/><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het UWV Werkbedrijf en ingeschreven te blijven. </al><al/><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.</al><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.
                    Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van
                    de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ook sociale activering kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet meewerken aan een Work First
                    voorziening.</al><al/><al>Ten opzichte van de WWB maatregelenverordening zijn in deze bepaling geen
                    gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                    door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                    verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                    mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de
                    uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart
                    hoofdstuk opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 11 De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Dit lid voorziet in de mogelijkheid tot het opleggen van een maatregel van
                    onbepaalde duur bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid.</al><al/><al>Gemeenten kunnen IOAW en IOAZ-gerechtigden een blijvende maatregel opleggen. Dit
                    is een bevoegdheid van de gemeente, geen verplichting. </al><al>Het is daarom een beleidskeuze van de gemeente om al dan niet invulling te geven
                    aan een blijvende maatregel ter hoogte van het verwijtbaar misgelopen inkomen
                    uit of in verband met arbeid.</al><al>In deze verordening is niet gekozen voor een blijvende maatregel, maar in plaats
                    daarvan voor een tussenoplossing: een maatregel voor onbepaalde duur. Het
                    college krijgt de mogelijkheid om na drie maanden, dan wel als de omstandigheden
                    van de persoon en zijn gezin daartoe aanleiding geven, de maatregel te
                    herzien.</al><al/><al>De reden hiervoor is dat wanneer er een blijvende verlaging of weigering wordt
                    gegeven, het inkomen onder het sociaal minimum terecht kan komen. Wanneer er dan
                    geen in aanmerking te nemen vermogen aanwezig is, kan een aanvullend beroep op
                    WWB worden gedaan. Het nadeel is dan dat er twee uitkeringen naast elkaar lopen. </al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het college heroverweegt de maatregel binnen drie maanden.</al><al/><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                        arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te
                        aanvaarden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12 Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                        arbeid</vet></al><al>In deze bepalingen is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om een maatregel
                    voor onbepaalde duur op te leggen volledig uitgewerkt. Zie ook de toelichting
                    bij artikel 11 tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al>Zie toelichting artikel 12.</al><al/><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14 Zeer ernstige gedragingen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                    de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in
                    dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van de IOAW/IOAZ. In artikel 20, lid 2 IOAW/IOAZ wordt gesproken over
                    'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen
                    (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                    aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’
                    betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer
                    ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de IOAW/IOAZ, zoals het
                    UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet
                    duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                    uitgelaten. </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Wat betreft het
                    vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van
                    agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:
                    a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie (uitoefenen van
                    psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e. mensgericht
                    fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In lid 2 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar gedrag soms
                    een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan worden.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>In het derde lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking dat
                    recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. </al><al/><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 Slotbepalingen</vet></al><al/><al>De artikelen 15 en 16 behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>