<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR297030_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen Wmo gemeente Utrechtse Heuvelrug 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws, 11-04-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen Wmo gemeente Utrechtse Heuvelrug 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen Wmo gemeente Utrechtse Heuvelrug 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning.</al></li><li nr="b."><al>college: college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="c."><al>compensatieplicht: de plicht van het College aan personen met
                                    een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal
                                    probleem voorzieningen te bieden ter compensatie van hun
                                    beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en
                                    maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen
                                    een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en
                                    medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                                    aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de Wet het college de
                                    plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag
                                    gelden en dat in het individuele geval maatwerk is.</al></li><li nr="d."><al>aanmelding: de mededeling van een belanghebbende aan het college
                                    dat hij beperkingen ondervindt op grond waarvan hij verzoekt een
                                    afspraak te maken voor een gesprek.</al></li><li nr="e."><al>gesprek: het eerste contact na een aanmelding waarin met degene
                                    die maatschappelijke ondersteuning zoekt zijn gehele situatie
                                    wordt geïnventariseerd ten aanzien van de beperkingen en de
                                    gevolgen daarvan, de te bereiken resultaten, de te kiezen
                                    oplossingen via eigen mogelijkheden of via mogelijkheden van het
                                    netwerk dan wel via algemene, algemeen gebruikelijke
                                    collectieve, (wettelijk) voorliggende en individuele
                                    voorzieningen.</al></li><li nr="f."><al>Aanvraag: het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking te
                                    komen voor één of meerdere voorzieningen om een resultaat te
                                    bereiken in het kader van deze verordening.</al></li><li nr="g."><al>belanghebbende: een persoon met een beperking, een chronisch
                                    psychisch probleem of een psychosociaal probleem die behoefte
                                    heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn
                                    deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig
                                    functioneren, die voor zichzelf of, met behulp van een
                                    machtiging, door een ander een aanmelding of een aanvraag doet
                                    of laat doen.</al></li><li nr="h."><al>psychosociaal probleem: een situatie van verlies van
                                    zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan mogelijkheden tot
                                    deelname aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door
                                    belemmeringen die iemand ondervindt in zijn relatie met anderen,
                                    met zijn sociale omgeving.</al></li><li nr="i."><al>algemene voorziening: een voorliggende voorziening die weliswaar
                                    niet bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen
                                    als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Wet, maar die anderzijds
                                    door iedereen waarvoor de voorziening wel bedoeld is op
                                    eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een
                                    ingewikkelde aanvraagprocedure.</al></li><li nr="j."><al>algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet
                                    speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, dus ook door
                                    anderen gebruikt wordt, algemeen verkrijgbaar is en niet –
                                    aanzienlijk – duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li><li nr="k."><al>collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    verstrekt maar die door meerdere personen tegelijk wordt
                                    gebruikt, in casu het collectief vraagafhankelijk vervoer.</al></li><li nr="l."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die normaal in de
                                    maatschappij aanwezig en beschikbaar is en bedoeld voor iedereen
                                    die daar behoefte aan heeft.</al></li><li nr="m."><al>wettelijk voorliggende voorziening: een voorziening op grond van
                                    een wettelijke bepaling anders dan ingevolge de Wet, waarmee het
                                    resultaat geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden.</al></li><li nr="n."><al>individuele voorziening: een voorziening die door het college
                                    ten behoeve van één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt
                                    verstrekt.</al></li><li nr="o."><al>gebruikelijke zorg: de zorg die op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden voor alle meerderjarige leden van een leefeenheid
                                    als algemeen aanvaardbaar wordt beschouwd.</al></li><li nr="p."><al>voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het
                                    resultaat te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of
                                    in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening.</al></li><li nr="q."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag om te gebruiken voor het
                                    te bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in
                                    natura.</al></li><li nr="r."><al>financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, al dan niet
                                    forfaitair of gemaximeerd, bedoeld om een voorziening mee aan te
                                    schaffen voor het te bereiken resultaat.</al></li><li nr="s."><al>mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel
                                    1, lid 1 onder b van de Wet biedt.</al></li><li nr="t."><al>zelfredzaamheid: het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke
                                    of financiële vermogen van natuurlijke personen om zelf
                                    voorzieningen te treffen die maatschappelijke participatie
                                    mogelijk maken;</al></li><li nr="u."><al>eigen bijdrage: een door het college vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een voorziening in natura en een
                                    persoonsgebonden budget voor rekening van de aanvrager
                                    komt;</al></li><li nr="v."><al>eigen aandeel: een door het college vast te stellen eigen
                                    aandeel in de kosten, dat bij de verstrekking van een financiële
                                    tegemoetkoming voor rekening van de aanvrager komt;</al></li><li nr="w."><al>netwerk: met een netwerk wordt bedoeld het gezin, familie en
                                    andere sociale relaties (bijvoorbeeld vrienden, buren,
                                    vereniging, werkgever, kerkgenootschap, moskee of andere
                                    levensbeschouwende genootschappen), in de buurt van
                                    belanghebbende. Deze mensen kunnen, waar nodig, ondersteuning en
                                    mantelzorg verlenen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Inhoudelijke bepalingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr=""><al>Titel 2.1. Resultaatgerichte compensatie</al><al>Artikel 2. De te bereiken resultaten</al><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de Wet via compenserende
                                    maatregelen te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>a. een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="·"><al>b. wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="·"><al>c. beschikken over goederen voor primaire
                                            levensbehoeften;</al></li><li nr="·"><al>d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                            kleding;</al></li><li nr="·"><al>e. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                            gezin behoren;</al></li><li nr="·"><al>f. zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="·"><al>g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="·"><al>h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen
                                            en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                            religieuze activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Titel 2.2. Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3. Scheiding aanmelding en aanvraag</al></li><li nr="1."><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex
                                            artikel 1, lid 1 aanhef en onder g sub 6 van de Wet gaat
                                            een aanmelding voor een gesprek vooraf indien:</al></li><li nr="a."><al>De aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die nog
                                            niet eerder een aanvraag in het kader van de Wet heeft
                                            gedaan;</al></li><li nr="·"><al>b. De aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die
                                            al eerder een gesprek heeft gevoerd maar waarbij sprake
                                            is van gewijzigde omstandigheden of gewijzigde te
                                            bereiken resultaten;</al></li><li nr="·"><al>c. Belanghebbende of het college daarom verzoekt.</al></li><li nr="2."><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te
                                            willen dienen vervalt het gestelde in het eerste
                                            lid.</al></li><li nr=""><al>Artikel 4. Aanmelding voor een gesprek</al></li></lijst><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, elektronisch,
                                    mondeling of telefonisch worden gedaan bij het Wmo loket of de
                                    servicepunten in de woonservicegebieden door of namens een
                                    persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem of
                                    een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie
                                    ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het
                                    maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren.</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 5. Het gesprek</al></li><li nr="1."><al>Bij het voeren van het gesprek zal de International
                                            Classification of Functions, Disabilities and Health als
                                            basis voor het begrippenkader worden gehanteerd.</al></li><li nr="2."><al>Als de belanghebbende een mantelzorger is wordt met de
                                            mantelzorger en zo mogelijk met de verzorgde
                                            geïnventariseerd welke belemmeringen de belanghebbende
                                            ondervindt bij de uitvoering van de mantelzorg.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Artikel 6. Het verslag</al></li><li nr="1."><al>Het gesprek kan worden afgesloten met een verslag.
                                            Opmerkingen van belanghebbende over dit verslag kunnen
                                            als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.
                                            Uitsluitend een door belanghebbende ondertekend verslag
                                            kan als aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7 lid 3
                                            dienen.</al></li><li nr="2."><al>Na het voeren van een gesprek kan een belanghebbende,
                                            gebruik makend van het ondertekende verslag van het
                                            gesprek, dat in die situatie als aanvraagformulier
                                            dient, een aanvraag indienen voor een individuele
                                            voorziening ex artikel 1, lid 1 aanhef en onder g sub 6
                                            van de Wet. </al></li></lijst></li></lijst><al>Titel 2.3. De aanvraag van een individuele voorziening</al><al>Artikel 7. De aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag van een individuele voorziening moet schriftelijk of
                                    elektronisch plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een aanvraag mondeling (via de telefoon of op een andere
                                    manier) plaatsvindt wordt dit per omgaande schriftelijk
                                    bevestigd. Bij deze bevestiging wordt een aanvraagformulier
                                    meegezonden.</al></li><li nr="3."><al>Bij de aanvraag wordt, als er een ondertekend verslag van het
                                    gesprek aanwezig is, dit</al><al> ondertekende verslag als aanvraagformulier beschouwd.</al></li></lijst><al>Titel 2.4. Beoordeling van de te bereiken resultaten</al><al>2.4.1. Algemene regels</al><al>Artikel 8. Het maken van een afweging</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden,
                                    neemt het college het verslag van het gesprek, indien aanwezig,
                                    als uitgangspunt. Het college gaat uit van de behoeften en
                                    persoonskenmerken van de belanghebbende. Daarbij zal onderzoek
                                    gedaan worden naar de noodzaak en mogelijkheid tot leveren van
                                    maatwerk ten aanzien van het te bereiken resultaat.</al></li><li nr="2."><al>Alle voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve
                                    voorzieningen die beschikbaar en bruikbaar zijn, worden, als ze
                                    al niet tot een oplossing hebben geleid in het gesprek, of als
                                    er geen gesprek heeft plaatsgevonden, eerst beoordeeld.</al></li></lijst><al>2.4.2. De te bereiken resultaten</al><al>Artikel 9. Een schoon en leefbaar huis</al><lijst><li nr="1."><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat
                                    schoon is. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer,
                                    slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                    voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                    huishoudelijke werk.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt
                                    dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 10. Wonen in een geschikt huis</al><lijst><li nr="1."><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van
                                    de woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                    woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging,
                                    tuin of balkon.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de
                                    bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de
                                    woning.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte
                                    woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke
                                    verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze
                                    mogelijkheid eerst beoordeeld worden. Deze beoordeling vindt
                                    alleen plaats indien de aanpassing van de huidige woning een
                                    bedrag van € 10.000,- te boven gaat.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt. Een
                                    verhuiskostenvergoeding kan dan wel verstrekt worden.</al></li></lijst><al>Artikel 11. Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</al><lijst><li nr="1."><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks
                                    benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten
                                    waarop iets genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en
                                    schoonmaakartikelen. Ook de noodzakelijke bereiding van
                                    maaltijden kan hieronder vallen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen
                                    ten aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft
                                    levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede
                                    het bereiden en aanreiken van maaltijden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen of voor
                                    zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                    bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                    individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat wordt deze mogelijkheid eerst
                                    beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid 3 genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 12. Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</al><lijst><li nr="1."><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn kleding in gewassen
                                    en zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen staat.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken en
                                    opruimen van de dagelijkse was.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt
                                    dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 13. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                            behoren</al><lijst><li nr="1."><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg
                                    voor in het huishouden aanwezige kinderen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                    gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen
                                    ten aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter overbrugging van
                                    een periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve
                                    maatregelen – vervangen van de ouder die in principe voor de
                                    kinderen zorgt.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of
                                    andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de
                                    belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat
                                    worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 14. Zich verplaatsen in en om de woning</al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen
                                    in en om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer,
                                    het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de
                                    douche, de berging, de tuin of het balkon kunnen bereiken en er
                                    zich zodanig kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk
                                    is.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen bestaande uit een
                                    rolstoel voor dagelijks zittend gebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                    belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat wordt
                                    deze mogelijkheid eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid
                                    beschikbaar en bruikbaar is worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 15. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                    verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                    dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie,
                                    kennissen en het doen van activiteiten van alledag, alles binnen
                                    de directe woon- en leefomgeving.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel,
                                    kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van
                                    het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het
                                    verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon en
                                    leefomgeving.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare scootermobielpool of van collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de individuele
                                    situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken
                                    resultaat worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 16. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en
                            deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                            activiteiten</al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                    contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan
                                    recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat
                                    uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                                    deelnemen aan gewenste activiteiten.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                    medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                    religieuze activiteiten kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen ten aanzien van het vervoer naar de gewenste
                                    bestemmingen.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                    aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                    individuele situatie van belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat worden deze mogelijkheden eerst
                                    beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>Titel 2.5 </vet><vet>Verstrekking in natura, als
                                persoonsge</vet><vet>b</vet><vet>onden budget en als financiële
                                </vet><vet>tegemoetkoming</vet><vet>,</vet><vet>e</vet><vet>igen
                                bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>2.5.1. Verstrekking van voorzieningen</al><al>Artikel 17. Mogelijke verstrekkingswijzen</al><al>De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als
                            persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden
                            verstrekt.</al><al>2.5.2. Verstrekking in natura</al><al>Artikel 18. Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                    beschikking vastgelegd:</al></li><li nr="·"><al>a. welke de te treffen voorziening is;</al></li><li nr="·"><al>b. wat de duur is van de verstrekking is;</al></li><li nr="·"><al>c. hoe de voorziening in natura verstrekt wordt en</al></li><li nr="·"><al>d. of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking
                                    is geregeld.</al></li><li nr="2."><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></li></lijst><al>2.5.3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</al><al>Artikel 19. Overwegende bezwaren</al><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Utrechtse Heuvelrug vast in welke situaties sprake is van overwegende
                            bezwaren zodat er geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt.</al><al>Artikel 20. Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                    persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd:</al></li><li nr="·"><al>a.voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden budget
                                    gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma van
                                    eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden;</al></li><li nr="·"><al>b. wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze
                                    omvang tot stand is gekomen;</al></li><li nr="·"><al>c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het
                                    persoonsgebonden budget bedoeld is; en</al></li><li nr="·"><al>d. welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van het
                                    persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="2."><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></li></lijst><al>2.5.4. Verstrekking als financiële tegemoetkoming</al><al>Artikel 21. Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                    financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking
                                    vastgelegd:</al></li><li nr="5."><al>a. voor welk te bereiken resultaat de financiële tegemoetkoming
                                    bestemd is;</al></li><li nr="6."><al>b. wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="7."><al>c. of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking
                                    is geregeld en</al></li><li nr="8."><al>d. wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is.</al></li><li nr="2."><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></li></lijst><al>2.5.5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</al><al>Artikel 22. Eigen bijdragen en eigen aandeel</al><al>Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een
                            eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende resultaten:</al><lijst><li nr="5."><al>a. een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="6."><al>b. wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="7."><al>c. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="8."><al>d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="9."><al>e. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="10."><al>f. zich verplaatsen in, om en nabij de woning voor zover het
                                    geen rolstoel betreft;</al></li><li nr="11."><al>g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="12."><al>h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten.</al></li></lijst><al><vet>Titel 2.6</vet><vet>. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies
                                en besluitvorming, intrekking en terugvordering</vet></al><al>Artikel 23. Beslistermijn</al><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt
                            voor:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Een voorziening voor het wonen in een schoon en leefbaar
                                    huis: maximaal 8 weken.</al></li><li nr="·"><al>b. Een voorziening voor het beschikken over goederen voor
                                    primaire levensbehoeften: maximaal 8 weken.</al></li><li nr="·"><al>c. Een voorziening voor het beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding: maximaal 8 weken.</al></li><li nr="·"><al>d. Een voorziening voor het thuis kunnen zorgen voor kinderen
                                    die tot het gezin behoren: maximaal 8 weken.</al></li><li nr="e."><al>Een voorziening voor het wonen in een geschikt huis:</al><lijst><li nr="o"><al>1. als het gaat om een voorziening waarvoor geen
                                            bouwkundige offertes opgevraagd moeten worden: maximaal
                                            8 weken;</al></li><li nr="o"><al>2. als het gaat om voorzieningen waar wel bouwkundige
                                            offertes opgevraagd moeten worden: maximaal 12
                                            weken.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>f. Een voorziening voor het zich verplaatsen in en om de woning:
                                    maximaal 8 weken.</al></li><li nr="·"><al>g. Een voorziening voor het zich lokaal verplaatsen per
                                    vervoermiddel: maximaal 8 weken.</al></li><li nr="·"><al>h Een voorziening voor het ontmoeten van medemensen het op basis
                                    daarvan sociale verbanden aangaan: maximaal 8 weken.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Artikel 24. Beperkingen</al></li><li nr="1."><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al></li><li nr="·"><al>a. De noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is,
                                    tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te
                                    bereiken resultaat.</al></li><li nr="·"><al>b. De te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende
                                    voorziening aan te merken is.</al></li><li nr="2."><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al></li><li nr="·"><al>a. Indien de voorziening algemeen gebruikelijk is.</al></li><li nr="·"><al>b. Indien de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente
                                    Utrechtse Heuvelrug.</al></li><li nr="·"><al>c. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het
                                    moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan
                                    of deze voorziening noodzakelijk was en als
                                    goedkoopst-compenserend aan te merken valt.</al></li><li nr="·"><al>d. Voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag
                                    betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke
                                    bepaling of regeling is verstrekt en de normale
                                    afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is,
                                    tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is
                                    gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan belanghebbende
                                    zijn toe te rekenen, of tenzij belanghebbende geheel of
                                    gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Artikel 25. Advisering</al></li><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op de aangevraagde
                                    voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend of bij
                                    gebruikelijke zorg diens relevante huisgenoten:</al></li><li nr="·"><al>a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                    college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.</al></li><li nr="·"><al>b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                    een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                    en/of onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                    om advies vragen.</al></li></lijst><al>Artikel 26. Wijziging situatie</al><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college
                            mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening.</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 27. Intrekking</al></li><li nr="1."><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al></li><li nr="·"><al>a. Niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden
                                    gesteld bij of krachtens deze verordening.</al></li><li nr="·"><al>b. Beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het
                                    resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Artikel 28. Terugvordering</al></li><li nr="1."><al>Indien het recht op een voorziening is ingetrokken kan op basis
                                    daarvan een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                    persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                    voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                    gegevens.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken kan deze voorziening worden teruggehaald indien de
                                    voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                    gegevens.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><cursief>Hoofdstuk 3. Slotbepalingen</cursief></titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 29. Hardheidsclausule</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al>Artikel 30. Indexering</al><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrechtse Heuvelrug geldende
                            bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006, 450).</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 31. Evaluatie</al></li><li nr="1."><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2
                                    jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                                    wordt het beleid vervolgens aangepast.</al></li><li nr="2."><al>Het college zendt na de inwerkingtreding van de verordening
                                    regulier aan de gemeenteraad een verslag over de
                                    doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van de
                                    verordening in de praktijk. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 32. Overgangsrecht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag vóór de datum van inwerkingtreding van deze
                                    Verordening is ingediend, wordt deze aan de hand van het op dat
                                    moment geldende wettelijk kader beoordeeld, tenzij de bepalingen
                                    van deze Verordening gunstiger zijn voor de aanvrager. In dat
                                    geval worden de bepalingen van deze Verordening toegepast. </al></li><li nr="2."><al>Een persoon aan wie op grond van de “Verordening voorzieningen
                                    Wmo Utrechtse Heuvelrug 2010” een voorziening is toegekend
                                    waarop hij op grond van de huidige Verordening geen recht zou
                                    hebben gehad, houdt recht op die voorziening totdat de
                                    voorziening niet langer noodzakelijk is, dan wel de voorziening
                                    moet worden vervangen, dan wel gedurende de in de beschikking
                                    genoemde looptijd.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Artikel 33. Inwerkingtreding</al></li><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2013;</al></li><li nr="2."><al>Op het tijdstip als bedoeld in het eerste lid wordt ingetrokken
                                    de “Verordening voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning
                                    Utrechtse Heuvelrug 2010”, zoals door de raad vastgesteld op 17
                                    december 2009. </al></li></lijst><al>Artikel 34. Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening voorzieningen Wmo
                            gemeente Utrechtse Heuvelrug 2013”.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 april 2013</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug</ondertekening><ondertekening>De griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.Hooghiemstra G.F. Naafs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting modelverordening Wmo</al><al><vet>Achtergrond</vet></al><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 van kracht
                    geworden. De uitvoering van deze nieuwe wet is aanvankelijk wat betreft de
                    individuele voorzieningen van prestatieveld 6 “beleidsarm” ingezet. Dat wil
                    zeggen dat de bestaande regelgeving van de aan de Wmo voorafgaande Wet
                    voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de functie Huishoudelijke Verzorging (HV)
                    uit de AWBZ zo veel mogelijk ongewijzigd in de nieuwe verordening werden
                    opgenomen.</al><al>Deze beleidsarme invoering heeft veel reacties opgeroepen. Allereerst van de
                    gebruikers. Hun koepels, de CG-Raad en de gezamenlijke Ouderenbonden, hebben
                    direct gereageerd, maar hadden ook begrip voor de onmogelijkheid om in zeer
                    korte tijd een geheel nieuw beleid te ontwikkelen. Ook Kamerleden reageerden
                    teleurgesteld, maar toonden ook weer begrip. Toen de Wmo eenmaal ingevoerd was
                    reageerden ook de rechters. Zij reageerden zonder terughoudendheid, omdat zij de
                    regelgeving als uitgangspunt namen. Daardoor ontstond een steeds grotere
                    discrepantie tussen de tekst van de modelverordening en de daarop gebaseerde
                    verordeningen van gemeenten en het door gemeenten te hanteren beleid.</al><al>Vrij vlot na de invoering van de Wmo heeft de VNG het initiatief genomen om de
                    modelverordening door te ontwikkelen. Op 8 april 2008 werd een expert-meeting
                    gehouden en als gevolg daarvan is een “Proeve voor een nieuwe modelverordening”
                    ontwikkeld. De reactie daarop was niet direct positief. Los van het gegeven dat
                    het slechts een proeve was werd geoordeeld dat aan het schrijven van een nieuwe
                    verordening een tweetal processen vooraf zouden moeten gaan: een proces onder
                    (potentiële) gebruikers van de Wmo en een proces onder de uitvoerders van de
                    Wmo, de gemeenten. In samenwerking tussen VNG enerzijds en CG-Raad en
                    gezamenlijke Ouderenbonden anderzijds is daarop “De Kanteling” ontstaan: een
                    proces om de Wmo te doen kantelen naar een wijze van uitvoeren die recht doet
                    aan de bedoeling van de wetgever, met name ten aanzien van het nieuwe begrip
                    “compensatieplicht”.</al><al>Deze modelverordening is de weerslag van twee zaken. Allereerst hebben de
                    resultaten van het project “De Kanteling” aan de basis gelegen van de in deze
                    modelverordening opgenomen tekst. Vervolgens is ook rekening gehouden met de
                    jurisprudentie, met name die van de Centrale Raad van Beroep.</al><al>De opbouw van deze modelverordening is geheel anders dan die van de voorafgaande
                    modelverordening en die van de Wvg was. In deze modelverordening ligt het
                    zwaartepunt op de te behalen resultaten in plaats van op voorzieningen en op het
                    zogenaamde “gesprek”, een open gesprek waarin samen met de persoon die
                    compensatie behoeft een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt wordt van
                    zijn situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en individuele
                    specifieke kenmerken en de problemen die om een oplossing vragen. Leidend
                    hierbij is het te bereiken resultaat. Op basis hiervan kan bekeken worden welke
                    mogelijkheden er zijn om dit resultaat te bereiken met oplossingen die al
                    voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden, (wettelijk) voorliggende
                    voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                    collectieve voorzieningen. Daarna wordt duidelijk op welke punten nog
                    individuele voorzieningen nodig zijn. Na het gesprek volgt eventueel een
                    aanvraag voor individuele voorzieningen.</al><al>Door deze wijze van werken wordt het proces om te komen tot oplossingen in twee
                    delen gesplitst: een inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en
                    een fase van aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen.
                    Het is zelfs mogelijk een keuze te maken die leidt tot invulling van beide fasen
                    door verschillende personen: het gesprek zou gevoerd kunnen worden door een
                    dicht bij de compensatiebehoevende staande professional (zoals een
                    ouderenadviseur of een medewerker van MEE) terwijl de fase van de concrete
                    aanvraag een taak is van de gemeente.</al><al>Na de begripsomschrijvingen licht de focus op de te bereiken resultaten. Daarin
                    zal per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de wet (een
                    huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                    aangaan) uitgewerkt worden wat daarbij als resultaat bereikt moet worden. Daarna
                    wordt ingegaan op het Gesprek en vervolgens op de procedure na dat gesprek als
                    het komt tot een individuele aanvraag. Pas daarna zal besloten worden met een
                    aantal algemene soms procedurele regels.</al><al>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>Lid 1. Wet</al><al>Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Lid 2. College</al><al>Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.</al><al>Lid 3. Compensatieplicht</al><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze
                    uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de Wmo.
                    Het letterlijke citaat luidt:</al><al>“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het College aan de in dat artikel
                    genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op
                    het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten
                    en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de
                    zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de
                    doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn.
                    Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de
                    gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen
                    op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                    compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het
                    College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de
                    rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen
                    die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het
                    College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                    compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de
                    wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende beoordeling
                    van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Wel heeft hij
                    daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een dergelijk besluit in
                    het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit
                    leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College
                    bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het
                    concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in
                    artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in
                    de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het
                    wetgevingsoverleg (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de
                    brief van de staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30
                    131, nr. 122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C,
                    p. 7, 9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30
                    131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p.
                    34-1645).”</al><al>Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de volgende
                    begripsomschrijving:</al><al>“Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en wethouders aan
                    personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal
                    probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het
                    gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten
                    en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan (met als doeleinden de
                    zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij
                    legt artikel 4 van de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken
                    dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk is”</al><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet
                    het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de
                    maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een
                    huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                    sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><al>Lid 4. Aanmelding</al><al>In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een
                    aanmelding. Dit geeft verschillende aspecten van het gesprek aan. Allereerst dat
                    het gesprek niet het onderzoek is naar een te verstrekken voorziening, maar het
                    onderzoek naar de situatie van betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken
                    resultaten enz. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten
                    bereikt kunnen worden met algemene voorzieningen die voor iedereen beschikbaar
                    zijn. Dit traject kan uiteindelijk ook nog leiden tot een aanvraag voor een
                    individuele voorziening. Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het
                    gesprek is mede de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele
                    voorziening. Van het gesprek worden aantekeningen gemaakt die zonodig uitgewerkt
                    worden tot een verslag, dat bij de aanvraag gevoegd kan worden om te voorkomen
                    dat zaken dubbel gedaan moeten worden.</al><al>Lid 5. Het gesprek</al><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    college, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervindt, wat
                    betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van
                    betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen er in de
                    maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat
                    een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die
                    oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die
                    resultaten niet in die gesprekken al te behalen zijn, zal een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het
                    gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. Het verslag van het gesprek zal dan
                    ook bij de aanvraag worden gevoegd. Wie direct een aanvraag wil doen zonder
                    gesprek verplaatst in feite het gesprek naar na de aanvraag. Zonder gesprek, of
                    beter gezegd zonder het onderzoek dat tijdens het gesprek plaatsvindt, zal het
                    lastig kunnen zijn maatwerk te leveren.</al><al>Het gesprek wordt in hoofdstuk 2 uitgewerkt.</al><al>Lid 6. Aanvraag</al><al>De aanvraag in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. Het moge
                    duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie van
                    betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente.
                    Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het
                    bereiken van de afschrijvingstermijn, of als een goed bekende aanvrager een
                    nieuwe aanvraag doet.</al><al>De aanvraag kan schriftelijk of elektronisch gedaan worden. Een mondelinge
                    aanvraag is alleen mogelijk als daarover een bepaling in de verordening is
                    opgenomen.</al><al>Lid 7. Belanghebbende</al><al>Doordat in de wet gesproken wordt over mantelzorgers en vrijwilligers als
                    doelgroep voor de compensatieplicht, kan het begrip ‘belanghebbende’ ruimer zijn
                    dan alleen betrokkene zelf. Daarom is het begrip belanghebbende opgenomen. Onder
                    belanghebbende kan dus ook verstaan worden de mantelzorger(s) van
                    betrokkene.</al><al>Lid 8. Psychosociaal probleem</al><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009.
                    LJN: BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname
                    aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><al>Lid 9. Algemene voorzieningen</al><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                    product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle
                    inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op
                    eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te
                    gebruiken . Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>De dagrecreatie voor ouderen</al></li><li nr="-"><al>De sociale alarmering</al></li><li nr="-"><al>De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige
                            boodschaphulp</al></li><li nr="-"><al>De maaltijdservice en het eetcafé</al></li><li nr="-"><al>Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                            buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al></li><li nr="-"><al>De (ramen)wasservice</al></li><li nr="-"><al>De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties</al></li><li nr="-"><al>De kort durende huishoudelijke hulp</al></li><li nr="-"><al>Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen</al></li></lijst><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet.</al><al>Lid 10. Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening,
                    met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die
                    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook
                    op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een
                    normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of
                    soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan
                    vergelijkbare De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging
                    van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon
                    die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de handicap
                    onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt
                    moet worden.</al><al>Lid 11. Collectieve voorzieningen</al><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door
                    meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief
                    (vraagafhankelijk) vervoer (cvv) het meest duidelijke voorbeeld.</al><al>Cvv is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er
                    een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is.</al><al>Er zijn gemeenten die met het cvv al richting algemene voorziening gaan,
                    bijvoorbeeld voor 75-plussers die via een verkorte aanvraag en zonder nader
                    onderzoek op grond van hun leeftijd van het cvv gebruik mogen maken.</al><al>Op termijn zou het gehele cvv een algemene voorziening kunnen worden à la de
                    belbus.</al><al>Lid 12. Voorliggende voorziening</al><al>Voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen ,
                    algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen.. Bij deze voorzieningen is
                    de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen.</al><al>Lid 13. Wettelijk voorliggende voorziening</al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en
                    in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de
                    Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene
                    Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende
                    arbeidsongeschiktheidswetten.</al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke op grond van de Wmo , zo is in artikel 2 Wmo
                    bepaald.</al><al>Lid 14. Individuele voorziening</al><al>In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor
                    iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de
                    wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze
                    voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar
                    en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die
                    rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al>Lid 15. Gebruikelijke zorg</al><al>Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen hebben zij
                    gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten.
                    Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een
                    verplichtend karakter.</al><al>Lid 16. Voorziening in natura</al><al>Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is.</al><al>Lid 17. Persoonsgebonden budget</al><al>Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld om het
                    te bereiken resultaat te bereiken.</al><al>Lid 18. Financiële tegemoetkoming</al><al>Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt
                    gesproken over een forfaitair bedrag, een bedrag waarbij geen rekening is
                    gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten.</al><al>Lid 19. Mantelzorger</al><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><al>Lid 20. Hoofdverblijf</al><al>Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het begrip is omschreven
                    naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per
                    jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar
                    iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere
                    plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals
                    personen die het jaar deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in
                    een AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz.</al><al>Hoofdstuk 2. De te bereiken resultaten</al><al>Algemeen.</al><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid:</al><lijst><li nr="·"><al>a. een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="·"><al>b. wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="·"><al>c. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="·"><al>d. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="·"><al>e. het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="·"><al>f. zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="·"><al>g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="·"><al>h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                            nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. Ook de Centrale Raad spreekt over resultaatverplichting,
                    bijvoorbeeld in de eerdergenoemde uitspraak van december 2010.</al><al>Deze resultaten zijn afkomstig uit de eerste bouwsteen die het resultaat was van
                    het VNG-project `De Kanteling` en is als brochure onder de titel `Denken in
                    resultaten. Bouwsteen voor een nieuwe modelverordening Wmo` uitgebracht. In de
                    modelbeleidsregels zullen diverse teksten vanuit deze brochure integraal worden
                    opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</al><al>Artikel 3. Scheiding aanmelding en aanvraag</al><al>Dit artikel bepaalt dat er een scheiding wordt aangebracht tussen een aanmelding
                    en een aanvraag. In een drietal situaties, namelijk wanneer iemand zich voor het
                    eerst meldt voor een individuele voorziening, wanneer iemand zich niet voor het
                    eerst meldt, maar wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een
                    nieuw gesprek rechtvaardigen, of indien ofwel belanghebbende ofwel de gemeente
                    dat gewenst vindt, dient een aanvraag voorafgegaan te worden door het gesprek.
                    Dit uitgangspunt wordt terzijde gezet als betrokkene aangeeft direct een
                    aanvraag te willen doen. Dan zal het gesprek tijdens de aanvraagprocedure plaats
                    kunnen vinden in de vorm van het noodzakelijke gemeentelijke onderzoek.</al><al>Globaal kan gesteld worden dat een aanvraag pas gedaan kan worden als op basis
                    van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en alle
                    mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat betekent dat
                    het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere oplossingen zijn dan
                    een individuele oplossing en dat de te bereiken resultaten en de manier waarop
                    die resultaten bereikt kunnen worden vastgelegd zijn en beoordeeld als vallend
                    onder de Wmo.</al><al>Artikel 4. Aanmelding voor een gesprek</al><al>Artikel 4 bepaalt dat een gesprek aangevraagd wordt middels een aanmelding. Het
                    gesprek leidt niet tot een beschikking, dus er is geen sprake van een aanvraag
                    die de regels van de Algemene wet bestuursrecht dient te volgen. Daarom kan een
                    aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere manier) worden gedaan,
                    hetgeen in principe niet automatisch voor een formele aanvraag, zoals in
                    Hoofdstuk 4 genoemd, geldt.</al><al>Als een aanmelding is gedaan binnen een bepaald aantal werkdagen dient een
                    afspraak voor het gesprek gemaakt te worden. Dit is van belang, omdat de
                    belanghebbende direct het gevoel dient te hebben serieus genomen te worden. Een
                    vlotte afspraak duidt daar (onder andere) op. Een aanmelding die daarna
                    gedurende enkele weken blijft liggen zonder enige activiteit rond het maken van
                    een afspraak wekt niet het vertrouwen dat men serieus wordt genomen. Bovendien
                    geeft een aanmelding aan dat betrokkene een probleem ervaart. Het is van belang
                    te laten blijken dat er vaart gezet wordt achter het oplossen van een probleem.
                    En tot slot mag de extra stap van het gesprek niet leiden tot tijdverlies, het
                    gesprek zou moeten leiden tot tijdwinst.</al><al>Artikel 5. Het gesprek</al><al>Algemeen</al><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een gewijzigde
                    situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend gesprek te
                    houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><lijst><li nr="-"><al>De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal
                            probleem dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al></li><li nr="-"><al>De onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                            ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al></li><li nr="-"><al>De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in
                            deze verordening weergegeven terreinen.</al></li><li nr="-"><al>Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande
                            belemmeringen op te lossen.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                            oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                            voorzieningen of via collectieve voorzieningen te bereiken.</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via
                            een individuele voorziening op te lossen.</al></li></lijst><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, lid 1 onder g sub 6
                    Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte invulling
                    van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de doelstelling van de
                    Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een claimgerichte aanvraag komt
                    en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien kan dit betekenen dat een
                    gemeente moeilijk maatwerk kan leveren.</al><al>Doordat het gesprek geheel vanuit de belanghebbende gevoerd moet worden, kan een
                    gemeente ervoor kiezen het gesprek niet zelf te voeren, maar uit te besteden aan
                    een professional, of professionele vrijwilliger, die na het gesprek niet ook de
                    eventuele besluitvorming rond een individuele voorziening moet behandelen. Als
                    beide onderdelen door één persoon worden ingevuld zou het idee kunnen ontstaan
                    dat bij het gesprek de te verlenen individuele voorziening al een rol speelt,
                    terwijl dat absoluut niet de bedoeling is.</al><al>Indien het gesprek door een ander gevoerd wordt dan de persoon die uiteindelijk
                    de eventuele beslissing over een individuele voorziening neemt is de overdracht
                    van alle informatie vanuit het gesprek naar de aanvraagprocedure van groot
                    belang. Omdat het op zich al van belang is dat het gesprek uitmondt in
                    volstrekte duidelijkheid over datgene wat in het gesprek is aangegeven, is er
                    voor gekozen in bepaalde situaties dit gesprek uit te laten monden in een
                    verslag, dat voor akkoord wordt getekend, zodat het verslag indien gewenst als
                    aanvraag gebruikt kan worden indien individuele voorzieningen noodzakelijk
                    blijken.</al><al>Bij het gesprek zal het begrippenkader van de ICF, de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Health, uitgangsput zijn. Ook bij
                    de formulering van de te bereiken resultaten is het ICF basis geweest. Het is de
                    wens van de wetgever geweest dat dit plaats zou vinden. Het gesprek zal alleen
                    gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke uitstekend bekend is:
                    kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan algemene, algemeen
                    gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen is onmisbaar voor
                    het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een gemeente er immers van
                    uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door belanghebbende zelfstandig aan te
                    spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan niet de bedoeling zijn dat dit na
                    een aanvraag alsnog beoordeeld moet worden.</al><al>Mocht de gemeente nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke
                    kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al>In praktijk zal er ongetwijfeld een soort lijst ontstaan aan de hand waarvan het
                    gesprek gevoerd zal worden. Een dergelijke lijst is van belang om te zorgen dat
                    er geen enkel mogelijk van belang zijnde punt vergeten wordt. Dit betekent niet
                    dat het gesprek een starre opzet kan hebben: naast structuur die door de
                    professional aangebracht kan worden is er de richting die de belanghebbende aan
                    het gesprek geeft.</al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd. Er is een
                    aantal argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het is de
                    vertrouwde omgeving van betrokkene, een professional kan zich gemakkelijker
                    aanpassen aan wisselende plaatsen dan een niet-professional, het kan relevant
                    zijn de leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek
                    beter te begrijpen, enz. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene die als
                    professional aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld in de
                    thuissituatie door allerlei omstandigheden (kleine kinderen?) een gesprek niet
                    mogelijk of uiterst ingewikkeld is.</al><al>Verder is het mogelijk dat de belanghebbende aangeeft het gesprek liever elders
                    te voeren. Dat zou kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast
                    familielid.</al><al>Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een lijst van te bespreken punten die
                    tegelijk met de bevestiging van de afspraak voor het gesprek aan belanghebbende
                    wordt toegezonden. Een dergelijke lijst maakt het voor belanghebbende, indien
                    hij dit wil, mogelijk zich voor te bereiden op het gesprek. Daardoor komen
                    belanghebbende en de professional meer in een gelijke positie te verkeren dan
                    zonder informatie vooraf. De lijst mag niet leiden tot een starre benadering van
                    het gesprek door de lijst strikt te volgen. De lijst is bedoeld als
                    ondersteuning.</al><al>Lid 1 geeft aan dat het ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek.
                    Dit wil niet zeggen dat het ICF op tafel moet komen of dat belanghebbende bekend
                    moet zijn met het ICF. Het ICF zal aan de basis liggen van de lijst met te
                    bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel betekent dit dat de
                    professional het ICF dient te kennen.</al><al>Lid 2 bepaalt dat als de aanmelding gedaan is door een mantelzorger, het gesprek
                    met de mantelzorger en zo mogelijk ook met degene die door de mantelzorger
                    verzorgd wordt, gevoerd zal worden.</al><al>Artikel 6. Het verslag.</al><al>Artikel 6 bepaalt in lid 1 dat het gesprek met een verslag kan worden
                    afgesloten. </al><al>Dossiervorming is een belangrijk onderdeel van het werkproces bij de uitvoering
                    van deze verordening. Van elk gesprek zullen ten minste aantekeningen worden
                    gemaakt die worden opgenomen in het dossier van de cliënt. Deze kunnen als basis
                    dienen voor het in artikel 6 genoemde verslag. </al><al>Dit verslag zal meestal niet ter plekke gemaakt worden. In veel gevallen zal het
                    ongewenst zijn het gesprek met een laptop ter plekke vast te leggen: deze manier
                    van werken zal het gesprek wellicht negatief beïnvloeden, omdat het maken van
                    het verslag een te grote rol in het proces van het gesprek zal gaan spelen. De
                    professional zal volledig aan het gesprek moeten kunnen deelnemen. Het lijkt een
                    betere oplossing om per onderdeel van het gesprek en uiteindelijk aan het eind
                    van het gesprek de belangrijkste punten kort samen te vatten en die op papier te
                    zetten. Belanghebbende zal deze aantekeningen ten allen tijde desgevraagd kunnen
                    ontvangen. Met deze punten kan door de professional uiteindelijk een uitgebreid
                    gespreksverslag worden gemaakt. Het verslag kan het beste zo snel mogelijk, denk
                    aan 2 tot 4 werkdagen beschikbaar worden gesteld. Hoe sneller het verslag
                    beschikbaar is, hoe beter de deelnemers aan het gesprek zich dat gesprek kunnen
                    herinneren!</al><al>Belanghebbende heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen
                    aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag,
                    maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd.</al><al>Als de belanghebbende het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van
                    zijn naam, adres en een dagtekening kan het verslag functioneren als
                    aanvraagformulier voor een individuele aanvraag, als dat (mede) de uitkomst is
                    van het gesprek.</al><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Van het verslag kan
                    dan ook niet verwacht worden dat het een objectieve weergave van de situatie van
                    betrokkene weergeeft: het zal duidelijk subjectieve aspecten bevatten. Deze
                    subjectieve aspecten zullen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er
                    uiteindelijk behoefte aan een objectieve onderbouwing, dan zal dat na de
                    aanvraag plaats moeten hebben.</al><al>Lid 2 bepaalt dat het mogelijk is, indien daar aanleiding toe bestaat, met het
                    verslag van het gesprek een formele aanvraag bij de gemeente in te dienen. Met
                    die aanvraag wordt een formele procedure ingezet die gebonden is aan de regels
                    van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het een ander traject is met een ander
                    regime en een andere sfeer is de aanvraag in een nieuw hoofdstuk opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een individuele voorziening</al><al>Artikel 7. De aanvraag</al><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een individuele voorziening altijd
                    schriftelijk moet worden gedaan, waarbij elektronisch een vorm van schriftelijk
                    is. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald,
                    een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden
                    ingediend.</al><al>Lid 2 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere
                    manier)</al><al>wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet bevestigen onder
                    gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze aanvraag formeel te
                    maken.</al><al>Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het
                    aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen
                    waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is
                    binnengekomen. Het spreekt voor zich dat deze belangrijke informatie in de
                    begeleidende brief bij het aanvraagformulier verstrekt dient te worden.</al><al>Lid 3 bepaalt dat, als er een gesprek is gevoerd waarvan een verslag is gemaakt
                    dat is ondertekend, dit ondertekende verslag van het gesprek als
                    aanvraagformulier beschouwd kan worden.</al><al>Hoofdstuk 5. Beoordeling van de te bereiken resultaten</al><al>Hoofdstuk 5 van de verordening heeft een speciale opbouw. In paragraaf 1 worden
                    de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten gelden, opgesomd. Het
                    betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom deze maatregel, deze
                    voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken voorziening niet
                    (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot belang: het gaat
                    immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan aan moeten kunnen
                    geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In paragraaf 2 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                    kaders zijn.</al><al>Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk
                    zijn. Allereerst laat de wet deze mogelijkheid toe.</al><al>Vervolgens is het principe van het gesprek en de daaropvolgende aanvraag zodanig
                    dat niet van meet af aan een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet
                    staan maar het te bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een
                    bepaalde voorziening kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde
                    voorziening wordt toegekend.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Het maken van een afweging</titel></kop><al>In lid 1 van artikel 8 is vastgelegd dat het college het verslag van het
                        gesprek tot uitgangspunt van de beoordeling van de vraag welke voorzieningen
                        getroffen gaan worden, dient te nemen. Daarbij gaat het college uit van de
                        persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo
                        voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken
                        en behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het
                        onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe
                        maatwerk ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College
                        kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat
                        zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel.</al><al>Lid 2 bepaalt dat alle (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke en
                        collectieve voorzieningen die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook
                        daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil
                        zeggen dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij
                        logischerwijs voorhanden voorzieningen, de te bereiken resultaten ook
                        daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet weet
                        welke voorzieningen er normaal voorhanden zijn. Als deze voorzieningen toch
                        niet leiden tot het te bereiken resultaat zal naar andere oplossingen
                        gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter beoordeling in
                        perspectief.</al><al>Als er geen gesprek heeft plaatsgevonden zal dit na de aanvraag gebeuren.
                        Dus met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst beoordeeld welke
                        voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen een
                        oplossing zouden kunnen bieden om het te bereiken resultaat daadwerkelijk te
                        bereiken.</al><al>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>een schoon en leefbaar huis.</titel></kop><al>In lid 1 van artikel 9 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten
                        aanzien van een schoon en leefbaar huis.</al><al>Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen in een huis dat schoon
                        is volgens de normen zoals die tot nu toe zijn gehanteerd. Wat betreft de
                        vraag wat onder schoon verstaan moet worden zijn normen geformuleerd in de
                        beleidsregels. Die normen zijn ontleend aan gangbare ideeën die bestaan in
                        de maatschappij. Er zijn ook beperkingen ten aanzien de omvang van de
                        woning, zoals het aantal kamers, de oppervlakte van de kamers, waarbij
                        uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale
                        woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij
                        te stellen naar boven of naar beneden (maatwerk). Ramen lappen aan de
                        buitenkant valt van oudsher buiten de gemeentelijke plicht. Maar een
                        aanvrager kan met een (sterk) afwijkende vraag ten aanzien van het onderdeel
                        omvang sociale woningbouw geen compensatie afdwingen voor het meerdere boven
                        het niveau sociale woningbouw. Dit zal in de beleidsregels nader worden
                        uitgewerkt.</al><al>Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een
                        woonkamer, de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire
                        ruimten. Ook een eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal
                        meegenomen worden.</al><al>In lid 2 van artikel 9 wordt geschetst welke individuele voorzieningen
                        beschikbaar gesteld kunnen worden om het schone en leefbare huis te
                        bereiken. dat gaat allereerst via licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z.
                        om het droog en nat schoon en stofvrij maken en houden van de woning.
                        Daarbij valt bijvoorbeeld het reinigen van de ramen aan de buitenkant niet
                        onder de compensatieplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke
                        voorziening bestaat: de glazenwasser. Het aantal benodigde uren voor deze
                        activiteit zal bepaald worden via een normenschema dat is opgesteld in
                        samenwerking met de aanbieders van HH en in de jurisprudentie van de
                        Centrale Raad van Beroep is geaccepteerd als een redelijk uitgangspunt voor
                        de bepaling van de omvang van de hulp. Overigens kunnen ook andere
                        normenschema’s ontwikkeld worden, bijvoorbeeld door schoonmaakbedrijven.
                        Hierbij zal het te bereiken resultaat altijd centraal dienen te staan.</al><al>Lid 3 van artikel 9 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg.</al><al>Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar.
                        Wanneer die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de
                        compensatieplicht vallen over te nemen zal allereerst gekeken moeten worden
                        of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar
                        zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat
                        betekent dat wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk doet,
                        uitvalt, via een herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten
                        overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als de huisgenoten met
                        enige regelmaat langdurig afwezig zijn zal er plicht tot compensatie
                        bestaan. Ook aanwezige personen jonger dan 18 jaar, zoals thuiswonende
                        kinderen, worden geacht hun bijdrage aan het huishouden te leveren door hun
                        kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten.</al><al>Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet
                        in staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat
                        onderzoek gedaan moeten worden om dit vast te stellen.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is geen reden tot
                        compensatie. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van
                        huisgenoten, waaronder begrepen de kinderen, kan compensatieplicht
                        betekenen. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld moeten
                        worden.</al><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen
                        reden is om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan
                        worden, er in principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen
                        worden. Omdat het om maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek
                        gedaan moeten worden. Hetzelfde geldt de in artikel 7 lid 2 gestelde
                        uitzondering voor voorliggende en andere voorzieningen die gewoon in de
                        maatschappij beschikbaar zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Een geschikte woning</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                        woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is
                        daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is
                        niet zo dat een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager. De gemeente kan wel ondersteunen of
                        bemiddelen bij het zoeken naar een (geschikte) woning. Daarbij is
                        uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest
                        geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het
                        bestedingspatroon.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat
                        eventuele problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden.
                        Daarbij kan veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De
                        ruimten zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire
                        ruimten. Er kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar
                        omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor
                        compensatie gelden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen
                        van compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan
                        het mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is,
                        of een woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal
                        een afweging moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden.
                        Uitgangspunt daarbij zijn de behoeften van de aanvrager. Maar aan de andere
                        kant is er ook de noodzaak tot een doelmatige besteding van
                        gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk aanvragers gecompenseerd
                        kunnen worden met de beschikbare middelen. Door hier gericht beleid op te
                        maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De verschillende regels
                        die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de beleidsregels
                        opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen
                        van een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen
                        over afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening
                        later hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt
                        aanpassingen die bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als
                        vastgelegd kan worden dat deze aanpassing tijdens de gehele looptijd
                        beschikbaar kan blijven voor een gehandicapte. Dit zal over het algemeen
                        uitsluitend te realiseren zijn bij huurwoningen van sociaal verhuurders. In
                        andere situaties zal indien mogelijk gekozen worden voor het plaatsen van
                        een losse woonunit.</al><al>Lid 3</al><al>Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                        woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning.
                        Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen
                        dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo
                        mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de aanvrager. Dat wil
                        zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich
                        verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente.</al><al>Lid 4.</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn
                        die goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog
                        leidt tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou
                        kunnen worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</titel></kop><al>Lid 1 van artikel 11 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over
                        goederen voor primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen
                        voor primaire levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde
                        hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd
                        wordt beschikbaar moet zijn. Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en
                        schoonmaakmiddelen. Deze dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in
                        huis komen. Compensatie houdt niet per definitie in dat de aanvrager zelf de
                        boodschappen moet kunnen doen. Er zal in redelijkheid gezocht worden naar
                        een oplossing waarmee het resultaat bereikt wordt. Te denken valt aan een
                        boodschappenservice, waarbij wel opgelet wordt dat de supermarkt qua
                        prijsniveau past bij het bestedingspatroon van de aanvrager.</al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                        Compensatie betekent dat de aanvrager beschikt over de verschillende
                        maaltijden door de dag heen. Daarbij dient rekening te worden met medische
                        geïndiceerde diëten en kan rekening worden gehouden met de wensen van de
                        aanvrager. Het te bereiken doel kan behaald worden via een maaltijdservice,
                        via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of via het – met behulp
                        van een vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van maaltijden. Ook kan
                        het bereiden van maaltijden worden overgenomen.</al><al>Lid 2 van artikel 11 stelt welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit
                        resultaat te bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan
                        worden. Er kan gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals
                        boodschappenservice. Bij afwezigheid van dergelijke diensten, of indien de
                        kosten van de dienst, zowel wat betreft producten als wat betreft extra
                        bezorgkosten, dat rechtvaardigen, kan gekozen worden voor het inzetten van
                        hulp om de boodschappen te doen. Daarbij zal goedkoopst-compenserend
                        leidraad zijn, zodat het doen van boodschappen niet perse door de aanvrager
                        zelf met hulp hoeft te worden gedaan. Ook hier is het te bereiken resultaat
                        van belang en is de manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al>Lid 3 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                        maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is
                        op eventueel individuele voorzieningen. Om te bepalen of een
                        boodschappenservice of maaltijdvoorziening bruikbaar is, zal gekeken moeten
                        worden naar gezinssamenstelling, kosten en concrete beschikbaarheid. Als een
                        voorliggende voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen
                        gebruik van worden gemaakt.</al><al>Lid 4 bepaalt dat indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee
                        het resultaat bereikt kan worden, er geen ruimte bestaat voor een
                        individuele voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beschikken over schone draagbare en doelmatige kleding</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Gemeenten dienen aanvragers in staat te stellen te beschikken over schone,
                        draagbare en doelmatige kleding. Dit onderdeel is beperkt tot het verzorgen
                        van kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van
                        kleding valt niet onder afdwingbare compensatie, maar als daar behoefte aan
                        bestaat, kan de gemeente wel bemiddelen bij het regelen dat er geschikte en
                        passende kleding wordt gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van
                        vrijwilligers. De wijze waarop deze ondersteuning wordt geboden, is
                        afhankelijk van de gezamenlijk door aanvrager en gemeente te kiezen
                        oplossing.</al><al>Als mobiliteit het probleem is, kan gedacht worden aan een
                        vervoersvoorziening om dat probleem op te lossen. Als er hulp bij het
                        huishouden aanwezig is, zou dit de oplossing kunnen bieden. Dat hoeft niet
                        perse via het samen kopen van kleding: het is ook mogelijk met behulp van
                        anderen kleding aan te schaffen. Wat doelmatige kleding precies is zal per
                        situatie verschillen. Het moge duidelijk zijn dat het gaat om dagelijkse
                        kleding en niet om exceptionele kleding zoals bijvoorbeeld speciale
                        gelegenheidskleding.</al><al>Lid 2</al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken
                        en eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor zover de aanvrager
                        daartoe niet in staat is. Het wassen zal veelal gebeuren met de algemeen
                        gebruikelijke wasmachine. Ook het drogen van de was vindt indien mogelijk
                        plaats op moderne wijzen van drogen: de wasdroger. Voor zover het
                        noodzakelijk is kleding te strijken kan dit ook onder te compenseren
                        problemen vallen. Daarbij is weer uitgangspunt wat in de maatschappij
                        algemeen gangbaar is.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal
                        geen ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard
                        gekeken of er wel sprake is van maatwerk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                            behoren</titel></kop><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin
                        behoren. Dit kan onder de compensatieplicht behoren als een ouder met
                        beperkingen dat zelf niet kan. Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning.
                        Het zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere
                        oplossingen gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke
                        en voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet
                        op de jeugdzorg en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de
                        gebruikelijke zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al>Lid 2 biedt de mogelijke oplossingen. Het thuis verzorgen van kinderen die
                        tot het gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. De compensatie van
                        het niet zelf verzorgen (en opvoeden) van tot het gezin behorende kinderen
                        zal bij een langere duur opgelost kunnen worden via algemeen gebruikelijke,
                        voorliggende en algemene voorzieningen. Soms zal tijdelijke compensatie van
                        belang zijn om de ouder(s) de gelegenheid te geven een definitieve oplossing
                        te zoeken. Voorliggende voorzieningen spelen dan een grote rol. Te denken
                        valt aan kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere
                        opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de aanvrager kunnen
                        leiden tot het te bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een
                        individuele voorziening onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld
                        moeten worden of er sprake is van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><al>Lid 1. Het te bereiken resultaat betekent dat de aanvrager zich in om en
                        nabij zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden
                        aan het verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                        verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan
                        dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij
                        een buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                        resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze
                        verplaatsingen horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat,
                        waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het
                        gebruik van de tuin. Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin
                        te komen, de inrichting van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken
                        valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de
                        slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de
                        berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk
                        gebruikt.</al><al>In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste
                        trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht
                        vallen.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en
                        zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om
                        dit resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van
                        hulpmiddelen. Een voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de
                        ruimte. Ook een tillift zou gezien kunnen worden als een dergelijk middel.
                        Doordat een belangrijk deel van de tilliften vanwege aard- en nagelvaste
                        verbinding met het plafond gerekend worden tot de voorzieningen waardoor in
                        een geschikte woning gewoond kan worden, wordt de tillift verder beschouwd
                        als een voorziening die daar onder valt.</al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw
                        of gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat
                        iemand een nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent
                        dat iemand met de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen
                        bereiken.</al><al>Het kunnen verplaatsen in de woning zou kunnen betekenen dat er twee
                        voorzieningen verstrekt worden. Wanneer iemand een transfer kan maken, maar
                        overigens aangewezen is op een rolstoel, zou gekozen kunnen worden voor een
                        stoeltjeslift in combinatie met een rolstoel beneden en een rolstoel boven,
                        waardoor iemand in staat zal zijn om zich in de gehele woning te
                        verplaatsen. In deze situatie kunnen naast een traplift ook andere
                        voorzieningen nodig zijn om de woning rolstoeldoorgankelijk te maken.</al><al>Lid 2.</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis
                        (onder de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men
                        een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Aan
                        een dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin gebruik wordt
                        gemaakt van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de
                        Zorgverzekeringswet of AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde rolstoel voor
                        incidenteel gebruik valt hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet
                        gebruikt voor verplaatsen in, om en nabij de woning, maar wordt vooral
                        gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel
                        niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik
                        gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van
                        rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in
                        pretparken, dierentuinen en dergelijke.</al><al>De rolstoel voor incidenteel gebruik wordt alleen dan verstrekt, indien de
                        gemeente geen regeling heeft voor het lenen van dit soort rolstoelen. Ook is
                        het wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om andere redenen een
                        dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het zal hierbij
                        gaan om uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt
                        wordt indien die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de
                        woning.</al><al>lid 3 en 4.</al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het
                        probleem van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom
                        zal een rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte
                        hebben aan een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet
                        in en om de woning plaatsvindt.</al><al>Als daar sprake van kan zijn zal geen individuele voorziening worden
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te
                        bereiken resultaat dat de aanvrager zich met een of ander vervoermiddel
                        binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan
                        verplaatsen.</al><al>Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat
                        zijn alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met
                        verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Heeft men voor dat soort
                        verplaatsingen een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale
                        voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan
                        zal deze voorziening niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed
                        dienen te worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de
                        Wia.</al><al>Maar het enkele feit dat je met de voorziening die je nodig hebt in het
                        kader van het leven van alledag, ook naar je werk kunt, ontslaat de gemeente
                        niet van de compensatieplicht. Ook niet- gehandicapten gebruiken hun auto
                        vaak voor het reguliere woon-werkverkeer of voor het vervoer in het kader
                        van werk (waarvoor zij dan een vergoeding ontvangen van de werkgever).</al><al>Lid 2.</al><al>De individuele voorzieningen die verstrekt gaan worden om als resultaat te
                        bereiken dat je je met een of ander vervoermiddel in de woonplaats en
                        directe omgeving kan verplaatsen betreffen een breed scala van
                        verplaatsingen. Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een speciaal middel
                        gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid. Verder zijn ook
                        vakanties en ander verblijf buiten het gebied zoals omschreven met
                        woonplaats en omgeving uitgesloten.</al><al>Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys
                        is aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten
                        de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders.
                        Valys regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die
                        verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer
                        het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het
                        woonadres van de pashouder. De gemeente is verantwoordelijk voor de
                        vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens
                        woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5
                        OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder.</al><al>Wel gaat het om verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen ( zodat
                        ook op deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste
                        levensbehoeften wordt bereikt), nodig om op bezoek te gaan, nodig om naar
                        artsen, paramedici, specialisten en voor ziekenhuisonderzoek, voor zover het
                        zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. Dit medisch
                        vervoer betreft vooral situaties waarbij dat vervoer zo frequent is dat het
                        beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit medisch vervoer gebruikt
                        zou worden. In deze situatie kan extra vervoer ter compensatie geboden
                        worden. Ook het vervoer om in de natuur te zijn, al dan niet met familie of
                        vrienden, of het vervoer om een kerk, een sporthal, of een museum te
                        bezoeken valt onder de compensatieplicht.</al><al>De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen
                        1500 en 2000 kilometer per jaar. Het kan voorkomen dat er een grotere
                        vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of dat
                        een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de
                        financiële situatie van de aanvrager. Immers, met een laag inkomen kan men
                        wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken, maar omdat voor iedere
                        Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft zal dat ook voor mensen met
                        een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te stellen of de
                        vervoersbehoefte hiermee spoort.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootermobielpool een oplossing
                        bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand.
                        Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot
                        deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de
                        aanvrager uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om
                        het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen
                        individuele voorzieningen voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                            nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                            activiteiten.</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te
                        hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                        religieuze activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van gewenste
                        bezoeken en het deelnemen aan gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht
                        worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken
                        van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het
                        volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen
                        invullen. Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het zich kunnen verplaatsen
                        naar deze bestemmingen. Daarvoor zal artikel 15 over het algemeen een
                        voldoende oplossing kunnen bieden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als vervoer voldoende in staat stelt aan activiteiten deel te nemen kan via
                        artikel 15 het vervoersprobleem opgelost worden.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als sprake is van voorliggende voorzieningen, die het probleem op kunnen
                        lossen, zal er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen.</al><al>Hoofdstuk 6. Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                        financiële tegemoetkoming</al><al>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Mogelijke verstrekkingwijzen</titel></kop><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                        verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                        persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. De financiële
                        tegemoetkomingen kunnen niet ontbreken (hoewel er in feite geen verschil
                        bestaat tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming)
                        omdat artikel 7 lid 2 Wmo spreekt over een “financiële tegemoetkoming voor
                        een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte”.</al><al>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 welke aspecten bij het verstrekken van een
                        voorziening in natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de
                        orde zijn. Dit uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten.
                        Vervolgens wordt aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang
                        wordt iets toegekend of hoe lang moet men in principe de bepaalde
                        voorziening kunnen gebruiken om het resultaat te bereiken. Vervolgens is van
                        belang te vermelden op welke wijze de voorziening in natura verstrekt wordt.
                        Als er sprake is van een overeenkomst wordt deze overeenkomst vermeld.</al><al>Ook andere aspecten, speciaal aspecten die voor deze ene verstrekking
                        gelden, dienen in de beschikking opgenomen te worden.</al><al>Lid 2 geeft aan dat als een eigen bijdrage gevraagd wordt, dit in de
                        beschikking komt te staan. Dit betreft alleen het gegeven dat een eigen
                        bijdrage gevraagd wordt. Hoe hoog de eigen bijdrage is zal door het CAK
                        bepaald worden en door het CAK bij afzonderlijke beschikking worden
                        opgelegd.</al><al>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Overwegende bezwaren</titel></kop><al>Artikel 19 bepaalt dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                        verstrekt wordt, ook al is dat aangevraagd, omdat zij vallen onder de
                        formulering van artikel 6 Wmo: “ overwegende bezwaren” door het college
                        opgenomen moeten worden in het Gemeentelijk besluit maatschappelijke
                        ondersteuning. Dit omdat het aantal situaties nog zeer beperkt is maar in de
                        loop der jaren meer situaties zullen ontstaan waarin tegen het verstrekken
                        van een pgb overwegende bezwaren bestaan.. Dit kan zijn als vast staat dat
                        belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. Ook kan dit een
                        situatie zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij het huishouden en
                        het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet praktisch uitvoerbaar
                        is. Ook het collectief vraagafhankelijk vervoer kan als het systeem in
                        gevaar komt als vrijheid tot keuze van een persoonsgebonden budget zou
                        leiden tot leegloop een argument zijn geen keuzevrijheid te bieden. Dit moet
                        onderbouwd kunnen worden en uitzonderingen moeten mogelijk zijn. Zie ook CR
                        12012010 BL4037. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1 van artikel 20 bepaalt wat er bij het verstrekken van een
                        persoonsgebonden budget vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat
                        daarbij allereerst om de formulering van het te bereiken resultaat zodat
                        helder is waarvoor het persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. Dat kan
                        beperkt zijn, zoals het bezoeken van familie, vrienden en kennissen en het
                        doen van boodschappen met een scootermobiel, maar ook een meer algemeen
                        geformuleerd resultaat, zoals het maken van alle noodzakelijke
                        verplaatsingen in de naaste woon- en leefomgeving.</al><al>Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor
                        bedoeld, aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking
                        vastgelegd onder bijvoeging van het program van eisen.</al><al>Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het
                        persoonsgebonden budget is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat
                        bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor wat betreft de
                        verantwoording ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot
                        wie de beschikking is gericht in dit opzicht wordt verwacht.</al><al>Lid 2 van dit artikel bepaalt dat bij het heffen van een eigen bijdrage dit
                        in de beschikking vermeld moet worden, waarbij meegenomen kan worden dat het
                        CAK de hoogte van de eigen bijdrage vaststelt en per beschikking op zal
                        leggen.</al><al>Paragraaf 4. Verstrekking van een financiële tegemoetkoming</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1 bepaalt ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de
                        beschikking vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het
                        te bereiken resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient
                        te worden. Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode
                        de financiële tegemoetkoming verstrekt wordt en tenslotte dient hier vermeld
                        te worden of er een overeenkomst van toepassing is op deze verstrekking.
                        Uiteraard moet ook de hoogte van de financiële tegemoetkoming vermeld
                        worden.</al><al>Lid 2.</al><al>Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de
                        mogelijkheid een eigen aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient
                        dit in de beschikking vermeld te worden. De berekening van het eigen aandeel
                        kan, in tegenstelling tot de eigen bijdrage, door het college plaatsvinden.
                        In de wet is alleen voor de eigen bijdrage geregeld dat dit verplicht door
                        het CAK dient te gebeuren. Als een college zelf het eigen aandeel berekent
                        dient er zorg voor te worden gedragen dat de regels rond de cumulatie van
                        eigen bijdragen in acht worden genomen. Met name als al een eigen bijdrage
                        AWBZ wordt betaald zal herberekening (en wel wat de eigen bijdrage AWBZ
                        betreft door het CAK) plaats moeten vinden, aangezien een eigen aandeel op
                        basis van de Wmo voor gaat op een eigen bijdrage in het kader van de
                        AWBZ.</al><al>Paragraaf 5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</al><al>Eigen bijdragen of eigen aandeel.</al><al>Hier is ruimte gereserveerd voor een eventueel artikel over het vragen van
                        een eigen bijdrage of een eigen aandeel. De volgende artikelen worden in dat
                        geval vernummerd.</al><al>Hoofdstuk 7. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                        besluitvorming, intrekking en terugvordering</al><al>Artikel 23. Beslistermijn.</al><al>De Algemene wet bestuursrecht regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet
                        anders is bepaald, een besluit genomen dient te worden binnen een redelijke
                        termijn. Die redelijke termijn is 8 weken. De Wmo bepaalt niets over
                        beslistermijnen. Het college heeft de mogelijkheid om afwijkende termijnen
                        vast te stellen. Hoewel het van belang is zo min mogelijk afwijkende
                        termijnen te hanteren, immers, de doorzichtigheid van de termijnen komt
                        daardoor wellicht in het geding, is het logisch voor enkele onderdelen wel
                        een langere termijn vast te stellen. Dit geldt met name voor bouwkundige
                        woonvoorzieningen. Zeker als daar een offerte voor moet worden aangevraagd,
                        zal daarmee de nodige tijd gemoeid zijn, zodat de termijn van acht weken
                        niet haalbaar is. Om dat helder te hebben is het wenselijk deze termijn in
                        de verordening op te nemen. Dit is gebeurd ten aanzien van de verschillende
                        te bereiken resultaten.</al><al>Artikel 24. Beperkingen</al><al>Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen.</al><al>Lid 1 onder a bepaalt dat het noodzakelijk is dat een voorziening langdurig
                        noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij
                        het huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname. Als deze kortdurende hulp
                        bij het huishouden binnen een gemeente niet geleverd kan worden als algemene
                        voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal
                        deze hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden. Deze
                        uitzondering dient dan in de verordening te worden opgenomen.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een
                        te bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient
                        gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers
                        iemand gehele verdere leven noodzakelijk zijn.</al><al>Lid 1 onder b bepaalt dat de voorziening als de goedkoopst-compenserende
                        voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste
                        plaats om een voorziening die compenserend is voor de ondervonden problemen,
                        zodat het te bereiken doel daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer
                        dan meerdere voorzieningen compenserend blijken te zijn mag volstaan worden
                        met de goedkoopste voorziening.</al><al>Lid 2 bepaalt onder a dat geen voorziening wordt toegekend indien de
                        voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd dient te worden voor een
                        persoon als de aanvrager.</al><al>Verder wordt geen voorziening toegekend als niet meer is na te gaan of de
                        voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst
                        compenserende voorziening. Is de voorziening te duur geweest dan kan de
                        gemeente volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de
                        goedkoopst-compenserende voorziening.</al><al>Artikel 25. Advisering</al><al>Lid 1.</al><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening
                        een beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is
                        biedt artikel 24 daartoe de mogelijkheid. Geregeld is dat het college twee
                        mogelijkheden heeft: het college kan allereerst iemand oproepen op een
                        bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden
                        die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen.</al><al>De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot
                        onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Bij de advisering zal de ICF
                        terminologie gebruikt worden met het oog op de consistentie van verslag,
                        onderzoek en beoordeling.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan
                        worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit
                        onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is.</al><al>In principe mag van de aanvrager verwacht worden mee te werken. Is de
                        aanvrager niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen
                        of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet
                        mogelijk dan zal het college de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen.
                        Is wel een zorgvuldig besluit mogelijk dan zal dat besluit genomen moeten
                        worden.</al><al>Lid 2 geeft de situaties weer waarin een adviesinstantie (over het algemeen
                        een medisch adviseur) om advies gevraagd zal worden.</al><al>Dat zal in ieder geval van belang zijn als het gaat om een aanvraag van een
                        persoon die nog niet bij de gemeente bekend is. In die situatie is het van
                        groot belang te weten wat de aard van de problemen is en welke prognose er
                        bestaat. Dit kan van belang zijn bij de bepaling van de voorzieningen om de
                        gewenste resultaten te bereiken.</al><al>Is de aanvrager bekend, maar is er sprake van gewijzigde omstandigheden, dan
                        kan er ook aanleiding zijn een advies op te vragen. Dat zal zeker het geval
                        zijn als die gewijzigde omstandigheden een andere kijk op de te bereiken
                        resultaten rechtvaardigen.</al><al>Uiteraard zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op
                        medische gronden. En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins
                        behoefte bestaat aan een medisch advies. Dan biedt het laatste lid van dit
                        artikel daartoe de mogelijkheid.</al><al>Artikel 26. Wijziging situatie</al><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie de plicht bestaat
                        het college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit
                        invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de
                        voorziening stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk
                        te melden. Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis
                        hebben van deze gewijzigde omstandigheid.</al><al>Maar andere omstandigheden zijn minder gemakkelijk kenbaar door de gemeente.
                        In die situatie kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen
                        worden doorgegeven. Het kan overigens geen kwaad deze bepaling in de
                        beschikking te herhalen, hetgeen de kans dat er kennis van genomen wordt
                        aanzienlijk vergroot.</al><al>Artikel 27. Intrekking</al><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                        omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op
                        enig moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                        mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent.
                        Dat is in artikel 26 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                        mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook
                        in deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Een beslissing wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening
                        mee treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van de beslissing de
                        voorziening nog niet is getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing
                        geheel of ten dele in te trekken.</al><al>Artikel 28. Terugvordering</al><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                        eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht
                        op de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                        tegemoetkoming of een pgb kan worden teruggevorderd. Hierbij geldt een
                        privaatrechtelijke procedure.</al><al>Terugvordering van een voorziening die bestaat uit een natura-verstrekking
                        kan ook als later blijkt dat de verstrekking onterecht is geweest doordat er
                        onjuiste gegevens zijn verstrekt.</al><al>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</al><al>Artikel 29. Hardheidsclausule</al><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan
                        ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk
                        toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van
                        overwegende aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                        verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer
                        persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch
                        nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een
                        vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men
                        zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><al>Artikel 30. Indexering</al><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college
                        hier iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de
                        eigen bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid,
                        Welzijn en Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Een college is op
                        basis van dit artikel ook bevoegd eigen bedragen aan te passen.</al><al>Om deze reden is het voor de hand liggend alle bedragen in het gemeentelijke
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de bedragen snel
                        en gemakkelijk aan te passen zijn.</al><al>Artikel 31. Evaluatie</al><al>De wet vereist evaluatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid deze evaluatie
                        in de tijd vast te leggen.</al><al><vet>Artikel 32. Overgangsrecht</vet></al><al>Artikel 33. Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Er zal over
                        nagedacht moeten worden of bij het inwerkingtreden van een nieuwe
                        verordening ook overgangsrecht bepaald moet worden. Dat kan bij verordening.
                        Dan zou voor artikel 30 een artikel dat dit overgangsrecht regelt opgenomen
                        kunnen worden.</al><al>Artikel 34. Citeertitel</al><al>Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd kan worden.</al><al>Jurisprudentie</al><al>JG 10.0077</al><al>JG 10.0087 </al><al>© 2006 Sdu Uitgevers bv </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>