<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296918_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Doesburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekjournaal, 15 februari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Doesburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16017</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente Doesburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg;</al><al>gehoord de commissie Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 15 januari
                        2013;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 31 januari
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 gemeente
                        Doesburg</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Doesburg.</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van Doesburg.</al></li><li nr="c."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de WWB, alsmede
                                        een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ. </al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel c WWB of, voor zover sprake is van een
                                        IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als
                                        bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5
                                        IOAZ.</al></li><li nr="e."><al>Benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot
                                        een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge
                                        van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het bedrag
                            waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de
                            reden om af te wijken van de standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de dag volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het toepassen van de verlaging aan een
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                uitkering over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 WWB verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE
                            ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van
                                artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk
                                artikel 37 IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ
                                niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de
                                volgende categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in
                                        verband met arbeids-inschakeling op een aangegeven plaats en
                                        tijd te verschijnen;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van
                                        de registratie;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="c."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9
                                        lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB
                                        respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1
                                        onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid
                                        1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het
                                        geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                                        van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a
                                        WWB;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="g."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="h."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="i."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                        onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk
                                        artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW
                                        en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                        IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                        vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr/><al>De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 6, wordt
                                vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vijfendertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de tweede categorie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                gedragingen van de derde categorie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                zoals bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, anders dan het niet behouden
                                van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 6 lid 3
                                onderdeel b van deze verordening, wordt een maatregel opgelegd in de
                                vorm van een verlaging van de bijstand gedurende één of meerdere
                                maanden met 20% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm.
                                De duur van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld wordt de
                                hoogte van de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, dit
                                ter beoordeling van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt een
                            verlaging opgelegd van maximaal 100% van de bijstandsnorm gedurende één
                            maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen,
                                wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd.
                                Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 6 tweede of derde
                                categorie van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur
                                van de verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 6 eerste categorie,
                                artikel 8 lid 1, artikel 9 lid 1 van deze verordening, opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in
                                voornoemde artikelen, wordt de hoogte van de verlaging
                                verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of
                            artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                            een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder gelijktijdige intrekking van de “Maatregelenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Doesburg 2010”, de
                            “Afstemmingsverordening bijstand gemeente Doesburg 2005” en de
                            “Maatregelenverordening IOAW/IOAZ gemeente Doesburg 2010” en met in
                            achtneming van het overgangsrecht zoals dat is bepaald in artikel XXV
                            van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving,
                            treedt deze verordening in werking met ingang van 1 januari 2013. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening WWB, IOAW en
                            IOAZ 2013 gemeente Doesburg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van 31 januari 2013. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.B. Voorhof</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. C.J.G. Luesink</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Doesburg/i226737.pdf">Raadsbesluit</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Algemene en artikelsgewijze toelichting</label></kop><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al><onderstreept>Rechten en plichten in de WWB</onderstreept></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijke beleid vastleggen in een verordening.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het
                    afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In artikel 18
                    lid 1 WWB wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en
                    de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is.
                    Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe
                    koppeling tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het
                    recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om
                    weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling
                    van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het
                    oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, moet het college de uitkering verlagen. Het college
                    heeft hierin geen bevoegdheid, maar een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm
                    van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging.
                    Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden
                    met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                    verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien zij
                    daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. </al><al>Als het college afziet van een verlaging omdat de verwijtbaarheid ontbreekt
                    (artikel 18 lid 2 WWB), dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Als het
                    college vanwege de afstemming zoals bedoeld in artikel 18 lid 1 WWB afziet van
                    een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Als het college een verlaging oplegt voor een langere duur dan drie maanden, dan
                    zal het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat
                    volgt uit artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet
                    opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden
                    opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te
                    stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging
                    zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat
                    sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat
                    de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1. Begrippen</onderstreept></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW, IOAZ,
                    Awb en de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                    voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende
                    wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening verstaan
                    de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de
                    toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen,
                    alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond
                    van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke
                    grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een
                        verlaging</onderstreept></al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit in de zin van de Awb. Tegen dit besluit kan een
                    belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is
                    aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                    vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit het
                    motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                    besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3. Afzien van verlaging</onderstreept></al><al/><al><cursief>Afzien van verlagen (lid 1)</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 WWB
                    (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ). Aangenomen
                    moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                    verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887).</al><al>Het is aan het college om te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm
                    van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 14 van deze
                    verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een
                    verlaging afgezien, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 3 lid
                    1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen oplegt voor
                    gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft
                    tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid
                    wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een
                    verlaging.</al><al/><al><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen (lid 2 en
                        3)</cursief></al><al>In artikel 3 lid 2 van deze verordening is geregeld dat het college kan afzien
                    van het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen aanwezig
                    zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                    verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                    belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                    "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
                    moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere
                    mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de
                    financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij
                    moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden
                    zijn om van een verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen
                    van een uitkering.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 3 lid 3 van deze verordening). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 11 van deze verordening.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een
                        verlaging</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                    herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
                    In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met
                    ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand
                    waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                    verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast (zie
                    lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                    vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot teveel
                    verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                    teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB,
                    respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW en IOAZ, worden teruggevorderd. Hierbij
                    moet wel worden bedacht dat afstemming met terugwerkende kracht niet altijd
                    mogelijk is. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en
                    teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. Berekeningsgrondslag
                        </onderstreept><onderstreept>Bijstandsnorm (lid
                    1)</onderstreept></al><al>In artikel 5 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een
                    verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                    verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                    inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ
                    wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ.</al><al/><al><cursief>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een verlaging
                    ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende
                    bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB. Personen
                    tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm +/+ de verleende bijzondere bijstand op
                    grond van artikel 12 WWB.</al><al>Artikel 5 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                    college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt, en de aanvraag bijvoorbeeld niet is afgewezen wegens tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid.</al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    langdurigheidstoeslag.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE
                        ARBEIDSINSCHAKELING</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 6. Gedragingen</onderstreept></al><al>De artikelen 6 en 7 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 6, zijn
                    ondergebracht in categorieën. Aan die categoriën wordt in artikel 7 een gewicht
                    is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid.</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9 lid 1
                    WWB). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zii worden beoordeeld
                    op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43 lid 4 en 5
                    WWB). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13
                    lid 2 onderdeel d WWB geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht,
                    maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan moet het college
                    overwegen om de uitkering te verlagen. Deze verlaging kan in principe reeds
                    worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag voor verlaging van de uitkering van jongeren
                    tot 27 jaar die zich in de zoekperiode onvoldoende hebben ingespannen is niet
                    opgenomen in de verordening omdat dit kan leiden tot verwarring als het
                    bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende van 26 jaar die in de vijfde of zesde
                    week na de melding de fout in gaat. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 7. Hoogte en duur van de verlaging</onderstreept></al><al>Zie de toelichting bij artikel 6.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8. Tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid</onderstreept></al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="1."><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="3."><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is een
                    gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Vanwege de
                    samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor gekozen deze gedraging
                    onder te brengen in artikel 6 van deze verordening (zie artikel 6 derde
                    categorie onderdeel i).</al><al>Op grond van artikel 8 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de</al><al>gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is
                    het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9. Zeer ernstige misdragingen</onderstreept></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Het college kan alleen een verlaging opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW en IOAZ
                    bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige
                    misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens
                    het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                    nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie
                    bijvoorbeeld CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat in
                    artikel 9 van deze verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van WWB, IOAW of IOAZ. Indien een belanghebbende zich
                    zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                    verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is
                    binnen de WWB (respectievelijk IOAW en IOAZ) tegen deze gedraging geen sanctie
                    mogelijk.</al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom kan
                    geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens (medewerkers van)
                    het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging van de bijstand op grond van de
                    afstemmingsverordening. Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college in de
                    zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens het zich misdragen jegens een
                    medewerker van het re-integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht
                    van het college en de misdraging van negatieve invloed is op de op
                    belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende verplichting tot
                    arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478, LJN
                    BC9884).</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 SAMENLOOP EN RECIDIVE</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 10. Samenloop van gedragingen</onderstreept></al><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds de
                    situatie dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                    verplichtingen oplevert; in dat geval dient uit te worden gegaan van de
                    verplichting waarop de hoogste verlaging van toepassing is (lid 1).</al><al>Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                    gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 2). In het laatste geval moet voor iedere
                    afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit niet
                    verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11. Recidive</onderstreept></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake
                    is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging.
                    Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%. Daarom is bij gedragingen waar
                    relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de
                    duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een
                    verlaging, ook indien wegens dringende redenen is afgezien van het opleggen van
                    een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd is verzonden.</al><al>Op basis van artikel 11 van deze verordening kan een recidiveverlaging slechts
                    één keer worden toegepast. Indien een belanghebbende na een tweede verwijtbare
                    gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                    verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW/IOAZ</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 12. Samenloop bij weigeren uitkering
                        IOAW/IOAZ</onderstreept></al><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk artikel 20 IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,</al><al>maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                    of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                    college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                    uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                    concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                    verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 12 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 13. Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Deze verordening treedt in werking op met ingang van 1 januari 2013. Hierbij is
                    rekening gehouden dat het jaar 2012 reeds is verstreken en dat de hier van
                    belang zijnde aanpassingen van de Wwb, te weten de aanpassingen zoals als gevolg
                    van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, per 1 januari
                    2013 in werking treden. Tegelijkertijd worden de “Maatregelenverordening Wet
                    investeren in jongeren gemeente Doesburg 2010” en de “Afstemmingsverordening
                    bijstand gemeente Doesburg 2005” ingetrokken. Echter de ingetrokken
                    verordeningen zijn nog wel van toepassing op de gedragingen zoals die zijn
                    genoemd in artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving. Dit artikel betreft overgangsrecht. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 14. Citeertitel</onderstreept></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>