<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296899_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Doesburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekjournaal, 15 februari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Doesburg.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-05-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16015</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Doesburg </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg;</al><al>gehoord de commissie Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 15 januari
                        2013;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 20 december
                        2012;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al>besluit: </al><al/><al>vast te stellen de: </al><al><vet>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Doesburg </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                    en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de WWB; </al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van Doesburg;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Doesburg;</al></li><li nr="d."><al>de gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21
                                            onderdeel c WWB; </al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel
                                            j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                                            woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB; </al></li><li nr="f."><al>woonkosten: </al><al>I.indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel
                                            d Wet op de huurtoeslag;</al><al>II. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                            bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van
                                            de financiering van de woning verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder, doch jonger dan de pensioenleeftijd. In geval van
                            gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening uitsluitend indien
                            beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger zijn dan de
                            pensioenleeftijd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande(ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die
                                        met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                        woning heeft, of die geen woning bewoont, of die in een
                                        woning woont die is gekraakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>verzorgenden die de zorgbehoevende belanghebbende
                                        verzorgen;</al></li><li nr="c."><al>medebewoners die op het adres van belanghebbende
                                        zelfstandige woonruimte huren op basis van een commerciële
                                        huurovereenkomst.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van
                                de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met één of meer anderen
                                hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><lid><lidnr/><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel
                                27 WWB bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>10 procent van de gezinsnorm indien geen woning wordt bewoond of een
                                woning wordt bewoond die is gekraakt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening
                                geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                                bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>80 procent van de gehuwdennorm voor een gehuwden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van de
                            bepalingen van deze verordeningen tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leiden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder gelijktijdige intrekking van de “Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Doesburg” treedt deze
                            verordening in werking op 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2013
                            gemeente Doesburg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in de openbare
                        raadsvergadering van 31 januari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.B. Voorhof</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. C.J.G. Luesink</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Doesburg/i226738.pdf">Raadsbesluit</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met de
                    pensioenleeftijd die niet in een inrichting verblijven. </al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag, indien zij hogere algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de basisnorm voorziet omdat zij deze kosten niet of niet geheel
                    kunnen delen met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, die wordt aangegeven in deze verordening,
                    bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij
                    het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of
                    22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld. Zoals verderop blijkt maken
                    wij hiervan geen gebruik. </al><al/><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met de pensioenleeftijd die niet in een inrichting verblijven te
                    verlagen:</al><lijst><li nr="1."><al>het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden; </al></li><li nr="2."><al>de woonsituatie; </al></li><li nr="3."><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding.
                        </al></li></lijst><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. </al><al>Het college blijft te allen tijde bevoegd om de algemene bijstand (de
                    bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in afwijking van deze regel
                    hoger of lager vast te stellen indien de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende daartoe aanleiding geven. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1. Begrippen </onderstreept></al><al/><al>De begrippen die al zijn omschreven in de wet, de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) of de Gemeentewet worden in deze verordening niet afzonderlijk omschreven.
                    Dit voorkomt dat in geval van wijziging van de betreffende definities in de
                    wetten ook deze verordening moet worden gewijzigd. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm </cursief></al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor gehuwden voor
                    personen 21 jaar tot de pensioenleeftijd als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                    WWB. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: woning </cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning tevens een woonwagen of een woonschip moet worden verstaan. Verder volgt
                    uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB dat voor de invulling van
                    het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is
                    in deze verordening bepaald dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals
                    bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                    woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: woonkosten </cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                    Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                    Algemene Bijstandswet (Abw) was opgenomen in het tot 1 januari 1996 geldende
                    Besluit landelijke normering (Bln). Volgens de Centrale Raad van Beroep (CrvB)
                    volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat het begrip
                    woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd in
                    overeenstemming met de bepalingen van het tot januari 1996 geldende Bln.
                    Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis
                    is. </al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                    worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerend
                    zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten
                    en de erfpachtcanon. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2. Reikwijdte</onderstreept></al><al/><al>De werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot de pensioenleeftijd. De pensioenleeftijd wat tot
                    voor kort 65 jaar, maar varieert de komende jaren tussen 65 jaar en 67 jaar.
                    Vanwege de lagere jongerennorm is er voor gekozen geen verdere verlaging toe te
                    passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar. </al><al/><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog
                    onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar
                    hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht
                    door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In
                    dergelijke gevallen zou als het ware “dubbel gekort” worden als ook nog
                    krachtens de Toeslagen de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18,19 of 20 jaar
                    de uitvoering Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. </al><al/><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te stellen. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder) </onderstreept></al><al/><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag, indien een belanghebbende
                    hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met
                    een ander. Artikel 3 van deze verordening is een spiegelbeeld van artikel 4 van
                    deze verordening, waarin het gaat om verlaging van de gehuwdennorm. </al><al/><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                    toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, dit
                    onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                    gronden. Dit is vastgelegd in onderdeel a van dit artikellid. </al><al/><al>Als belanghebbende met een of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                    heeft, wordt belanghebbende verondersteld de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen delen. Zolang er niet sprake is van gehuwden of van een
                    daarmee gelijkgestelde gezamenlijke huishouding, moet ervan worden uitgegaan dat
                    niet alle kosten, maar een gedeelte daarvan kunnen worden gedeeld. Een toeslag
                    blijft op zijn plaats. Gekozen is om toeslag te verstrekken van 10% van de
                    gehuwdennorm. Dit is vastgelegd in onderdeel b van dit artikellid. </al><al/><al>Als belanghebbende geen woning bewoont wordt belanghebbende, in lijn met de
                    jurisprudentie, verondersteld toch woonlasten te hebben in verband met het
                    bekostigen van ander onderdak. Als belanghebbende de woning heeft gekraakt,
                    wordt belanghebbende eveneens verondersteld toch woonlasten te hebben. </al><al>De toeslag bedraagt in beide situaties eveneens 10% van de gehuwdennorm. Dat is
                    vastgelegd in onderdeel b van dit artikellid. Zie ook de toelichting bij artikel
                    5.</al><al/><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat zowel zorgbehoevenden (sub a) als verzorgers
                    (sub b) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Ook als sprake is van
                    een zakelijke relatie (bijvoorbeeld huurders of kostgangers) kunnen kosten niet
                    worden gedeeld. De inkomsten uit huur of kostgangerschap worden immers in
                    aanmerking genomen op grond van artikel 33 lid 4 WWB. </al><al><vet>HOOFDSTUK 3 CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. Verlagen norm gehuwden </onderstreept></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. </al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                    verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening verwijst naar het bepaalde in artikel 3 lid
                    2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar de toelichting zoals die is
                    opgenomen bij artikel 3 van deze verordening. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten
                    </onderstreept></al><al/><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder)of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                    vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn
                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. </al><al/><al><cursief>Onderdeel a: geen woonkosten </cursief></al><al>In dit onderdeel is bepaald dat de norm of toeslag wordt verlaagd met 20 procent
                    van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond, waarvoor belanghebbende
                    geen woonkosten is verschuldigd. </al><al>In artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden
                    verstaan: </al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                            zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                            omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                            verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
                            van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden
                            vast te stellen bedrag voor onderhoud. </al></li></lijst><al>Hieronder valt ook de situatie waarin de belanghebbende geen huur of
                    hypotheeklasten heeft, maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook
                    in die situatie bedraagt de verlaging 20 procent van de gehuwdennorm. </al><al/><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                    belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus
                    verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te
                    verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003, 28 870,nr. 3,
                    p.54-55). </al><al>Ook in dat geval bedraagt de verlaging 20 procent van de gezinsnorm. </al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                    het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                    waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                    voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                    individualiserings-beginsel van artikel 18 lid 1 WWB. </al><al/><al><cursief>Onderdeel b: geen woning wordt bewoond of een woning wordt bewoond die
                        is gekraakt</cursief></al><al>In dit onderdeel is bepaald dat de verlaging 10 procent van de gehuwdennorm
                    bedraagt indien geen woning wordt bewoond. Verlaging met 20% van de gehuwdennorm
                    is niet redelijk. Immers, tegenover het ontbreken van kosten omdat geen
                    woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak-en thuislozen regelmatig kosten
                    zullen moeten maken voor dak-en thuislozenopvang. </al><al>In dit onderdeel is tevens bepaald dat de verlaging 10 procent van de
                    gehuwdennorm bedraagt indien belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een
                    gekraakte woning. Verlaging met 20 procent van de gehuwdennorm is niet redelijk.
                    We nemen aan dat belanghebbende ook in die situatie toch woonlasten heeft in
                    verband met het bewoonbaar maken en houden van het kraakpand.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 6. Anti-cumulatiebepaling </onderstreept></al><al/><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder een
                    anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het college de
                    bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag moet
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering. </al><al>In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er
                    is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Het individualiseringsbeginsel kan
                    echter met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij een resterende
                    bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt, toch
                    aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Inwerkingtreding</onderstreept></al><al/><al>Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2013. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>