<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296890_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inspraak en bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inspraak en bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0005108/TITELIII/HOOFDSTUKX/ARTIKEL79/&amp;artikel=79">Waterschapswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>165819</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inspraak en bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van waterschapsbeleid;</al><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;</al><al>beleidsvoornemen: het voornemen van een bestuursorgaan tot het vaststellen
                        of wijzigen van beleid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2. Onderwerp van inspraak </nr><titel/></kop><al>Inspraak wordt in ieder geval verleend indien de wet daartoe verplicht.</al><al>Ieder bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                        inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid.</al><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van eerder vastgesteld
                        beleid;</al><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;</al><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving, waarbij het
                        bestuursorgaan geen of zeer beperkte beleidsvrijheid heeft; indien de
                        uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is, dat inspraak
                        niet kan worden afgewacht.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>3. Inspraakgerechtigden </titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en in het gebied van het waterschap
                        belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>4. Inspraakprocedure </titel></kop><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                        bestuursrecht van toepassing. Het bestuursorgaan kan voor een
                        beleidsvoornemens een inspraakprocedure, die afwijkt van de in lid 1
                        genoemde procedure, vaststellen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>5. Eindverslag</titel></kop><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.
                        Het eindverslag bevat in ieder geval:</al><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of
                        schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij gemotiveerd wordt aangegeven op
                        welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt
                        overgegaan.</al><al>Het dagelijks bestuur stuurt naar degenen, die een zienswijze hebben
                        ingediend, het eindverslag toe. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>6. Intrekking verordening </titel></kop><al>De Inspraakverordening Zuiderzeeland 2000, vastgesteld bij besluit van 3
                        januari 2000, wordt ingetrokken met ingang van de dag van inwerkingtreding
                        van de Verordening inspraak en bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland
                        2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>7. Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking na bekendmaking.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>8. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening inspraak en
                        bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland 2013</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de Algemene Vergadering d.d. 26 maart 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Lelystad, 26 maart 2013,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>ir. J.B. van der Veen. mr. ir. H.L. Tiesinga.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelgewijze toelichting op de Verordening inspraak en bekendmakingen Waterschap Zuiderzeeland 2013</label></kop><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al/><al>In onderdeel c is het begrip beleidsvoornemen gedefinieerd als: het voornemen
                    van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het gaat dus
                    niet om de vaststelling van concrete besluiten of (andere) concrete handelingen,
                    maar om de vorming van het beleid waarop deze besluiten (al dan niet) kunnen
                    worden gebaseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de terminologie van artikel 79
                    Ws na de inwerkingtreding van de Veegwet Ws van 29 april 2009, die op 2 mei 2009
                    in werking is getreden. Volgens de Memorie van Toelichting is met deze Veegwet
                    Ws beoogd om buiten enige twijfel te stellen dat bij de beslissing op de vraag
                    of ten aanzien van een bepaald beleidsvoornemen al dan niet inspraak moet worden
                    verleend, aan de waterschappen eenzelfde ruimte toekomt als aan provincies en
                    gemeenten. In de aanpassingswet UOV was al nadrukkelijk bepaald dat gemeenten en
                    provincies wat dit betreft een discretionaire bevoegdheid hebben. Dat dit ook
                    geldt voor de waterschappen wordt met deze wetswijziging uitdrukkelijk
                    aangegeven. De discussie of belastingsverordeningen van inspraak kunnen worden
                    uitgesloten, die overigens bij ZZL niet speelde, is hiermee eveneens van
                    tafel.</al><al/><al>Artikel 2 Onderwerp van inspraak </al><al/><al>Het eerste lid stelt dat inspraak altijd wordt verleend wanneer een wettelijk
                    voorschrift daartoe verplicht. In de verordening is niet aangegeven welke
                    wettelijke voorschriften het hier betreft. De reden hiervan is dat dan bij
                    iedere nieuwe wettelijke verplichting ook de verordening moet worden aangepast.
                    Verder zou de opsomming zo uitgebreid worden, dat afbreuk wordt gedaan aan de
                    overzichtelijkheid. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit òf inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. </al><al>Het begrip bestuursorgaan is omschreven in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb
                    en omvat in elk geval de AV, het college van D&amp;H en de dijkgraaf. </al><al>Anders dan in de Inspraakverordening uit 2000 is niet meer aangegeven op welke
                    beleidsvoornemens in ieder geval inspraak wordt verleend. Omdat ieder
                    bestuursorgaan zelf kan bepalen of inspraak wordt verleend, ontstaat voor het
                    bestuurorgaan de vrijheid om burgerparticipatie ook op een andere wijze dan via
                    inspraak invulling te geven, bijvoorbeeld door middel van een vorm van
                    interactieve beleidsvorming of via het spreekrecht bij de vergaderingen. </al><al>Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een besluit in de zin van de
                    Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. </al><al>In het derde lid is opgenomen wanneer in ieder geval geen inspraak wordt
                    verleend. De genoemde gronden spreken voor zich.</al><al/><al>Artikel 3 Inspraakgerechtigden </al><al/><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 79 van de Waterschapswet. Het begrip 'belanghebbende' is in artikel
                    1:2 van de Awb gedefinieerd als: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                    besluit is betrokken. </al><al/><al>Artikel 4 Inspraakprocedure </al><al/><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb op
                    de inspraak van toepassing verklaard. Daarmee verloopt de inspraak in beginsel
                    volgens de procedure zoals die is beschreven in de artikelen 3:11 tot en met
                    3:17 van de Awb. </al><al/><al>Uit de laatste zinsnede van het tweede lid van artikel 79 van de Waterschapswet
                    blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 van de Awb zijn toegestaan. In de
                    Memorie van Toelichting bij de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure is
                    te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk van
                    afdeling 3.4 van de Awb kan worden afgeweken. Van deze mogelijkheid wordt in
                    deze verordening gebruik gemaakt door opname van het tweede lid van artikel 4.
                    Het bestuursorgaan kan hierdoor per beleidsvoornemen een andere, beter passende
                    inspraakprocedure vaststellen. Ook kan voor een bepaalde categorie
                    beleidsvoornemens een afwijkende standaardprocedure worden vastgesteld. Deze
                    dient overigens bij voorkeur in beleidsregels te worden vastgelegd. De afwijking
                    kan betrekking hebben op bijvoorbeeld een verkorting van de in artikel 3:16 van
                    de Awb gestelde inspraaktermijn van zes weken na de ter inzage legging van het
                    beleidsvoornemen. Ook kan worden bepaald dat inspraakreacties alleen
                    schriftelijk, in plaats van ook mondeling, ingediend kunnen worden. Door het
                    gestelde in het tweede lid kan de inspraakprocedure derhalve nauwkeurig worden
                    afgestemd op de aard, schaal en reikwijdte van het beleidsvoornemen, waardoor
                    maatwerk mogelijk is. </al><al/><al>Artikel 5 Eindverslag </al><al/><al>Volgens artikel 3:17 van de Awb moet een verslag worden gemaakt van hetgeen
                    tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. Omdat het gewenst
                    is dat een eindverslag meer omvat dan enkel een verslag van de inspraakavond of
                    de anderszins mondeling naar voren gebrachte inspraakreacties, bepaalt het
                    tweede lid dat in het eindverslag in ieder geval een overzicht van de gevolgde
                    procedure moet zijn opgenomen (onderdeel a) evenals een weergave van alle
                    schriftelijk en mondeling ingebrachte inspraakreacties (onderdeel b). Uit
                    praktische overwegingen kunnen de schriftelijke inspraakreacties aan het verslag
                    worden gehecht. Voor wat betreft de mondelinge inspraakreacties kan worden
                    volstaan met een zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en
                    de vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.
                    Onderdeel c stelt dat het bestuursorgaan een gemotiveerde reactie op de
                    inspraakreacties dient te geven. Verder schrijft dit onderdeel als sluitstuk van
                    inspraak voor dat het bestuursorgaan inzichtelijk maakt wat met de zienswijzen
                    wordt gedaan.</al><al/><al>In het derde lid is bepaald op welke wijze het bestuursorgaan het eindverslag
                    openbaar maakt. Naast een algemene kennisgeving van de ter inzage legging in –
                    in beginsel – op de website, wordt het eindverslag persoonlijk toegezonden aan
                    degenen die mondeling of schriftelijk hebben ingesproken dan wel, indien
                    bijvoorbeeld de omvang van het eindverslag of het (grote) aantal insprekers
                    daartoe aanleiding geeft, worden de insprekers persoonlijk – via een brief of
                    per e-mail – op de hoogte gesteld dat, waar en wanneer het eindverslag kan
                    worden ingezien. Het is aan te bevelen om tijdig, bijvoorbeeld tijdens de
                    inspraakavond, duidelijkheid over de communicatie te verschaffen.</al><al/><al>Artikel 6 Intrekking verordening </al><al/><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening uit 2000
                    ingetrokken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>