<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296488_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Montferland Nieuws, 8 mei 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio's, art. 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Brandbeveiligingsverordening 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Montferland;</al><al>Gelezen het voorstel van het college 12 februari 2013;</al><al>Gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, kenmerk
                        ECGR/U201200218, Lbr. 12/025, d.d. 16 februari 2012;</al><al>Gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                        (Stb. 2010, 145 en 146), en het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en
                        676);</al><al/><al>Besluit vast te stellen:</al><al/><al><vet>Brandbeveiligingsverordening 2013</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                        1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            brandbeveiligingsverordening van 2007 of 2011 en die van kracht zijn op
                            het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt
                            als vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                            2007 of 2011 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                            verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 2007 of 2011
                            wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening 2013.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Heerenberg, 25 april 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente Montferland,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,D.Berends </ondertekening><ondertekening> De voorzitter, C.C. Leppink-Schuitema</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2013</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en
                    de aanpassing daarop in artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur
                    aan over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet
                    zijnde bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze AMvB in 2014 in werking. Tot die tijd moet op grond
                    van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een brandbeveiligingsverordening
                    van kracht zijn. Als een gemeente na het in werking treden van de Wet
                    veiligheidsregio’s (op 1 oktober 2010) nog geen nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening heeft vastgesteld is zij verplicht dit alsnog te
                    doen. De op de Brandweerwet 1985 gebaseerde brandbeveiligingsverordening is
                    namelijk van rechtswege bij de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's
                    vervallen.</al><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn. De verordening bevat
                    tevens regels voor de bestuurlijke boete.</al><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief>De
                    brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of krachtens
                    enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij het
                    stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente zich
                    telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of mede
                    (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's als
                    opdracht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk is er natuurlijk een aantal standaardgevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</cursief>De
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet, restregelgeving, zij regelt de
                    brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'. Het kan gaan
                    om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende
                    discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.
                    Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                    geval het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing.
                    Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing
                    ervan in het Bouwbesluit 2012 is een constructie die drijft op het water meestal
                    geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                    de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde
                    object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor
                    de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde
                    plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde
                    tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond
                    van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief>De Woningwet
                    heeft een grote invloed op de reikwijdte van de brandbeveiligingsverordening,
                    deze wet bevat de wettelijke grondslag voor voorschriften betreffende het
                    bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en standplaatsen en het gebruik van
                    bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden. De beperking die de
                    Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als hogere regelingen, zit in de
                    begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al><cursief>Bouwwerk</cursief>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de
                    Woningwet niet, de VNG houdt in de modelbouwverordening een in de jurisprudentie
                    aanvaarde definitie aan:</al><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk wordt
                    bepaald of een object een bouwwerk is of niet. Het betreft de volgende
                    elementen: 1) constructie,</al><al>2) van enige omvang,</al><al>3) met de grond verbonden,</al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren </al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie staat in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><al><cursief>Open erf en terrein</cursief>Bouwwerken vallen niet onder de werking
                    van de brandbeveiligingsverordening, ook sommige open erven en terreinen vallen
                    niet onder de werking van de verordening. Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin.
                    Hiervoor kunnen dus geen eisen worden gesteld op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998,
                    5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw. Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend
                    onbebouwd perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in
                    de zin van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                    voorwaarden zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3)
                    dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </al><al><cursief>Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief>De
                    brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het is
                    duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
                    mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van
                    een vergunning vormvrij. Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden. Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld
                    (niet-bouwwerk) kunt u dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast
                    met de wal verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de
                    bouwverordening en de Woningwet).</al><tussenkop>Behandeling van een vergunningaanvraag</tussenkop><al>De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbereiden en
                    het beslissen op een verzoek om een vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in
                    de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de vergunningaanvraag van
                    toepassing. De voorschriften hebben onder andere betrekking op: bij wie de
                    aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens ten minste op de aanvraag moeten
                    staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan worden genomen.</al><al>De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen welke termijn een
                    aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb geeft geen vaste
                    termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een redelijke termijn
                    tot een beschikking moet leiden. Die redelijke termijn is in ieder geval
                    verstreken als niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van de aanvraag
                    een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen welke
                    redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt. Door het hanteren
                    van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan afhankelijk van de inhoud
                    van de aanvraag worden aangegeven binnen welke termijn de aanvraag wordt
                    afgehandeld. Derhalve is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste
                    termijn voor een vergunningaanvraag voorschrijft.</al><al>Het gebruik van de bovengenoemde artikelen van de Awb bij de behandeling van
                    een</al><al>vergunningaanvraag vereist geen afzonderlijk besluit van burgemeester en
                    wethouders. Bij de eerste vergunningaanvraag op basis van de verordening zal
                    moeten worden aangegeven dat bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de
                    artikelen 4:1 tot en met 4:6 en 4:13 tot en met 4:15 van de Awb worden gebruikt.
                    Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn burgemeester en
                    wethouders vervolgens gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met
                    toepassing van de Awb-artikelen te behandelen.</al><al><cursief>Wabo</cursief>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen
                    voorkomen is de reden dat er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening
                    niet aan te haken aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief>De brandbeveiligingsverordening is aangepast
                    aan de Dienstenrichtiijn.</al><al><cursief>Toezicht op de naleving</cursief>Het toezicht op de naleving van de
                    brandbeveiligingsverordening berust krachtens artikel 61 van de Wet
                    veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders opgedragen ambtenaren. De
                    minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van artikel 65 van de Wet
                    veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                    feiten.</al><tussenkop>Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1<cursief>°</cursief>. Het bedrag dat daar is
                    genoemd, bedraagt in 2009 € 9.000. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden. Een
                    alternatief artikel is aan de verordening toegevoegd.</al><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    2007 of 2011 nog van kracht moeten zijn. </al><al><cursief>Intrekken vergunning</cursief> De brandbeveiligingsverordening kent
                    geen bepaling om een vergunning in te trekken. De reden hiervoor is dat een
                    intrekkingsbepaling de gemeente onnodig beperkt, immers in een bepaling liggen
                    de gronden vooraf vast. De aard van de verordening brengt met zich mee dat van
                    te voren niet duidelijk is welke gronden voldoende zullen zijn. Bij een
                    verordening die geen intrekkingsgrond kent is er sprake van een geïmpliceerde
                    bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te geven brengt ook de bevoegdheid
                    mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits daarvoor valide redenen
                    bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan onjuistheid
                    van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>