<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296423_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013 gemeente Beverwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Kennemer, 29-05-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW/ IOAZ 2013 gemeente Beverwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=artikel 35">artikel 35, lid 1 IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=artikel 35">artikel 35, lid 1 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadstuk: INT-13-01223</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>- geen -</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Beverwijk;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer INT-13-01223,
                        d.d. 26 februari 2013;</al><al/><al>gehoord de Raadscommissie;</al><al/><al>gelet op artikel 35, lid 1 IOAW en IOAZ;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2013 gemeente
                        Beverwijk</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemer;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>uitkering: de uitkering als bedoeld in artikel 5, derde,
                                            vierde en vijfde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing
                                            zijnde netto grondslag als bedoeld in artikel 5, derde,
                                            vierde en vijfde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond
                                            van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20 eerste lid
                                            IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                                            weigeren van een uitkering op gornd van artikel 20
                                            eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende: de persoon die recht heeft op een
                                            uitkering op grond van de IOAW dan wel de IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders bepaals, worden begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de IOAW/IOAZ
                                    en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit tot het opleggen van een maatregel in een
                                    individueel geval met inachtneming van de bepalingen van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen voor de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de raad jaarlijks over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De ernst van het feit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Tekortschieten</titel></kop><al>De uitkeringsnorm wordt eenmalig met € 100,00 verlaagd wanneer de
                                belanghebbende naar het oordeel van het college is tekortgeschoten
                                in het verlenen van medewerking als bedoeld in artike 13 van de
                                IOAW/IOAZ</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ernstig tekortschieten</titel></kop><al>De uitkeringsnorm wordt eenmaling met € 200,00 verlaagd wanneer de
                                belanghebbende naar het oordeel ban het college ernstig is
                                tekortgeschoten in:</al><lijst><li nr="a."><al>het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het meewerken aan een voorziening die in het kader van de
                                        IOAW/IOAZ wordt aangeboden of die, gezien aard en doel
                                        gelijk is te stellen met een IOAW/IOAZ voorziening;</al></li><li nr="c."><al>zijn gedrag jegens het college;</al></li><li nr="d."><al>het medewerking verlenen aan de door het college opgedragen
                                        onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maximering</titel></kop><al>Als het recht op uitkering over de maand waarover de maatregel wordt
                                toegepast minder bedraagt dan de in de artikelen 3 en 4 vastgestelde
                                verlaging, blijft de verlaging beperkt tot de hoogte van dat
                                recht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zeer ernstig tekortschieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsnorm wordt gedurende één maand met het volledige
                                    recht op de uitkering over die maand verlaagd wanneer de
                                    belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is
                                    tekortgeschoten in één of meer van de in de artikelen 3 en 4
                                    genoemde opzichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het eerste lid is
                                    in elk geval sprake als vaststaat of redelijkerwijs is aan te
                                    nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het beroep door belanghebbende op uitkering gedurende
                                            meer dan een maand het gevolg is van diens handelen of
                                            nalaten;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zich in zijn gedrag jegens het college
                                            schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in
                                            het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De mate van verwijtbaarheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Weging van het gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de maatregelen gelet op de mogelijkheden van de
                                    belanghebbende en de omstandigheden waaronder het verwijtbare
                                    handelen of nalaten paatsvond, hoger of lager vaststellen of
                                    voor een langere periode dan als bepaald in de artikelen 3, 4 en
                                    6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verhoging of verlaging als bedoeld in het eerste lid
                                    houdt het college rekening met eerdere gedragingen in het jaar
                                    voorafgaand aan het besluit waaring wordt vastgesteld dat de
                                    belanghebbende tekortschoot in één of meer van de in de
                                    artikelen 3, 4 sn 6 bedoelde opzichten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De omstandigheden van persoon of gezin</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weging van de gevolgen van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de maatregel, gelet op de omstandigheden van
                                    persoon of gezin hoger of lager vaststellen dan met de
                                    toepassing van de vorige artikelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van het eerste lid kan het college, rekening
                                    houdend met gedragingen uit het voorafgaande jaar, de hoogte of
                                    de duur van de maatregel aanpassen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het uitvoeren van de maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van het besluit tot het opleggen van een maatregel
                                vindt plaats op de eerstvolgende betaling van de uitkering na de
                                bekendmaking van de maatregel, maar niet laten dan een jaar na de
                                bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>in gevallen waarin de toepassing van deze verordening een bijzondere
                                hardheid zou betekenen voor de belanghebbende, is het college
                                bevoegd van de bepalingen van deze verordening af te wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeerartikel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald al: Maatregelenverordening
                                    IOAW en IOAZ 2013 gemeente Beverwijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie van
                                    het raadsbesluit.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Beverwijk, 16 mei 2013</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting op de Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2013 gemeente
                            Beverwijk</titel></kop><al><cursief>Toelichting algemeen</cursief></al><al>Bij de vormgeving van deze verordening is zoveel mogelijk aangesloten
                            bij de al werkende Maatregelverordening Wet werk en bijstand. Er is
                            rekening gehouden met de verschillen tussen de WWB en de IOAW/IOAZ.</al><al/><al>Op 1 januari 2012 is de wet gewijzigd. In artikel 37 lid 1 sub f is als
                            verplichting voor de belanghebbende opgenomen dat hij naar vermogen door
                            het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden
                            tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al>Samengevat bepalen de IOAW en de IOAZ in artikel 20 dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het college de uitkering blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                                    kan weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen had
                                    kunnen verwerven, maar dat niet heeft gedaan, bijvoorbeel door
                                    verwijtbaar ontslag, of het niet aanvaarden of verkrijgen van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het college de uitkering (tijdelijk) verlaagt bij het niet of
                                    niet voldoende nakomen van de medewerkingsplicht waaronder
                                    begrepen het zich jegens het college ernstig misdragen;</al></li><li nr="c."><al>van een verlaging (onder b) wordt afgezien als iedere vorm van
                                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li></lijst><al/><al>Het college heeft dus de bevoegdheid en de plicht om de bijstand te
                            verlagen binnen de kaders die de raad in de verordening bepaalt.</al><al>Met deze bevoegdheid heeft het college een intrument in handen om het
                            beoogde re-integratiebeleid en handhavingsbeleid te sturen.</al><al>Die verlaging van de uitkering moet niet worden gezien als een vorm van
                            genoegdoening maar als een instrument tot gedragsbeïnvloeding. Doel is
                            de belanghebbende aan te zetten tot bijstellen van diens verwijtbare
                            handelen of nalaten.</al><al>De wet maakt het mogelijk de uitkering blijvend geheel of gedeeltelijk
                            te weigeren. Wij kiezen daar niet voor. De IOAW en de IOAZ zijn een
                            minimum inkomensgarantie. Bij blijvende (gedeeltelijke) weigering zou de
                            belanghebbende een beroep kunnen doen op de WWB waardoor het effect van
                            de weigeren teniet wordt gedaan. Een tweede argumend is dat er anders
                            voor vergelijkbare verwijtbare gedragingen verschillend beleid zou
                            worden gevoerd ten opzichte van de WWB. Deze verordening sluit daarom
                            ook hier nauw aan bij de Maatregelenverordening WWB. Een weigering of
                            verlaging vindt in beginsel voor één maand plaats met de mogelijkheid om
                            af te wijken vanwege de mate van verwijtbaarheid.</al><al/><al>De verordening deelt verwijtbare gedragingen in drie categorieën:
                            tekortschieten, ernstig te kortschieten en zeer ernstig
                            tekortschieten.</al><al>De afweging van verwijtbaar gedrag in het individuele geval en het
                            besluit over de omvang van de verlaging van de bijstand wordt
                            vormgegeven langs drie stappen:</al><al>- de ernst van het feit: wat wordt de belanghebbende verweten;</al><al>- de mate van verwijtbaarheid: hoe ernstig moet het handelen of nalaten
                            de belanghebbende worden aangerekend;</al><al>- de omstandigheden: wat zijn de gevolgen van de verlaging van de
                            bijstand voor persoon en gezin.</al><al/><al>Tot 01 januari 2013 wat het schenden van de inlichtingenplicht een
                            maatregelwaardige gedraging. Op 1 januari 2012 is de Wet aanscherping
                            handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Deze wet
                            regelt de gevolgen van die gedraging, met verplichte terugvordering en
                            het opleggen van een boete. Om deze reden is een maatregel voor dit
                            gedrag uit deze verordening gehaald.</al><al/><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><al/><al><vet>Artikel 1 Begrippen</vet></al><al>De in dit artikel beschreben begrippen spreken grotendeels voro zich.
                            enkele omschrijvingen lichten we nader toe.</al><al/><al>a. en b. IOAW/IOAZ</al><al>In deze verordening wordt veelal gelijktijdig naar beide wetten verwezen
                            omdat de bepalingen grotendeels identiek en gelijk genummerd zijn. Juist
                            in artikel 20, waar het gaat over de verlaging van de uitkering komen
                            enige verschillen voor. Volgens informatie van het ministerie van SZW is
                            dat onbedoeld gebeurd. In reparatiewetgeving zal de IOAZ in
                            overeenstemming met de IOAW worden gebracht. Deze verordening loopt
                            hierop vooruit.</al><al/><al>d. De uitkeringsnorm</al><al>Anders dan de WWB werken de IOAW/Z met bruto grondslagen. Om een
                            identiek systeem te creëren is het begrip uitkeringsnorm geïntroduceerd
                            dat verwijst naar een netto norm.</al><al/><al>e. Maatregel</al><al>De IOAW en de IOAz maken het in afwijking van de WWB mogelijk om in
                            bepaalde gevallen de uitkering blijvend (gedeeltelijk) te weigeren.
                            Daarom is de begripsomschrijving uitgebreider dan de in de WWB
                            verordening. Overigens gaven wij in het algemene deel van de toelichting
                            al aan van de mogelijkheid om blijvend te weigeren geen gebruik te
                            willen maken.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De raad stelt het maatregelenbeleid vast en het college is uitvoerder.
                            Dat wordt in dit artikel benadrukt. De door het college op grond van de
                            Algemene wet bestuursrecht op te stellen nadere regels, zijn gericht op
                            de rechtszekerheid (gelijke gevallen worden gelijk behandeld) en op de
                            uitvoerbaarheid.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Tekortschieten</vet></al><al>De wet verplicht de belanghebebnde in artikel 13 IOAW/ IOAZ en in de
                            artikelen 28 en 29 van de Wet SUWI tot het verlenen van de noodzakelijk
                            geachte medewerking. We tekenen daarbij aan dat de genoemde bepalingen
                            uit de Wet SUWI allen betrekking hebben op de inlichtingenplicht tijdens
                            de aanvraagprocedure. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het tijdig
                            reageren op oproepen of het tijdig overleggen van gegevens of gevraagde
                            bewijsstukken.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Ernstig tekortschieten</vet></al><al>Uitgangspunt van de wetgever is de zelfstandige bestaansvoorziening van
                            de belanghebbende. Als deze diens verantwoordelijkheid op dit punt niet
                            of onvoldoende nakomt, is er sprake van een ernstige vorm van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al><al>Met de onder b. bedoende (re-integratie) voorziening wordt gelijk
                            gesteld een voorziening in het kader van een inburgeringstraject of een
                            traject dat wordt aangeboden door de Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen (UWV). </al><al>In onderdeel c. gaat het om verbaal of fysiek agressief gedrag. Met
                            gedrag jegens het college wordt mede bedoeld gedrag ten opzichte van
                            pesonen die in het kader van de uitvoering van de IOAW/Z ten dienste of
                            in opdracht van het college werkzaam zijn. Daaronder vallen tevens
                            personen die betrokken zijn de uitvoering van voorzieningen op grond van
                            de IOAW/Z.</al><al>Volgens de Centrale Raad van Beroep kan een maatregel wegens agressief
                            gedrag alleen worden opgelegd als er een direct verband is tussen dit
                            gedrag en de verlening van de uitkering.</al><al>Het college kan van de belanghebbende verlangen dat deze onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige activiteiten verricht (tegenprestatie). Onder d.
                            van dit artikel wordt het niet (voldoende) meewerken beschouwd als een
                            vorm van ernstig tekortschieten in de opgelegde verplichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Maximering</vet></al><al>Een maatregel is geen boete. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan het
                            recht op uitkering over de maand waarin deze is opgelegd. Onder netto
                            uitkering wordt in dit verband verstaan de uitkeringsnorm (art. 1, lid
                            sub d van deze verordening) min de volgens de wet in aanmerking te nemen
                            inkomsten.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Zeer ernstig tekortschieten</vet></al><al>Het betreft in dit artikel dezelfde (verwijtbare) gedragingen als in
                            artikel 4, maar dan in ernstiger mate. Dat rechtvaardigd een zwaardere
                            maatregel, namelijk 100% van de uitkering over een maand. </al><al>In het tweede lid is een aantal situaties genoemd waarbij in elk geval
                            sprake is van zeer ernstig tekortschieten.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Weging van het gedrag</vet></al><al>Bij het oordeel van het college over de mate waarin de belanghebbende is
                            tekortgeschoten wordt meegewogen in hoeverre diens gedraging hem te
                            verwijten valt. Hiermee wordt recht gedaan aan de omstandigheden in het
                            individuele geval. Het zal in het algemeen nodig zijn om de
                            belanghebbende te horen.</al><al>Deze weging kan zowel tot een lagere als tot een hogere maatregel leiden
                            dan als geregeld in de artikelen 3, 4 en 6. Let wel: bij het ontbreken
                            van elke verwijtbaarheid wordt geen maatregel opgelegd.</al><al>In het tweede lid wordt gedoeld op gevallen waarin sprake is van
                            herhaald verwijtbaar gedrag (recidive). Dat zal dus meestal leiden tot
                            een hogere maatregel. Het begrip recidive wordt in de nadere regeld als
                            bedoeld in artikel 2 tweede lid van deze verordening uitgewerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Weging van de gevolgen van de maatregel</vet></al><al>Als de maatregel leidt tot onaanvaadbare gevolgen voor de belanghebbende
                            of diens gezin, kan deze worden gematigd. Ook hier is dus een
                            individuele afweging vereist.</al><al>Een maatregel beoogt gedragsbeïnvloeding. Als de belanghebbende
                            inmiddels aantoonbaar zijn gedrag heeft verbeterd kan dat aanleiding
                            zijn om de maatregel lager vast te stellen of niet op te leggen als
                            positieve prikkel. Dit is vastgelegd in het tweede lid. Als er een
                            maatregel is opgelegd over een periode langer dan drie maanden, wordt
                            het besluit tot het opleggen van de maatregel binnen drie maanden
                            heroverwogen.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Uitvoering</vet></al><al>De maatregel wordt zo snel als mogelijk opgelegd (lik op stuk) en het
                            besluit wordt per gemotiveerde beschikking aan de belanghebbende
                            bekendgemaakt. </al><al>De verlaging vindt plaats op de eerstvolgende betaling van de uitkering
                            en is dus toekomstgericht.</al><al>Dit sluit aan bij de gedachte dat de maatregel een intrument tot
                            gedragbeïnvloeding is. Let wel: de maatregel kan volgens de
                            jurisprudentie niet eerder ingaan dan de datum van het verwijtbare
                            handelen of nalaten. </al><al>Heeft de belanghebbende geen recht (meer) op uitkering, dan kan de
                            maatregel niet worden geëffectueerd. Maakt hij echter binnen een jaar
                            nadien weer aanspraak op uitkering dan wordt de verlaging alsnog
                            toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 10, 11</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>