<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296397_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening wet werk en bijstand gemeente Laarbeek 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.laarbeek.nl">Laarbeeker</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening wet werk en bijstand gemeente Laarbeek 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBR0015703">Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-11-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad nr. 228</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Maatregelenverordening wet werk en bijstand gemeente Laarbeek 2012 (2)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening wet werk en bijstand gemeente Laarbeek 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>MAATREGELENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE </vet><vet>LAARBEEK 2013</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Laarbeek,</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onder b en h, artikel 8a, artikel 9a,
                        twaalfde lid, en artikel 18, eerste, tweede en derde lid, van de Wet
                        werk en bijstand (WWB)</al><al><vet>besluit:</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Maatregelenverordening WWB gemeente Laarbeek
                                2012 (2);</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen: de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand
                                gemeente Laarbeek 2013.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (AWB).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="b)"><al>Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004</al></li><li nr="c)"><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="d)"><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b van de wet;</al></li><li nr="e)"><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="f)"><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="g)"><al>langdurigheidstoeslag:de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel e, van de wet;</al></li><li nr="h)"><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid,
                                        van de wet; </al></li><li nr="i)"><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is betrokken;</al></li><li nr="j)"><al>inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17,
                                        eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="k)"><al>zelfstandige: de belanghebbende bedoeld in artikel 1, sub b,
                                        van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="l)"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="m)"><al>Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar;</al></li><li nr="n)"><al>Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="o)"><al>Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="p)"><al>Hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en
                                        repressieve maatregelen gericht op het voorkomen,
                                        ontmoedigen en bestrijden van oneigenlijk gebruik of
                                        misbruik van bijstand en van voorzieningen gericht op
                                        arbeidsinschakeling tezamen met het beleid over de gevolgen
                                        van misbruik en oneigenlijk gebruik van bijstand;</al></li><li nr="q)"><al>Fraude: het ten onrechte geheel of gedeeltelijk ontvangen
                                        van bijstand door het verstrekken van onjuiste of
                                        onvolledige inlichtingen aan het college;</al></li><li nr="r)"><al>Misbruik: het ontvangen van bijstand in strijd met de
                                        wettelijke voorschriften, waarbij het ten onrechte ontvangen
                                        aan de belanghebbende te wijten is;</al></li><li nr="s)"><al>Oneigenlijk gebruik: het ontvangen van bijstand conform de
                                        regels, maar in strijd met of tegen de bedoeling van die
                                        regels.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c,
                                tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorgani-satie
                                werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, kan overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de
                                gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                verweten en de omstandighede waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                    indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing van artikel 12 van de wet;</al></li><li nr="b)"><al>het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; dan wel</al></li><li nr="c)"><al>belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen als bedoeld in
                                    artikel 13.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                    voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben
                                    ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, dat al dan niet is
                            gebleken van dringende redenen die ertoe nopen om af te zien van het
                            opleggen van een maatregel en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Horen van een belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van de
                                ingangsdatum van de uitkering opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van
                                een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel
                                met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan
                                worden geëffectueerd omdat de bijstand is beëindigd of ingetrokken,
                                wordt opnieuw beoordeeld of de maatregel alsnog kan worden ingezet
                                of voortgezet indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na de
                                dagtekening van de beschikking, waarin het besluit tot beëindiging
                                of intrekking van de bijstand bekend is gemaakt, wederom een beroep
                                doet op bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                                bestaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Recidive en cumulatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van een maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een als
                                maatregelwaardig aangemerkte gedraging en deze tweede gedraging
                                leidt tot een verlaging met eenzelfde of hoger percentage. Met een
                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                                als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de maatregel bij samenloop van
                                meerdere maatregelwaardige gedragingen de verschillende normeringen
                                opgeteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor een verplichting op grond van
                            artikelen 9, 9a, 10a, 41, en 44a van de wet niet of onvoldoende is
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten als
                                    tegenprestatie in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door het
                                    college aangeboden onbeloonde additionele werkzaamheden als
                                    bedoeld in artikel 10a van de wet.</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                    b, van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                    intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                    alleenstaande ouder zoals bedoel in artikel 9a, eerste lid, van
                                    de wet.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in
                                    verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en
                                    tijd te verschijnen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen,
                                    uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in
                                    artikel 44a, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot (arbeids)participatie anders dan het niet
                                    daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering;</al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en te aanvaarden;</al></li><li nr="e."><al>het stellen van onredelijke eisen of vertonen van gedraging(en)
                                    of uiting(en) ten aanzien van het verrichten van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen hiervan
                                    belemmeren;</al></li><li nr="f."><al>andere gedragingen die de (arbeids)participatie belemmeren;</al></li><li nr="g."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en artikel
                                    10, eerste lid, van de wet, waaronder begrepen sociale
                                    activering;</al></li><li nr="h."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van de wet, voor zover het
                                    gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier
                                    weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde
                                    lid, van de wet;</al></li><li nr="i."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar door het
                                    Rijk bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn,
                                    genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet;</al></li><li nr="j."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder
                                    begrepen gesubsidieerde arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel behorend bij de
                            in artikel 9 vermelde categorieën vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt
                                    een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                    recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="2."><al> Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>bij een periode tot 3 maanden: twintig procent van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: twintig procent van de
                                    bijstandsnorm</al><al> gedurende drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: twintig procent van de
                                    bijstandsnorm gedurende zes maanden.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld,
                                    bedraagt de maatregel twintig procent van de bijstandsnorm
                                    gedurende een maand. </al></li><li nr="4."><al> Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de
                                    maatregel toegepast op de algemene bijstand.</al></li><li nr="5."><al> In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het
                                    onverantwoord interen van het eigen vermogen een maatregel wordt
                                    opgelegd van twintig procent over een zodanige periode dat het
                                    bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg
                                    van het te snel interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf
                                    jaar.</al></li><li nr="6."><al> Onder onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt
                                    verstaan een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan, welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal
                                    de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zonodig aangevuld met
                                    een bedrag voor de ziektekostenverzekering.</al></li><li nr="7."><al> In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een tekortschietend
                                    besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het
                                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid, waaronder begrepen deeltijdarbeid en gesubsidieerde
                                    arbeid” gelijkgesteld aan een gedraging van de tweede categorie
                                    als bedoeld in artikel 9. Voor het bepalen van de hoogte van de
                                    maatregel is artikel 10 van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="8."><al> In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand
                                    of de langdurigheidstoeslag worden geweigerd, indien het beroep
                                    op bijzondere bijstand dan wel de langdurigheidstoeslag het
                                    gevolg is van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 11 wordt, indien
                                belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, gedurende een tijdvak
                                van drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening, in de
                                eerste maand een maatregel opgelegd van 100% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In de tweede en derde maand van het tijdvak van drie maanden als
                                bedoeld in het eerste lid, wordt de maatregel gematigd tot 20% van
                                de bijstandsnorm.</al><al> Artikel 2, vierde lid, van de Verordening verrekening bestuurlijke
                                boete bij recidive </al><al> Laarbeek is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen Fout! Bladwijzer niet
                            gedefinieerd.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                            een maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Overige verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Het niet verlenen van de gevraagde medewerking</titel></kop><al>Indien een belanghebbende niet de gevraagde medewerking heeft verleend
                            die nodig is voor de uitvoering zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid,
                            van de wet, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel
                            opgelegd van twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Het niet tonen van een identiteitsbewijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende op verzoek niet een identiteitsbewijs kan
                                tonen zoals bedoeld in artikel 17, derde en vierde lid, van de wet
                                wordt de bijstand onder toepassing van artikel 54 van de wet
                                geweigerd dan wel beëindigd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende het identiteitsbewijs toont binnen de gestelde
                                termijn wordt er geen maatregel opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Noodzakelijke betalingen</titel></kop><al>Er wordt geen maatregel opgelegd, indien belanghebbende niet meewerkt
                            aan het in zijn naam verrichten van noodzakelijke betalingen uit de
                            toegekende bijstand zoals bedoeld in artikel 57 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van twintig procent van
                            de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>Regels bestrijding misbruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
                                de wet, waaronder de bestrijding van fraude en van misbruik en
                                oneigenlijk gebruik van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van het eerste lid een
                                beleidsplan vast, waarin aandacht wordt besteed aan hoogwaardige
                                handhaving. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college
                                belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het
                                ontvangen van bijstand zijn verbonden, en over de consequenties van
                                fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het
                                college in het beleidsplan ten minste de wijze van controle bij de
                                aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, en het
                                gebruik van signaal- en risicosturing bij de beoordeling van de
                                aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college voert onderzoeken en bestandsvergelijkingen uit waarbij
                                actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kan de
                                bijstand na verificatie aan veranderde omstandigheden worden
                                aangepast. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7:</nr><titel>Slotbepalingen Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Uitkeringsgerechtigden waarvan de bijstand via de SVB wordt
                                verstrekt</titel></kop><al>In afwijking van de vorige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die
                            op grond van een </al><al> mandaatregeling van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een uitkering
                            ingevolge de WWB ontvangen, het maatregelenbeleid van de SVB (zoals
                            gepubliceerd in de Staatscourant 2006, 121 en 2008, 98) van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 1 dag na de bekendmaking hiervan in
                            de Laarbeeker en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al><al>Met ingang van dezelfde datum wordt de Maatregelenverordening WWB
                            gemeente Laarbeek 2012 (2) ingetrokken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 4 april 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen J.G.M.T. Ubachs</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>In tegenstelling tot de oude bijstandswet waarin het sanctiebeleid
                            (maatregelen en boeten) wettelijk was geregeld, verplicht de nieuwe wet
                            Wet werk en bijstand (WWB) de gemeente om zelf beleid vast te stellen
                            ten aanzien van de rechten en de plichten van de cliënt. De gemeenteraad
                            dient mede met het oog op de rechtszekerheid van de cliënt het eigen
                            beleid in een verordening vast te leggen. </al><al/><al>In de afstemmingsverordening (artikel 8, lid 1, onder b, WWB) legt de
                            gemeente haar beleid vast op welke wijze de bijstand wordt verlaagd
                            indien de belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel
                            de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                            waaronder begrepen het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of
                            zijn ambtenaren.</al><al/><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                            verplichtingen wordt aangeduid als het opleggen van een maatregel.
                            Hiermee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de
                            Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende
                            karakter ervan benadrukt. Het opleggen van een maatregel is geen
                            punitieve sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat,
                            maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht
                            op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand
                            met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering </al><al>verbonden verplichtingen nakomt.</al><al/><al>De verordening vormt de juridische grondslag om maatregelen op te leggen
                            wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet. De
                            verordening wordt dan ook aangeduid als ‘maatregelenverordening’.</al><al/><al>Wanneer wordt geconstateerd dat de uitkeringsgerechtigde zich niet houdt
                            aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen (inclusief de
                            verplichtingen die de uitkeringsgerechtigde middels een beschikking zijn
                            opgelegd) of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid
                            toont, kan de bijstand tijdelijk worden verlaagd. Dit houdt ook in dat
                            als de uitkeringsgerechtigde geen juiste informatie verstrekt de
                            uitkering lager kan worden vastgesteld.</al><al>Het geobjectiveerde belang van een bepaalde verplichting kan niet in
                            alle gevallen onverkort de indicatie van de verlaging zijn. Bij het
                            vaststellen van de verlaging dient rekening te worden gehouden met de
                            persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                            verplichtingen. Dit kan inhouden dat bijvoorbeeld op grond van dringende
                            redenen geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van verlagen van de
                            uitkering. </al><al>Benadrukt wordt dat in ieder geval van een verlaging van de uitkering
                            wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Te denken
                            valt daarbij aan situaties waarbij de uitkeringsgerechtigde door
                            overmacht niet in staat is geweest een of meer afspraken volledig na te
                            komen. </al><al/><al>De eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening
                            houdt in dat aan het verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn
                            verbonden. Deze verplichtingen gelden vanaf de melding, dus al voordat
                            het recht op bijstand is vastgesteld. Als bijvoorbeeld bij aanvang van
                            de uitkering blijkt dat de uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen zijn
                            baan heeft verloren en als gevolg daarvan een beroep moet doen op
                            bijstand, is hij daardoor niet de verplichting nagekomen om waar
                            mogelijk in het eigen bestaan te voorzien. Dit geldt ook in situaties
                            waarin uitkeringsgerechtigde door zijn handelen of nalaten het recht
                            verspeelt op een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld een uitkering op
                            grond van de Werkloosheidswet, of wanneer hij zijn vermogen te snel
                            heeft ingeteerd. Verder kan het gaan om situaties waarin de
                            uitkeringsgerechtigde te weinig zijn best heeft gedaan om aan het werk
                            te komen, bijvoorbeeld door te weinig te solliciteren of door het
                            weigeren van aangeboden arbeid.</al><al/><al>Het college kan de verlaging voor een bepaalde periode opleggen of
                            totdat de uitkeringsgerechtigde de tekortkomingen heeft hersteld. Het
                            college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking
                            of de omstandigheden en het gedrag van de uitkeringsgerechtigde
                            aanleiding geven de beslissing te herzien. </al><al>Bij het besluit tot het verlagen van de bijstand én bij de heroverweging
                            vormen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur centrale
                            uitgangspunten. </al><al>De normering van de verlagingen bestaat uit een categorisering van
                            gedragingen die betrekking hebben op het niet nakomen van de aan de
                            uitkering verbonden verplichtingen. Naargelang de ernst van het
                            verwijtbaar handelen worden verschillende gestandaardiseerde verlagingen
                            van de uitkering voorgeschreven. De categorisering van de gedragingen
                            corresponderend met de aan de uitkering verbonden verplichtingen, brengt
                            in samenhang met de genormeerde afstemming van de uitkering tot
                            uitdrukking welk gewicht aan het niet voldoen van een bepaalde
                            verplichting wordt toegekend. </al><al/><al>Aan de indeling in categorieën ligt het criterium ten grondslag dat de
                            ernst van het feit toeneemt, naarmate het niet nakomen van een
                            verplichting concretere gevolgen heeft voor het verkrijgen van betaalde
                            arbeid. Bij de beoordeling van de ernst van het feit is derhalve onder
                            meer van belang of er sprake is van onvoldoende eigen initiatief en de
                            kansen op arbeidsinschakeling door eigen toedoen worden verminderd of
                            zelfs teniet worden gedaan.</al><al>Door de normering van de afstemming in deze verordening wordt beoogd
                            rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te bevorderen, zonder dat hierbij
                            afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot individualisering, door
                            altijd te kijken of de situatie van de uitkeringsgerechtigde aanleiding
                            kan geven om af te wijken van de standaard verlaging.</al><al/><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil
                            zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de
                            langdurigheidstoeslag worden verlaagd.</al><al>In de verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden
                            opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing
                            zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de
                            bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep
                            ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door
                            middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                            levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm
                            wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van
                            de groep 21-jarigen en ouder.</al><al/><al>In de verordening wordt het mogelijk gemaakt om in incidentele gevallen
                            een maatregel toe te passen op de langdurigheidstoeslag.</al><al>De keuze om niet in zijn algemeenheid maatregelen toe te passen op de
                            langdurigheidstoeslag houdt verband met artikel 36, eerste lid sub c. Op
                            grond van deze bepaling moet het college de langdurigheidstoeslag
                            weigeren als iemand 60 maanden naar het oordeel van het college
                            onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en aanvaarden. De verplichting om de langdurigheidstoeslag te weigeren
                            verhoudt zich niet met een eventuele verplichting deze toeslag te
                            verlagen.</al><al>Het ligt niet voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in
                            aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag een maatregel op te
                            leggen. De enige verplichting die zij kunnen schenden in verband met de
                            langdurigheidstoeslag is het verstrekken van geen of onvoldoende
                            gegevens waardoor het college de rechtmatigheid van het verlenen van
                            deze uitkering niet kan vaststellen. De sanctie die hierop rust is niet
                            het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze
                            toeslag.</al><al/><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van
                            het uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook
                            niet in de rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt
                            voor bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn
                            verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor
                            de plicht om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                            voorziening in het bestaan.</al><al/><al>Binnen deze verordening is geen overgangsbepaling opgenomen. De reden
                            hiervoor is dat de wetgever, ter voorkoming dat er 2 afzonderlijke
                            stelsels naast elkaar bestaan, bewust heeft gekozen om de hoofdregel van
                            het overgangsrecht toe te passen: de onmiddellijke of exclusieve werking
                            van de wet. Na inwerkingtreding worden dan ook alle gedragingen
                            beoordeeld op basis van deze verordening. </al><al/><al><cursief>De relatie met het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
                                (Bbz 2004)</cursief></al><al>Per 1 juli 2011 is deze verordening ook van toepassing op de verlening
                            van bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
                            (Bbz 2004). Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene
                            bijstand voor het levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen
                            bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm staat in artikel
                            1, onderdeel g, Bbz 2004.</al><al/><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor
                            de definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het
                            betreffende boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid Bbz dat
                            het college de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de
                            bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg
                            van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede
                            lid. In artikel 47 Bbz is opgenomen dat het college kosten van bijstand
                            in de vorm van een geldlening terugvordert, indien de zelfstandige de
                            uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk
                            nakomt. Het college is onder toepassing van beide artikelen gehouden de
                            geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige
                            terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt
                            nagekomen. Er is in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een
                            maatregel op grond van deze verordening op te leggen: de gehele
                            jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het
                            bedrag ‘om niet’ of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz
                            (bedrijfskapitaal aan gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige
                            hiervoor geen jaarcijfers overlegt, kent de gemeente geen bedrag ‘om
                            niet’ of rentereductie toe. Er is dan ook geen aanleiding voor een
                            maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet op een reeds
                            verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al/><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen
                            gedragingen en maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen,
                            gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor
                            zelfstandigen en hun partners het volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden
                                    alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten
                                    van arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of
                                    zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, derde lid
                                    Bbz).</al></li><li nr="·"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen
                                    aan de partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover
                                    die partner tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een
                                    zelfstandige in de zin van het Bbz is, of fulltime meewerkt in
                                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard
                                    kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de
                                    meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                                    zelfstandige. </al></li></lijst><al/><al>De in hoofdstuk 3 en 4 opgenomen gedragingen die leiden tot een
                            maatregel (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer
                            ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot
                            een maatregel. Artikel 18, tweede lid, van de wet is onverkort van
                            toepassing op het Bbz. </al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door
                            het college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige
                            bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in
                            onvoldoende mate, dan is het college bevoegd om een maatregel op te
                            leggen, omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet
                            voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. </al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op
                            beperking van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere
                            bedrijfsruimte, inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten
                            niet-noodzakelijke abonnementen etc.), op verbetering van de omzet
                            (effectievere acquisitie, verandering brutowinstmarge, verandering
                            openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.), of op vermindering van
                            de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig)
                            aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                            beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een
                            maatregel. Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de
                            orde, indien er nog sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen
                            benadelingbedrag of –periode kan worden vastgesteld - en dat is bij de
                            bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende specifieke
                            verplichtingen vaak het geval - dan geldt de maatregel, bedoeld in het
                            derde lid van artikel 11 (20% van de bijstandnorm voor één maand).</al><al/><al>Als wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid een beroep op Bbz wordt
                            gedaan. Dan kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen
                            verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit dat
                            de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                            toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze
                            verzekering wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op
                            bijstand. Een zelfstandige die verwijtbaar geen
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange
                            wachttijd heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een
                            beroep doet op bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing
                            van de bijstandsaanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB
                            is echter niet aan de orde, aangezien na het ingaan van de
                            arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke onverzekerbaarheid.
                            Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen op een
                            voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat
                            aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is
                            voldaan, een maatregel aan de orde zijn.</al><al/><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                            beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid
                            van het bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de
                            zelfstandige (bijvoorbeeld door slechte betalingsmoraliteit, of een
                            onverantwoord hoog uitgavenpatroon). Als daarvan sprake is, is een
                            maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening aan de orde.</al><al/><al/><al><cursief>De Wet Aanscherping WWB</cursief></al><al>Op 1 januari 2012 is inwerking getreden de “Wet tot wijziging van de Wet
                            werk en bijstand (WWB) en samenvoeging van die wet met de Wet investeren
                            in jongeren (WIJ) gericht op bevordering van deelname aan de
                            arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                            uitkeringsgerechtigden” (kortweg: Wet Aanscherping WWB). </al><al>Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="·"><al>Versterking van het activerende karakter van de Wet werk en
                                    bijstand; </al></li><li nr="·"><al>Versterking van de vangnetfunctie van de Wet werk en
                                    bijstand.</al></li></lijst><al>Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime
                            substantieel van inhoud verandert.</al><al>Deze veranderingen werken door in de verordeningen die vastgesteld
                            moeten worden op grond van artikel 8, eerste lid, WWB.</al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De bijstand wordt afgestemd op de mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende. Worden de aan de bijstand verbonden verplichtingen niet
                            of onvoldoende nagekomen, maakt de belanghebbende zich schuldig aan
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het
                            bestaan of gedraagt de belanghebbende zich agressief jegens het college,
                            dan verlaagt het college de bijstand, overeenkomstig de verordening,
                            bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, WWB. In die
                            Maatregelenverordening is geregeld in welke gevallen de bijstand
                            verlaagd wordt en wat de duur en hoogte van de verlaging is.</al><al/><al>De wetswijziging werkt langs verschillende lijnen door in het
                            Maatregelenbeleid.</al><al/><al>De wetswijziging heeft de volgende consequenties die van belang zijn
                            voor het Maatregelenbeleid: </al><lijst><li nr="·"><al>Door intrekking van de WIJ vallen jongeren onder het regime van
                                    de WWB en wordt de Maatregelenverordening WWB ook op hen van
                                    toepassing; </al></li><li nr="·"><al>Een aantal nieuwe verplichtingen wordt in de aangescherpte WWB
                                    opgenomen. Schending van deze verplichtingen kunnen aanleiding
                                    geven tot het opleggen van een maatregel. </al></li></lijst><al><cursief>a</cursief><cursief>. Intrekking van de WIJ </cursief></al><al>Door het intrekken van de WIJ is de Maatregelenverordening WIJ komen te
                            vervallen en gelden WIJ-besluiten als besluiten die op grond van de WWB
                            zijn genomen (artikel 78t, eerste lid, WWB). Voor het sanctioneren van
                            maatregelwaardige gedragingen van jongeren biedt vanaf 1 januari 2012
                            derhalve de Maatregelenverordening WWB het regeltechnische kader. </al><al>Dat betekent dat voor jongeren hetzelfde regime geldt als voor oudere
                            bijstandsgerechtigden. </al><al>De WIJ bevatte een andere set verplichtingen dan de WWB. Hoewel de
                            inlichtingen- meewerk- en identificatieverplichting identiek zijn
                            geregeld als in de WWB, zijn de verplichtingen die betrekking hebben op
                            de arbeidsinschakeling in artikel 45 WIJ duidelijk anders geformuleerd
                            dan in artikel 9 WWB. De verplichtingen in artikel 45 WIJ zijn immers
                            toegespitst op het werkleeraanbod, terwijl de benadering van de WWB
                            ruimer is; de verplichtingen in de WWB op het punt van de
                            arbeidsinschakeling bestrijken een breder scala aan gedragingen (zoals
                            bijv. het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid). De WIJ bevat
                            ook geen bepaling op grond waarvan ‘overige’ verplichtingen kunnen
                            worden opgelegd, strekkend tot vermindering of beëindiging van de
                            bijstand, op grond van art. 55 WWB.</al><al/><al>De intrekking van de WIJ leidt er derhalve toe dat voor jongeren een
                            groter aantal verplichtingen gaat gelden en dat meer gedragingen
                            sanctioneerbaar worden. </al><al>Bovendien is het zo dat enkele met name in de WWB (artikel 13, tweede
                            lid, onderdeel c en d) genoemde gedragingen van jongeren leiden tot
                            uitsluiting van het recht op bijstand en voor dergelijke gedragingen is
                            daarmee reeds in een sanctie voorzien. Het betreft de jongere die uit ‘s
                            Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, alsmede de jongere uit wiens
                            houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen,
                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 WWB niet wil
                            nakomen.</al><al/><al>-Overgangsrecht</al><al>Een belangrijke vraag met betrekking tot de intrekking van de WIJ is wat
                            de gevolgen zijn van die intrekking en het daaraan gekoppelde verval van
                            de Maatregelverordening WIJ voor wat betreft het sanctioneren van
                            gedragingen die zich hebben afgespeeld voorafgaand aan de intrekking van
                            de WIJ maar eerst vanaf 1 januari 2012 beoordeeld worden. Door de
                            bepaling dat genomen WIJ-besluiten vanaf 1 januari 2012 van rechtswege
                            gelden als WWB-besluiten betekent dit voor maatregelbesluiten dat deze
                            moeten worden genomen met toepassing van de Maatregelverordening
                            WWB.</al><al>Dit zou er echter toe kunnen leiden dat </al><lijst><li nr="·"><al>ook andere gedragingen dan gedragingen die onder de WIJ
                                    sanctioneerbaar waren tot een maatregel kunnen leiden, en </al></li><li nr="·"><al>dat onder omstandigheden een hogere of langer durende maatregel
                                    wordt opgelegd dan op grond van de Maatregelverordening WIJ
                                    mogelijk was.</al></li></lijst><al>Het rechtszekerheidsbeginsel zal zich echter tegen beide opties
                            verzetten (overeenkomstig CRvB 19-12-2006, LJN: AZ4922). Dat betekent
                            bijvoorbeeld dat als een jongere de inlichtingenplicht heeft geschonden
                            vóór de datum intrekking WIJ, de in de maatregelverordening WIJ
                            opgenomen regels toch nog moeten worden toegepast, als deze een voor
                            belanghebbende gunstiger uitkomst geven dan de Maatregelverordening WWB.
                            Het maatregelbesluit blijft echter wel een WWB-besluit, zij het met
                            toepassing van de regels uit de – inmiddels vervallen –
                            Maatregelverordening WIJ (is dat niet het geval, dan kan geen maatregel
                            worden opgelegd). Doordat voor schending van de inlichtingplicht het
                            WIJ- en WWB-regime geüniformeerd is, zal dit in de praktijk bij de
                            schending van inlichtingenplicht vermoedelijk geen grote rol spelen.
                            Voor schending van de arbeids- en re-integratieverplichtingen kan dit
                            anders liggen. Allereerst zal in dat geval de gewraakte gedraging
                            gecategoriseerd kunnen worden als een gedraging waarvoor een maatregel
                            kon worden opgelegd op grond van de WIJ. Vervolgens zal deze gedraging
                            ook sanctioneerbaar moeten zijn op grond van de Maatregelenverordening
                            WWB (artikel 9, eerste lid, onderdeel b, WWB), en ten slotte zal moeten
                            worden bepaald onder welke verordening (WIJ of WWB) de belanghebbende
                            het gunstigst af is. Omdat het opleggen van maatregelen in geval van
                            schending van de arbeids- of re-integratieverplichtingen doorgaans geen
                            vergaande terugwerkende kracht kent, zal deze complicatie vermoedelijk
                            zeer tijdelijk van aard zijn.</al><al/><al><cursief>b</cursief><cursief>. Nieuwe verplichtingen</cursief></al><al>In de aangescherpte WWB is tevens een aantal nieuwe verplichtingen
                            opgenomen en verbonden aan het recht op bijstand. In twee gevallen gaat
                            het om verplichtingen die specifiek voor jongeren zijn opgenomen, en er
                            is één verplichting toegevoegd die voor de gehele bijstandspopulatie kan
                            gelden.</al><al/><al>-Verplichtingen voor jongeren.</al><al>Uitgangspunt van de wetswijziging is dat jongeren niet in de bijstand
                            thuishoren en dus moeten werken of leren of een combinatie van beide.
                            Dat uitgangspunt is overgenomen uit de WIJ. Binnen de WWB wordt het
                            afzonderlijke regime voor jongeren gehandhaafd maar niet letterlijk
                            overgenomen uit de WIJ. Het nieuwe regime benadrukt sterker dan de WIJ
                            de eigen verantwoordelijkheid van jongeren om zelf in de kosten van het
                            bestaan te voorzien. De wetswijziging creëert daartoe enkele nieuwe
                            wettelijke verplichtingen voor jongeren: </al><lijst><li nr="·"><al>de verplichting mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en
                                    evalueren van een plan van aanpak; </al></li><li nr="·"><al>de verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te
                                    dienen dan vier weken na melding; </al></li><li nr="·"><al>de verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar
                                    mogelijkheden voor werk of scholing.</al></li></lijst><al/><al>Ten aanzien van de verplichting om mee te werken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak geldt dat deze met zoveel
                            woorden wordt opgenomen in de WWB (artikel 9, eerste lid, onderdeel b)
                            en dat een standpunt bepaald moet worden met welke maatregel het niet
                            nakomen van deze verplichting in de Maatregelenverordening WWB
                            gesanctioneerd moet worden. Het niet meewerken aan een plan van aanpak
                            is als een afzonderlijke gedraging benoemd in de Maatregelverordening. </al><al/><al>De verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te dienen
                            dan </al><al>vier weken na melding (artikel 41, vierde lid, WWB) vloeit voort uit de
                            bijzondere verantwoordelijkheid die jongeren in de nieuwe WWB hebben om
                            in de eigen bestaanskosten te voorzien. Het eerder indienen van de
                            aanvraag is een schending van deze verplichting. Dat kan ertoe leiden
                            dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, nadat de jongere een
                            hersteltermijn heeft gekregen om zijn aanvraag aan te vullen (zie
                            Memorie van Toelichting: TK 2010-2011, TK 32 815, nr. 3, p. 59). Benut
                            de jongere die mogelijkheid dan kan de aanvraag worden behandeld. </al><al/><al>De verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar
                            mogelijkheden voor werk of scholing is een nieuwe verplichting, zij het
                            dat thans reeds uit artikel 9 WWB voortvloeit dat vanaf de datum van
                            melding getracht moet worden algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen. Het niet nakomen van de verplichting om tijdens de wachttijd
                            werk te zoeken, hoeft doorgaans derhalve niet als afzonderlijke
                            categorie in de Maatregelverordening te worden opgenomen, evenwel is
                            schending van deze verplichting voor de duidelijkheid wel benoemd in de
                            Maatregelenverordening. </al><al/><al>De verplichting om tijdens de ‘wachttijd’ te zoeken naar geschikte
                            scholing of studie, kan doorgaans niet gesanctioneerd worden met het
                            beschikbare instrumentarium in de Maatregelenverordening WWB. Daarvoor
                            is nu een grondslag gecreëerd in de verordening. Bedacht moet wel
                            worden, dat als er – al dan niet door toedoen van de jongere –
                            onvoldoende duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden van scholing of
                            studie, het ook denkbaar is dat de aanvraag wordt afgewezen, omdat dan
                            het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is immers aan de
                            jongere om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor bijstandverlening is
                            voldaan en het kunnen benutten van studiefinanciering dan wel een
                            WTOS-tegemoetkoming kunnen ertoe leiden dat geen dan wel lager recht op
                            bijstand bestaat (artikel 13, tweede lid, onderdeel c, WWB).</al><al/><al>-Verplichting tot verrichten onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden</al><al>Het college krijgt de bevoegdheid om van mensen met een uitkering op
                            grond van de WWB, IOAW en IOAZ naar vermogen een tegenprestatie te
                            verlangen voor het verlenen van uitkering (artikel 9, eerste lid,
                            onderdeel c, WWB). Die tegenprestatie dient te bestaan uit onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Het college dient zich daarbij te
                            houden aan een aantal randvoorwaarden. De tegenprestatie: </al><lijst><li nr="·"><al>Is niet gericht op arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="·"><al>Mag niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of
                                    re-integratie; </al></li><li nr="·"><al>Bestaat daarom uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt
                                    zijn; </al></li><li nr="·"><al>Bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde naar
                                    vermogen kan verrichten; </al></li><li nr="·"><al>Wordt onbeloond verricht naast of in aanvulling op de reguliere
                                    arbeidsmarkt (additioneel); </al></li><li nr="·"><al>Kan niet worden ondersteund door het college met voorzieningen
                                    als scholing, kinderopvang en premies.</al></li></lijst><al/><al>De regering is van oordeel dat de verplichting om een tegenprestatie te
                            leveren geen schending oplevert van het verbod van dwang- c.q.
                            verplichte arbeid, bedoeld in artikel 4 EVRM. Dit zou anders zijn indien
                            fysieke dwang dan wel psychische dwang wordt uitgeoefend (EHRM
                            23-11-1983, nr. 8919/80). Van verplichte arbeid is sprake zodra niet
                            (meer) verlangd kan worden dat de opgedragen activiteiten of
                            werkzaamheden worden verricht vanwege het excessief of disproportioneel
                            belastende karakter ervan of het totaal ontbreken daaraan van enig
                            perspectief richting arbeidsinschakeling (CRvB 08-02-2010, LJN: BL1093).
                            Omdat dit laatste aan de orde zou kunnen zijn, is de tegenprestatie in
                            beginsel niet gericht op arbeidsinschakeling, is nog van belang dat de
                            tegenprestatie als een ‘normale burgerplicht’ aangemerkt zou kunnen
                            worden. In dat geval is er geen sprake van dwang- of verplichte arbeid.
                            Burgerplichten zijn normale vormen van participatie van burgers in de
                            behartiging van het algemeen belang door de overheid. De werkzaamheden
                            die als tegenprestatie worden verlangd moeten derhalve onder het
                            ‘algemeen belang’ kunnen worden geschaard. De overheid mag bij het
                            scheppen van burgerplichten bovendien de rechtspositie van de
                            individuele burger niet nodeloos en onevenredig aantasten. Er zal dus
                            wel evenwicht moeten bestaan tussen het doel en de noodzaak van de
                            plicht en de belangen en mogelijkheden van de burger. Het is aan het
                            college om binnen deze kaders invulling te geven aan de beleidsvrijheid
                            om een tegenprestatie te verlangen voor het verlenen van een
                            uitkering.</al><al>Wanneer hiervan gebruik gemaakt wordt, dan moet in de
                            Maatregelenverordening WWB een wettelijke grondslag gecreëerd worden die
                            het mogelijk maakt om het niet nakomen van de verplichting om daaraan
                            mee te werken, te sanctioneren.</al><al>Omdat de tegenprestatie niet zondermeer samenhangt met de
                            arbeidsinschakeling kan schending van deze verplichting niet worden
                            ondergebracht bij de categorieën gedragingen m.b.t. de
                            arbeidsinschakeling, die reeds zijn benoemd in de Maatregelenverordening
                            WWB. Daarom is daarvoor nu een nieuwe grondslag gelegd in de
                            verordening. </al><al/><al>-Ingetrokken ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouders</al><al>Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar kunnen op grond van artikel
                            9a, eerste lid, WWB worden ontheven van de plicht algemeen geaccepteerde
                            arbeid te aanvaarden. De re-integratieplicht blijft voor hen echter
                            onverkort gelden. Komen zij deze niet of onvoldoende na, dan kan dit
                            leiden tot het intrekken van de verleende ontheffing. Als het college
                            besluit tot intrekking van de ontheffing, moet het tevens de bijstand
                            van de alleenstaande ouder verlagen op grond van artikel 9a, twaalfde
                            lid, WWB.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als
                            ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al><al/><al>Onderdeel p</al><al>Met het begrip “handhaving” wordt gedoeld op alle activiteiten van de
                            overheid gericht op het doen naleven van wet- en regelgeving ter
                            bevordering van het juist benutten en toepassen van wetten en regelingen
                            in overeenstemming met hun doel en strekking.</al><al/><al>“Hoogwaardige handhaving” als basisconcept van het handhavingsbeleid is
                            erop gericht de bereidheid tot naleving van de WWB door de klanten te
                            verhogen door maatregelen op het gebied van voorlichting, controle,
                            dienstverlening en afdoening. Het hoogwaardige karakter van het
                            handhavingsbeleid stoelt op de gedachte dat het gelijktijdig doorvoeren
                            van zowel preventieve als repressieve aanpassingen in de uitvoering
                            leidt tot verbeterde handhaving. Het leidt tot een toename van het
                            aantal klanten dat bereid is de regelgeving min of meer spontaan na te
                            leven.</al><al/><al>Met het begrip “preventieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen
                            ter voorkoming en ontmoediging van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                            bijstand en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In het kader
                            van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen de preventieve
                            maatregelen mede te richten op het vroegtijdig informeren van
                            (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de dienstverlening.</al><al/><al>Met het begrip “repressieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen
                            ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van bijstand en
                            voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>In het kader van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen
                            repressieve maatregelen mede te richten op het vroegtijdig constateren
                            en afhandelen van fraude alsmede op het daadwerkelijk sanctioneren van
                            geconstateerde fraude.</al><al/><al>Het sanctioneren van de geconstateerde fraude wordt nader uitgewerkt in
                            de gemeentelijke Maatregelenverordening alsmede in de beleidsregels
                            inzake terugvordering en verhaal. Hierbij wordt opgemerkt dat de raad
                            directe invloed heeft op het beleid van het college waar het gaat om de
                            Maatregelenverordening. De Maatregelenverordening vormt één van de
                            repressieve middelen op niet-nakoming van verplichtingen door een
                            belanghebbende.</al><al/><al>Echter, de wetgever heeft het handhavingsbeleid in de WWB, vanuit
                            oogpunt van de dualistische verhouding tussen de raad en het college
                            binnen de Gemeentewet, niet consequent uitgewerkt. Immers, de bepalingen
                            over terugvordering en verhaal van bijstand in de WWB zijn geformuleerd
                            als bevoegdheden van het college. De raad heeft hier geen directe
                            invloed op middels het stellen van regels; het college kan het gebruik
                            van deze bevoegdheden zelf nader bepalen in de Beleidsregels
                            terugvordering WWB en de Beleidsregels verhaal WWB. Bepalingen in een
                            Maatregelenverordening die de raad op deze onderdelen wel een sturende
                            invloed gaven, zijn door de Centrale Raad van Beroep onverbindend
                            verklaard, zie CRvB d.d. 30 januari 2007 LJN-nr. AZ8022.</al><al/><al>De sturing van de raad is meer indirect van aard. Enerzijds op
                            kaderstellend niveau middels het opnemen van hoogwaardige handhaving in
                            de Maatregelenverordening (de gemeenteraad moet een verordening
                            opstellen die de handhaving of fraudebestrijding regelt, artikel 8a WWB,
                            deze verordening mag onderdeel zijn van de Maatregelenverordening) en
                            anderzijds middels het ter beschikking stellen van financiële middelen
                            specifiek ten behoeve van het handhavingsbeleid, bijvoorbeeld door het
                            gebruik van hoogwaardige handhavingsinstrumenten hierdoor mogelijk te
                            maken.</al><al/><al>Vanuit oogpunt van de bevoegdheden van het college worden de preventieve
                            en de repressieve maatregelen nader uitgewerkt in het Beleidsplan
                            hoogwaardige handhaving en de Beleidsregels terugvordering WWB en de
                            Beleidsregels verhaal WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al></li><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al></li><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                                het college zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            UWV WERKbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door
                            het college (artikel 30c, tweede en derde lid Wet SUWI) en de
                            verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten
                            en omstandigheden mee te delen aan UWV WERKbedrijf, waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                            het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de
                            hoogte of de duur van de bijstand. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                            met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten
                            nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                            standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de
                            beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                    geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede en derde lid </titel></kop><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                            noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                            bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op
                            de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                            rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.</al><al/><al>Ook in de hier genoemde gevallen kan aanleiding bestaan om de bijzondere
                            bijstand of de langdurigheidstoeslag te verlagen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                            uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de
                            algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. </al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een
                            besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde
                            lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep
                            worden aangetekend. </al><al/><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het
                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                            van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al>In beleidsregels kan worden neergelegd hoe omgegaan kan worden met de
                            beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke
                            gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
                            gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden
                            vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende
                            omstandigheden. </al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze
                            reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd
                            voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.
                        </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid </titel></kop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en). </al></li></lijst><al/><al>Bij het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt
                            verstrekt behoeft niet overgegaan te worden tot herziening van de
                            bijstand en terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan bijstand.
                            Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                            met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan
                            van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht ligt wel voor de
                            hand als er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en
                            het te veel betaalde bedrag aan bijstand van de uitkeringsgerechtigde
                            moet worden teruggevorderd. In dat geval wordt al een uitkeringsbedrag
                            teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat met terugwerkende
                            kracht een maatregel wordt opgelegd.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Bij een aanvraag om bijstand wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de
                            maatregel opgelegd, tenzij de verwijtbare gedraging op een later
                            tijdstip heeft plaatsgevonden.</al><al/><al>Derde lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                            teruggevorderd. </al></divisie><divisie><kop><titel/></kop><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>In dit lid is benoemd dat een maatregel met terugwerkende kracht kan
                            gelden bij de definitieve vaststelling van het levensonderhoud in de
                            vorm van een geldlening op grond van het Bbz.</al><al/><al><cursief>Vijf</cursief><cursief>de lid</cursief></al><al>Als een maatregel voor een bepaalde periode is opgelegd en tijdens die
                            periode wordt de uitkering beëindigd, is het niet mogelijk om die
                            maatregel automatisch te laten ‘herleven’ als naderhand opnieuw recht op
                            bijstand ontstaat (CRvB 21 augustus 2007, LJN: BB2800). Dat geldt ook
                            voor de situatie dat een maatregel in het geheel niet kan worden
                            opgelegd omdat de bijstand wordt beëindigd voordat de maatregel kan
                            worden geëffectueerd.</al><al>Zodra een nieuw bijstandsrecht ontstaat, kan wel weer een nieuwe
                                maatregel<cursief>beoordeling </cursief>plaatsvinden. Dit kan ertoe
                            leiden dat de eerder opgelegde maatregel wordt ingezet of voortgezet.
                            Daarbij dient dan wel betrokken te worden in welke mate de eerste
                            maatregel reeds is geëffectueerd en in hoeverre de actuele
                            omstandigheden een hernieuwde maatregel toelaten (CRvB 15 november 2005,
                            JWWB 2006/9). </al><al>Dit lid opent de mogelijkheid om het besluit alsnog uit te voeren indien
                            de belanghebbende binnen 12 maanden na de datum van het besluit
                            terugkomt in de bijstand. Blijft hij langer dan een jaar uit de
                            uitkering dan vervalt de mogelijkheid om een niet (volledig)
                            geëffectueerde maatregel nog te doen plaats vinden.</al><al/><al>Een aankondiging in de beschikking dat zodra belanghebbende weer
                            uitkering gaat ontvangen opnieuw een maatregel zal worden opgelegd, is
                            geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is (CRvB 28
                            december 2004, LJN AR 8922).</al><al/><al>zesde lid</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>De herbeoordeling dient plaats te vinden binnen drie maanden nadat het
                            besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                            besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en
                            omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale
                            beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat
                            de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken
                            naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook
                            of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Recidive en cumulatie</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is
                            van herhaald verwijtbaar gedrag, leidend tot een verlaging met eenzelfde
                            of hoger percentage, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                            maatregel.</al><al>Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                            aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                            dringende redenen niet is opgelegd, of wanneer er een schriftelijke
                            waarschuwing is gegeven.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                            gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, leidend tot een verlaging
                            met eenzelfde of hoger percentage, zal de hoogte en de duur van de
                            verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal
                            moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de betrokkene.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De hoofdregel is dat indien een belanghebbende meerdere gedragingen
                            heeft gepleegd, die elk tot een verlaging krachtens de
                            maatregelenverordening leiden, deze ook elke afzonderlijk tot een
                            verlaging leiden; de (verschillende) verlagingen worden opgeteld. </al><al/><al>Bestaan de meerdere gedragingen uit een nalaten van eenzelfde
                            verplichting gedurende een periode, dan wordt dit nalaten gezien als één
                            gedraging waarvoor een verlaging kan worden toegepast. Tenzij het
                            college vanwege deze gedraging reeds een verlaging heeft toegepast.</al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 2: Geen of onvoldoende medewerking verlenen
                                    aan het verkrijgen of beho</onderstreept></vet><vet><onderstreept>uden van werk</onderstreept></vet><vet>Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in twee categorieën onderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Eerste</cursief><cursief> categorie</cursief></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Dit onderdeel gaat over het niet nakomen van de verplichting om
                            onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als
                            tegenprestatie.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Participatiebanen in de zin van artikel 10a WWB zijn specifiek bedoeld
                            voor uitkeringsgerechtigden met een kleine kans op inschakeling in het
                            arbeidsproces ten gevolge van persoonlijke werkbelemmeringen, waardoor
                            zij vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het doel van
                            een participatiebaan is om betrokkene dichter bij de arbeidsmarkt te
                            brengen. Het streven is er dan ook op gericht betrokkene door te laten
                            stromen naar een volgende trede op de re-integratieladder, waarbij het
                            accent meer ligt op arbeidsactivering. Participatiebanen zijn tijdelijke
                            additionele werkzaamheden met behoud van uitkering, welke passen bij de
                            vaardigheden van deze mensen. Deze werkzaamheden kunnen van velerlei
                            aard zijn en dienen nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene
                            richting de reguliere arbeidsmarkt waarbij deze activiteiten tevens
                            nuttig voor de samenleving kunnen zijn.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar kunnen op grond van artikel
                            9a WWB worden ontheven van de plicht algemeen geaccepteerde arbeid te
                            aanvaarden. De re-integratieplicht blijft voor hen echter onverkort
                            gelden. Komen zij deze niet of onvoldoende na, dan kan dit leiden tot
                            het intrekken van de verleende ontheffing. Als het college besluit tot
                            intrekking van de ontheffing, moet het tevens de bijstand van de
                            alleenstaande ouder verlagen op grond van artikel 9a lid 12 WWB.</al><al/><al><cursief>Twee</cursief><cursief>de categorie</cursief></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Hieronder valt de verplichting van de belanghebbende om desgevraagd op
                            tijd en op de juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn
                            arbeidsparticipatie.</al><al/><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>b</cursief></al><al>Het plan van aanpak dat op basis van artikel 44a van de wet voor
                            personen jonger dan 27 jaar in een bijlage bij een besluit tot
                            toekenning van bijstand wordt opgenomen, is nieuw.</al><al>In het plan van aanpak worden de ondersteuning en de verplichtingen die
                            zien op arbeidsinschakeling van degene die recht heeft op bijstand
                            uitgewerkt. Tevens worden de gevolgen van het niet nakomen van die
                            verplichtingen vastgelegd. Voorts wordt die persoon bij de uitvoering
                            van het plan van aanpak begeleid. Daarnaast wordt het plan van aanpak
                            periodiek met de betrokkene door het college geëvalueerd en past het
                            college het plan aan, indien dit nodig is.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Dit onderdeel gaat over de verplichting van de belanghebbende om mee te
                            werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
                            (arbeids)participatie.</al><al/><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Hier gaat het om het tijdens de bijstand niet naar vermogen trachten
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.</al><al/><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>e</cursief><cursief> en </cursief><cursief>f</cursief></al><al>Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                            aanzien van de aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op
                            arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn
                            negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerking aan
                            een opgesteld trajectplan niet zijnde gericht op een participatiebaan in
                            de zin van artikel 10a WWB.</al><al/><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>g</cursief></al><al>Hier gaat het om gedragingen waarbij belanghebbende niet of onvoldoende
                            gebruik maakt van een door het college aangeboden voorziening, waardoor
                            arbeidsinschakeling belemmerd wordt.</al><al/><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>h</cursief><cursief> en </cursief><cursief>i</cursief></al><al>De jongere is verplicht zich, na melding, gedurende vier weken, in te
                            spannen om algemeen geaccepteerde arbeid of mogelijkheden in regulier
                            bekostigd onderwijs te verkrijgen. Voldoet hij niet aan deze
                            verplichting, maar heeft hij wel recht op bijstand (hij kan op grond van
                            artikel 13, tweede lid, WWB niet van het recht op bijstand worden
                            uitgesloten) dan wordt een maatregel opgelegd. De
                            inspanningsverplichting geldt voor alle jongeren (dus ook de jongere die
                            deel uitmaakt van een gezin waarvan tenminste een gezinslid 27 jaar of
                            ouder is).</al><al/><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Deze gedraging betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al>Voor het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt verwezen
                            naar artikel 15, zevende lid, van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de twee categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Lid 1</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Onder tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt verstaan:
                            dusdanige gedragingen die tot (meer) bijstandsbehoeftigheid geleid
                            hebben, anders dan de overige expliciet genoemde gedragingen in deze
                            Maatregelenverordening. Hieronder valt onder meer het op onverantwoorde
                            wijze interen van vermogen, geen of te late aanvraag doen voor een
                            voorliggende voorziening, onderbedeling bij echtscheiding, het niet
                            nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering, het langer dan toegestaan verblijven in het
                            buitenland, niet verzekerd zijn tegen brandschade of wettelijke
                            aansprakelijkheid jegens derden. Dit artikel is van toepassing op zowel
                            de algemene bijstand als de bijzondere bijstand. Deze gedragingen kunnen
                            qua ernst dermate verschillen dat het niet mogelijk is om hier een
                            standaardmaatregel voor toe te passen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Lid 2 + 3</titel></kop><al>Er is hier voor gekozen om voor de hoogte van de maatregel een
                            standaardpercentage toe te passen en de ernst van de gedraging uit te
                            drukken in de duur van de maatregel. </al><al>Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te
                            worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven,
                            indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond.
                            Hier worden richtlijnen gegeven ten aanzien van de duur. Dit laat
                            onverlet de mogelijkheid om af te wijken van duur en/of hoogte op basis
                            van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al/><al>In tegenstelling van de verplichtingen ten aanzien van
                            arbeidsinschakeling, welke alleen betrekking hebben op de algemene
                            bijstand, kan ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid ook bij
                            bijzondere bijstand voorkomen. Een voorbeeld is het hebben van schulden
                            als gevolg van het niet meewerken aan derdenbetalingen, welke gedraging
                            is uitgewerkt in artikel 16 van deze verordening. Behoudens de in deze
                            verordening expliciet uitgewerkte gedragingen, dient de maatregel
                            individueel te worden vastgesteld rekeninghoudend met de algemene
                            beginselen van behoorlijk bestuur. Als richtlijn kan bij periodieke
                            bijzondere bijstand wel hetzelfde percentage gehanteerd worden als bij
                            algemene bijstand, namelijk 20% procent.</al></divisie><divisie><kop><titel>Lid 4</titel></kop><al>Indien belanghebbende zowel algemene als bijzondere bijstand ontvangt,
                            bijvoorbeeld levensonderhoud en woonkostentoeslag, wordt de maatregel in
                            principe enkel toegepast op de algemene bijstand. Hierbij dient het
                            causaal verband beoordeeld te worden tussen de gedraging en de
                            maatregel. Heeft de overtreding alleen betrekking op de bijzondere
                            bijstand, bijvoorbeeld niet aanvullend verzekerd zijn voor ziektekosten,
                            dan kan de maatregel alleen worden toegepast op de bijzondere
                            bijstand.</al></divisie><divisie><kop><titel>Lid 5 +6</titel></kop><al>Bij het te snel interen van vermogen is het uitgangspunt dat er een
                            maatregel wordt opgelegd van 20% over een zodanige periode dat het
                            bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het
                            te snel interen extra is verstrekt, doch maximaal 5 jaar.</al><al/><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Een bijzondere vorm van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            is het “door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid, waaronder begrepen deeltijdarbeid en gesubsidieerde
                            arbeid”.</al><al>Het gaat hier onder meer om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een
                            ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze
                            gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering
                            geweigerd.</al><al>Een constatering van het UWV dat er sprake is van een verwijtbaar
                            ontslag, waardoor er aan een belanghebbende geen WW wordt toegekend, kan
                            niet zonder meer worden overgenomen. De afdeling Werk en Inkomen zal
                            hierin ook zelf een onderzoek moeten doen. Mocht in een bezwaar tegen de
                            weigering van de WW-uitkering blijken dat het ontslag niet verwijtbaar
                            is, dan kan er in het kader van de WWB ook geen sprake zijn van
                            verwijtbaarheid. Als de belanghebbende afziet van het aanvragen van WW,
                            dan zal de afdeling Werk en Inkomen ook zelf moeten onderzoeken of het
                            ontslag verwijtbaar is.</al><al>Omdat het in de praktijk gaat om een gedraging die toch een zekere
                            samenhang laat zien met de gedragingen die in artikel 9 zijn
                            gerangschikt (het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen en
                            aanvaarden van arbeid), wordt de daarmee verbonden sanctionering van
                            artikel 10 overeenkomstig toegepast.</al><al>Bovendien past de standaard sanctiemethodiek met betrekking tot
                            gedragingen die in het algemeen vallen onder het begrip “tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid” zoals verwoord in artikel 11, eerste
                            lid, niet bij de specifieke gedraging genoemd in het zevende lid.</al><al>Tenslotte kan nog opgemerkt dat het door eigen toedoen niet behouden van
                            deeltijdarbeid of van een gesubsidieerde baan eveneens kan worden
                            aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals
                            hier in het zevende lid is bedoeld.</al><al/><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>In lid 8 is vastgelegd dat de bijzondere bijstand en de
                            langdurigheidstoeslag worden geweigerd bij tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid. Vaststaan moet dan wel dat er een causaal verband
                            is tussen beroep op deze voorzieningen en de gedraging die uiting geeft
                            aan tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><al>Deze bepaling houdt verband met het wegvallen van rechten op passende en
                            toereikende voorliggende voorzieningen (denk bijv. aan de WW) zodra
                            aldaar een bestuurlijke boete wordt opgelegd vanwege het herhaaldelijk
                            schenden van de inlichtingenplicht.</al><al>Door de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving”
                            wordt ook het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten
                            aangescherpt. In wezen wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd
                            (boete ter hoogte van de te veel ontvangen uitkering en bij recidive
                            150% daarvan) zij het dat de uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en
                            Gemeente (voor wat betreft de IOAW en IOAZ)) het uitstaande boetebedrag
                            voor een termijn van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder
                            rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat
                            belanghebbenden zodra de verrekening wordt geëffectueerd in beginsel
                            geen beschikking hebben over hun uitkering en indien andere middelen
                            ontbreken, zullen zij dan een beroep moeten doen op de bijstand. </al><al/><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert
                            daarom maatregelwaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan
                            worden verlaagd. De huidige maatregelenverordening mist echter een
                            bepaling die volledig is toegesneden op deze situatie. Het hier
                            voorgestelde artikel wil in die leemte voorzien. Het artikel is daarbij
                            zo geredigeerd dat belanghebbende in beginsel in een feitelijk met de
                            recidiverende bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. </al><al/><al>Specifiek is voor de effectuering van de verrekening en niet voor de
                            datum van oplegging van de boete gekozen als startpunt van de drie
                            maandentermijn. Een en ander houdt verband met het feit dat de
                            verrekeningstermijn in deze vijf jaren bedraagt. Ook wanneer de boete
                            wordt opgelegd op een tijdstip dat hij niet afhankelijk is van enige
                            uitkering is de kans dat hij vanwege de verrekening op een bepaald
                            moment rechten niet te gelde kan maken reëel. </al><al/><al>Opgemerkt zij nog dat de bepaling in welke situaties worden benoemd op
                            basis waarvan de verrekening enkel met in achtname van de beslagvrije
                            voet wordt toegepast (artikel 3 van de Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive Laarbeek), niet van overeenkomstige
                            toepassing is verklaard. Dit houdt verband met het feit dat het hier
                            niet om verrekenen maar om het verlagen van de bijstand gaat. Bij
                            verlaging van de bijstand is artikel 18, eerste lid, van de Wet werk en
                            bijstand van toepassing. Dat houdt in dat de verlaging zal moeten worden
                            afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van
                            belanghebbende. In dat kader kan ook rekening worden gehouden met
                            situaties die om een beperktere verlaging vragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Ernstige misdragingen Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term: ‘zeer ernstig misdragen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, WWB wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                            aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen
                            maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen
                            tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                            uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is in
                            dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het
                            niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling (artikel 9, tweede lid, van deze verordening). </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Overige verplichtingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Het niet verlenen van de gevraagde medewerking</titel></kop><al>Onder het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor
                            de uitvoering wordt verstaan een algemene medewerkingsverplichting. Een
                            algemene medewerkingsverplichting is onder andere het toestaan van een
                            huisbezoek, voor zover relevant voor de bepaling van het recht cq de
                            hoogte van de bijstand. </al><al/><al>Bij het niet verlenen van de gevraagde medewerking wordt de cliënt in de
                            gelegenheid gesteld om alsnog binnen de hersteltermijn (artikel 54 WWB)
                            zijn medewerking te verlenen. Indien de cliënt hier aan voldoet is er
                            sprake van een maatregel van twintig procent. Indien de cliënt
                            desondanks geen medewerking verleent, wordt de uitkering geweigerd dan
                            wel beëindigd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Niet tonen van een identiteitsbewijs</titel></kop><al>Indien een belanghebbende ook na het geven van een hersteltermijn
                            weigert een identiteitsbewijs te tonen, terwijl dit wel relevant is, dan
                            wordt de bijstand geweigerd dan wel beëindigd. </al><al>Indien de belanghebbende tijdens de aanvraagprocedure geen (geldig)
                            identiteitsbewijs heeft, wordt er een redelijke hersteltermijn gegeven.
                            Wanneer er in deze termijn geen bewijs wordt overlegd, wordt de aanvraag
                            buiten verdere behandeling gelaten. Indien hij wel een bewijs overlegd,
                            wordt er geen maatregel toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Noodzakelijke betalingen</titel></kop><al>Wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende
                            zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn
                            uitkering, kan hem de verplichting opgelegd worden om mee te werken aan
                            derdenbetalingen, budgetbeheer e.d. Indien belanghebbende als gevolg van
                            een onverantwoorde besteding bijzondere bijstand aanvraagt voor
                            schulden, zal deze aanvraag afgewezen dienen worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om de naast de in
                            Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan het recht op
                            bijstand verbonden zijn of kunnen worden bepaalde andere verplichtingen
                            op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan
                            wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische
                            behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een ander
                            voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven
                            indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>Regels bestrijding misbruik</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan de in artikel 8a van de
                            Wet werk en bijstand (WWB) gegeven opdracht om regels te stellen met
                            betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                            deze wet.</al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om daarin eigen
                            beleidskeuzes te maken.</al><al/><al>De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid rondom handhaving vast
                            door middel van deze bepaling en geeft daarmee de gelegenheid om er
                            nadere invulling aan te geven in de vorm van beleidsregels.</al><al/><al>Met de komst van de WWB moet de gemeente eigen onderzoeksregels stellen.
                            De verplichting van het systeem van verplichte heronderzoeken, dat onder
                            de Algemene bijstandswet gold, is vervallen. De gemeente heeft een eigen
                            beleidsvrijheid op dit punt verkregen en het college is op grond van
                            artikel 53a WWB wettelijk bevoegd om invulling te geven aan deze
                            beleidsvrijheid die vooral juridisch-technisch van aard is.</al><al/><al>Een nadere uitwerking van deze beleidsvrijheid vindt plaats in het
                            Beleidsplan hoogwaardige handhaving. In dit plan wordt omschreven op
                            welke wijze het college omgaat met controle aan de poort van de bijstand
                            (zoals welke gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een
                            aanvraag om bijstand of een aanvraag voor een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling; afstemming met het UWV WERKbedrijf is op dit punt
                            noodzakelijk), de controle van de verplichtingen van de klant in verband
                            met de beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van de bijstand en
                            de gegevenscontrole. Doel is het vaststellen van de rechtmatigheid van
                            de bijstand en de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Uit het Beleidsplan volgt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid
                            van bijstand en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling er
                            gegevenscontrole dient plaats te vinden.</al><al>De wijze waarop deze gegevens gecontroleerd worden op hun geldigheid en
                            juistheid wordt nader uitgewerkt in het Beleidsplan.</al><al/><al>De keuze om verificatie en validatie van overgelegde gegevens door een
                            klant in een plan vast te leggen volgt uit het concept Hoogwaardige
                            Handhaving. Op grond hiervan wordt belang gehecht aan een systematische
                            en planmatige benadering van gegevenscontrole. In verband hiermee is de
                            Wet eenmalige gegevensuitvraag en het daarop gebaseerde digitaal
                            klantdossier (het DKD) van groot belang.</al><al/><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Doel van het handhavingsbeleid is te streven dat alleen diegenen die
                            daadwerkelijk recht op bijstand hebben, deze ontvangen in
                            overeenstemming met de wet en regelgeving.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het college streeft naar het zo vroeg mogelijk ontdekken van fraude
                            (door onder andere signaalsturing, risicosturing en themacontroles). Het
                            bestrijden van fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop
                            de potentiële klant een beroep doet op bijstand. Een goede controle op
                            de aanvraag voorkomt dat mensen ten onrechte aanspraak maken op de WWB.
                            De controle wordt voorafgegaan door voorlichting en heldere communicatie
                            over het fraudebeleid van de gemeente. In het genoemde beleidsplan wordt
                            nadere invulling gegeven aan het concept hoogwaardige handhaving, zoals
                            de te hanteren controlesystematiek (signaal- en/of risicosturing) en de
                            controlemiddelen om de rechtmatigheid van de bijstand te controleren.
                            Deze systematiek kan worden toegepast bij de aanvraag, tijdens en na
                            beëindiging van de bijstand.</al><al>Het handhavingsbeleid wordt niet uitputtend in deze bepaling vastgelegd.
                            Er wordt ook gebruik gemaakt van beleidsplannen (of -nota’s). </al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Aan controle op de rechtmatigheid van de verstrekking van bijstand wordt
                            onder andere vorm gegeven door huisbezoeken en het gebruik van het
                            Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)-net en het
                            Inlichtingenbureau, waarin actuele gegevens staan van (potentiële)
                            belanghebbenden met betrekking tot inkomen uit loon of uitkering.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Uitkeringsgerechtigden waarvan de bijstand via de SVB wordt
                                verstrekt</titel></kop><al>De SVB voert vanaf 1 april 2006 de Wet werk en bijstand (WWB) uit in
                            opdracht van diverse gemeenten. De colleges van burgemeester en
                            wethouders van deze gemeenten hebben de SVB daartoe een mandaat
                            verleend. Deze mandaten zijn beperkt tot de aanvullende bijstand voor de
                            uitkeringsgerechtigden van 65 jaar en ouder en de leden van hun gezin
                            als bedoeld in artikel 4, sub c, van de WWB. In de mandaatbesluiten is
                            de Raad van bestuur van de SVB bevoegd verklaard om beleidsregels op te
                            stellen. De Raad van bestuur van de SVB heeft van deze bevoegdheid
                            gebruik gemaakt door onder meer bij besluit van 10 mei 2006 de volgende
                            beleidsregels vast te stellen: ‘SVB Beleidsregels inzake het opleggen
                            van een maatregel ingevolge de WWB’ (Stcrt. 2006, 121).</al><al>Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Maatregelenbesluit
                            socialezekerheidswetten (Stb. 2007, 304) heeft de Raad van bestuur van
                            de SVB besloten om dit beleid te wijzigen. In het Maatregelenbesluit
                            socialezekerheidswetten is de hoogte van een maatregel ingevolge de
                            Algemene Ouderdomswet (AOW) vastgesteld op minimaal € 25.</al><al>Als gevolg van deze vaststelling is een onderdeel van het
                            maatregelenbeleid inzake de WWB niet langer houdbaar. Dit geldt voor het
                            samenloopbeleid dat is ontwikkeld voor de uitkeringsgerechtigde</al><al>die een verplichting niet nakomt die zowel bij de WWB als bij de AOW zou
                            kunnen leiden tot het opleggen van een maatregel. De Raad van bestuur
                            van de SVB heeft daarom besloten om het</al><al>samenloopbeleid in te trekken. Daarnaast wordt, naar analogie met het
                            Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, de minimale hoogte van een
                            maatregel vastgesteld op € 25.</al><al>Over de inwerkingtreding van deze beleidswijziging wordt het volgende
                            opgemerkt. De gemeenteraad is op grond van artikel 8, eerste lid, onder
                            b en artikel 18 van de WWB bevoegd om een maatregelverordening (ook wel
                            afstemmingsverordening genoemd) op te stellen. De SVB zal de gemeenten
                            die de uitvoering van de WWB aan de SVB hebben gemandateerd, verzoeken
                            om in de maatregelverordeningen te bepalen dat voor 65-plussers de ‘SVB
                            Beleidsregels inzake het opleggen van een maatregel ingevolge de WWB’
                            zoals vastgesteld bij besluit van 10 mei 2006 en gewijzigd bij besluit
                            van 7 mei 2008, gelden. De maatregelverordeningen zullen nog niet zijn
                            aangepast op 7 mei 2008, de dag waarop is besloten om het
                            maatregelenbeleid inzake de WWB te wijzigen. In artikel 1 van dit
                            besluit is daarom bepaald dat de SVB deze beleidsregels alleen zal
                            toepassen indien de maatregelverordening is aangepast.</al><al/><al>In verband hiermee is de onderhavige bepaling opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In dit artikel is aangegeven wanneer de verordening in werking
                            treedt.</al><al>Vanaf dezelfde dag is het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz en het
                            Boetebesluit sociale zekerheidswetten niet meer van toepassing op
                            WWB-uitkeringsgerechtigden. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>