<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296388_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.laarbeek.nl">Laarbeeker</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-11-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad nr.227</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laarbeek;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid, en artikel 108, tweede lid, Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, en artikel 20, tweede lid IOAW,
                        alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, en artikel 20, eerste
                        lid IOAZ;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek
                                2012;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek
                                2013.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>- Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b)"><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c)"><al>De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij
                                        op belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d)"><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e)"><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde
                                        netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde of zesde lid,
                                        IOAW, en de netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde
                                        lid, IOAZ;</al></li><li nr="f)"><al>Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                        artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ
                                        alsmede het tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een
                                        uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en
                                        artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="g)"><al>Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h)"><al>Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                        dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de IOAZ;</al></li><li nr="i)"><al>College: het college van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="j)"><al>Hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en
                                        repressieve maatregelen gericht op het voorkomen,
                                        ontmoedigen en bestrijden van oneigenlijk gebruik of
                                        misbruik van uitkering en van voorzieningen gericht op
                                        arbeidsinschakeling tezamen met het beleid over de gevolgen
                                        van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering.</al></li><li nr="k)"><al>Fraude: het ten onrechte geheel of gedeeltelijk ontvangen
                                        van uitkering door het verstrekken van onjuiste of
                                        onvolledige inlichtingen aan het college.</al></li><li nr="l)"><al>Misbruik: het ontvangen van uitkering in strijd met de
                                        wettelijke voorschriften, waarbij het ten onrechte ontvangen
                                        aan de belanghebbende te wijten is.</al></li><li nr="m)"><al>Oneigenlijk gebruik: het ontvangen van uitkering conform de
                                        regels, maar in strijd met of tegen de bedoeling van die
                                        regels.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>- Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting
                            als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op
                            grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichting - anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel a en c, IOAW/IOAZ- schendt, wordt overeenkomstig deze
                            verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel
                            opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het
                            college zeer ernstig misdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>- Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>- Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>- Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a)"><al>de reden van de maatregel,</al></li><li nr="b)"><al>de duur van de maatregel,</al></li><li nr="c)"><al>het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of
                                    geweigerd,</al></li><li nr="d)"><al>het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of
                                    geweigerd,</al><al>a.eventuele dringende redenen die ertoe nopen om af te zien van
                                    het opleggen van een maatregel en,</al></li><li nr="e)"><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>- Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b)"><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>- Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b)"><al>de gedraging meer dan één jaarvóór constatering
                                        van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>- Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om uitkering wordt de maatregel met ingang van de
                                ingangsdatum van de uitkering opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan
                                worden uitgevoerd omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken,
                                wordt het besluit alsnog uitgevoerd indien de belanghebbende binnen
                                12 maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het besluit
                                tot beëindiging of intrekking van de uitkering bekend is gemaakt,
                                wederom een beroep doet op uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>- Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 1.4, eerste lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het aanvaarden of
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>- Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c, IOAW/IOAZ, en artikel 38
                            IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in
                            de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1)"><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a)"><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                            opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            activiteiten als tegenprestatie in de zin van artikel
                                            37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="b)"><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 37, eerste
                                            lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="2)"><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a)"><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="b)"><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c)"><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="d)"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>- De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a)"><al>vijftig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    eerste categorie;</al></li><li nr="b)"><al>honderd procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    tweede categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>- Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college, met in
                                achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde
                                duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen
                                een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a)"><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het
                                        Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b)"><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                verloren netto inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>- Niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college voor
                                onbepaalde duureen maatregel op indien de belanghebbende
                                een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij door eigen
                                toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt, of weigert hem
                                aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het gestelde in artikel 2.2
                                onderdeel b.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>- Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 1.4, eerste lid, legt het college een maatregel op
                            van honderd procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende zich
                            zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            IOAW/IOAZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Regels bestrijding misbruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>– Handhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
                                de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van fraude en van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW en de IOAZ. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van het eerste lid een
                                beleidsplan vast, waarin aandacht wordt besteed aan hoogwaardige
                                handhaving. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college
                                belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het
                                ontvangen van uitkering zijn verbonden, en over de consequenties van
                                fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het
                                college in het beleidsplan ten minste de wijze van controle bij de
                                aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, en het
                                gebruik van signaal- en risicosturing bij de beoordeling van de
                                aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college voert onderzoeken en bestandsvergelijkingen uit waarbij
                                actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kan de
                                uitkering na verificatie aan veranderde omstandigheden worden
                                aangepast. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 1 dag na de bekendmaking hiervan in
                            de Laarbeeker en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al><al>Met ingang van dezelfde datum wordt de Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ Laarbeek 2012 ingetrokken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 4 april 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen J.G.M.T. Ubachs</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek 2013</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Op 1 januari 2010 is van kracht geworden de Wet BUIG (Wet bundeling van
                    uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten).</al><al>Door deze Wet BUIG wordt o.m. de verplichte verlaging of weigering (maatregel)
                    bij verwijtbare gedragingen in het kader van de IOAW en de IOAZ per 1 juli 2010
                    omgezet in een bevoegdheid van het college.</al><al>Op 1 juli 2010 gaat tevens de wijziging van de artikelen m.b.t. weigering of
                    verlaging van de IOAW en de IOAZ in.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>In verband hiermee moet de gemeenteraad nu een maatregelenverordening
                    vaststellen voor de IOAW en de IOAZ. </al><al/><al>Deze verordening voorziet in het afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. </al><al>Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de nog
                    bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Op
                    basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli 2010
                    in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.</al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en
                    IOAZ te komen tot</al><al>een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid.
                    Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal
                    situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) voor onbepaalde
                    duur te weigeren. Het college heeft daarbij wel de bevoegdheid om de maatregel
                    te herzien, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al><al/><tussenkop>De Wet Aanscherping WWB</tussenkop><al>Op 1 januari 2012 is inwerking getreden de “Wet tot wijziging van de Wet werk en
                    bijstand (WWB) en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
                    (WIJ) gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van
                    de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (kortweg: Wet
                    Aanscherping WWB). </al><al>Deze Wet Aanscherping WWB heeft ook geleid tot wijziging van enkele artikelen in
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW) en in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en werkt daardoor op onderdelen
                    ook door in het Maatregelenbeleid IOAW en IOAZ.</al><al/><al>Er zijn enkele nieuwe verplichtingen opgenomen in de IOAW en in de IOAZ.
                    Schending van deze verplichtingen kunnen aanleiding geven tot het opleggen van
                    een maatregel. </al><al/><al>·Verplichting tot verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden</al><al>Het college krijgt de bevoegdheid om van mensen met een uitkering op grond van
                    de IOAW en IOAZ naar vermogen een tegenprestatie te verlangen voor het verlenen
                    van uitkering (artikel 37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ). Die
                    tegenprestatie dient te bestaan uit onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden. Het college dient zich daarbij te houden aan een aantal
                    randvoorwaarden. De tegenprestatie: </al><lijst><li nr="Ø"><al>Is niet gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="Ø"><al>Mag niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of
                            re-integratie;</al></li><li nr="Ø"><al>Bestaat daarom uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt
                            zijn;</al></li><li nr="Ø"><al>Bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde naar vermogen kan
                            verrichten; </al></li><li nr="Ø"><al>Wordt onbeloond verricht naast of in aanvulling op de reguliere
                            arbeidsmarkt (additioneel); </al></li><li nr="Ø"><al>Kan niet worden ondersteund door het college met voorzieningen als
                            scholing, kinderopvang en premies.</al></li></lijst><al/><al>De regering is van oordeel dat de verplichting om een tegenprestatie te leveren
                    geen schending oplevert van het verbod van dwang- c.q. verplichte arbeid,
                    bedoeld in artikel 4 EVRM. Dit zou anders zijn indien fysieke dwang dan wel
                    psychische dwang wordt uitgeoefend (EHRM 23-11-1983, nr. 8919/80). Van
                    verplichte arbeid is sprake zodra niet (meer) verlangd kan worden dat de
                    opgedragen activiteiten of werkzaamheden worden verricht vanwege het excessief
                    of disproportioneel belastende karakter ervan of het totaal ontbreken daaraan
                    van enig perspectief richting arbeidsinschakeling (CRvB 08-02-2010, LJN:
                    BL1093). Omdat dit laatste aan de orde zou kunnen zijn, is de tegenprestatie in
                    beginsel niet gericht op arbeidsinschakeling, is nog van belang dat de
                    tegenprestatie als een ‘normale burgerplicht’ aangemerkt zou kunnen worden. In
                    dat geval is er geen sprake van dwang- of verplichte arbeid. Burgerplichten zijn
                    normale vormen van participatie van burgers in de behartiging van het algemeen
                    belang door de overheid. De werkzaamheden die als tegenprestatie worden verlangd
                    moeten derhalve onder het ‘algemeen belang’ kunnen worden geschaard. De overheid
                    mag bij het scheppen van burgerplichten bovendien de rechtspositie van de
                    individuele burger niet nodeloos en onevenredig aantasten. Er zal dus wel
                    evenwicht moeten bestaan tussen het doel en de noodzaak van de plicht en de
                    belangen en mogelijkheden van de burger. Het is aan het college om binnen deze
                    kaders invulling te geven aan de beleidsvrijheid om een tegenprestatie te
                    verlangen voor het verlenen van een uitkering.</al><al>Wanneer hiervan gebruik gemaakt wordt, dan moet in de Maatregelenverordening
                    IOAW en IOAZ een wettelijke grondslag gecreëerd worden die het mogelijk maakt om
                    het niet nakomen van de verplichting om daaraan mee te werken, te
                    sanctioneren.</al><al>Omdat de tegenprestatie niet zondermeer samenhangt met de arbeidsinschakeling
                    kan schending van deze verplichting niet worden ondergebracht bij de categorieën
                    gedragingen m.b.t. de arbeidsinschakeling, die reeds zijn benoemd in de
                    Maatregelenverordening IOAW en IOAZ. Daarom is daarvoor nu een nieuwe grondslag
                    gelegd in de verordening. </al><al/><al>·Ingetrokken ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouders</al><al>Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar kunnen op grond van artikel 38,
                    eerste lid, IOAW/IOAZ worden ontheven van de plicht algemeen geaccepteerde
                    arbeid te aanvaarden. De re-integratieplicht blijft voor hen echter onverkort
                    gelden. Komen zij deze niet of onvoldoende na, dan kan dit leiden tot het
                    intrekken van de verleende ontheffing. Als het college besluit tot intrekking
                    van de ontheffing, moet het tevens de uitkering van de alleenstaande ouder
                    verlagen op grond van artikel 38, twaalfde lid, IOAW/IOAZ.</al><tussenkop>De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is inwerking getreden de "Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving". Voor de IOAW en de IOAZ introduceert deze wet de
                    bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. De eerdere
                    bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen is niet meer
                    mogelijk. </al><al>Dit houdt in dat de bepalingen in de Maatregelenverordening die betrekking
                    hebben op het opleggen van een maatregel op de uitkering in verband met de
                    schending van de inlichtingenplicht van artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ komen
                    te vervallen.</al><al>Het college heeft nu op grond van artikel 20a IOAW/IOAZ de plicht om een boete
                    op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De hoogte
                    van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te
                    veel aan bijstand heeft ontvangen. Is sprake van het bij herhaling schenden van
                    de inlichtingenplicht (recidive) dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot
                    150% van het te veel ontvangen bedrag. </al><al/><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 - Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Tweede lid:</tussenkop><al>Dit tweede lid bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><onderstreept>Onder c. de IOAW/IOAZ</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept>
                    Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al><onderstreept>Onder e.
                        uitkeringsnorm</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept> De WWB werkt met
                    verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de IOAW en IOAZ te
                    creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat verwijst naar een
                    netto norm.</al><al><onderstreept>Onder f. maatregel</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept> In
                    afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren
                    van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt
                    verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.</al><al><onderstreept>Onder g. inkomen</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept> Qua
                    inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ.
                    Dit wijkt af van het in de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al><onderstreept>Onder </onderstreept><onderstreept>h</onderstreept><onderstreept>.
                        belanghebbende</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept> Daar de in
                    artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen van een
                    maatregel, blijkens dat artikel, daar enkel gelden voor de persoon die is
                    aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in
                    die zin ingeperkt.</al><al><onderstreept>Onder </onderstreept><onderstreept>j</onderstreept><onderstreept>.
                        hoogwaardige handhaving</onderstreept>: </al><al>Met het begrip “handhaving” wordt gedoeld op alle activiteiten van de overheid
                    gericht op het doen naleven van wet- en regelgeving ter bevordering van het
                    juist benutten en toepassen van wetten en regelingen in overeenstemming met hun
                    doel en strekking.</al><al/><al>“Hoogwaardige handhaving” als basisconcept van het handhavingsbeleid is erop
                    gericht de bereidheid tot naleving van de IOAW en de IOAZ door de klanten te
                    verhogen door maatregelen op het gebied van voorlichting, controle,
                    dienstverlening en afdoening. Het hoogwaardige karakter van het
                    handhavingsbeleid stoelt op de gedachte dat het gelijktijdig doorvoeren van
                    zowel preventieve als repressieve aanpassingen in de uitvoering leidt tot
                    verbeterde handhaving. Het leidt tot een toename van het aantal klanten dat
                    bereid is de regelgeving min of meer spontaan na te leven.</al><al/><al>Met het begrip “preventieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter
                    voorkoming en ontmoediging van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In het kader van hoogwaardige
                    handhaving wordt ervoor gekozen de preventieve maatregelen mede te richten op
                    het vroegtijdig informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de
                    dienstverlening.</al><al/><al>Met het begrip “repressieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter
                    bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>In het kader van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen repressieve
                    maatregelen mede te richten op het vroegtijdig constateren en afhandelen van
                    fraude alsmede op het daadwerkelijk sanctioneren van geconstateerde fraude.</al><al/><al>Het sanctioneren van de geconstateerde fraude wordt nader uitgewerkt in de
                    gemeentelijke Maatregelenverordening alsmede in de beleidsregels inzake
                    terugvordering. Hierbij wordt opgemerkt dat de raad directe invloed heeft op het
                    beleid van het college waar het gaat om de Maatregelenverordening. De
                    Maatregelenverordening vormt één van de repressieve middelen op niet-nakoming
                    van verplichtingen door een belanghebbende.</al><al/><al>Echter, de wetgever heeft het handhavingsbeleid in de IOAW en de IOAZ, vanuit
                    oogpunt van de dualistische verhouding tussen de raad en het college binnen de
                    Gemeentewet, niet consequent uitgewerkt. Immers, de bepalingen over
                    terugvordering van uitkering in de IOAW en de IOAZ zijn geformuleerd als
                    bevoegdheden van het college. De raad heeft hier geen directe invloed op middels
                    het stellen van regels; het college kan het gebruik van deze bevoegdheden zelf
                    nader bepalen in de Beleidsregels terugvordering IOAW en IOAZ. Bepalingen in een
                    Maatregelenverordening die de raad op deze onderdelen wel een sturende invloed
                    gaven, zijn door de Centrale Raad van Beroep onverbindend verklaard, zie CRvB
                    d.d. 30 januari 2007 LJN-nr. AZ8022.</al><al/><al>De sturing van de raad is meer indirect van aard. Enerzijds op kaderstellend
                    niveau middels het opnemen van hoogwaardige handhaving in de
                    Maatregelenverordening (de gemeenteraad moet een verordening opstellen die de
                    handhaving of fraudebestrijding regelt, artikel 35, eerste lid, onderdeel c,
                    IOAW/IOAZ, deze verordening mag onderdeel zijn van de Maatregelenverordening) en
                    anderzijds middels het ter beschikking stellen van financiële middelen specifiek
                    ten behoeve van het handhavingsbeleid, bij voorbeeld door het gebruik van
                    hoogwaardige handhavingsinstrumenten hierdoor mogelijk te maken.</al><al/><al>Vanuit oogpunt van de bevoegdheden van het college worden de preventieve en de
                    repressieve maatregelen nader uitgewerkt in het Beleidsplan hoogwaardige
                    handhaving en de Beleidsregels terugvordering </al><al>IOAW en IOAZ.</al><tussenkop>Artikel 1.2 - Het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                    tweede lid IOAW.</al><tussenkop>Artikel 1.3 - Berekeningsgrondslag</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm.</al><tussenkop>Artikel 1.4 - Hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken belanghebbende afwijking van de
                    hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking
                    van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en
                    kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende afzonderlijk. Waar
                    verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet
                    verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                    verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 1.4, eerste lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1.7. Matiging van
                    de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de
                    volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit lid bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur van
                    de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat overal
                    waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat deze
                    voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene uitzondering
                    op, door bij recidive de duur te verdubbelen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit derde lid geeft aan dat indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare
                    gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, leidend tot een verlaging
                    met eenzelfde of hoger percentage, de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking wordt gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel.</al><al>Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                    aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is opgelegd.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                    tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                    gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    verwijtbaar gedrag vertoont, leidend tot een verlaging met eenzelfde of hoger
                    percentage, zal de hoogte en de duur van de verlaging individueel moeten worden
                    vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging,
                    de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende.</al><tussenkop>Artikel 1.5 - Het besluit tot het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                    motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar
                    is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb).</al><tussenkop>Artikel 1.6 - Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al/><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 1.7 - Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het eerste lid onder a houdt in dat wanneer elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt, er van een verlaging wordt afgezien (artikel 20, derde lid,
                    IOAW/IOAZ).</al><al/><al>Het eerste lid onder b houdt in dat een reden om af te zien van het opleggen van
                    een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden
                    (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig
                    nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
                    b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al/><al>In het tweede lid wordt geregeld dat in individuele omstandigheden wegens
                    dringende redenen kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van
                    dringende redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel
                    onaanvaardbaar zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete
                    situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al/><al>Derde lid: Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van
                    het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive.</al><tussenkop>Artikel 1.8 - Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><al>In het eerste lid is vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van
                    de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                    geldende uitkeringsnorm.</al><al/><al>Tweede lid: Bij een aanvraag om uitkering wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de
                    maatregel opgelegd, tenzij de verwijtbare gedraging op een later tijdstip heeft
                    plaatsgevonden.</al><al/><al>Derde lid: Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                    belanghebbende is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. </al><al/><al>Vierde lid: Indien de uitkering is beëindigd of ingetrokken en al volledig is
                    uitbetaald, kan de uitvoering van een maatregel niet meer plaatsvinden. Dit lid
                    opent de mogelijkheid om het besluit alsnog uit te voeren indien de
                    belanghebbende binnen 12 maanden na datum van het besluit tot het opleggen van
                    een maatregel opnieuw uitkering aanvraagt. Blijft hij langer dan een jaar uit de
                    uitkering dan vervalt de maatregel.</al><tussenkop>Artikel 1.9 - Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen. Indien sprake is van één gedraging die als een schending van
                    meerdere verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van
                    de maatregel te worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste
                    maatregel van toepassing is. </al><al/><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. In dat geval
                    kan de maatregel over meerdere maanden worden uitgesmeerd. Daarnaast dient
                    altijd de individuele toets aan artikel 1.4, eerste lid te worden toegepast. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 – Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het aanvaarden
                    of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 - Indeling in categorieën </tussenkop><al>Ten opzichte van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente
                    Laarbeek zijn in deze bepaling geen gedragingen opgenomen die verband houden met
                    het niet verkrijgen of aanvaarden dan wel het door eigen toedoen verliezen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze
                    gedragingen de IOAW en IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende
                    (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. De sanctie bij deze vorm van
                    gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk opgenomen.</al><al>In dit artikel worden twee categorieën onderscheiden.</al><al>De eerste categorie gaat over het niet nakomen van de verplichting om onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als tegenprestatie en het
                    niet houden aan re-integratieverplichtingen door alleenstaande ouders met
                    kinderen tot 5 jaar wat heeft geleid tot intrekking van de ontheffing van de
                    arbeidsverplichting.</al><al>De tweede categorie betreffen verplichtingen met betrekking tot de
                    arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Artikel 2.2 - De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>In dit artikel is de hoogte van de maatregel in procenten van de grondslag van
                    de twee categorieën van artikel 2.1 opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 – Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te
                    aanvaarden</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 - Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.2 - Niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 – Overige gedragingen die leiden tot een
                    maatregel</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 - Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. </al><al/><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                    IOAW/IOAZ. In artikel 20, tweede lid, IOAW/IOAZ wordt gesproken over 'het zich
                    jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer)
                    agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding
                    zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat
                    geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige
                    misdragingen jegens externe uitvoerders, zoals het UWV-WERKbedrijf,
                    re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De Centrale
                    Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten. </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een belanghebbende zich
                    ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    belanghebbende. </al><al/><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie
                    (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);
                    e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al/><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 - Regels bestrijding misbruik</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 - Handhavingsbeleid</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan de in artikel 35, eerste lid,
                    onderdeel c, IOAW/IOAZ gegeven opdracht om regels te stellen met betrekking tot
                    het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wet.</al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes
                    te maken.</al><al>De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid rondom handhaving vast door
                    middel van deze bepaling en geeft daarmee de gelegenheid om er nadere invulling
                    aan te geven in de vorm van beleidsregels.</al><al/><al>De gemeente moet eigen onderzoeksregels stellen. De verplichting van het systeem
                    van verplichte heronderzoeken is vervallen. De gemeente heeft een eigen
                    beleidsvrijheid op dit punt en kan invulling geven aan deze beleidsvrijheid die
                    vooral juridisch-technisch van aard is.</al><al/><al>Een nadere uitwerking van deze beleidsvrijheid vindt plaats in het Beleidsplan
                    hoogwaardige handhaving. In dit plan wordt omschreven op welke wijze het college
                    omgaat met controle aan de poort van de bijstand (zoals welke gegevens
                    noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag om uitkering of een
                    aanvraag voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; afstemming met het
                    UWV WERKbedrijf is op dit punt noodzakelijk), de controle van de verplichtingen
                    van de klant in verband met de beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van
                    de uitkering en de gegevenscontrole. Doel is het vaststellen van de
                    rechtmatigheid van de bijstand en de voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Uit het Beleidsplan volgt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van
                    uitkering en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling er gegevenscontrole
                    dient plaats te vinden.</al><al>De wijze waarop deze gegevens gecontroleerd worden op hun geldigheid en
                    juistheid wordt nader uitgewerkt in het Beleidsplan.</al><al/><al>De keuze om verificatie en validatie van overgelegde gegevens door een klant in
                    een plan vast te leggen volgt uit het concept Hoogwaardige Handhaving. Op grond
                    hiervan wordt belang gehecht aan een systematische en planmatige benadering van
                    gegevenscontrole. In verband hiermee is de Wet eenmalige gegevensuitvraag en het
                    daarop gebaseerde digitaal klantdossier (het DKD) van groot belang.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Doel van het handhavingsbeleid is te streven dat alleen diegenen die
                    daadwerkelijk recht op uitkering hebben, deze ontvangen in overeenstemming met
                    de wet en regelgeving.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het college streeft naar het zo vroeg mogelijk ontdekken van fraude (door onder
                    andere signaalsturing, risicosturing en themacontroles). Het bestrijden van
                    fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop de potentiële klant een
                    beroep doet op uitkering. Een goede controle op de aanvraag voorkomt dat mensen
                    ten onrechte aanspraak maken op de IOAW en de IOAZ. De controle wordt
                    voorafgegaan door voorlichting en heldere communicatie over het fraudebeleid van
                    de gemeente. In het genoemde beleidsplan wordt nadere invulling gegeven aan het
                    concept hoogwaardige handhaving, zoals de te hanteren controlesystematiek
                    (signaal- en/of risicosturing) en de controlemiddelen om de rechtmatigheid van
                    uitkering te controleren. Deze systematiek kan worden toegepast bij de aanvraag,
                    tijdens en na beëindiging van de uitkering.</al><al>Het handhavingsbeleid wordt niet uitputtend in deze bepaling vastgelegd. Er
                    wordt ook gebruik gemaakt van beleidsplannen (of -notities). </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aan controle op de rechtmatigheid van de verstrekking van uitkering wordt onder
                    andere vorm gegeven door huisbezoeken en het gebruik van het Structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)-net en het Inlichtingenbureau,
                    waarin actuele gegevens staan van (potentiële) belanghebbenden met betrekking
                    tot inkomen uit loon of uitkering.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 - Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 – Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>