<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296254_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">SteenbergseBode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=231">Gemeentewet, art. 231 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=besluit%20proceskosten%20bestuursrecht">besluit proceskosten bestuursrecht </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">geattribueerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BM1300550</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>in artikel 3 d onder 4 en 5 wordt daar waar sprake is van artikel 5, artikel 3 bedoeld</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De aangewezen heffingsambtenaar, bedoeld in artikel 231, lid 2, aanhef en
                        onderdeel b Gemeentewet, gelet op de bepalingen van de Algemene wet
                        bestuursrecht, de Gemeentewet en het Besluit proceskosten
                        bestuursrecht,</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de navolgende regeling:</al><al>Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1. Toepassing</titel></kop><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing bij het vergoeden van kosten die een
                        belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn
                        bezwaarschrift tegen een aanslag gemeentelijke belastingen dan wel een
                        WOZ-beschikking De navolgende artikelen beschrijven de wijze waarop de
                        gemeente invulling geeft aan de beleidsruimte die het Besluitproceskosten
                        bestuursrecht (hierna:BPB) biedt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Punten proceshandelingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de hierna genoemde proceshandelingen worden de volgende punten
                                toegekend: </al><lijst><li nr="a."><al>indienen van een bezwaarschrift (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A4">artikel 6:4 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht</extref>): 1 punt</al></li><li nr="b."><al>verschijnen op een hoorzitting (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A2">artikel 7:2</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A16">7:16</extref> van de Algemene wet bestuursrecht): 1
                                        punt</al></li><li nr="c."><al>bijwonen nadere hoorzitting (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A9">artikel 7:9</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=7%3A23">7:23</extref> van de Algemene wet bestuursrecht): 0,5
                                        punt</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de onder b en c genoemde proceshandelingen plaatsvinden op
                                verzoek van de belanghebbende partij waarbij deze het horen geheel
                                of gedeeltelijk gebruikt als alternatief voor het schriftelijk
                                bezwaar, wordt het indienen van het bezwaar en de hoorzitting
                                redelijkerwijs tezamen beschouwen als één proceshandeling waarvoor
                                tezamen 1 procespunt wordt toegekend die vervolgens wordt gewogen
                                conform artikel 5 van deze beleidsregels.</al></li><li nr="3."><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20proceskosten%20bestuursrecht/article=2">artikel 2 lid 3 van BPB</extref> wordt geen punt voor de
                                hoorzitting toegekend indien en voor zover hetgeen daar naar voren
                                wordt gebracht niet leidt tot verandering van inzichten van de
                                heffingsambtenaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Wegingsfactor</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingen in het forfaitair stelsel van het BPB zijn
                                gerelateerd aan de gemiddelde werkbelasting in diverse zaaktypen.
                                Bij een zaak van gemiddeld gewicht als bedoeld in onderdeel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20proceskosten%20bestuursrecht">C1 van het BPB</extref> wordt de wegingsfactor gesteld op 1.
                                Een WOZ-zaak is van gemiddeld gewicht als er sprake is van een
                                volledig onderbouwd waardebezwaar, ongeacht of de informatie in één
                                of meerdere onderdelen wordt aangeleverd en ongeacht of de
                                onderdelen door verschillende personen zijn ondertekend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de
                                wegingsfactor vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a)"><al>factor 0,25, indien er sprake is van een zeer lichte
                                        zaak.</al></li><li nr="Er"><al>is sprake van een zeer lichte zaak indien: </al><lijst><li nr="1."><al>het bezwaarschrift kennelijk gegrond is;</al></li><li nr="2."><al>er sprake is van een onjuiste registratie van een
                                                bijgebouw;</al></li><li nr="3."><al>er sprake is van onjuiste registratie van
                                                objectkenmerken en maatvoering;</al></li><li nr="4."><al>een kenbare schrijffout in de
                                                beschikking/belastingaanslag is gemaakt;</al></li><li nr="5."><al>het bezwaarschrift uitsluitend verwijst naar een
                                                bezwaar uit een eerder belastingjaar;</al></li><li nr="6."><al>het bezwaarschrift marginaal is onderbouwd;</al></li><li nr="7."><al>het bezwaarschrift slechts een verwijzing naar een
                                                eigen beroepsprocedure bevat;</al></li><li nr="8."><al>in het bezwaarschrift expliciet wordt aangegeven dat
                                                een onderbouwing later volgt;</al></li><li nr="9."><al>het bezwaarschrift is gericht tegen het niet tijdig
                                                nemen van een besluit;</al></li><li nr="10."><al>het bezwaarschrift zich richt tegen de
                                                tenaamstelling van de aanslag;</al></li><li nr="11."><al>het bezwaarschrift zich richt tegen de
                                                belastingplicht (bijvoorbeeld het zijn van eigenaar
                                                of gebruiker van de onroerende zaak waarop de
                                                belasting betrekking heeft);</al></li><li nr="12."><al>het bezwaarschrift zich richt tegen het aantal
                                                honden waarvoor de aanslag hondenbelasting is
                                                opgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="b)"><al>Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor
                                        0,50, indien er sprake is van een lichte zaak.</al></li><li nr="Er"><al>is sprake van een lichte zaak indien: </al><lijst><li nr="1."><al>er sprake is van een onjuiste objectafbakening;</al></li><li nr="2."><al>de WOZ-waarde wordt verlaagd vanwege een eigen
                                                transactiecijfer;</al></li><li nr="3."><al>een onjuist gestandaardiseerd voortgangspercentage
                                                bij een object in aanbouw is gehanteerd;</al></li><li nr="4."><al>de WOZ-waarde wordt verlaagd vanwege een buiten het
                                                bezwaarschrift gelegen grond;</al></li><li nr="5."><al>het bezwaarschrift zich uitsluitend richt op de
                                                volledigheid van het taxatieverslag of op Het
                                                ontbreken van een deugdelijke motivering zonder
                                                nadere visie en onderbouwing van de waarde;</al></li><li nr="6."><al>in het reeds gemotiveerde bezwaarschrift wordt
                                                aangegeven dat relevante informatie op een later
                                                moment in een apart document zal worden
                                                toegezonden;</al></li><li nr="7."><al>Het bezwaar tekstueel in hoofdzaak overeenkomt met
                                                andere zaken van de betreffende gemachtigde.</al></li></lijst></li><li nr="c)"><al>Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor
                                        1,5, indien er sprake is van een zware zaak handelend over
                                        de waarde van een woning of niet-woning.</al></li><li nr="Er"><al>is sprake van een zware zaak indien: </al><lijst><li nr="1."><al>deze inhoudelijk of juridisch als bijzonder
                                                ingewikkeld c.q. complex of omvangrijk moeten worden
                                                aangemerkt;</al></li><li nr="2."><al>meerdere rechtsgebieden/regelgevingen een relevante
                                                rol spelen;</al></li></lijst></li><li nr="d)"><al>Voor het WOZ-bezwaar tegen de WOZ-beschikking geldt factor
                                        2, indien er sprake is van een zeer zware zaak ten aanzien
                                        van een object niet zijnde een woning.</al></li><li nr="Er"><al>is sprake van een zeer zware zaak indien: </al><lijst><li nr="1."><al>deze inhoudelijk als zeer omvangrijk moeten worden
                                                aangemerkt;</al></li><li nr="2."><al>Het een zaak betreft met zeer complexe aspecten
                                                waarbij het bezwaarschrift blijk geeft van relevante
                                                specialistische kennis die op de juiste wijze is
                                                toegepast.</al></li><li nr="3."><al>Per individuele zaak wordt beoordeeld, welke
                                                wegingsfactor van toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>Bij het bepalen van een lagere wegingsfactor heeft
                                                  artikel 5
                                                  lid 2 sub b voorrang op artikel 5 lid 2 sub
                                                  a.</al></li><li nr="5."><al>Bij het bepalen van een hogere wegingsfactor heeft
                                                  artikel 5
                                                  lid 2 sub d voorrang op artikel 5 lid 2 sub
                                                  c.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Kostenvergoeding belanghebbende op hoorzitting</titel></kop><al>Indien belanghebbende in persoon verschijnt op een (nadere) hoorzitting en
                        deze hoorzitting draagt er toe bij dat het besluit (verder dan in de
                        concept-uitspraak) wordt herroepen, dan kan belanghebbende in aanmerking
                        komen voor <onderstreept>verletkosten</onderstreept> indien belanghebbende
                        vrij heeft moeten nemen van zijn werkzaamheden. De verletkosten waarvoor
                        belanghebbende in aanmerking komt is de daadwerkelijke tijd die
                        belanghebbende heeft doorgebracht bij de hoorzitting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Kostenvergoeding derde deskundige</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een derde deskundige verschijnt op een (nadere) hoorzitting
                                en zijn bijdrage aan deze hoorzitting draagt er toe bij dat het
                                besluit (verder dan in de concept-uitspraak) wordt herroepen, dan
                                kan belanghebbende in aanmerking komen voor kostenvergoeding van
                                deze deskundige op uurbasis van de daadwerkelijke tijd die de
                                deskundige heeft doorgebracht bij de hoorzitting.</al></li><li nr="2."><al>Als deskundige wordt aangemerkt een gecertificeerd taxateur die
                                staat ingeschreven in de landelijke registers.</al></li><li nr="3."><al>Deskundigenkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien
                                er geen sprake is van vermenging van de functies van gemachtigde en
                                deskundige.</al></li><li nr="4."><al>Voor de vergoeding van door een deskundige opgemaakt taxatierapport
                                geldt dat deze vergoeding wordt gebaseerd op de in dit artikel
                                vermelde tijdsbesteding en uurtarieven.</al></li><li nr="5."><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                                deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                                tijdsbesteding: </al><lijst><li nr="-"><al>maximaal 2 uren indien het taxatierapport betrekking heeft
                                        op een onroerende zaak die niet inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="-"><al>maximaal 4 uren indien het taxatierapport betrekking heeft
                                        op een onroerende zaak die inpandig is opgenomen;</al></li><li nr="-"><al>naar een redelijkheid te bepalen uren indien het een
                                        taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die
                                        is aan te merken als een unieke onroerende zaak die niet
                                        volgens de Landelijke Taxatiewijzer te taxeren is.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van een door een
                                deskundige opgemaakt taxatierapport wordt uitgegaan van de volgende
                                uurtarieven: </al><lijst><li nr="-"><al>maximaal € 50,00 exclusief BTW indien het taxatierapport
                                        betrekking heeft op een onroerende zaak die dient tot
                                        woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW indien de BTW op
                                        belanghebbende drukt;</al></li><li nr="-"><al>maximaal € 65,00 exclusief BTW indien het taxatierapport
                                        betrekking heeft op een onroerende zaak die niet dient tot
                                        woning en deze zaak is aan te merken als een courante of
                                        incourante niet-woning, welk bedrag wordt verhoogd met BTW
                                        indien de BTW op belanghebbende rust;</al></li><li nr="-"><al>maximaal € 116,09 (tarief 2013) exclusief BTW indien het
                                        taxatierapport betrekking heeft op een onroerende zaak die
                                        een uniek onroerende zaak is die niet volgens de Landelijke
                                        Taxatiewijzer te taxeren is, welk bedrag wordt verhoogd met
                                        BTW indien de BTW op belanghebbende drukt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Gemotiveerd afwijken</titel></kop><al>De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheid om, in afwijking van hetgeen wordt
                        gesteld in deze beleidsregels, een lagere of hogere wegingsfactor toe te
                        kennen. De afwijken van hetgeen gesteld in deze beleidsregels wordt in de
                        beslissing op bezwaar uitdrukkelijk gemotiveerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Uitbetaling van de proceskostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffingsambtenaar oordeelt niet tot vergoeding van de
                                proceskosten voor zover belanghebbende niet kan aantonen dat de
                                betreffende kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Kostenvergoedingen worden uitbetaald aan degene ten aanzien van wie
                                de beschikking is genomen of degene die gemachtigd is de betaling in
                                ontvangst te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De "Beleidsregels proceskostenvergoeding in fiscale
                                bezwaarprocedures, vastgesteld door de heffingsambtenaar op 14
                                augustus 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid
                                genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op
                                de verzoeken die voor de in lid 2 bedoelde datum zijn
                                ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking van
                                dit besluit.</al></li><li nr="3."><al>Dit besluit wordt aangehaald als “Beleidsregels
                                proceskostenvergoeding in fiscale bezwaarprocedures 2013”.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen op
                        19 maart 2013.</ondertekening><ondertekening>De heffingsambtenaar van de gemeente Steenbergen,</ondertekening><ondertekening>R.A.J.M. Bogers</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een burger
                    in aanmerking komen voor vergoeding van -onder andere- de kosten van
                    beroepsmatige rechtsbijstand, indien bij de beslissing op bezwaar het bestreden
                    besluit wordt herroepen ten gevolge van een aan het bestuursorgaan te wijten
                    onrechtmatigheid. Aan deze bepaling is nadere invulling gegeven met het Besluit
                    proceskosten bestuursrecht (verder: Bpb). In het Bpb wordt van Rijkswege
                    aangegeven welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en op welke wijze de
                    hoogte van die vergoeding moet worden vastgesteld. Voorwaarde is dat zowel het
                    inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten redelijk dienen
                    te zijn. Daarnaast moet belanghebbende daadwerkelijk kosten hebben gemaakt.</al><al>In het Bpb zijn limitatief de volgende kosten opgenomen die voor vergoeding in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</al></li><li nr="b."><al>kosten van getuigen of deskundigen die door betrokkene zijn
                            ingeschakeld;</al></li><li nr="c."><al>reis- en verblijfskosten;</al></li><li nr="d."><al>verletkosten;</al></li><li nr="e."><al>kosten van uittreksels uit openbare registers, telegrammen,
                            internationale telexen, internationale faxen en internationale
                            telefoongesprekken;</al></li><li nr="f."><al>kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin
                            enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde
                            die arts is.</al></li></lijst><al>In het kader van de bezwaarvoering tegen de WOZ-waarde gaat het voornamelijk om
                    de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Kosten van
                    een getuige, deskundige of tolk zijn doorgaans niet aan de orde.
                    Taxatierapporten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen indien de gemeente
                    kan oordelen dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Gelet op de aard van de
                    bezwaarfase en het ontbreken van enig nut van een taxatierapport bij de
                    heroverweging (de gemeentelijk taxateur dient bij een heroverweging alles immers
                    met zijn eigen ogen te constateren) worden taxatiekosten in debezwaarfase door
                    onze gemeente in principe niet vergoed. Voor de beroepsmatig verleende
                    rechtsbijstand gelden forfaitaire tarieven. Overige kosten die op grond van het
                    Bpb voor vergoeding in aanmerking komen worden vergoed naar de werkelijke kosten
                    of een vergoeding conform de regeling in de wet en het Besluit tarieven in
                    strafzaken. Het Bpb biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een
                    afwijkende vergoeding toe te kennen. Als een belanghebbende partij gedeeltelijk
                    in het gelijk wordt gesteld kan de vergoeding worden verminderd.</al><al>De hoogte van de vergoeding voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet
                    worden bepaald aan de hand van een voorgeschreven formule: A (punt per
                    proceshandeling) x B (forfaitair bedrag) x C (wegingsfactor). De wegingsfactor
                    is afhankelijk van de zwaarte van de zaak. Om deze afweging niet elke keer
                    opnieuw te moeten maken worden beleidsregels vastgesteld. Bovendien is daarmee
                    de rechtszekerheid en de rechtseenheid gediend. Uitgangspunt is dat elke zaak
                    van gemiddelde zwaarte (wegingsfactor 1) is. Kennisname van de uitspraken van de
                    diverse bestuursrechters met betrekking tot de vergoeding van de kosten van een
                    door een derde beroepsmatig in (hoger) beroep verleende bijstand leert dat zaken
                    doorgaans als gemiddeld worden aangemerkt als de gemeente zich niet kan beroepen
                    op een afwijkend beleid of de keuzes van dit beleid niet kan onderbouwen.
                    Daarbij dient de keuze voor een wegingsfactor van het gewicht van een zaak
                    verband te houden met de noodzakelijke inspanning die daarbij is gemoeid.</al><al>Het college van burgemeesters en wethouders en de heffingsambtenaar hebben de
                    bevoegdheid om, op zichzelf of gezamenlijk, het beleid ten aanzien van de
                    proceskostenvergoeding in beleidsregels vast te leggen.</al><al><vet>Voorwaarden proceskostenvergoeding</vet></al><al>Uit tweede lid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Awb/article=7%3A15">artikel 7:15 Awb</extref>, blijkt dat aan proceskostenvergoeding de
                    onderstaande voorwaarden zijn verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>het moet gaan om redelijkerwijs gemaakte kosten;</al></li><li nr="b."><al>er is verzocht om een vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>het primaire besluit wordt herroepen;</al></li><li nr="d."><al>herroeping van het primaire besluit vindt plaats wegens een aan het
                            bestuursorgaan te wijten onrechtmatige gedraging.</al></li></lijst><lijst><li nr="Ad"><al>a Redelijkerwijs gemaakte kosten</al></li><li nr="Hier"><al>komt de dubbele redelijkheidstoets om de hoek kijken. Zowel het inroepen
                            van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te
                            zijn. In het kader van gemeentelijke belastingen kunnen in principe
                            enkel de kosten van een bezwaar tegen een waarde als redelijkerwijs
                            gemaakt worden beschouwd. Hierop bestaan uitzonderingen waarbij de
                            wegingsfactor per geval moet worden bepaald. Zo is bijvoorbeeld te
                            denken aan procedures waarin bezwaar gemaakt wordt tegen de onjuiste
                            kwalificatie van objecten of delen van objecten als woning danwel
                            niet-woning.</al></li><li nr="Ad"><al>b Er is verzocht om proceskostenvergoeding</al></li><li nr="Uitdrukkelijk"><al>is bepaald dat een belanghebbende om een vergoeding moet verzoeken. Het
                            verzoek wordt gedaan, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft
                            beslist, ex artikel 7:15, derde lid Awb.</al></li><li nr="Ad"><al>c Herroeping</al></li><li nr="Herroeping"><al>vindt plaats, indien het bestuursorgaan in de beslissing op bezwaar
                            vaststelt dat de primaire beslissing niet in stand kan blijven. Het
                            woord herroepen impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk
                            onjuist moet zijn geweest. Er is sprake van een herroeping, indien het
                            primaire besluit wordt gewijzigd. Bij louter formele fouten of gebreken
                            in de motivering behoeft het besluit als zodanig niet te worden
                            herroepen.</al></li><li nr="Ad"><al>d Verwijtbare onrechtmatigheid</al></li><li nr="Niet"><al>iedere herroeping leidt tot proceskostenvergoeding. Het besluit moet
                            worden herroepen, omdat het bestuursorgaan zich verwijtbaar onrechtmatig
                            heeft gedragen. Een onrechtmatige gedraging doet zich voor, indien een
                            besluit in strijd met de wet is genomen. Maar ook de schending van
                            bijvoorbeeld regels uit plaatselijke verordeningen of beleidsregels kan
                            leiden tot een onrechtmatige gedraging. Tevens kan een strijdig handelen
                            met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden aangemerkt als
                            een onrechtmatige gedraging. Alleen vormfouten of motiveringsgebreken
                            leiden niet tot een vergoedingsplicht. Vergoedingsplicht kan wel bestaan
                            als het inhoudelijk foutieve besluit een gevolg is van reken-invoer-en
                            schrijffouten etc.</al></li></lijst><al><vet>Artikelgewijs:</vet></al><al><vet>Art. 1:</vet></al><al>De beleidsregels hebben betrekking op :</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van een bezwaarprocedure</al></li><li nr="-"><al>bezwaar tegen een WOZ-beschikking of een aanslag gemeentelijke
                            belastingen van de gemeente Steenbergen.</al></li></lijst><al>Bezwaarprocedures die gericht zijn tegen de WOZ-beschikkingen en gemeentelijke
                    aanslagen die de WOZ-waarde als grondslag hanteren.</al><al>Deze zaken kennen specifieke aspecten die niet vergelijkbaar zijn met andere
                    aanslagen of gemeentelijke beschikkingen. Nergens zijn zoveel grieven tegen de
                    grondslag te bedenken als tegen een WOZ-waarde. Dat komt omdat de waardering van
                    een onroerende zaak bijzonder veel aspecten kent zoals de objectafbakening, de
                    maatvoering, de kwaliteit en staat van onderhoud, de uitstraling, de
                    omgevingsfactoren en de vergelijkbaarheid met andere objecten en dat alles tot
                    in de kleinste details. Er is daarom al snel een visie ontwikkeld die afwijkt
                    van de waarderingsmethodiek van de gemeente. De gemeente dient alle objecten op
                    dezelfde wijze te waarderen en heeft hiervoor een model ontwikkeld. Een
                    taxatiedeskundige kan een waardering op diverse manieren uitvoeren hetgeen voor
                    een heroverweging geen bruikbare informatie oplevert. Deze materie vergt daarom
                    een eigen beleid.</al><al><vet>Art. 2. Lid 1:</vet></al><lijst><li nr="Voor"><al>de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in de bijlage bij
                            het Bpb bepaald dat deze kosten (slechts) voor vergoeding in aanmerking
                            komen op basis van de volgende formule: A x B x C</al></li><li nr="Factor"><al>A = aantal punten voor de verrichte proceshandeling: </al><lijst><li nr="-"><al>bezwaarschrift 1 punt</al></li><li nr="-"><al>hoorzitting 1 punt</al></li><li nr="-"><al>nadere hoorzitting 0,5 punt</al></li></lijst></li><li nr="lid"><al>2:</al></li><li nr="De"><al>belanghebbende partij kan op verzoek worden gehoord. Dit verzoek wordt
                            in de praktijk bij beroepsmatige rechtsbijstand standaard gedaan. De
                            gemeente is daarom terughoudend met het toekennen van proceskosten voor
                            verschijnen op een hoorzitting.</al></li><li nr="Van"><al>beroepsmatige rechtsbijstandverleners mag men verwachten dat zij in
                            staat zijn om alles wat zij mondeling kunnen verwoorden ook aan het
                            schrift kunnen toevertrouwen. Indien de belanghebbende partij in het
                            bezwaarschrift stelt nog een nadere onderbouwing te willen indienen maar
                            dit tot de hoorzitting nalaat te doen is het niet redelijk dat de
                            gemeente het op schrift stellen middels het opmaken van de notulen voor
                            haar rekening neemt en belanghebbende partij ook nog eens aanspraak zou
                            kunnen maken op een vergoeding.</al></li><li nr="Lid"><al>3:</al></li><li nr="Ook"><al>hier geldt dat de kosten redelijkerwijs dienen te zijn gemaakt. Om deze
                            redelijkheidstoets te benadrukken stuurt de gemeente een
                            conceptuitspraak mee bij de uitnodiging van de hoorzitting. De
                            hoorzitting wordt als redelijk beschouwd indien deze tot een nadere
                            verlaging van de beschikking leidt ten opzichte van de conceptuitspraak,
                            één en ander voor zover het bezwaarschrift niet als onvolledig is
                            gepresenteerd.</al></li></lijst><al><vet>Art. 3:</vet></al><al>Factor C = wegingsfactor (drukt het gewicht van de zaak uit).</al><al>Uit onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb blijkt dat het gewicht van de zaak
                    in 5 categorieën is ingedeeld. De beoordelingsvrijheid die het bestuursorgaan
                    heeft, ziet op de beoordeling van het gewicht van de zaak. Deze beoordeling
                    dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de
                    gecompliceerdheid van een zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van
                    de rechtsbijstandverlener. Het gewicht van de zaak bepaalt de van toepassing
                    zijnde wegingsfactor:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer licht: 0,25</al></li><li nr="-"><al>licht: 0,50 (een verwijzing naar een bepaald feit dat discussie kan
                            opleveren)</al></li><li nr="-"><al>gemiddeld: 1</al></li><li nr="-"><al>zwaar: 1,5</al></li><li nr="-"><al>zeer zwaar: 2</al></li></lijst><lijst><li nr="lid"><al>1:</al></li><li nr="De"><al>regelgeving geeft niet exact aan hoe de zwaarte van een zaak wordt
                            bepaald. Normaal gesproken wordt het gewicht van een zaak als gemiddeld
                            aangemerkt, waarvoor de wegingsfactor één geldt. Het gewicht wordt
                            bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van een zaak en
                            dus niet (alleen) het financiële belang zoals onder het tot 1 september
                            1999 geldende Besluit proceskosten fiscale procedures (zie arrest van de
                            Hoge Raad van 28 februari 2003, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/155,
                            V-N 2003/29.8). In een WOZ-zaak geldt hetzelfde voor (het in geschil
                            zijnde gedeelte van) de vastgestelde waarde of het bedrag waarde de
                            waarde wordt verminderd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 21
                            februari 2001, nummer 35875, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/152).
                            Het financiële belang is dus niet doorslaggevend. Beleidsregels die
                            alleen aansluiten bij het financiële belang worden in een
                            beroepsprocedure door de belastingrechter buiten toepassing verklaard
                            (zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 15 augustus 2008, nr.07/0181,
                            LJN:BF0084).</al></li><li nr="Als"><al>uitgangspunt geldt dus: een zaak is van <onderstreept>gemiddeld
                                gewicht,</onderstreept> tenzij er aanleiding is om een zaak als
                            zwaarder of lichter aan te merken. Het voorafgaande betekent dat bij het
                            gros van de volwaardige bezwaren standaard de wegingsfactor 1
                            (gemiddeld) zal worden toegepast. Het gaat dan bijvoorbeeld bij een
                            WOZ-bezwaar om een waardebezwaar waarin relevante punten worden
                            aangedragen en een visie wordt gegeven op de waarde die middels
                            vergelijkingen met andere objecten wordt onderbouwd.</al></li><li nr="Lid"><al>2a:</al></li><li nr="Een"><al>zaak is zeer licht indien het bezwaar bestaat uit een eenvoudige
                            verwijzing naar een bepaald feit waaruit geen meningsverschil kan
                            ontstaan. Het kan zijn dat de fout al direct blijkt uit de beschikking
                            zelf zoals bij een kennelijke administratieve fout. Het kan ook zo zijn
                            dat de gemeente haar administratie erop dient na te zien maar dat
                            daaruit direct blijkt dat er een fout is gemaakt waar geen discussie
                            over mogelijk is. Ook verwijzing naar feitelijkheden zonder nadere
                            onderbouwing vergen een zeer geringe inspanning waarbij de noodzaak voor
                            het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand verre van aanwezig
                            is.</al></li><li nr="Lid"><al>2b:</al></li><li nr="Een"><al>zaak is licht indien in het bezwaar wordt onderbouwd met tamelijk
                            eenvoudig te constateren fouten die de gemeente aanleiding geven tot een
                            verlaging van de WOZ-waarde. Ook als het bezwaarschrift geen fouten aan
                            het licht brengt maar de beschikking naar aanleiding van de eigen
                            constateringen bij de heroverweging wordt verlaagd wordt deze zaak als
                            licht beschouwd. Dat geldt eveneens als in het bezwaarschrift wordt
                            gesteld en onderbouwd maar vermeld dat het bezwaar niet de volledige
                            onderbouwing</al></li><li nr="omvat."><al>In deze gevallen vergt het opstellen van de bezwaarschriften niet de
                            volledige inspanning die voor een gemiddelde zaak nodig is. Omdat deze
                            bezwaren eenvoudig, foutief of onvolledig zijn is de noodzaak voor het
                            inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand discutabel.</al></li><li nr="Lid"><al>2 c, d:</al></li><li nr="In"><al>de regel is het aan het bestuursorgaan om het toekennen van een lichte
                            of zeer lichte</al></li><li nr="wegingsfactor"><al>te onderbouwen, terwijl belanghebbende partij de zware en zeer zware
                            wegingsfactor aannemelijk moet maken. Hierbij wordt aangenomen dat
                            bezwaren met betrekking tot de waardering van objecten niet zijnde
                            woningen eerder als bijzonder zwaar ervaren zullen worden dan zaken die
                            handelen over de waarde van woningen.</al></li><li nr="Lid"><al>4 en 5 regelen dat indien meerdere wegingsfactoren op het bezwaarschrift
                            van toepassing zijn, de zwaarste van toepassing zijnde factor zal worden
                            toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding.</al></li></lijst><al><vet>Art. 4:</vet></al><al>De daadwerkelijk doorgebrachte uren op de hoorzitting komen voor vergoeding in
                    aanmerking. Belanghebbende moet dan wel vrij hebben moeten nemen van zijn
                    werkzaamheden om bij deze hoorzitting</al><al>aanwezig te kunnen zijn. Verletkosten worden per uur berekend. Het maximumbedrag
                    voor verletkosten bedraagt minimaal € 4,54 en maximaal € 53,09 per uur.</al><al>De reistijd komt niet voor vergoeding in aanmerking. Van een belanghebbende mag
                    verwacht worden dat hij met enige regelmaat aanwezig is in de gemeente waar zijn
                    belastingobject zich bevindt. In die zin kan geen sprake zijn van kosten. Voor
                    zover belanghebbende door omstandigheden wel enige tijd onder weg behoort tot de
                    normale risico's van deelname aan het maatschappelijk verkeer. De hoorzitting
                    wordt immers gehouden op initiatief van de belanghebbende partij.</al><al><vet>Art.5:</vet></al><al>Geen toelichting nodig</al><al><vet>Art. 6:</vet></al><lijst><li nr="De"><al>bevoegdheid om af te wijken van de berekende proceskostenvergoeding
                            vloeit voort uit artikel 2 lid 2 en 3 van het Bpb waarin de mogelijkheid
                            wordt geboden om de vergoeding te beperken indien belanghebbende partij
                            gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. Ook in bijzondere
                            omstandigheden kan van de uitkomst van de berekening af te wijken. De
                            gemeente kan dus, onder de voorwaarde dat de bijzonderheid van de
                            omstandigheden en de aanpassing goed worden onderbouwd, de vergoeding
                            zowel naar boven als naar onder bijstellen.</al></li><li nr="Lid"><al>2.</al></li><li nr="De"><al>heffingsambtenaar behoudt zich het recht om een verzoek tot vergoeding
                            van de proceskosten af te wijzen indien de belanghebbende niet in staat
                            is om aan te tonen dat de betreffende kosten daadwerkelijk zijn
                            gemaakt.</al></li></lijst><al><vet>Art.7 &amp; Art.8:</vet></al><al>Geen toelichting nodig.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>