<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR296050_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet inburgering gemeente katwijk 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Katwijksche Post, De
                Rijnsburger</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet inburgering gemeente katwijk 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">(Wijziging) Wet inburgering</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-07-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-000551</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening wet inburgering gemeente katwijk 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Katwijk;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31
                                            december 2012;</al></li><li nr="c."><al>de wetswijziging: de wet van 13 september 2012 tot
                                            wijziging van de Wet inburgering enenkele andere wetten
                                            in verband met de versterking van de eigen
                                            verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige
                                            (Stb.2012, 430); </al></li><li nr="d."><al>inburgeringsplichtige: persoon, als bedoeld in artikel
                                            X, 2e t/m 5e lid van de wetswijziging;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsomschrijvingen in de wet, de wetswijziging en de
                                    daarop berustende regelingenzijn van toepassing op de begrippen
                                    die in deze verordening worden gebruikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                            doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten
                            en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang
                            tot inburgeringsvoorzieningen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>1.Het college biedt een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aan aan deinburgeringsplichtige, te weten: </al><al>a.de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de
                            Vreemdelingenwet2000 en </al><al>b.de geestelijke bedienaar, als bedoeld in artikel 1, onderdeel g van de
                            wet, die geenoudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
                            wet, </al><al>voor zover deze uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig is
                            geworden. </al><al>2.Het college stelt alleen maar voorzieningen vast voor inwoners van de
                            gemeente Katwijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><al>1.Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de
                            taalkennisvoorziening aan deinburgeringsplichtige, als bedoeld in
                            artikel 3 onder a af op het startniveau en de vaardigheden, de
                            persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                            inburgeringsplichtige. </al><al>2.Indien de inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 onder a een
                            voorziening gericht oparbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het
                            college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening
                            gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al><al>3.Aan de inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 onder a biedt
                            het college</al><al>maatschappelijke begeleiding aan. </al><al>4.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de samenstelling
                            van deaangeboden voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>1.De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt
                            in ten hoogste zestermijnen betaald. </al><al>2.Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                            inburgeringsvoorziening of detaalkennisvoorziening de termijnen van
                            betaling vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de
                            algemene bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 bij
                            beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al><al>a. het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening;</al><al>b. het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al><al>c. het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al><al>d. het voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                            staatsexamenNederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door
                            het college wordt bepaald; </al><al>e. het deelnemen aan de mbo-opleiding, waarvoor de taalkennisvoorziening
                            is vastgesteld;</al><al>f. het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                            omstandigheden niet aan deverplichtingen in de beschikking kan worden
                            voldaan; </al><al>g.andere verplichtingen, die het succesvol deelnemen aan en afronden van
                            de aangebodenvoorziening tot doel hebben. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>1.Het college doet het aanbod, als bedoeld in artikel 19, eerste of
                            tweede lid, van de wetschriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                            adres waar de inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 in de
                            gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. </al><al>2.In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                            inburgeringsvoorziening oftaalkennisvoorziening die wordt aangeboden en
                            worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan die voorziening
                            worden verbonden. </al><al>3.De inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 aan wie een aanbod
                            wordt gedaan, deeltbinnen twee weken het college schriftelijk mee of hij
                            het aanbod al dan niet aanvaardt. </al><al>4.Wanneer de inburgeringsplichtige, als bedoeld in artikel 3 het aanbod
                            aanvaardt, neemthet college binnen vier weken na ontvangst van deze
                            mededeling het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening overeenkomstig het gedane aanbod. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in </al><al>ieder geval: </al><al>a. een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening;</al><al>b. een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                            inburgeringsplichtige, als bedoeld inartikel 3; </al><al>c.de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als
                            tweede taal Iof II moet zijn behaald; </al><al>d.de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>1.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                            inburgeringsplichtige of depersoon ten aanzien van wie het college op
                            redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is geen
                            of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, als bedoeld in
                            artikel 25, vierde lid van de wet. </al><al>2.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige geen ofonvoldoende medewerking verleent aan de
                            uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de </al><al>wet of aan de verplichtingen, als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening. </al><al>3.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige nietbinnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet
                            bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31,
                            tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald. </al><al>4.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de
                            inburgeringsplichtige nietbinnen de door het college op grond van
                            artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                            heeft behaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening die gold op het moment van
                            de </al><al>inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening
                            overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op die
                            van de bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Katwijk 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. </al><al>In de wet zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een aantal
                    belangrijke taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervallen de taken van de
                    gemeenten. Wel blijven de gemeenten op grond van het overgangsrecht met name de
                    eerste jaren na inwerkingtreding van de wetswijziging een aantal taken
                    uitoefenen. Dit om met name inburgeraars die al met een traject gestart zijn in
                    staat te stellen dit af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude
                    inburgeraars handhaven. </al><al>De voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen zijn: </al><al>-de verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de inburgeringsplichtige
                    gelegd.</al><al>Dit betekent dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige behoort om te bepalen hoe hij aan zijn inburgeringsplicht
                    voldoet en dat hij daarvoor zelf de kosten draagt. Daarmee vervalt de plicht van
                    gemeenten om voor inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te
                    zorgen. De taken die de gemeente heeft ten aanzien van het </al><al>oproepen van (potentieel) inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek
                    (intake) vervallen daarmee eveneens. </al><al>-de doelgroep wordt beperkt</al><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die rechtmatig verblijf verkrijgen
                    voor verblijf in Nederland en (direct of in een later stadium) een
                    verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor een niet-tijdelijk doel
                    (asiel of gezinsvorming/hereniging) of als geestelijke bedienaar. </al><al>-voor vrijwillige inburgeraars is geen voorziening meer mogelijk</al><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars (EU-onderdanen en
                    genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de Wet inburgering een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden vervalt. Vrijwillige inburgeraars kunnen
                    net als iedere andere burger via het reguliere onderwijs de noodzakelijke
                    (taal)vaardigheid en kennis verwerven om volledig deel te kunnen nemen aan de
                    samenleving. </al><al>-taken worden verschoven van gemeente naar Rijk</al><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en het verschuiven
                    van de resterende bevoegdheden van gemeenten naar de Minister van Binnenlandse
                    Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). </al><al>-er gelden bepalingen, die de overgang regelen</al><al>Er geldt een overgangsregeling, die erin voorziet: </al><al>-dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en zich momenteel
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen in staat stellen dit voort te zetten en
                    het examen af te leggen; </al><al>-dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijngeworden aan hun inburgeringsplicht voldoen; </al><al>-dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en geestelijke bedienaren
                    die voor1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden maar nog geen aanbod
                    hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft ongewijzigd dat voor
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening of een
                    taalkennisvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding </al><al>(artikel 19, zesde lid van de wet) bestaat. </al><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per nieuwe
                    inburgeringsplichtige asielgerechtigde van de regering een eenmalige bijdrage
                    ontvangen van € 1000. Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar € 2000 (alleen voor
                    inburgeringsplichtige asielgerechtigden en inburgeringsplichtige nareizende
                    gezinsleden die gedurende 2013 hun verblijfsvergunning </al><al>krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1000). </al><al>De Verordening Wet inburgering is aangepast aan de gewijzigde wet. </al><al>In deze verordening wordt alleen het aanbodstelsel toegepast. De mogelijkheid
                    die artikel 19a van de wet bood om het college de bevoegdheid te geven
                    inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen vast te stellen, zonder dat
                    eerst een aanbod aan de inburgeringsplichtigen wordt gedaan vervalt per 1
                    januari 2013. In deze verordening wordt het aanbodstelsel gehandhaafd op basis
                    van het overgangsrecht in de wet. Dit stelsel houdt in dat het </al><al>college de inburgeringsplichtige een aanbod doet en de voorziening vaststelt
                    overeenkomstig het aanbod als de inburgeringsplichtige het aanbod heeft
                    aanvaard. </al><al>Na 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen aan asielgerechtigden
                    en geestelijk bedienaren, die uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig
                    zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden gekregen. Aan anderen
                    kunnen gemeenten, desgewenst, nog wel voorzieningen aanbieden maar niet meer op
                    grond van de Wet inburgering. </al><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                    die onder het overgangsrecht vallen goed te informeren over de rechten en
                    plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven
                    die onder het overgangsrecht vallen. Dit betreft inburgeringsplichtigen die voor
                    1 januari 2013 hun inburgeringsplicht opgelegd hebben gekregen en voor die datum
                    een gemeentelijk </al><al>aanbod hebben gekregen. </al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen gemeenten en
                    degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met 31 december 2012
                    inburgeringsplichtig zijn, werken deze handhavingsbepalingen ook door na 1
                    januari 2013. </al><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen: </al><al>1.regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen, terzake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen
                    (artikel 8 van de wet); </al><al>2.regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen of
                    taalkennisvoorzieningen en over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en </al><al>artikel 23, derde lid, van de wet); </al><al>3.het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                    verschillendeovertredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van de wet). </al><al>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen </al><al>Artikel 8 van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen
                    en de toegang tot die voorzieningen. </al><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen </al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. </al><al>Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden van een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Onder het overgangsrecht zijn
                    gemeenten verplicht een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                    bieden aan alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke </al><al>bedienaren (artikel 19, tweede lid van de wet) die voor 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden
                    gekregen. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of
                    het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal
                    kosteloos afleggen van dat examen. Een taalkennisvoorziening is gericht op de
                    verwerving van de kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het
                    kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                    van de wet). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te betalen. </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19,
                    zesde lid van de wet). </al><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per inburgeringsplichtige
                    asielgerechtigde van de regering een eenmalige bijdrage ontvangen van € 1000.
                    Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar € 2000 (alleen voor inburgeringsplichtige
                    asielgerechtigden en inburgeringsplichtige nareizende gezinsleden die gedurende
                    2013 hun verblijfsvergunning krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1000). </al><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                    taalkennisvoorziening. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in
                    ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><al>-de procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een aanbod
                    aaninburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de wet); </al><al>-de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                    inburgeringsplichtigen(artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de wet); </al><al>-de vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b van de wet); </al><al>-de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                    inburgeringsvoorziening oftaalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze regels
                    hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het
                    college en de mogelijkheid van betaling in termijnen </al><al>(artikel 23, derde lid, van de wet). </al><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </al><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. </al><al>Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete
                    kan worden opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al>In de Wet inburgering worden de begrippen inburgeringsvoorziening en
                    taalkennisvoorziening gebruikt. In de hieronder staande toelichting worden beide
                    begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel geval wordt uit
                    overweging van leesbaarheid het woord “voorziening” gehanteerd, waarmee zowel
                    inburgeringsvoorziening als taalkennisvoorziening wordt aangeduid. </al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen </vet></al><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij verordening </al><al>regels vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                    informatieverstrekking. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het
                    inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook
                    mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen
                    bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                    gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatieinstellingen,
                    bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                    informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. De eerste ingang voor
                    informatievoorziening in </al><al>Katwijk is het (gemeentelijke) Zorgloket. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Inburgeringsaanbod </vet></al><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren die vóór 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijn geworden. </al><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening </vet></al><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling van
                    die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden
                    de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft </al><al>om voor de asielgerechtigde inburgeringsplichtige een op de persoon toegesneden
                    inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende </al><al>inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de geschiktheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen: </al><al>-de kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                    Nederlandsesamenleving en zijn of haar leercapaciteit; </al><al>-de maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat vervullen
                    in deNederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van
                    betaalde arbeid en/of het opvoeden van kinderen; </al><al>-de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan bijvoorbeeld
                    wordengedacht aan eventuele zorgtaken die de inburgeringsplichtige moet
                    vervullen. </al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                    worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als de voorziening wordt aangeboden aan een
                    inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering </al><al>ontvangt op grond van een andere sociale zekerheidswet of sociale
                    zekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden
                    (artikel 20, eerste lid van de wet). </al><al>Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                    inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid van de wet). Het tweede lid van
                    artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de re-integratievoorziening.
                    Aangezien deze voorzieningen in het kader van de uitkerings-</al><al>verstrekking op grond van sociale zekerheidswetten of –regelingen ook door
                    andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college (in
                    voorkomende gevallen) afspraken moeten maken met de verantwoordelijke
                    uitvoerders van de sociale zekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 van de wet). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteit die het college als onderdeel van
                    de voorziening moet opnemen. </al><al>In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet
                    bestaan: een cursus die toeleidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                    Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het
                    desbetreffende examen (artikel 19, derde lid van de wet). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen maakt ook maatschappelijke
                    begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening of de
                    taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid van de wet). </al><al>Het vierde lid geeft het college de ruimte om nadere regels te stellen over de
                    samenstelling van de voorziening. </al><al>Wat het college bijvoorbeeld als onderdeel van de voorziening aan
                    inburgeringsplichtigen </al><al>kan opnemen, is trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Trajectbegeleiding en het
                    houden van voortgangsgesprekken zullen met name van belang zijn bij
                    inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening in combinatie met een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast onderdeel. Ook
                    kan worden gedacht aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm
                    van een maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                    verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage </vet></al><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid van de wet). De
                    hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                    bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                    tweede lid van de wet). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel
                    24, eerste lid van de wet maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene
                    bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, </al><al>moet dat worden vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de
                    voorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid van de wet). In dit geval int het
                    UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening
                    geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze
                    verordening geregeld. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen </vet></al><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat bepaalt
                    dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van
                    de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit artikel
                    delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                    worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te
                    leggen. Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening deze </al><al>verplichtingen vast. </al><al/><al><vet>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod </vet></al><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat
                    het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                    ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het
                    feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de
                    voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking
                    moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil, maar dat
                    hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in
                    het aanbod van de gemeente. </al><al>Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten
                    aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. </al><al/><al><vet>Artikel 8 De inhoud van de beschikking </vet></al><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                    inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                    beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in </al><al>ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd. </al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving hiervan is alleen </al><al>mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn
                    omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking)
                    bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de wet). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in de beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                        overtredingen </vet></al><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 van de wet zijn voor de verschillende
                    overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                    gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook
                    lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan </al><al>worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zo nodig rekening houden
                    met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede
                    lid van de wet). </al><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                    bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al/><al>Artikel 34, onderdeel d van de wet biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het vierde lid van artikel 9. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 van de wet moet het
                    college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen dan wel op een
                    andere wijze aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Als de </al><al>inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het vierde lid het mogelijk dat het college een hogere
                    boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d
                    van de wet). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                    moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn niet aan de
                    inburgeringsplicht heeft voldaan, regelt het vierde lid dat het college wederom
                    een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het vierde lid
                    geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen door de
                    inburgeringsplichtige. </al><al>Artikel 9 biedt in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen het kader
                    voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes in
                    individuele gevallen. </al><al>Het college zal binnen deze kaders de uitvoering ter hand moeten nemen. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Overgangsbepaling </vet></al><al>Met deze overgangsbepaling wordt gerealiseerd dat individuele besluiten, die
                    genomen zijn onder de werking van de vorige verordening en waar niets aan
                    verandert, in stand kunnen blijven zonder dat daar op basis van de huidige
                    verordening nieuwe besluiten op hoeven te worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Inwerkingtreding </vet></al><al>De verordening kent een terugwerkende kracht tot 1 januari 2013. Gelet op het
                    feit dat de verordening geen belastende bepalingen kent (t.o.v. de verordening
                    zoals die tot dan gold), bestaan hiervoor geen belemmeringen.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>