<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR294374_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Goeree-Overflakkee</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot Goeree-Overflakkee, 19-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Goeree-Overflakkee</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs, art. 102Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0002399">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-02</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-13-01581/628</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Goeree-Overflakkee</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Goeree-Overflakkee;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 januari 2013;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al/><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al/><al><vet>besluit</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Goeree-Overflakkee;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1 Algemene bepalingen</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al><al>b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                            onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                            onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                            gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                            grondgebied van de gemeente;</al><al>c. school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al><al>d. </al><lijst><li nr="1."><al> school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel
                                        1van de Wet op het primair
                                    onderwijs;</al></li><li nr="2."><al> school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                    speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                    expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in
                                    artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst><al>e. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                            artik</al><al>el 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b
                            van de Wet op de expertisecentra of artikel
                                75van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al><al>f. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                            in artikel 2 van deze verordening;</al><al>g. programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                            verordening;</al><al>h. overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling
                            van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van
                            deze verordening;</al><al>i. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van een
                            voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                            ingediend;</al><al>j. aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om bekostiging
                            van bouwvoorbereiding;</al><al>k. voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage IIvan deze verordening, 15 jaren
                            of langer noodzakelijk is;</al><al>l. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk
                            is;</al><al>m. permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>n. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>o. gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening;</al><al>p. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                            vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting
                            en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op
                            het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra,
                            artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>q. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden. </al><al>r. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in <extref doc="http://www.wetten.nl/wet%20op%20het%20primair%20onderwijs%20artikel%20110">artikel 110 </extref>van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            108 van de Wet op de expertisecentra, <extref doc="http://www.wetten.nl/wet%20op%20het%20voortgezet%20onderwijs%20artikel%2076u">artikel 76u </extref>van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>s. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten
                            in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de Wet op het
                            primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid van de Wet op de
                            expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al>t. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel
                            110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                            expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket (voor vwo, avo en
                                            vbo: leer- en hulpmiddelen) voor zover deze nog niet
                                            eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte dan wel een bad
                                            voor watergewenning of bewegingstherapie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I ;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket (voor voortgezet onderwijs: leer en
                                    hulpmiddelen) en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</label></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 1 en 2 kan
                            een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding.
                            Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel A. De vergoedingsbedragen
                                die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a en b. Deel B van bijlage IV is van
                                toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder c, d,
                                e en f.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Informatieverstrekking</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Programma en overzicht</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6 Indiening aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voorzover van
                                                  toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de
                                                  voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van
                                                  de gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                  voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens
                                            gaat de aanvraag vergezeld van:</al></li><li nr="a."><al>een prognose van het te verwacht*en aantal leerlingen
                                            van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                            omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft
                                            als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en
                                            met 8° en artikel 2, onder d, e en f; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°
                                            tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1e."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                  vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2e."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                  basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                  speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3e."><al>herstel van een constructiefout.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                    vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</label></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    oktober. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken
                                    voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in
                                    kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                    over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Inhoud programma</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III. </al><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                            komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van
                                            de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                            uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover
                                            het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11,
                                            eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld; </al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin; </al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Inhoud overzicht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die,
                                            gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in
                                            het programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                            voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                            programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
                                        </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                    college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.
                                    Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Aanvang bekostiging</label></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Aanvragen met spoedeisend karakter</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.1 Aanvraag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 19 Indiening aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Inhoud aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met
                                            8o en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 21 Tijdstip beslissing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Inhoud beslissing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                    toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking
                                    door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel
                                    een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen omtrent
                                    beoordelingscriteria van voorzieningen zoals beschreven in
                                    artikel 19.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Uitvoering beslissing</label></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie wekengeldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                    aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                    afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                    vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4 Bekostiging bouwvoorbereiding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 25 Aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
                                        gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                                        formulier 'Bouwkundige opname';</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, is het bepaalde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</label></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Medegebruik en verhuur</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Omschrijving leegstand</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs <cursief>of voor (voortgezet) speciaal
                                                onderwijs</cursief>, indien uit de vergelijking van
                                            het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                            berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                            capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                            bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van
                                            de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet
                                            nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Overleg en mededeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Vergoeding</label></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><al>a. er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al><al>b. er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
                                of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Overleg en mededeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen <cursief>vier weken</cursief> na afloop van het overleg,
                                    als bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk
                                    mededeling van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd
                                    gezag. Indien het overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de
                                    mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                    beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd
                                    gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5.3 Verhuur</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36 Toestemming college</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voorgezet) speciaal onderwijs</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor
                                    <cursief>1 april</cursief> voorafgaande aan het volgende
                                schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school
                                gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave
                                bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst; </al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor <cursief>1 mei</cursief>
                                voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de
                                ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het
                                onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs <cursief>en
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief> van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte; </al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs <cursief>en (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief>
                                de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt; </al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs <cursief>en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs </cursief>voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
                                        vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd
                                        gezag van de school. Het college neemt het aantal klokuren
                                        als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel
                                        tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                        beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                        klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen
                                    <cursief>twee weken</cursief> na vaststelling toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs<cursief> en (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs</cursief>. De bevoegde gezagsorganen worden
                                daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                vindt plaats binnen <cursief>twee weken</cursief> na toezending van
                                het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor <cursief>15 juni</cursief> volgend op de genoemde
                                datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het
                                gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien
                                het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt
                                dit gemotiveerd. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen <cursief>twee weken </cursief>na vaststelling van de
                                inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een
                                schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de
                                beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande
                                school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is
                                te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien
                                van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</label></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Indexering</label></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Intrekken verordeningen</label></kop><al>De volgende verordeningen worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="1."><al>Eilandelijke Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs
                                    gemeente Dirksland 2010;</al></li><li nr="2."><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2010
                                    (Goedereede);</al></li><li nr="3."><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                                    Middelharnis 2010;</al></li></lijst><al>Eilandelijke verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                            Oostflakkee 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van haar
                            bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Citeertitel; inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs Goeree-Overflakkee.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad</ondertekening><ondertekening>van de gemeente Goeree-Overflakkee op 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J. Mimpen C.A. Kleijwegt</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al/><al>Bijlagen: I t/m V</al><al>Toelichting op verordening en bijlagen I t/m V</al><al/><al/><al>Publicatiedatum: </al><al/><al>Inwerkingtreding: </al><al/><al><vet>Bijlage I</vet></al><al>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    Goeree-Overflakkee</al><al/><al/><al><vet>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</vet></al><al/><al>Deel A: Lesgebouwen</al><al>1. School voor basisonderwijs</al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>3. School voor voortgezet onderwijs</al><al/><al>Deel B: Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>1. School voor basisonderwijs</al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>3. School voor voortgezet onderwijs</al><al/><al>Bijlage I-1 </al><al>1. Overzicht onderhoud PO</al><al/><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder de nadere voorwaarden
                    opgesomd waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>deel A: lesgebouwen;</al><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al/><al/><al><vet>Deel A Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al>De voorzieningen hieronder genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al/><al><onderstreept>1.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="2."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voorblijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al>2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><lijst><li nr="1."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>1.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk
                    is. </al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al/><al><onderstreept>1.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al><cursief>1.3.1 Uitbreiding algemeen</cursief></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de
                    ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al><al>1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of</al><al> 2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of</al><al> 3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al><cursief>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                        speellokaal</cursief></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en</al><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl:</al><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter hemelsbreed
                    niet mogelijk is en</al><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te
                    maken.</al><al/><al><onderstreept>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of;</al><al>2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl;</al><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al> 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al><onderstreept>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</onderstreept></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren en;</al><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/><al><onderstreept>1.6 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><al><onderstreept>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al/><al><onderstreept>1.8 Medegebruik </onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><al><onderstreept>1.9 Aanpassing </onderstreept></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om, afgezien
                    van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                    basisonderwijs;</al><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving;</al><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties, en</al><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van
                    een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al/><al>Ad a. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen
                    redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad b. De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                    kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen
                    het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al>Ad c. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale
                    school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte
                    groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een
                    speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de
                    noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger
                    dan zes jaar worden toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad d. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad e. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad f. De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>Ad g. De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met onderwijskundige
                    vernieuwingen, en</al><al>het een permanent gebouw betreft, en</al><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al><al/><al><onderstreept>1.10 Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan <onderstreept>permanente gebouwen</onderstreept> komt
                    voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan
                    de in bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                    school nodig is.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan <onderstreept>noodlokalen</onderstreept> komt voor
                    bekostiging in aanmerking indien:</al><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is; en</al><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik
                    binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><al/><al><onderstreept>1.11 Herstel van constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><onderstreept>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><al><onderstreept>2.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="2."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li></lijst><al> 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><lijst><li nr="1."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al></li><li nr="2."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of</al></li></lijst><al> 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht en;</al><lijst><li nr="1."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk
                    is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al/><al><onderstreept>2.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al><cursief>2.3.1 Uitbreiding algemeen</cursief></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de
                    ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al><al>1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of</al><al> 2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of</al><al> 3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al><cursief>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</cursief></al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en;</al></li><li nr="3."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl;</al></li><li nr="4."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en;</al></li><li nr="5."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl;</al><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al> 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en;</al><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al><onderstreept>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </onderstreept></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="2."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.6 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><al><onderstreept>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al/><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><al/><al><onderstreept>2.8 Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><al><onderstreept>2.9 Aanpassing </onderstreept></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen als
                    gesteld in bijlage III, delen A en D;</al><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander vak
                    (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving;</al><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie, en;</al><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van
                    een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al><al/><al>Ad a. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al>Ad b. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                    leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                    beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al>Ad c. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan
                    60 leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al>Ad d. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een
                    ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><al>Ad e. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad f. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad g. De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><onderstreept>2.10 Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al/><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig zijn;
                    en</al><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik
                    elders.</al><al/><al><onderstreept>2.11 Herstel van constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><onderstreept>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><al/><al><onderstreept>3.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/><al><onderstreept>3.2 Vervangende bouw </onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of</al><al> 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen
                    kan worden verwacht en</al><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling
                    van het college;</al><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk
                    is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al/><al><onderstreept>3.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="2."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al> 2. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of
                    op korte termijn beschikbaar komt en;</al><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al><onderstreept>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</onderstreept></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren en;</al><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/><al><onderstreept>3.6 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><al><onderstreept>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair</onderstreept></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al/><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen. </al><al/><al><onderstreept>3.8 Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><al/><al><onderstreept>3.9 Herstel van constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><onderstreept>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al/><al><vet>Deel B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>1.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>1.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>1.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li></lijst><al> 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                    1.2 onder a, in aanmerking komt en;</al><lijst><li nr="1."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college e
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en;</al></li><li nr="3."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>1.5 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><onderstreept>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is
                    of wordt goedgekeurd en </al><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>1.7 Eerste inrichting meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al><al/><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een deel
                    van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>1.8 Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al/><al><onderstreept>1.9 Aanpassing</onderstreept></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/><al>Ad a. De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                    zijn.</al><al>Ad b. De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad c. De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad d. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad e. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><onderstreept>1.10 Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al/><al><onderstreept>1.11 Herstel constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al/><al><onderstreept>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>2.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>2.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>2.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door
                    het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al/><al><onderstreept>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>1. het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al> 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college vastgestelde aantal
                    klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><al/><al><onderstreept>2.5 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><onderstreept>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of
                    nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>2.7 Eerste inrichting meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder het
                    specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>2.8 Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al/><al><onderstreept>2.9 Aanpassing</onderstreept></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al/><al>Ad a. De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                    zijn.</al><al>Ad b. De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad c. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                    het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad d. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad e. De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><onderstreept>2.10 Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al/><al><onderstreept>2.11 Herstel constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al/><al><onderstreept>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>3.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al/><al><onderstreept>3.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al/><al><onderstreept>3.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al><onderstreept>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al> 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                    3.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en</al><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                    verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw.</al><al/><al><onderstreept>3.5 Terrein</onderstreept></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><onderstreept>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>3.7 Medegebruik</onderstreept></al><al><cursief>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</cursief></al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al/><al><cursief>3.7.2 Huur van een sportterrein</cursief></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag niet
                    beschikt over een eigen sportveld en</al><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd
                    gezag.</al><al/><al><onderstreept>3.8 Herstel constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al/><al><onderstreept>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al/><al><vet>Bijlage I-1 Overzicht 'Onderhoud PO'</vet></al><al/><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><al/><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al><al/><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al><al/><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al><al/><al>Vervangen brandtrap.</al><al/><al>Vervangen erfscheiding.</al><al/><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al><al/><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                    (renovatie-activiteit).</al><al/><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                    (renovatie-activiteit).</al><al/><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit).</al><al/><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al><al/><al>Vervangen boeiboorden.</al><al/><al>Vervangen buitenzonwering</al><al/><al/><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee op 2013</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al/><al/><al/><al>J. Mimpen C.A. Kleijwegt</al><al/><al/><al><vet>Bijlage II</vet></al><al>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    Goeree-Overflakkee</al><al/><al/><al><vet>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingenprognoses</vet></al><al/><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="1."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="2."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="3."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="4."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="5."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="6."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en;</al></li><li nr="7."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al/><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid.</al><al/><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee op 2013</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al/><al>J. Mimpen C.A. Kleijwegt</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Bijlage III</vet></al><al>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    Goeree-Overflakkee</al><al/><al/><al><vet>Criteria voor oppervlakte en indeling</vet></al><al/><al/><al>Deel A: Bepaling van de capaciteit</al><al>1. School voor (speciaal) basisonderwijs</al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>3. School voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Deel B: Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al>1. School voor (speciaal) basisonderwijs </al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>3. School voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Deel C: De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>1. School voor (speciaal) basisonderwijs </al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>3. School voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Deel D: Minimumnormen bij realiseren nieuwe voorzieningen</al><al>1. School voor (speciaal) basisonderwijs </al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>3. School voor voortgezet onderwijs </al><al>4. Gymnastiekruimten </al><al/><al>Bijlage III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs' </al><al>Bijlage III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'</al><al/><al/><al><vet>Deel A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor
                    basisonderwijs</vet></al><al/><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><al/><al><onderstreept>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard)</onderstreept></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><al/><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld.</al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><al/><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</al><al/><al><onderstreept>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</onderstreept></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><al/><al><onderstreept>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</onderstreept></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al/><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al><al/><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al><al/><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al><onderstreept>1.4 Terrein</onderstreept></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al/><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><onderstreept>1.5 Inventaris</onderstreept></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><onderstreept>1.6 Gymnastiekruimten </onderstreept></al><al><cursief>1.6.1 Gymnastiekruimte</cursief></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><al/><al><cursief>1.6.2 Terrein</cursief></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><cursief>1.6.3 Inventaris</cursief></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve
                    doeleinden.</al><al/><al><onderstreept>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</onderstreept></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'.</al><al/><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering gebracht. </al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><al/><al><onderstreept>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente
                        of een tijdelijke bouwaard.</onderstreept></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><al/><al><onderstreept>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</onderstreept></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al/><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is
                    de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al/><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al/><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist. </al><al/><al><onderstreept>2.4 Terrein</onderstreept></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al/><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><onderstreept>2.5 Inventaris</onderstreept></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><onderstreept>2.6 Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al><cursief>2.6.1 Gymnastiekruimte</cursief></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><cursief>2.6.2 Terrein</cursief></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><cursief>2.6.3 Inventaris</cursief></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="1."><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="2."><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="3."><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="4."><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al/><al><onderstreept>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een
                        permanente of een tijdelijke bouwaard </onderstreept>De
                    bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.</al><al/><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al><onderstreept>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</onderstreept></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al/><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al/><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al/><al><onderstreept>3.3 Terrein</onderstreept></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><onderstreept>3.4 Inventaris</onderstreept></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><al/><al><onderstreept>3.5 Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al><cursief>3.5.1 Gymnastiekruimte</cursief></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><al/><al><cursief>3.5.2 Terrein</cursief></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><cursief>3.5.3 Inventaris</cursief></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al/><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>1.1 Lesgebouwen</onderstreept></al><al/><al><cursief>Basisschool </cursief>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en
                    de gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de
                    huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer
                    en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging
                    wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke
                    school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al/><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al/><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al/><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="1."><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="2."><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="3."><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschre-ven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al>R= 250+7,35*L, waarbij:</al><al/><al>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters, en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven.</al><al/><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m2.</al><al/><al><onderstreept>1.2 Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al/><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal
                    gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'.
                    De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale
                    school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                    afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval
                    wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>2.1 Lesgebouwen</onderstreept></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al/><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij:</al><al/><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters</al><al>V = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet
                    250 m2 . Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing</al><al>f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande
                    tabel</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al>De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry><al><vet>SO</vet></al></entry><entry><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry><al>- Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige
                                        spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of
                                        slechthorende kinderen (ES)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry><al>8,8</al></entry><entry><al>12,2</al></entry></row><row><entry><al>- Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI) </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Dove kinderen (DO) </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry><al>13,8</al></entry><entry><al>15,5</al></entry></row><row><entry><al>- Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry><al>8,8</al></entry><entry><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N = 3 geldt 57,5.</al><al/><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing. </al><al/><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.</al><al/><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al/><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m<sup>2</sup>.</al><al/><al><onderstreept>2.2 Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs.</al><al/><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                    uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. </al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>3.1 Lesgebouwen</onderstreept></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Een leerlinggebonden component.</al></li></lijst><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al><lijst><li nr="1."><al>Een vaste voet.</al></li></lijst><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al/><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. </al><al/><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. </al><al/><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al/><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry><al><vet>Leerweg </vet></al></entry><entry><al><vet>Ruimtetype </vet></al></entry><entry><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>980</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>550</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>299</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>196</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>168</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>117</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al/><al><onderstreept>3.2 Gymnastiekruimten</onderstreept>De in
                    onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                    voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor
                    de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van
                    gymnastiekonderwijs.</al><al/><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>- </al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Legenda TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al><vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al/><al><vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="2."><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><al>uitbreiding, dan wel </al><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al><al>ingebruikneming dan wel</al><lijst><li nr="1."><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al/><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="1."><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>50 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzie-ning voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al/><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m2 bvo.</al><al/><al><onderstreept>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>terrein, dan wel
                        uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al/><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                        <cursief>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket</cursief>, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al/><al><onderstreept>1.3 Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                        <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                    bijlage.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding van een
                        gymnastiekruimte</cursief> wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen
                    zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in
                    lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                    voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanvulling op de eerste aanschaf van het
                        meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                        gymnastiekruimte</cursief>, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste
                    aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                    gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al><onderstreept>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    </onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="2."><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: </al><al>uitbreiding, dan wel</al><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al><al>ingebruikneming dan wel </al><al>medegebruik</al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m2
                    bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al/><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m2 bvo.</al><al/><al><onderstreept>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>eerste aanschaf van
                        het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding
                        van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>,
                    wordt bepaald door de omvang in m2 bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>aanpassing</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw
                    geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>onderhoud</cursief>
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                        schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al/><al><onderstreept>2.3 Gymnastiekruimten </onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                        <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                    bijlage.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding</cursief> van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven
                    bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke
                    oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                    voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                        <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de <cursief>eerste aanschaf van het
                        meubilair</cursief>, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                    gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het
                    meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk
                    is bedoeld.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het <cursief>goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                        herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al/><al><onderstreept>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan weluitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al/><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al/><al><onderstreept>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting. </al><al/><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><onderstreept>3.4 Gymnastiekruimten </onderstreept>De omvang van de goedgekeurde
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. </al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1). </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) /
                    322.</al><al/><al/><al><vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="2."><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="3."><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="2."><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="3."><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>theorielokaal: </al></entry><entry><al>42 m2</al></entry></row><row><entry><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry><al>80 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>werkplaats:</al></entry><entry><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry><al>restaurant:</al></entry><entry><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>4 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><al/><al><vet>Bijlage III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'
                    </vet></al><al/><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="1."><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="2."><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="3."><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li><li nr="4."><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                            nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            van ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al></li><li nr="5."><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlage III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                        onderwijs'</vet></al><al/><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al/><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al/><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="1."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="2."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al/><al>Uitzonderingen:</al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><al/><al/><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee op 2013</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al/><al/><al/><al>J. Mimpen C.A. Kleijwegt</al><al/><al><vet>Bijlage IV</vet></al><al>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    Goeree-Overflakkee</al><al/><al/><al><vet>Financiële normering</vet></al><al/><al>Deel A: Vergoeding op basis van normbedragen</al><al>1. School voor (speciaal) basisonderwijs </al><al>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>3. School voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Deel B: Vergoeding op basis van feitelijke kosten </al><al/><al>Deel C: Bepaling medegebruikstarieven </al><al/><al><cursief>De in deze bijlage opgenomen normbedragen zijn prijspeil 2010. De
                        systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk
                        4.</cursief></al><al/><al/><al><vet>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al/><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2012 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                                        (paragraaf 1.4);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)
                        </onderstreept></vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>kosten voor terrein;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>bouwkosten;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                        vervangende bouw;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag
                                        voor een speellokaal.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet><cursief>Kosten voor terreinen </cursief></vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten </cursief></vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                        bvo</al></entry><entry><al>€ 721.164,93</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.234,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.168.504,20</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.292,28</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry><al>€ 110.870,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw op dezelfde plaats
                        </cursief></vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. </al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 50,03</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 34,33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)
                        </onderstreept></vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet><cursief>Kosten voor terrein </cursief></vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten </cursief></vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 105.607,42</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 70.404,94</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.406,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 108.602,88</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 72.401,93</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.434,84</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 126.612,38</al></entry></row><row><entry><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 232.784,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw op dezelfde
                            plaats</cursief></vet></al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet><onderstreept>1.3 Tijdelijke voorziening
                        </onderstreept></vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet><cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 41.069,17</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 27.379,45</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.009,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 23.085,31</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 15.390,20</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.057,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
                        </cursief></vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. </al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al/><al><vet><onderstreept>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                        </onderstreept></vet></al><al/><al><vet><cursief>Basisschool </cursief></vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding..</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Basisbedrag</al></entry><entry><al>€ 36.910,69</al></entry></row><row><entry><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 129,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Speciale school voor basisonderwijs
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen in euro):. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Basisbedrag</al></entry><entry><al>€ 78.311,23</al></entry></row><row><entry><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 133,58</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 7.146,25 . </al><al/><al><vet><onderstreept>1.5 Aanpassing
                        </onderstreept></vet></al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet><onderstreept>1.6 Gymnastiek
                        </onderstreept></vet></al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten nieuwbouw</cursief></vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 15.248,88</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 21.021,37</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 29.523,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten uitbreiding </cursief></vet></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. </al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 176.141,14</al></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 214.123,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 6.826,66</al></entry><entry><al>€ 8.536,10</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 11.824,16</al></entry><entry><al>€ 14.776,39</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 19.331,20</al></entry><entry><al>€ 24.164,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>OLP/meubilair </cursief></vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 49.448,86. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                                        (paragraaf 2.4) en</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)
                        </onderstreept></vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te weten: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>kosten voor terrein;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>bouwkosten;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk
                                        speellokaal;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                                        vervangende bouw.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw van een
                    nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet><cursief>Kosten voor terreinen </cursief></vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten </cursief></vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2 bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.124.496,34</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.284,62</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry><al>€ 110.870,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag voor liftinstallatie
                    </cursief></vet></al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry><al>€ 108.973,68</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw op dezelfde
                            plaats</cursief></vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. </al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 57,38</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 28,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)
                        </onderstreept></vet></al><al/><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><al/><al><vet><cursief>Kosten voor terreinen </cursief></vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten </cursief></vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag, een bedrag per m2 .Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 98.362,00</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 65.574,67</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.437,68</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 110.870,00</al></entry></row><row><entry><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 232.784,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag liftinstallatie </cursief></vet></al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry><al>€ 130.984,38</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw op dezelfde
                            plaats</cursief></vet></al><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet><onderstreept>2.3 Tijdelijke voorziening
                        </onderstreept></vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet><cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 43.044,86</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 29.087,99</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 988,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 23.407,57</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 15.605,04</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.045,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1). </al><al/><al><vet><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
                        </cursief></vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al/><al><vet><cursief>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                        </cursief></vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Basisbedrag</vet></al></entry><entry><al><vet>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry><al>€ 131.946,95</al></entry><entry><al>€ 230,32</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry><al>€ 119.863,29</al></entry><entry><al>€ 298,50</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry><al>€ 111.692,07</al></entry><entry><al>€ 148,43</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry><al>€ 158.513,28</al></entry><entry><al>€ 283,30</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry><al>€ 101.082,06</al></entry><entry><al>€ 139,59</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry><al>€ 119.002,04</al></entry><entry><al>€ 272,12</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 99.512,11</al></entry><entry><al>€ 118,41</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 97.133,38</al></entry><entry><al>€ 136,13</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry><al>€ 97.992,03</al></entry><entry><al>€ 147,83</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry><al>€ 120.489,61</al></entry><entry><al>€ 120,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 7.146,25 </al><al/><al><vet><onderstreept>2.5 Gymnastiek
                        </onderstreept></vet></al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten nieuwbouw</cursief></vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    en € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen. </al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                    toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag
                    is een bedrag gemoeid van € 76.051,06 . </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra
                    ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere
                    toeslag (tussen haakjes vermeld). De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 15.248,88</al></entry><entry><al>(€ 19.226,66)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 21.021,37</al></entry><entry><al>(€ 26.627,42)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 29.523,60</al></entry><entry><al>(€ 38.321,34)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Bouwkosten uitbreiding </cursief></vet></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. </al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 176.141,14</al></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 214.123,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 6.826,66</al></entry><entry><al>€ 8.536,10</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 11.824,16</al></entry><entry><al>€ 14.776,39</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 19.331,20</al></entry><entry><al>€ 24.164,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>OLP/meubilair </cursief></vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Schoolsoort</al></entry><entry><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al>€ 39.432,47</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al>€ 39.201,15</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al>€ 47.458,90</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg/mg</al></entry><entry><al>€ 51.986,66</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz/pi</al></entry><entry><al>€ 37.287,92</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 37.287,92</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al>€ 37.211,19</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al>€ 46.230,05</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al>€ 47.436,33</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al>€ 56.433,75</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry><al>€ 57.895,61</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry><al>€ 45.562,02</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 45.562,02</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 40.672,61</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>€ 47.874,72</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>€ 51.320,89</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>€ 58.563,63</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry><al>€ 59.471,44</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry><al>€ 49.445,47</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 49.445,47</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 41.134,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                        (paragraaf 3.3); en</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding
                        </onderstreept></vet></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). </al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>kosten van terreinen;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>bouwkosten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet><cursief>Kosten van terreinen </cursief></vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. </al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten </cursief></vet></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. </al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. </al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><al/><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>&lt;460m2</vet></al></entry><entry><al><vet>460&lt;2500m2</vet></al></entry><entry><al><vet>&gt;=25002</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>1.930,78</al></entry><entry><al>1.145,86</al></entry><entry><al>1.118,41</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>1.885,82</al></entry><entry><al>1.525,48</al></entry><entry><al>1.525,48</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>2.289,96</al></entry><entry><al>1.929,62</al></entry><entry><al>1.929,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                        gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en
                                        commercie;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                        kantoorpraktijk, etaleren.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Werkplaatsen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking,
                                        meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij,
                                        metaal, voertuigentechniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>landbouw: groen-praktijk;</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><thead><row><entry><al><vet>&lt; 460 m2</vet></al></entry><entry><al><vet>&gt; 460 &lt; 2500 m2</vet></al></entry><entry><al><vet>&gt;= 2500 m2</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry><al>121.828,05</al></entry><entry><al>121.828,05</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry><al>239.139,25</al></entry><entry><al>333.893,11</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry><al>44.217,65</al></entry><entry><al>44.217,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><al/><al><vet><cursief>Aanvullende normkosten</cursief></vet></al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. </al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingsrapport. </al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                    bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                    hand van de volgende formules: </al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 3.551,45</al></entry><entry><al>€ 18,63</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 3.780,97</al></entry><entry><al>€ 31,52</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 4.221,33</al></entry><entry><al>€ 56,41</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 4.336,96</al></entry><entry><al>€ 6,53</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 5.656,86</al></entry><entry><al>€ 16,94</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 8.590,41</al></entry><entry><al>€ 34,24</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. </al><al>De vergoeding bedraagt € 12,10 per m2 terrein. </al><al/><al><vet><onderstreept>3.2 Tijdelijke voorziening
                        </onderstreept></vet></al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. </al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet><cursief>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen
                        </cursief></vet></al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: </al><al>€ 614,40* A + € 42.240,72</al><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting. </al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. </al><al/><al><vet><cursief>Huur van tijdelijke lokalen
                    </cursief></vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet><onderstreept>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                        </onderstreept></vet></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. </al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                    gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>152,33</al></entry></row><row><entry><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzoring/mode en commercie</al></entry><entry><al>356,02</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry><al>217,79</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>292,41</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al></entry><entry><al>373,51</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Consumptief</al></entry><entry><al>723,32</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Grafische techniek</al></entry><entry><al>1.382,87</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Landbouw</al></entry><entry><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                        gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en
                                        commercie;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                        kantoorpraktijk, etaleren;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Werkplaatsen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking,
                                        meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij,
                                        metaal, voertuigentechniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>landbouw: groen-praktijk;</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al><vet><onderstreept>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs
                    </onderstreept></vet></al><al/><al><vet><cursief>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding
                        </cursief></vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). </al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry><al>€ 15.248,88</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry><al>€ 21.021,37</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry><al>€ 29.523,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal
                        </cursief></vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor
                                        voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en
                                        het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal
                                        lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt
                                        aangesloten bij het vaste en variabele deel van de
                                        klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de
                                        gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                                        gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het
                                        klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik.
                                        Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het
                                        medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt,
                                        dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26
                                        klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te
                                        vergoeden. </al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt
                                        gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente
                                        een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het
                                        aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                                        wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de
                                        klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële
                                        exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet
                                        onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële
                                        instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een
                                        stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                                        hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het
                                        verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel
                                        van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de
                                        hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste
                                        en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair
                                        onderwijs.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs <cursief>en (voortgezet) speciaal
                        onderwijs</cursief> onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26.
                    Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren
                    resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor
                    voortgezet onderwijs moet vergoeden. </al><al/><al><vet><cursief>Huur sportvelden </cursief></vet></al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 20,18 per klokuur. </al><al/><al><vet><cursief>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair
                        </cursief></vet></al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry><al><vet>L.h.m</vet></al></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Eerste lokaal</al></entry><entry><al>1.044,35</al></entry><entry><al>62.276,68</al></entry><entry><al>63.321,03</al></entry></row><row><entry><al>Tweede lokaal</al></entry><entry><al>1.044,35</al></entry><entry><al>48.580,54</al></entry><entry><al>49.624,89</al></entry></row><row><entry><al>Derde lokaal</al></entry><entry><al>1.044,35</al></entry><entry><al>21.120,55</al></entry><entry><al>22.164,89</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>13.753,69</al></entry><entry><al>13.753,69</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1.587,68</al></entry><entry><al>1.587,68</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>4 Indexering
                    </onderstreept></vet></al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in
                    het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                    programma bekendgemaakt. </al><al/><al><vet><cursief>Werkelijke prijsontwikkeling
                    </cursief></vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. </al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar. </al><al>Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al/><al><vet><cursief>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma
                        </cursief></vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><al/><al><vet><onderstreept>5 Europese
                            aanbesteding</onderstreept></vet></al><al>Voor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van
                    de europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>4.845.000 excl. BTW voor werken.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al/><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan. </al><al/><al/><al><vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al/><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. </al><al>deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes
                    groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's
                    van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al><al/><al/><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee op 2013</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al/><al/><al/><al>J. Mimpen C.A. Kleijwegt</al><al/><al><vet>Bijlage V</vet></al><al>behorende bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    Goeree-Overflakkee</al><al/><al/><al><vet>Criteria voor urgentie van de aangevraagde voorzieningen</vet></al><al/><al/><al>1. Volgorde van hoofdprioriteiten </al><al>2. Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</al><al/><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al/><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al/><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen.</al></li></lijst><al><cursief>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van
                        andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en
                        het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover
                        van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                        vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                        bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                        hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                        inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                        hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                        heffen.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs.</al></li></lijst><al><cursief>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                        ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                        primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                        schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                        tweede hoofdprioriteit.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden.</al></li></lijst><al><cursief>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van
                        het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een
                        oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><al><cursief>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                        onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                        activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                        vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                        spoedeisend is.</cursief></al><al/><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</vet></al><al/><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al/><al>Onder <cursief>lesruimten</cursief> vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder
                        <cursief>niet-lesruimten</cursief> vallen: kabinetten, personeelsruimten en
                    overige nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip <cursief>overige ruimte</cursief> vallen: bergingen,
                    fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</al><al/><al><onderstreept>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om
                        capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt
                        voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="2."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="3."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                        adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma
                        in aanmerking:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="2."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="3."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="4."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="5."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te
                        voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                        aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt
                        voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="2."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is; </al></li><li nr="3."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is; </al></li><li nr="4."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="5."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn
                        als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="2."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="3."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="4."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="5."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="6."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst><al/><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee op 2013</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al/><al/><al/><al>J. Mimpen C.A. Kleijwegt</al><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Goeree-Overflakkee</vet></al><al/><al/><al>Algemene toelichting </al><al/><al>In juli 1996 is de wetswijziging die de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting naar gemeenten regelt door het parlement aangenomen. Dit
                    betekent dat gemeenten vanaf 1 januari 1997 de opdracht hebben om te voorzien in
                    adequate huisvesting voor het primair en het voortgezet onderwijs, op basis van
                    een verordening. De VNG heeft daarvoor een model gemaakt. In deze algemene
                    toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming van de Verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs. Er wordt een kort overzicht gegeven van de overwegingen
                    die tot de decentralisatie van de onderwijshuisvesting hebben geleid, van het
                    belang ervan en van de wet. Daarna wordt ingegaan op het belangrijkste
                    instrument dat gemeenten krijgen om de nieuwe taak uit te voeren: de
                    verordening. Een ander belangrijk instrument voor het gemeentelijk beleid is het
                    overleg met het onderwijsveld. Op dat overleg, en op de functie van de
                    verordening daarin, wordt tot slot ingegaan.</al><al/><al>Aanloop naar de decentralisatie van de onderwijshuisvesting </al><al>In 1991 werd in de Tussenbalans van het kabinet-Lubbers III aangekondigd dat de
                    decentralisatie van rijkstaken naar gemeenten en provincies krachtig zou worden
                    gestimuleerd. Een van de taken die volgens het rijk in principe in aanmerking
                    kwamen om te decentraliseren, was de verantwoordelijkheid voor de huisvesting
                    van het basis-, het speciaal en het voortgezet onderwijs. Met het IPO en de VNG
                    is hierover overleg gevoerd, hetgeen resulteerde in een afspraak met de VNG om
                    de mogelijkheden van decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar gemeenten
                    nader te bezien. Al snel stond vast dat het op zichzelf mogelijk was de
                    verantwoordelijkheid voor de voorzieningen die nu bij de minister van OCenW
                    aangevraagd moeten worden, over te dragen aan gemeenten. Veel belangrijker was
                    echter of het mogelijk was gemeenten in een zodanige positie te brengen dat er
                    sprake zou zijn van voldoende beleidsvrijheid, vergroting van efficiency en
                    financiële beheersbaarheid. Ook de autonomievergroting van schoolbesturen was
                    een belangrijke voorwaarde, evenals vermindering van rijksregelgeving. </al><al>Met inachtneming van deze voorwaarden is beschreven op welke wijze de overdracht
                    van taken zou kunnen plaatsvinden. Daarbij is uitgegaan van de overdracht van de
                    bijbehorende middelen naar het Gemeentefonds. In 1993 hebben kabinet en VNG een
                    akkoord gesloten over de decentralisatie van de onderwijshuisvesting. In dat
                    akkoord zijn ook afspraken gemaakt over een efficiencykorting. Aanvankelijk
                    wilde het kabinet een korting van 10% van het over te hevelen rijksbudget
                    doorvoeren, net zoals dat bij de andere projecten die vielen onder de
                    Decentralisatie-impuls het geval was. Uiteindelijk is een korting van f 125
                    miljoen, oplopend van f 25 miljoen in 1996 tot f 125 miljoen in 2000,
                    overeengekomen1. In dit bedrag is f 27 miljoen opgenomen als betaling voor de
                    overdracht van het economische eigendom van gebouwen voor voortgezet onderwijs
                    aan gemeenten. </al><al/><al>Het belang van de decentralisatie van de onderwijshuisvesting </al><al>De samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede
                    afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting van
                    de scholen. Bij de realisering van die huisvesting is het van belang een
                    situatie te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school is
                    toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de aanwending
                    van gemeenschapsgelden. In die twee uitgangspunten, maatwerk en efficiency, is
                    de belangrijkste reden voor de decentralisatie van de onderwijshuisvesting te
                    vinden. De centrale overheid is, om allerlei redenen, niet langer in staat
                    voldoende aan die uitgangspunten tegemoet te komen. Gemeenten worden daartoe wel
                    in staat geacht. Veel meer dan de rijksoverheid is het voor gemeenten mogelijk
                    bij het huisvestingsbeleid rekening te houden met de omstandigheden van de
                    school en de overige lokale omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door minder
                    rigide normen te hanteren dan de rijksoverheid en meer ruimte te creëren voor
                    overleg met het scholenveld, zonder overigens de gelijke behandeling van scholen
                    uit het oog te verliezen. </al><al>De decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van
                    belang voor de scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is de
                    nieuwe taak echter van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is
                    immers sprake van huisvestingsbehoefte. Dat geldt niet alleen voor zaken waar
                    gemeenten zich nu mee bezighouden - kinderopvang, volwasseneneducatie, sociaal
                    en cultureel werk etc. - maar ook voor nieuwe gemeentelijke beleidsterreinen als
                    onderwijsachterstandsbeleid. De aan gemeenten toebedachte rol van
                    beleidsbepalend coördinator en financier biedt nieuwe mogelijkheden om een
                    optimale afstemming tussen huisvestingsbehoefte, beschikbare
                    huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen te bewerkstelligen. Dat betekent
                    enerzijds dat meer efficiency bereikt kan worden. Anderzijds betekent dit ook
                    dat de inhoud van het lokale onderwijsbeleid via de huisvesting kan worden
                    ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het kader van het
                    achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt besteed aan een
                    bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden dat daar ook in
                    de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt gecreëerd. Het spreekt
                    voor zich dat dit gebeurt in goed overleg met de betrokken schoolbesturen. </al><al/><al>Ook buiten de sfeer van het onderwijs kan de nieuwe taak van gemeenten zijn
                    vruchten afwerpen. Nieuwe vormen van bouwen, bijvoorbeeld schoolwoningen, kunnen
                    worden gestimuleerd. Op zichzelf zijn daarvoor nu ook al mogelijkheden, maar het
                    is nog te vaak een kwestie van zeer lange adem om iets dergelijks gerealiseerd
                    te krijgen. </al><al>Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar ook andere
                    gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de
                    huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten.</al><al/><al>De wet </al><al>Aan het einde van de zittingsperiode van het vorige kabinet kwam het akkoord met
                    de VNG onder zware druk te staan. Het kabinet wenste de mogelijkheid om de
                    verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting door te decentraliseren aan
                    schoolbesturen in de wet op te nemen. Het kabinet-Kok heeft echter de
                    uitgangspunten van het oorspronkelijke akkoord met de VNG in het regeerakkoord
                    opgenomen. Onder meer hierdoor heeft het tot oktober 1995 geduurd voordat er een
                    wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd ingediend (Kamerstuk 24 455). Inmiddels
                    had de staatssecretaris van OCenW op aandringen van de VNG al besloten om de
                    invoering van de decentralisatie onderwijshuisvesting, die aanvankelijk gepland
                    was op 1 januari 1996, uit te stellen tot 1 januari 1997. Het wetsvoorstel is
                    zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer met een grote meerderheid aangenomen.
                    Tijdens de parlementaire behandeling is uitvoerig stilgestaan bij de financiële
                    implicaties van het wetsvoorstel. Dat heeft geresulteerd in een verruiming van
                    de overgangsregeling voor gemeenten die een fors financieel nadeel ondervinden
                    als gevolg van de verdeling van de onderwijshuisvestingsmiddelen naar het
                    Gemeentefonds. Ook zal door middel van een evaluatie na vijf jaar worden bezien
                    of de gekozen verdeelsystematiek bijstelling behoeft en of gemeenten in staat
                    zijn hun wettelijke verplichtingen na te komen. De staatssecretaris heeft een
                    jaarlijkse monitoring aan het parlement toegezegd waarbij, naast de financiële
                    aspecten, ook de lokale ontwikkelingen op het punt van de doordecentralisatie
                    worden bezien. Om vanuit het rijk voldoende waarborgen te bieden aan de scholen
                    is op verzoek van de Tweede Kamer een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel
                    aangebracht. Zo zullen bij algemene maatregel van bestuur minimale
                    oppervlaktenormen worden vastgesteld en is geregeld dat het openbaar en het
                    bijzonder onderwijs ook in procedurele zin gelijk worden behandeld. Een
                    belangrijke wijziging betreft de rol die de Onderwijsraad gaat vervullen. Indien
                    een bevoegd gezag meent dat bij de vaststelling van de verordening of bij de
                    vaststelling van het gemeentelijke programma voor de huisvestingsvoorzieningen
                    wordt gehandeld in strijd met de vrijheid van richting of van inrichting, dan
                    kan daarover een advies van de Onderwijsraad worden gevraagd. Dat advies kan ook
                    door de gemeente worden gevraagd. </al><al>Door inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn de Wet op het basisonderwijs
                    (WBO), de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs (ISOVSO), de Wet op
                    het voortgezet onderwijs (WVO) en de daarop gebaseerde overgangswetten (OWBO,
                    OISOVSO en OWVO) gewijzigd. De wijzigingen leiden ertoe dat grotendeels
                    eenzelfde huisvestingsregime voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs gaat
                    gelden. De belangrijkste elementen uit de wet zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeenteraad zorgt voor alle huisvestingsvoorzieningen op het
                            grondgebied van de gemeente. Het betreft hier de overdracht van de
                            zorgplicht van het rijk, die tegelijkertijd een territoriale beperking
                            krijgt;</al></li><li nr="2."><al>de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk
                            is worden benoemd. Dit zijn grotendeels de voorzieningen die nu bij de
                            minister kunnen worden aangevraagd;</al></li><li nr="3."><al>de gemeenteraad krijgt de opdracht een verordening vast te stellen. In
                            die verordening moet onder andere geregeld worden welke criteria de
                            gemeente hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen voor
                            de huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke eisen
                            schoolgebouwen moeten voldoen en welke procedures gelden voor aanvragen
                            van schoolbesturen. Voordat de verordening wordt vastgesteld, wordt
                            daarover overleg gevoerd met de schoolbesturen;</al></li><li nr="4."><al>aan de gemeenteraad wordt ook opgedragen jaarlijks een bedrag vast te
                            stellen. Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van
                            huisvestingsvoorzieningen in het daaropvolgende jaar en moet zodanig
                            worden vastgesteld dat daarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in de
                            huisvestingsbehoefte; </al></li><li nr="5."><al>als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd
                            programma te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma
                            bevat alle aangevraagde voorzieningen die het jaar daarop voor
                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komen. Verzoeken die worden
                            afgewezen komen op het zogenoemde overzicht te staan. De afwijzingsgrond
                            wordt daarbij vermeld;</al></li><li nr="6."><al>de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt geweigerd
                            indien:</al><lijst><li nr="1."><al>niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan;</al></li><li nr="2."><al>de voorziening niet noodzakelijk is;</al></li><li nr="3."><al>op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien,
                                    bijvoorbeeld door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen
                                    realiseren krijgt de gemeente het recht leegstaande lokalen te
                                    vorderen van een schoolbestuur;</al></li><li nr="4."><al>de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare
                                    nalatigheid van het schoolbestuur;</al></li><li nr="5."><al>het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend
                                    is;</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente met
                            een schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf
                            verantwoordelijk wordt voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor van
                            de gemeente jaarlijks een bedrag ontvangt; de zogenaamde
                            doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle huisvestingsvoorzieningen,
                            maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan voorwaarden
                            stellen aan de doordecentralisatie. </al></li></lijst><al/><al>De wet kent ook een aantal overgangsbepalingen. Deze dienen met name om te
                    bewerkstelligen dat er geen 'gat' ontstaat in de toekenning van
                    huisvestingsvoorzieningen door de overgang. De overgangsbepalingen komen er in
                    het kort op neer dat alle beschikkingen die nog door de minister zijn afgegeven,
                    door de gemeenten moeten worden gefinancierd. Dit zijn merendeels beschikkingen
                    voor permanente voorzieningen in 1997. Gemeenten moeten zelf beslissingen nemen
                    ten aanzien van een deel van de tijdelijke voorzieningen in 1997 en de
                    spoedvoorzieningen in 1997. Ter uitvoering van de overgangsbepalingen uit de wet
                    voorziet de modelverordening in een overgangsregeling, neergelegd in hoofdstuk 8
                    van de verordening. De eerste keer dat gemeenten in volle omvang zelf
                    beslissingen gaan nemen is in 1997, ten behoeve van voorzieningen voor
                    1998.</al><al/><al>De financiën </al><al>De overdacht van taken aan gemeenten gaat uiteraard gepaard met de overdracht
                    van middelen. Gezien de aard van de huisvestingstaak lag de keuze voor het
                    Gemeentefonds het meest voor de hand. </al><al>Vanaf 1 januari 1997 zal de huidige geldstroom voor huisvestingsvoorzieningen
                    van het ministerie van OCenW aan gemeenten worden stopgezet en worden vervangen
                    door een Gemeentefondsuitkering. </al><al>In de Financiële verhoudingswet is vastgelegd op welke wijze de verdeling van de
                    middelen plaatsvindt. Het gaat om een bedrag van ruim fl. 1,7 miljard, zijnde
                    het bedrag dat op dit moment door het rijk wordt ingezet voor de
                    onderwijshuisvesting.</al><al>In de memorie van toelichting bij de wijziging van de WBO, ISOVSO en WVO i.v.m.
                    de decentralisatie van de onderwijshuisvesting, alsmede in de Junicirculaire
                    Gemeentefonds 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken, is een uitvoerige
                    passage opgenomen over de verdeling van de middelen en de maatstaven die
                    daarvoor gebruikt worden.</al><al/><al>Het overleg met het lokale onderwijsveld; consensusmodel </al><al>Alvorens in de volgende paragraaf in te gaan op het formele instrument dat
                    gemeenten ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de
                    verordening), wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument van
                    het overleg. </al><al>In de wet is een aantal malen overleg met bijzondere scholen of hun
                    vertegenwoordigers voorgeschreven. Méér echter dan een wettelijke verplichting
                    is het overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te voeren.
                    Het is niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de intenties van
                    de gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de wensen en mogelijkheden
                    van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de onderwijshuisvesting wil
                    inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is goed overleg onontbeerlijk. </al><al>In de volgende paragraaf wordt onder andere beschreven wat het programma, het
                    overzicht en de urgentiecriteria inhouden. De toepassing van deze wettelijke
                    instrumenten kàn ertoe leiden dat het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het
                    van jaar tot jaar toe- en afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het
                    niet alleen onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van
                    een meerjarenperspectief is dan niet aan de orde. </al><al>Indien echter, in overleg met het onderwijsveld, gekomen kan worden tot een
                    meerjarenplanning kunnen de formele instrumenten in belangrijke mate achterwege
                    blijven. Van de scholen wordt dan gevraagd inzicht te geven in hun
                    meerjarenplanning en de daaruit voortvloeiende huisvestingswensen. De gemeente
                    geeft aan wat, naar verwachting, de financiële mogelijkheden zijn en of er
                    ontwikkelingen op andere gemeentelijke beleidsterreinen verwacht worden die
                    mogelijk van invloed zijn op de onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in
                    gezamenlijk overleg, een planning voor de komende jaren vastgesteld. Dat kan met
                    inachtneming van de urgentiecriteria die in de verordening vastliggen, maar hier
                    kan ook van worden afgeweken als daarover consensus bestaat. De
                    meerjarenplanning leidt vervolgens ieder jaar tot het plaatsen van een aantal
                    voorzieningen op het programma dat door de raad wordt vastgesteld. Dat vereist
                    overigens van de gemeente dat zij een reëel inzicht, ontleend aan de
                    meerjarenbegroting, geeft in de financiële mogelijkheden op langere termijn. Dit
                    systeem kan namelijk alleen werken als, weliswaar niet formeel maar wel
                    materieel, rechten ontleend kunnen worden aan de meerjarenplanning. Dat betekent
                    dat alleen in geval van calamiteiten van de meerjarenplanning wordt afgeweken.
                    Als die zich niet voordoen, rust op de gemeente ten minste de morele plicht om
                    de meerjarenplanning op de overeengekomen wijze uit te voeren. Uiteraard geldt
                    dan voor de schoolbesturen dat zij, calamiteiten daargelaten, geen aanvragen
                    indienen buiten de meerjarenplanning om. </al><al>Het vorenstaande betekent dat de urgentiecriteria in feite niet formeel
                    toegepast worden, omdat uitgegaan wordt van consensus met de schoolbesturen.
                    Slechts als er geen overeenstemming over de meerjarenplanning bereikt wordt,
                    wordt teruggevallen op de formele bepalingen uit de verordening.</al><al>Dit zogenaamde consensusmodel stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het
                    zowel om de agenda als de deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn
                    als het niet wordt beperkt tot de 'techniek' van de huisvesting, maar wordt
                    verbreed tot de voornemens en wensen van alle partijen op het brede
                    onderwijsterrein. Dat stelt uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is
                    alleen zinvol als men voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft.
                    Bovendien geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid
                    aan te brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar
                    onderwijs. Dat betekent bij voorkeur dat aan het overleg een representant van de
                    gemeente en een representant van het openbaar onderwijs deelnemen. Afhankelijk
                    van de mate van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en de keuze van de
                    directiestructuur kan de representant van het openbaar onderwijs een ambtenaar
                    van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale) directie zijn. Het is
                    uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen op een draagvlak binnen de
                    scholen die zij representeren. Om hiervan verzekerd te zijn kunnen bijvoorbeeld
                    de medezeggenschapsraden vooraf geconsulteerd worden. Als het openbaar onderwijs
                    is verzelfstandigd, neemt uiteraard het bevoegd gezag deel aan het overleg (zie
                    ook B1.3, Artikelsgewijze toelichting op de verordening procedure overleg
                    huisvesting onderwijs).</al><al>Voor het bijzonder onderwijs betekent dit deelname door het schoolbestuur zelf,
                    een representant daarvan met bestuurlijk mandaat of een vertegenwoordiger van
                    een aantal schoolbesturen. Met name in gemeenten met veel schoolbesturen zal een
                    praktische keuze gemaakt moeten worden, om het overleg niet op een 'Poolse
                    landdag' te laten uitlopen. </al><al>Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent niet dat er geen
                    verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere gemeente
                    waar zich basis-, speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een verordening te
                    hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt toegepast, hij is wel van
                    belang als 'vangnet' voor het geval er onverhoopt niet met alle schoolbesturen
                    consensus zou kunnen worden bereikt. Bovendien zullen ook de uitkomsten van het
                    consensusmodel tot de vaststelling van een programma (de beschikkingen) door de
                    gemeenteraad moeten leiden. In het overleg kan afgesproken worden dat bepaalde
                    procedurele aspecten van de verordening, zoals ten aanzien van de uitvoering van
                    beschikkingen, wel van toepassing zijn op het consensusmodel. </al><al/><al>De verordening </al><al>De wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak gestalte
                    te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te vormen van een
                    aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening
                    zodanig moet worden opgezet dat kan worden 'voldaan aan de redelijke eisen die
                    het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt'. </al><al>In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, die door iedere
                    gemeente op de gewenste lokale maat gesneden kan worden, is dat principe
                    uitgewerkt. Deze modelverordening is tot stand gekomen met medewerking van een
                    klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke vertegenwoordigers, en na uitgebreid
                    en constructief overleg met de besturenorganisaties voor het bijzonder
                    onderwijs. </al><al>De verordening bestaat voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de
                    wet moeten worden opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen
                    opgenomen. Op het eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen,
                    vrij omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de
                    voorkeur heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf
                    2.2.5) het huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig
                    van inhoud te zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om, ook
                    in beroep, de gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven leidt tot
                    meer bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt.</al><al>Bovendien vervangt de modelverordening het grootste deel van het omvangrijke
                    scala aan rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu eenmaal
                    niet dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk heeft, dus
                    alle regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten. Om een indruk
                    te geven: de modelverordening vervangt (delen van):</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bouwbesluit WBO/ISOVSO;</al></li><li nr="2."><al>Bekostigingsbesluit WBO/ISOVSO;</al></li><li nr="3."><al>Huisvestingsbesluit WBO/ISOVSO;</al></li><li nr="4."><al>Bekostigingsstelsel basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;
                            programma's van eisen huisvesting;</al></li><li nr="5."><al>Regeling subsidieplafond en verdelingsregels basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs;</al></li><li nr="6."><al>Regeling inzending bouwopdracht basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs;</al></li><li nr="7."><al>Regelingen m.b.t. de huisvestingsmeldingsformulieren basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs;</al></li><li nr="8."><al>Regelingen m.b.t. de modelprognoses;</al></li><li nr="9."><al>Regeling invoering architectenverklaring basisonderwijs en (voortgezet)
                            speciaal onderwijs;</al></li><li nr="10."><al>Huisvestingsbesluit WVO;</al></li><li nr="11."><al>Regeling huisvesting voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="12."><al>Programma's van eisen blijvende voorzieningen voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="13."><al>Programma's van eisen tijdelijke voorzieningen voortgezet
                            onderwijs;</al></li><li nr="14."><al>Programma's van eisen inventaris voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="15."><al>Ruimtelijk normeringssysteem (RNS) voortgezet onderwijs.</al></li></lijst><al/><al/><al>Uitgangspunten </al><al>In de modelverordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk
                    huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt
                    aangebracht tussen basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit niet
                    alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget vaststelt
                    voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij het opstellen
                    van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van één systematiek. </al><al>Om het mogelijk te maken dat het onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk
                    wordt ingebed in het totale gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en
                    toekenningsprocedure de gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze
                    wordt bewerkstelligd dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het
                    totaal aan beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                    huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in principe
                    dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze zijn het bedrag
                    op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met elkaar in
                    overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld budget, waarna
                    vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het budget toelaat. Een
                    dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan wordt aan de opdracht
                    tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke voorzieningen niet aan
                    bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen die niet absoluut
                    noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal budget is. Dat
                    'overtollige' budget kan wellicht beter ingezet worden voor andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen.</al><al>Een ander uitgangspunt van de verordening betreft de efficiency. Niet alleen
                    vanwege de vooraf opgelegde efficiencykorting, maar ook vanwege het algemene
                    belang om zo zorgvuldig mogelijk om te springen met gemeenschapsgelden, heeft
                    dit item een groot accent gekregen in de verordening. De inzet is het zoveel
                    mogelijk gebruik maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt tot
                    uitdrukking in de beoordelingscriteria die worden toegepast bij verzoeken om
                    nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
                    ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het uitgangspunt verlaten
                    dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht bestaat op een 'eigen'
                    gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke accommodaties die beschikbaar
                    worden gesteld voor het onderwijs. </al><al>Het maatwerk, een van de andere belangrijke redenen voor decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting, komt onder andere tot uitdrukking in de vergroting van
                    autonomie die aan schoolbesturen wordt gegeven. Niet langer worden
                    gedetailleerde eisen gesteld aan de vorm waarin een huisvestingsvoorziening
                    wordt uitgevoerd; er worden slechts minimale normen vastgelegd. Zo geldt
                    bijvoorbeeld een minimumoppervlakte voor een lesruimte, om te bewerkstelligen
                    dat een gebouw ook functioneel is voor eventuele andere gebruikers, maar geen
                    minimumnorm voor het totale gebouw. De modelverordening gaat ook niet uit van
                    een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot
                    onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst worden, dan wordt
                    de noodzaak ervan getoetst. Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in de wijze
                    waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot stand komt. De
                    wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen vastlegt. In de memorie
                    van toelichting is aangegeven dat dat ook kan inhouden dat met een zogenoemde
                    offertesystematiek wordt gewerkt. In de modelverordening is ervoor gekozen de
                    vergoeding voor alle voorzieningen waarvoor dat mogelijk is te normeren in de
                    vorm van een soort van programma's van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor dat
                    niet mogelijk is wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een
                    schoolbestuur bij de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling
                    daarvan wordt een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld. Als de voorziening
                    door de raad is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes. Op
                    basis daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op die
                    wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde maatwerk.
                    In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de vergoedingsbedragen
                    die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de offertelijn. </al><al>Over het geheel genomen is in de modelverordening geen sprake van een
                    principiële breuk met het huidige rijksbeleid. Zo zijn de normbedragen afgeleid
                    van de voormalige programma's van eisen en zijn bijvoorbeeld bij
                    verwijsafstanden grotendeels de rijkscriteria overgenomen. Waar mogelijk zijn
                    wel vereenvoudigingen aangebracht. De reden voor de vertaling van grote delen
                    van het rijksbeleid is tweeledig. Enerzijds is het bedrag dat wordt overgeheveld
                    naar gemeenten gebaseerd op dit beleid. Grote afwijkingen hiervan kunnen soms
                    tot meerkosten leiden. Anderzijds laat deze keuze alle mogelijkheden open om in
                    het overleg met de schoolbesturen tot een werkelijk lokale invulling te komen.
                    Zo kan bijvoorbeeld op lokaal niveau het beste ingeschat worden wat het betekent
                    als voor de verwijsafstand wordt gekozen voor een andere kilometergrens of een
                    afbakening van een bepaalde wijk. </al><al>De modelverordening is dan ook zodanig dat er voldoende ruimte is om er een
                    gemeentespecifieke invulling aan te geven.</al><al>Als laatste, maar zeker niet onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke
                    behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs genoemd worden. </al><al/><al>De structuur </al><al>De modelverordening is opgesteld volgens het 'ladenkastprincipe'. Dit houdt in
                    dat de bepalingen voor de onderwijssoorten die in een gemeente niet voorkomen,
                    gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Dat geldt ook voor facultatieve
                    bepalingen, zoals het toekennen van een vergoeding voor de kosten van
                    bouwvoorbereiding. Verder zijn alle bepalingen waar keuzen gemaakt zijn op het
                    gebied van termijnen duidelijk aangegeven. De gekozen termijnen kunnen zodoende
                    makkelijk vervangen worden.</al><al>De modelverordening bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit
                    geldt met name voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en
                    prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de modelverordening
                    daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de romp (zie onder 2.1)
                    staan bepalingen die in hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden, zoals de
                    begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de competentieverdeling tussen
                    raad en college van burgemeester en wethouders. Verder is een aantal
                    'kapstokbepalingen' opgenomen. Deze maken het mogelijk dat een nadere uitwerking
                    plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen vormen overigens in juridische zin
                    één geheel. De totstandkoming en wijziging van de bijlagen (zie onder 2.4)
                    zullen op dezelfde wijze dienen plaats te vinden als die van de romp. Dat
                    betekent overigens niet dat iedere wijziging tot een nieuwe vaststelling door de
                    gemeenteraad moet leiden. Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld
                    moeten worden, zoals normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan
                    burgemeester en wethouders</al><al/><al>De procedures van aanvragen en afhandeling[1] </al><al>Wat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke
                    begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien
                    noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van de
                    huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het schema op
                    blz. 11 wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten plaatsvinden,
                    waarbij met jaar 't' het jaar van uitvoering van de huisvestingsvoorziening door
                    het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven maanden zijn uiteraard
                    indicatief.</al><al>Het hiervoor beschreven proces kan zich in principe ieder jaar herhalen. Dit
                    betekent bijvoorbeeld dat op het moment van overleg met de schoolbesturen over
                    het raadsvoorstel voor het programma, ook het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over een eventuele wijziging van de Verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs kan plaatsvinden. Dit met inachtneming van het gestelde in de
                    Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs (B1).</al><al>Er is bij de aanvraagprocedures geen onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment
                    en voor hetzelfde programma aangevraagd. Dat kan ook omdat ten opzichte van het
                    systeem van vóór 1 januari 1997 de procedure voor de voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen met één jaar bekort is. Die voorzieningen worden nu het
                    jaar voorafgaand aan de realisering aangevraagd. Indien zich calamiteiten
                    voordoen, waarbij de voortgang van het onderwijs belemmerd wordt, kan een
                    spoedprocedure gevolgd worden. Door de verkorting van de reguliere procedures
                    zal hiervan naar verwachting weinig gebruik hoeven te worden gemaakt. </al><al/><al/><al/><al/><al>De normering </al><al>De wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële normen
                    vast te leggen. Ten aanzien van de financiële normering bestaan straks geen
                    centrale voorschriften meer. Het vastleggen hiervan is dus volledig overgelaten
                    aan gemeenten. Wel moet de vaststelling zodanig plaatsvinden, dat een
                    schoolbestuur vooraf weet waar het op kan rekenen.</al><al>Voor de bouwkundige normering is er wel sprake van centrale regelgeving. Met
                    name in het Bouwbesluit van VROM zullen eisen aan gebouwen, waaronder
                    schoolgebouwen, gesteld worden. Ook zijn in een algemene maatregel van bestuur
                    van OCenW minimale oppervlaktenormen gegeven (Uitvoeringsbesluit voorzieningen
                    in de huisvesting PO/VO, Stb. 1997, 125). Aanvullend daarop zijn in de
                    modelverordening enkele minimale eisen opgenomen.</al><al>De bouwkundige normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan
                    welke eisen nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de
                    bouwkundige normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de
                    functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te
                    beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet worden. </al><al>Omdat er in het primair onderwijs nog steeds discussies (en beroepszaken) lopen
                    over de precieze capaciteit van gebouwen, is het verstandig om bij de invoering
                    van de decentralisatie een zogenoemde nulmeting te houden. Aan de hand daarvan
                    kan worden vastgelegd wat de capaciteit van de gebouwen is op dat moment. Dit is
                    met name van belang als er een groot verschil is tussen de feitelijke
                    oppervlakte van een gebouw en het aantal leerlingen dat er volgens de normen in
                    zou moeten passen. De nulmeting zou eventueel uitgebreid kunnen worden met een
                    inventarisatie van de onderhoudstoestand. </al><al>Bijlage III, deel A, bij de modelverordening beschrijft een procedure voor de
                    nulmeting.</al><al>Zoals in paragraaf 2.2.6.1 al is aangegeven is voor de normering gekozen om het
                    huidige systeem dat door het rijk gehanteerd wordt, in grote lijnen over te
                    nemen. Dat betekent voor het primair onderwijs dat zal worden aangesloten bij de
                    Bouwbesluiten WBO en ISOVSO, en voor het voortgezet onderwijs bij het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM). Dit geschiedt vanuit drie overwegingen. Er is de
                    afgelopen jaren niet gebleken dat de bouwkundige normering in haar algemeenheid
                    te ruim of te krap zou zijn. Dat kan in individuele gevallen wel het geval zijn,
                    maar de modelverordening biedt de mogelijkheid tot maatwerk voor die specifieke
                    omstandigheden. Als algemene norm lijken de huidige normen dus bruikbaar. Ten
                    tweede dient er rekening mee gehouden te worden dat de huidige gebouwenvoorraad
                    grotendeels voldoet aan de huidige normen. Een afwijking daarvan in
                    gemeentelijke verordeningen zou een hausse aan aanvragen met zich mee kunnen
                    brengen. Tot slot, in aansluiting hierop, is het financiële aspect van belang.
                    Het budget dat aan gemeenten beschikbaar wordt gesteld, is gebaseerd op de
                    huidige normen. Een afwijking daarvan zal vermoedelijk eerder een opwaarts dan
                    een neerwaarts effect op de kosten geven.</al><al>Het overnemen van de rijksnormen betekent overigens niet dat daarmee ook de
                    starheid in uitvoering wordt overgenomen. In de toepassing van de normen zit de
                    mogelijkheid van maatwerk. Zo wordt ervan uitgegaan dat een schoolbestuur niet
                    per definitie de normoppervlakte behoeft te realiseren. Er is ten aanzien van de
                    indeling van een gebouw gekozen voor minimale eisen, om de vrijheid van een
                    schoolbestuur zo groot mogelijk te laten zijn. Wel wordt bijvoorbeeld bepaald
                    wat de minimumoppervlakte van een leslokaal moet zijn. Dit gebeurt om te
                    waarborgen dat een gebouw ook functioneel is voor een eventuele nieuwe
                    gebruiker. </al><al>Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties: een strikt
                    genormeerde lijn en een offertelijn. Ook kan een combinatie van beide worden
                    gekozen. De genormeerde lijn houdt in dat, net als nu, met programma's van eisen
                    gewerkt wordt, die precies aangeven welk bedrag voor welke voorziening staat. In
                    de verordening wordt aangegeven hoe die bedragen bijgesteld worden; uitvoering
                    daarvan is opgedragen aan burgemeester en wethouders. De offertelijn houdt in
                    dat het schoolbestuur voor een gewenste voorziening een aantal offertes vraagt,
                    op basis van vooraf vastgestelde uitgangspunten. Op basis van de overgelegde
                    offertes stelt de gemeente het vergoedingsbedrag vast. Met name voor
                    voorzieningen als aanpassingen en onderhoud kan de offertelijn uitkomst bieden,
                    vooral als gestreefd wordt naar maatwerk. Deze voorzieningen zijn immers zo
                    afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het gebouw, dat ze moeilijk
                    vooraf te normeren zijn. Die normering is echter wel mogelijk, en kan met name
                    voor gemeenten met veel scholen een uitkomst bieden. </al><al/><al>Beoordelings- en urgentiecriteria </al><al>Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek in
                    principe voor bekostiging in aanmerking komt. Voorbeelden van
                    beoordelingscriteria zijn een bepaling over met hoeveel leerlingen een school
                    moet groeien om in aanmerking te komen voor extra ruimte, of een bepaling dat
                    een prognose moet aantonen dat een bepaald aantal leerlingen gedurende een
                    bepaald aantal jaren de school zal bezoeken.</al><al>Als voldaan is aan de beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de
                    urgentiecriteria en het beschikbare budget vastgesteld of een voorziening
                    daadwerkelijk bekostigd wordt. Omdat als uitgangspunt is gekozen voor één budget
                    voor alle schoolsoorten, gelden de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten.
                    Dat betekent dat is gezocht naar een methode om verzoeken van verschillende
                    schoolsoorten onderling vergelijkbaar te maken. </al><al>De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier hoofdgroepen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen (te
                            weinig ruimte);</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                            handhaven;</al></li><li nr="3."><al>noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of
                            krachtens de wet gestelde verplichtingen (Arbo-besluit, Bouwbesluit,
                            brandveiligheidsvoorschriften);</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te heffen
                            die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                            bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere indeling gebouw), doch die
                            als zodanig niet verplicht zijn.</al></li></lijst><al/><al>De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een aantal
                    subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om
                    uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep moet
                    worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan bijvoorbeeld
                    door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei plaatsvindt, de
                    hoogste prioriteit heeft. </al><al/><al>Alle binnengekomen verzoeken worden dus eerst beoordeeld aan de hand van
                    wettelijke voorschriften en de gemeentelijke beoordelingscriteria. De
                    voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op het overzicht. De
                    voorzieningen die overblijven worden met behulp van de urgentiecriteria in
                    volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de hand hiervan bepaald
                    welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze komen op het
                    programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de bedragen die
                    op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het bedrag
                    bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor het
                    volgende jaar opneemt. De voorzieningen die 'onder de streep' belanden, worden
                    wegens ontoereikendheid van het budget op het overzicht geplaatst. Als er
                    voldoende budget is, komen alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op
                    één moment het bedrag, het programma en het overzicht vastgesteld. De
                    voorzieningen die het volgende jaar door de gemeente vergoed worden komen op het
                    programma; alle afgewezen verzoeken komen op het overzicht. </al><al/><al>Prognosecriteria </al><al>In de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen in de
                    meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. Tot voor kort werd een aantal prognosemodellen
                    voorgeschreven (Probo II voor basisscholen, Lasso voor speciale scholen voor
                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en het prognosemodel
                    huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de verordening burgemeester
                    en wethouders de bevoegdheid nadere regels vast te stellen. Als model hiertoe is
                    in samenwerking met de besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder
                    onderwijs een uitgewerkt 'programma van eisen voor leerlingprognoses' opgesteld.
                    In dit programma van eisen is tot op het niveau van de vereiste rekenregels
                    uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het
                    programma van eisen is een beschrijving gegeven van definities, begrippen en
                    formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste
                    basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de
                    school.</al><al>Het zou de voorkeur verdienen dat het 'programma van eisen voor
                    leerlingprognoses' ook gehanteerd zou kunnen worden voor de stichting van nieuwe
                    scholen. Op het moment van deze publicatie bestaat hierover echter nog geen
                    duidelijkheid.</al><al>Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek ligt voor de hand wanneer de
                    specifieke positie van enkele kleinere richtingen aan de orde is. Het betreft
                    hier met name gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en vrije scholen,
                    waarbij de kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote voedingsgebied een
                    wezenlijke rol spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden door op onderdelen
                    van de standaardsystematiek af te wijken of door deze systematiek op een
                    bepaalde manier toe te passen.</al><al/><al>Vaststelling van de verordening </al><al>Op de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende
                    bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO, de
                    WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen.</al><al>De grondslag voor de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de
                    Grondwet. De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt
                    dientengevolge over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de
                    openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de
                    huishouding van de gemeente (artikel 150 Gemeentewet). Daarnaast is de raad op
                    grond van artikel 109, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen te
                    treffen die door hogere regelingen worden gevorderd. Daarvan is in het geval van
                    de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs sprake. </al><al>De regelgevende bevoegdheid van de raad kan worden gedelegeerd aan burgemeester
                    en wethouders behalve als het verordeningen betreft die worden gehandhaafd door
                    strafbepaling of bestuursdwang. Bij de vaststelling van de
                    huisvestingsverordening is in het model niet gekozen voor delegatie aan
                    burgemeester en wethouders. Dit voornamelijk gelet op de reikwijdte van de
                    verordening en gezien burgemeester en wethouders tevens bevoegd gezag van de
                    openbare scholen kunnen zijn. De uitvoering van de verordening is in de
                    modelverordening in een aantal gevallen wel aan burgemeester en wethouders
                    opgedragen. De raad stelt de verordening vast bij volstrekte meerderheid van
                    stemmen (artikel 30 Gemeentewet). Om verbindende werking te verkrijgen moet
                    vervolgens krachtens artikel 140 Gemeentewet de bekendmaking van het besluit
                    plaatsvinden. Dit gebeurt 'door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij
                    gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen
                    verkrijgbaar gestelde uitgave'. </al><al>De inwerkingtreding van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening volgt
                    in beginsel op de achtste dag na de bekendmaking van het besluit, tenzij een
                    ander tijdstip voor inwerkingtreding is aangewezen (artikel 143 Gemeentewet). In
                    de modelverordening is voor dit laatste gekozen, door uit te gaan van 1 januari
                    1997 als datum van inwerkingtreding.</al><al>Of er een inspraakprocedure voorafgaat aan de vaststelling van de verordening,
                    hangt af van hetgeen de gemeentelijke inspraakverordening daarover bepaalt. In
                    zijn algemeenheid zal er geen inspraakprocedure gelden, omdat verordeningen
                    meestal niet onder de werking van de inspraakverordeningen vallen. </al><al>Van preventief toezicht (goedkeuring) door gedeputeerde staten is in het geval
                    van de huisvestingsverordening geen sprake. De huisvestingsverordening valt niet
                    onder de categorie besluiten waarvoor die vorm van toezicht geldt. Van
                    repressief toezicht (vernietiging bij koninklijk besluit) kan theoretisch sprake
                    zijn. Artikel 265 van de Gemeentewet bepaalt dat alle besluiten van het
                    gemeentebestuur vernietigd kunnen worden voor zover zij in strijd zijn met het
                    recht of het algemeen belang. Aan de burgemeester is opgedragen om, door
                    tussenkomst van gedeputeerde staten, melding te maken van dergelijke besluiten
                    bij de kroon. Ter bescherming van de autonomie van gemeenten wordt uiterst
                    terughoudend met het repressieve toezicht omgegaan.</al><al>De onderwijswetten kennen ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van
                    de huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217
                    WVO dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de
                    gemeenteraad een procedure vaststellen. Een modelverordening voor dat overleg is
                    in dit handboek onder B1 opgenomen.</al><al>Artikel XIX van de Decentralisatiewet onderwijshuisvesting geeft twee bepalingen
                    omtrent de huisvestingsverordening. De eerste heeft betrekking op de regeling
                    die vastgesteld moet worden voor de afhandeling van aanvragen die nog bij de
                    minister van OCenW zijn ingediend. Deze regeling moet vóór 1 januari 1997 worden
                    vastgesteld. Hiervoor geldt niet dat overleg moet zijn gevoerd met
                    vertegenwoordigers van alle scholen die niet door de gemeente in stand worden
                    gehouden. In de regeling op basis van artikel XIX is in de modelverordening
                    voorzien door een aantal overgangsbepalingen in hoofdstuk 8. </al><al>Lid 2 van artikel XIX bepaalt dat de gemeentelijke huisvestingsverordening ten
                    minste wordt vastgesteld acht weken voordat aanvragen voor het programma kunnen
                    worden ingediend. Uitgaande van de indieningsdatum van 1 februari in de
                    modelverordening, moet de gemeentelijke huisvestingsverordening dus vóór 7
                    december 1996 worden vastgesteld. </al><al>De vaststelling van de overgangsbepalingen en de eigenlijke verordening kan op
                    hetzelfde tijdstip plaatsvinden wanneer dit tijdstip ligt voor 7 december 1996.
                    De inwerkingtreding van de verordening kan vervolgens met ingang van 1 januari
                    1997 plaatsvinden.</al><al/><al>Rechtsbescherming </al><al>De WPO, de WEC en de WVO verklaren wat de rechtsbescherming betreft de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Tegen de vaststelling van de verordening
                    is geen bezwaar of beroep mogelijk; de Awb sluit dat op dit moment uit. Per 1
                    januari 1999 wordt dat mogelijk anders. Het is namelijk de bedoeling dat artikel
                    8:2 Awb, dat onder andere de algemeen verbindende voorschriften uitsluit van
                    bezwaar en beroep, op die datum komt te vervallen. </al><al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                    besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                    modelverordening gekregen. In diverse bepalingen zijn termijnen voorgeschreven
                    waarbinnen besluiten moet worden genomen, er wordt voldaan aan de hoorplicht
                    door middel van het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van het programma
                    en er zijn bepalingen opgenomen omtrent motivering en bekendmaking van
                    besluiten. </al><al>Over de rechtsbescherming die van toepassing is nadat de gemeente een besluit op
                    grond van de verordening heeft genomen, wordt in de modelverordening zelf niets
                    bepaald; hier gelden onverkort de bepalingen van de Awb. Dit betekent dat een
                    besluit van de gemeente, genomen op grond van de verordening, openstaat voor
                    bezwaar en daarna voor beroep. In het besluit geeft de gemeente aan dat binnen
                    zes weken na bekendmaking bezwaar kan worden gemaakt, ofwel bij de raad, ofwel
                    bij burgemeester en wethouders (afhankelijk van het orgaan dat het besluit
                    genomen heeft). Tevens wordt aangegeven dat binnen zes weken na bekendmaking een
                    voorlopige voorziening bij de president van de arrondissementsrechtbank kan
                    worden gevraagd. Dit recht ontstaat tegelijkertijd met het recht om bezwaar te
                    maken. </al><al>Indien de heroverweging op grond van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden, en
                    deze leidt niet tot een gewijzigd besluit, dan moet in de mededeling daarvan aan
                    degene die bezwaar heeft gemaakt worden aangegeven dat binnen zes weken na
                    ontvangst van die mededeling beroep kan worden aangetekend bij de
                    administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank. Van de uitspraak van de
                    rechtbank kan in hoger beroep worden gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State.</al><al>Een nieuwe vorm van rechtsbescherming betreft de introductie van een advies van
                    de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een schoolbestuur kan een dergelijk
                    advies vragen. Het advies van de Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader
                    van de vaststelling of wijziging van de verordening, en in het kader van de
                    vaststelling van het jaarlijkse huisvestingsprogramma. Indien een schoolbestuur
                    van mening is dat het voorgenomen besluit van de gemeente ten aanzien van de
                    verordening of het huisvestingsprogramma in strijd is met de vrijheid van
                    richting of inrichting, kan daarover advies worden gevraagd. Het advies wordt
                    binnen vier weken gegeven. Bij het definitieve besluit houdt de gemeente
                    rekening met het advies; een eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd
                    worden. </al><al/><al>Ten slotte </al><al>Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van de
                    wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de
                    verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 2.2.5 is verwoord
                    dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in overleg met de
                    schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te geven. Daarbij kunnen
                    dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen betrokken worden. De modelverordening is geschreven voor alle
                    Nederlandse gemeenten. Daarbij kan onmogelijk volledig recht gedaan worden aan
                    de verschillende lokale omstandigheden. Het is daarom van groot belang de
                    verordening te beschouwen als een dynamisch beleidsinstrument, dat op de maat
                    van de individuele gemeente gesneden wordt en dat ook, waar nodig, regelmatig
                    aangepast wordt. Naast de modelverordening zal de VNG gemeenten ook andere
                    handreikingen bieden om het huisvestingsbeleid gestalte te geven. Hierbij kan
                    gedacht worden aan een handreiking omtrent doordecentralisatie en het efficiënt
                    omgaan met bestaande en nieuwe gebouwen. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Considerans</vet></al><al>Reikwijdte verordening</al><al>De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten over de
                    onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden. Zo
                    kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs volstaan met een
                    verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze gemeente - afgezien van
                    de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het onderscheid naar onderwijssoort
                    niet relevant is - met minder bepalingen/bijlagen kan volstaan dan een gemeente
                    die beschikt over voorzieningen voor zowel basisonderwijs, (voortgezet) speciaal
                    onderwijs als voortgezet onderwijs. Indachtig het 'ladenkast-principe' kunnen
                    uit de tekst van de modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt
                    wanneer in een gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is.
                    Wanneer deze situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de
                    verordening alsnog aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het
                    verdwijnen van een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te
                    zijn, omdat dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van
                    de ene op andere dag voltrekken.</al><al>De hiervoor geschetste benadering kan in juridische zin worden gebaseerd op de
                    wettelijke bepaling dat 'de verordening zodanig wordt vastgesteld dat kan worden
                    voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van de
                    scholen in de gemeente stelt'. Met andere woorden: wanneer er geen scholen voor
                    voortgezet onderwijs (inclusief nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente
                    aanwezig zijn, dan is er ook geen sprake van de (juridische) noodzaak om te
                    voldoen aan de redelijke eisen van de onderwijshuisvesting van de
                    'niet-aanwezige scholen'.</al><al/><al>Delegatie raad aan burgemeester en wethouders</al><al>De bevoegdheidsverdeling tussen burgemeester en wethouders en de raad wijkt in
                    de verordening op sommige onderdelen af van de in de wetgeving neergelegde
                    verdeling. Dit is gedaan om een betere aansluiting te bereiken op de gangbare
                    gemeentelijke bestuurspraktijk. Impliciet betekent dit dat bij vaststelling van
                    de verordening de raad een aantal zaken delegeert aan burgemeester en
                    wethouders. De basis voor deze delegatie is neergelegd in artikel 156 van de
                    Gemeentewet. Met de vaststelling van de verordening bepaalt de raad dus wat hij
                    aan bevoegdheden aan zich wil houden en op welke onderdelen de uitoefening van
                    bevoegdheden wordt gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.</al><al>Het is dus niet noodzakelijk dat de raad hierover, naast de vaststelling van de
                    verordening, nog een afzonderlijk delegatiebesluit neemt.</al><al>Indien de modelverordening in zijn geheel wordt overgenomen, dan betekent dit
                    dat de raad de volgende in de wet aan hem toebedeelde bevoegdheden/taken
                    delegeert aan burgemeester en wethouders:</al><lijst><li nr="1."><al>de beslissing om aanvragen die niet op tijd of uiteindelijk incompleet
                            zijn ingediend, buiten behandeling te laten (zie artikel 7, derde
                            lid);</al></li><li nr="2."><al>het plegen van overleg met het onderwijsveld voorafgaande aan de
                            vaststelling van een programma (zie artikel 10, lid 1 t/m 4);</al></li><li nr="3."><al>het, al dan niet uit eigen beweging, indienen van een verzoek om advies
                            aan de Onderwijsraad over het vast te stellen programma (zie artikel 10,
                            lid 5 t/m 10);</al></li><li nr="4."><al>de beslissing omtrent het tijdstip waarop de bekostiging van een door de
                            raad toegekende huisvestingsvoorziening een aanvang kan nemen (zie
                            artikel 16);</al></li><li nr="5."><al>de toetsing of op het hiervoor genoemde tijdstip is voldaan aan de bij
                            of krachtens de wet gestelde voorschriften en of de feiten en
                            omstandigheden waarin de school verkeert niet ingrijpend zijn gewijzigd
                            ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de
                            vaststelling van het programma (zie artikel 15 en 16);</al></li><li nr="6."><al>de beslissing over aanvragen voor voorzieningen met een spoedeisend
                            karakter (zie artikel 19 e.v.);</al></li><li nr="7."><al>de jaarlijkse prijsbijstelling van de op normatieve wijze bepaalde
                            vergoedingen voor toegekende huisvestingsvoorzieningen (zie artikel
                            41).</al></li></lijst><al/><al>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordening</al><al>Het wettelijk voorgeschreven 'op overeenstemming gericht' overleg tussen de
                    gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                    verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                    mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om
                    dit belang te benadrukken is dit overleg in de considerans aangehaald. Het op
                    overeenstemming gericht overleg dient te worden gevoerd aan de hand van een door
                    de gemeenteraad vastgestelde procedure. Met de modelverordening 'procedure
                    overleg huisvesting onderwijs' (zie onder B1/1.1) kan hierin worden voorzien. </al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de
                    gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                    onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting
                    te komen in de modelverordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke
                    beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen,
                    criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke
                    behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum
                    voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle
                    schoolbesturen dezelfde zijn. </al><al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen
                    om onder de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle
                    schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van
                    de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                    onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder
                    onderwijs.</al><al>In het geval dat burgemeester en wethouders bestuur zijn van een openbare school
                    waarvoor een huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit dat
                    burgemeester en wethouders dus gehouden zijn aan dezelfde procedures en
                    termijnen als een bestuur van een bijzondere school, een bestuurscommissie ex
                    artikel 82 van de Gemeentewet waaraan de schoolbestuurlijke zorg voor de
                    huisvesting is overgedragen of een openbaar lichaam dat krachtens een
                    gemeenschappelijke regeling een openbare school in stand houdt.</al><al>Dit kan tot de op het eerste gezicht wellicht wat wonderlijke situatie leiden
                    dat burgemeester en wethouders voor de in de verordening opgenomen
                    indieningsdatum 'bij zichzelf' een aanvraag indienen. In de gemeentelijke
                    bestuurspraktijk is dit geen novum. Zo komt het bijvoorbeeld geregeld voor dat
                    burgemeester en wethouders bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning voor
                    een gemeentelijk project indienen.</al><al>Dit alles vergt wel dat burgemeester en wethouders hiermee zorgvuldig omgaan, in
                    die zin dat men altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente
                    in stand gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de 'eigen' aanvragen ook
                    daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere
                    aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>tekst artikel De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden
                    aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden
                    toegewezen. Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de
                    omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik
                    van deze verordening. Louter op deze grond kan de gemeente een dergelijke
                    voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen
                    weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen voorziening
                    in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste
                    lid, onder a WPO).</al><al>Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de opsomming
                    van de onderhoudsactiviteiten (zie bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet
                    gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2,
                    onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als
                    voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het
                    buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de
                    materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk
                    ontvangt.)</al><al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een
                    limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming
                    van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al><al/><al>Ad a.</al><al>1 Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2 Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair
                    onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal één
                    groep. </al><al>3 Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de wet
                    niet voor, maar wordt daar aangeduid met 'bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat
                    als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                    voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan
                    een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</al><al>4 Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw (men
                    kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                    permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw). </al><al>5 Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een
                    onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het primair
                    onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar
                    plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                    huisvestingsvoorziening.</al><al>6/7 Het onderscheid tussen onderwijsleerpakket en meubilair is gemaakt om bij
                    een uitbreiding op basis van de toepassing van de 'gewichtenscore' in het
                    basisonderwijs alleen de voorziening OLP te hoeven toekennen. De handelwijze om
                    bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande meubilair en
                    onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een verscherping ten
                    opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in het kader van het
                    bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal niveau te
                    rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer-
                    en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</al><al>8 Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik
                    zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                    gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een school
                    (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie). De genoemde
                    schoolsoorten in het (v)so betreffen de volgende. Voor een bad voor
                    bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                    voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen. </al><al/><al>Ad b en c</al><al>Het kan tot verwarring leiden dat de term 'aanpassing' in het primair onderwijs
                    iets anders betekent dan in het voortgezet onderwijs (daar betekent het vooral
                    onderhoud). Bovendien is onderhoud in het voortgezet onderwijs geen voorziening
                    die in de wet wordt onderscheiden en kan daardoor dus niet worden aangevraagd.
                    In bijlage I van de modelverordening zijn daarom ter verduidelijking de
                    overzichten, die ook onderdeel vormen van de toelichting op de wet, overgenomen.
                    In deze overzichten is aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair
                    onderwijs (overzicht I-1) en welke activiteiten behorend tot de aanpassingen
                    voortgezet onderwijs (overzichten I-2 en I-3) in beginsel voor rekening van de
                    gemeente kunnen worden gebracht. Daarnaast is in bijlage I verder inhoud gegeven
                    aan de voor de invoering van de decentralisatie in het primair onderwijs
                    gehanteerde begrippen 'partiële en algehele aanpassing'. Hiermee is in bijlage I
                    de concrete inhoud van de begrippen aanpassing en onderhoud aangegeven.</al><al/><al>Ad d</al><al>Voor het begrip constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op
                    de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een
                    directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op
                    grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het
                    herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen
                    van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                    procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                    financiële weigeringsgrond van toepassing. Voor het voortgezet onderwijs geldt
                    dat het herstel van een constructiefout aan de binnenzijde van een gebouw voor
                    rekening komt van het schoolbestuur, voor zover de kosten hiervan het bij
                    algemene maatregel van bestuur vast te stellen drempelbedrag niet overschrijden
                    (zie artikel 76c en 207 WVO).</al><al/><al>Ad e</al><al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet
                    nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</al><al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een
                    gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van
                    deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma
                    of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn
                    voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</al><al>Dit pleit ervoor om in ieder geval de kleinere schaden door burgemeester en
                    wethouders te laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure. Er wordt nog
                    bezien of voor de afwikkeling van dergelijke schaden een lichtere procedure kan
                    worden getroffen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de praktijk zoals die
                    zich heeft ontwikkeld in het voortgezet onderwijs in relatie tot het collectief
                    verzekeringscontract. Deze praktijk houdt in dat bepaalde schaden (met name
                    glasschade) rechtstreeks door de schoolbesturen kunnen worden afgewikkeld met
                    een door de verzekeraars ingesteld bureau dat belast is met de afwikkeling. Het
                    collectief contract, deze werkwijze incluis, wordt voor het jaar 1997
                    voortgezet. Op weg naar 1998 zal door alle betrokkenen worden bezien in hoeverre
                    deze handelwijze ook na 1997 kan worden voortgezet en wellicht worden verbreed
                    naar het primair onderwijs. Indien dit haalbaar mocht zijn dan kan een groot
                    deel van de schadegevallen buiten de verordening om worden afgehandeld. Alleen
                    voor de grotere schadegevallen zal dan de verordening in stelling moeten worden
                    gebracht. </al><al/><al>Ad f</al><al>Evenals voor de invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een
                    schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een
                    vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet></al><al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                    vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom
                    verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                    voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een
                    facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht
                    daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van 'kenbaar bestuur',
                    waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is
                    ervoor gekozen om in de modelverordening een bepaling op te nemen waarmee de
                    lokale overheid aangeeft of, en zo ja ten aanzien van welke soort van
                    huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de mogelijkheid van een
                    bouwvoorbereidingskrediet opent.</al><al/><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat
                    een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar
                    aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht
                    aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                    voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het
                    kader van de bouwplanontwikkeling.</al><al/><al>In hoofdstuk 4 van de modelverordening wordt de aanvraag- en
                    besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is
                    uitgegaan van een - ook in tijd bezien - gelijkschakeling met de
                    aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het
                    programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding
                    voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén voorziening in de
                    huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan
                    zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel vormt de 'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld
                    voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                    huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programma-vaststelling, de
                    spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de
                    in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van
                    de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar: een normatieve en
                    een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden. Ook hier is uit
                    oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor gekozen om voorafgaande aan de indiening
                    van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per voorziening aan te geven
                    welke benadering ten aanzien van de vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de
                    verordening dient per voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering
                    van toepassing is. Deze afweging dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien
                    van de voorzieningen in de huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten
                    van bouwvoorbereiding. Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en
                    uit artikel 25, derde lid, onder h van de modelverordening. Bij de te maken
                    afweging ligt het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf
                    te normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een
                    vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                    feitelijke kosten (de zgn. offertelijn). </al><al>Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de
                    modelverordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is
                    bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende
                    voorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen;</al></li><li nr="2."><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="3."><al>herstel en vervanging in verband met schade;</al></li><li nr="4."><al>aanpassingen aan gebouwen;</al></li><li nr="5."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li><li nr="6."><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                            huisvestingsvoorziening;</al></li><li nr="7."><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen</al></li><li nr="8."><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="9."><al>medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of
                            bewegingstherapie in het (v)so.</al></li></lijst><al/><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze worden
                    gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de potentiële
                    aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing is op een
                    voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn).</al><al>Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                    genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in
                    bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</al><al>Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                    offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                    huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst
                    deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                    bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling
                    van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de
                    voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op
                    basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling
                    van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze
                    bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te
                    verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van
                    de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel
                    112 WPO). Ook hier is omwille van de duidelijkheid voor zowel de schoolbesturen
                    als de gemeente gekozen voor een zo concreet mogelijke invulling van de inhoud
                    van de informatieverstrekking in de verordening. Artikel 5 omvat het
                    informatieverkeer zoals dat zich voltrekt tussen schoolbestuur en lokale
                    overheid, ongeacht of er sprake is van een verzoek om vergoeding van een
                    huisvestingsvoorziening. De gemeente moet immers over een adequaat en daarmee
                    up-to-date bestand beschikken van gegevens die relevant zijn voor de
                    onderwijshuisvesting. Dit bestand vormt vaak het vertrekpunt bij de beoordeling
                    van de huisvestingswensen.</al><al>De leden 1 t/m 4 hebben betrekking op informatie die het schoolbestuur uit eigen
                    beweging dient te verstrekken aan burgemeester en wethouders.</al><al>Het vijfde lid ziet op een informatie-verplichting van een schoolbestuur op een
                    expliciet verzoek daartoe van burgemeester en wethouders.</al><al>Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere
                    terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken
                    informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke
                    zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een dergelijke
                    functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.</al><al>Zoals in het informatie-artikel is beschreven, valt de gegevensuitwisseling te
                    onderscheiden in basis- en periodieke gegevens. Basisgegevens betreffen 'basale'
                    gegevens over het bevoegd gezag, over de school en over de huisvestingssituatie
                    van de school. De basisgegevens, die per 1 januari 1997 worden aangetroffen en
                    verzameld, zullen bijvoorbeeld samen de input vormen van de 'nulmeting' (zie ook
                    bijlage III, deel A). De nulmeting is de basis op grond waarvan de bestaande
                    huisvestingssituatie in termen van aanwezige capaciteit wordt vastgelegd.</al><al>De basisgegevens zullen in de regel niet frequent wijzigen. Bij wijziging dienen
                    de veranderde gegevens, door het bevoegd gezag wel gemeld te worden bij
                    burgemeester en wethouders teneinde het gegevensbestand up-to-date te
                    houden.</al><al>Daarnaast worden de periodieke gegevens onderscheiden. De belangrijkste hiervan
                    is de jaarlijkse leerlingtelling, gezien de directe relatie tussen het aantal
                    leerlingen en de benodigde huisvestingscapaciteit. Omdat deze telgegevens
                    dermate belangrijk zijn voor de uitvoering van de huisvestingstaken, is de
                    verstrekking daarvan expliciet opgenomen in de modelverordening. Met de
                    jaarlijkse opgave van het aantal leerlingen worden de 'telformulieren' bedoeld
                    die de schoolbesturen op basis van het bekostigingsbesluit WPO dienen te
                    verstrekken aan de minister van OCenW.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de algemene toelichting op de verordening is de procedure (koppeling aan
                    gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad) uitgebreid
                    beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat er voor
                    de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot een zorgvuldige
                    vaststelling van het programma. Dit behoeft allerminst uit te sluiten dat naar
                    gelang de lokale situatie (zoals de omvang van de gebouwenvoorraad en de hiermee
                    samenhangende omvang van het te verwachten aantal aanvragen, de mogelijke
                    aanwezigheid van een meerjarige planning en hieraan gekoppelde afspraken over de
                    huisvesting en de inrichting van de eigen organisatie) de voorbereidingstijd
                    wordt bekort en dus van een later tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1
                    maart of 1 april). Een verlenging van deze periode door het vervroegen van de
                    indieningsdatum ligt minder voor de hand. Het tijdstip tussen indiening van de
                    aanvraag en de beslissing daarop wordt dan aan de lange kant. Daarmee zou een
                    belangrijk winstpunt ten opzichte van de procedures (OVH- en IS-procedures) die
                    golden vóór invoering van de decentralisatie, aan kracht inboeten. Dit winstpunt
                    heeft betrekking op het feit dat de procedures voor de voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen met ongeveer een jaar bekort worden.</al><al>In de modelverordening is een sanctie verbonden aan een te late indiening van de
                    aanvraag. Deze aanvraag wordt door burgemeester en wethouders niet in
                    behandeling genomen. Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat
                    de aanvraag niet door burgemeester en wethouders verder wordt betrokken bij van
                    de voorbereiding van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het
                    uiteindelijke voorstel daarover aan de raad.</al><al/><al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij
                    de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: 'Het overzicht
                    [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van
                    door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen
                    worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg
                    zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet
                    toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                    huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.
                    De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                    informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in
                    een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                    huisvestingsplan.' (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).</al><al/><al>Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                    instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan
                    'dwingen' om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een
                    meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake
                    is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                    waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo'n
                    meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</al><lijst><li nr="1."><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis
                            van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en
                            voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.);</al></li><li nr="2."><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in
                            het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging;</al></li><li nr="3."><al>een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                            meerjarenbegroting.</al></li></lijst><al/><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van 'integrale huisvestingsplannen' en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</al><lijst><li nr="1."><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren
                            van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand;
                            capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar de behoefte
                            aanwezig is);</al></li><li nr="2."><al>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting
                            van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt
                            het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van
                            voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en waarmee
                            rekening was gehouden.</al></li></lijst><al/><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                    afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke aanpak
                    effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de schoolbesturen (al
                    dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt
                    in de algemene toelichting plaatst een dergelijk 'consensusmodel' de werking van
                    de verordening in een ander daglicht. De verordening met al zijn normen en
                    criteria is dan meer iets dat de gemeente achter de hand heeft in het geval het
                    consensusmodel niet (meer) werkt. De verordening verkrijgt hiermee meer een
                    'vangnetfunctie'. Daarnaast houdt de verordening zijn formele functie voor wat
                    betreft de uiteindelijke toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing
                    op het programma. Het gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het
                    kader van het consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze
                    afspraken de voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen.
                    Hiermee vindt de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming
                    van de door de wetgever gestelde kaders.</al><al>Het inhoudelijke zwaartepunt van het lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt
                    echter vast in de afspraken over het 'integraal huisvestingsplan', die jaarlijks
                    worden herijkt. De inhoud en duur van de afspraken zal verschillen naargelang de
                    lokale omstandigheden.</al><al/><al>Er is van af gezien om in de modelverordening (facultatieve) bepalingen op te
                    nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen.
                    Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken
                    over een dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het
                    kader van de vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de
                    vormgeving van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze
                    afspraken is het opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de
                    aangewezen weg. Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van
                    dergelijke bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op
                    vrijwillige basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele
                    wettelijke kaders.</al><al/><al>Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van indiening van
                    aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                    vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer
                    men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige</vet><vet>aanvraag</vet></al><al>Het eerste lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke
                    aanvraag moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier,
                    worden deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen. </al><al>In het tweede lid zijn een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd. </al><al>Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                    voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn in navolging op het beleid dat
                    van kracht was voor de decentralisatie, enkele uitzonderingen van toepassing.
                    Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket
                    en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is om de capaciteit van de
                    bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor herstel van
                    constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden en
                    aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                    onderwijs. </al><al>In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties de
                    prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                    worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een (getalsmatig)
                    gezonde, levensvatbare basisschool. Overwogen kan worden hiervoor een
                    aanvullende bepaling op te nemen in de verordening waarbij burgemeester en
                    wethouders de mogelijkheid hebben om op verzoek van het schoolbestuur de
                    prognose-eis te laten vallen, indien de aard van de gevraagde voorziening
                    daartoe aanleiding geeft. Aan de andere kant is het ook denkbaar dat de gemeente
                    in de verordening wel een prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan
                    nu is uitgezonderd. Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand
                    schoolgebouw (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met
                    schade). Een prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de
                    school in haar oorspronkelijke omvang te herbouwen.</al><al>Overigens is het ook mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen uit
                    het model, wanneer op lokaal niveau overeenstemming bestaat over de toepassing
                    en het resultaat (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een
                    prognosemethodiek. Eén instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het
                    gemeentelijk apparaat dat belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast met
                    de operationalisatie van de methodiek.</al><al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven.</al><al>Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de
                    beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het gewenste
                    onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. Ook ten aanzien hiervan
                    wordt de praktijk van vóór 1 januari 1997 gecontinueerd. De bouwkundige
                    rapportage dient een tweeledig doel:</al><lijst><li nr="1."><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud;</al></li><li nr="2."><al>vaststelling van de mate van urgentie.</al></li></lijst><al/><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door burgemeester en wethouders vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'.
                    Bij de opzet van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de
                    Rijksgebouwendienst ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze
                    voor de decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd
                    toegepast.</al><al>Lid 3-5 Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling
                    gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om
                    aanvullend gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen
                    mogelijkheid om als bestuursorgaan (in casu burgemeester en wethouders) een
                    aanvraag buiten behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte
                    gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan
                    daarbij in acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te
                    behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de
                    termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de
                    aanvrager bekend gemaakt te worden.</al><al>Terwille van de duidelijkheid voor de potentiële aanvragers is ervoor gekozen om
                    de concrete uitwerking van de Awb in dit opzicht in de verordening op te nemen.
                    Deze uitwerking komt er op neer dat de duur van termijnen die burgemeester en
                    wethouders kunnen hanteren in de verordening is vastgelegd.</al><al>De bevoegdheid die burgemeester en wethouders wordt toegekend om incomplete
                    aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke
                    aanvragen in een eerder stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft
                    zich in het kader van de vaststelling van het programma alleen te buigen over de
                    inhoud van volledige aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete
                    aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen met de huidige
                    bestuurspraktijk.</al><al>Géén hardheidsclausule Er is van af gezien hier een hardheidsclausule op te
                    nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de
                    aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging maken
                    of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid toestaat bij
                    het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het gevaar van een
                    hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De
                    behandeling vergroot de uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij
                    toewijzing de beschikbare tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming.
                    Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond
                    van de mogelijkheid om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend
                    karakter in te dienen. </al><al>Lid 4In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober 'onverwijld' door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma.</al><al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                    huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal
                    bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                    schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                    samenhangende 'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak
                    van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                    teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door de
                    raad, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij
                    andere in de modelverordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het
                    werken met een fatale termijn. Daarbij is de gemeenteraad - en niet burgemeester
                    en wethouders - het bestuursorgaan dat beslist om een aanvraag niet te
                    behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of te laat worden verstrekt. Dit
                    vanuit de gedachte dat in de meeste gevallen het voorstel van burgemeester en
                    wethouders over de vaststelling van het programma als bedoeld in paragraaf 2.3
                    van de verordening, al ter besluitvorming bij de raad ligt, dan wel de betrokken
                    raadscommissie(s) zal hebben gepasseerd.</al><al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                    geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                    wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                    leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid).
                    Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer
                    de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                    programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                    gehouden met deze mogelijkheid.</al><al>Lid 5In het geval zoals omschreven in het vierde lid beslist de gemeenteraad in
                    het kader van het programma over het buiten behandeling laten van de
                    aanvraag.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in
                    procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te
                    behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                    gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder
                    als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet naderhand nog
                    aanvragen worden toegevoegd.</al><al>Bij het vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de
                    schoolbesturen worden afgesproken om deze informatieverstrekking per
                    onderwijssector (basis-, speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal
                    een bestuur voor voortgezet onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke
                    huisvestingswensen er precies leven in het basisonderwijs.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</vet></al><al>Lid 1: Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid een nadere
                    toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete
                    aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief
                    verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.
                    Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in
                    artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen. De datum van 1 mei is gekozen teneinde burgemeester en wethouders
                    voldoende ruimte te bieden voor het opstellen van een ontwerpvoorstel voor het
                    programma en het overzicht.</al><al>Lid 2: Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding
                    ingevolge artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke
                    kosten zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De
                    bepaling in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en
                    burgemeester en wethouders indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door
                    de aanvrager overgelegde begroting. Burgemeester en wethouders kunnen na
                    toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer
                    onderdelen bijstelling behoeft. </al><al>Uiteindelijk bepalen burgemeester en wethouders de hoogte van de geraamde kosten
                    zoals deze, al dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de
                    vaststelling van het gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende
                    programma.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><al>Lid 1-4: Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat
                    de gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de
                    vaststelling van een huisvestingsprogramma.</al><al>Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de Awb van de
                    aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet
                    gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken.
                    Gezien het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten
                    degenen die wel aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten
                    inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren. </al><al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de
                    vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het best
                    kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die
                    beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector
                    in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden
                    vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed
                    wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid.</al><al>Lid 5-9: De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer
                    een bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit
                    eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De
                    Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                    tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                    Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                    geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                    tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel
                    3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de
                    Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel
                    3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te
                    stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer
                    de raad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel
                    3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering.</al><al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                    Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                    vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                    vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de
                    procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                    Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening
                    (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting van de VNG-modelverordening
                    procedure overleg huisvesting).</al><al>Volgens de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma
                    kan besluiten 'uit eigen beweging' een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit
                    aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende)
                    keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te laten aan
                    burgemeester en wethouders. </al><al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                    Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de raad
                    - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Het is van belang dat het door burgemeester en wethouders ingediende verzoek om
                    advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant
                    (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich
                    namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt
                    vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij
                    relevant acht voor de advisering.</al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                    gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad
                    wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4
                    verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de
                    indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals
                    hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle
                    relevante stukken.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</vet></al><al>Lid 1: Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen
                    vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden
                    aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens
                    kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van
                    middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van
                    schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen. </al><al>Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen
                    kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te
                    leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate
                    onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is
                    het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van
                    huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden.
                    Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde
                    huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen
                    dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het
                    programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de
                    hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien.
                    Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde
                    nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden
                    aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de
                    volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste
                    intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de
                    beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria
                    moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</al><al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het
                    verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate
                    huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere
                    noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk
                    maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende
                    deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na
                    overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een
                    voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een
                    wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf
                    moet gaan met de schoolbesturen. </al><al>Leden 2 en 3: Uitgangspunt van de modelverordening is de koppeling aan de
                    begrotingscyclus. Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het
                    programma en het daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter
                    bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende
                    kalenderjaar gesteld. </al><al>Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad geen programma hoeft vast te stellen,
                    indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is
                    ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO).
                    Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van
                    een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op
                    het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend - en er dus ook geen
                    kunnen worden afgewezen. </al><al>Lid 4: Overschrijding van de uiterste datum van de programmavaststelling leidt
                    er automatisch toe dat alle aangevraagde voorzieningen voor vergoeding in
                    aanmerking moeten worden gebracht, net zoals dat bij de minister van OCenW het
                    geval was. Om praktische redenen is ervoor gekozen om ook te vermelden dat het
                    bijbehorende (norm)bedrag beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager weet dan waar
                    hij aan toe is. Wel moet in zo'n geval nog overleg over de wijze van uitvoering
                    plaatsvinden en moet geregeld worden dat voor een bepaalde datum een
                    bouwopdracht etc. moet zijn verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Inhoud programma</vet></al><al>Lid 1: In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft,
                    namelijk de inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid
                    tot uitdrukking dat de raad het programma vaststelt als resultante van de
                    toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie
                    bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden
                    wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de
                    nadere regels die de raad stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede volzin.
                    Zo zijn de 'beoordelingscriteria' een nadere invulling van de toets of de
                    aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                    betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening. De criteria voor de
                    prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond '…dat de gewenste
                    voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling
                    van het aantal leerlingen’. De regels over de oppervlakte en indeling van
                    schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de weigeringsgrond '... dat de
                    gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van
                    de voorzieningen waarover de school reeds beschikt'.</al><al/><al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                    modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                    Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval
                    is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de
                    bijlagen.</al><al>De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in tegenstelling tot
                    de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is.</al><al>Lid 2: De gemeente en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om
                    voorzieningen op het programma op te nemen die volgens de criteria over de
                    urgentie (bijlage V) daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen.
                    Indien daarover consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk
                    overleg over het concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de
                    verordening), kunnen burgemeester en wethouders hiermee rekening houden bij het
                    formuleren van hun huis-vestingsprogramma dat wordt voorgelegd aan de
                    gemeenteraad. Dit artikel biedt de raad de mogelijkheid om af te wijken van de
                    criteria zoals geformuleerd in bijlage V.</al><al>Hoewel het bestuurlijk overleg over het concept-programma geen 'op
                    overeenstemming gericht overleg' betreft, is de praktijk binnen veel gemeenten
                    dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en beleefd. Net als bij de
                    VNG-modelverordening Overleg lokaal onderwijsbeleid is er van afgezien om een
                    regeling te treffen voor het stemmen over een alternatieve urgentievolgorde.
                    Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk gedragen voorstel. Finale
                    besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde vindt niet plaats tijdens
                    het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij wel of niet wenst af te wijken
                    van de systematiek en criteria van bijlage V. Het gaat om een kan-bepaling.</al><al>Lid 3: De zinsnede 'voor zover van toepassing' kan ook op de vergoeding
                    betrekking hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is
                    om een bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik
                    in een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven
                    plaats te vinden.</al><al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit
                    niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt,
                    maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of
                    buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat
                    gepaard met het afstoten van een dislocatie.</al><al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                    normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                    opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                    worden gerealiseerd.</al><al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd
                    is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is
                    uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de
                    aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Inhoud overzicht</vet></al><al>Lid 1: Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de
                    toepassing van de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening
                    op het programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde
                    voorzieningen die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de
                    verordening komen op het overzicht te staan.</al><al>Lid 2: Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                        overzicht</vet></al><al>Lid 1: Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht
                    worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten
                    uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee
                    weken is gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van
                    het programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met burgemeester en
                    wethouders. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit
                    mededeling toe doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze
                    naar voren hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld
                    voorafgaande aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het
                    besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of
                    het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren
                    heeft gebracht.</al><al>Lid 2: De wet bepaalt alleen iets over de terinzagelegging van het overzicht.
                    Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand
                    het totaal ter inzage te leggen. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Lid 1: Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                    overleg over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de
                    aanvrager en burgemeester een aantal praktische afspraken maken over aspecten
                    die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke
                    afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                    uitvoeringstraject worden voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt
                    duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet gaat er weliswaar vanuit
                    dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het
                    bevoegd gezag en burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente de
                    voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet
                    gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.</al><al>De termijn van vier weken waarbinnen burgemeester en wethouders met het
                    betrokken schoolbestuur in overleg treden over de uitvoering vloeit direct voort
                    uit de wetgeving (artikel 95, lid 8 WPO; artikel 93, lid 8 WEC en artikelen 76,
                    lid 8 en 210, lid 8 WVO).</al><al>De passage 'voor zover van toepassing' is opgenomen om niet alle voorkomende
                    varianten op het bouwheerschap en de eigendomssituatie te hoeven beschrijven.
                    Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te
                    worden gemaakt over het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                    desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat burgemeester en wethouders in het
                    kader van artikel 16, vierde lid hebben besloten dat dit achterwege kan blijven.
                    Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en
                    omstandigheden voordoen.</al><al>In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de
                    besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze
                    en momenten waarop burgemeester en wethouders geïnformeerd worden over de
                    voortgang van de uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de
                    finale verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke
                    projecten - ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een
                    accountantsverklaring.</al><al>Lid 2: Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is
                    op de feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit
                    het bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer burgemeester en wethouders
                    hebben ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel
                    van burgemeester en wethouders eveneens gezien de aard van de voorziening niet
                    vereist is (zie ook artikel 16, lid 4).</al><al>Lid 3: Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de
                    afspraken over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd
                    en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</al><al>Lid 4: Hierin is bepaald dat burgemeester en wethouders, in geval in het overleg
                    is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan en begroting achterwege kan
                    blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde
                    omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), binnen vier
                    weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft geleid, de aanvrager
                    uitsluitsel geven wanneer de bekostiging een aanvang neemt. Het zal daarbij in
                    de regel voorzieningen betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd, die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een
                    basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud).</al><al>Lid 5: Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in een
                    overeenstemming tussen aanvrager en burgemeester en wethouders, dan zijn
                    burgemeester en wethouders als bestuursorgaan de instantie die dit constateert
                    en meedeelt aan het bevoegd gezag. Hierbij deelt het college mee wat de
                    overwegingen zijn om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste
                    uitvoering. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan
                    ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigen; overlegging offertes</vet></al><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke
                    bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van
                    een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt,
                    een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij
                    burgemeester en wethouders (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de
                    aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.
                    Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het
                    uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de
                    gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid
                    uiteraard niet van toepassing. De aanvrager moet alleen een begroting bij het
                    bouwplan in te dienen wanneer het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding
                    op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze
                    begroting zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde
                    vergoeding niet overschrijden. Met het oog op een goede voortgang van de
                    uitvoering en de duidelijkheid richting aanvrager is in het tweede lid voorzien
                    in een fatale termijn (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de
                    gemeente het bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring
                    van het bouwplan en begroting stellen burgemeester en wethouders ook het
                    tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering
                    gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen
                    (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale termijn door
                    burgemeester en wethouders wordt overschreden dan wordt het bouwplan en de
                    begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen op
                    het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. Het bepaalde in het derde
                    lid markeert in de procedure rond de uitvoering van het programma het moment
                    waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het programma nieuwe
                    omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de aanspraak op
                    vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van wederom een
                    wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang met artikel
                    99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de aanvrager nog
                    geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een
                    bouwopdracht.</al><al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                    waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten
                    bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een
                    begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij
                    de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om
                    te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij
                    de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd,
                    nemen de offertes de rol over van de begroting.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                    bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                    regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete omstandigheden.
                    De opdracht aan de raad in genoemde artikel van de WPO wordt gedelegeerd aan
                    burgemeester en wethouders. Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd
                    aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de
                    aanvrager gewaarborgd. </al><al/><al><vet>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding</vet></al><al>Lid 1: De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling
                    van de volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten
                    of een toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald
                    moet worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht
                    binnen twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een
                    dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting
                    van de aanvrager kan ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om
                    duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn
                    wordt overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een
                    vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening. </al><al>Lid 2: Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden. </al><al>Lid 3: De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van
                    het verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te
                    geven.</al><al/><al><vet>Artikelen 19-24 Spoedprocedure</vet></al><al>In dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over de
                    indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                    aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                    daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus
                    het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond
                    hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                    'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen
                    worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond van artikel
                    6 van de modelverordening - een aanvraag in te dienen voor het programma of
                    wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de
                    financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de
                    verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat
                    de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door
                    de gemeente.</al><al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor
                    dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én
                    een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</al><al>Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de modelverordening
                    spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk
                    moet blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een
                    calamiteit in de ware zins des woords. Een calamiteit die onvoorzienbaar was en
                    volgens de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen
                    uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan
                    vinden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van
                    een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere
                    accommodatie moet doorgaan.</al><al>Toepassing van de modelverordening leidt er toe dat in vergelijking met de
                    situatie van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een
                    reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma, aanzienlijk
                    wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen voor
                    huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden
                    afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing
                    van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het
                    moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de
                    noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het
                    onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen
                    die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend
                    zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de
                    toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal
                    zijn.</al><al>Met het oog op de wenselijkheid van een snelle beslissing was in eerste
                    instantie in de modelverordening de beslissingsbevoegdheid over de spoedeisende
                    aanvragen door de raad gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. De uitspraak
                    van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2001 (nr.
                    200003494/1) luidt echter dat het college van burgemeester en wethouders niet
                    bevoegd is te beslissen op een spoedaanvraag van een schoolbestuur, dit is een
                    exclusieve taak van de gemeenteraad.</al><al>In de gewijzigde bepalingen over de procedure rondom aanvragen met een
                    spoedeisend karakter wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Dit komt erop neer dat een aanvraag nog steeds bij het
                    college van burgemeester en wethouders kan worden ingediend (artikel 19), maar
                    dat de gemeenteraad binnen een redelijke termijn (artikel 4:13 Awb) een
                    beschikking dient af te geven. Indien een beschikking niet binnen een redelijke
                    termijn kan worden gegeven, stelt de gemeenteraad de aanvrager daarvan in kennis
                    en wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen hij de beschikking wel
                    tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 19 Indiening aanvraag</vet></al><al>Alhoewel de beslissingsbevoegdheid bij de raad ligt, worden burgemeester en
                    wethouders belast met de voorbereiding en uitvoering van de beslissing. Om deze
                    reden wordt de aanvraag ingediend bij burgemeester en wethouders. Uit de Awb
                    volgt dat alleen het orgaan dat beslissingsbevoegd is een formulier kan
                    vaststellen. Deze taak ligt derhalve bij de raad.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Inhoud aanvraag</vet></al><al>Lid 1: In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd
                    indien het om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook
                    duidelijk het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces
                    geen voortgang kan vinden) te worden toegelicht.</al><al>Evenals bij een aanvraag voor het programma het geval is, kan ook bij de
                    aanvragen voor spoedeisende voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien
                    van welke gewenste voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet
                    vereist is. Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a
                    van de modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                    vanzelfsprekend.</al><al>Lid 2: De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust
                    kort gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het tenslotte gaat om het treffen
                    van een voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de
                    school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</vet></al><al>Uit de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
                    van State blijkt dat de beslissingsbevoegdheid een exclusieve taak van de
                    gemeenteraad is. De vroegere termijnen die voor burgemeester en wethouders
                    golden, zijn echter niet haalbaar voor de raad. Er is derhalve aangesloten bij
                    de termijnen zoals de Awb deze geeft, met dien verstande dat gekozen is voor een
                    invulling van de redelijke termijn, te weten twaalf weken. Indien de raad niet
                    in de gelegenheid is binnen deze termijn te beslissen op de aanvraag, stelt zij
                    de aanvrager hiervan op de hoogte en noemt daarbij een redelijke termijn
                    waarbinnen wel een beschikking tegemoet kan worden gezien. </al><al>Het volgen van de Awb brengt met zich mee dat het niet op tijd beschikken niet
                    meer betekent dat de aanvraag van rechtswege geacht wordt te zijn toegekend. De
                    Awb gaat er vanuit dat wanneer er niet tijdig wordt beschikt, de aanvraag geacht
                    wordt niet te zijn toegekend.</al><al/><al><vet>Artikel 22 - 24 Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen aanspraak
                        vergoeding</vet></al><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een
                    spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn gevolgd
                    die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van programma en
                    overzicht.</al><al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden
                    (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria worden toegepast
                    overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte
                    van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de modelverordening
                    tot uiting dat de raad niet de financiële weigeringsgrond kunnen hanteren. Dit
                    komt tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten
                    beschouwing blijven.</al><al>Artikel 98 WPO legt de beslissingsbevoegdheid exclusief neer bij de raad. Deze
                    taak kan niet worden gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. Mandateren
                    behoort niet tot de mogelijkheden. Ook het vormen van een 'potje' voor aanvragen
                    met een spoedeisend karakter waarover burgemeester en wethouders kunnen
                    beschikken, is niet mogelijk. Op deze wijze wordt immers toch door burgemeester
                    en wethouders een beslissing genomen of de aanvrager aanspraak kan maken op dit
                    'potje'. Deze afweging gaat buiten de competentie van burgemeester en wethouders
                    omdat dit een exclusieve taak van de raad is.</al><al>De raad geeft bij de beschikking aan voor welke datum een bouwopdracht moet zijn
                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                    dit is geen onderwerp meer van het gesprek dat burgemeester en wethouders voeren
                    over de uitvoering van de toegekende aanvraag. Wel doen burgemeester en
                    wethouders er verstandig aan bij de voorbereiding van de aanvraag met de
                    aanvrager te spreken over een af te spreken datum, uiteindelijk is het echter de
                    raad die deze datum vaststelt.</al><al/><al><vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet></al><al>Gemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee
                    toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen bij
                    de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28 achterwege laten.
                    Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van
                    bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het
                    programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de
                    indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan
                    om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en
                    die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden. </al><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>architect;</al></li><li nr="2."><al>adviseur constructie;</al></li><li nr="3."><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie;</al></li><li nr="4."><al>adviseur electrotechnische installatie.</al></li></lijst><al/><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen
                    voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de
                    kostenbeheersing of de bouwfysica.</al><al>Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking inhouden van de
                    werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige adviseurs.</al><al>In het algemeen wordt de opdracht aan de architect geregeld met toepassing van
                    de standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, opgesteld
                    door de BNA (SR 1988).</al><al>In de Leidraad 1994 blijvende voorzieningen in de huisvesting voor scholen VO en
                    BVE, een gezamenlijke uitgave van de ministeries van OCenW en VROM (ISBN 90 346
                    2885 X), zijn in bijlage 8 nadere aanwijzingen gegeven omtrent de
                    opdrachtverlening aan architect en adviseurs.</al><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting,
                    omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag
                    voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals
                    bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het
                    bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding
                    toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de
                    aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag
                    voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen. </al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                    gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit betekent ook dat
                    de raad het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke
                    verzoeken.</al><al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                    betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                    voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een
                    dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                    toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met
                    de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. </al><al>Dit gebeurt omdat in de normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten
                    zoals opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn
                    inbegrepen.</al><al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                    concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een
                    vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de
                    beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille
                    van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien
                    in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak
                    van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn.
                    Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van
                    eventueel toe te kennen gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk
                    perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er
                    ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. </al><al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde
                    jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting
                    door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen
                    programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                    bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig
                    zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende
                    - met behulp van het krediet voorbereide - aanvraag voor plaatsing op het
                    programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor
                    de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen
                    in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting. </al><al/><al><vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven de opdracht aan de
                    gemeenteraad om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik
                    en de verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft
                    houdt de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop burgemeester en
                    wethouders met het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaan. Dit
                    vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs
                    en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die
                    leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is
                    artikel 37, Einde gebruik gebouwen, van toepassing. </al><al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel
                    het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen
                    die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het
                    vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik
                    dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de
                    gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de
                    wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de
                    procedure - het vorderen - vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in
                    een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet
                    weg dat de criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook
                    gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden. </al><al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve
                    van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor
                    medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van burgemeester en
                    wethouders verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet,
                    en ten aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden
                    om eventuele wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de
                    vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in
                    het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat
                    om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg
                    daarover meer een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben. </al><al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                    gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat
                    kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn
                    die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien. </al><al>Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van een basisschool op
                    het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12 (regels voor de
                    vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die aanvraag. In artikel
                    12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage is gesteld dat de
                    uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter hemelsbreed sprake is
                    van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt
                    geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand
                    van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de
                    situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd
                    gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die
                    constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                    gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                    melden dat er sprake is van medegebruik. Burgemeester en wethouders delen in het
                    overleg als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                    voornemens zijn de raad voor te stellen om de wettelijke weigeringsgrond genoemd
                    in artikel 100, lid 1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er
                    door middel van medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien).
                    Over dat voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd
                    gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan leegstand
                    gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg over het
                    programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de aanvraag door
                    toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en 32 (overleg en
                    mededeling). De beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft
                    aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt
                    afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend.
                    Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een
                    vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de
                    vordering geen bezwaar bestaat. </al><al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet
                    regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens burgemeester en wethouders kunnen
                    overgaan tot vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van
                    artikel 6 of 19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij
                    die school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de
                    situatie dat er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of
                    aanpassingsbehoefte, terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De
                    leden 1d en e regelen dat er sprake dient te zijn van leegstand.</al><al/><al><vet>Artikel 30 Omschrijving leegstand</vet></al><al>Lid 1a: Voor 1 januari 1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het
                    primair onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er
                    werd uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante
                    meters van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake
                    van genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was
                    of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de
                    betreffende wet- en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van belang
                    een definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen. Bij de
                    begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als voorheen, zij
                    het met de volgende uitzondering.</al><al>Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel A
                    wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar een
                    overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen lokaal over
                    is.</al><al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor
                    eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt
                    verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                    vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de
                    goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder het
                    vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding verstrekt. </al><al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                    strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal)
                    heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder
                    de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde
                    leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze
                    bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik. </al><al>Lid 1b: Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt
                    genormeerde, benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het
                    vertrekpunt is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald
                    volgens bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het
                    ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een
                    overschot aan ruimte is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet
                    automatisch te betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de
                    gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft
                    namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan
                    bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het
                    lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van
                    het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan
                    de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand.
                    De verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat
                    er geen sprake is van leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan
                    is dat gemeenten geen zicht hebben op de lesroosters van scholen.</al><al>Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een
                    bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er
                    sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk
                    onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2a: Voor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt
                    door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in
                    gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar
                    opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de
                    leegstand op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum
                    aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het
                    aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                    onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet
                    dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen
                    kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is.
                    Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    schoolsoort geldende reële schooltijden. </al><al>Lid 2b: De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als
                    bij lid 1b.</al><al/><al><vet>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</vet></al><al>Lid 1: Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van
                    scholen. Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er
                    geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk
                    toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet
                    worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale
                    situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge
                    uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling. </al><al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                    (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                    genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal.</al><al/><al>Lid 2: Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan
                    een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik.</al><al/><al>Lid 3: De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden.
                    Het verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er
                    meerdere opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe burgemeester en
                    wethouders tot een bepaalde keuze zijn gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij
                    uitstek aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten
                    worden, alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat
                    voor de hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een
                    schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken
                    naar eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande
                    gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot
                    een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de
                    kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar een van
                    zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties
                    kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte en indeling -
                    geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger
                    oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in een van de
                    gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder
                    relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter
                    voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de
                    toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een
                    richting te worden aangemerkt. </al><al/><al>Lid 4: Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid
                    te rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</al><al/><al><vet>Artikel 32 Overleg en mededeling</vet></al><al>Lid 1: Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is
                    ervoor gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader
                    van de vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd
                    worden of er van medegebruik sprake kan zijn.</al><al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is
                    niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is
                    er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                    Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en
                    beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al><al/><al>Lid 2: De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                    (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo
                    kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg
                    ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De
                    mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van
                    bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking. </al><al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen
                    te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er
                    overeenstemming over de vordering bestaat. </al><al/><al>Leden 3 en 4: In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om
                    termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk
                    met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen. </al><al/><al>Lid 5<sup>e</sup>: De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het
                    bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de
                    hand de periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van
                    vordering kan verlengd worden indien dat noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 33 Vergoeding</vet></al><al>Voor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het
                    Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een
                    gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding
                    doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen' vergoeding niet eenduidig te definiëren
                    valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van de school -
                    dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor
                    het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke bepaling, daar is
                    overleg dus ook de aangewezen weg. </al><al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>Onderdeel a: Zie de toelichting bij artikel 30.</al><al>Onderdeel b: De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel
                    76r WVO dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 35 Overleg en mededeling</vet></al><al>Lid 2: De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het
                    overleg aan de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om
                    gebruik van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste
                    instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog
                    meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik
                    gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het
                    overleg een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van
                    die activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken
                    worden dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker
                    genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van
                    medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding
                    daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op
                    een vergoedingsbedrag in het kader van de programma's van eisen materiële
                    instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV,
                    deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                    voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</al><al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt
                    van uitgegaan dat deze door burgemeester en wethouders vertegenwoordigd wordt.
                    Desgewenst kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken
                    worden. Het verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de
                    medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal
                    (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd
                    door het besluit tot vordering door burgemeester en wethouders. </al><al/><al>Lid 3: Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, nemen burgemeester en
                    wethouders een beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is
                    gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht
                    niet geëffectueerd kan worden. De beslissing van burgemeester en wethouders is
                    een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 36 Toestemming burgemeester en wethouders</vet></al><al>Leden 2 en 3: De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van
                    belang voor de toetsing door burgemeester en wethouders aan de wet- en
                    regelgeving die bepaalde bestemmingen niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op
                    grond van de onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of
                    -terrein te verhuren als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a,
                    tweede lid en 1624, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming
                    die zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school is in de
                    onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het
                    bevoegd gezag te laten. Burgemeester en wethouders maken wel de afweging of er
                    een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van
                    eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een
                    onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat
                    geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien burgemeester en
                    wethouders een indicatie hebben dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal
                    zijn voor het onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededelen. Dat geldt
                    evenzeer als burgemeester en wethouders voornemens zijn de ruimte te vorderen
                    voor ander gebruik. Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of
                    het wil overgaan tot verhuur. De risico's voor verhuur en de eventuele
                    schadeplicht die ontstaat bij voortijdige opzegging van het contract omdat
                    burgemeester en wethouders gebruik maken van hun vorderingsrecht ligt ingevolge
                    de wet bij het bevoegd gezag. </al><al/><al><vet>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</vet></al><al>De wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een bepaling
                    waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te worden
                    beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging van dat
                    gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon worden
                    'leeggerekend', dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd zoveel ruimte
                    bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest konden worden.
                    Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan de gebouwen, is er
                    geen sprake meer van 'leegrekenen' door het rijk. Aan een bepaling omtrent de
                    beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter wel behoefte, vooral
                    vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van onderwijsgebouwen een deel
                    van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het eindigen van het recht op het
                    gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet gekoppeld aan de beëindiging van de
                    bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel 163 WPO. De WVO kent
                    weliswaar niet zo'n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het recht op het
                    gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt
                    opgeheven. </al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht om
                    in de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten
                    hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door
                    gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden
                    het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor
                    een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het
                    gebruik. Artikel 37 van de modelverordening voorziet in deze wettelijke
                    opdracht. In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                    dislocaties. Dat onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van
                    alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd
                    moet worden. Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de
                    beëindiging van het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de
                    beëindiging van het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in
                    stand gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig
                    onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand
                    worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in
                    materiële zin wel het geval. Het volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook
                    voor de hand. </al><al/><al>Lid 1: De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na
                    de datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, 76u of 225
                    WVO. Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat burgemeester en
                    wethouders en het bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het
                    gebruik van het gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover,
                    indien gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van een der
                    partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het
                    gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen.
                    Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft
                    plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk
                    is voor het gebouw. </al><al>Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en gemeente
                    opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen
                    gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan
                    het einde van het schooljaar liggen.</al><al>Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren,
                    is het nodig dat burgemeester en wethouders in een vroegtijdig stadium
                    constateren dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die
                    constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van
                    1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een
                    bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de
                    modelverordening. Direct na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van
                    het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke
                    akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een
                    geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht.
                    De beslissing van gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de
                    rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Of het instellen van beroep in
                    dit geval opschortende werking heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het
                    algemeen geldt dat het instellen van beroep geen opschortende werking heeft,
                    tenzij de wet anders bepaalt. De wet bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas
                    kan plaatsvinden nadat is komen vast te staan dat de school het gebouw blijvend
                    niet meer nodig heeft, niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van
                    gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in
                    beroep is beslist. Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het instellen
                    van beroep dus opschortende werking. Ten aanzien van de beslissing of een school
                    heeft opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien
                    van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat
                    het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan
                    overwogen worden een voorlopige voorziening bij de president van de rechtbank te
                    vragen indien er sprake is van spoedeisende omstandigheden.</al><al/><al>Lid 2: Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud
                    dat, met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had
                    moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt
                    moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud. </al><al>Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort.</al><al/><al>Lid 3: De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van burgemeester en
                    wethouders. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders een ambtenaar met
                    deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over de persoon of instantie die
                    dit uitvoert, hebben burgemeester en wethouders eerst overleg met het betrokken
                    bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussie c.q.
                    meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van
                    de uitvoerder. De positie van burgemeester en wethouders is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt.</al><al/><al>Lid 4: Burgemeester en wethouders voeren overleg met het bevoegd gezag over de
                    uitkomsten van de staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men
                    het daar wel of niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is
                    geconstateerd, geeft het bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit
                    alsnog uit te voeren. Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat
                    gemoeid is met het achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien
                    partijen geen overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal
                    zijn. Er kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide
                    partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan.
                    Burgemeester en wethouders kunnen zich ook wenden tot de burgerlijke rechter, op
                    grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd
                    door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te
                    gebruiken of te onderhouden. Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke
                    procedures voor beide partijen met zich meebrengen, verdient het veruit de
                    voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing te bereiken.</al><al/><al>Lid 5: Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een
                    vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog
                    te laten uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt
                    wordt.</al><al/><al><vet>Artikelen 38 en 39 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte primair
                        onderwijs</vet></al><al>In de artikelen 38 en 39 zijn het gebruik van en de vergoeding voor
                    gymnastiekruimten voor het primair onderwijs nader geregeld. De verlegging per 1
                    januari 1997 van de geldstroom 'materiële instandhouding gymnastiek' voor het
                    primair onderwijs naar de gemeenten via het Gemeentefonds leidt tot de opdracht
                    aan de gemeenteraad om na overleg met de schoolbesturen voor het onderwijs in
                    lichamelijke opvoeding het aantal klokuren vast te stellen dat ten hoogste per
                    groep leerlingen voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke opdracht is
                    nader uitgewerkt in artikel 38. </al><al>Aangezien de gemeente belast is met de bepaling van de omvang en de vergoeding
                    van het onderwijsgebruik van gymnastiekruimten en - landelijk bezien - het
                    overgrote deel van de gymnastiekruimten door of vanwege de gemeente worden
                    beheerd, ligt het voor de hand dat de gemeente een coördinerende rol vervult bij
                    de toedeling van dit gebruik. Dit is verder uitgewerkt in artikel 39.</al><al/><al><vet>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroostering gebruik</vet></al><al>Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal
                    plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij
                    doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de
                    huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening.</al><al>Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren,
                    jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van een
                    school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van het
                    programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te zwaar en te
                    omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van gymnastiekaccommodaties aan
                    te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen
                    worden opgevangen en dus niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van
                    gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge
                    de wet en artikel 38 gehouden is tot bekostiging van het genormeerde
                    gymnastiekgebruik.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 39 voor een benadering gekozen waarbij de
                    huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met mutaties
                    in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde capaciteit
                    kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven van
                    schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten weliswaar
                    beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure, materieel worden
                    zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor in de plaats komt de
                    benadering uit artikel 39, die in essentie op het volgende neerkomt.</al><al>De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de
                    sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw,
                    wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).</al><al>De volgende elementen zorgen ervoor dat de gemeente voor het primair onderwijs
                    dit inzicht heeft:</al><lijst><li nr="1."><al>inventarisatie van de accommodaties die geschikt zijn voor
                            gymnastiekonderwijs, inclusief de eigendomssituatie;</al></li><li nr="2."><al>vaststelling van de capaciteit en feitelijk/genormeerd klokuurgebruik
                            per onderwijsgebruiker (school);</al></li><li nr="3."><al>jaarlijkse registratie van de mutaties in feitelijk/genormeerd
                            klokuurgebruik.</al></li><li nr="4."><al>De mutaties zijn gebaseerd op:</al></li><li nr="5."><al>het aantal leerlingen op de teldatum t-1 voor de vaststelling van het
                            genormeerde gebruik voor het daaropvolgende schooljaar; </al></li><li nr="6."><al>de opgaven van de schoolbesturen waarbij wordt aangegeven voor hoeveel
                            uur men feitelijk gebruik wil maken van een gymnastiekruimte voor het
                            komende schooljaar;</al></li></lijst><al/><al>Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot
                    inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien in
                    hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare
                    capaciteit.</al><al>Dit voorstel wordt niet dan na overleg met de betrokken schoolbesturen
                    vastgesteld. </al><al>De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het vaststellen van de
                    inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe schooljaar plaats. Dit omdat
                    de meeste schoolbesturen over de exacte omvang van het gymnastiekgebruik pas
                    uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat op de omvang en inzet van de
                    personeelsformatie voor het komende schooljaar.</al><al/><al><vet>Artikel 40 Indexering</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door de
                    raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde
                    genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                    deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de overige
                    bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren
                    aan burgemeester en wethouders wordt een dergelijke relatief zware procedure via
                    de raad overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door op dit onderdeel
                    burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot wijziging te geven. Het wettelijk
                    verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de
                    verordening, kan plaatsvinden door toezending van de voorgenomen
                    prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><al><vet>Toelichting bijlage I Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Goeree-Overflakkee</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>De wet geeft in artikel 100 WPO, 98 WEC en 76k WVO expliciet aan op grond
                    waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van de
                    weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                    gebeurt in deze bijlage door per voorziening de beoordelingscriteria te
                    beschrijven. Ze hebben betrekking op de aanwezigheid van leerlingen, prognoses,
                    oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw
                    enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) - of van mogelijke
                    alternatieve voorzieningen - voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op
                    basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan
                    er antwoord worden gegeven op de vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk?'</al><al/><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><lijst><li nr="1."><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                            gebruikt;</al></li><li nr="2."><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li><li nr="3."><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li><li nr="4."><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                            noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li></lijst><al/><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen. </al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij medegebruik, bij
                    constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                    bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die
                    voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                    over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een termijn
                    van minimaal vier jaren.</al><al/><al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn
                    voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar
                    van bekostiging.</al><al/><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al/><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al><al/><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het college om gebruik te
                    maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt zich in
                    principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs. Bij medegebruik is geen langetermijnprognose nodig. Voor inzicht in
                    de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede
                    inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.</al><al/><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al><al/><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand.</al><al/><al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen. </al><al/><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken - samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al><al/><al>Bij het bepalen of leegstand geschikt is kan als uitgangspunt dienen dat
                    onderwijsruimte die niet gedurende de gehele werkweek in gebruik zijn bij de
                    school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden gebruikt door
                    scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting.</al><al>Voor het primair onderwijs is leegstand binnen het primair onderwijs per
                    definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het moeilijker leegstand
                    vast te stellen. Voor zover ruimte niet is, kunnen zij worden gebruikt door
                    andere scholen.</al><al/><al>Ruimte die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en
                    waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten telt niet mee voor de
                    mogelijkheden van medegebruik.. Hieronder vallen dus niet de zogenaamde
                    eigendoms- en huurscholen.</al><al/><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al><al/><al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven.</al><al/><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs hetzelfde. Voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die periode vijftien jaren.
                    Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren of meer. Voor gebruik van
                    minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw,
                    bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit onmogelijk is, wordt
                    een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder uitbreiding in het
                    basisonderwijs en in het (voortgezet) speciaal onderwijs een
                    beoordelingscriterium opgenomen.</al><al/><al><vet>Deel A Lesgebouwen</vet></al><al/><al><onderstreept>(Vervangende) nieuwbouw</onderstreept></al><al>Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een
                    gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en om
                    verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing voor
                    alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk zijn
                    geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door het college.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. </al><al/><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie, aanpassingen (VO) en
                    onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden ingezet.</al><al/><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al><al/><al><onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas de noodzaak de capaciteit uit te
                    breiden, als ook met een 10% hogere gebruiksduur van de bestaande capaciteit er
                    onvoldoende capaciteit voor de school aanwezig is. De wijze waarop de
                    voorziening - na goedkeuring - wordt gerealiseerd, hangt af van de normering die
                    in bijlage III, deel C, is uitgewerkt.</al><al/><al>Het speellokaal is voor het primair onderwijs als aparte voorziening verdwenen.
                    Wel is in de oppervlaktenormering rekening gehouden met deze vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. Het is aan het schoolbestuur om ervoor te kiezen deze
                    vierkante meters ook in te zetten als speellokaal. Daarbij zal het schoolbestuur
                    zich moeten realiseren dat er voor de leerlingen in deze leeftijdsgroep geen
                    automatische aanspraak bestaat op ruimte in een gymnastiekzaal.</al><al/><al>De mogelijkheid om een speciale school voor basisonderwijs uit te breiden met
                    een speellokaal is het gevolg van de invoering van de WPO. De schoolsoorten
                    so-lom en so-mlk zijn hierdoor opgegaan in de speciale scholen voor
                    basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook voor een groot deel van de voormalige
                    afdelingen voor onderwijs aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk).
                    Circa 80% van deze afdelingen was verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom-
                    of mlk-scholen zonder een dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen
                    kinderen vanaf zes jaar worden toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd.
                    Evenals het geval is bij reguliere basisscholen kunnen tot een sbo kinderen
                    vanaf vier jaar worden toegelaten; dit voorzover de binnen het desbetreffende
                    samenwerkingsverband primair onderwijs werkzame 'permanente commissie
                    leerlingenzorg' heeft vastgesteld dat plaatsing van het jonge kind op een sbo
                    noodzakelijk is. Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan
                    zes jaar worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op
                    onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                    speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen
                    (het vervangen van hoge toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen.).</al><al/><al>Aangezien het om relatief dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een
                    verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te
                    voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering
                    aantal leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen:</al><al/><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar. Dit
                    aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals die gold voor
                    iobk-leerlingen.</al><al/><al>Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de sbo waarvoor
                    de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar levensvatbaar is.</al><al/><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook nadrukkelijk
                    kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico leerlingen in het
                    zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De samenwerkingsverbanden hebben in
                    hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke zorg noodzakelijk wordt geacht. In
                    aanvulling hierop kan gemeente over de gebouwlijke consequenties van de WPO
                    afstemming zoeken met de schoolbesturen uit het samenwerkingsverband.</al><al/><al><onderstreept>Ingebruikneming</onderstreept></al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan
                    spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                    belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld.
                    De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke aanpassingen
                    nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs geschikt is).
                    Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te hoog zijn (het
                    ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten van nieuwbouw aan),
                    is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een betere optie is.
                    Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te
                    wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de locatie, het
                    (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor
                    huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier - evenals bijvoorbeeld bij het
                    bijbouwen van noodlokalen - een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven
                    worden bezien en gewaardeerd.</al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als: </al><lijst><li nr="1."><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="2."><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="3."><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                            ordening.</al></li></lijst><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is. </al><al/><al>Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor een
                    andere huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden. In de systematiek van de
                    modelverordening is voor de huisvestingsvoorziening 'ingebruikneming' op basis
                    van artikel 7, tweede lid, onder a, een prognose vereist. De toetsing van een
                    prognose komt dan ook tot uiting in de criteria voor de beoordeling van
                    aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een bestaand lesgebouw (zie
                    bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4).</al><al/><al><onderstreept>Eerste inrichting</onderstreept></al><al>De aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het
                    primair en voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting met dien verstande dat die voorziening een
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet
                    hebben. Daarnaast geldt dat er niet eerder (voor de betreffende vierkante
                    meters) een vergoeding is gegeven voor deze voorziening.Indien artikel 7, vierde
                    lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard op eerste inrichting
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage 'de laatste teldatum
                    voorafgaande aan de indiening van de aanvraag' vervangen door: 'de meest recente
                    teldatum'.</al><al/><al><onderstreept>Aanpassingen</onderstreept></al><al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                    aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                    vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op het
                    gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover niet in
                    overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke) vrijstelling is
                    verleend.</al><al/><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                    onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken
                    van het gebouw voor gehandicapten.</al><al/><al>Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd om
                    het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                    beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken tot
                    en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het aanbrengen
                    van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw.</al><al/><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte
                            tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="2."><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="3."><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="4."><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="5."><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al/><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet- en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                    beoordelen.</al><al/><al>Het kan voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar worden geplaatst op een
                    speciale school voor basisonderwijs (sbo) die bouwkundig niet is berekend op
                    onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                    speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen.
                    Onder 1.3.2 wordt de mogelijkheid geboden om een sbo uit te breiden met een
                    speellokaal. Met deze wijziging wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de
                    volgende aanpassingen: het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het
                    maken van een zgn. natte hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In
                    het voorkomende geval dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van
                    de noodzakelijke investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de
                    noodzakelijke aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen
                    is een normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt (net als de
                    overige soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de feitelijke kosten.</al><al/><al>Ook hier dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de middelen een
                    drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten
                    worden getroffen voor een zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is
                    vergelijkbaar met de drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een
                    sbo.</al><al/><al><onderstreept>Onderhoud</onderstreept></al><al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook
                    hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud
                    noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de
                    materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat.</al><al>Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt toegekend, zal
                    worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog noodzakelijk
                    zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen
                    elders in medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal voor die optie worden
                    gekozen. </al><al/><al><onderstreept>Herstel van constructiefout</onderstreept></al><al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                    te stellen dat het gaat om een constructiefout. Voor het begrip constructiefout
                    is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op hierover gevormde jurisprudentie.
                    Uit artikel 2 van de verordening blijkt dat onder constructiefout wordt
                    verstaan: schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en
                    kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                    onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                    wanprestatie</al><al/><al><onderstreept>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes groepen
                    zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan
                    eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering overgaat.</al><al/><al><vet>Deel B Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de
                    plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar een verder weg gelegen
                    gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg
                    met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al/><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                    bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad
                    of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee enkel voor de
                    onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is.</al><al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapte
                    kinderen met een lichamelijke handicap. </al><al/><al>Een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapten
                    met zeer moeilijk lerende kinderen.</al><al>Bij andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                    noodzakelijk geacht en komen ze niet voor.</al><al/><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals het college die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster. Voor het voortgezet onderwijs is enkel het
                    rooster van belang.</al><al/><al>Het maken van was- en kleedgelegenheden in gymnastiekruimten wordt niet als
                    uitbreiding gezien maar als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van
                    deze ruimtes fysiek meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg
                    heeft.</al><al/><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook
                    tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al><al/><al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                    worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                    grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt.</al><al/><al><vet>Toelichting bijlage III Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Goeree-Overflakkee</vet></al><al/><al/><al><vet>Deel A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Capaciteit van de gebouwen</onderstreept></al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. De BVO is
                    een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'. Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd
                    gezag van de school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen
                    naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze
                    lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid.
                    Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur
                    aan een kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een
                    uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een
                    dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur
                    worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                    eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                    lokalen worden ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school (of
                    ingebruikname als gevolg van de grotere ruimtebehoefte door de
                    groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de capaciteit
                    wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij
                    eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele
                    verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al><al/><al><onderstreept>Rangordebepaling</onderstreept></al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel
                    voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere
                    dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><al/><al><onderstreept>Terrein</onderstreept></al><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar
                    onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en
                    andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al/><al><onderstreept>Inventaris</onderstreept></al><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat
                    deze op 1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor
                    nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend.. Als in het verleden voor
                    meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat vastgelegd. </al><al/><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al/><al><vet>2. (Voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Capaciteit van de gebouwen</onderstreept></al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen is van belang om aanvragen
                    voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen
                    ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt
                    bepaald aan de hand van het aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte (bvo).
                    De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. De BVO is een gegeven dat wordt
                    bepaald aan de hand van III-I, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een
                    kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost van
                    de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering
                    van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan
                    alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al/><al><onderstreept>Rangordebepaling</onderstreept></al><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard.</al><al>Vervolgens hebben de kleinste gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze
                    gebouwen eerder zullen kunnen worden afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn
                    redenen denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld: kan een
                    kleinere dislocatie structureel voldoende huisvesting bieden en kan door de
                    rangorde aan te passen de grotere dislocatie worden afgestoten? In een dergelijk
                    geval stelt het college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde
                    van de dislocaties vast.</al><al><onderstreept>Terrein</onderstreept></al><al>De terreinoppervlakte in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de
                    eerste keer geregistreerd.</al><al>De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                    het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                    grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar onderwijs het geval
                    is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare gebouwen
                    tezamen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al/><al><onderstreept>Inventaris</onderstreept></al><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat
                    deze op 1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor
                    nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend. Als in het verleden voor
                    meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat
                    vastgelegd.</al><al/><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>Het is van belang de capaciteit van de gymnastiekruimten vast te stellen vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren gebruik van een
                    gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs kan gezien de schooltijden van de school
                    echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien
                    een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school wordt de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte ten behoeve van de desbetreffende school bepaald door het
                    aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden
                    van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een
                    gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet
                    onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een accommodatie beheerd
                    door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte betreft de oppervlakte zoals deze
                    is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte
                    gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op
                    een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw,
                    wordt de terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al/><al><vet>3. Voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                    wordt bepaald aan de hand van III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
                    Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met het
                    bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of
                    de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige
                    wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke
                    (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede
                    schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte, een uitleenpost van de
                    openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering van
                    de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen
                    in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn
                    immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen
                    zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al/><al><onderstreept>Terrein</onderstreept></al><al>De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de registratie in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><onderstreept>Inventaris</onderstreept></al><al>De toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de
                    invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting. Bij de start van de nieuwe systematiek wordt
                    ervan uitgegaan, dat alle scholen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van
                    inventaris.</al><al/><al><onderstreept>Gymnastieklokalen</onderstreept></al><al>Het gegeven 'aantal gymnastieklokalen in eigendom' heeft de gemeente nodig om
                    bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO-instelling
                    te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan
                    verzorgen.</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is
                    gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn.
                    Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                    of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling
                    van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik
                    van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair
                    niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik
                    gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al/><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>1. School voor (speciaal) basisonderwijs</vet></al><al/><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                    de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter
                    brutovloeroppervlakte.</al><al>Voor de scholen in het basisonderwijs gelden in de nieuwe situatie de volgende
                    waarden: een vaste voet van 200 m2 bvo en een bvo per leerling van 5,03 m2.
                    Daarnaast geldt een toeslag als een school (voldoende) ‘gewichtenleerlingen’
                    heeft.</al><al>De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de vorm van
                    een toeslag bovenop de m2 bvo per leerling die hoort bij reguliere leerlingen. </al><al>Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de volgende stappen
                    doorlopen: </al><lijst><li nr="1."><al>De gewichtensom van de school wordt bepaald;</al></li><li nr="2."><al>Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal
                            ongewogen leerlingen;</al></li><li nr="3."><al>De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen
                            leerlingen.</al></li></lijst><al/><al>De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m2 bvo * (gecorrigeerde)
                    gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend.</al><al>De aparte normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of
                    tweede) speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen.
                    Hiermee sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003.</al><al>De vierkante meters brutovloeroppervlakte (bvo) zijn echter niet verdwenen. In
                    de waarde van 5,03 m2 bvo per leerling zijn de vierkante meters voor het eerste
                    en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het schoolbesturen mogelijk
                    gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante meters bvo al dan niet in te
                    zetten als speellokaal.</al><al>De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet
                    afhankelijk zijn van het leerlingenaantal. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                    dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer en spreekkamer. Verder
                    de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen.</al><al>Voor de scholen voor het speciaal basisonderwijs (SBO) gelden in de nieuwe
                    situatie de volgende waarden: een vaste voet van 250 m2 bvo en een bvo per
                    leerling van 7,35 m2. In de 7,35 m2 bvo per leerling is de (voormalige) extra
                    ruimte bij de 12e groep verwerkt door te lineariseren.</al><al>De ruimte voor een eventueel speellokaal is (in tegenstelling tot het reguliere
                    basisonderwijs) niet meegenomen omdat er voor gekozen is om de
                    ruimtebehoeftesystematiek voor het sbo (en het so) voor wat betreft het
                    speellokaal ongewijzigd te laten (zie paragraaf 2.2.5.6).</al><al>Dat betekent dat indien sprake is van een speellokaal voor een school voor
                    speciaal basisonderwijs, daarvoor als ruimtebehoefte steeds 90 m2 bvo wordt
                    aangehouden.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de
                    desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit.
                    De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt
                    uitgedrukt in vierkante meter brutovloeroppervlakte.</al><al>Bij de normoppervlakte wordt onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="1."><al>De zwaarte van de handicap(s) van de kinderen (onderwijssoort), tot
                            uitdrukking gekomen in een grotere of kleinere ruimtebehoefte; </al></li><li nr="2."><al>Onderscheid oudere en jongere kinderen, tot uitdrukking komend in het
                            verschil tussen SO en VSO.</al></li></lijst><al>Er is geen één op één verband tussen de oppervlaktenormen voor het (V)SO en de
                    bestaande clusterindeling in clusters 1-4 ten behoeve van de indicatiestelling
                    van de kinderen.</al><al/><al>Per onderwijssoort worden de volgende aantallen vierkante meter bvo per leerling
                    gebruikt:</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>schoolsoort</vet></al></entry><entry><al><vet>SO jong</vet></al></entry><entry><al><vet>VSO oud</vet></al></entry></row><row><entry><al>sh/esm, visg, lz, zmok, pi</al></entry><entry><al>8,7 m2 bvo/lln</al></entry><entry><al>12,2 m2 bvo/lln</al></entry></row><row><entry><al>zmlk</al></entry><entry><al>8,7 m2 bvo/lln</al></entry><entry><al>9,2 m2 bvo/lln</al></entry></row><row><entry><al>doven, lg, mg</al></entry><entry><al>13,8 m2 bvo/lln</al></entry><entry><al>15,5 m2 bvo/lln</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel. Leerling-afhankelijke ruimtenormering (V)SO </cursief></al><al/><al>Eind 2005 is door het Kabinet een motie aangenomen om de groepsgrootte in het
                    voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (vso-zmlk) te
                    verkleinen van twaalf naar zeven leerlingen. Vso-zmlk scholen krijgen vanaf 1
                    januari 2006 extra formatie van het Rijk om de groepsgrootteverkleining mogelijk
                    te maken. Hiermee kunnen scholen meer personeel in dienst nemen. Daartoe is het
                    Besluit bekostiging WEC aangepast (KB van 9 mei 2006, Stb.2006, 283). </al><al>Schoolbesturen hebben hierdoor meer geld voor personeel gekregen. Gemeenten
                    hebben, na agendering van dit onderwerp door de VNG een (kleine) toevoeging in
                    het gemeentefonds gekregen om die kleinere groepen te huisvesten. Volledige
                    doorvoering in de huisvesting van de groepsgrootteverkleining vergt extra geld.
                    Daarom is voor dit type speciaal onderwijs uitgegaan van de beschikbare middelen
                    en is de groepsgrootteverkleining (noodgedwongen) niet geheel doorgevoerd. De
                    bvo/leerling-norm blijft daarmee afwijkend van de andere normen, zodat hier
                    sprake blijft van een status aparte voor VSO-zmlk.</al><al/><al>Daarnaast geldt een vaste voet. Deze is voor alle onderwijssoorten binnen SO en
                    VSO bepaald op 370 m2 bvo (met uitzondering van VSO-zmlk, waarvoor een vaste
                    voet van 250 m2 geldt). Het gaat hierbij overigens om een vaste voet zonder
                    onderwijsruimten zoals groepslokalen. De vaste voet staat in de nieuwe methodiek
                    voor voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal
                    en van de specifieke schoolsoort. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                    dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer, spreekkamer,
                    behandelkamers, rustruimten. Verder de facilitaire ruimten als reprografie,
                    entree en bergingen. De vaste voet voor een school met zowel SO als VSO binnen
                    hetzelfde schooltype is slechts eenmaal van toepassing. Om dezelfde reden is
                    voor een scholengemeenschap met meer schooltypen de vaste voet voor elk
                    afzonderlijk schooltype van toepassing. Evenals in de oude situatie geldt dat de
                    vaste voet alleen voor een hoofdvestiging van toepassing is en niet voor een
                    nevenvestiging.</al><al/><al>Bij de berekeningen voor (V)SO zijn speellokalen niet meegenomen. In de
                    bvo/lln-getallen zijn de extra ruimten (ER) bij de 12e of 13e groep verwerkt
                    door te lineariseren. Indien sprake is van een speellokaal, wordt daarvoor als
                    ruimtebehoefte steeds 90 m2 bvo aangehouden.</al><al/><al>Voor SO-mg en VSO-mg kunnen bij ministeriële beschikking kleinere n-factoren dan
                    7 worden vastgesteld. Voor instellingen waarvoor dit van toepassing is, wordt
                    een vaste voet en een omvang bvo/lln berekend op dezelfde wijze als is toegepast
                    voor de andere n-factoren. (Toevoegen bedrag m2).</al><al/><al>Voor het (V)SO-mg met n-factor kleiner dan 7 geldt onderstaande.</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>schoolsoort</vet></al></entry><entry><al><vet>SO jong</vet></al></entry><entry><al><vet>VSO oud</vet></al></entry><entry><al><vet>vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry><al>mg doven en visg, n=2</al></entry><entry><al>56,75 m² bvo/lln </al></entry><entry><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry><al>370 m² bvo</al></entry></row><row><entry><al>mg doven en zmlk, n=3</al></entry><entry><al>56,75 m² bvo/lln</al></entry><entry><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry><al>370 m² bvo</al></entry></row><row><entry><al>mg visg en een andere handicap, n=3</al></entry><entry><al>56,75 m² bvo/lln</al></entry><entry><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry><al>370 m² bvo</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel. Leerlingafhankelijke ruimtenormering (V)SO-mg N-factor &lt; 7
                        leerlingen.</cursief></al><al/><al><vet>3. School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand
                    van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal
                    componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds
                    afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het
                    onderwijsaanbod).</al><al/><al>Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald. </al><al/><al>Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum</al><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al>Ruimtesoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>BVO/II</al></entry><entry><al>aantal II</al></entry><entry><al>BVO</al></entry></row><row><entry><al>onderbouw </al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al>6,18</al></entry><entry><al>100</al></entry><entry><al>618</al></entry></row><row><entry><al>avo/vwo</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al>5,85</al></entry><entry><al>200</al></entry><entry><al>1170</al></entry></row><row><entry><al>totaal</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>300</al></entry><entry><al>1788</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b. De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en
                    heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste
                    voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2768 m² bruto
                    vloeroppervlakte Algemene Ruimte. Een school komt in aanmerking voor een vaste
                    voet per afdeling als op deze school de beroepsgerichte leerweg voor deze
                    afdeling wordt aangeboden.</al><al>Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt
                    aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het
                    beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg
                    van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of
                    sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden
                    aangeboden.</al><al/><al><vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering. De omvang van de ingebruikneming is eveneens
                    afhankelijk van het aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de
                    berekeningswijze voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde
                    capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden
                    gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. </al><al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik geldt in het primair
                    onderwijs een drempelwaarde van 55 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden
                    is, ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen.</al><al>Voor het speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een
                    drempelwaarde van 50 m2 bvo.</al><al/><al><onderstreept>Voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering. De omvang van medegebruik wordt bepaald door het
                    aantal vierkante meterbvo waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal
                    vierkante meter bvo waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    vierkante meter bvo waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in
                    verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden
                    van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden
                    verwezen.</al><al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik van voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen geldt in het primair onderwijs een drempelwaarde
                    van 40 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is, ontstaat aanspraak op
                    een van de bovengenoemde voorzieningen.</al><al>Voor het speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een
                    drempelwaarde van 40 m2 bvo.</al><al/><al><onderstreept>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is
                    rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen. of omdat de capaciteit van het gebouw van een school voor
                    speciaal basisonderwijs moet worden vergroot voor het creëren van een extra
                    speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet-
                    en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. </al><al>ls een oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een
                    gasgestookte installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van
                    een gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging
                    in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op
                    de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering. De omvang van de ingebruikneming is eveneens
                    afhankelijk van het aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze
                    voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een
                    gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al/><al><onderstreept>Voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering. De omvang van medegebruik wordt bepaald door het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</al><al/><al><onderstreept>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is
                    rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen. De aanpassing kan ook noodzakelijk zijn omdat een dislocatie
                    wordt afgestoten en specifieke voorzieningen die in de dislocatie aanwezig waren
                    in het hoofdgebouw moeten worden gerealiseerd. Ook kan het zijn dat een
                    dislocatie, als gevolg van een stijging van het aantal leerlingen, de status
                    hoofdgebouw krijgt en als gevolg hiervan moet worden aangepast. Indien de school
                    een ander vak opneemt in het schoolwerkplan en het schoolwerkplan wordt als
                    zodanig door de inspectie goedgekeurd, dan kan een noodzakelijke aanpassing van
                    een lokaal tot het desbetreffende vaklokaal worden goedgekeurd. Activiteiten die
                    noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet- en regelgeving kunnen eveneens
                    voor bekostiging in aanmerking komen. In het geval dat een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte installatie
                    komen de meerkosten van het vervangen van de oliegestookte installatie ten
                    opzichte van het vervangen van een oliegestookte installatie door een
                    gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in
                    de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de
                    installatie. De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die
                    noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven
                    in het overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><al/><al><vet>3. School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><onderstreept>Voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met
                    behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze
                    bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</al><al>In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of een
                    instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking
                    komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt
                    bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan
                    vijftien jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt.</al><al>Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door
                    vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%)
                    en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b).</al><al>Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te
                    bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets moeten
                    plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting.
                    In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet
                    bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden
                    afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval van medegebruik
                    door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of binnen het
                    lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</al><al>Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van
                    de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster
                    redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in
                    verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan
                    het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in
                    de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32
                    uur in de week ingeroosterd kan worden. </al><al>an de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een plattegrond van de school) kan
                    bepaald worden of alle lokalen wel ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde
                    lokalen de bezetting maximaal 16 is in plaats van 26 leerlingen.</al><al>Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de
                    bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de
                    volgende criteria getoetst: aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur
                    per week (excl. gym);</al><lijst><li nr="1."><al>het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per
                            week;</al></li><li nr="2."><al>de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen het
                            praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend onderwijs
                            16 leerlingen);</al></li><li nr="3."><al>het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per
                            week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve
                            gebruik op 24 uur per week;</al></li><li nr="4."><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen
                            ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor
                            maximaal 8 leerlingen;</al></li><li nr="5."><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten
                            dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</al></li></lijst><al/><al>Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de
                    beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al><al/><al><onderstreept>Voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept></al><al>Met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het
                    leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode
                    langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald.
                    Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde
                    beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde
                    tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte.</al><al>Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort
                    toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m²'s lesruimte per
                    instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil
                    zeggen dat het geconstateerde ruimtetekort minimaal 100 m² bruto moet bedragen
                    om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                    aanmerking te komen. Voor de bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt
                    de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al><al/><al><onderstreept>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept></al><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks
                    gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een
                    vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I,
                    paragraaf 3.7).</al><al/><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>De bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de huisvesting,
                    die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van het
                    Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor
                    lesgebouwen. Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen
                    gymnastiek is het lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden
                    gymnastiek kan met de in paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend.</al><al/><al><vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al/><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat het Bouwbesluit reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld
                    stelt.</al><al/><al>Ook de minister van OCenW heeft, door middel van een Algemene maatregel van
                    bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter niet
                    de specifieke ruimten, maar het totale gebouw, dan wel alle bij een school in
                    gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het Uitvoeringsbesluit
                    voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125).</al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over
                    de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten,
                    met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al><al/><al><vet>Toelichting op bijlage IV Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Goeree-Overflakkee</vet></al><al/><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al></li><li nr="2."><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al></li></lijst><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al><al/><al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de
                    verordening. In deze modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen
                    genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële
                    uitkomsten leidt, is afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie
                    kan de keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis
                    van feitelijke kosten een andere zijn.</al><al/><al><vet>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al/><al><onderstreept>Procentuele normvergoeding voor
                    bouwvoorbereiding</onderstreept></al><al>In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de modelverordening is een aantal regels
                    gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de
                    toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage
                    IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze
                    vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor
                    de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde
                    percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw
                    voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van
                    het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting).</al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en
                    gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept></al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. Hiernaast
                    kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de
                    inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal (in het geval van
                    een school voor speciaal basisonderwijs) en verhuiskosten. Kosten voor de
                    verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de
                    ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><al><onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al/><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten worden
                    voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer,
                    conciërgeruimte en dergelijke . Indien tijdelijke voorziening voor een kortere
                    periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                    investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de
                    huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een
                    bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke
                    huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al/><al><onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                    meubilair</onderstreept></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. Deze normbedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding wordt
                    het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. Voor alle
                    duidelijkheid: het basisbedrag wordt dus niet bij elke uitbreiding
                    toegekend.</al><al/><al><onderstreept>Gymnastiek</onderstreept></al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair. De bedragen voor de klokuurvergoeding (materiële
                    exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen'
                    gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie zijn
                    opgenomen in de modelbeleidsregel bekostiging gymnastiekruimte.</al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept></al><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep. Hiernaast
                    kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de
                    inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal, verhuiskosten en
                    een liftinstallatie. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet
                    opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><al><onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al/><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten worden
                    voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer,
                    conciërgeruimte en dergelijke. Indien tijdelijke voorziening voor een kortere
                    periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                    investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de
                    huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een
                    bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke
                    huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al/><al><onderstreept>Gymnastiek</onderstreept></al><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Voor LG- en MG-scholen is er een
                    extra toeslag voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte. Bij de
                    voorziening 'bad voor watergewenning en bewegingstherapie' is slechts
                    medegebruik van toepassing. Indien nieuwbouw van een dergelijke voorziening
                    noodzakelijk is vindt vergoeding op basis van feitelijke kosten plaats (zie deel
                    B).</al><al>De bedragen voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van
                    toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen' gymnastiekzaal en bij
                    medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie zijn opgenomen in de
                    modelbeleidsregel bekostiging gymnastiekruimte.</al><al/><al><vet>3 Voortgezet onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept></al><al>De kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn
                    genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten
                    (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast
                    kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten
                    (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een
                    terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen
                    variëren. </al><al>Om de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het
                    noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO de verschillende
                    ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Het huidige gebouw zal
                    daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit kan in drie stappen gebeuren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten. Door
                            vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze ruimten met de
                            bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze ruimten
                            verkregen.</al></li><li nr="2."><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter
                            verkrijging van de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto vierkante
                            meters worden vermenigvuldigd met de bruto/netto factor van 1,38.</al></li><li nr="3."><al>De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het
                            gebouw minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen. Oftewel:</al></li></lijst><al/><al> Bestaande BVO totaal ... m²</al><al> BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67) … m²</al><al> BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m² </al><al> = Algemene ruimte ... m²</al><al/><al>Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het
                    bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en negatieve
                    bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor
                    investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO
                    verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of nieuwbouw
                    (zie deel A, 3.1 van bijlage IV). </al><al/><al>Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de
                    vergoedingen voor de sectie-afhankelijke en de aanvullende kosten worden
                    opgeteld.</al><al/><al><onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen. Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt
                    tussen nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding
                    van een bestaande noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde
                    oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden
                    berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals
                    eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en
                    dergelijke.</al><al>Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al/><al><onderstreept>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De normvergoeding voor inventaris wordt berekend door het tekort of overschot
                    per ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m² wat voor
                    deze ruimten is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter iets verder:</al><al/><al>Bestaande BVO totaal ... m²</al><lijst><li nr="1."><al>BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67) ...
                            m²</al></li><li nr="2."><al>BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie ... m²
                            (netto m² x 1,67) </al></li><li nr="3."><al>BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="4."><al>BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="5."><al>BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="6."><al>BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m²</al></li><li nr="7."><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m²</al></li></lijst><al>= Algemene ruimte ... m²</al><al>Het vorenstaande betekent voor inventaris dat als een school goedkope ruimte
                    moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in inventariskosten wordt
                    gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte verbouwd wordt tot
                    werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook voorkomen, dat de school
                    gekort wordt op het bedrag voor inventaris als werkplaatsen of specifieke ruimte
                    wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij dit laatste kan het in uitzonderlijke
                    gevallen voorkomen dat het totaalbedrag negatief wordt. In dit uitzonderlijke
                    geval wordt het bedrag voor inventaris op nul gezet.</al><al/><al><onderstreept>Gymnastiek</onderstreept></al><al>Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal gymzalen
                    waar normatief recht op bestaat en het aantal aanwezige zalen. Bij uitbreiding
                    van een oefenvloer tot 252 m² kan het normbedrag aan
                    inventaris/investeringskosten worden berekend door:</al><lijst><li nr="1."><al>vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO;</al></li><li nr="2."><al>door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per
                            vierkante meter voor inventaris/investeringskosten.</al></li></lijst><al/><al><vet>4 Indexering</vet></al><al>Op grond van artikel 102, derde lid WPO; artikel 100, derde lid WEC en artikel
                    76m, derde lid WVO, is de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand
                    waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in
                    de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals aanpassing en onderhoud, zal
                    worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze
                    voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te
                    normeren. </al><al>oorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen
                    worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden
                    aangepast aan het geldende prijspeil.</al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een
                    actueel prijspeil gebracht. </al><al>Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan
                    van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                    MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                    methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                    voorzieningen vast. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het
                    daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde
                    prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een
                    'terugcorrectie' met het MEV-cijfer.</al><al>De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in de
                    verordening vast te leggen.</al><al>De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd
                    plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het
                    tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen
                    ook het MEV-cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt
                    gemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Een alternatief voor het hanteren van de MEV-cijfers is het gebruik maken van
                    een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de
                    gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt
                    aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de
                    normbedragen.</al><al/><al><vet>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al/><al>In deze modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren
                    (deel A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde
                    vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke
                    kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding
                    tussen de genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten
                    worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4
                    van de verordening.</al><al/><al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten, volgens
                    deze modelverordening, van toepassing op de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="1."><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al></li><li nr="2."><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie
                            (V)SO;</al></li><li nr="3."><al>aanpassingen aan gebouwen (in het primair en speciaal onderwijs);</al></li><li nr="4."><al>onderhoud aan gebouwen (in het primair en speciaal onderwijs);</al></li><li nr="5."><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="6."><al>herstel van schade;</al></li><li nr="7."><al>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede </al></li><li nr="8."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li><li nr="9."><al>aankoop van terreinen;</al></li><li nr="10."><al>huur van gymnastiekruimten van derden;</al></li><li nr="11."><al>huur van bestaande gebouwen.</al></li></lijst><al/><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals
                    vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor
                    aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de
                    overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</al><al/><al><onderstreept>Procedure vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten</onderstreept></al><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                    vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te
                    voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                    geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                    programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                    aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                    vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld
                    en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na
                    vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit
                    bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan
                    worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan
                    de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of
                    minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen
                    invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en
                    overzicht zijn geplaatst.</al><al/><al><onderstreept>Aanbestedingsregels¹</onderstreept></al><al>Het schoolbestuur is bij de realisering van de diverse
                    onderwijshuisvestingsvoorzieningen bouwheer, tenzij schoolbestuur en college
                    anders overeenkomen. Dit vloeit voort uit de diverse onderwijswetten (artikel
                    103 van de Wet op het Primair Onderwijs, artikel 101 van de Wet op de
                    Expertisecentra en artikel 76n. van de Wet op het Voortgezet Onderwijs). Hieruit
                    vloeit voort dat als het schoolbestuur als bouwheer optreedt, het ook de
                    aanbesteding regelt en zich dient te houden aan de van toepassing zijnde
                    aanbestedingsregels.</al><al/><al><onderstreept>Type voorziening van belang bij aanbesteding</onderstreept></al><al>Voor wat betreft de aanbesteding maakt de (model-) verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs onderscheid tussen onderwijshuisvestingsvoorzieningen die
                    worden vergoed op basis van normbedragen en voorzieningen die worden vergoed op
                    basis van feitelijke kosten (artikel 4 van de (model-) verordening).</al><al/><al><onderstreept>Vergoeding op basis van feitelijke kosten</onderstreept></al><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding van dit type voorzieningen
                    wordt gebaseerd op de laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen
                    van offertes door middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige
                    wijze gebeurt. Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de
                    gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen
                    stellen aan de te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager
                    en gemeente ingevolge artikel 15 van de (model-) verordening worden nadere
                    afspraken gemaakt over de te volgen aanbestedingsprocedure. </al><al/><al>Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het vastgestelde gemeentelijk
                    beleid wordt bepaald op welke wijze een opdracht wordt aanbesteed, tenzij het
                    college na overleg anders beslist. Indien de omvang van een opdracht of contract
                    boven een bepaald drempelbedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                    toegepast. </al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen uit het
                    Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al><al/><al><onderstreept>Vergoeding op basis van normbedragen</onderstreept></al><al>Voor voorzieningen die op basis van een normbedrag worden vergoed, geldt het
                    gestelde in Bijlage IV, Deel B in mindere mate. De reden hiervoor is het feit
                    dat het normbedrag gezien moet worden als een voor het schoolbestuur
                    taakstellend budget, waarbinnen de voorziening moet worden gerealiseerd.
                    Daardoor is het financiële risico voor de gemeente beperkter.</al><al>Desondanks is het schoolbestuur voor wat betreft de besteding van het normbedrag
                    ook voor dit type voorzieningen gebonden aan de bepalingen in het eerder
                    genoemde Besluit overheids-aanbestedingen. Een schoolbestuur wordt namelijk
                    aangemerkt als een ‘publiekrechtelijke instelling’. De reden hiervoor is dat het
                    gaat om de inzet van publieke middelen.</al><al/><al>Zowel voor voorzieningen die beschikbaar worden gesteld op basis van
                    normbedragen als voorzieningen op basis van feitelijke kosten gelden de van
                    toepassing zijnde aanbestedingsregelgeving. Voor de laatstgenoemde categorie
                    gaat de betrokkenheid van de gemeente verder omdat het financiële risico daar
                    groter is. Het is zaak om hierover in het uitvoeringsoverleg ingevolge artikel
                    15 van de modelverordening vooraf goede afspraken te maken.</al><al/><al><vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al/><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien
                    medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een
                    aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de
                    eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de
                    hoogte van de vergoeding bepalen.</al><al>Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhankelijke
                    kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor
                    de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in
                    het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen ter beschikking wordt
                    gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs.</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Toelichting bijlage V </vet><vet>Verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs Goeree-Overflakkee</vet></al><al/><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt het college
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van het college zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in
                    hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting betekent concreet dat het vastgestelde bedrag
                    voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><lijst><li nr="1."><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                            nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk); </al></li><li nr="2."><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li><li nr="3."><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                            vergoed.</al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen. In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt
                    om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken. De gemeente kan één
                    integraal budget vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen. Dit
                    zorgt voor een integrale afweging. Van die systematiek is in de modelverordening
                    uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter
                    vóór de beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden. Indien een gemeente
                    een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de
                    modelverordening te geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria, en
                    dus door een wijziging van de verordening. De voorzieningen die in het kader van
                    dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen als hoofdprioriteit 1.</al><al>Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt). </al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen. De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een
                    adequaat onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. </al><al>In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een volgorde qua gewicht
                    bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere mate van
                    onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor (bepaalde)
                    lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen.</al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen vallen onder
                    hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het
                    schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er
                    sprake van een voorziening die spoedeisend is.</al><al>Samenvatting urgentiecriteria:</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Hoofdprioriteiten</vet></al></entry><entry><al><vet>Subprioriteiten</vet></al></entry><entry><al><vet>Rangorde bepaling door:</vet></al></entry></row><row><entry><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry><al>a met herschikking</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b zonder herschikking</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry><al>a gebouw</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>e overige ruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry><al>a gebouw</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>e overige ruimte</al></entry><entry><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry><al>a voor theorie-/leslokalen</al></entry><entry><al>percentage leerlingen waar voor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry><al>b voor vak-/speellokalen/ gymnastiekruimten</al></entry><entry><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten percentage
                                        leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere
                                        omstandigheden,voor zover niet spoedeisend mate van ernst
                                        van de schade</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>e overige activiteiten</al></entry><entry><al>ouderdom van het gebouw </al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Voorbeeld: Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de gemeente
                    X zeven aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in aanmerking komen.
                    Het totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt € 730.000,-.</al><al/><al>Het gaat om de volgende aanvragen:</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Onderwerp:</vet></al></entry><entry><al><vet>Bedrag:</vet></al></entry></row><row><entry><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry><al>220.000,- </al></entry></row><row><entry><al>b wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry><al>10.000,-</al></entry></row><row><entry><al>c wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry><al>40.000,-</al></entry></row><row><entry><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry><al>50.000,-</al></entry></row><row><entry><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry><al>300.000,-</al></entry></row><row><entry><al>f Vervangen dak B.O.</al></entry><entry><al>30.000,- </al></entry></row><row><entry><al>g Vervangen erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry><al>80.000,-</al></entry><entry><al>TOTAAL: </al></entry><entry><al>730.000,- </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd- en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score.</al><al/><al>De score wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                            capaciteit. Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op
                            een aanwezige capaciteit voor 8 groepen. De 55%-score bij aanvraag e
                            komt tot stand omdat de bestaande oefenvloer van 140 m² wordt uitgebreid
                            tot 252 m²; </al></li><li nr="2."><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de
                            bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem
                            aan te pakken;</al></li><li nr="3."><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                            onderwijskundige vernieuwing. </al></li></lijst><al/><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                    bedoeld.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>