<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR294301_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Geen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente De Wolden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_22-10-2010">artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1998-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1999-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1998 - XI/15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente De Wolden;</al><al> Gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders;</al><al> Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al> B e s l u i t :</al><al> Vast te stellen de volgende “Uitkerings- en pensioenverordening
                        wethouders”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>DE UITKERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Het recht op uitkering</titel></kop><al> 1. Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                            onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag van
                            aftreding, voor zover hij als dan niet de leeftijd van 65 jaar heeft
                            bereikt, recht op een uitkering op de voet van de volgende
                            artikelen.</al><al> 2. De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan een
                            gewezen wethouder:</al><al> a. die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
                            begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands Nationaal
                            oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al><al> b.die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar zijn
                            oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands Nationaal oogpunt beschouwd
                            onwaardig heeft gedragen;</al><al> c.die overeenkomstig artikel X8 van de kieswet van het lidmaatschap van
                            de raad vervallen verklaard is;</al><al> d.wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan kennelijk
                            wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft schuldig gemaakt.
                            Onder grove verwaarlozing van zijn taak wordt begrepen het zonder
                            genoegzame grond weigeren de in artikel 196 Gemeentewet bedoelde
                            inlichtingen aan de raad te verstrekken.</al><al> 3. Het in lid 1 bepaalde vindt geen toepassing indien de belanghebbende
                            zulks verzoekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Normale duur van de uitkering</titel></kop><al> 1. De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin
                            de belanghebbende wethouder is geweest, tot een maximum van zes jaren,
                            met dien verstande dat kan worden bepaald dat de uitkering tenminste
                            voor de duur van twee jaren wordt toegekend. Indien de belanghebbende
                            met een of meer onderbrekingen wethouder is geweest, wordt in aanmerking
                            genomen de tijd gedurende welke hij wethouder is geweest in een tijdvak,
                            laatstelijk voordat hij ophield wethouder te zijn, waarin zijn
                            wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is
                            onderbroken.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de
                            duur van ten hoogte zes maanden, indien belanghebbende korter dan drie
                            maanden wethouder is geweest.</al><al> 3. In geval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens artikel
                            7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
                            tijdstip, waarop eerst genoemde uitkering zou zijn geëindigd ingeval van
                            artikel 7, onder c, buiten toepassing was gebleven.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voortzetting van de uitkering</titel></kop><al> 1. Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als wethouder
                            de leeftijd van 50 haar heeft bereikt en hij in het tijdvak van twaalf
                            jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren
                            wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip
                            waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al><al> 2. In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met inachtneming
                            van artikel 7, onder b, de uitkering zal worden voortgezet voor een
                            nader vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden
                            verlengd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><al> 1. De uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt gedurende het eerste
                            jaar 80 procent en vervolgens 70 procent van de laatstelijk als
                            wethouder genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                            eindejaarsuitkering.</al><al> 2. De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 procent van
                            de laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering
                            en de eindejaarsuitkering.</al><al> 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder “laatstelijk genoten”
                            verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening van het ambt zou
                            hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die waarop belanghebbende
                            heeft opgehouden wethouder te zijn.</al><al> 4. Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van het
                            rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt in de leden 1, 2
                            en 3 bedoelde laatstelijk genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en
                            de eindejaarsuitkering voor de toepassing van die leden met ingang van
                            het tijdstip van ingang die bezoldigingswijziging overeenkomstig die
                            wijziging toegepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr><titel>Voortzetting van de uitkering</titel></kop><al> 1. Indien belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
                            eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
                            inachtneming van het gestelde in artikel 7, de uitkering voor de duur
                            van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 4b.</al><al> 2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                            verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                            stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in
                            staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met
                            soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht
                            of voor het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
                            gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle
                            algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkenen met zijn krachten
                            en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen
                            arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale
                            Werkvoorziening.</al><al> 3. Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                            buiten beschouwing gelaten of de betrokkenen de arbeid feitelijk kan
                            verkrijgen.</al><al> 4. Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
                            aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt
                            aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de
                            vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat de
                            opleiding of scholing is afgerond.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4b</nr><titel/></kop><al> 1. De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het
                            tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en vijfde
                            lid van dit artikel.</al><al> 2. De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
                            derde lid 70 percent van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                            inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij een algemene
                            invaliditeit van 80 percent of meer; 60 percent van die wedde inclusief
                            vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij een algemene
                            invaliditeit van 55 tot 80 percent; en 40 percent van die wedde
                            inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij een algemene
                            invaliditeit van 25 tot 55 percent.</al><al> 3. De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                            belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                            uitkering:</al><al> 58 jaar of ouder is: zes jaar;</al><al> 53 jaar of ouder is: drie jaar;</al><al> 48 jaar of ouder is: twee jaar;</al><al> 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;</al><al> 38 jaar of ouder is: een jaar;</al><al> 33 jaar of ouder is: een half jaar; en</al><al> jonger is dan 33 jaar: nihil</al><al> 4. De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
                            bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag
                            gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil
                            tussen de laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief
                            vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 4, en
                            het minimumloon.</al><al> 5. Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
                            een percentage van twee maal het aantal verstreken jaren tussen het
                            vijftiende jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
                            voortzetting van de uitkering.</al><al> 6. Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                            jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste
                            lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag of,
                            indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een
                            jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand,
                            bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de
                            genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
                            vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van de wet.</al><al> 7. De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de uitkering, indien
                            die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
                            vastgestelde percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                            inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al><al> 8. De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering
                            te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de
                            laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief vakantie-uitkering en
                            de eindejaarsuitkering.</al><al> 9. In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
                            bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende
                            lid aangegeven percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                            inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, indien de
                            belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de
                            inhouding ingevolge artikel 59, eerste lid.</al><al> 10. Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
                            algemene invaliditeit van 80 percent of meer: 65 percent, bij een
                            algemene invaliditeit van 55 tot 80 percent: 56 percent en bij een
                            algemene invaliditeit van 25 tot 55 percent: 37 percent.</al><al> 11. Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot de
                            wijze en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen wethouder de in
                            het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te
                            maken.</al><al> 12. Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering
                            tezamen met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan het
                            minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
                            verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het
                            bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30 percent van
                            het minimumloon.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4c</nr><titel/></kop><al>1. De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a, geschiedt op
                            aanvraag van de belanghebbende voor de termijn van niet langer dan drie
                            jaar, onverminderd het in deze verordening bepaalde over herziening of
                            intrekking van de uitkering.</al><al>2. Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbenden uiterlijk vier
                            maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn
                            schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag
                            tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.</al><al>3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                            belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het
                            eerste lid bedoelde termijn gedaan.</al><al>4. Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een tijdig
                            ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering
                            voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.</al><al>5. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig te
                            zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de kennisgeving bedoeld
                            in het tweede lid niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere
                            kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend
                            binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.</al><al>6. Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                            termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die
                            van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
                            afgelopen.</al><al>7. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                            algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt
                            dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid
                            genoemde termijn van drie jaar.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4d</nr><titel/></kop><al>1. Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste
                            maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen burgemeester en
                            wethouders een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als
                            gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
                            invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de
                            uitkering.</al><al>2. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                            algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn
                            zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.</al><al>3. Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de
                            belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van
                            algemene invaliditeit.</al><al>4. Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><al>a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste
                            dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is
                            binnengekomen;</al><al>b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste
                            dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is
                            genomen.</al><al>5. De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een belanghebbende
                            gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van
                            burgemeester en wethouders zich te onderwerpen aan een onderzoek door
                            een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de
                            vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.</al><al>6. Indien degene die recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                            voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet,
                            zijn burgemeester en wethouders bevoegd, zolang niet vaststaat of deze
                            arbeid als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede lid, kan worden
                            aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te
                            gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over
                            een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag
                            waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste
                            volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn
                            onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband
                            met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde
                            periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als
                            arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede lid.</al><al>7. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van
                            het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen
                            algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit artikel
                            nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende regels
                            stellen.</al><al>Artikel 4e Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</al><al>1 Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een
                            onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen,
                            ter beantwoording van de vraag of de wethouder die het verzoek deed
                            algemeen invalide is als bedoeld in artikel 4a, tweede lid. </al><al>2 Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek dat
                            is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Korting wegens inkomsten</titel></kop><al>1. De inkomsten die belanghebbende geniet worden met de uitkering
                            verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
                            geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan
                            het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van
                            activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij
                            heeft opgehouden wethouder te zijn, geniet als</al><al>a. winst uit onderneming;</al><al>b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Algemene
                            Arbeidsongeschiktheidswet.</al><al>3. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
                            aangemerkt:</al><al>a. de inkomsten wegens de in het tweede lid bedoelde activiteiten ter
                            hand genomen door belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk
                            voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;</al><al>b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij
                            gedurende zijn zittingstijd als wethouder op non-activiteit was
                            gesteld;</al><al>c. de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid.</al><al>4. Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid
                            inkomsten of hogere inkomsten, anders dan tengevolge van algemene
                            loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten,
                            ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het
                            derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                            bepaalde in het eerste lid van toepassing.</al><al>5. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
                            uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering,
                            vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, inclusief
                            vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarvan de uitkering is
                            afgeleid, overschrijdt.</al><al>6. Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan de
                            kinderbijslag alsmede de compensatie voor of de vergoeding van de premie
                            ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet,
                            welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De
                            vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing
                            voor zover de daarbedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden
                            geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
                            1985.</al><al>7. Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter hand
                            nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel het gaan genieten van
                            inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit artikel, terstond
                            mededeling te doen aan burgemeester en wethouders onder opgave, voor
                            zover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander overeenkomstig
                            de voorschriften, hem door burgemeester en wethouders gegeven. Zijn de
                            inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig voor het
                            verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij
                            sinds het ter hand nemen van bedoelde werkzaamheden of sinds de vorige
                            opgave heeft genoten.</al><al>Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mee dat de
                            inkomsten over een langere termijn dan een maand moeten worden berekend,
                            dan wordt op de uitkering een mindering toegepast van een voorlopig
                            vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
                            evenbedoelde termijn.</al><al>8. Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van het bedrag
                            van de vermindering afwijken van de opgave van belanghebbende. </al><al>9. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette
                            uitkeringen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4a, kunnen
                            burgemeester en wethouders andere inkomsten aanmerken als te zijn
                            genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.</al><al>10. Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
                            erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
                            burgemeester en wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
                            omstandigheden alle inlichtingen te geven, welke voor de uitvoering van
                            deze afdeling nodig zijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Betaling uitkering</titel></kop><al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Einde van de uitkering</titel></kop><al>De uitkering eindigt:</al><al>a. met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende is
                            overleden;</al><al>b. met ingang van de dag waarop belanghebbende de leeftijd van 65 jaar
                            bereikt;</al><al>c. met ingang van de dag waarop belanghebbende weer als wethouder in
                            deze gemeente optreedt;</al><al>d. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
                            burgemeester en wethouders ten aanzien van een uitkering als bedoeld in
                            artikel 4a, eerste lid, hebben vastgesteld, dat de algemene invaliditeit
                            minder dan 25 percent is geworden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schorsing</titel></kop><al>1. De betaling van de uitkering kan door burgemeester en wethouders
                            worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de mededeling
                            of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7.</al><al>2. Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                            nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                            uitbetaald.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><al>wordt aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                            overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
                            gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden.</al><al>2. Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                            onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan wordt
                            evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige wettige of
                            natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen
                            waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke
                            zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
                            onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind,
                            onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een
                            vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de
                            uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige
                            kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al><al>3. Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en
                            tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
                            worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
                            en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van
                            die kosten ontoereikend is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vervanging</titel></kop><al>1. Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                            ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                            lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                            wethouderschap is belast geweest.</al><al>2. Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende krachtens het
                            gestelde in artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk doch
                            gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                            waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het tijdvak
                            van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak,
                            waarin hij anders dan krachtens artikel 51, eerste lid, van de
                            Gemeentewet als wethouder is opgetreden.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>PENSIOENEN</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld
                                in de artikelen 29, 33, 36 en 37, tenzij uit de desbetreffende
                                bepalingen het tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><al> Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 12a;</al><al> b. nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van overlijden gehuwd
                                was, dan wel de man of vrouw ten aanzien van wie door de overledene
                                aanmelding had plaatsgevonden.</al><al> c. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door
                                de genoten wedde exclusief de vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag
                                herleide bedrag waarvan de wedde is afgeleid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Aanmelding</titel></kop><al>1. De wethouder kan bij burgemeester en wethouders één man of vrouw
                                aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:</al><al>a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de
                                gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                ingeschreven;</al><al>b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover
                                elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van
                                levensonderhoud;</al><al>c. beiden ongehuwd zijn;</al><al>d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn; </al><al>e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.</al><al>2. Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het eerste lid:</al><al>a. de gewezen wethouder met recht op uitkering terzake van ontslag
                                of aftreden, of</al><al>b. de gewezen wethouder, indien hij al voor zijn ontslag of aftreden
                                gehuwd was met de man of vrouw van wie aanmelding gewenst wordt, dan
                                wel indien die man of vrouw al voor het ontslag of aftreden door de
                                gewezen wethouder was aangemeld geweest als bedoeld in het eerste
                                lid, mits de aanmelding wordt gedaan voordat degene die de
                                aanmelding doet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al><al>3. Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
                                afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is voldaan
                                aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een
                                afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan
                                wel een uittreksel daaruit of een verklaring van de notaris
                                dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid
                                blijkt.</al><al>4. Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste
                                lid, niet wordt voldaan, weigeren burgemeester en wethouders de
                                aanmelding.</al><al>5. Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                aanmelding door degene die niet als ingezetene in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.</al><al>6. De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.</al><al>7. Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt
                                doorgehaald:</al><al>a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is
                                aangemeld, is ontvangen;</al><al>b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan
                                wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of</al><al>c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel
                                de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt,
                                hetzij partij is bij een volgende aanmelding.</al><al>8. Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe aanleiding
                                bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor
                                aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt
                                alsdan een schriftelijke verklaring terzake over van hem en de
                                aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift
                                van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie
                                persoonsgegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in
                                het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt
                                voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het
                                samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang
                                kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde
                                contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring
                                van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan
                                aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.</al><al>9. Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhalen
                                burgemeester en wethouders hun in het achtste lid bedoelde
                                aanvraag.</al><al>10. Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
                                aanvraag wordt gegeven, kunnen burgemeester en wethouders de
                                aanmelding op een door hen vast te stellen datum doorhalen. De
                                bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaandenpensioen
                                zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder
                                nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het
                                tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden- en
                                wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk
                                pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel
                                blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervanging</titel></kop><al>1. Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel
                                51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van
                                het wethouderschap is belast geweest.</al><al>2. Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in
                                deze afdeling, kan op verzoek van belanghebbende tevens meetellen de
                                periode waarin hij krachtens het gestelde in artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet tijdelijk doch gedurende meer dan dertig dagen
                                onafgebroken met de tijdelijke waarneming van het wethouderschap is
                                belast geweest, indien het tijdvak van die waarneming zonder
                                onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak, waarin hij anders dan
                                krachtens artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet als wethouder
                                is opgetreden.</al><al>3. Het verzoek bedoeld in het vorige lid dient binnen dertig dagen
                                na de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel 51,
                                eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als wethouder is
                                opgetreden bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>HET EIGEN PENSIOEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Het recht op eigen pensioen</titel></kop><al> 1. Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien hij
                                op het tijdstip waarop hij ophoudt wethouder te zijn, de leeftijd
                                van 65 jaar heeft bereikt.</al><al> 2. Hij die ophoudt wethouder te zijn vóór het bereiken van de
                                leeftijd van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken van
                                die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als wethouder in deze
                                gemeente optreedt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986</titel></kop><al> 1. Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als
                                wethouder, volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a, naar
                                de laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering.</al><al> 2. Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                19, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1 januari 1986
                                als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan 100/110 maal het
                                bedrag van de eventueel volgens de regels, bedoeld in artikel 157,
                                derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                aangepaste wedde voor de vaststelling van de pensioengrondslag voor
                                de pensioenberekening over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari
                                1995 met toepassing van artikel 19. De in de eerste volzin
                                eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder dan het bedrag van
                                laatstbedoelde wedde verminderd met f. 6.320,00. Het bedrag van f.
                                6.320,00 wordt telkens aangepast bij de ministeriële regeling,
                                bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag
                                dat op 1 januari 1985 f. 63.200,-- bedroeg.</al><al> 3. Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19a, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al><al> 4. Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over de tijd tussen 31
                                december 1985 en 1 januari 1995 als laatstelijk genoten wedde een
                                bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in het
                                tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                pensioengrondslag voor de pensioenberekening over de tijd na 31
                                december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd met
                                een debruteringsfactor. Deze factor is de breuk, waarvan de teller
                                honderd bedraagt en de noemer de som van honderd en het percentage
                                waarmee de wedde als wethouder per 1 januari 1995 uitsluitend ter
                                uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994, houdende
                                wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder
                                andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise
                                voor de pensioenberekening) (Staatsblad 418) is gewijzigd.</al><al> 5. Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
                                voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
                                laatstelijk genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede of derde
                                lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari
                                    1986</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen voor 1 januari 1986.</al><al>2. Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder
                                van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 percent en voor ieder
                                overig jaar als wethouder 1,75 percent, in totaal tot een maximum
                                van 70 percent, van de – in de zin van artikel 4 – laatstelijk als
                                wethouder genoten wedde inclusief vakantie-uitkering en
                                eindejaarsuitkering, aangepast volgens de regels de regelen als
                                bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers.</al><al>3. Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op
                                voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                grond van artikel 139, lid 3, van deze wet voor de toepassing van de
                                pensioenberekening volgens de regels 3,5 percent per dienstjaar in
                                totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
                                overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de
                                berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of
                                berekeningsgrondslag worden deze zonodig aangepast aan de regelen,
                                bedoeld in artikel 157, derde lid, van evengenoemde wet.</al><al>4. De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd
                                mee in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875 percent
                                per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer het een
                                uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a, het pensioen over deze
                                tijd naar 1,75 percent per jaar wordt berekend, voor zover en voor
                                zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 of meer
                                bedroeg. Voor de toepassing van de vorige volzin worden uitkeringen
                                als bedoeld in artikel 2 en in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt
                                als een uitkering als bedoeld in artikel 4a, indien en zolang
                                belanghebbende tijdens de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55
                                percent of meer algemeen invalide was</al><al>5 In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in dat
                                lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolgde dat lid
                                toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
                                uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
                                bedoeld in artikel 5.</al><al>Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het vierde lid vindt
                                plaats:</al><al>a voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering
                                wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 5, eerste
                                lid, tot nihil is verminderd;</al><al>b in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die
                                minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 59 berekende
                                inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor
                                draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval
                                als een op hen rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van
                                de 65-jarige leeftijd is voldaan;</al><al>c indien de belanghebbende zulks verzoekt.</al><al>6 Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor de
                                werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als daar
                                bedoelde inkomsten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31
                                    december 1985 en 1 januari 1995</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al><al>2. Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als wethouder
                                genoten wedde inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, te verminderen met een bedrag als omschreven in
                                het vierde lid (de franchise).</al><al>3. Ten aanzien van een wethouder die voor zijn bezoldiging geacht
                                wordt niet de volledige werkweek aan het ambt te besteden, wordt
                                onder wedde verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan
                                die wedde is afgeleid.</al><al>4. De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:</al><al>a. voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing van de
                                Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende
                                maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet
                                recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet
                                verzekerd zou zijn geweest;</al><al>b. voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing van de
                                Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende
                                maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet
                                recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij grond van die wet
                                verzekerd zou zijn geweest.</al><al>5. In de in het vierde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
                                bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet
                                recht bestaat.</al><al>6. Wanneer de in het vierde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd,
                                wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen
                                gaat, onverminderd artikel 22, tweede lid, in op dezelfde dag als
                                waarop bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.</al><al>7. Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen
                                voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als
                                wethouder 3,5 percent van de pensioengrondslag, en voor ieder overig
                                jaar als wethouder 1,75 percent van de pensioengrondslag, in totaal
                                tot een maximum van 70 percent van de pensioengrondslag, aangepast
                                naar de regelen, vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur
                                bedoeld in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers.</al><al>8. Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers komen voor de toepassing van de
                                pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in totaal ten
                                hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening voor
                                zover mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij die
                                berekening het hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien van
                                het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van de
                                hoogte van de wedden berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen.
                                Voor vergelijking van deze wedden, berekeningsgrondslag of
                                pensioengrondslagen worden deze zonodig aangepast aan de regelen,
                                vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel
                                157 van evengenoemde wet.</al><al>9. Het vierde en vijfde en zesde lid van artikel 18 zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al>10. Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van
                                artikel 18 als met toepassing van dit artikel, wordt in afwijking
                                van het zesde, zevende of achtste lid het percentage van 70 percent
                                verminderd met het percentage van het pensioen dat eerst is berekend
                                met toepassing van artikel 18.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd na 31 december
                                    1994</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over tijd doorgebracht als wethouder na 31 december 1994.</al><al>2. Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande,
                                dat de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is dat op grond van
                                een reglement, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet
                                privatisering Abp als zodanig geldt voor de berekening van een
                                ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer in de zin
                                van die wet.</al><al>3. Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, zijn van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Berekening eigen pensioen deeltijdwethouders na 31 december
                                    1985</titel></kop><al>Tijd doorgebracht als wethouder, gedurende welke de belanghebbende
                                voor zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan
                                zijn ambt te besteden, telt voor de pensioenberekening met
                                toepassing van artikel 19 en 19a, dan wel met toepassing van beide
                                artikelen, mee met inachtneming van de voor die tijd toepasselijke
                                deeltijdfactor of deeltijdfactoren.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Samenvallende diensttijden van echtgenoten tussen 31 december
                                    1985 en 1 januari 1995</titel></kop><al>1. De gepensioneerde wethouder heeft recht op een toeslag op zijn
                                pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
                                franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel a, en, indien
                                de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
                                meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt
                                met de kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening
                                van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op
                                laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van
                                recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.</al><al>2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde wethouder wordt
                                aangemerkt.</al><al>3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                berekening van het pensioen tellende jaar binnen de samenlopende
                                kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 19,
                                vierde lid.</al><al>4. De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijk verzoek en
                                gaat in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid
                                is opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
                                dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
                                ingediend. </al><al>5. Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder het pensioen
                                begrepen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>1. Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder mede
                                begrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge
                                de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond
                                van de persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen
                                krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd voor 1 januari
                                1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan burgemeester
                                en wethouders.</al><al>2. Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot
                                verhoging van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die
                                verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de
                                maand waarin de daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die
                                verhoging ambtshalve plaatsvond.</al><al>3. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders het
                                tweede lid buiten toepassing laten.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>HET NABESTAANDENPENSIOEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Het recht op pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Paraplubepaling Anw</titel></kop><al> Een regeling van nabestaanden- en wezenpensioen, vervat in deze
                                    verordening, wordt voor de toepassing van artikel 103 van de
                                    Algemene nabestaandenwet beschouwd als een pensioenregeling als
                                    bedoeld in dat artikel.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel/></kop><al>1 Voor recht op een nabestaanden- of wezenpensioen, ontstaan
                                    wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 januari 1998 van een
                                    wethouder, gewezen wethouder, of gepensioneerde wethouder, van
                                    een nabestaande of een wees die geen recht heeft op een
                                    uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet maar wel recht
                                    op pensioen of een tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene
                                    Weduwen- en Wezenwet zou hebben gehad indien die wet nog van
                                    kracht zou zijn geweest, geldt het volgende:</al><al>a voor de toepassing van de bepalingen inzake samenloop van
                                    pensioen en algemeen pensioen over tijd vóór 1 januari 1986
                                    (inbouwbepalingen) en de bepalingen inzake het recht op een
                                    toeslag wegens het ontbreken van recht op uitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet heeft artikel 23 geen werking;</al><al>b de onder a bedoelde toeslag wordt berekend overeenkomstig
                                    artikel 29a indien het een toeslag op een nabestaandenpensioen
                                    betreft en overeenkomstig artikel 33 indien het een toeslag op
                                    een wezenpensioen betreft;</al><al>c een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt mede berekend
                                    over tijd na 31 december 1995, indien en voor zover in
                                    aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen .</al><al>2 Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
                                    nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 26 juni
                                    1996 en 1 juli 1996 van een wethouder, gewezen wethouder of
                                    gepensioneerde wethouder, van een nabestaande die wegens dat
                                    overlijden recht heeft verkregen op een tijdelijke
                                    weduwenuitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet,
                                    na het verstrijken van de duur van die uitkering.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Nabestaandenpensioen</titel></kop><al>1. De nabestaande van een wethouder of van een gewezen dan wel
                                    van een gepensioneerde wethouder heeft recht op
                                    nabestaandenpensioen.</al><al>2. Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het
                                    huwelijk was gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot was
                                    ingegaan, tenzij:</al><al>a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk
                                    recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als wethouder,
                                    of</al><al>b. de echtgenoten reeds voor het aftreden met elkaar gehuwd
                                    waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot
                                    aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat
                                    deze de 65-jarige leeftijd had bereikt.</al><al>3. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden
                                    geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke
                                    onderbreking een politiek ambt als bedoeld in de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers is aanvaard. Een onderbreking
                                    van ten hoogste twee maanden wordt als niet-wezenlijk
                                    aangemerkt.</al><al>4. De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan twee
                                    maanden als niet-wezenlijk wordt aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24a</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><al>1. De man of vrouw met wie een wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens
                                    overlijden recht op bijzonder nabestaandenpensioen, mits</al><al>a. hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad,
                                    indien de wethouder op de dag van het vonnis, waarbij de
                                    echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken,
                                    zou zijn overleden, en</al><al>b. de onder a bedoelde dag ligt na 30 september 1971 en de
                                    echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is
                                    uitgesproken met toepassing van het vóór 1 oktober 1971 geldende
                                    recht.</al><al>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                    van de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij
                                    of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de
                                    wethouder, de gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van
                                    eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.</al><al>3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                    desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan
                                    wel met een aanmelding door dezelfde wethouder ter zake van
                                    diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><al>1. Recht op wezenpensioen hebben:</al><al>a. de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of als
                                    gewezen of gepensioneerde wethouder, die de leeftijd van
                                    eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn
                                    of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn
                                    geweest bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd
                                    voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht
                                    heeft op uitkering ter zake van het aftreden.</al><al>b. de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke
                                    wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder ten tijde van
                                    zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van
                                    Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem
                                    bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend,
                                    onder dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en</al><al>c. de kinderen voor welke de wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn overlijden de
                                    pleegouderlijke zorg droeg, onder dezelfde voorwaarden als
                                    genoemd in onderdeel a, met dien verstande dat in plaats van het
                                    tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de
                                    pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.</al><al>2. Artikel 24, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het eerste
                                    lid.</al><al>3. Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder
                                    c, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
                                    het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
                                    verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                    daarvoor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>1. Indien een wethouder of een gewezen dan wel een
                                    gepensioneerde wethouder naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders is vermist, hebben degenen, die aan zijn overlijden
                                    op grond van de voorgaande artikelen van deze paragraaf recht op
                                    pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op
                                    dezelfde voorwaarden als in die artikelen ten aanzien van het
                                    recht op pensioen omschreven.</al><al>2. Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een
                                    pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrag van het pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Berekening van het nabestaandenpensioen</titel></kop><al>1. Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van
                                    het pensioen, waarop de overledene als gewezen wethouder
                                    aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na
                                    die van zijn overlijden was afgetreden, of waarop de overledene
                                    als gewezen wethouder recht of uitzicht had.</al><al>2. In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                    nabestaande van hem die overlijdt:</al><al>a. als wethouder voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar:
                                    vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop de wethouder
                                    aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij het wethouderschap
                                    tot het bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben
                                    bekleed;</al><al>b. als gewezen wethouder in de periode waarin hij recht op
                                    uitkering heeft: vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop
                                    de gewezen wethouder aanspraak zou hebben kunnen maken, indien
                                    hij tot bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering
                                    zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de berekening van
                                    het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van
                                    meetelling van diensttijd op de dag van overlijden.</al><al>3. Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande
                                    recht ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen krachtens of
                                    op voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt
                                    op grond van artikel 145, lid 4, van deze wet tijd, die voor de
                                    berekening van meer dan een van die pensioenen meetelt en niet
                                    daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
                                    doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het
                                    pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.</al><al>4. Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien
                                    van het eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede, derde en
                                    vierde lid, daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend
                                    met de franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onder
                                    a.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1985
                                        en 1 januari 1995</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en
                                    1 januari 1995.</al><al>2. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
                                    de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de
                                    maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op
                                    zijn volgens artikel 28 berekende pensioen. Deze toeslag
                                    bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                    nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half percent van
                                    het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
                                    nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
                                    vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering
                                    ingevolge die wet.</al><al>3. Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer
                                    voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient
                                    hij hiervan onmiddellijk kennis te geven aan burgemeester en
                                    wethouders. De daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een
                                    jaar voor de eerste dag van de maand waarin kennisgeving werd
                                    gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.</al><al>4. Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover berekende
                                    vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de
                                    in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd
                                    met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29a</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994
                                        en 1 januari 1996</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en
                                    1 januari 1996.</al><al>2. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
                                    de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de
                                    maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op
                                    zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze
                                    toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                    nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 percent van de franchise,
                                    bedoeld in het tweede lid van het artikel 19a.</al><al>3. Het derde en vierde lid van artikel 29 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><al>1. Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze
                                    berekend als een nabestaandenpensioen, met dien verstande dat
                                    slechts de diensttijd meetelt die gelegen is vóór de ontbinding
                                    van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding
                                    is geëindigd.</al><al>2. Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                    nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
                                    verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
                                    aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
                                    aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die
                                    samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
                                    huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.</al><al>3. Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
                                    bijzondere nabestaandenpensioenen, wordt het
                                    nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
                                    ontleend, met het bedrag of de bedragen daarvan verminderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel
                                        aanmelding</titel></kop><al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een
                                    aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
                                    van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de
                                    aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen
                                    in aanmerking komende diensttijd van de wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder in aanmerking genomen, die gelegen is
                                    voor het tijdstip van diens overlijden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><al> 1. Het wezenpensioen bedraagt:</al><al> a. voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de
                                    wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder recht op pensioen
                                    ontleent, een zevende gedeelte;</al><al> b. voor elk ander kind, twee zevende gedeelte van het pensioen
                                    van de overledene, berekend overeenkomstig artikel 28.</al><al> 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                    begrepen de nabestaande die op het tijdstip van zijn overlijden
                                    de pleegouderlijke zorg had voor het kind, bedoeld in artikel
                                    26.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Berekening wezenpensioen na 31 december 1985</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over de diensttijd na 31 december
                                    1985.</al><al>2. De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet heeft recht op en toeslag op zijn
                                    volgens artikel 32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht
                                    heeft op halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                    nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor
                                    de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:</al><al>a. voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a,
                                    0,375 percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de
                                    nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet, vermeerder met de daarover berekende
                                    vakantie-uitkering ingevolge die wet;</al><al>b. voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b, 0,75
                                    percent van het onder a bedoelde jaarbedrag.</al><al>3. Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde
                                    lid, van overeenkomstige toepassing.</al><al>4. Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet, van de halfwezenuitkering ingevolge
                                    die wet of van de daarover berekende vakantie-uitkering
                                    ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid
                                    bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van
                                    dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Herberekening wezenpensioen</titel></kop><al>1. Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de
                                    artikelen 32 en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het
                                    bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens
                                    overlijden is geëindigd.</al><al>2. Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens
                                    artikel 31 wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw
                                    wordt vastgelegd, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 32,
                                    eerste lid, onder a, verhoogd met een bedrag dat zich verhoudt
                                    tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen
                                    het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 28 voor en na de
                                    toepassing van artikel 31 zich verhoudt tot dat
                                    nabestaandenpensioen vóór die toepassing.</al><al>3. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede lid
                                    van overeenkomstige toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beperking gezamenlijk bedrag nabestaanden- en
                                        wezenpensioen</titel></kop><al>1. De gedeelten van de nabestaanden, bijzondere nabestaanden- en
                                    wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen,
                                    bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32, gaan tezamen het
                                    bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.</al><al>2. Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde
                                    pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt
                                    deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toeslag op nabestaandenpensioen</titel></kop><al>1. De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                    leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de
                                    voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15
                                    percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede
                                    en vierde lid.</al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                    pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel
                                    hoofdstuk V toepassing heeft gevonden.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
                                    recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten aanzien
                                    van degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel
                                    een aanmelding opnieuw is vastgesteld.</al><al>4. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien percent van f. 55.195,- . Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 f. 63.200,- bedroeg.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Toeslag op wezenpensioen</titel></kop><al>1. De wees als bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag
                                    van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft
                                    bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
                                    artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien percent
                                    van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en derde
                                    lid.</al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                    pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel
                                    hoofdstuk V toepassing heeft gevonden.</al><al>3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien percent van f. 55.195,-². Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 f. 63.200,- bedroeg.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht
                                    zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
                                    overleden.</al><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>VERVAL EN VERVALLENVERKLARING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen</titel></kop><al>1. De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                gedeeltelijk vervallen verklaren indien zich een situatie voordoet
                                als bedoeld in artikel 1, lid 2 van deze verordening.</al><al>2. In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de
                                toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                pensioen, geheel of gedeeltelijk herstellen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verval van recht op pensioen bij niet invorderen</titel></kop><al>1. Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                gebleven.</al><al>2. De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het
                                vorige lid vervallen recht op pensioen herstellen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SAMENLOOP</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenloop pensioenen krachtens deze verordening, onderling en
                                    met andere pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Grensbedrag eigen pensioenen</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zover een
                                    pensioen is onderworpen aan een samenloopregeling overeenkomstig
                                    paragraaf 2 van dit hoofdstuk, onder pensioen wordt verstaan het
                                    bedrag dat overblijft na vermindering van dat pensioen wegens
                                    recht op ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of
                                    een naar aard en strekking daarmee overeenkomend pensioen of
                                    uitkering.</al><al>2. Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen
                                    krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    eigen pensioenen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                    het vijfde lid en het totaal van die pensioenen meer bedraagt
                                    dan het grensbedrag omschreven in het derde lid, wordt op grond
                                    van artikel 154 juncto artikel 93 van genoemde wet, elk eigen
                                    pensioen krachtens of op de voet van die wet beperkt tot een
                                    zodanig gedeelte (beperkingsbreuk) van bedoeld grensbedrag als
                                    evenredig is aan de verhouding, waarin elk van laatstbedoelde
                                    pensioenen staat tot het totaal van die pensioenen.</al><al>3. Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van
                                    artikel 19 tot het in het zevende lid van dat artikel genoemd
                                    maximum van 70 percent zou zijn toegekend naar een wedde
                                    overeenkomend met het hoogste bedrag in bijlage A van het
                                    Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Staatsblad
                                    571) vermeerderd met het percentage van de
                                    vakantieuitkering.</al><al>4. Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid
                                    bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                    aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan het
                                    grensbedrag bedoeld in het derde lid, treedt dat hogere bedrag
                                    of het hoogste van die bedragen voor de toepassing van het
                                    tweede lid in de plaats van het grensbedrag. Voor de in de
                                    eerste volzin bedoelde vergelijking worden de pensioenen
                                    aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij algemene
                                    maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105 van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers en daarmee overeenkomende
                                    artikelen in andere pensioenwetten.</al><al>5. Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                    artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
                                    overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze van
                                    pensioen ten laste van het Rijk, een provincie, gemeente of
                                    waterschap, van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, van het
                                    Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting Administratie
                                    Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van de Nederlandse
                                    Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in dat land of een
                                    door het hoger bestuursorgaan in een van deze landen ingesteld
                                    fonds, met inbegrip van de daarop onder welke benaming ook
                                    verleende toeslagen en met uitzondering van een pensioen
                                    krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940 - 1945 (Stb. 1947, H
                                    313) en de Wet buitengewoon pensioen
                                    zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940 – 1945 (Stb. 1947, H 420),
                                    van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
                                    vervolgingsslachtoffers 1940 – 1945, van een
                                    invaliditeitspensioen met de daarop toegekende verhogingen
                                    krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de
                                    Algemene militaire pensioenwet, van een invaliditeitspensioen,
                                    een invaliditeitsverhoging en een bijzondere
                                    invaliditeitsverhoging krachtens laatstgenoemde wet, alsmede van
                                    een uitkering krachtens de Algemene
                                    oorlogsongevallenregeling.</al><al>Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                    artikel mede begrepen een ten laste van het Rijk onder welke
                                    benaming ook verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in
                                    aard overeenkomende uitkering of een onderstand bij wijze van
                                    pensioen ten laste van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam
                                    in dat land.</al><al>6. Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2
                                    wordt de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer
                                    een pensioen als in dit artikel bedoeld wordt toegekend of
                                    eindigt dan wel – anders dan wegens aanpassing naar de in
                                    artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                    bedoelde regelen en daarmee overeenkomende regelen in andere
                                    pensioenwetten dan de in dit artikel genoemde – wordt
                                    herzien</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Grensbedrag nabestaanden- en wezenpensioenen</titel></kop><al>1. Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor een
                                    nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op een of
                                    meer nabestaandenpensioenen onderscheidenlijk wezenpensioenen,
                                    krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers recht bestaat op een of meer
                                    nabestaandenpensioenen, onderscheidenlijk wezenpensioenen
                                    krachtens een andere regeling, met dien verstande dat voor de in
                                    het derde lid van dat artikel bedoelde grensbedrag en het in het
                                    vierde lid van dat artikel bedoelde hogere bedrag, met
                                    betrekking van een nabestaandenpensioen vijf zevende gedeelte,
                                    met betrekking tot een wezenpensioen krachtens artikel 32,
                                    eerste lid, onder b, twee zevende deel van die bedragen in de
                                    plaats komt.</al><al>2. Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen
                                    bedoeld in de artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen
                                    begrepen.</al><al>3. Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of
                                        aanmelding</titel></kop><al>1. Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen
                                    is toegekend, hetzij krachtens deze verordening, hetzij
                                    krachtens een andere regeling ter zake van een later huwelijk of
                                    een latere aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen
                                    verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens
                                    een andere regeling, wordt samenlopende diensttijd slechts
                                    meegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd
                                    het hoogste bedrag oplevert.</al><al>2. Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                    het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                    Nederlandse schatkist – anders dan ingevolge wettelijke
                                    garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot
                                    betaling – ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                    publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemd ander
                                    land, dan wel ten laste van een door het bestuursorgaan in een
                                    van die landen ingesteld fonds. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Samenloop van wezenpensioenen</titel></kop><al>1. Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft,
                                    hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere
                                    regeling, daarna eveneens recht op een ander wezenpensioen
                                    verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens
                                    een andere regeling wordt voor de berekening van de eigen
                                    pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten
                                    worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij
                                    de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
                                    bedrag oplevert.</al><al>2. Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
                                    onder:</al><al>a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen
                                    voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986, dat is
                                    toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens deze
                                    verordening;</al><al>b. een algemeen pensioen:</al><al>1e een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 9 van de
                                    Algemene Ouderdomswet, eventueel vermeerderd met een
                                    bruto-toeslag als bedoeld in artikel 10 van die wet, benevens de
                                    bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet, een
                                    en ander voor zover niet uitbetaald krachtens artikel 18 van die
                                    wet;</al><al>2e een pensioen, een tijdelijke uitkering en een wezenpensioen
                                    als bedoeld in de Algemene weduwen- en wezenwet;</al><al>3e een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke
                                    regeling van de Nederlandse Antillen of van een vreemde
                                    mogendheid en naar aard en strekking overeenkomend met een
                                    algemeen pensioen als omschreven onder 1e en 2e;</al><al>c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een
                                    pensioen.</al><al>2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het
                                    algemeen pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65
                                    jaar heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop
                                    zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam
                                    gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt
                                    mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van
                                    de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende
                                    wordt aangemerkt.</al><al>3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als
                                    bedoeld in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen
                                    als bedoeld in artikel 51, eerste lid, voor zover dit pensioen
                                    of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986,
                                    in aanmerking genomen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Volle-wezenpensioen</titel></kop><al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben,
                                    wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de
                                    toepassing van deze paragraaf geacht aan ieder van genoemde
                                    wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen
                                    gedeeld door hun aantal.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Inbouwbedrag</titel></kop><al>1. Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een
                                    algemeen pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de
                                    diensttijd waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn
                                    berekend, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn
                                    pensioen, met dien verstande dat:</al><al>a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen
                                    wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt
                                    vermenigvuldigd;</al><al>b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen
                                    wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt
                                    vermenigvuldigd;</al><al>c. maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking wordt
                                    genomen.</al><al>Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag
                                    genoemd.</al><al>2. Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als
                                    bedoeld in artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen waarop,
                                    in verband met het recht op een pensioen als bedoeld in artikel
                                    9, tiende lid onder a en b van de Algemene Ouderdomswet, lid 1
                                    van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met
                                    ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin
                                    dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is
                                    geëindigd.</al><al>3. Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het
                                    algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op
                                    een tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de
                                    diensttijd, waarnaar het pensioen met inachtneming van lid 1 is
                                    of geacht wordt te zijn berekend.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Mededelingsplicht</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten
                                    dan wel het genot van een algemeen pensioen of van een
                                    tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het
                                    algemeen pensioen een wijziging wordt aangebracht op grond van
                                    persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn
                                    kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan
                                    burgemeester en wethouders.</al><al>2. Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
                                    kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het
                                    inbouwbedrag niet vroeger in dan in een jaar voor de eerste dag
                                    van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin
                                    ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Algemeen pensioen en diensttijd</titel></kop><al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende.</al><al>a Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het
                                    tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de
                                    leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar heeft bereikt met dien
                                    verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op
                                    nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige
                                    toepassing vindt ten aanzien van de tijdstippen waarop de
                                    overledene de leeftijden van 15 en 65 jaar heeft of zou hebben
                                    bereikt.</al><al>b Het recht op een algemeen pensioen , dat bestond op de dag
                                    waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is
                                    vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop
                                    diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is
                                    geëindigd.</al><al>c Indien een nabestaande recht heeft op algemeen
                                    nabestaandenpensioen op grond van artikel 8, eerste lid, onder a
                                    van de Algemene weduwen- en wezenwet, doch geen van de in
                                    evengenoemde bepaling genoemde kinderen recht heeft op pensioen,
                                    wordt uitgegaan van het bedrag van het pensioen dat geldt voor
                                    degenen op wie artikel 19, elfde lid, onder a van genoemde wet
                                    toepassing vindt.</al><al>d Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de leeftijd van
                                    15 jaar is en die van 65 jaar is of zal zijn bereikt.</al><al>e Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht
                                    te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.</al><al>f Diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn
                                    berekend en die niet daadwerkelijk als wethouders is
                                    doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de
                                    ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor
                                    zover dientengevolge deze diensttijd zicht uitstrekt na het
                                    tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt,
                                    wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te
                                    zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van
                                    onderbreking van de daadwerkelijk als wethouder doorgebrachte
                                    tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de
                                    diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.</al><al>g Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd,
                                    waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te
                                    hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is
                                    verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45
                                    van de Algemene Ouderdomswet en artikel 47 van de Algemene
                                    Weduwen- en Wezenwet.</al><al>h De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet
                                    en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden geacht op
                                    overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te
                                    worden uitbetaald.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Gehuwde vrouw met recht op pensioen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de
                                    toepassing van artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen
                                    voor een ongehuwde pensioengerechtigde.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende
                                        diensttijd</titel></kop><al>1 Indien aan een belanghebbende meer dan één pensioen is of
                                    geacht wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van de
                                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel naast een
                                    of meer zodanige pensioenen een pensioen krachtens een andere
                                    regeling als bedoeld in het vijfde lid is of geacht wordt te
                                    zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of
                                    geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt,
                                    overschrijdt op grond van artikel 155 juncto artikel 101 van
                                    voornoemde wet de som van de inbouwbedragen – voor zover deze
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd,
                                    overeenkomende met de samenvallende diensttijd – niet het bedrag
                                    van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te
                                    hebben op een tijd, overeenkomende met bedoelde samenvallende
                                    diensttijd.</al><al>2 Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats
                                    zou vinden, wordt het voor ieder krachtens deze verordening
                                    toegekend pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking
                                    hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige
                                    lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het
                                    algemeen pensioen, bedoeld aan het slot van het vorige lid, als
                                    elk inbouwbedrag zicht verhoudt tot de som van die
                                    bedragen.</al><al>3 Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het
                                    vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen
                                    pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering
                                    gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding, waarin elk van
                                    die bedragen staat tot de som daarvan.</al><al>4 Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen,
                                    toegekend krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet als
                                    diensttijd de diensttijd, die krachtens die wet met vier per
                                    mille van de pensioengrondslag is vergolden.</al><al>5 Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                    het eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                    Nederlandse schatkist – anders dan krachtens de Algemenen
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers en anders dan ingevolge
                                    wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting
                                    tot betaling – ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                    publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemd ander
                                    land, dan wel ten laste van een door het bestuursorgaan in een
                                    van die landen ingesteld fonds.</al><al>6 Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende wordt dit
                                    artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot
                                    een of meer pensioenen zijn geacht worden te zijn toegekend,
                                    hetzij krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet
                                    politieke ambtsdragers, hetzij krachtens een andere regeling als
                                    bedoeld in het vijfde lid. Artikel 52, tweede lid, is daarbij
                                    van overeenkomstige toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier
                                        pensioen</titel></kop><al>1 Op schriftelijk verzoek van degene die aantoont, dat uit
                                    hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering
                                    plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 51,
                                    vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel
                                    mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige
                                    volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde
                                    vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de
                                    desbetreffende betrekking is of geacht kan worden te zijn
                                    vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in
                                    dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht
                                    wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde in
                                    artikel 49, onder f.</al><al>2 De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid
                                    gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid
                                    is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat
                                    dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het
                                    desbetreffende verzoek werd ingediend.</al><al>3 Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan
                                    één pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid
                                    bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht
                                    naar verhouding van evenbedoelde bedragen.</al><al>4 Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het
                                    andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van
                                    dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen
                                    pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in
                                    mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding
                                    waarin de diensttijd, waarnaar het pensioen waarop vorenbedoeld
                                    inbouwbedrag betrekking heeft is of geacht wordt te zijn
                                    berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.</al><al>5 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                    vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
                                    artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van de
                                    belanghebbende.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Verlaging inbouwbedrag (vóór 1 januari 1986)</titel></kop><al>1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari 1986</al><al>2. Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                    berekening van het pensioen, nadat het bedrag is aangepast aan
                                    de hand van de de regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van
                                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, op de dag met
                                    ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze paragraaf voor
                                    de eerste maal ten aanzien van het pensioen toepassing vinden
                                    lager is dan f 26.508,- wordt het met toepassing van de
                                    voorgaande artikelen van deze paragraaf berekende inbouwbedrag
                                    vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld
                                    bedrag op bedoelde dag en waarvan de noemer is f 26.508,-</al><al>De uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het
                                    inbouwbedrag. Het in de vorige volzin genoemde bedrag wordt
                                    gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al><al>3. Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid
                                    van een eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het vorige
                                    lid als grondslag voor de berekening van het pensioen, het
                                    bedrag dat heeft gestrekt tot grondslag voor de berekening van
                                    het eigen pensioen.</al><al>4. Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend
                                    wordt deel uit te maken van het pensioen, reeds is verminderd
                                    krachtens lid 1, vindt artikel 52, eerste lid, slechts
                                    toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen dat de som
                                    van evenbedoeld verminderd bedrag en het bedrag van de
                                    vermindering, bedoeld in het eerste lid van artikel 52, het
                                    bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing van lid 1,
                                    krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te maken van
                                    het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is van
                                    overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 52,
                                    derde lid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een
                                    tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge
                                    te veel pensioen is betaald, kunnen burgemeester en wethouders
                                    aan de Sociale Verzekeringsbank die het algemeen pensioen heeft
                                    toegekend of herzien, verzoeken het te veel betaalde pensioen
                                    ten behoeve van de gemeente in te houden op het algemeen
                                    pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd
                                    tijdvak.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Gemoedsbezwaren</titel></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten
                                    aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht
                                    op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat
                                    zij zo veel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met
                                    betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op
                                    een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene
                                    Ouderdomswet.</al><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>BEPALINGEN VAN ADMINISTRATIEVE AARD</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdsberekening voor uitkering en pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr><titel/></kop><al>Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende
                                    tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd
                                    uitgedrukt in jaren onderscheidenlijk maanden voor uitkering en
                                    pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt
                                    uitgedrukt in gedeelten van jaren onderscheidenlijk gedeelten
                                    van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30
                                    dagen wordt gesteld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1a</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57</nr><titel>Aanpassing pensioenen aan algemene
                                        bezoldigingswijzigingen</titel></kop><al>1 De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag
                                    bedoeld in de artikelen 19 en 19a, behorende bij een pensioen
                                    als bedoeld in artikel 16 of bij een uitzicht op een pensioen
                                    bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, worden telkens
                                    gewijzigd overeenkomstig een algemene bezoldigingswijziging,
                                    teneinde een aan die algemene bezoldigingswijziging evenredige
                                    aanpassingen van het pensioen te bewerkstelligen.</al><al>2 Onder een algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in het
                                    eerste lid wordt verstaan een zodanige wijziging van een
                                    pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van
                                    de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest in de sector
                                    Rijk.</al><al>3 Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld
                                    in het tweede lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend,
                                    wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in
                                    het eerste lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering
                                    toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Afronding van pensioen</titel></kop><al>Het pensioen wordt naar boven op een gulden afgerond</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Inhoudingen</titel></kop><al>1 Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of krachtens
                                    algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen
                                    ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
                                    bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel,
                                    terzake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.</al><al>2 Op de uitkering van de gewezen wethouder worden volgens bij of
                                    krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen
                                    bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen ter
                                    zake van aanspraken als bedoeld in eerste lid, op een
                                    werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
                                    een voor overheidspersoneel getroffen regeling.</al><al>3 Geen inhoudingen te zake van ouderdom en overlijden vindt
                                    plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op
                                    uitkeringen als bedoeld in artikel 4a, alsmede in de gevallen
                                    bedoeld in de laatste volzin van artikel 18, vierde lid.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Toekenning uitkering en pensioen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen over de toekenning van een
                                    uitkering of een pensioen op schriftelijke aanvraag door of
                                    vanwege de betrokkene, dan wel ambtshalve.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Vrijdom van leges</titel></kop><al>De stukken waarvan overlegging door burgemeester en wethouders
                                    nodig wordt geoordeeld zijn ingevolge artikel 158 juncto artikel
                                    111 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van
                                    leges.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ingang en einde van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Ingang eigen pensioen</titel></kop><al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
                                    ontstaat.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk
                                        pensioen</titel></kop><al>1 Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met dag, volgende
                                    op die van het overlijden van hem aan wie het wordt
                                    ontleend.</al><al>2 Het tijdelijk pensioen gaat in met een door burgemeester en
                                    wethouders te bepalen dag.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Ingang hersteld pensioen</titel></kop><al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk
                                    wordt hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de
                                    maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Einde pensioen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin
                                            de rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing
                                            van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door
                                            burgemeester en wethouders te bepalen dag.</al></li><li nr="2."><al>Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in
                                            leven blijkt te zijn, met een door burgemeester en
                                            wethouders te bepalen dag.</al></li><li nr="3."><al>Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 39
                                            vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de
                                            maand waarin de beslissing inzake het vervallen
                                            verklaren is genomen.</al></li><li nr="4."><al>Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de
                                            maand waarin:a de rechthebbende de leeftijd van
                                            eenentwintig jaren heeft bereikt of, de leeftijd van
                                            eenentwintig jaren nog niet bereikt hebbende, in het
                                            huwelijk is getreden dan wel partij is bij een
                                            aanmelding, of b ten opzichte van de rechthebbende
                                            ouderschap komt vast te staan van een ander dan degene
                                            aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen wordt
                                            ontleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Nabestaandenuitkering</titel></kop><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                    wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam
                                    gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn
                                    pensioen over een tijdvak van twee maanden
                                    (nabestaandenuitkering).</al><al>Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene niet
                                    duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de
                                    overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten
                                    tijde van het overlijden pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                    pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud
                                    en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
                                    onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten
                                    van een vergoeding daarvoor.</al><al>2 Indien de overledene gepensioneerde geen betrekkingen als
                                    bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag
                                    geheel of ten dele worden uitgekeerd voor betaling van de kosten
                                    van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de
                                    nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend
                                    is.</al><al>3 Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van
                                    vermissing van een gepensioneerde wethouder.</al><al>4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen
                                    verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na
                                    toepassing van hoofdstuk V.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>1 Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel
                                    65, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover
                                    verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens
                                    artikel 66.</al><al>2 Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                    tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66, is
                                    betaald, worden teruggevorderd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Betaling van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68</nr><titel>Maandbetaling</titel></kop><al>1 De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse
                                    termijnen, tenzij burgemeester en wethouders anders
                                    bepalen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met
                                    betrekking tot de wijze van betaling van pensioenen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr><titel>Onderbreking genot pensioen</titel></kop><al>Het pensioen van een gewezen wethouder wordt niet genoten,
                                    indien en zolang hij na het tijdstip van inwerkingtreding van
                                    deze verordening weer als wethouder in deze gemeente
                                    optreedt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>70</nr><titel>Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan
                                        gepensioneerde</titel></kop><al>1 Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van
                                    geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet
                                    opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van een
                                    geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen
                                    voor de uitbetaling van pensioen, kan het pensioen uitbetaald
                                    worden aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                    persoon of instelling. In andere door hen aan te wijzen
                                    bijzondere gevallen kan het pensioen in plaats van aan de
                                    pensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden aan een
                                    door burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon of
                                    instelling.</al><al>2 Indien een gepensioneerde ingevolge van het bepaalde bij of
                                    krachtens de artikelen 6, lid2, 11 en 12 van de Algemene wet
                                    bijzondere ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
                                    kosten van een verstrekking als bedoeld in artikelen 6 en 11 van
                                    die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en 12
                                    van die wet, kan het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die
                                    bijdrage in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens
                                    machtiging uitbetaald worden aan de Ziekenfondsraad.</al><al>3 Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft
                                    de uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het gedeelte
                                    van het pensioen, dat niet aan het in lid 2 bedoelde orgaan
                                    wordt uitbetaald.</al><al/></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>ALGEMENE, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>BEROEP EN HERZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>71</nr><titel>Beroep</titel></kop><al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat
                                ingevolgde artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers beroep open op de Centrale Raad van Beroep
                                overeenkomstig de bepaling van de Beroepswet. De voorgaande volzin
                                is niet van toepassing op de beslissingen ingevolgde artikel 70, lid
                                2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>72</nr><titel>Herziening, wijziging en herstel</titel></kop><al>1 Burgemeester en wethouders herzien een door hen ter uitvoering van
                                deze verordening genomen beslissing, indien:</al><al>a aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag
                                ligt;</al><al>b na die beslissing blijkt dat aan de beslissing andere feiten ten
                                grondslag dienen te worden gelegd.</al><al>2 Indien na een beslissing van burgemeester en wethouders de feiten
                                waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn
                                gewijzigd, dat de beslissing anders zou kunnen luiden als zij nog
                                genomen zou moeten worden, wijzigen burgemeester en wethouders de
                                beslissing, rekening houdende met de gewijzigde feiten.</al><al>3 Burgemeester en wethouders herstellen een door hen genomen
                                beslissing omtrent toekenning – inbegrepen aanpassing op grond van
                                artikel 57 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een
                                pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de
                                vorige leden, voorkomt.</al><al>4 Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel
                                vatbare beslissing, kunnen burgemeester en wethouders de leden
                                buiten toepassing laten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel/></kop><al>1 Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
                                herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een
                                herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de
                                herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag
                                wordt bepaald.</al><al>2 Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
                                redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                uitbetaald.</al><al>3 Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel
                                enige bepaling van deze verordening hem daartoe verplichtte of dit
                                redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan
                                burgemeester en wethouders mededeling te doen van een wijziging in
                                de feiten.</al><al>4 In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 67
                                zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot terugvordering of
                                verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de
                                herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is
                                genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene
                                beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat burgemeester
                                en wethouders bericht hebben ontvangen van wijziging in de
                                feiten.</al><al>5 Herstel van een beslissing als bedoeld in artikel 72, lid 3,
                                binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing,
                                leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                pensioenbedragen</al><al>Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de
                                daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of
                                verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de
                                betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                uitbetaald.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Intrekking geldende verordening</titel></kop><al>Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde worden met ingang van
                                1 januari 1998 ingetrokken de Uitkerings- en pensioenverordening
                                wethouders van de gemeenten Ruinen, Ruinerwold, de Wijk en
                                Zuidwolde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel/></kop><al>De ingetrokken verordeningen worden gehandhaafd voor de gevallen dat
                                een uitkering of pensioen, waarop die verordeningen recht gaven, nog
                                niet is gevraagd of toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>Toepasselijkheid van deze verordening</titel></kop><al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen wethouders en aan
                                nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden
                                met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te
                                zijn toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>77</nr><titel>Rechten op basis van de oude verordening</titel></kop><al>Zij die aan de in artikel 74, eerste lid, genoemde verordening recht
                                op pensioen ontleenden met ingang van 1 januari 1966 of een later
                                tijdstip, ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>78</nr><titel>Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij
                                    afdeling II, hoofdstuk V, paragraaf 2)</titel></kop><al>In afwijking in zoverre van artikel 47 vindt voor de berekening van
                                het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen
                                voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening die voor
                                de berekening van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>79</nr><titel>Overgangsbepaling I ten aanzien van het vervallen artikel 49
                                    (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijziging)</titel></kop><al>Artikel 49, zoals dat als artikel 49 luidde op 31 mei 1985, blijft
                                toepassing vinden ter zake van betalingen na 31 mei 1985, indien en
                                voor zover die betalingen betrekking hebben op een voor 1 juni 1985
                                liggende periode, met dien verstande dat met ingang van 1 april 1985
                                in het vierde lid ‘artikel 36, eerste lid’, wordt vervangen door
                                artikel 47, eerste lid’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Overgangsbepaling II ten aanzien van het vervallen artikel 49
                                    (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijziging)</titel></kop><al>De verhoging met tien percent over ten hoogste f 63.200,- per jaar
                                ingaande 1 juni 1985 van de wedde van de wethouder toegekend in
                                verband met het vervallen van artikel 49, maakt voor de toepassing
                                van de bepalingen van afdeling II, de hoofdstukken II en III,
                                betreffende de pensioenberekening, geen deel uit van de wedde.</al><al>De voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voor
                                zover die betrekking heeft op de tijd gelegen voor 1 januari
                                1986.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>81</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41 (artikel 31
                                    oud)</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 41 zoals dat artikel ingevolge de zesde
                                wijziging is komen te luiden, blijft ten aanzien van de in het
                                tweede lid bedoelde personen van toepassing artikel 41 zoals dat als
                                artikel 31 luidde op de dag vóór 13 juli 1988.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><al>a degenen die voor 1 januari 1986 recht op eigen pensioen hebben
                                gekregen dan wel de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;</al><al>b nabestaanden en wezen die recht op pensioen hebben ontleend aan
                                het overlijden van een persoon die voldeed aan een voorwaarde
                                gesteld onder a, dan wel recht op dat pensioen hebben verkregen vóór
                                1 januari 1986.</al><al>3 Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt niet
                                onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de artikelen 36 en
                                37.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>82</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien artikel 43 (artikel 35 oud)
                                    (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</titel></kop><al>1 Artikel 45, tweede lid, zoals deze bepaling ingevolge de zesde
                                wijziging is komende te luiden, is niet van toepassing indien de
                                belanghebbende recht heeft op een ouderdomspensioen bedoeld in
                                artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge het
                                zevende lid van dat artikel, zoals dat luidde op 31 december
                                1985.</al><al>2 Artikel 45, tweede lid, laatste volzin, zoals die volzin ingevolge
                                de zesde wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing ten
                                aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld in genoemde wet, op
                                wie van toepassing is gebleven artikel 1 van de Algemene
                                Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1985.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>83</nr><titel>Overgangsregeling ten aanzien van de artikelen 19 en 28
                                    (artikelen 16a eb 22 oud na vijfde wijziging) (overgangsbepaling
                                    bij zesde wijziging)</titel></kop><al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid, zoals die artikelen
                                ingevolge de zesde wijziging zijn komen te luiden, zijn niet van
                                toepassing ten aanzien van degene die:</al><al>a wethouder was voor 13 juli 1988, voor zover betreffende tijd is
                                doorgebracht vóór dat tijdstip;</al><al>b wethouder is op of na 13 juli 1988, voor zover betreffende tijd
                                zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a, en
                                vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking van
                                niet meer dan een jaar wordt voor de toepassing van deze bepaling
                                geacht geen onderbreking te vormen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>84</nr><titel>Garantiebepaling (overgangsbepaling bij zesde
                                    wijziging)</titel></kop><al>De vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op basis van
                                de verordening zoals die tot die datum luidde, worden herberekend op
                                grond van deze verordening zoals die na de zesde wijziging is komen
                                te luiden, met dien verstande dat de pensioenbedragen die in verband
                                met deze herberekening te veel zijn betaald, niet worden
                                teruggevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>85</nr><titel>Inwerkingtreding artikelen 19, tweede lid, 50 en 59, tweede
                                    en derde lid (artikel 16a, tweede lid, 40 en 48, tweede en derde
                                    lid (oud) na vijfde wijziging) (overgangsbepaling bij zesde
                                    wijziging)</titel></kop><al>Artikel 19, tweede lid, artikel 50 en artikel 59, tweede en derde
                                lid, treden in werking op het tijdstip bedoeld in artikel VIII, lid
                                4, van de Wet van 20 april 1988, Staatsblad 300.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>86</nr><titel>Inwerkingtreding zevende wijziging</titel></kop><al>De artikelen 9, 12, 13, 14, 24, eerste en tweede lid, 24a, 25, 26,
                                eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, derde en vierde lid, 29,
                                tweede, derde en vierde lid, 30, 31, 32, 33, tweede en vierde lid,
                                34, 35, eerste lid, 36, eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43,
                                eerste lid, 45, eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, 49,
                                onderdeel a en c, 63, eerste lid, 66, eerste lid met uitzondering
                                van de invoering van het begrip minderjarigheid, 76, 87, 88, 89 en
                                90 zoals bedoelde bepalingen na de zevende wijziging zijn komen te
                                luiden, werken terug tot 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>87</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 24
                                    (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</titel></kop><al>Alle pensioenen toegekend krachtens artikel 24a van deze verordening
                                zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de
                                zevende wijziging, worden, voor zover zij op dat tijdstip worden
                                genoten, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn toegekend
                                krachtens artikel 24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>88</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot het recht op
                                    nabestaandenpensioen (overgangsbepaling bij zevende
                                    wijziging)</titel></kop><al>1 Er ontstaat geen recht op pensioen ingevolge de zevende wijziging,
                                indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde wethouder in een overeenkomstig geval geen
                                recht op weduwenpensioen of bijzonder weduwenpensioen zou zijn
                                ontstaan ingevolge het overlijden van een mannelijk wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde wethouder.</al><al>2 Het pensioen waarop ingevolge de zevende wijziging recht ontstaat
                                in verband met een overlijden voor de datum van inwerkingtreding van
                                deze wijziging wordt berekend als ware het recht ontstaan op de
                                datum van overlijden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>89</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 40
                                    (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</titel></kop><al>Ten aanzien van de aanspraken op nabestaandenpensioen die ingevolge
                                de zevende wijziging worden verkregen vangt de termijn van vijf
                                achtereenvolgende jaren zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan
                                dan op de datum van inwerkingtreding van deze wijziging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>90</nr><titel>Herberekening wezenpensioen (overgangsbepaling bij zevende
                                    wijziging)</titel></kop><al>1 Indien ingevolge de zevende wijziging een nabestaandenpensioen of
                                een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl aan
                                hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend, wordt het
                                wezenpensioen herberekend.</al><al>2 Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en het
                                wezenpensioen wordt herberekend, wordt het teveel betaalde
                                wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                betrekking heeft niet teruggevorderd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>91</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de wethouder
                                als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake van
                                ontslag of aftreden als wethouder, en een wegens algemene
                                invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                aanpassing van de salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                financiële voorzieningen ABP.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>92</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 57
                                    (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van
                                toepassing ten aanzien van een wijziging in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel voor 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>93</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van de fictieve diensttijd
                                    (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>Ten aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op
                                nabestaanden- of wezenpensioen hebben verkregen voor 1 januari 1995,
                                wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn
                                berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht,
                                voor zover nodig medebegrepen onder tijd gelegen voor die
                                datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>94</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 De artikelen IX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op
                                de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de krachtens artikel XV van
                                die wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op
                                degene op wie artikel 95, eerste of derde lid, van deze verordening
                                van toepassing is en die op 31 januari 1992 en sinds 1 januari 1990
                                recht heeft op uitkering als bedoeld in dat artikel.</al><al>2 Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid
                                genoemde wet wordt voor de in het eerste lid bedoeld overeenkomstige
                                toepassing het college van burgemeester en wethouders
                                beschouwd.</al><al>3 De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten laste
                                van de gemeente.</al><al>4 De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>95</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 De bij de achtste wijziging in de verordening ingevoerde artikelen
                                4a, tweede lid, 4c en 4d, telkens het eerste en het tweede lid,
                                vinden geen toepassing ten aanzien van degene die op 31 december
                                1994 recht heeft op een wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                uitkering en op de dag van inwerkingtreding van deze wijziging
                                vijftig jaar of ouder is.</al><al>2 De bij de achtste wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3,
                                tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 De bij de achtste wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid,
                                en 4c worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995 van
                                toepassing op degene die op 31 december 1994 recht had op een wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op 1 januari 1995
                                jonger is dan vijftig jaar. Tot die datum blijft de bij deze
                                wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid op hem
                                van toepassing.</al><al>4 De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld
                                overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel III,
                                vierde lid, van Staatsblad 417.</al><al>5 Voor de toepassing van artikel 4c geldt als datum waarop de
                                uitkering van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel wegens
                                algemene invaliditeit is voortgezet de dag waarop de artikelen 4a,
                                tweede lid, en 4c op hem van toepassing worden.</al><al>6 Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van
                                degene wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is voortgezet
                                met ingang van een dag gelegen voor 1 januari 1995.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>96</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 De bij de achtste wijziging vervallen eerste volzin van artikel 3,
                                tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing op
                                degene die:</al><al>a op 31 december 1994 recht had op wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering, of</al><al>b op 25 januari 1993 ziekten of gebreken had en wiens uitkering
                                uiterlijk een jaar na die datum in verband met die ziekten of
                                gebreken wegens algemene invaliditeit wordt voortgezet, dan wel
                                wiens uitkering ingevolge artikel 18, vierde lid binnen een jaar na
                                de genoemde datum in verband met die ziekten of gebreken wordt
                                aangemerkt als een wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                uitkering.</al><al>2 Het eerste lid van artikel 4a, en artikel 4b zijn niet van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>97</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking van
                                dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op vijf
                                jaar.</al><al>2 Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn toegekend
                                voor het tijdstip van wijziging van de termijnen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>98</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</titel></kop><al>1 Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt toegepast
                                ten aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt ten aanzien van
                                degene onder de in artikel 4a, tweede lid bedoelde arbeid verstaan
                                de arbeid bedoeld in de per 1 januari 1995 vervallen tweede volzin
                                van artikel 3, tweede lid.</al><al>2 Het eerste lid geldt voor degene bedoeld in artikel 95, derde lid,
                                tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>99</nr><titel>Inwerkingtreding achtste wijziging</titel></kop><al>1 Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de achtste
                                wijziging, vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994. De
                                invoering van het opschrift en de vernummering van de leden 3 tot en
                                met 11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot diezelfde datum.</al><al>2 Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en tiende
                                lid, zoals die luiden na de achtste wijziging treden in werking met
                                terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al><al>3 De artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en elfde
                                en twaalfde lid, en de artikelen 4c en 4d treden in werking per 1
                                januari 1995. Artikel 4e treedt in werking op de datum dat de
                                achtste wijziging in werking treedt.</al><al>4 De artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, 21 (opschrift), 22,
                                eerste lid, 29, eerste lid, 29a, 57 en 59 zoals bedoelde bepalingen
                                na de achtste wijziging zijn ingevoerd of gewijzigd, treden in
                                werking met ingang van 1 januari 1995.</al><al>5 Per 1 januari 1995:</al><al>vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt het vierde
                                lid vernummerd;</al><al>vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid en worden de
                                leden zes en zeven van artikel 4 vernummerd;</al><al>worden artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d gewijzigd en vervalt
                                het vierde lid van artikel 72 onder vernummering van lid 5.</al><al>6 Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                1994. De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot
                                dezelfde datum.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>100</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</titel></kop><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip
                                van de inwerkingtreding van de negende wijziging , blijft van
                                toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is ontstaan voor
                                dat tijdstip.</al><al>2 De bepalingen van deze verordening met betrekking tot het recht op
                                wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor het
                                tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging, blijven van
                                toepassing op een wezenpensioen waarop recht is ontstaan voor dat
                                tijdstip.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>101</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</titel></kop><al>Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in artikel 12a, die wordt
                                gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
                                gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens , wordt de man of
                                vrouw met wie degene die de aanmelding deed op hetzelfde woonadres
                                in het persoonsregister is opgenomen, gelijk gesteld met de man of
                                vrouw die als ingezetene met hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven als bedoeld in
                                het evengenoemde artikel 12a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>102</nr><titel>(Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</titel></kop><al>1 Een overlijden van een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                vanaf de datum van overlijden onder de werking van bepalingen van
                                deze verordening inzake het nabestaanden- en wezenpensioen zoals die
                                bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding van de
                                negende wijziging .</al><al>2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1
                                juli 1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a, mogelijk
                                zou zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als nabestaande vanaf de
                                datum van het overlijden.</al><al>3 Ter zake van een overlijden van een wethouder, gewezen of
                                gepensioneerde wethouder tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995 wordt
                                op zijn aanvraag als nabestaande beschouwd degene van wie, hoewel
                                niet aangemeld in de zin van artikel 12, onderdeel a, aanmelding als
                                evenbedoeld op de dag voor die van het overlijden mogelijk was.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>103</nr><titel>Inwerkingtreding negende wijziging</titel></kop><al>1 De artikel 12, 24, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede lid,
                                31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43, eerste lid en
                                64, vierde lid, zoals bedoelde bepalingen na de negende wijziging
                                zijn komen te luiden, alsmede het bij de negende wijziging
                                ingevoegde artikel 12a werken terug tot en met 1 juli 1994.</al><al>2 Artikel 29a, eerste lid, treedt in werking op de datum dat de
                                negende wijziging in werking treedt .</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>104</nr><titel>Inwerkingtreding tiende wijziging</titel></kop><al>De tiende wijziging treedt inwerking met ingang van de dag 17
                                januari 1997, met dien verstande dat:</al><al>a de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 4b, tweede, vierde,
                                zevende, achtste en negende lid, 5, vijfde lid, 17, eerste lid, 18,
                                tweede lid en 19, tweede lid (inzake uitbreiding
                                berekeningsgrondslag uitkering en pensioen met de
                                eindejaarsuitkering) terugwerken tot en met 1 januari 1993;</al><al>b de artikelen 19, tiende lid, 21, derde lid en 28, vierde lid,
                                terugwerken tot en met 1 januari 1995;</al><al>c de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede lid en derde lid, 19,
                                zevende en achtste lid, 19a, tweede lid, 36, vierde lid, 37, derde
                                lid, 53, tweede lid, 57, tweede en derde lid, terugwerken tot en met
                                1 januari 1996;</al><al>d de artikel 12, onder c, 19, derde lid en 20 werking hebben ten
                                aanzien van voor een pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd
                                vanaf 1 januari 1994;</al><al>e de artikelen 2, eerste en tweede lid en 3, eerste lid werking
                                hebben ten aanzien van een recht op uitkering ter zaken van een
                                ontslag of aftreden ingaande 1 januari 1995 of later;</al><al>f artikel 18, vijfde lid, werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen uitkeringstijd waarin de
                                belanghebbende inkomsten heeft uit een betrekking waaraan aanspraak
                                op overheidspensioen wordt ontleend vanaf 1 januari 1995, en
                                overigens eerst werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd waarin recht op
                                uitkering bestaat uit hoofde van een ontslag of aftreden op of na de
                                dag van inwerkingtreding van de tiende wijziging.</al><al>g de artikelen 23 en 23a werken terug tot en met 1 juli 1996.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>105</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Uitkerings- en
                                pensioenverordening wethouders van de gemeente De Wolden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>106</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1 Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin de verordening door de gedeputeerde staten is
                                goedgekeurd.</al><al>2 Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat betreft </al><al>a artikel 4, derde en vierde lid, dat terugwerkt tot 1 januari
                                1969;</al><al>b de artikelen 69 en 76.</al><al>3 Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van deze
                                verordening, wordt daarmede bedoeld het in het eerste lid bedoelde
                                tijdstip.</al><al>4 In afwijking van het in het vorige lid gestelde, wordt met het
                                tijdstip van inwerkingtreding in artikel 25, onder b, bedoeld 1
                                januari 1966.</al><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare</ondertekening><ondertekening>vergadering van de raad van de</ondertekening><ondertekening>gemeente De Wolden van 26 november 1998.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd;</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>