<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR294283_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Archeologische Beleidsnota Gemeente Enkhuizen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Drom, 15-05-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Archeologische Beleidsnota Gemeente Enkhuizen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>archeologie, oudheid, artifacten, bodem, vondsten,</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33050</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33051</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33052</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33053</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33054</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33055</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33056</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33057</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33058</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33059</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33060</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33061</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33062</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-33063</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Archeologische Beleidsnota Gemeente Enkhuizen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Samenvatting van de actiepunten en voorstellen voor de gemeente Enkhuizen </label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Doel van de Archeologische Beleidsnota van de gemeente Enkhuizen </al>
            <al>Deze nota dient vormt de basis voor het formuleren van het gemeentelijk
                            archeologisch beleid, en behelst een inventarisatie wat er door de
                            gemeente Enkhuizen op het gebied van de archeologische monumentenzorg
                            geregeld dient te worden, uitgaande van de wettelijke verplichting
                            hiertoe (deel I). </al>
            <al>Deel II van dit document betreft (de toelichting op) de archeologische
                            vindplaatsen en verwachtingenkaart van de gemeente Enkhuizen. Deze kaart
                            is vertaald naar een archeologische beleidskaart die als instrument in
                            de ruimtelijke planafweging zal worden gebruikt. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Doelstelling van het archeologisch beleid </vet>
            </al>
            <al>“Het archeologisch beleid van de gemeente Enkhuizen heeft tot doel haar
                            archeologische erfgoed waar nodig te beschermen als bron van het
                            gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige </al>
            <al>en wetenschappelijke studie zonder meer maatschappelijke lasten in het
                            leven te roepen dan strikt noodzakelijk.”. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Uitgangspunten van het archeologisch beleid</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en
                                    alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk
                                    is; </al></li>
              <li nr="-"><al> De relatie tussen archeologie en RO versterken zodat behoud,
                                    beheer en ontwikkeling van het bodemarchief onderdeel worden van
                                    het planologische besluitvormingsproces; </al></li>
              <li nr="-"><al> Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke
                                    opgravingen; </al></li>
              <li nr="-"><al> Verbetering informatievoorziening over cultureel erfgoed om het
                                    draagvlak voor archeologie te vergroten. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Vrijstellingen</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Opnemen van vrijstellingen voor archeologisch onderzoek (zie
                                    bijlage 3); </al></li>
              <li nr="-"><al> Het eventueel (laten) opstellen van een gemeentelijk
                                    onderzoeksagenda om duidelijk aan te geven wat de doelstellingen
                                    zijn van het archeologisch beleid (zie bijlage 4). </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aard van het archeologisch onderzoek</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Opstellen van een (of meer) gemeentelijk PvA(‘s) waarmee
                                    toekomstige archeologische onderzoeken gerichter en uniformer
                                    kunnen worden uitgevoerd. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Het bestemmingsplan</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> De gemeente dient bij (op)nieuw vast te stellen
                                    bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond
                                    aanwezige en te verwachten archeologische waarden (Wamz, artikel
                                    38, lid 1). Voor de gemeente Enkhuizen impliceert dit de opname
                                    van de op de gemeentelijke archeologische beleidskaart
                                    (kaartbijlage 6) aangegeven gebieden als medebestemming in
                                    bestemmingsplannen: gebieden waarvan bekend is dat er
                                    archeologische waarden of vindplaats(en) aanwezig zijn
                                    (archeologisch waarden: AWG) en gebieden met te verwachten
                                    archeologisch waarden (AWV); </al></li>
              <li nr="-"><al> In de toelichting van het bestemmingsplan onderbouwen op welke
                                    wijze rekening is gehouden met archeologie. Aangegeven dient te
                                    worden waarom de op de plankaart als “Archeologisch Waardevol
                                    (Verwachtingsgebied) Gebied (categorie X)” aangewezen gronden
                                    vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen en waarom een
                                    daarmee samenhangende beperking van de rechten van gebruikers en
                                    eigenaren in dat gebied is gerechtvaardigd; </al></li>
              <li nr="-"><al> Op de plankaarten aanduiden, met behulp van een renvooi, welke
                                    gronden als “Archeologisch Waardevol (Verwachtingsgebied) Gebied
                                    (categorie X)” worden gezien; </al></li>
              <li nr="-"><al> In de archeologische voorschriften, welke gelden ten aanzien
                                    van de afgifte van omgevingsvergunningen, aangeven welke
                                    maatregelen dienen te worden genomen ten aanzien van de gronden
                                    aangeduid als “Archeologisch Waardevol (Verwachtingsgebied)
                                    Gebied (categorie X)”; </al></li>
              <li nr=""><al> Rekening houden met archeologie in bestaande bestemmingsplannen
                                    door gebruik te maken van bijvoorbeeld een facetbestemmingsplan
                                    waarin het aspect van de bescherming van archeologische waarden
                                    voor het gehele grondgebied is geregeld.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Erfgoedverordening</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Het gemeentelijk archeologiebeleid formeel vastleggen in de
                                    Erfgoedverordening 2010. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Monumentenverordening</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> De eventuele definitieve bescherming van archeologisch
                                    terreinen regelen middels de huidige Monumentenverordening;
                                </al></li>
              <li nr="-"><al> Deskundigheid op het gebied van archeologie bij de
                                    monumenten-plannencommissie op ad hoc basis inhuren als sprake
                                    is van een aanwijzingsprocedure ex artikel 3 van de huidige
                                    Monumentenverordening. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Archeologie als inspiratiebron</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> De gemeente spreekt uit dat bij ruimtelijke planvorming de
                                    gemeentelijke archeologische identiteit sterker richtinggevend
                                    zal zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Regionaal onderzoek</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Onderzoeken of op (sub)regionaal niveau een gezamenlijke
                                    voorziening kan worden getroffen de archeologische onderzoeken
                                    te analyseren en te komen tot een samenhangen beeld van de
                                    geschiedenis van de gemeente/regio. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Vergroten draagvlak voor archeologie</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Het maatschappelijk draagvlak voor archeologie vergroten door
                                    bewoners en gebruikers van een gebied actief in de
                                    planvormingprocedures te betrekken en vrijwilligers zoals de
                                    Vereniging Oud Enkhuizen bij het gemeentelijk archeologiebeleid
                                    te blijven betrekken; </al></li>
              <li nr="-"><al> Het maatschappelijk draagvlak voor archeologie vergroten door
                                    het grote publiek bekend te maken met het archeologisch erfgoed
                                    door middel van publieksgerichte publicaties, museale
                                    presentaties, archeologische en cultuurhistorische routes,
                                    educatieprogramma’s voor scholen en rondleidingen. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Positionering van de archeologische monumentenzorg binnen de
                                gemeentelijke organisatie </vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> De verantwoordelijkheid voor archeologie handhaven bij de
                                    afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling; </al></li>
              <li nr="-"><al> Nadere afspraken maken met de verschillende disciplines binnen
                                    de gemeente om de archeologische taakstelling als gevolg van het
                                    in deze nota geformuleerde beleid goed te kunnen laten
                                    functioneren.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1 Inleiding </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.1 Doel van de Archeologische Beleidsnota van de gemeente Enkhuizen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Als uitvloeisel van de ondertekening van het Verdrag van Malta
                                    in 1992 is in september 2007 de Monumentenwet 1988 herzien. Dit
                                    heeft voor de Nederlandse gemeenten vergaande implicaties, met
                                    name ten aanzien van de zorg voor het archeologisch erfgoed. De
                                    afgelopen 15 jaar is op nationaal en provinciaal niveau beleid
                                    ontwikkeld om tot een zorgvuldige omgang met dit archeologisch
                                    erfgoed te komen. Behoud van archeologische waarden in situ bij
                                    ruimtelijke ontwikkelingen is daarbij het uitgangspunt. </al>
              <al>Voor gemeenten is daarbij een primaire verantwoordelijkheid
                                    toebedeeld in de uitvoering van dit beleid. Samenhangend met hun
                                    specifieke verantwoordelijkheid voor de inrichting van het
                                    grondgebied liggen op gemeentelijk niveau immers de meest
                                    praktische mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving te
                                    handhaven of te versterken. Het ontwikkelen van een eigen
                                    gemeentelijk archeologiebeleid is derhalve noodzakelijk. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Deze nota dient een eerste aanzet te geven voor het
                                        formuleren van het gemeentelijk archeologisch beleid, en te
                                        inventariseren wat er door de gemeente Enkhuizen op het
                                        gebied van de archeologische monumentenzorg geregeld dient
                                        te worden, uitgaande van de wettelijke verplichting
                                        hiertoe</cursief>. </al>
              <al/>
              <al>Kern van de wetswijziging is dat archeologie een grotere ’claim‘
                                    op grond zal leggen dan voorheen het geval was. Voor elke
                                    bodemingreep en alle inrichtingsplannen moet de noodzaak voor
                                    archeologisch onderzoek overwogen worden. Deze overweging vindt
                                    plaats op basis van zogenaamde archeologische vindplaatsen-en
                                    verwachtingenkaarten. Op deze kaarten staat aangegeven waar
                                    bekende archeologische waarden aanwezig zijn maar ook waar (nog)
                                    onbekende archeologische waarden verwacht kunnen </al>
              <al>worden. Inzicht in deze informatie is van groot belang want
                                    alleen wanneer men weet wat men aan archeologie heeft en wat men
                                    aan archeologie kan verwachten kan men een goed onderbouwd
                                    archeologisch beleid opstellen. Voor het grondgebied van de
                                    gemeente Enkhuizen bestaat reeds een gedetailleerde
                                    vindplaatsen-en verwachtingenkaart (De Boer &amp; Molenaar,
                                    2006). Op basis van deze gedetailleerde kaart is voor de
                                    gemeente Enkhuizen een archeologische beleidskaart opgesteld. </al>
              <al/>
              <al>Deze archeologische beleidskaart is specifiek gemaakt voor
                                    gebruik op een gemeentelijk niveau, en beoogt de onderlegger te
                                    vormen voor het in deze nota geformuleerde beleid. De kaart legt
                                    een fundament voor een integrale belangenafweging op een
                                    gemeentelijk niveau, redenerend vanuit een gemeentelijke visie,
                                    en niet vertrekkend vanuit het perspectief van een individueel
                                    plangebied. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Deel II van dit rapport betreft (de toelichting op) de
                                        archeologische vindplaatsen en verwachtingenkaart van de
                                        gemeente Enkhuizen. Deze kaart is vertaald naar een
                                        archeologische beleidskaart die als instrument in de
                                        ruimtelijke planafweging zal worden gebruikt.</cursief>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.2 Onderzoeksgebied</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het onderzoeksgebied omvat het gehele grondgebied van de
                                    gemeente Enkhuizen (provincie Noord-Holland). Voor de
                                    totstandkoming van de beleidsnota is met name gekeken naar het
                                    grondgebied van de gemeente met uitzondering van het water. Voor
                                    het deel van de gemeente dat in het IJsselmeer ligt is wel een
                                    archeologische verwachtingswaarde en beleidadvies geformuleerd.
                                </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.3 Onderzoeksopzet en richtlijnen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en is uitgevoerd
                                    volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie
                                    artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De
                                    Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2),
                                    beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging
                                    Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als
                                    richtlijn. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend
                                    door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. </al>
              <al/>
              <al>Tijdens het onderzoek is samengewerkt met dhr. J. Eenkoren en
                                    dhr. A.H. van der Herberg van de gemeente Enkhuizen. </al>
              <al/>
              <al>Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde
                                    archeologische perioden. Achter in dit rapport is een lijst met
                                    gebruikte afkortingen opgenomen en worden enkele vaktermen
                                    beschreven (zie </al>
              <al>verklarende woordenlijst). </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2 Wettelijk en beleidsmatig kader </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Op 16 april 1992 is in Valletta (Malta) door de Europese
                                    ministerraad het “Europees Verdrag inzake de bescherming van het
                                    Archeologische Erfgoed” ondertekend (Ministeries van WVC &amp;
                                    BZ, 1992). Dit verdrag, veelal aangeduid als het Verdrag van
                                    Malta, betreft een herziening van een eerder Europees verdrag
                                    uit 1969. In dit verdrag van 1969 werd vooral de bescherming van
                                    archeologische monumenten geregeld. In het nieuwe verdrag is
                                    bepaald dat het gehele archeologische erfgoed, dus ook de niet </al>
              <al>bekende archeologische waardevolle objecten en structuren,
                                    integrale bescherming nodig heeft en krijgt. Doordat het Verdrag
                                    van Malta zich ook richt op nog niet bekende archeologische
                                    waardevolle objecten en structuren heeft het vergaande gevolgen
                                    voor de lidstaten bij bodemverstorende activiteiten. </al>
              <al/>
              <al>Het Verdrag van Malta wordt in de Nederlandse wetgeving
                                    geïmplementeerd door middel van de Wet op de Archeologische
                                    Monumentenzorg (Wamz). Deze wet is in 2006, 15 jaar na
                                    ondertekening van het verdrag, door Eerste en Tweede Kamer
                                    goedgekeurd en in september 2007 in werking getreden. De wet
                                    betreft een herziening van de Monumentenwet 1988 en een
                                    aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in de
                                    Woningwet, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingswet. Reeds
                                    enige jaren voor de implementatie is bij archeologisch onderzoek
                                    gehandeld in de ‘geest van Malta’ en vanaf 2001 was een
                                    interimbeleid van kracht. Het handelen in de ‘geest van Malta’
                                    heeft tot gevolg gehad dat in de provincies verschillende
                                    archeologische regimes bestaan. </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.2 Rijksoverheid</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop>
                         2.2.1 Verdrag van Malta 
                     </tussenkop>
              <al>Het Verdrag van Malta betreft zoals boven aangegeven een
                                        uitbreiding van de bescherming van het archeologisch
                                        erfgoed. Die uitbreiding is met name gericht op nog niet
                                        bekende archeologische waardevolle objecten en structuren en
                                        betreft dus een preventieve bescherming van het
                                        archeologische erfgoed. De aanleiding daartoe was het besef
                                        dat het Europese archeologische erfgoed ernstig met
                                        aantasting wordt bedreigd door het toenemende aantal grote
                                        ruimtelijke-ordeningsprojecten, risico’s </al>
              <al>van natuurlijke aard, clandestiene of onwetenschappelijke
                                        opgravingen en onvoldoende besef onder het publiek. <noot id="d952e534"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Europees Verdrag inzake de bescherming van het
                                                Archeologische Erfgoed, preambule</noot.al></noot></al>
              <al/>
              <al>Het verdrag heeft tot doel het archeologische erfgoed te
                                        beschermen als bron van het gemeenschappelijke geheugen en
                                        als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie
                                        (art. 1 van het Verdrag). </al>
              <al>Het verdrag richt zich op het behoud van het archeologische
                                        erfgoed en dient de wetenschappelijke betekenis van het
                                        archeologische onderzoek te waarborgen (art. 3 van het
                                        Verdrag). Tot het archeologische erfgoed worden beschouwd
                                        alle overblijfselen, voorwerpen en andere sporen van de </al>
              <al>mens uit het verleden (art. 1 van het Verdrag). </al>
              <al/>
              <al>Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed
                                        zoveel mogelijk ter plekke (in situ) te bewaren en
                                        beheersmaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen (art.
                                        4 van het Verdrag). Het verdrag bepaalt verder dat
                                        archeologische waarden voortaan expliciet dienen te worden
                                        meegenomen bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen.
                                        Waar mogelijk dienen de archeologische waarden te worden
                                        ontzien. Om het bodemarchief beter te beschermen en om
                                        onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld </al>
              <al>nieuwe wijken te beperken, wordt in het verdrag voorgesteld
                                        om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke
                                        aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan
                                        daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk
                                        rekening mee worden gehouden. (artikel 5 van het Verdrag). </al>
              <al>Daar waar behoud in situ niet mogelijk is, betalen de
                                        bodemverstoorders het archeologisch onderzoek en mogelijke
                                        opgravingen (art. 6 van het Verdrag). Het behouden van
                                        archeologische waarden door het uitvoeren van opgravingen
                                        wordt aangeduid als behoud ex situ. </al>
              <al/>
              <al>Van belang is ook dat de bestudering van, en de verspreiding
                                        van de kennis over archeologische vondsten wordt
                                        vergemakkelijkt. Hiertoe dienen onderzoeken, inventarisaties
                                        en kaarten met betrekking tot archeologische vindplaatsen
                                        tot stand te worden gebracht of bijgehouden. Daarbij is
                                        verder van belang dat archeologische onderzoeken goed worden
                                        gedocumenteerd. Met name bij opgravingen is dat essentieel
                                        omdat bij een dergelijk onderzoek de sporen definitief
                                        vernietigd worden. Daarnaast zijn onderzoeken,
                                        inventarisaties en kaarten, en de actualiteit en
                                        beschikbaarheid ervan, ook van belang om bij besluitvorming
                                        over ruimtelijke ingrepen al in een vroeg stadium over de
                                        juiste informatie te kunnen beschikken (art. 7 van het
                                        Verdrag). </al>
              <al/>
              <al>Het is niet voldoende om wetenschappelijke informatie over
                                        archeologische vondsten te verzamelen. </al>
              <al>Verspreiding van die informatie, nationaal en
                                        internationaal, is essentieel voor de ontwikkeling van de
                                        archeologische wetenschap. Het is bedoeling dat men van
                                        elkaars kennis en ervaring kan leren. Die verspreiding dient
                                        in ieder geval op twee manieren te gebeuren (art. 8 van het
                                        Verdrag): </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het bevorderen van de uitwisseling van bestanddelen
                                                van het archeologisch erfgoed. Men kandaarbij denken
                                                aan archeologische artefacten die als
                                                studiemateriaal kunnen worden gebruikt voor de
                                                opleiding van archeologische studenten. Daarnaast
                                                gaat het ook om de uitwisseling van verschillende
                                                wetenschappelijke technieken; </al></li>
                <li nr="2."><al>Het stimuleren van de uitwisseling van informatie
                                                betreffende lopende archeologische onderzoekenen
                                                opgravingen door internationale
                                                onderzoeksprogramma’s te organiseren. Ontdekkingen
                                                in het ene land kunnen bijzonder relevant zijn voor
                                                onderzoeken in een ander land. Ook regionaal gezien
                                                is een dergelijke stimulering van belang. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>De verspreiding van de archeologische informatie is niet
                                        alleen van belang voor de wetenschappers en
                                        projectontwikkelaars zelf maar ook om het publiek bewust te
                                        maken van het belang en waarde van het archeologische
                                        erfgoed en alsook de bedreiging ervan door de toenemende
                                        mate van onder andere bouwprojecten (art. 9 van het
                                        verdrag). Het behoud van het cultuurhistorische erfgoed is
                                        immers bedoeld voor het grote publiek, de ‘eigenaren’ van
                                        dit erfgoed. Zonder de draagkracht en interesse van </al>
              <al>dat publiek zal de archeologische monumentenzorg de zorg van
                                        slechts enkelen zijn en blijven. Bewustwording van het
                                        publiek van het belang van het archeologische erfgoed dient
                                        in ieder geval plaats te vinden door bijvoorbeeld het geven
                                        van voorlichting en het verzorgen van archeologische
                                        tentoonstellingen en presentaties. Voor de Nederlandse tekst
                                        van het verdrag wordt verwezen naar bijlage 1. </al>
              <tussenkop>
                         2.2.2 Wet op de archeologische monumentenzorg 
                     </tussenkop>
              <al>Het Verdrag van Malta heeft geen directe werking dus
                                        implementatie ervan in de Nederlandse wetgeving is vereist.
                                        Implementatie vindt plaats middels de Wet op de
                                        Archeologische Monumentenzorg (Wamz) en is in februari 2007
                                        gepubliceerd en in september 2007 geïmplementeerd. Zoals
                                        reeds vermeld betreft de wet een herziening van de
                                        Monumentenwet 1988 en een aanvulling op of wijziging van
                                        bepaalde artikelen in de Woningwet, de Wet Milieubeheer en
                                        de Ontgrondingswet. </al>
              <al/>
              <al>Doelstelling van de Wamz is archeologische waarden waar
                                        nodig beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het
                                        leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Vergeleken met de
                                        doelstelling van het Verdrag van Malta kent de wet dus een
                                        nuancering. De bescherming van archeologie dient plaats te
                                        vinden daar waar het nodig is zonder meer maatschappelijke
                                        lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.
                                        Daarmee heeft de wetgever aangegeven dat de bescherming van
                                        archeologie wel proportioneel dient te zijn. Dit geeft
                                        ruimte voor een belangenafweging. Archeologische waarden
                                        dient te worden beschermd, maar niet ten koste van alles. </al>
              <al/>
              <al>De gewijzigde monumentenwetgeving kent ook een aantal
                                        uitgangspunten die veelal weer aansluiten bij die van het
                                        verdrag. Die uitgangspunten zijn als volgt: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Geformaliseerd beleid;</al></li>
                <li nr="-"><al>Behoud en beheer in de bodem;</al></li>
                <li nr="-"><al>Versterking relatie archeologie en ruimtelijke
                                                ordening;</al></li>
                <li nr="-"><al>Opgravingsbevoegdheid;</al></li>
                <li nr="-"><al>Verbetering informatievoorziening over cultureel
                                                erfgoed;</al></li>
                <li nr="-"><al>Invoering ‘verstoorder-betaalt-principe’.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>
                <vet>Geformaliseerd beleid</vet>
              </al>
              <al>Er moet geformaliseerd beleid voor alle overheden komen,
                                        waarbij ook de gemeente verplicht is verantwoordelijkheid te
                                        nemen voor het archeologisch (of breder: cultuurhistorisch)
                                        erfgoed in haar grond. </al>
              <al>Dit betekent dat er in elk geval beleid moet worden
                                        geformuleerd en dat de gemeente er zelf voor moet zorgen dat
                                        dit ook wordt toegepast. Gemeenten hebben in de
                                        beleidsuitvoering binnen de nieuwe wetgeving een grote
                                        verantwoordelijkheid voor en een sturende rol in beheer en
                                        behoud van archeologische en cultuurhistorische resten. Om
                                        deze nieuwe gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan
                                        adequaat te kunnen vervullen is een gemeentelijk
                                        archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) </al>
              <al>afwegingskader niet alleen nuttig maar ook noodzakelijk. De
                                        wet regelt -globaal genomen drie aspecten van de
                                        archeologische monumentenzorg: de financiering, de
                                        bestuurlijke besluitvorming en de archeologische uitvoering.
                                        De wet verplicht de gemeenten niet tot het beschermen van
                                        het archeologische erfgoed onder alle omstandigheden. Het
                                        college van B&amp;W van de gemeenten mag immers het besluit
                                        nemen dat zij bepaalde archeologische waarden niet van
                                        belang vinden en dat zij om die reden geen publiek geld
                                        zullen aanwenden voor behoudsmaatregelen. Deze keuzevrijheid
                                        is nodig om de gemeenten in de gelegenheid te stellen zich
                                        bestuurlijk en financieel in te zetten op archeologische
                                        zaken die zij van wezenlijk belang achten. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Behoud en beheer in de bodem </vet>
              </al>
              <al>Het uitgangspunt van de nieuwe wet, behoud in situ, is erop
                                        gericht archeologische waarden waar nodig zoveel mogelijk in
                                        de bodem te bewaren en alleen op te graven als behoud in de
                                        bodem niet mogelijk </al>
              <al>is. Dit uitgangspunt van behoud in situ is niet bedoeld om
                                        alles voor altijd in de bodem te behouden, integendeel. De
                                        achterliggende gedachte is dat komende generaties meer en
                                        betere technieken zullen hebben om archeologische resten te
                                        onderzoeken en tevens over een grotere kennis zullen
                                        beschikken, om wat zij vinden te kunnen verklaren. Daarnaast
                                        hebben de (grootschalige) bodemverstoringen van de afgelopen
                                        jaren reeds veel archeologisch materiaal opgeleverd. Het
                                        vergt tijd en capaciteit om </al>
              <al>dat, ook in zijn context, te onderzoeken en te verklaren.
                                        Als behoud in situ niet mogelijk is dan is het zaak door
                                        middel van onder meer opgravingen zoveel mogelijk gegevens
                                        te verzamelen over de archeologische vondst. Dit wordt
                                        aangeduid als behoud ex situ. Ook hier geldt het
                                        proportionaliteits-beginsel. De verplichting op te graven
                                        moet kunnen worden gerechtvaardigd door het belang van de
                                        archeologische site. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Versterking relatie archeologie en ruimtelijke
                                            ordening</vet>
              </al>
              <al>De relatie tussen archeologie en RO zal moeten worden
                                        versterkt, zodat behoud, beheer en ontwikkeling van het
                                        bodemarchief onderdeel worden van het planologische
                                        besluitvormingsproces. Dit uitgangspunt is er tevens op
                                        gericht al vroeg in de ruimtelijke ordening rekening houden
                                        met archeologie. Initiatiefnemers tot ruimtelijke
                                        ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven
                                        hoe met eventuele archeologische waarden bij
                                        bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt een
                                        verplichting in tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de
                                        grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld
                                        via bestemmingsplannen en vrijstellingen, de mer-plichtige
                                        activiteiten en ontgrondingen. Dat vroegtijdig rekening
                                        houden met archeologische waarden is ook in het belang van
                                        initiatiefnemers van projecten en, daaraan voorafgaand, van
                                        plannen-makers. Het is immers kostenreducerend als met de
                                        aanwezigheid van archeologische waarden tijdig rekening kan
                                        worden gehouden; </al>
              <al>deze waarden kunnen dan worden meegewogen in het totaal van
                                        de planvoorbereiding, het bepalen van locaties dan wel de
                                        concrete planinrichting. Op deze wijze kan het streven naar
                                        behoud in situ </al>
              <al>worden gemaximaliseerd. Daarnaast is de aanwezigheid van
                                        archeologische sporen ook een factor die kan bijdragen aan
                                        de kwaliteit en identiteit van de openbare ruimte. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Opgravingsbevoegdheid </vet>
              </al>
              <al>De vergunningverlening voor het mogen uitvoeren van een
                                        opgraving is verruimd en blijft niet langer beperkt tot
                                        overheden en universiteiten. Ook gekwalificeerde bedrijven
                                        mogen deze werkzaamheden uitvoeren. De minister ziet toe op
                                        de kwaliteit van de uitvoering via een kwaliteitssysteem
                                        (KNA; zie § 2.2.3), waaraan alle binnen de archeologie
                                        werkzame instanties en bedrijven zich dienen te conformeren. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Verbetering informatievoorziening over cultureel
                                            erfgoed</vet>
              </al>
              <al>De beslissing over behoud of verwijdering van archeologische
                                        waarden met of zonder archeologisch onderzoek moet worden
                                        genomen op basis van duidelijke en vastgelegde procedures.
                                        De uitkomsten van deze procedures moeten voor alle
                                        betrokkenen beschikbaar zijn. De archeologische resultaten
                                        leggen immers de basis voor de identiteit van een bepaald
                                        gebied waardoor het maatschappelijke draagvlak kan worden
                                        vergroot. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Invoering ‘verstoorder-betaalt-principe’</vet>
              </al>
              <al>De bodemverstoorders betalen het archeologisch vooronderzoek
                                        en het daar uit voortvloeiende vervolgonderzoek
                                        (bijvoorbeeld opgravingen). De kosten voor de noodzakelijke
                                        archeologische werkzaamheden komen dus ten laste van
                                        initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit. Dit
                                        financiële aspect is naast het archeologisch maatschappelijk
                                        belang de stimulans om tijdens het planologische
                                        besluitvormingsproces het behoud en beheer van archeologie
                                        uiterst serieus te nemen. Echter, ook hier geldt </al>
              <al>weer het proportionaliteitsbeginsel. In bijzondere situaties
                                        is het bestuursorgaan die de initiatiefnemer van de
                                        bodemverstoring verplicht archeologisch onderzoek te laten
                                        verrichten, gehouden een vergoeding </al>
              <al>toe te kennen. Het gaat hier om de excessieve
                                        kostenregeling. Daarbij moet vooral worden gedacht aan
                                        excessieve kosten als gevolg van opgravingen. Of dergelijke
                                        kosten als excessief moeten worden gekwalificeerd, is sterk
                                        afhankelijk van het (financiële) belang van de aanvrager,
                                        diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere
                                        locatie om te zien en dergelijke meer. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>De gemeente: archeologie en bestemmingsplan </vet>
              </al>
              <al>Het vastleggen van archeologische waarden en verwachtingen
                                        in het bestemmingsplan is onderdeel van de in 2007
                                        vastgestelde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz).
                                        Artikel 38a van deze wet geeft nu aan dat de gemeenteraad
                                        bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te
                                        houden met archeologische waarden. Gemeenten geven hier
                                        invulling aan door bij het vaststellen van
                                        bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te
                                        houden met (eventuele) archeologische </al>
              <al>waarden. Onder deze waarden vallen archeologisch waardevolle
                                        gebieden en gebieden met een verhoogde archeologische
                                        verwachting. Deze waarden krijgen een archeologische
                                        (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van
                                        een bestemmingsplan, begrensd in de verbeelding (plankaart)
                                        en voorzien van regels gekoppeld aan een
                                        vergunningenstelsel. Tot op heden zijn deze regels gebaseerd
                                        op de ondergrenzen die gesteld zijn in de provinciale
                                        structuurvisie. </al>
              <al>Op basis van het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld bij de
                                        verlening van een omgevingsvergunning als voorwaarde worden
                                        gesteld dat de aanvrager een archeologisch rapport overlegt.
                                        Vervolgens geeft artikel 41a van de Wamz aan dat dit alleen
                                        van toepassing is bij projecten met een oppervlakte groter
                                        dan 100 m2, maar de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende
                                        oppervlakte vaststellen. Met het opstellen van een
                                        gemeentelijke beleidsadvieskaart kunnen de grenzen die zijn
                                        aangegeven in de gemeentelijke Erfgoedverordening dus meer
                                        op (gemeentelijke) maat gesneden worden. </al>
              <tussenkop>
                         2.2.3 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) 
                     </tussenkop>
              <al>De liberalisering van de opgravingsmarkt heeft de
                                        Nederlandse archeologie ook een vorm van kwaliteitszorg
                                        gebracht: de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
                                        In het KNA staan de minimale vereisten waaraan een
                                        archeologisch onderzoek moet voldoen. Het gaat daarbij onder
                                        meer om de </al>
              <al>volgende werkzaamheden: bureauonderzoek, inventariserend
                                        veldonderzoek, opgraven, beschermen van vindplaatsen,
                                        archeologische begeleiding van bouwwerkzaamheden en het
                                        registreren, deponeren </al>
              <al>en beheren van vondsten. De meest actuele versie van de KNA
                                        (thans versie 3.2) is te raadplegen op: http://www.sikb.nl.
                                    </al>
              <tussenkop>
                         2.2.4 Nota Belvedère en de Modernisering Monumentenzorg 
                     </tussenkop>
              <al>Zoals al aangeduid in het Verdrag van Malta verdwenen bij
                                        nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het verleden vaak
                                        waardevolle cultuurhistorische kenmerken, zoals
                                        archeologische vindplaatsen, historische </al>
              <al>gebouwen en historisch geografische landschapskenmerken
                                        (dijken, verkaveling, polders, e.d.). </al>
              <al>Om dat tegen te gaan is door de rijksoverheid een beleid
                                        opgesteld dat voorwaarden schept om de cultuurhistorische
                                        identiteit sterker richtinggevend te laten zijn bij deze
                                        processen. Daartoe is in juni 1999 door de ministeries van
                                        OCW, VROM, LNV en VW de nota Belvedère uitgebracht. De
                                        hoofddoelstelling van Belvedère om de cultuurhistorische
                                        kwaliteit sterker richtinggevend te laten zijn, wordt
                                        vertaald in een zestal doelen: </al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>het erkennen en herkenbaar houden van
                                                cultuurhistorische identiteit als kwaliteit en
                                                uitgangspuntvoor verdere ontwikkeling; </al></li>
                <li nr="4."><al>het versterken en benutten van de cultuurhistorisch
                                                meest waardevolle gebieden, de
                                                zogenoemdeBelvedère-gebieden; </al></li>
                <li nr="5."><al>het scheppen van voorwaarden voor initiatieven van
                                                derden gericht op de versterking van
                                                cultuurhistorie;</al></li>
                <li nr="6."><al>het verspreiden en toegankelijk maken van
                                                kennis;</al></li>
                <li nr="7."><al>het bevorderen van samenwerking tussen burgers,
                                                organisaties en overheden;</al></li>
                <li nr="8."><al>het verbeteren van de gebruiksmogelijkheden van het
                                                bestaande instrumentarium.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het programma Belvedère heeft van 1999 tot en met 2009 de
                                        inzet van cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen
                                        gestimuleerd. Met de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) is
                                        de nieuwe visie op de monumentenzorg weergegeven. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.3 Archeologisch beleid in de provincie Noord-Holland</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop>
                         2.3.1 Algemeen 
                     </tussenkop>
              <al>Het archeologisch beleid van het provinciaal bestuur van
                                        Noord-Holland is vastgelegd in het Cultuurconvenant tussen
                                        het rijk en de provincie Noord-Holland, de Provinciale
                                        Cultuurnota 2005-2008 ‘Cultuur Verbindt’, de Leidraad
                                        Provinciaal Ruimtelijk Beleid, de Gedragslijn Compensatie en
                                        het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord (zie bijlage 2
                                        voor een korte toelichting op voornoemde stukken). Het
                                        beleid is enerzijds gebaseerd op (toekomstige) wettelijke
                                        verplichtingen, waarbij de verwachtingen omtrent </al>
              <al>de implementatie van het Verdrag van Valletta een voorname
                                        rol spelen, anderzijds op autonoom cultuurhistorisch
                                        provinciaal beleid. De provincie Noord-Holland kiest ten
                                        aanzien van cultuurhistorie vooral een ontwikkelingsgerichte
                                        benadering met behoud van kwaliteit en het ontwikkelen van
                                        nieuwe kwaliteit. De provincie wil ontwikkelingen dusdanig
                                        geleiden dat de landschappelijke en cultuurhistorische
                                        kwaliteiten behouden blijven, worden ontwikkeld en waar
                                        mogelijk worden versterkt. De provincie </al>
              <al>sluit hiermee aan op het gedachtegoed zoals dat in de nota
                                        Belvedère is verwoord. De nieuwe Cultuurnota 2013-2016 ‘De
                                        waarde van Cultuur’ streeft naar behoud en ontwikkeling van
                                        waardevolle landschappen </al>
              <al>met uniek cultureel erfgoed en naar het voor iedereen
                                        toegankelijk maken van het cultureel aanbod. </al>
              <tussenkop>
                         2.3.2 Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), de Archeologische Monumentenkaart 
                     </tussenkop>
              <al>(AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden
                                        (IKAW) </al>
              <al>Een belangrijk instrument voor het provinciaal beleid is de
                                        Cultuurhistorische Waardenkaart, waarbij voor elk van de
                                        drie cultuurhistorische disciplines historische
                                        (steden)bouwkunde, historische geografie en archeologie een
                                        kaartlaag is opgesteld. De archeologische kaartlaag omvat de
                                        archeologische monumentterreinen en komt overeen met de
                                        zogenaamde Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de </al>
              <al>provincie Noord-Holland. De monumentterreinen hebben, op
                                        basis van door het Rijk (RCE) vastgestelde criteria een
                                        status gekregen. Er wordt onder meer een onderscheid gemaakt
                                        in terreinen van archeologische waarde, hoge archeologische
                                        waarde en zeer hoge archeologische waarde. Tevens zijn op de
                                        AMK en de CHW monumentterreinen aangegeven met een zeer hoge
                                        archeologische waarde die door het rijk wettelijk beschermd
                                        zijn. De provincies hebben als taak gekregen om de AMK te
                                        onderhouden. </al>
              <al>Hieronder wordt verstaan dat op regelmatige tijden wordt
                                        bekeken welke terreinen moeten worden opgewaardeerd en welke
                                        eventueel kunnen worden afgevoerd. Ook kan worden bekeken of
                                        nieuwe terreinen aan de AMK kunnen worden toegevoegd. De
                                        provincie zal bij het onderhouden van de AMK van de
                                        gemeentes vragen om informatie ten aanzien van de binnen hun
                                        gemeentegrenzen gelegen bekende vindplaatsen en
                                        monument-terreinen aan te leveren. </al>
              <al/>
              <al>Met de CHW en de AMK geeft de provincie dus inzicht in de
                                        aanwezigheid en status van bekende archeologische
                                        vindplaatsen. Helaas verschaffen de CHW en de AMK geen
                                        inzicht in de ligging van nog onbekende, te verwachten
                                        vindplaatsen. Voor deze categorie is feitelijk de
                                        Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW; zie ook
                                        deel II) beschikbaar. Deze kaart, die voor heel Nederland
                                        door het Rijk is opgesteld, kan worden geraadpleegd om te
                                        zien of een gebied een hoge, middelhoge, lage of zeer lage
                                        archeologische verwachting heeft. De bruikbaarheid van de
                                        IKAW is echter zeer beperkt omdat het een kleinschalige
                                        kaart is (schaal 1:50.000) en niet altijd duidelijk inzicht
                                        geeft op welke archeologische periode de verwachting
                                        betrekking heeft. De provincie Noord-Holland erkent dit en
                                        gaat </al>
              <al>dan ook van het standpunt uit dat gemeentes voor hun eigen
                                        grondgebied een meer nauwkeurige archeologische
                                        verwachtingenkaart dienen op te (laten) stellen.
                                        Vooruitlopend hierop heeft de Provincie Noord-Holland van
                                        een aantal gebieden in Noord-Holland reeds van dergelijke
                                        verwachtingenkaarten laten opstellen. Het gaat om
                                        bijvoorbeeld het zogenaamde Oer-IJ gebied (hoofdzakelijk
                                        Kennemerland), De Gouw (West-Friesland Midden), De Streek
                                        (West-Friesland Oost) en het Vechtplassengebied
                                        (respectievelijk Lange e.a., 2004; Molenaar &amp; De Boer,
                                        2005; De Boer &amp; Molenaar, 2006; Molenaar &amp; De Boer,
                                        2006). Deze verwachtingskaarten omvatten landschappen die de
                                        gemeentegrenzen overschrijden en daarom een bijzondere, meer
                                        regionale aanpak vereisen. De verwachtingenkaarten voor deze
                                        gebieden geven vaak een veel nauwkeuriger en gedetailleerder
                                        beeld van de archeologische verwachting </al>
              <al>en de Provincie Noord-Holland is dan ook een groot
                                        voorstander van het gebruik van deze kaarten boven het
                                        gebruik van de IKAW. </al>
              <al/>
              <tussenkop>
                         2.3.3 Beheer en behoud 
                     </tussenkop>
              <al>De provincie Noord-Holland heeft zich de afgelopen jaren
                                        niet alleen bezig gehouden met archeologiebeleid dat
                                        voortkomt uit het Verdrag van Malta, maar ook met bedreiging
                                        van archeologische resten door zogenaamde autonome
                                        ontwikkelingen. Veel van het huidige archeologische
                                        onderzoek komt voort uit het feit dat er een specifieke
                                        verstoring plaatsvindt van de bodem waardoor de verstoorder
                                        verplicht is archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Er
                                        vinden echter ook bodemingrepen plaats die niet direct onder
                                        dit ‘verstoorder betaalt principe’ kunnen worden geschaard.
                                        Voor archeologische resten in veengebieden geldt
                                        bijvoorbeeld dat deze door (geleidelijke) ontwatering van
                                        het veen, steeds dichter aan het maaiveld komen te liggen.
                                        Een ploegende boer zal in de loop van de tijd dus steeds een
                                        klein beetje meer van de archeologische lagen aanploegen
                                        waardoor, op een sluipende manier, archeologische resten
                                        worden verstoord of vernietigd. Deze verstoring van
                                        archeologische resten vindt op een veel grotere schaal
                                        plaats dan de aan de Archeologische Monumentenzorg cyclus
                                        (AMZ-cyclus) gerelateerde ingrepen. Echter het sluipende
                                        karakter ervan maakt het moeilijk om de exacte impact te
                                        bepalen. Omdat in deze gevallen geen opzettelijke
                                        verstoorder kan worden aangewezen die aansprakelijk </al>
              <al>kan worden gesteld voor de schade, moet er dus op een andere
                                        manier worden omgegaan met archeologische resten in
                                        dergelijke gebieden. De provincie Noord-Holland heeft
                                        hiertoe reeds twee projecten uitgevoerd die als doel hadden
                                        om deze categorie van aantasting voor een aantal belangrijke
                                        archeologische monumentterreinen inzichtelijk te maken (Van
                                        Eerden, 2004a en 2004b). Tijdens de onderzoeken is vooral
                                        gekeken naar mogelijkheden van matching met bijvoorbeeld
                                        natuur, water en recreatie om archeologische terreinen uit
                                        productie te halen en te beschermen. Ook is gekeken naar
                                        mogelijkheden om archeologische vindplaatsen af te dekken
                                        met grond om zo de bedreigingen van regulier grondgebruik af
                                        te wenden. Tot slot is een aantal terreinen aangewezen als
                                        provinciaal monument </al>
              <al>waarbij beperkingen gelden ten aanzien van het grondgebruik.
                                        De pachter of eigenaar van de grond wordt middels
                                        beheersvergoedingen gecompenseerd voor deze beperkingen.
                                    </al>
              <tussenkop>
                         2.3.4 Beeldkwaliteitsplan 
                     </tussenkop>
              <al>In het ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord neemt het
                                        zogenaamde Beeldkwaliteitsplan een belangrijke plaats in.
                                        Zodra in het landelijke gebied nieuwe ruimtelijke
                                        ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt door bijvoorbeeld
                                        bestemmingsplannen of projectbesluiten dan is zo’n
                                        Beeldkwaliteitsplan verplicht. </al>
              <al>Het Beeldkwaliteitsplan is een middel om de aandacht te
                                        vestigen op landschap en cultuurhistorie bij nieuwe
                                        ontwikkelingen in zoekgebieden. Het doel van het
                                        Beeldkwaliteitsplan is om vanuit de identiteit van een
                                        gemeente of samenhangend gebied bij nieuwe ontwikkelingen de
                                        belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke
                                        kwaliteiten te behouden en te versterken. Het op deze manier
                                        expliciet verantwoording afleggen over de manier waarop met
                                        landschap en cultuurhistorie wordt omgegaan moet leiden tot
                                        meer ‘kwaliteitsbewustzijn’. De provincie Noord-Holland
                                        hoopt dat gemeenten hun verantwoordelijkheid oppakken en
                                        zich uitgedaagd voelen tot het maken van goede plannen die
                                        aansluiten bij de gewaardeerde en gevarieerde, en soms
                                        verborgen, identiteit van Noord-Holland Noord (Provincie
                                        Noord-Holland, 2005). </al>
              <tussenkop>
                         2.3.5 Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie 
                     </tussenkop>
              <al>De provincie Noord-Holland beschikt sinds 2006 over het
                                        Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie (Provincie
                                        Noord-Holland, 2006). In het Ontwikkelingsbeeld
                                        Noord-Holland Noord ging men nog uit van de eerder
                                        vastgestelde beleidsnota’s over cultuurhistorie en het
                                        landschapsbeleid. Voor de cultuurhistorie ging het om de
                                        zogenaamde regioprofielen. De regioprofielen waren in feite
                                        de beleidsmatige vertaling van de Cultuurhistorische
                                        Waardenkaart van de provincie Noord-Holland. De losse
                                        objecten, zoals die staan vermeld op de Cultuurhistorische
                                        Waardenkaart, vond men in de regioprofielen over het
                                        algemeen niet meer terug omdat deze grotere structuren
                                        behandelden. Voor de visie die de provincie had op die
                                        grotere gebieden, heeft de Cultuurhistorische Waardenkaart
                                        wel als basis gediend. </al>
              <al/>
              <al>In de profielen werd per regio aangeven hoe de provincie
                                        Noord-Holland haar beleidsuitgangspunten wilde concretiseren
                                        en welke beleidsaccenten en prioriteiten zij belangrijk
                                        vond. Het uitgangspunt was dat cultuurhistorie als
                                        inspiratiebron moest worden gebruikt om nieuwe
                                        ontwikkelingen een kans te </al>
              <al>geven (behoud door ontwikkeling). </al>
              <al/>
              <al>Tot voor kort moesten de gemeentes, bij het opstellen van
                                        bestemmings-plannen, naast de Cultuurhistorische
                                        Waardenkaart, ook de regioprofielen raadplegen. Indien de
                                        gemeenten in hun plannen wilden </al>
              <al>afwijken van hetgeen in het voor hen van toepassing zijnde
                                        regioprofiel was vastgesteld, dan diende dat gemotiveerd te
                                        gebeuren, zodat inzichtelijk werd welke belangenafweging had
                                        plaatsgevonden. </al>
              <al>Sinds kort zijn de regioprofielen echter opgenomen in het
                                        Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie. </al>
              <al>De reden hiervoor was dat de beleidsnota, waarvan de
                                        regioprofielen onderdeel uitmaakten, niet helder en
                                        eenduidig genoeg waren. In het nieuwe Beleidskader Landschap
                                        en Cultuurhistorie is het ‘oude’ beleid geïntegreerd en zijn
                                        mogelijke tegenstrijdigheden tussen landschappelijke en
                                        cultuurhistorische benaderingen weggenomen. </al>
              <al>Voor het opstellen van gemeentelijk beleid dient het
                                        Beleidskader te worden meegenomen. Afwijken van de
                                        provinciale beleidskaders dient zorgvuldig te worden
                                        gemotiveerd. </al>
              <al/>
              <al>Ten aanzien van Enkhuizen worden in het provinciaal
                                        beleidskader duidelijke doelen gesteld: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al> Zo is het voor de leesbaarheid van de
                                                waterstaatkundige geschiedenis van groot belang dat
                                                de Westfriese Omringdijk met de wielen, kleiputten
                                                en brede vrije zone aan weerszijden van de dijk
                                                behouden blijven. Omdat de West-friese Omringdijk
                                                een provinciaal monument is, zal voor werkzaamheden
                                                op dit monument een vergunning bij de provincie
                                                moeten worden aangevraagd; </al></li>
                <li nr="-"><al> Ook het behoud van het rijksbeschermde stadsgezicht
                                                van Enkhuizen staat voorop; </al></li>
                <li nr="-"><al> Voor de leesbaarheid van de ontginnings-en
                                                bewoningsgeschiedenis wordt specifiek verwezen naar
                                                de kreekruggen en lintdorpen in dit deel van
                                                West-Friesland. De hogere ligging van de kreekruggen
                                                zou bijvoorbeeld door middel van beplantingen zoveel
                                                mogelijk moeten worden versterkt; </al></li>
                <li nr="-"><al> Ontwikkelingsplannen zijn er voor de vestingswerken
                                                van Enkhuizen. Deze zouden moeten worden ontwikkeld
                                                tot ‘vestingbiotoop’. </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>3 Het toekomstig archeologiebeleid van de gemeente Enkhuizen </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Uit het vorige hoofdstuk is duidelijk geworden dat in het
                                    huidige archeologiebestel de beslissingsbevoegdheid ten aanzien
                                    van de archeologie voornamelijk op het gemeentelijk bestuurlijk
                                    niveau komt te liggen. Om verantwoord met die bevoegdheden om te
                                    kunnen gaan, is het opstellen van een gemeentelijk
                                    archeologiebeleid onontbeerlijk. Op dit moment wordt binnen de
                                    gemeente Enkhuizen op basis van de Erfgoedverordening 2010
                                    omgegaan met het archeologisch erfgoed en ontbreken nadere
                                    doel-stellingen en uitgangspunten op dit gebied. Wel is in
                                    opdracht van de provincie Noord-Holland door RAAP voor onder
                                    andere de gemeente Enkhuizen een vindplaatsen-en
                                    verwachtingenkaart opgesteld. Op deze kaart is aangegeven waar
                                    de bekende archeologische vindplaatsen zich bevinden en welke
                                    archeologische verwachtingszones er zijn. Met die kaart is het
                                    archeologisch potentieel van de gemeente in beeld gebracht en
                                    kan een gespecificeerd archeologiebeleid worden opgesteld. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.2 Gemeente Enkhuizen in de huidige ‘archeologische situatie’</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Hoewel het de gemeente Enkhuizen aan een archeologiebeleid
                                    ontbreekt, handelt zij wel in de ‘geest van Malta’. Daartoe is
                                    zij ook verplicht gelet op de regelgeving van de provincie
                                    Noord-Holland. In 2010 heeft de gemeente een Erfgoedverordening
                                    vastgesteld. In deze verordening zijn gebieds-gerichte
                                    ondergrenzen opgenomen die, indien van toepassing, percelen
                                    vrijstellen van een archeologische onderzoeksverplichting (art.
                                    16). Deze grenzen zijn bij het ontbreken van gemeentelijk
                                    archeologiebeleid afgestemd op artikel 41a van de Monumentenwet
                                    1988 en geven een vrijstelling voor onderzoek bij ingrepen
                                    kleiner dan 100 m2. </al>
              <al/>
              <al>Binnen de nieuwe wetgeving is de gemeente aangewezen als bevoegd
                                    gezag hetgeen betekent dat zij de archeologische
                                    onderzoeksrapporten die worden opgesteld moet beoordelen. Het
                                    beoordelen van de rapportages dient te gebeuren door een bevoegd
                                    archeoloog. Momenteel heeft de gemeente Enkhuizen geen bevoegd
                                    archeoloog in dienst zodat moet worden teruggevallen op de
                                    Cultuurcompagnie Noord-Holland (het voormalig Steunpunt
                                    Cultureel Erfgoed Noord-Holland), de provincie of gemeentelijke </al>
              <al>archeologen uit de omgeving zoals de regionale Archeologie
                                    West-Friesland. Hoewel dat uiteindelijk wel leidt tot een
                                    adequate beoordeling van de rapporten is dat geen gewenste
                                    situatie. In het bijzonder niet omdat de rapporten op deze wijze
                                    separaat worden bekeken door verschillende personen. Hierdoor
                                    ontstaat geen eenduidige beoordeling en ontstaat tevens geen
                                    samenhang in de archeologische informatie. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.3 Doelstelling van het archeologisch beleid</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De in de vorige paragraaf geschetste gang van zaken is inherent
                                    aan het ontbreken van een gemeentelijke doelstelling op het
                                    gebied van archeologie. Het archeologisch onderzoek laten
                                    uitvoeren slechts om aan een wettelijke verplichting te voldoen
                                    is geen concreet doel maar een proces. Het formuleren van een
                                    archeologische doelstelling is dan ook noodzakelijk om dat
                                    proces te beëindigen. Daarnaast zijn gemeenten gelet op de
                                    invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg ook
                                    verplicht een doelstelling te formuleren over hoe om te gaan met
                                    hun archeologisch erfgoed. </al>
              <al/>
              <al>De Monumentenwet 1988 (artikel 41a) geeft de mogelijkheid
                                    gemotiveerd af te wijken van 100 m² als vrijstellingsgrens voor
                                    vergunningsaanvragen. Op de beleidsadvieskaart (kaartbijlage 6)
                                    is gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. Het is niet altijd
                                    nodig bij elke bodemingreep van meer dan 100 m2 een
                                    archeologisch onderzoek uit te (laten) voeren. Het kan echter
                                    ook noodzakelijk zijn om in delen van de gemeente bij
                                    bodemingrepen van minder dan 100 m2 onderzoek te eisen. Daarom
                                    zijn aan de verschillende </al>
              <al>eenheden op de verwachtingenkaart voorschriften gekoppeld, die
                                    uit oppervlakte-en dieptegrenzen bestaan. Deze ondergrenzen
                                    geven aan bij welke bodemingrepen archeologisch onderzoek zou
                                    moeten plaatsvinden. De voorschriften kunnen vervolgens worden
                                    opgenomen in de bestemmingsplannen van de gemeente en bieden
                                    daarmee een beslissings-kader bij de verlening van
                                    omgevingsvergunningen. </al>
              <al/>
              <al>Het archeologisch erfgoed betreft overblijfselen uit ons
                                    verleden en kan ons daardoor iets zeggen over onze cultuur. Het
                                    vertelt ons hoe vroegere generaties leefden en hoe onze
                                    samenleving er vroeger uitzag. Archeologie vertelt ons dus iets
                                    over onszelf. Waar we vandaan komen, hoe we ons hebben
                                    ontwikkeld. Die overblijfselen uit het verleden zijn dan ook een
                                    deel van onze identiteit. Daarom is het archeologisch erfgoed
                                    vooral van belang voor het grote publiek, de bewoners. </al>
              <al/>
              <al>In het Verdrag van Malta alsook deWet op de Archeologische
                                    Monumentenzorg staat aangegeven dat het archeologische erfgoed
                                    ernstig met aantasting wordt bedreigd door onder andere het
                                    toenemende aantal grote ruimtelijke-ordeningsprojecten. Dat is
                                    in de gemeente Enkhuizen niet anders. Ook het archeologisch
                                    erfgoed in de gemeente Enkhuizen staat onder toenemende druk van
                                    geplande bouwactiviteiten. </al>
              <al>Gelet op het belang dat het erfgoed heeft voor zowel bewoners
                                    als voor de wetenschap en geschiedkunde dient die aantasting te
                                    worden voorkomen. Dat kan worden bewerkstelligd door het
                                    gemeentelijk archeologisch erfgoed te beschermen. Dat is ook
                                    conform de doelstelling van het Verdrag van Malta en de Wamz.
                                    Voor de formulering van de doelstelling van het
                                    archeologiebeleid in de gemeente Enkhuizen kan dan ook
                                    aansluiting worden gezocht bij die van voornoemd verdrag en wet. </al>
              <al/>
              <al>Zoals al gesteld kent de wet inzake haar doelstelling wel een
                                    nuancering ten opzichte van die van het verdrag. Kortweg komt
                                    die nuancering van de wetgever erop neer dat gestreefd moet
                                    worden naar bescherming van archeologie maar niet ten koste van
                                    alles. Bescherming van het archeologisch erfgoed dient
                                    proportioneel te zijn. Dat argument van de wetgever is valide en
                                    afwijken van haar doelstelling is dan ook niet gewenst.
                                    Archeologie is belangrijk maar dat zijn economie, ruimtelijke
                                    ontwikkeling, milieu, etc. ook. Per situatie zal moeten worden
                                    bekeken welk belang aan archeologie moeten worden toegekend. </al>
              <al>Daarbij dient wel het streven te zijn dat de aanwezige
                                    archeologie beschermd wordt. Overigens dienen overheden, en dus
                                    ook de gemeente Enkhuizen, in het kader van hun bestuurlijke
                                    handelen altijd rekening te houden met het
                                    proportionaliteitsprincipe. Voor wat betreft besluiten blijkt
                                    dat uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht. Ook besluiten op het terrein van het bouwen en de
                                    archeologische monumentenzorg dienen te worden genomen met
                                    inachtneming van genoemd beginsel. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt voorgesteld voor het
                                        gemeentelijk archeologiebeleid de volgende doelstelling vast
                                        te stellen: “Het archeologisch beleid van de gemeente
                                        Enkhuizen heeft tot doel haar archeologische erfgoed waar
                                        nodig te beschermen als bron van het gemeenschappelijke
                                        geheugen en als middel voor geschiedkundige en
                                        wetenschappelijke studie zonder meer maatschappelijke lasten
                                        in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.”
                                    </cursief>
              </al>
              <al/>
              <al>Deze doelstelling sluit aan bij zowel het Verdrag van Malta als
                                    de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. Net zo belangrijk,
                                    de formulering waarborgt in grote mate het behoud van het
                                    archeologisch erfgoed in de gemeente zonder andere belangen te
                                    frustreren. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch
                                    uitvoerbaar en proportioneel is maar ook haalbaar. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.4 Uitgangspunten van het archeologisch beleid</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het Verdrag van Malta en de Wet op de Archeologische
                                    Monumentenzorg beogen beide het archeologische erfgoed te
                                    beschermen. Zowel het verdrag als de wet hebben een aantal
                                    gelijkluidende uitgangspunten voor de bescherming van het
                                    archeologische erfgoed: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem
                                            bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in
                                            situ) niet mogelijk is; </al></li>
                <li nr="-"><al> De relatie tussen archeologie en RO versterken zodat
                                            behoud, beheer en ontwikkeling van het bodemarchief
                                            onderdeel worden van het planologische
                                            besluitvormingsproces; </al></li>
                <li nr="-"><al> Bodemverstoorders (waaronder ook evt. de gemeente)
                                            betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen
                                            (het ‘verstoorder betaalt principe’); </al></li>
                <li nr="-"><al> Verbetering informatievoorziening over cultureel
                                            erfgoed om het draagvlak voor archeologie te vergroten.
                                        </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>Een gemeentelijk archeologiebeleid dient minimaal te voldoen aan
                                    voornoemde uitgangspunten. Afwijken van die uitgangspunten
                                    betekent afwijken van formele wetgeving. Daarnaast maken die
                                    uitgangspunten </al>
              <al>het juist mogelijk de doelstelling van het nieuwe
                                    archeologiebestel te realiseren. Het ‘verstoorder betaalt
                                    principe’ maakt bescherming van het archeologisch erfgoed
                                    (financieel) uitvoerbaar. Het uitgangspunt: ‘behoud in situ
                                    tenzij ‘, realiseert een optimale bescherming van het
                                    archeologisch erfgoed en frustreert niet onnodig andere
                                    belangen. Versterking van de relatie tussen ruimtelijke ordening
                                    en archeologie, waardoor in de ruimtelijke ordening vroegtijdig
                                    rekening kan worden gehouden met </al>
              <al>archeologie, maakt behoud in situ mogelijk, is kostenreducerend
                                    voor initiatiefnemers van projecten en kan dan zelfs als
                                    inspiratiebron dienen voor planvorming. De verbetering van de
                                    informatievoorziening vergroot de draagvlak voor archeologie en
                                    is in het belang van zowel burger als initiatiefnemers van
                                    projecten nu dit de kenbaarheid van de beperkingen van
                                    archeologie vergroot. Dit laatste is ook van belang gelet op de
                                    Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen onroerende zaken. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Voor het gemeentelijk archeologiebeleid wordt
                                        voorgesteld de volgende uitgangspunten vast te
                                        stellen:</cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Archeologische waarden zoveel mogelijk in de
                                                bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de
                                                bodem (in situ) niet mogelijk is;</cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> De relatie tussen archeologie en RO versterken
                                                zodat behoud, beheer en ontwikkeling van het
                                                bodemarchief onderdeel worden van het planologische
                                                besluitvormingsproces; </cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Bodemverstoorders betalen archeologisch
                                                onderzoek en mogelijke opgravingen; </cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Verbetering informatievoorziening over
                                                cultureel erfgoed om het draagvlak voor archeologie
                                                te vergroten.</cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.5 De archeologische beleidskaart</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In hoofdstuk 1 is al aangegeven dat het voor het opstellen van
                                    een gemeentelijk archeologiebeleid van groot belang is om vooraf
                                    inzicht te hebben in wat men aan bekende archeologische
                                    vindplaatsen heeft </al>
              <al>en wat men aan archeologische vindplaatsen kan verwachten. Deze
                                    informatie zal uiteindelijk moeten worden vertaald naar een goed
                                    onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid. De reeds bestaande
                                    archeologische vindplaatsen-en verwachtingenkaart van de
                                    gemeente Enkhuizen (zie deel II) is voor de toepassing op
                                    beleidsmatig, gemeentelijk niveau vertaald naar een beleidskaart
                                    (kaartbijlage 6). De bekende vindplaatsen en de verschillende
                                    verwachtingsgebieden hebben op deze kaart andere kleuren en zijn
                                    voorzien van aanduidingen/voorschriften. </al>
              <al/>
              <al>In figuur 1 is aangegeven hoe deze vertaling heeft
                                    plaatsgevonden. De bekende archeologische waarden zijn vertaald
                                    naar Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG’s) terwijl de
                                    archeologische verwachtingen </al>
              <al>zijn vertaald naar Archeologisch Waardevolle
                                    Verwachtingsgebieden (AWV’s). In de voorschriften wordt
                                    aangegeven welke beperkingen de AWG’s en AWV’s bieden. Hier
                                    wordt dus bijvoorbeeld aangegeven welke ondergrens voor
                                    onderzoek geldt (zie paragraaf 3.6). In figuur 2 is de noodzaak
                                    tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek in de vorm
                                    van een beslisboom weergegeven. </al>
              <al/>
              <al>Het op de bestemmingsplankaart plaatsen van bekende en onbekende
                                    archeologische waarden is een belangrijke stap om het belang van
                                    archeologie in de ruimtelijke ordening aan te geven. Het opnemen
                                    van de bekende vindplaatsen levert doorgaans geen problemen op.
                                    Van deze gebieden weet men immers (globaal) wat er aanwezig is
                                    en bovendien is er sprake van een duidelijke, vaak kadastrale,
                                    begrenzing. </al>
              <al>Het opnemen van de onbekende vindplaatsen, de archeologische
                                    verwachtingsgebieden, levert vaak meer problemen op. Ten eerste
                                    worden grote delen van de bestemmingsplankaart afgedekt door de
                                    archeologische verwachtingsgebieden. Ten tweede is van deze
                                    gebieden niet bekend of er ook daadwerkelijk archeologische
                                    resten aanwezig zijn. </al>
              <al/>
              <al>Nu men de ligging van de bekende en onbekende archeologische
                                    waarden in beeld heeft, kan men hiervan gebruik maken om heel
                                    gericht ingrepen te plannen. Indien een gemeente op zoek is naar
                                    een gebied voor de ontwikkeling van een nieuwbouwwijk, de aanleg
                                    van een weg of water-berging kan men op basis van de
                                    vindplaatsen-en verwachtingenkaart gebieden selecteren waar de
                                    kans op het aantreffen van archeologische resten het kleinst is.
                                    Hoewel bij deze procedures archeologie maar een onderdeel
                                    uitmaakt van het hele planproces biedt het al wel in een vroeg
                                    stadium inzicht in waar vanuit archeologisch oogpunt geen of
                                    weinig complicaties zijn te verwachten. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.6 Vrijstellingen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Een veel gehoorde vraag is: Moet nu altijd en overal
                                    archeologisch onderzoek worden uitgevoerd? Het antwoord is
                                    simpel: Nee, niet altijd en overal is archeologisch onderzoek
                                    noodzakelijk. Het doel van een archeologische beleidsnota en een
                                    goed onderbouwde beleidskaart, is nu juist om het nut en de
                                    noodzaak van archeologisch onderzoek te kunnen bepalen. Het
                                    vaststellen van het nut en de noodzaak van archeologisch
                                    onderzoek is gebaseerd op een aantal factoren: </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>de diepte van de ingreep;</al></li>
                <li nr="2."><al>de aard en omvang van de ingreep;</al></li>
                <li nr="3."><al>de status van bekende vindplaats;</al></li>
                <li nr="4."><al>de archeologische verwachting;</al></li>
                <li nr="5."><al>de archeologische kenmerken van een gebied.</al></li>
              </lijst>
              <tussenkop>
                         3.6.1 Diepte van de ingreep 
                     </tussenkop>
              <al>Alle bodemingrepen die niet dieper gaan dan 35 cm -Mv zijn
                                        vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De diepte van deze
                                        vrijstelling is gebaseerd op de gemiddelde diepte van een
                                        bouwvoor. Hoewel in de bouwvoor archeologische resten kunnen
                                        voorkomen bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijk
                                        context. De waarde van deze resten is hiermee relatief
                                        gering. Ingrepen dieper dan 35 cm -Mv hoeven niet in alle
                                        gevallen tot verstoring van archeologische waarden te
                                        leiden, bijvoorbeeld omdat deze archeologische waarden veel
                                        dieper liggen dan de geplande ingrepen. </al>
              <al>Dit dient echter wel door middel van een archeologisch
                                        (bureau)onderzoek zorgvuldig te worden onderzocht en
                                        onderbouwd. </al>
              <al>Men moet zich er overigens van bewust zijn dat een voor de
                                        archeologie verstorende bodemingreep niet altijd grondverzet
                                        met zich meebrengt. Het verlagen van het grondwaterpeil of
                                        het storten van grond zijn voorbeelden van ingrepen waarbij
                                        niet direct wordt gegraven maar die indirect zeer schadelijk
                                        kunnen zijn voor archeologische waarden namelijk
                                        respectievelijk verdroging en verdrukking van archeologische
                                        lagen. In § 4.7 wordt hier dieper op in gegaan. </al>
              <tussenkop>
                         3.6.2 Aard en omvang van de ingreep 
                     </tussenkop>
              <al>Bepalen welke ingrepen wel en welke ingrepen niet
                                        onderzoeksplichtig zijn is een belangrijk punt van discussie
                                        binnen de archeologische wereld. Uitgangspunt is dat alleen
                                        archeologisch onderzoek hoeft te worden uitgevoerd in de
                                        gebieden waar verstoring van mogelijke archeologische resten
                                        plaatsvindt. </al>
              <al>Voor het bepalen van de noodzaak tot archeologisch onderzoek
                                        geldt ook hier dat dit sterk wordt bepaald door bijvoorbeeld
                                        de aard, omvang en diepteligging van de vindplaatsen en de
                                        aard, omvang en diepte van de geplande bodemingrepen. Omdat
                                        dergelijke variabelen op voorhand vaak niet goed bekend zijn
                                        en sterk per gebied kunnen verschillen, blijft het lastig om
                                        hier algemene uitspraken over te doen. Op rijksniveau wordt
                                        gewerkt met een vrijstelling van onderzoek voor gebieden met
                                        een oppervlak </al>
              <al>kleiner dan 100 m². Deze oppervlakte is gehanteerd tijdens
                                        de totstandkoming van de herziening van de Monumentenwet en
                                        is niet nader onderbouwd. In bijlage 3 worden de
                                        vrijstellingen van de gemeente </al>
              <al>Enkhuizen behandeld. </al>
              <tussenkop>
                         3.6.3 Bekende vindplaatsen 
                     </tussenkop>
              <al>Bekende vindplaatsen die op de Archeologische
                                        Monumentenkaart van de gemeente Enkhuizen staan aangegeven,
                                        hebben een status. Het betreft terreinen van archeologische
                                        waarde, van hoge archeologische waarde en van zeer hoge
                                        archeologische waarde. De West-friese Omringdijk, een
                                        terrein van hoge archeologische waarde, is een provinciaal
                                        monument. Voor het kunnen uitvoeren van werkzaamheden op dit
                                        monument zal een vergunning bij de provincie moeten worden
                                        aangevraagd. Archeologische </al>
              <al>rijksmonumenten zijn niet aanwezig binnen de
                                        gemeentegrenzen. </al>
              <al/>
              <al>Omdat van de AMK-terreinen bekend is dat ze archeologische
                                        waarden bevatten, is het uitgangspunt dat op deze terreinen
                                        geen vrijstelling van onderzoek geldt voor ingrepen dieper
                                        dan de bouwvoor. </al>
              <al>Toch is het niet zo dat het AMK-terrein heilig is. Soms is
                                        de begrenzing van een AMK-terrein niet altijd goed
                                        onderbouwd en/of is niet meer precies duidelijk waarom een
                                        terrein als archeologisch waardevol is aangeduid. Aanvullend
                                        archeologisch onderzoek kan dan tot een beter inzicht in de
                                        begrenzing en waarde van het terrein leiden. Dit kan
                                        betekenen dat het terrein minder waardevol is of dat het
                                        veel kleiner is dan gedacht. Het omgekeerde is uiteraard ook
                                        mogelijk. </al>
              <al/>
              <al>In de gemeente Enkhuizen zijn drie terreinen aanwezig van
                                        zeer hoge archeologische waarde. Twee terreinen bevatten
                                        belangwekkende archeologische resten uit de Bronstijd
                                        terwijl het derde terrein sporen </al>
              <al>van een pottenbakkerij uit de Nieuwe tijd herbergt (zie deel
                                        II). Voor deze drie terreinen geldt dat het gaat om
                                        behoudenswaardige archeologische vindplaatsen. Behoud van
                                        deze terreinen en bescherming van de aanwezige resten is van
                                        groot belang. Ingrepen op deze terreinen zijn zeer
                                        schadelijk voor de archeologische resten en moeten dus ten
                                        alle tijden worden voorkomen. </al>
              <al/>
              <al>Een uitzondering vormen de historische kernen. Hoewel deze
                                        gebieden een hoge archeologische waarde hebben, vinden in
                                        deze gebieden zeer veel grondingrepen plaats. Alle
                                        grondingrepen verbieden of een onderzoeksverplichting
                                        opleggen is ondoenlijk. Voor deze gebieden geldt dan ook een
                                        bepaalde vrijstelling van onderzoek (zie bijlage 3). </al>
              <tussenkop>
                         3.6.4 Archeologische verwachting 
                     </tussenkop>
              <al>De archeologische verwachting wordt gedefinieerd als de te
                                        verwachten dichtheid aan archeologische waarden (zie deel
                                        II). In gebieden met een hoge archeologische verwachting
                                        bevinden zich naar verwachting meer vindplaatsen dan in
                                        gebieden met een middelhoge en een lage archeologische
                                        verwachting. De kans op het aantreffen van archeologische
                                        waarden is dan ook het grootst in gebieden met een hoge
                                        archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook
                                        dat ook bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen kunnen
                                        worden verstoord. Of vindplaatsen ook daadwerkelijk worden
                                        aangetroffen en verstoord, wordt sterk bepaald door
                                        bijvoorbeeld de aard, omvang en diepteligging van de
                                        vindplaatsen en de aard, omvang en diepte van de geplande
                                        bodemingrepen. </al>
              <al/>
              <al>Voor gebieden met een hoge en middelhoge archeologische
                                        verwachting wordt in feite altijd onderzoek verplicht
                                        gesteld. Voor gebieden met een lage archeologische
                                        verwachting wordt vaak beperkt archeologisch onderzoek
                                        verplicht gesteld. Hoewel in deze gebieden wel
                                        archeologische resten aanwezig kunnen zijn, zal de kans op
                                        het aantreffen en verstoren van deze resten dermate laag
                                        zijn dat de schade aan de archeologie beperkt blijft. </al>
              <al/>
              <al>In gebieden met een onbekende archeologische verwachting
                                        geldt dat niet duidelijk is of en waar archeologische resten
                                        aanwezig zijn. In het geval van Enkhuizen geldt dit voor de
                                        gebieden ten oosten en ten zuiden van de West-friese
                                        Omringdijk en direct ten noorden van de historische kern.
                                        Voor deze </al>
              <al>gebieden wordt dus wel een archeologisch onderzoek verplicht
                                        gesteld. Het doel van archeologisch onderzoek is dan in
                                        eerste instantie het bepalen van de bodemopbouw en daarmee
                                        het verkrijgen van een meer gespecificeerde archeologische
                                        verwachting. Op basis van deze verwachting kan worden </al>
              <al>besloten of vervolgonderzoek noodzakelijk is. </al>
              <tussenkop>
                         3.6.5 De archeologische kenmerken van een gebied 
                     </tussenkop>
              <al>De keuze om ergens archeologisch onderzoek te laten
                                        uitvoeren wordt soms ook bepaald door wat men aan
                                        archeologie binnen een gebied heeft. Wanneer men
                                        bijvoorbeeld de archeologische kenmerken van de gemeente
                                        Enkhuizen bekijkt valt op dat de meeste vindplaatsen dateren
                                        uit de Bronstijd, de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd.
                                        Het zijn deze fasen in de geschiedenis die de meeste of
                                        grootste sporen hebben achtergelaten en men zou dan ook
                                        kunnen stellen dat deze perioden typisch zijn voor </al>
              <al>de gemeente Enkhuizen. Voor het opstellen van een
                                        archeologisch beleid kan men dan ook uitgaan van deze
                                        perioden. </al>
              <al/>
              <al>Een andere optie is echter dat men niet kijkt naar de
                                        perioden waar men al veel informatie over heeft maar juist
                                        naar de perioden waarover men nog vrijwel niks weet. Voor de
                                        gemeente Enkhuizen zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat
                                        men binnen het archeologiebeleid speciale aandacht vraagt
                                        voor de bewoning uit het Laat-Neolithicum en/of de Vroege
                                        Middeleeuwen. Deze perioden zijn niet of nauwelijks goed
                                        onderzocht maar zouden een belangrijke bijdrage kunnen
                                        leveren aan het invullen van de witte </al>
              <al>vlekken in de bewoningsgeschiedenis van de gemeente
                                        Enkhuizen. Men zou er in dit geval dus voor kunnen kiezen om
                                        in plaats van weer de zoveelste Bronstijd vindplaats te
                                        (laten) onderzoeken het geld te reserveren voor onderzoeken
                                        naar het Laat-Neolithicum en/of de Vroege Middeleeuwen en of
                                        onderzoek naar deze perioden te stimuleren. </al>
              <al/>
              <al>Een derde mogelijkheid is om te streven naar behoud van een
                                        representatief deel van de geschiedenis van de gemeente
                                        Enkhuizen. Belangrijke perioden krijgen verhoudingsgewijs
                                        veel aandacht maar ook aan de minder bekende of belangrijke
                                        perioden moet serieus aandacht worden besteed. </al>
              <al/>
              <al>Hoewel een gemeente een grote vrijheid heeft in het kiezen
                                        voor specifieke perioden als onderdeel van het archeologisch
                                        beleid is het in veel gevallen zeer lastig om de keuzes goed
                                        te onderbouwen. Men moet immers een goed beeld hebben van
                                        wat men aan archeologische vindplaatsen heeft en wat men aan
                                        archeologische vindplaatsen kan verwachten. Hoewel een
                                        vindplaatsen-en verwachtingenkaart hierbij een belangrijk
                                        hulpmiddel is, is het archeologisch kennisniveau op basis
                                        van de bekende vindplaatsen vaak nog zeer gering. Opgegraven
                                        vindplaatsen zijn soms nauwelijks goed uitgewerkt of
                                        gepubliceerd en synthetiserende overzichtswerken ontbreken
                                        vaak. Een keuze maken voor een of meer perioden als
                                        speerpunten van het gemeentelijk archeologiebeleid kan dus
                                        feitelijk alleen geschieden als men over een goed onderbouwd
                                        overzicht van de archeologie binnen de gemeente beschikt. </al>
              <al/>
              <al>De keuzes die een gemeente wil maken ten aanzien van
                                        specifieke perioden kunnen worden vormgegeven en onderbouwd
                                        in een zogenaamde onderzoeksagenda. In deze onderzoeksagenda
                                        kan worden omschreven welke archeologische doelen de
                                        gemeente stelt en welk belang zij aan bepaalde perioden
                                        en/of gebieden hecht. In bijlage 4 wordt een opzet gegeven
                                        voor een onderzoeksagenda voor de gemeente Enkhuizen. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Voorstel met betrekking tot vrijstellingen: Zie
                                            bijlage 3. </cursief>
              </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Voorstel: Het (laten) opstellen van een
                                            gemeentelijk onderzoeksagenda om duidelijk aan te geven
                                            wat de doelstellingen zijn van het archeologisch beleid
                                            (zie bijlage 4).</cursief>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.7 Zijn alle bodemingrepen schadelijk?</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Welke ingrepen zijn nu schadelijk voor de archeologie en welke
                                    niet? In principe vormen alle ingrepen dieper dan de bouwvoor in
                                    theorie een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische
                                    vindplaatsen. </al>
              <al>De meest voor de hand liggende ingrepen zijn dan
                                    afgraven/saneringen, aanleggen drainage en diepploegen. Met name
                                    graafwerkzaamheden ten behoeve van natuurontwikkeling en/of
                                    waterberging kunnen vanwege het omvangrijke karakter vaak zeer
                                    verstorend zijn voor archeologische vindplaatsen. </al>
              <al>Ook wellicht minder voor de hand liggende ingrepen kunnen
                                    bedreigend zijn voor de archeologie. Zo kunnen het inslaan van
                                    heipalen, het aanbrengen van een ophogingpakket en het verlagen
                                    en het verhogen van de grondwaterstand in theorie tot verstoring
                                    of vernietiging van archeologische vindplaatsen leiden. Het
                                    inslaan van één heipaal heeft in principe maar een relatief
                                    klein verstorend effect maar bij een hoge dichtheid aan heipalen
                                    kan een vindplaats volledig worden verstoord. Door het
                                    aanbrengen van een ophogingspakket kan als gevolg van zetting in
                                    de ondergrond, verdrukking van archeologische lagen
                                    plaatsvinden. Met name bij ‘zachte’ gronden zoals veengronden is
                                    dit een reële bedreiging. Het verlagen van de grondwater-stand
                                    kan ertoe leiden dat archeologische lagen boven de
                                    grondwaterspiegel </al>
              <al>komen te liggen. Hierdoor kunnen gravende dieren zoals mollen en
                                    wormen dieper in de ondergrond doordringen waardoor
                                    archeologische lagen worden aangetast. Ook kunnen door de
                                    toevoer van zuurstof in de ondergrond archeologische resten
                                    zoals hout en botmateriaal sneller worden aangetast </al>
              <al>(o.a. verdrogen) waardoor waardevolle archeologische informatie
                                    verloren gaat. Hoewel het verhogen van de grondwaterstand in
                                    principe gunstig is voor de archeologie, de resten worden immers
                                    luchtdicht afgesloten, kan het in bepaalde gevallen ook tot
                                    verstoring leiden. Zo kunnen terpjes of grafheuvels die boven
                                    het maaiveld uitsteken bij verhoging van het grondwater een
                                    aantrekkelijke ‘vluchtplek’ worden voor bodemdieren. Hierdoor
                                    kunnen de stratigrafie en inhoud van deze archeologische
                                    vindplaatsen sterk worden aangetast. Ook de (wortel)groei van
                                    riet kan bij het verhogen van het grondwater tot verstoring van
                                    archeologische vindplaatsen leiden. Kortom, het scala aan
                                    ingrepen dat een bedreiging </al>
              <al>vormt voor de archeologie is groter dan men denkt. </al>
              <al/>
              <al>Om te bepalen of een ingreep nu ook daadwerkelijk een bedreiging
                                    vormt is het echter van belang dat men (bij voorkeur zo
                                    nauwkeurig mogelijk) weet wat de diepteligging is van
                                    archeologische vondstlagen. </al>
              <al>Wanneer een archeologische vondstlaag op 3 m onder maaiveld
                                    verwacht wordt dan zullen ingrepen tot 2 m -Mv in veel gevallen
                                    niet direct een bedreiging vormen. Ook inzicht in de intactheid
                                    van het bodemprofiel is van belang om de bedreiging van een
                                    geplande ingreep te kunnen inschatten. Archeologische waarden
                                    die aan of dicht onder het maaiveld verwacht worden vormen
                                    weliswaar een zeer groot struikelblok voor geplande ingrepen
                                    maar door hun ondiepe ligging zijn deze waarden ook zeer </al>
              <al>kwetsbaar voor natuurlijke en antropogene verstoringsprocessen
                                    zoals verspoeling, ploegen etc. </al>
              <al/>
              <al>Er is dus een kans dat archeologische waarden al sterk zijn
                                    aangetast door verstoringen uit het verleden waardoor ze niet
                                    langer behoudenswaardig zijn. Om te kunnen bepalen of een
                                    bodemingreep schadelijk is, dient men dus altijd informatie te
                                    hebben over de aard en diepte van de ingreep en de </al>
              <al>aard en diepte van de archeologische lagen/vindplaatsen en de
                                    mate van verstoring van de bodem. Op basis van deze informatie
                                    kan in sommige gevallen soms worden volstaan met een
                                    bureauonderzoek. In andere gevallen heeft men meer gegevens
                                    nodig zodat een veldonderzoek dient te worden uitgevoerd. In
                                    onderstaande paragraaf wordt hier iets dieper op ingegaan. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.8 Aard van het archeologisch onderzoek</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Welk soort archeologisch onderzoek moet nu wanneer worden
                                    ingezet en wanneer is er voldoende onderzoek uitgevoerd? Het
                                    proces van archeologisch onderzoek is opgebouwd uit
                                    verschillende stappen en wordt over het algemeen aangeduid als
                                    de AMZ-cyclus. Zowel voor archeologie ‘op het land’ als van de
                                    ‘waterbodems’ bestaat een Kwaliteitsnorm. In bijlage 5a wordt
                                    uitvoerig ingegaan op de verschillende stappen van de AMZ-cyclus
                                    op land, zodat hier kan worden volstaan met een korte
                                    toelichting. De AMZ-cyclus onder water wordt beschreven in
                                    bijlage 5b. </al>
              <al/>
              <al>De AMZ-cyclus is opgebouwd uit verschillende onderzoeksmodules
                                    die qua zwaarte van onderzoek van licht naar zwaar verloopt.
                                    Deze opzet is gekozen om na het uitvoeren van elke
                                    onderzoeksmodule te kunnen beslissen of aanvullend (zwaarder)
                                    onderzoek noodzakelijk is of dat er genoeg gegevens zijn
                                    verzameld om tot een goed onderbouwde beslissing te komen.
                                    Vaststellen wanneer er voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden
                                    is in feite sterk afhankelijk van de aard en omvang van de
                                    geplande ingrepen. Soms kan een globale indruk van de aan-of
                                    afwezigheid van archeologische waarden door het uitvoeren van
                                    een bureauonderzoek al voldoende zijn voor het in-of aanpassen
                                    van de geplande ingrepen. </al>
              <al/>
              <al>Archeologisch onderzoek is er dus niet in alle gevallen op
                                    gericht om het naadje van de kous te weten. </al>
              <al>In andere gevallen echter zal wel heel nauwkeurig de aard,
                                    omvang, datering en diepteligging van archeologische waarden
                                    moeten worden vastgesteld alvorens men kan besluiten of
                                    aanpassing van de plannen haalbaar is of dat moet worden
                                    overgegaan tot een opgraving. Bij een keuze tussen deze twee
                                    uitersten spelen uiteraard ook tijd en geld een belangrijke rol.
                                    Het in een vroeg stadium al meewegen van archeologische belangen
                                    stelt een ontwikkelaar of gemeente in staat om in een vroege
                                    fase van planvorming archeologie in te passen of plannen aan te
                                    passen. Ook het meenemen van de kosten voor archeologisch
                                    onderzoek in de totale projectbegroting voorkomt dat men in de
                                    loop van het project voor onverwachte en niet begrote uitgaven
                                    komt te staan. Zeker bij grootschalig proefsleuvenonderzoek en
                                    opgravingen kunnen de kosten aanzienlijk zijn. </al>
              <al/>
              <al>Om al het toekomstig archeologisch onderzoek binnen de gemeente
                                    Enkhuizen te stroomlijnen, zou men kunnen overgaan tot het
                                    opstellen van een gemeentelijk Plan van Aanpak (PvA). In dit PvA
                                    kan de gemeente aangeven aan welke eisen het archeologisch
                                    onderzoek moet voldoen. Men kan bijvoorbeeld aangeven welke
                                    bronnen zeker moeten worden geraadpleegd, welke onderzoeksvragen
                                    moeten worden beantwoord en/of welke onderzoeksmethoden moeten
                                    worden gehanteerd. Voordelen van het gemeentelijk PvA zijn: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al> Opnemen van specifieke onderzoeksvragen voor de
                                            archeologische situatie binnen de gemeente; </al></li>
                <li nr="-"><al> Duidelijkheid naar burgers die archeologisch onderzoek
                                            moeten laten uitvoeren; </al></li>
                <li nr="-"><al> Eenvoudiger vergelijken van aanbiedingen van
                                            verschillende partijen (geldt met name ook voor burgers
                                            die onderzoeken moeten laten uitvoeren); </al></li>
                <li nr="-"><al> Eenvoudiger toetsen van archeologische rapporten omdat
                                            het PvA kan fungeren als controle (checklist); </al></li>
                <li nr="-"><al> Archeologische onderzoeken worden uniformer uitgevoerd
                                            en de uitkomsten zijn dus makkelijker onderling
                                            vergelijkbaar. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>Uiteraard moeten de eisen in het gemeentelijk PvA niet in strijd
                                    zijn met de richtlijnen zoals die in de vigerende versie van de
                                    KNA staat genoteerd. Ook moet het PvA geen onnodige of
                                    onevenredig hoge eisen stellen aan de uitvoering van de
                                    onderzoeken. Het is daarom wellicht wenselijk om bijvoorbeeld
                                    een onderscheid te maken in een PvA voor onderzoeken in het
                                    buitengebied en één voor bijvoorbeeld de historische kernen.
                                    Indien sprake is van heel specifieke projecten kan de gemeente
                                    ook overwegen om hiervoor een specifiek PvA te laten opstellen.
                                    Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan onderzoeken op
                                    AMK-terreinen (anders dan de historische kernen) of in gebieden
                                    met een onbekende archeologische verwachting. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Voorstel: Opstellen van een (of meer) gemeentelijk
                                        PvA(‘s) waarmee toekomstige archeologische onderzoeken
                                        gerichter en uniformer kunnen worden uitgevoerd.
                                    </cursief>
              </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4 Instrumenten tot behoud van het archeologisch erfgoed </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In hoofdstuk 3 is aangegeven wat de doelstelling en de
                                    uitgangspunten van het gemeentelijk archeologisch beleid zijn.
                                    Door middel van de archeologische beleidskaart en de
                                    randvoorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek
                                    is een specifieke invulling aan het uitgangspunt van ‘behoud in
                                    situ’ gegeven. De gemeente heeft daarmee een archeologische
                                    stappenplan verkregen om zorgvuldig en verantwoord met haar
                                    archeologisch erfgoed om te gaan. Dit stappenplan dient echter
                                    wel geïncorporeerd te worden in bestuursmiddelen om
                                    geëffectueerd te kunnen worden. Het dient met name ook verwerkt
                                    te worden in het planologische besluitvormingsproces. Dat is
                                    immers het tweede uitgangspunt van het archeologiebeleid: de
                                    relatie tussen archeologie en RO versterken. De wetgever heeft
                                    in de Wamz zelfs bepaald dat de gemeenteraad bij de vaststelling
                                    van een bestemmingsplan rekening moet houden met de in de grond
                                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. </al>
              <al/>
              <al>In de Wamz is ook bepaald dat gemeenten een erfverordening
                                    kunnen opstellen. Een dergelijke verordening heeft de gemeente
                                    in 2010 vastgesteld: Erfgoedverordening 2010 gemeente Enkhuizen.
                                    Daarbij </al>
              <al>is de Verordening Monumentenverordening Enkhuizen 2001
                                    ingetrokken. Verder staat de gemeente vrij om beleidsdocumenten
                                    als beeld-kwaliteitsplannen te ontwikkelen die weer voorwaarden
                                    kunnen scheppen </al>
              <al>om de cultuurhistorische identiteit sterker richtinggevend te
                                    laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.2 Het bestemmingsplan</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bestemmingsplannen zijn in de Monumentenwet 1988 aangewezen als
                                    instrument om de bescherming van archeologische waarden te
                                    waarborgen op gemeentelijk niveau. Gemeenten geven hier
                                    invulling aan door bij het vaststellen van bestemmingsplannen en
                                    beheersverordeningen rekening te houden met (eventuele)
                                    archeologische waarden. Onder deze waarden vallen archeologisch
                                    waardevolle gebieden en gebieden met een verhoogde
                                    archeologische verwachting. Deze waarden krijgen een
                                    archeologische </al>
              <al>(mede)bestemming, die wordt vermeldt in de toelichting van een
                                    bestemmingsplan, begrensd in de verbeelding (plankaart) en
                                    voorzien van regels gekoppeld aan een vergunningenstelsel. Met
                                    het facet-bestemmingsplan wordt ook invulling gegeven aan de
                                    mogelijke eis van provincies om bestemmingsplannen in
                                    archeologische attentiegebieden vervroegd te herzien. </al>
              <al>De voorwaarden ten aanzien van archeologische waarden moeten
                                    gebaseerd zijn op kennis over verwachte en bekende
                                    archeologische waarden zoals deze zijn weergegeven op de
                                    archeologische beleidskaart </al>
              <al>van de gemeente. </al>
              <al>Op de archeologische beleidskaart staan de bekende en onbekende
                                    archeologische waarden binnen de gemeente aangegeven. Tevens
                                    zijn op de kaart de gebieden aangegeven waar reeds onderzoeken
                                    hebben plaatsgevonden. Samenvattend is met deze kaart een goed
                                    inzicht verkregen in het archeologisch potentieel van de
                                    gemeente Enkhuizen en het is duidelijk wat er moet gebeuren
                                    wanneer de archeologie niet behouden kan blijven. Het is nu
                                    belangrijk dat de gemeente Enkhuizen in de RO(procedures) meer
                                    gestructureerd aandacht besteed aan de archeologie om deze kaart
                                    ten volle te kunnen benutten. </al>
              <al/>
              <al>Een aanvrager van een omgevingsvergunning in het kader van een
                                    bestemmingsplan of van een vrijstellingsbesluit van een
                                    bestemmingsplan kan verplicht gesteld worden -als dat voor een
                                    goede beoordeling van de aanvraag nodig is -een rapport te
                                    overleggen waarin de archeologische waarde van het te verstoren
                                    terrein voldoende is vastgesteld (artikel 40, 41; Wra artikel
                                    15, 17 of 19). Vervolgens kunnen aan de aanvrager aanvullende
                                    eisen ten aanzien van technische en bouwkundige maatregelen
                                    worden gesteld om de archeologie te behouden. De aanvrager kan
                                    verplicht worden tot het doen van opgravingen of kan verplicht
                                    worden de bodemverstorende activiteiten te laten plaatsvinden
                                    onder begeleiding van een archeoloog. </al>
              <al/>
              <al>In artikel 41a staat echter dat de artikelen 39 t/m 41 niet van
                                    toepassing zijn op objecten met een kleinere oppervlakte dan 100
                                    m2. Het is wel mogelijk dat de gemeenteraad hiervan afwijkende
                                    andere oppervlakten </al>
              <al>vaststelt (zie hoofdstuk 3 en bijlage 3). Als de schade die een
                                    aanvrager lijdt redelijkerwijs niet of niet geheel voor diens
                                    rekening behoort te komen, kennen B&amp;W hem op zijn verzoek
                                    een billijke schadevergoeding toe (artikel 42). In geval van
                                    excessieve kosten kunnen in tweede instantie de provincie </al>
              <al>en in derde instantie het Rijk (een deel van) de kosten voor hun
                                    rekening nemen. </al>
              <tussenkop>
                         4.2.1 Gebruik van de archeologische beleidskaart 
                     </tussenkop>
              <al>Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn de in
                                        deel II van dit rapport onderbouwde archeologische
                                        verwachtingen ‘vertaald’ naar Archeologisch Waardevolle
                                        Verwachtingsgebieden (AWV’s) die als zodanig in het
                                        bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De archeologische
                                        vindplaatsen hebben de term Archeologisch Waardevolle
                                        Gebieden (AWG’s). De legenda van de kaart geeft aan welke
                                        categorieën hierin onderscheiden worden. In de legenda staat
                                        bovendien globaal omschreven welke </al>
              <al>voorschriften in het bestemmingsplan van toepassing zijn.
                                        Figuur 2 geeft weer welke beslisboom hierbij door de
                                        gemeente gehanteerd kan worden. </al>
              <al/>
              <al>Deze beleidsadvieskaart vormt op zijn beurt de basis voor
                                        het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van
                                        omgevingsvergunningen in het kader van de Wabo. </al>
              <tussenkop>
                         4.2.2 Wettelijk beschermde monumenten in het bestemmingsplan 
                     </tussenkop>
              <al>Een gemeente kan zelf een vergunningenstelsel voor
                                        gemeentelijke monumenten in het leven roepen en terreinen
                                        als gemeentelijk monument aanwijzen. Deze terreinen genieten
                                        dan ook bescherming vanuit de monumentenwet. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Voorstel: De gemeente dient bij (op)nieuw vast te
                                            stellen bestemmingsplannen rekening te houden met de in
                                            de grond aanwezige en te verwachten archeologische
                                            waarden. Voor de gemeente Enkhuizen impliceert dit de
                                            opname van de op de gemeentelijke archeologische
                                            beleidskaart aangegeven Archeologisch Waardevolle
                                            (Verwachtings) Gebieden als medebestemming in
                                            bestemmingsplannen. </cursief>
              </al>
              <tussenkop>
                         4.2.3 Koppeling van het archeologisch en ambtelijk besluitvormingstraject 
                     </tussenkop>
              <al>De AMZ-cyclus (zie bijlage 5a) is gefaseerd opgezet. Iedere
                                        stap eindigt met de afweging of voldoende informatie is
                                        verzameld om een afgewogen beslissing omtrent eventuele
                                        vervolgacties te kunnen nemen. </al>
              <al>Het onderzoekstraject is dus tevens een ambtelijk
                                        besluitvormingstraject. Het is de taak van de gemeente om
                                        dit proces al in de planvormingfase op te starten, te
                                        bewaken en op consequente wijze in te passen binnen de
                                        fasering van grotere publieke en private
                                        ontwikkelingsprojecten. Het archeologisch onderzoekstraject
                                        moet volledig doorlopen zijn, voordat aanlegvergunningen of
                                        vrijstelling van een bouwverbod voor bepaalde
                                        bodemverstorende activiteiten kan worden verleend. </al>
              <al>Het besluitvormingstraject ten aanzien van archeologische
                                        waarden is in principe standaard en beschreven in het
                                        Handboek Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (kortweg
                                        Handboek KNA; Ministerie van OC&amp;W; www.sikb.nl). Dit
                                        Handboek KNA is onderdeel van het kwaliteitsstelsel dat in
                                        het kader van de implementatie van het Verdrag van Malta
                                        (1992) ontwikkeld is. Het Handboek KNA geldt als leidraad
                                        voor de uitvoering van archeologische werkzaamheden
                                        (vigerende versie 3.2). De kwaliteitseisen die aan het
                                        archeologisch onderzoek zijn verbonden, hebben betrekking op
                                        de vorm, inhoud, informatieplicht, verslaglegging en
                                        deskundigheid van de uitvoerders. </al>
              <al/>
              <al>Het besluitvormingstraject is dus gekoppeld aan een
                                        archeologisch onderzoekstraject. Voor elke stand van kennis
                                        (vindplaats met of zonder status, bepaalde archeologische
                                        verwachting) is aangegeven welke vorm van onderzoek vereist
                                        is bij een bodemingreep. Tevens is vastgelegd op welk moment
                                        in de besluitvorming dat onderzoek dient plaats te vinden.
                                        In principe kan de gemeente er aan de hand van het
                                        besluitvormingstraject voor zorgen dat noodzakelijk
                                        archeologisch (voor)onderzoek tijdig wordt </al>
              <al>uitgevoerd en dat de besluitvorming ook voor archeologie op
                                        gepaste wijze plaatsvindt. Terwijl de formele besluitname
                                        over archeologische waarden in handen is van het bevoegd
                                        gezag (gemeente, provincie of Rijk), moet worden benadrukt
                                        dat voor de inhoudelijke beoordeling van archeologisch
                                        onderzoek een senior-archeoloog noodzakelijk is (beoordeling
                                        PvE’s en rapportages). Op grond van diens adviezen kan de
                                        gemeente een gemotiveerde beslissing nemen. </al>
              <al/>
              <al>De volgende onderzoeks-en beslisstappen zijn te
                                        onderscheiden: </al>
              <al>Stap 1. Afweging archeologisch inventariserend onderzoek
                                        noodzakelijk of niet? </al>
              <al>Stap 2. Archeologisch onderzoek noodzakelijk: doorlopen van
                                        het inventariserend archeologisch onderzoekstraject (de
                                        AMZ-cyclus; bijlage 5a en 5b). </al>
              <al>Stap 3. De archeologische waardering en selectie. </al>
              <al>Stap 4. Het bestuurlijke selectiebesluit. </al>
              <al>Deze stappen worden hieronder toegelicht. Ten behoeve van
                                        inzicht in de koppeling van de archeologiebestemmingen op de
                                        archeologische beleidskaart aan de in stap 1 beschreven
                                        vraag (‘wel of geen </al>
              <al>archeologisch onderzoek noodzakelijk?’) is figuur 2
                                        bijgevoegd. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Ad stap 1. Afweging archeologisch inventariserend
                                            onderzoek noodzakelijk of niet? </vet>
              </al>
              <al>Een belangrijke eerste onderdeel in de planvormingfase
                                        (ontwikkelingsvisie, startnotities van bestemmingsplannen,
                                        bouwplannen, herinrichtingsplannen en andere plannen voor
                                        bodemingrepen) vormt het raadplegen van de archeologische
                                        beleidskaart van de gemeente Enkhuizen en de toetsing van de
                                        plannen aan de selectiecriteria voor vrijstelling
                                        (oppervlakte en diepte van de geplande ingrepen; zie in dit
                                        licht ook de bijlage 3 over ‘vrijstelling’). Dit kan worden
                                        uitgevoerd door de met archeologie belaste </al>
              <al>gemeentemedewerker (beleidsmedewerker archeologie). </al>
              <al/>
              <al>Aangezien aan de archeologische verwachtingskaart
                                        richtlijnen zijn gekoppeld ten aanzien van de omgang met
                                        (verwachte) archeologische waarden, resulteert deze controle
                                        in een uitspraak over het al dan niet opstarten van een
                                        archeologisch onderzoekstraject. Hierbij kunnen bijvoorbeeld
                                        de gemeentelijke Plannen van Aanpak (zie hoofdstuk 3) worden
                                        gehanteerd. </al>
              <al/>
              <al>Men dient zich ervan bewust te zijn dat, bij voorkeur al
                                        tijdens het opstellen van bijvoorbeeld ontwikkelingsvisies
                                        en in een vroege fase van planvorming, bekende
                                        archeologische vindplaatsen opgenomen moeten worden in de
                                        planontwikkeling als te beschermen terreinen. Dit geldt met
                                        name voor de archeologische monumenten waarvan de aard en
                                        omvang in veel gevallen goed bekend is. Ook oude woongronden
                                        en historische dorpskernen kunnen als zodanig op de
                                        ontwerpkaarten worden geplaatst. Inpassing in latere fasen
                                        van planvorming is veelal niet meer mogelijk, hetgeen
                                        betekent dat ze door middel van een (duur) volwaardig
                                        inventariserend archeologisch onderzoek meegenomen moeten
                                        worden </al>
              <al>in de planvorming. Dit kan dan via een selectieafweging
                                        alsnog leiden tot bescherming van terreinen. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Ad stap 2. Archeologisch onderzoek noodzakelijk:
                                            doorlopen van het inventariserend archeologisch
                                            onderzoekstraject </vet>
              </al>
              <al>Indien op grond van stap 1 archeologisch onderzoek
                                        noodzakelijk wordt geacht, wordt een aanvang gemaakt met het
                                        archeologisch onderzoeks-traject: de AMZ-cyclus. Dit behelst
                                        een bureauonderzoek, in de meeste gevallen gecombineerd met
                                        een inventariserend veldonderzoek (voor een gedetailleerde
                                        uitleg over de verschillende onderzoeksstappen wordt
                                        verwezen naar bijlage 5a). Het inventariserend onderzoek
                                        dient in een zo vroeg mogelijke fase van planvorming te
                                        worden opgestart in verband met de mogelijkheid tot
                                        aanpassingen van het ontwerpplan als gevolg van (eventueel)
                                        aanwezige archeologische waarden. Ook indien behoud in situ
                                        niet mogelijk is door planaanpassing, is een vroege opstart
                                        wenselijk in verband met de vaak lange duur van het
                                        archeologisch onderzoekstraject en specifiek van mogelijk
                                        noodzakelijke opgravingen, hetgeen de planning van de
                                        bouwwerkzaamheden kan belemmeren. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Ad stap 3. De archeologische waardering en
                                            selectie</vet>
              </al>
              <al>Op basis van de resultaten van het inventariserend bureau-en
                                        veldonderzoek dienen keuzes gemaakt te kunnen worden over de
                                        uiteindelijke bestemming van (een) aangetroffen
                                        vindplaats(en). De vindplaats dient daartoe door de
                                        deskundigen (de onderzoekers en eventueel externe expertise)
                                        te worden gewaardeerd. Het vaststellen van de waarde wordt
                                        uitgevoerd volgens het referentiedocument ‘Waarderen’ </al>
              <al>van de KNA. Deze waardering vindt plaats op basis van een
                                        uitspraak (‘score’) over de fysieke kwaliteit, de
                                        wetenschappelijke waarde en de belevingswaarde van de
                                        vindplaats. De belevingswaarde is alleen van belang voor
                                        (letterlijk) zichtbare archeologische monumenten. </al>
              <al/>
              <al>De waardering leidt tot een advies ten aanzien van de
                                        bestemming van de vindplaats. In principe zijn er hierbij 3
                                        opties: beschermen door aanpassen van de bouwplannen,
                                        opgraven of vrijgeven. Een eventuele vierde optie is dat de
                                        noodzakelijke graafwerkzaamheden onder archeologische
                                        begeleiding worden uitgevoerd. In de adviseringsfase dient
                                        zoveel mogelijk gestreefd te worden naar behoud van
                                        archeologische waarden in situ. Belangrijk is dan ook dat,
                                        in overleg met de ontwikkelaar en met de resultaten van het
                                        veldonderzoek als uitgangspunt, wordt gekeken naar het
                                        minimaliseren van de bodemverstoringen door planaanpassing.
                                        Planaanpassing kan, in verband met de hoge kosten van een
                                        waarderend </al>
              <al>proefsleuvenonderzoek, al in een vroegere fase van het
                                        onderzoekstraject worden overwogen. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Ad stap 4. Het bestuurlijke selectiebesluit</vet>
              </al>
              <al>De senior-archeoloog adviseert de gemeente over de
                                        toekomstige bestemming van een vindplaats op basis van
                                        waardering en selectie (de RCE adviseert voor archeologische
                                        monumenten). Een uiteindelijke </al>
              <al>beslissing hierover is een formeel bestuurlijk en
                                        gemotiveerd besluit van het bevoegd gezag in het kader van
                                        ruimtelijke ontwikkeling. Het archeologisch
                                        onderzoekstraject moet volledig doorlopen zijn, voordat
                                        omgevings-vergunningen of vrijstelling van een bouwverbod
                                        voor bepaalde bodemverstorende activiteiten kunnen worden
                                        verleend. Aan het besluit kunnen voorwaarden worden
                                        gekoppeld in termen van bijvoorbeeld inrichting en/of
                                        archeologisch vervolgonderzoek (opgraving of archeologische
                                        begeleiding). </al>
              <al/>
              <al>Na het doorlopen van bovenbeschreven proces zijn er in
                                        principe 4 opties: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>De vergunning wordt verleend zonder
                                                voorwaarden;</al></li>
                <li nr="-"><al>De vergunning wordt verleend met voorwaarden voor
                                                mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld aanpassingvan
                                                de plannen); </al></li>
                <li nr="-"><al>De vergunning wordt verleend met voorwaarden voor
                                                archeologisch onderzoek door middel van
                                                archeologischeopgraving voorafgaand aan de
                                                bodemverstoring of een archeologische begeleiding
                                                tijdens de bodemverstoring; </al></li>
                <li nr="-"><al>De vergunning wordt niet verleend, hetgeen meestal
                                                tot bescherming leidt.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt het volgende
                                            voorgesteld: </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> In de toelichting van het bestemmingsplan
                                                  onderbouwen op welke wijze rekening is gehouden
                                                  met archeologie. Aangegeven dient te worden waarom
                                                  de op de plankaart als “Archeologisch Waardevol
                                                  (Verwachtings) Gebied (categorie X)” aangewezen
                                                  gronden vanuit archeologisch oogpunt bescherming
                                                  verdienen en waarom een daarmee samenhangende
                                                  beperking van de rechten van gebruikers en
                                                  eigenaren in dat gebied is
                                                  gerechtvaardigd;</cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Op de plankaarten aanduiden, met behulp
                                                  van een renvooi, welke gronden als “Archeologisch
                                                  Waardevol (Verwachtings) Gebied (categorie X)”
                                                  worden gezien.; </cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> In de archeologische voorschriften, welke
                                                  gelden ten aanzien van de afgifte van
                                                  omgevingsvergunningen, aangeven welke maatregelen
                                                  dienen te worden genomen ten aanzien van de
                                                  gronden aangeduid als “Archeologisch Waardevol
                                                  (Verwachtings) Gebied (categorie
                                                X)”.</cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Rekening houden met archeologie in
                                                  bestaande bestemmingsplannen door gebruik te maken
                                                  van een facetbestemmingsplan waarin het aspect van
                                                  de bescherming van archeologische waarden voor het
                                                  gehele grondgebied is geregeld. </cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.3 Erfgoedverordening</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de gemeente Enkhuizen was tot het vaststellen van de
                                    Erfgoedverordening de Monumentenverordening Enkhuizen 2001 van
                                    kracht. Thans is de Erfgoedverordening 2010 van toepassing. De
                                    nieuwe beleidsnota dient opgenomen te worden in deze
                                    verordening. Hierin kan ook onder meer worden geregeld: </al>
              <lijst>
                <li nr="A."><al>regels vaststellen met betrekking tot de eisen die
                                            burgemeester en wethouders kunnen stellen aanonderzoek
                                            in het kader van het doen van opgravingen; of </al></li>
                <li nr="B."><al>gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders
                                            kunnen afzien van nader archeologischonderzoek of het
                                            opleggen van daartoe strekkende verplichtingen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>Onderdeel a beoogt gemeenten een instrument te geven regie te
                                    blijven voeren over archeologisch onderzoek dat in opdracht van
                                    de bodemverstoorder wordt uitgevoerd. </al>
              <al>Dit is onder van groot belang voor de effectuering van de
                                    gemeentelijke PvA’s. Het bestemmingsplan leent zich daar
                                    namelijk niet goed voor. Het is dan ook nodig, voor de
                                    verwezenlijking van het beleid, dat de gemeentelijke PvA’s in
                                    een ander instrument worden geformaliseerd. De
                                    erfgoed-verordening is daar het meest geschikte instrument voor.
                                    In samenhang met de vindplaatsen-en verwachtingskaart, die
                                    middels de verordening een officiële status kan verkrijgen,
                                    wordt zo bereikt dat een efficiënt en </al>
              <al>zorgvuldig afgewogen archeologisch onderzoeksmethodiek, welke
                                    bovendien kenbaar is, in de gemeente gestalte krijgt. </al>
              <al/>
              <al>Onderdeel b stelt de gemeenteraad in de gelegenheid bijvoorbeeld
                                    een archeologisch vrijstellingsbeleid in aanvulling op het
                                    bestemmingsplan te formuleren. Afhankelijk van de omvang of de
                                    diepte van een </al>
              <al>bodemverstorende ingreep, kan worden bepaald dat archeologisch
                                    onderzoek achterwege kan blijven, waardoor de zogenoemde
                                    kruimelgevallen niet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel
                                    vallen. Overigens mag de verordening niet in strijd zijn met
                                    bestemmingsplan. </al>
              <al/>
              <al>Er kunnen nog meer zaken bij verordening geregeld worden. Van
                                    groot belang daarin is ook de nadere uitwerking van
                                    nadeelcompensatie. De gemeente kan in een verordening aangeven
                                    tot welke hoogte men bereid is de kosten van archeologisch
                                    onderzoek, welke voor rekening komen van de verstoorder, te
                                    compenseren. Dit biedt duidelijkheid voor zowel de gemeente zelf
                                    als de verstoorder. </al>
              <al/>
              <al>In de verordening kunnen voorts ook de volgende zaken worden
                                    vastgelegd: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>het ‘veroorzaker betaalt principe’;</al></li>
                <li nr="-"><al>onderzoeksagenda;</al></li>
                <li nr="-"><al>subsidiering archeologisch onderzoek.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt het volgende
                                        voorgesteld: </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Het gemeentelijk archeologiebeleid formeel
                                                vastleggen in de Erfgoed-verordening 2010 middels
                                                een wijziging hiervan.</cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>In deel II van deze nota is al aangegeven dat de gemeente
                                    Enkhuizen een aantal archeologisch terreinen van zeer hoge
                                    archeologische waarde heeft. Voorgesteld is nader onderzoek te
                                    verrichten naar de monument-waardigheid van deze terreinen. Bij
                                    voldoende gebleken monument-waardigheid kan overwogen worden
                                    deze een bescherming te bieden in het kader van de
                                    Erfgoedverordening. Daarbij speelt het advies van de
                                    monumentenplannencommissie een grote rol. De procedure tot
                                    aanwijzing van een archeologisch terrein als beschermd
                                    gemeentelijk monument is namelijk hetzelfde als die bij een
                                    gebouw. Het college kan pas, al dan niet op verzoek van een
                                    belanghebbende. tot aanwijzing van een archeologisch terrein als
                                    beschermd gemeentelijk monument overgaan nadat het advies van de
                                    monumentenplannen-commissie is ingewonnen. In de praktijk
                                    betekent dit dat bij een positief advies van deze commissie tot
                                    aanwijzing wordt overgegaan. Van belang is wel dat vooraf
                                    overleg plaatsvindt met de belanghebbende(n). </al>
              <al/>
              <al>In de monumentenplannencommissie is momenteel niet de vereiste
                                    deskundigheid aanwezig voor advisering over het archeologisch
                                    erfgoed. Mocht een verzoek tot aanwijzing van een archeologisch
                                    terrein tot gemeentelijk monument worden ingediend, of mocht het
                                    college hieruit eigener beweging toe overgegaan, dan dient die
                                    deskundigheid wel aanwezig te zijn als de commissie een advies
                                    moet samenstellen. </al>
              <al>Deze kennis kan op ad hoc basis worden ingehuurd. </al>
              <al/>
              <al>Opgemerkt wordt nog dat niet voorgesteld wordt de definitieve
                                    bescherming van archeologische waardevolle terreinen te regelen
                                    in een archeologie-verordening. Enerzijds heeft dat als reden
                                    dat niet verwacht wordt dat op korte termijn een VNG-model voor
                                    een dergelijke verordening is te verwachten en de huidige
                                    Monumentenverordening die mogelijkheid al biedt. Anderzijds
                                    heeft dat te maken dat ook in de Wamz geen aparte wet is
                                    opgenomen voor de bescherming van archeologisch terreinen. Deze
                                    wijze </al>
              <al>van bescherming blijft onveranderd gehandhaafd in de gewijzigde
                                    Monumentenwet 1988. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt voorgesteld:
                                    </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> De eventuele definitieve bescherming van
                                                archeologisch terreinen regelen middels de huidige
                                                Erfgoedverordening;</cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Deskundigheid op het gebied van archeologie
                                                bij de monumentenplannen-commissie op ad hoc basis
                                                inhuren als sprake is van een aanwijzings-procedure.
                                            </cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.4 Archeologie als inspiratiebron</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de Nota Belvedère wordt het belang van cultuurhistorie als
                                    inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting onderstreept.
                                    Alleen bewaren in de grond is niet genoeg, de waarden uit het
                                    verleden dienen dan ook een plaats te krijgen in de
                                    leefomgeving. De laatste jaren wordt bij een groeiend aantal
                                    inrichtingsplannen in ons land dan ook aandacht geschonken aan
                                    de inpassing en visualisatie van archeologische vindplaatsen en
                                    objecten. </al>
              <al/>
              <al>In tegenstelling tot het rijk kent de gemeente Enkhuizen geen
                                    algemeen beleid dat voorwaarden schept om de archeologische
                                    identiteit sterker richtinggevend te laten zijn bij ruimtelijke
                                    ontwikkelingen. Zo kan het dus voorkomen dat in het ene project
                                    wel bij een bestemmingsplan, structuurplan, beeldkwaliteitsplan
                                    of visie, etc. expliciet aandacht wordt besteed aan archeologie
                                    als inspiratiebron en bij een ander plan een stuk minder. In die
                                    ad hoc wijze van het benutten van het gemeentelijk archeologisch
                                    erfgoed bij planontwikkeling dient verandering te komen. Er
                                    dient een algemeen beleid te worden opgesteld van hoe
                                    archeologie in de planontwikkeling kan worden benut. Met andere
                                    woorden hoe archeologie </al>
              <al>en ruimte met elkaar kunnen worden geïntegreerd. Voor de vorming
                                    van dat beleid kan de nota Belvedère als leidraad dienen. Door
                                    het opstellen van een algemeen beleid op het gebied van
                                    integratie tussen cultuur en ruimte wordt ervoor zorg gedragen
                                    dat ook lokale cultuurhistorie bij de diverse </al>
              <al>ruimtelijke ontwikkelingen voldoende en dezelfde aandacht
                                    krijgt. Dat archeologie ook inderdaad als inspiratiebron bij de
                                    planontwikkeling wordt gebruikt. De op te stellen
                                    structuurplannen, visies, beeldkwaliteitsplannen </al>
              <al>kunnen aan dat beleid worden getoetst waarmee eenduidigheid in
                                    die rapporten wordt verkregen, alsmede in de uitwerking ervan,
                                    met betrekking tot de integratie tussen cultuur en ruimte. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt het volgende
                                        voorgesteld: </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> De gemeente spreekt uit dat bij ruimtelijke
                                                planvorming de gemeentelijke archeologische
                                                identiteit sterker richtinggevend zal
                                                zijn.</cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.5 Archeologisch depot</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Roerende monumenten (vondsten) afkomstig uit opgravingen zijn,
                                    tenzij iemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom van
                                    de provincie of van de gemeente indien die gemeente beschikt
                                    over een eigen depot. Alleen vondsten die zijn gedaan buiten het
                                    grondgebied van een gemeente vallen toe aan de staat (artikel
                                    50). Gedeputeerde Staten (GS) houden een depot in stand waarin
                                    roerende monumenten (vondsten) van opgravingen en de daarbij
                                    behorende documentatie op verantwoorde en toegankelijke </al>
              <al>wijze worden gearchiveerd. Het provinciaal depot van
                                    Noord-Holland is gevestigd in Wormer. </al>
              <al>GS kunnen ook in gemeenten dergelijke depots aanwijzen voor
                                    opslag van roerende monumenten. De kwaliteitseisen met
                                    betrekking tot de verantwoorde wijze van opslag en
                                    toegankelijkheid kunnen door de minister in een AMvB worden
                                    vastgelegd. De minister kan binnen 6 maanden na melding bepalen
                                    dat een vondst in beheer gegeven wordt aan een museale
                                    instelling (artikel 51 en 52). Indien de gemeente Enkhuizen wil
                                    overgaan tot het instellen van een gemeentelijk depot zal dit
                                    dus in overleg met GS moeten geschieden. Het is echter de vraag
                                    of het instellen van een gemeentelijk depot daadwerkelijk
                                    noodzakelijk is. Hoewel het aantrekkelijk is om de
                                    archeologische vondsten uit de gemeente binnen de eigen gemeente
                                    te houden om studies of exposities mogelijk te maken, wegen de
                                    kosten voor het instellen en beheren van een depot vermoedelijk
                                    niet op tegen deze voordelen. Uit kostenoverwegingen kan wel
                                    worden overwogen om met enkele buurtgemeenten of een regio een
                                    depot in te stellen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>5 Communicatie, presentatie en voorlichting </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het is niet voldoende alleen te streven naar het behoud van
                                    archeologie in situ of als het niet anders kan, ex situ. De
                                    archeologische wetenschap moet zich ook verder kunnen
                                    ontwikkelen. Daarbij is het essentieel dat met name de
                                    informatie die wordt verzameld tijdens de archeologische
                                    onderzoeken </al>
              <al>alsook de daarin gedane ervaring ontsloten en verspreid wordt.
                                    Die verantwoordelijkheid ligt met name bij het rijk. Het RCE
                                    fungeert als kenniscentrum en zorgt voor de toegankelijkheid van
                                    alle in Nederland </al>
              <al>uitgevoerde archeologische onderzoeken middels het systeem
                                    ARCHIS (het ARCHeologisch Informatie Systeem). </al>
              <al/>
              <al>Er ligt wel een andere, zij het vooral facultatieve, taak voor
                                    de gemeente bij de in haar gemeente uitgevoerde archeologische
                                    onderzoeken. De onderzoeken dienen geanalyseerd en verwerkt te
                                    worden tot een samenhangend geheel. Aan de hand van die analyses
                                    kan de geschiedenis van de gemeente nader in kaart worden
                                    gebracht en het publiek bewust worden gemaakt van het belang en
                                    waarde van het archeologische erfgoed. Door die bewustmaking
                                    alsook publieksparticipatie kan het maatschappelijk </al>
              <al>draagvlak voor archeologie aanzienlijk vergroot worden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.2 Regionale samenwerking</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De gemeente is geen wetenschappelijk onderzoeksinstituut.
                                    Wetenschappelijke analyses van het uitgevoerde onderzoeken zijn
                                    echter onontbeerlijk om tot nieuwe en verdergaand inzichten over
                                    de geschiedenis </al>
              <al>van de gemeente te komen. Binnen de organisatie van de
                                    archeologische monumentenzorg maken wetenschappelijke
                                    basisrapportages deel uit van de uit te besteden werkzaamheden.
                                    Het integreren van deze verschillende stukjes van de legpuzzel
                                    tot een samenhangend beeld van de geschiedenis </al>
              <al>van een gemeente is echter een additionele taak die niet op
                                    gemeentelijk niveau kan plaatsvinden gelet op het gebrek aan
                                    capaciteit hiervoor. Van belang is wel dat deze integratie van
                                    de archeologische informatie plaats vindt. Een oplossing kan
                                    gevonden worden in een gezamenlijke voorziening binnen de
                                    (sub)regio. Momenteel vindt er samenwerking plaats met de
                                    archeologische dienst van de gemeente Hoorn. Een goed inzicht in
                                    de stand van kennis over het lokale verleden vormt de basis voor
                                    de evaluatie, </al>
              <al>en verdere ontwikkeling, van het lokale archeologiebeleid. Voor
                                    het instellen van een (regionaal) depot kan ook worden bekeken
                                    of er samenwerking mogelijk is met omliggende gemeenten. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt het volgende
                                        voorgesteld:</cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Onderzoeken of op (sub)regionaal niveau een
                                                gezamenlijke voorziening kan worden getroffen de
                                                archeologische onderzoeken te analyseren en te komen
                                                tot een samenhangen beeld van de geschiedenis van de
                                                gemeente/regio. </cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.3 Vergroten draagvlak voor archeologie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het behoud van het cultuurhistorische erfgoed is bedoeld voor
                                    juist het grote publiek, de bewoners. </al>
              <al>Zonder de draagkracht en interesse van dat publiek zal de
                                    archeologische monumentenzorg de zorg van slechts enkelen zijn
                                    en blijven. Het is dan ook van belang dat een breed draagvlak
                                    voor archeologie wordt verkregen. Het vergroten van het
                                    draagvlak voor archeologie binnen de gemeente kan worden bereikt
                                    door enerzijds het publiek bewust te maken van het belang van
                                    archeologie en anderzijds door hen erbij te betrekken. </al>
              <al>Hoewel ruimtelijke plannen vaak een grote invloed hebben op het
                                    leefklimaat van bewoners en gebruikers van een gebied, worden
                                    deze tot op heden slechts zeer mondjesmaat betrokken in de
                                    planvormingprocedures. </al>
              <al>Dit verslechtert niet alleen het maatschappelijk draagvlak voor
                                    de vervaardigde plannen, ook worden hierdoor belangrijke kansen
                                    gemist om lokaal aanwezige gebiedskennis in te brengen in het
                                    planvormingsproces. Voor de cultuurhistorische disciplines
                                    klinkt dit gemis des te meer door, </al>
              <al>omdat juist op dit gebied vaak veel lokale kennis aanwezig is.
                                    Lokale ervaringskennis van bewoners onderscheidt zich op een
                                    groot aantal punten heel duidelijk van de kennis van
                                    wetenschappelijke deskundigen en blijkt in de ruimtelijke
                                    ordening een belangrijke meerwaarde op te leveren. Actieve
                                    participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk
                                    betere plannen op, ook kunnen zij rekenen op een veel groter
                                    maatschappelijk draagvlak. Dit leidt uiteindelijk tot een
                                    duidelijke tijd-en kostenbesparing in de uitvoering (weinig
                                    oponthoud door inspraakprocedures) en een goede basis voor
                                    toekomstige planvormingprocedures in hetzelfde gebied. In de
                                    archeologie wordt tot op heden nog nauwelijks gebruik gemaakt
                                    van de talrijke kansen die actieve participatie van bewoners
                                    biedt voor de totstandkoming van archeologie-en
                                    cultuurhistorie-vriendelijke ruimtelijke plannen. </al>
              <al/>
              <al>Ook de vrijwilligers, met de Vereniging Oud Enkhuizen, spelen
                                    een belangrijke rol binnen de publieksparticipatie. </al>
              <al>Er dient erop te worden toegezien dat er voldoende ruimte blijft
                                    waarbinnen de vrijwilligers zich kunnen blijven ontplooien en
                                    worden betrokken bij het gemeentelijk archeologiebeleid. Er is
                                    overigens geen enkele reden om te veronderstellen dat de huidige
                                    taken van de vrijwilligers niet meer vervuld </al>
              <al>kunnen worden. </al>
              <al/>
              <al>Bewustmaking van het grote publiek van het belang van het
                                    archeologisch erfgoed vindt plaats door kennisoverdracht.
                                    Hieronder volgen een aantal mogelijkheden daartoe: </al>
              <al>publieksgerichte publicaties zoals een nieuwsbrief Archeologie
                                    &amp; Monumentenzorg. Op deze wijze kan met zekere regelmaat
                                    actuele informatie aan het publiek beschikbaar worden gesteld.
                                    Eventueel kan dit </al>
              <al>soort actuele informatie ook digitaal via de gemeentelijke
                                    website worden aangeboden. Groot voordeel hiervan is dat een
                                    breed publiek bereikt kan worden; </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>museale presentaties: De gemeente kan in nauwe
                                            samenwerking met de plaatselijke musea exposities over
                                            gedane archeologische onderzoeken voorbereiden. Op deze
                                            wijze geeft de gemeente door middel van het museum
                                            inzicht in het archeologisch bodemarchief van de
                                            gemeente; </al></li>
                <li nr="-"><al>archeologische en cultuurhistorische routes: Dit betreft
                                            het integreren van archeologie met recreatie.Gedacht kan
                                            worden wordt aan speciale kunst-en cultuurroutes waarin
                                            uitingen van moderne kunst (stedenbouw) en
                                            archeologische visualisaties in de stad worden
                                            gecombineerd. In het buitengebied is daarnaast juist de
                                            combinatie natuur, landschap en archeologie weer
                                            interessant. Hierbij kan samenwerking gezocht worden met
                                            de provincie, Landschapsbeheer, de provinciale VVV en
                                            omliggende gemeenten. Locale historische verenigingen
                                            kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren; </al></li>
                <li nr="-"><al>educatieprogramma voor scholen: Aan lagere scholen
                                            kunnen bijvoorbeeld archeologische kits
                                            wordentoegestuurd met daarin een aantal archeologische
                                            artefacten. Daarnaast kan gedacht worden aan het ‘beheer
                                            geven’ van enkele archeologische waardevolle terreinen
                                            en hen te informeren te maken hoe hier mee om kan worden
                                            gegaan; </al></li>
                <li nr="-"><al>rondleidingen: Ook aan belangstelling voor rondleidingen
                                            op opgravingen kan gehoor worden gegeven.Wellicht is het
                                            daarbij mogelijk om op gezette tijden educatieve
                                            opgravingen te organiseren waaraan bijvoorbeeld
                                            schoolklassen kunnen deelnemen. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Op basis van het voorgaande wordt het volgende
                                        voorgesteld: </cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Het maatschappelijk draagvlak voor archeologie
                                                vergroten door bewoners en gebruikers van een gebied
                                                actief in de planvormingprocedures te betrekken en
                                                vrijwilligers zoals de Vereniging Oud Enkhuizen bij
                                                het gemeentelijk archeologiebeleid te blijven
                                                betrekken; </cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Het maatschappelijk draagvlak voor archeologie
                                                vergroten door het grote publiek bekend te maken met
                                                het archeologisch erfgoed door middel van (het
                                                mogelijk maken van) publieksgerichte publicaties,
                                                museale presentaties, archeologische en
                                                cultuurhistorische routes, educatieprogramma’s voor
                                                scholen en rondleidingen. </cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>6 Organisatie en financiën </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de gemeente Enkhuizen valt archeologie en monumentenzorg
                                    onder de afdeling Ruimtelijke ordening. Ten tijde van het
                                    opstellen van deze beleidsnota is slechts één beleids-medewerker
                                    van deze afdeling belast met het vakgebied van archeologie en
                                    monumentenzorg waarbij aan deze medewerker ook nog andere taken
                                    op het gebied van Ruimtelijke Ordening zijn toebedeeld. Gelet op
                                    het hiervoor beschreven gewenste gemeentelijke archeologiebeleid
                                    is dat onvoldoende. Het ontbreekt de gemeente echter aan de
                                    capaciteit en financiën om voor archeologie en monumentenzorg
                                    een structurele personele uitbreiding te geven. Ook de
                                    buurtgemeenten verkeren in eenzelfde situatie. De oplossing moet
                                    dan ook wellicht worden gezocht in regionale samenwerking met de
                                    buurtgemeenten. </al>
              <al/>
              <al>Het gemeentelijk archeologiebeleid heeft ook een aantal
                                    financiële gevolgen. Zo moet er budget worden gecreëerd voor het
                                    selectieproces van de archeologische terreinen van zeer hoge
                                    waarde. Daarnaast is ook budget vereist voor de
                                    nadeel-compensatie. In dit hoofdstuk wordt daar nader op
                                    ingegaan. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.2 Positionering van de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentelijke organisatie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Thans ligt de verantwoordelijkheid van archeologie bij de
                                    afdeling ruimtelijke ontwikkeling. Het gemeentelijk
                                    archeologiebeleid, zoals beschreven in deze nota, heeft echter
                                    zowel raakvlakken met cultuur als </al>
              <al>ruimtelijke ordening. Archeologie kan dan ook of bij de afdeling
                                    Cultuur of de afdeling Ruimtelijke Ordening worden
                                    ondergebracht. Het is echter praktisch archeologie te handhaven
                                    bij de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. Met name omdat de
                                    preventieve bescherming van archeologie wordt geregeld middels
                                    de bestemmingsplannen. Wel is het nodig nadere afspraken te
                                    maken met de onderstaande disciplines om de archeologische
                                    taakstelling als gevolg van het in deze nota geformuleerde
                                    beleid goed te </al>
              <al>kunnen laten functioneren: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Stedelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening: voor
                                            het opstellen van een zogenaamd user manualvoor het
                                            vastleggen van interne procedures en wederzijdse
                                            informatievoorziening; </al></li>
                <li nr="-"><al>Ecologie, natuur en landbouw: met betrekking tot de
                                            inpassing van archeologisch waardevolle structurenen
                                            elementen in het landelijk gebied; </al></li>
                <li nr="-"><al>Bureau Infra-informatie: voor de actualisering van de
                                            archeologische beleidskaart en een
                                            archeologischinformatiesysteem; </al></li>
                <li nr="-"><al>Juridische zaken: voor de uitwerking van de
                                            vergunning-verleningprocedures, nader onderzoek
                                            naarverhaalmogelijkheden en fonds-of subsidieregeling.
                                            Monumenten: voor het afstemmen en combineren van
                                            informatie over bouwhistorie en archeologie ten behoeve
                                            de verschillende informatiesystemen en de communicatie
                                            naar een breder publiek: integraal cultuurhistorisch
                                            beleid (Belvedère). Onderzoeken in hoeverre in het
                                            instrument van de Cultuur-historische Effectrapportage
                                            ook de archeologie (beter) geïntegreerd kan worden;
                                        </al></li>
                <li nr="-"><al>Cultuur: met name op het gebied van integraal
                                            cultuurbeleid en de relatie met recreatie en
                                            toerisme;</al></li>
                <li nr="-"><al>Voorlichting: integratie van het presentatiebeleid in
                                            het algemene voorlichtingsbeleid van de gemeente.Denk
                                            bijvoorbeeld aan archeologie op de gemeentelijke
                                            website. </al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Gelet op het bovenstaande wordt het volgende
                                        voorgesteld:</cursief>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> De verantwoordelijk voor archeologie handhaven
                                                bij de afdeling Ruimtelijke
                                            Ontwikkeling;</cursief>
                  </al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <cursief> Nadere afspraken maken met de verschillende
                                                disciplines binnen de gemeente om de archeologische
                                                taakstelling als gevolg van het in deze nota
                                                geformuleerde beleid goed te kunnen laten
                                                functioneren.</cursief>
                  </al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.3 Intergemeentelijke samenwerking</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De gemeente heeft niet de capaciteit en financiën om de
                                    personele bezetting voor de gemeentelijke archeologische
                                    monumenten monumentenzorg uit te breiden. Gelet op de gevolgen
                                    van dit voorstel is die uitbreiding wel gewenst. Ook andere
                                    gemeenten kampen met het probleem dat er niet voldoende
                                    capaciteit is om archeologie de vereiste aandacht te geven. Dit
                                    probleem kan opgelost te worden door de handen ineen te slaan.
                                    Kortom, door intergemeentelijke of regionale samenwerking kan
                                    archeologie </al>
              <al>wel de aandacht krijgen die het moet hebben. (zie ook paragraaf
                                    5.2). </al>
              <al/>
              <al>Voorgaande is niet het enige argument waarom tot
                                    intergemeentelijke of regionale samenwerking zou moeten worden
                                    overgegaan. Zowel op het gebied van de inpassing in de
                                    ruimtelijke ordening als waar het gaat om het ontwikkelen van de
                                    perceptie over het locale verleden kan de gemeente archeologisch
                                    en cultuurhistorisch meer tot stand brengen door intensief samen
                                    te werken met gelijkgezinde belanghebbenden in de regio. De hoge
                                    mate van vergelijkbaarheid van de archeologische problematiek
                                    biedt </al>
              <al>in principe uitgelezen mogelijkheden voor nauwere regionale
                                    samenwerking. Voor zowel de ontwikkeling van de lokale
                                    identiteit als voor een succesvolle implementatie van het nieuwe
                                    archeologisch bestel is het van groot belang dat de
                                    archeologische zorg een duidelijk gezicht krijgt. Onderzocht zal </al>
              <al>moeten worden op welke manier door samenwerking tussen de
                                    gemeenten binnen de regio de schaarse ambtelijke deskundigheid
                                    optimaal kan worden benut. Momenteel wordt veelvuldig
                                    samengewerkt met de archeologische dienst van de gemeente Hoorn.
                                    Deze mensen worden bovendien terzijde gestaan door een werkgroep
                                    van amateur-archeologen, onderdeel van de Archeologische
                                    Werkgemeenschap voor Nederland (AWN). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.4 Bestuurslasten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Ingevolge de artikelen 108 van de Gemeentewet en 105 van de
                                    Provinciewet is de regering gehouden bestuurslasten als gevolg
                                    van het wetsvoorstel op de archeologische monumentenzorg te
                                    compenseren. </al>
              <al>Deze uitvoeringslasten voor provincies en gemeenten zijn door
                                    onderzoeks-bureau ESO Managementpartners B.V. in kaart gebracht.
                                    In december 2005 heeft overleg plaats gevonden met bestuurders
                                    van het IPO en de VNG en is overeenstemming bereikt over de
                                    hoogte van het bedrag dat jaarlijks door </al>
              <al>de minister beschikbaar zal worden gesteld ter vergoeding van de
                                    gemeen-telijke en provinciale uitvoeringslasten. Jaarlijks wordt
                                    een bedrag van € 2.65 miljoen in het provinciefonds gestort en €
                                    6.35 miljoenin het gemeentefonds (situatie 2009). Het onderzoek
                                    inventariseerde naast structurele ook de incidentele lasten als
                                    gevolg van de aanstaande inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
                                    Met betrekking tot deze kosten is aan gemeenten éénmalig een
                                    bedrag beschikbaar gesteld van € 4.5 miljoen en aanprovincies
                                    éénmalig een bedrag van € 3.5 miljoen. De incidentele toevoeging
                                    aan het gemeentefondsvan € 4,5 miljoen heeft reeds
                                    plaatsgevonden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.5 Algemene uitvoeringskosten voor de gemeente</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Belangrijk is vast te stellen hoeveel tijd, uitgedrukt in fte’s,
                                    gemoeid zal zijn met handhaving en toepassing van de in deze
                                    nota voorgestelde omgang met de Archeologische Monumentenzorg.
                                    De taken die vanuit de AMZ op gemeentelijk niveau dienen te
                                    worden geregeld zijn onder andere: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>advisering bij het opstellen en actualiseren van
                                            bestemmings-plannen;</al></li>
                <li nr="-"><al>toetsing van vergunningsaanvragen; begeleiding van het
                                            archeologisch onderzoekstraject (toezicht houden op en
                                            beoordelen van het resultaat);</al></li>
                <li nr="-"><al>regiefunctie indien gemeente initiatiefnemer is van
                                            bodem-verstorende activiteiten (overleg met
                                            ontwikkelaars, archeologische specialisten en eventueel
                                            bevoegd gezag op ander beleidsniveau, beoordelen van
                                            rapportages); </al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>informatie-en kennisbeheer (voorkomen van versnippering
                                            van kennis van het bodemarchief);</al></li>
                <li nr="-"><al>ontwikkeling van een gemeentelijke beleidsvisie ten
                                            aanzien van cultuurhistorie in bredere zin
                                            (structuurplan);</al></li>
                <li nr="-"><al>verzorgen of initiëren van voorlichting en organiseren
                                            van educatieve activiteiten;</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>Wat nu precies tot het takenpakket van de desbetreffende
                                    gemeente-ambtenaar behoort of kan behoren, is sterk afhankelijk
                                    van de wensen en mogelijkheden van de gemeente (gemeentelijke
                                    ambities). Per gemeente bestaan er enorme verschillen, maar in
                                    veel gevallen is er binnen de gemeente geen archeologische
                                    expertise aanwezig en worden bijvoorbeeld de meeste
                                    selectiebeslissingen soms al in de planvormingfase in overleg
                                    met de andere overheden (provinciaal archeoloog of RCE) en/of
                                    met externe deskundigen (archeologische adviesbureaus) gemaakt. </al>
              <al>Dit is niet in alle gevallen even werkbaar en evenmin is
                                    duidelijk wie nu precies bedoeld wordt met het bevoegd gezag. In
                                    bestuurlijke zin is dat de gemeente, maar op inhoudelijke
                                    gronden dient dat een senior-archeoloog te zijn en dan liefst
                                    met een lokale expertise. Tevens zijn Rijk en provincie er
                                    steeds minder toe geneigd deze rol te vervullen met de in de
                                    nieuwe Monumentenwet toebedeelde centrale en vrije rol van de
                                    gemeenten in de Archeologische Monumentenzorg. Met name de
                                    grotere gemeenten zijn er steeds meer toe geneigd een archeoloog
                                    fulltime in dienst te nemen, die het gehele takenpakket, van het
                                    begeleiden van het archeologisch onderzoeks-traject tot het
                                    beoordelen van rapporten en het opstellen van PvE’s, kan en mag
                                    uitvoeren. </al>
              <al>Voor Enkhuizen gaat dit waarschijnlijk te ver. Mogelijk kan
                                    worden uitgegaan van 0,3 fte, uitgaand van een uitgebreid
                                    takenpakket. Zolang de gemeente afhankelijk blijft van externe
                                    inhoudelijke expertise en veel taken moet uitbesteden, ligt het
                                    aantal fte’s nog iets lager (0,2 fte). Hierbij moet worden
                                    opgemerkt dat in de huidige situatie veel tijd gemoeid is met
                                    overleg tussen gemeente en externe adviseurs (RCE, provincie,
                                    adviesbureaus en andere gemeenten). Is er voor de gemeente een
                                    vast aanspreekpunt ten aanzien van archeologisch inhoudelijke
                                    zaken, dan zou hiermee veel tijd gewonnen kunnen worden. In de
                                    huidige situatie wordt deze rol feitelijk vervuld door de
                                    gemeentelijk archeoloog van Hoorn (zie ook § 6.3). Een dergelijk
                                    aanspreekpunt maakt de AMZ voor de gemeente Enkhuizen een stuk
                                    eenduidiger, waarbij de gemeente zich hoofdzakelijk belast met
                                    een zuivere toepassing van de wet-en regelgeving en de
                                    ‘regio-archeoloog’ zich richt op inhoudelijke zaken. In dat
                                    geval dient voor de gemeente Enkhuizen te worden uitgegaan van
                                    circa 0,1 tot 0,2 fte voor uitvoering van de Archeologische
                                    Monumentenzorg. </al>
              <al>Opgemerkt moet worden dat in het bovenstaande alleen uitgegaan
                                    wordt van uitvoeringskosten ten behoeve van het beheer en behoud
                                    van archeologische waarden. Indien tevens bouwhistorische en
                                    cultuur-historische waarden volwaardig door de gemeente zelf
                                    worden meegenomen in de planontwikkelingen (iets wat op termijn
                                    wel de bedoeling is), dan dient te worden uitgegaan van hogere
                                    kosten. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Archeologische Beleidsnota Gemeente Enkhuizen (deel II) </label>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1 Inleiding </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.1 Kader en doelstelling</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De gemeente Enkhuizen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau
                                    opdracht gegeven tot het opstellen van een Archeologische
                                    beleidsnota. Een onderdeel van deze beleidsnota is een
                                    archeologische vindplaatsen-</al>
              <al>en verwachtingenkaart. Op deze kaart zijn alle bekende en
                                    onbekende archeologische vindplaatsen in de gemeente Enkhuizen
                                    in beeld gebracht. De vindplaatsen-en verwachtingenkaart zal ten
                                    behoeve van het opstellen van een gemeentelijk archeologisch
                                    beleid worden vertaald naar een archeologische beleidskaart. Op
                                    deze beleidskaart staat aangegeven welke gebieden en welke
                                    ingrepen onderzoeksplichtig zijn en welke voorwaarden daar aan
                                    verbonden zijn. De archeologische beleidskaart kan als
                                    onderlegger dienen voor de bestemmingsplannen van de gemeente.
                                    De archeologische vindplaatsen-en verwachtingenkaart vormt dus
                                    een belangrijke basis voor gemeentelijk beleid. Men kan immers
                                    pas beleid opstellen als men weet wat men heeft of kan
                                    verwachten. </al>
              <al/>
              <al>In 2006 is voor een groot deel van het grondgebied van de
                                    gemeente Enkhuizen reeds een archeologische vindplaatsen en
                                    verwachtingenkaart opgesteld (De Boer &amp; Molenaar, 2006). Dit
                                    onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de provincie
                                    Noord-Holland. Voor de archeologische vindplaatsen en
                                    verwachtingenkaart van de gemeente Enkhuizen is dan ook
                                    voornamelijk gebruik gemaakt van deze bestaande kaart(en). Op
                                    verzoek van de gemeente Enkhuizen is ten behoeve van de
                                    vindplaatsen en </al>
              <al>verwachtingenkaart beperkt aanvullend onderzoek gedaan naar de
                                    historische kern. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.2 Onderzoeksgebied</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor dit onderzoek wordt het gehele grondgebied van de gemeente
                                    Enkhuizen als onderzoeksgebied beschouwd. Het onderzoeksgebied
                                    staat afgebeeld op de kaartbladen 15C en 20A van de
                                    topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000); de
                                    centrumcoördinaat is 146.500/526.000. </al>
              <al/>
              <al>Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde
                                    archeologische perioden. Enkele vaktermen worden achter in dit
                                    rapport beschreven (zie verklarende woordenlijst). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.3 Leeswijzer</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In hoofdstuk 2 wordt de opzet van onderhavig onderzoek
                                    uiteengezet. In hoofdstuk 3 worden het principe van en
                                    kanttekeningen bij een verwachtingsmodel besproken en wordt ook
                                    de bestaande verwachtingen-kaart (IKAW) van Enkhuizen behandeld.
                                    In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de inventarisatie van
                                    bekende (archeologische, landschappelijke en hoogte-) gegevens
                                    beschreven. In de hoofdstukken </al>
              <al>5 en 6 worden respectievelijk de landschappelijke ontwikkeling
                                    en de bewoningsgeschiedenis van West-Friesland Oost in het
                                    algemeen en Enkhuizen in het bijzonder, beschreven. In hoofdstuk
                                    7 wordt de vervaardiging van de archeologische
                                    verwachtingenkaart voor de gemeente Enkhuizen behandeld en in
                                    hoofdstuk 8 wordt een toelichting gegeven op de verschillende
                                    onderscheiden verwachtingszones. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2 Onderzoeksopzet </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1 Verwachtingenkaart De Streek</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Zoals in de inleiding reeds is beschreven, is voor het opstellen
                                    van de archeologische vindplaatsen-en verwachtingenkaart van de
                                    gemeente Enkhuizen dankbaar gebruik gemaakt van de reeds
                                    bestaande </al>
              <al>vindplaatsen-en verwachtingenkaart van De Streek (De Boer &amp;
                                    Molenaar, 2006). De vindplaatsen-en verwachtingenkaart van De
                                    Streek omvat vrijwel het gehele grondgebied van de gemeente
                                    Enkhuizen. </al>
              <al>Een uitzondering wordt gevormd door de gebieden die buiten de
                                    Westfriese Omringdijk liggen en/of (delen) van de historische
                                    kern. Van deze gebieden was geen gedetailleerde bodemkundige
                                    informatie beschikbaar zodat voor deze gebieden geen
                                    archeologische verwachting kon worden opgesteld. Omdat voor deze
                                    gebieden ook geen andere bronnen beschikbaar zijn, zijn de
                                    gebieden voor de vindplaatsenen verwachtingenkaart van de
                                    gemeente Enkhuizen niet verder ingevuld. Voor de uiteindelijke
                                    beleidsadvieskaart </al>
              <al>is aan deze gebieden uiteraard wel een archeologisch
                                    beleidsadvies gekoppeld. </al>
              <al/>
              <al>Voor het inzichtelijk maken van de landschappelijke
                                    ontwikkelingen in de gemeente Enkhuizen is heel West-Friesland
                                    als uitgangspunt genomen. Het landschap en de geo(morfo)logie en
                                    bodem van de gemeente Enkhuizen zijn namelijk beter te begrijpen
                                    wanneer men ze binnen de context van heel West-Friesland
                                    plaatst. </al>
              <al/>
              <al>Voor het reconstrueren van met name de prehistorische
                                    bewonings-geschiedenis van de gemeente Enkhuizen is oostelijk
                                    West-Friesland als uitgangspunt genomen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>3 De archeologische verwachtingenkaart </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.1 Het principe van een verwachtingenkaart</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Een archeologische verwachtingenkaart van een gebied is
                                    voornamelijk gebaseerd op een analyse van landschappelijke
                                    kenmerken van bekende nederzettingslocaties in het
                                    desbetreffende gebied. Op basis van deze analyse en door
                                    toepassing van archeologische expertise aangaande de
                                    landschappelijke ligging van (pre-)historische nederzettingen in
                                    het algemeen, is het mogelijk gebieden te begrenzen waarvan
                                    archeologische informatie ontbreekt, maar waar wel vindplaatsen
                                    worden verwacht. Bij het </al>
              <al>opstellen van de voorspelling wordt met name gekeken naar
                                    geo(morfo)logische, bodemkundige en hydrologische
                                    karakteristieken van verschillende gebiedsdelen in combinatie
                                    met de al bekende archeologische vindplaatsen. </al>
              <al/>
              <al>Het gebruik van bodemkaarten en geo(morfo)logische kaarten voor
                                    het opstellen van een archeologische verwachtingenkaart komt
                                    voort uit de aanname dat de bewoning in een gebied sterk
                                    gekoppeld is aan bepaalde aardkundige/landschappelijke kenmerken
                                    van dit gebied. Zo zullen jager-verzamelaars zich met name
                                    aangetrokken hebben gevoeld tot gebieden waar veel reliëf in
                                    combinatie met water aanwezig is. Dergelijke gebieden bieden
                                    immers vaak een grote variëteit in voedselbronnen, zoals vis, </al>
              <al>wild en plantaardig voedsel (vruchten e.d.). Landbouwers
                                    daarentegen zullen met name oog hebben gehad voor vruchtbare,
                                    makkelijk te bewerken gronden met een gunstig grondwaterpeil. </al>
              <al/>
              <al>Op deze wijze is het mogelijk gebieden te begrenzen waar de kans
                                    op het voorkomen van vindplaatsen groot, matig dan wel klein
                                    wordt geacht. Deze gebieden worden op de kaart aangemerkt als
                                    zones die inzicht verschaffen in de verwachte kwantiteit aan
                                    archeologische vindplaatsen. Doorgaans wordt onderscheid gemaakt
                                    tussen zones met een hoge, een middelhoge, een lage en in
                                    sommige gevallen zelfs een zeer lage archeologische verwachting.
                                    In een zone met een hoge archeologische verwachting </al>
              <al>is naar verwachting de kwantiteit aan archeologische waarden het
                                    hoogst. Wanneer men in deze zone bodemverstorende activiteiten
                                    wil uitvoeren, moet men derhalve sterk rekening houden met de
                                    aanwezigheid van archeologische waarden en dus ook met
                                    bijkomende kosten en eventuele beperkingen. </al>
              <al/>
              <al>In zones met een lage archeologische verwachting is naar
                                    verwachting de kwantiteit aan archeologische waarden laag. Laag
                                    wil in dit geval dus niet zeggen dat geen archeologische waarden
                                    aanwezig zijn, maar wel dat het er naar verwachting relatief
                                    weinig zullen zijn. Vaak betreft het een categorie van
                                    archeologische waarden die vrij geïsoleerd voorkomt en waarvan
                                    de ligging niet of nauwelijks voorspelbaar is, zoals tempels,
                                    schatvondsten, offerdepots, grafvelden, etc. </al>
              <al/>
              <al>In theorie kan onderscheid gemaakt worden tussen 2 typen
                                    archeologische verwachtingenkaarten (Deeben &amp; Wiemer, 1999): </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>een verwachtingenkaart waarbij het gehanteerde
                                            verwachtingsmodel in hoofdzaak is gebaseerd op
                                            kwantitatieve vindplaatsgegevens: dit wordt een
                                            zogenaamde inductieve benadering genoemd;</al></li>
                <li nr="-"><al>een verwachtingenkaart waarbij het gehanteerde
                                            verwachtingsmodel sterk leunt op een hypothetische
                                            benadering: de zogenaamde deductieve benadering.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>In de praktijk treedt bij veel archeologische
                                    verwachtingsmodellen menging op van aannamen die zowel een
                                    inductieve als deductieve onderbouwing hebben. Gesproken wordt
                                    dan van een hybride-model. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.2 Kanttekeningen bij een verwachtingenkaart</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Archeologische verwachtingenkaarten zijn gebaseerd op
                                    verwachtings-modellen. Deze modellen zijn op hun beurt gebaseerd
                                    op verschillende soorten (beschikbare) data, algemeen
                                    geaccepteerde wetenschappelijke </al>
              <al>inzichten, theorieën en methoden en op ‘expert-judgement’.
                                    Vanzelfsprekend bevatten deze bronnen verschillende soorten van
                                    onvolledigheid, onzekerheid en subjectiviteit. Een
                                    archeologische </al>
              <al>verwachtingenkaart moet derhalve niet worden gezien als een
                                    onveranderlijk, statisch product maar veel meer als een
                                    instrument dat richting geeft en dat, op basis van nieuwe
                                    inzichten (bijvoorbeeld </al>
              <al>naar aanleiding van nieuwe archeologische vondsten) aangepast of
                                    herzien kan/moet worden. </al>
              <al/>
              <al>Tot op heden maken archeologische verwachtingsmodellen in
                                    Nederland voornamelijk gebruik van locatiekeuzefactoren die
                                    gebaseerd zijn op economische motieven. De weerslag hiervan is
                                    te vinden in nederzettingen, jachtkampen of akkerarealen. Het
                                    economisch handelen van de mens is in de eerste plaats gericht
                                    op het verwerven van elementaire zaken als voeding, kledij en
                                    behuizing en op het vervaardigen van werktuigen en goederen die
                                    kunnen bijdragen tot deze verwerving (zoals wapens voor </al>
              <al>jachtactiviteiten). Hoewel bijvoorbeeld ook politieke,
                                    religieuze en sociale motieven een rol hebben gespeeld, is
                                    hierover vrijwel niks bekend. Dergelijke aspecten kunnen dan ook
                                    vooralsnog niet gebruikt worden in verwachtingsmodellen. </al>
              <al/>
              <al>Economische motieven hebben in hoofdzaak betrekking op de
                                    fysieke mogelijkheden en beperkingen van het landschap waarin
                                    men leefde (fysisch-geografische variabelen). Deze kunnen
                                    herleid worden door bestudering van het paleo-landschap en de
                                    gebruiksmogelijkheden ervan. Terwijl aan bepaalde
                                    landschappelijke parameters in alle archeologische perioden een
                                    vergelijkbare verwachting kan worden gekoppeld (hoog en droog:
                                    hoge archeologische verwachting, laag en nat: lage
                                    archeologische verwachting), zijn er in de loop van de tijd
                                    tevens duidelijke verschillen in locatiekeuze te onderscheiden. </al>
              <al>Meest markant zijn deze verschillen tussen de gemeenschappen van
                                    jager-verzamelaars enerzijds en van landbouwers anderzijds. </al>
              <al/>
              <al>Ook voor de landbouwers echter geldt dat de eisen die deze groep
                                    aan zijn omgeving stelt door de tijd heen veranderen. De eerste
                                    landbouwers zullen met de beperkte middelen die ze tot hun
                                    beschikking hadden niet veel invloed hebben gehad op de
                                    bodemvruchtbaarheid. In de loop van de tijd echter was men door
                                    het gebruik van bijvoorbeeld een goede ploeg of voldoende
                                    (kunst)mest beter in staat de bodemvruchtbaarheid te
                                    beïnvloeden. Hierdoor konden in de loop van de tijd steeds
                                    marginalere gebieden gebruikt worden als landbouwgrond. De
                                    bewoning van een gebied werd dus ook sterk bepaald door de
                                    mogelijkheden die men had om het gebied naar zijn hand te
                                    zetten. </al>
              <al/>
              <al>De zeggingskracht en toepasbaarheid van archeologische
                                    verwachtingen-kaarten worden sterk bepaald door de kwaliteit van
                                    de gegevens die aan de verwachtingenkaart ten grondslag liggen.
                                    Zoals al eerder is aangegeven, wordt voor de archeologische
                                    verwachtingenkaart hoofdzakelijk geo(morfo)logisch en
                                    bodemkundig kaartmateriaal gebruikt. Indien dit kaartmateriaal
                                    onvolledig, onnauwkeurig of zeer kleinschalig is, dan zal de
                                    archeologische verwachtingenkaart deze eigenschappen overnemen.
                                    Voor een goed onderbouwde verwachtingenkaart wordt bij voorkeur
                                    gewerkt met kaartmateriaal met een schaal van 1:10.000 of
                                    groter. Kaarten met een schaal van 1:50.000 voldoen wel voor het
                                    begrijpen van de algemene bodemkundige en geo(morfo)logische
                                    situatie van een gebied, maar zijn te kleinschalig voor een
                                    gedetailleerd beeld. Ook kan bijvoorbeeld de bodemkundige
                                    situatie ten tijde van de opname van de bodemkaart sterk
                                    afwijken van de bodemsituatie in de (pre-)historie. Hierbij kan
                                    gedacht worden aan een verandering van grondwaterpeil, de erosie
                                    van bodems of aan afdekking van archeologisch interessante
                                    aardlagen door latere sedimentatie waardoor deze niet op
                                    bodem-of geo(morfo)logische kaarten zijn weergegeven. Tot slot
                                    moet bedacht worden dat voor alle bodem-kaarten geldt dat ze
                                    zijn gebaseerd op een relatief klein aantal boringen en
                                    waarnemingen en dat de grenzen tussen bepaalde (bodem)eenheden
                                    niet ‘scherp’ zijn, maar eerder beschouwd moeten worden als
                                    geleidelijke overgangen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.3 De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de gemeente Enkhuizen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij het opstellen van de IKAW (figuur 3) door de RCE, is gebruik
                                    gemaakt van de bekende archeologische vindplaatsen uit ARCHIS,
                                    de bodemkaarten (schaal 1:50.000), de geologische kaart (schaal
                                    1:50.000), de geomorfologische kaart (schaal 1:50.000),
                                    luchtfoto’s en ‘expert-judgement‘ (Hallewas, 2001; Deeben &amp;
                                    Wiemer, 1999; Deeben, 2008). Het doel van de IKAW is het geven
                                    van een indicatie van de te verwachten kwantiteit aan
                                    archeologische resten in een gebied. Deze indicatie geldt voor
                                    alle archeologische resten die dateren van vóór 1500 na Chr. </al>
              <al>De kwaliteit van een verwachtingsmodel en dus ook de daaraan
                                    gekoppelde verwachtingenkaart wordt sterk bepaald door de
                                    kwaliteit van de beschikbare archeologische en landschappelijke
                                    gegevens. Het verwachtingsmodel dat aan de IKAW ten grondslag
                                    ligt, kent een aantal beperkingen: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>De gehanteerde bodem-en geo(morfo)logische kaarten zijn
                                            kleinschalig (schaal 1:50.000). De bodem-en
                                            geomorfologische kaarten beschrijven bovendien alleen de
                                            bovenste 1,2 m van de bodem.</al><al>Meer gedetailleerde en afgedekte aardkundige waarden
                                            vallen hierdoor buiten het verwachtingsmodel; </al></li>
                <li nr="-"><al>De vindplaatsgegevens in ARCHIS zijn niet altijd
                                            volledig en correct ingevoerd. Afgezien van
                                            mogelijkefouten in de toewijzing van RD-coördinaten aan
                                            een vindplaats, ontbreken vaak ook gegevens over de
                                            relatie tussen de vondst en de aardkundige context
                                            waarin de vondst is aangetroffen. Deze informatie is
                                            voor het opstellen van een nauwkeurige
                                            verwachtingenkaart van groot belang; </al></li>
                <li nr="-"><al>De IKAW maakt geen onderscheid in specifieke
                                            archeologische perioden. Hierdoor wordt dus ookgeen
                                            onderscheid gemaakt in de wisselende manier waarop
                                            samenlevingen uit het verleden omgingen met de
                                            natuurlijke omgeving; </al></li>
                <li nr="-"><al>Het model is gebaseerd op een archeo-regio als geheel
                                            waardoor locale en/of regionale verschillenniet worden
                                            meegenomen; </al></li>
                <li nr="-"><al>De invloed van expert-judgement in het verwachtingsmodel
                                            is niet duidelijk te achterhalen;</al></li>
                <li nr="-"><al>Het verwachtingsmodel is niet getest door het uitvoeren
                                            van veldtoetsen of door het gebruik van nieuwe
                                            (onafhankelijke) data.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het verwachtingsmodel dat aan de IKAW van de gemeente Enkhuizen
                                    ten grondslag ligt, en daarmee de uiteindelijke IKAW-kaart zelf,
                                    is dus relatief grof. Het is op basis van de IKAW niet duidelijk
                                    op welke archeologische perioden de verschillende
                                    verwachtingszones van toepassing zijn en op welke diepte men de
                                    archeologische resten kan aantreffen. Deze informatie is echter
                                    wel van groot belang voor een gebruiker van de kaart die een
                                    inschatting moet maken wat hij/zij archeologisch kan verwachten
                                    in een </al>
              <al>bepaald gebied. Met deze kennis kan bijvoorbeeld bij het
                                    ontwerpen van een onderzoeksstrategie beter ingeschat worden
                                    welke onderzoeks-methoden en -intensiteit toegepast moeten
                                    worden. Ook wordt een </al>
              <al>beter beeld verkregen van de spreiding van archeologische
                                    vindplaatsen uit de verschillende perioden over het
                                    onderzoeksgebied en waar eventuele onderzoekslacunes voorkomen.
                                </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4 Inventarisatie beschikbare bronnen </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor het opstellen van de vindplaatsen – en verwachtingenkaart
                                    van de gemeente Enkhuizen is eerst een inventarisatie gemaakt
                                    van de beschikbare archeologische, bodemkundige, en
                                    geo(morfo)logische </al>
              <al>gegevens. Tevens is gekeken naar de beschikbare hoogtegegevens
                                    en informatie over bodemverstoringen. </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.2 Inventarisatie archeologische bronnen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop>
                         4.2.1 Uitgevoerd archeologisch onderzoek 
                     </tussenkop>
              <al>In het onderzoeksgebied zijn veel archeologische
                                        vindplaatsen bekend. Deze rijkdom is vooral te danken aan de
                                        talloze, vaak zeer intensieve archeologische onderzoeken die
                                        er met name in de afgelopen 40 jaar hebben plaatsgevonden.
                                        Met name de intensieve en grootschalige archeologische
                                        onderzoeken zoals de veldverkenningen, het
                                        luchtfoto-onderzoek en de opgravingen die hebben
                                        plaatsgevonden in het kader van de verschillende
                                        ruilverkavelingen hebben een belangrijke bijdrage geleverd
                                        aan de kennis over de bewoningsgeschiedenis van het
                                        onderzoeksgebied. </al>
              <al/>
              <al>Door Archeologie West-Friesland zijn onderzoeksgrenzen en
                                        -resultaten aangeleverd die in deze rapportage en de
                                        kaartbijlagen zijn verwerkt.</al>
              <tussenkop>
                         4.2.2 AMK-terreinen 
                     </tussenkop>
              <al>In totaal zijn in de gemeente Enkhuizen 6 AMK-terreinen
                                        aanwezig. Het gaat om 2 terreinen uit de Bronstijd, de
                                        historische kernen van Enkhuizen en Bovenkarspel/Westeinde,
                                        de Westfriese Omringdijk en een terrein uit de Middeleeuwen
                                        in de historische kern van Enkhuizen. Verschillende
                                        terreinen omvatten archeologische waarden uit meer dan één
                                        complextype en/of periode. </al>
              <al/>
              <al>De terreinen omvatten archeologische waarden uit het
                                        Neolithicum, de Bronstijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe
                                        tijd. Aan de terreinen is, door toetsing aan een aantal door
                                        de ROB gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid,
                                        contextwaarde), een status toegekend. In bijlage 6 zijn alle
                                        AMK-terreinen en hun status vermeld. De West-Friese
                                        Omringdijk is een provinciaal monument. </al>
              <tussenkop>
                         4.2.3 ARCHIS-waarnemingen 
                     </tussenkop>
              <al>In ARCHIS staan bekende archeologische vindplaatsen
                                        geregistreerd. Het betreft locaties waar ‘losse’
                                        archeologische vondsten en/of waarnemingen zijn gedaan. Deze
                                        vindplaatsen hebben geen wettelijke status. Uit het
                                        onderzoeksgebied zijn in totaal 146 unieke waarnemingen
                                        bekend (peildatum 16 oktober 2012). Op basis van het
                                        ARCHIS-bestand is een overzicht gemaakt van de
                                        archeologische perioden die vertegenwoordigd zijn in het
                                        onderzoeksgebied (bijlage 7). De datering van de
                                        vindplaatsen (begin-en eindperiode) is gebaseerd op de
                                        vondstcategorie waarbij de begin-en einddatering van het
                                        Archeologisch Basisregister (ABR) zijn gehanteerd. </al>
              <al/>
              <al>Over de bruikbaarheid van de ARCHIS-waarnemingen voor het
                                        opstellen van een verwachtingsmodel is in hoofdstuk 3 al
                                        iets gezegd. Voor het onderzoeksgebied gelden specifiek nog
                                        andere beperkingen. </al>
              <al>Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de ligging en
                                        verspreiding van het archeologische vondstmateriaal een
                                        weerspiegeling vormen van de eertijdse bewoningslocaties.
                                        Dit lijkt goed op te gaan voor het vondstmateriaal uit
                                        bijvoorbeeld de Bronstijd. Een groot deel van de
                                        ARCHIS-waarnemingen betreft echter losse aardewerkvondsten
                                        die dateren uit de Middeleeuwen. Het grootste deel hiervan
                                        is vermoedelijk met de mest op de toenmalige akkers (in de
                                        top van het veen) terechtgekomen. </al>
              <al>Door de oxidatie van het veen zijn de scherven vervolgens op
                                        een restveenlaag of de onderliggende mariene afzettingen
                                        achtergebleven. De locatie van de scherven is dus vooral een
                                        weerspiegeling van de grootschaligheid en intensiteit van de
                                        middeleeuwse (landbouw)activiteiten en is maar in zeer
                                        beperkte mate bruikbaar voor de reconstructie van
                                        middeleeuwse bewoning in het onderzoeksgebied. </al>
              <al/>
              <al>Voor het opstellen van de archeologisch vindplaatsen en
                                        verwachtingenkaart van West-Friesland Oost is het bestaande
                                        databestand met ARCHIS-waarnemingen opgeschoond. Alle
                                        waarnemingen waarvan de periode onbekend was zijn
                                        verwijderd. Vervolgens is de dataset gecorrigeerd voor
                                        dubbele waarnemingen. </al>
              <al>In veel gevallen omvat een ARCHIS-waarneming meerdere
                                        vondsten. Bij het opschonen van deze dubbele records is als
                                        uitgangspunt gehanteerd dat een waarnemingsnummer alleen dan
                                        meerdere keren voor mag komen als er sprake is van: </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>meerdere dateringen, of;</al></li>
                <li nr="2."><al>indien het dezelfde datering betreft, maar meerdere
                                                hoofdcomplex-typen omvat.</al></li>
              </lijst>
              <al>De overige waarnemingen zijn verwijderd zodat, op basis van
                                        de datering en het complextype, unieke waarnemingen zijn
                                        overgebleven. </al>
              <al/>
              <al>Om een betrouwbaarder inzicht te krijgen in de spreiding en
                                        datering van de vindplaatsen is aan alle ARCHIS-waarnemingen
                                        op basis van hun datering een betrouwbaarheid toegekend.
                                        Uitgangspunt hierbij is dat hoe dichter begin-en
                                        einddatering bij elkaar liggen, des te betrouwbaarder de
                                        waarneming is. </al>
              <tussenkop>
                         4.2.4 Luchtfoto’s 
                     </tussenkop>
              <al>Voor de ruilverkavelingen van Het Grootslag heeft in het
                                        verleden een analyse van luchtfoto’s plaatsgevonden (De
                                        Vries-Metz, 1993). Deze luchtfoto’s toonden aan dat bij de
                                        grondwerkzaamheden ten behoeve van de verschillende
                                        ruilverkavelingen veel archeologische vindplaatsen werden
                                        verstoord. Door het verwijderen van de bouwvoor en/of het
                                        diepploegen van akkers werden grondsporen als donkere
                                        verkleuringen zichtbaar aan het maaiveld. Veel van de
                                        archeologische sporen konden door middel van de luchtfoto’s
                                        alsnog in kaart worden gebracht. In sommige gevallen konden
                                        door middel van opgravingen op deze locaties nog aanvullende
                                        informatie worden verkregen. De Vries-Metz (1993) heeft de
                                        grondsporen die zichtbaar zijn op de luchtfoto’s op kaart
                                        gezet. Van alle Bronstijd vindplaatsen heeft zij vervolgens
                                        een indeling gemaakt in vindplaatsen uit de Vroege, Midden
                                        en Late Bronstijd. </al>
              <al/>
              <al>De luchtfoto’s zijn overgezet naar een digitaal bestand. Op
                                        deze manier kon worden bekeken in hoeverre de locatie van de
                                        archeologische sporen op de luchtfoto’s gekoppeld kon worden
                                        aan de bodemkaart van Ente (1963) en uiteindelijk de
                                        archeologische vindplaatsen-en verwachtingenkaart. Daartoe
                                        zijn de kaartbladen met daarop de luchtfoto-gegevens gescand
                                        en aan het landelijk meetsysteem (RDcoördinaten) gekoppeld
                                        (gegeorefereerd). Hierbij bleek dat de analoge kaarten niet
                                        schaalvast waren. Vermoedelijk zijn de kaarten in de loop
                                        van de tijd iets gekrompen(?). Het gevolg hiervan was dat er
                                        kleine verschuivingen zijn opgetreden in de ligging van de
                                        archeologische sporen op de luchtfoto’s ten opzichte van de
                                        actuele topografie. De verschillen zijn niet constant en er
                                        zijn ook verschillen tussen de kaarten onderling. De locatie
                                        van de luchtfoto’s en de interpretatie van de Bronstijd
                                        vindplaatsen zijn weergegeven op figuur 4. Omdat de ligging
                                        van de vindplaatsen niet zo betrouwbaar is, is geen
                                        koppeling gelegd met de bodemkaart en de vindplaatsen-en
                                        verwachtingenkaart. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.3 Inventarisatie geo(morfo)logische en bodemkundige bronnen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop>
                         4.3.1 Geologie en geomorfologie 
                     </tussenkop>
              <al>Van de gemeente Enkhuizen is geen geologisch kaartmateriaal
                                        gepubliceerd maar er zijn wel vlakdekkende geomorfologische
                                        kaarten, schaal 1:50.000 beschikbaar (Stiboka/RGD, 1979 en
                                        1981). Op de geomorfologische kaarten van het
                                        onderzoeksgebied zijn duidelijk de grote fossiele geulen te
                                        zien </al>
              <al>(kaartbijlage 3a). Verreweg het grootste deel van het
                                        onderzoeksgebied bestaat uit 'vlakte van getijafzettingen'.
                                    </al>
              <tussenkop>
                         4.3.2 Bodem 
                     </tussenkop>
              <al>Van het onderzoeksgebied zijn vlakdekkende bodemkaarten,
                                        schaal 1:50.000 beschikbaar (Wagenaar &amp; Van Wallenburg,
                                        1987; Rosing, 1995). Volgens deze kaarten worden in het
                                        onderzoeksgebied hoofdzakelijk </al>
              <al>zeekleigronden aangetroffen. Zowel de grote
                                        getij-inversieruggen als de kleinere geul-en kreeksystemen
                                        zijn (goed) te herkennen. De grote getij-inversieruggen
                                        bestaan uit zeer lichte tot matig lichte zavel. De kleinere
                                        geul-en kreeksystemen bestaan voornamelijk uit zware zavel.
                                        Ter hoogte van het bewoningslint van Bovenkarspel worden
                                        dikke eerdgronden aangetroffen. Deze zijn ontstaan door
                                        ophoging met afval gedurende eeuwenlange bewoning op vrijwel
                                        dezelfde locatie. De historische kern </al>
              <al>van Enkhuizen en een groot deel van de gebieden buiten de
                                        West-Friese Omringdijk zijn niet gekarteerd. </al>
              <al/>
              <al>In het onderzoeksgebied bevinden de voor de archeologie
                                        relevante geologische eenheden zich vrijwel direct aan het
                                        maaiveld. Om deze reden verschaffen de bodemkaarten dan ook
                                        meer bruikbare informatie over de (paleo)geologische opbouw
                                        van het onderzoeksgebied dan doorgaans het geval is bij
                                        bodemkaarten in holocene sedimentatiegebieden. De gangbare
                                        (1:50.000) bodemkaarten bieden door het kleine schaalniveau
                                        echter (te) weinig detailinformatie over de bodemopbouw.
                                        Dergelijke informatie </al>
              <al>is evenwel van groot belang voor het vervaardigen van een
                                        nauwkeurige archeologische verwachtingenkaart. </al>
              <al/>
              <al>In het kader van de ruilverkaveling van De Streek is voor
                                        het onderzoeks-gebied een gedetailleerde bodemkaart (schaal
                                        1:10.000) vervaardigd (Kaartbijlage 1; Ente, 1963). De
                                        meerwaarde van deze bodemkaart </al>
              <al>is vooral gelegen in de relatief hoge mate van detail als
                                        gevolg van grote schaal van de kaart (1:10.000). Voor het
                                        voormalige ruilverkavelingsgebied ‘De Streek’ is de
                                        betreffende gedetailleerde bodemkaart gedigitaliseerd (Ente,
                                        1963). Deze wordt behandeld in hoofdstuk 7. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.4 Bodemverstoringen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In oostelijk West-Friesland hebben gedurende de jaren ‘70 en ’80
                                    van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen plaatsgevonden.
                                    De voor de gemeente Enkhuizen meest relevante is die van het
                                    Grootslag. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het dempen
                                    van sloten, het egaliseren en/of diepploegen van percelen en het
                                    verlagen van het grondwaterpeil. Lang werd gedacht dat alle
                                    archeologische vindplaatsen door de bodemverstoringen zouden
                                    zijn verstoord of vernietigd. Het soort en de intensiteit van de
                                    bodemwerkzaamheden verschilde echter per gebied of per perceel.
                                    De impact van deze werkzaamheden op de bodem en eventueel
                                    aanwezige archeologische waarden daarmee ook. Sommige percelen
                                    werden eerst gediepploegd en vervolgens geëgaliseerd. Op andere
                                    percelen werd eerst de bouwvoor verwijderd, vervolgens werd de
                                    ondergrond vlak geploegd en tot slot werd de bouwvoor weer
                                    teruggelegd. De mate van verstoring verschilt dus sterk van
                                    perceel tot perceel. Inzicht in de mate van bodemverstoringen op
                                    basis van globale verstorings-informatie is dus zeer moeilijk.
                                    Voor het exact kunnen vaststellen van de mate van
                                    bodemverstoring is het dus van belang dat dit per perceel </al>
              <al>wordt bekeken. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.5 Hoogtegegevens: het Actueel Hoogtebestand Nederland</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Met behulp van het AHN is een zeer gedetailleerd beeld verkregen
                                    van de maaiveldhoogte in de gemeente Enkhuizen (kaartbijlage 2).
                                    Het AHN is gebaseerd op een zeer dicht grid (5 x 5m) van
                                    hoogtemetingen van het maaiveld. Voor een goede toepassing van
                                    het AHN is het oorspronkelijke hoogtebestand bewerkt, waarbij de
                                    verstorende invloed van bijvoorbeeld bebouwing en sloten eruit
                                    gefilterd is. Duidelijk zichtbaar zijn de relatief hooggelegen
                                    getij-inversieruggen die in het noordoostelijke deel van het
                                    onderzoeksgebied liggen. Deze brede ruggen vertakken zich tot
                                    een grillig web van kleinere getijinversieruggen. Ondanks het
                                    feit dat met behulp van het AHN een goed beeld van de
                                    geo(morfo)logie van het onderzoeksgebied verkregen wordt, moet
                                    benadrukt worden dat dit het beeld van het maaiveld is.
                                    Geo(morfo)logische fenomenen die worden afgedekt door een dik
                                    pakket veen en/of klei zijn niet zichtbaar. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>5 Geologische ontwikkeling van West-Friesland </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.1 Algemeen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De geologische ontwikkeling van de gemeente Enkhuizen maakt deel
                                    uit van de geologische ontwikkelingen in heel West-Friesland. De
                                    geologische ontwikkeling van het West-Friese zeekleigebied is
                                    uitgebreid bestudeerd en beschreven door De Mulder en Bosch
                                    (1982) en Westerhoff e.a. (1987). Met name de studie van De
                                    Mulder &amp; Bosch heeft de basis gelegd voor een goed begrip
                                    van de geologische opbouw in West-Friesland (kaartbijlage 3).
                                    Zij ontwikkelden zelfs een nieuwe chronostratigrafische indeling
                                    (Hauwert-complex) voor dit gebied. Hieronder zal in
                                    chronologische volgorde de geologische ontstaansgeschiedenis van
                                    West-Friesland in het algemeen en Enkhuizen in het bijzonder
                                    worden behandeld. </al>
              <al/>
              <al>Hoewel het NITG-TNO onlangs een nieuwe lithostratigrafische
                                    indeling heeft ingevoerd (Weerts e.a., 2000; De Mulder e.a.,
                                    2003), zal in onderhavige studie grotendeels de
                                    (chronostratigrafische) indeling worden gehanteerd die door De
                                    Mulder en Bosch (1982) is opgesteld. De nieuwe indeling door het
                                    NITG-TNO vervangt de indeling door de Rijks Geologische Dienst
                                    (Doppert e.a., 1975). Voor de holocene afzettingen in het
                                    onderzoeksgebied worden 3 eenheden onderscheiden: het Laagpakket
                                    van Wormer, het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen
                                    Laagpakket. Deze eenheden corresponderen respectievelijk met de
                                    Afzettingen van Calais, de Afzettingen van Duinkerke en het
                                    Hollandveen (cf. Doppert e.a., 1975). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.2 Ontwikkelingen tot 3000 voor Chr.</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De geologische opbouw van het West-Friese zeekleigebied is
                                    grotendeels bepaald door de ontwikkeling van de zeegaten langs
                                    de Noord-Hollandse kust. Tot circa 3800 voor Chr. was
                                    West-Friesland vrij toegankelijk voor de zee. De toenmalige kust
                                    bestond voornamelijk uit zandige wadplaten waartussen een groot
                                    aantal west-oost georiënteerde geulen lag. Meer landinwaarts
                                    gingen de zandige platen over in lagunes waarin klei werd
                                    afgezet (kaartbijlage 3). Een groot deel van West-Friesland lag
                                    in dit lagunaire gebied (De Mulder &amp; Bosch, 1982; Van
                                    Heeringen &amp; Theunissen, 2001). De afzettingen die in deze
                                    periode zijn afgezet worden gerekend tot de oudste afzettingen
                                    van de Beemster Afzettingen (voorheen Calais II en III,
                                    tegenwoordig: Laagpakket van Wormer). </al>
              <al/>
              <al>Rond 3800 voor Chr. veranderde de situatie langs de kust. Op de
                                    zandige wadplaten ontstonden strandwallen. Deze breidden zich in
                                    de loop van de tijd verder westwaarts uit en sloten de kust
                                    geleidelijk af. De zee kon in deze periode alleen nog via enkele
                                    openingen in de kustlijn (de zogenaamde zeegaten) in het
                                    achterland doordringen. Via het zeegat van Bergen -een opening
                                    in de kustlijn ter hoogte van het huidige Bergen -drong een
                                    aantal geulen het achterland in. Een van deze geulen liep
                                    vermoedelijk naar het noorden richting Schagen om vervolgens met
                                    een boog in de Wieringermeer uit te komen. Een zuidelijke geul
                                    liep via de Heerhugowaard naar het zuidoosten. In en direct
                                    langs de geulen werd voornamelijk zand afgezet, verder weg van
                                    de geulen sedimenteerde klei. De sedimenten die in deze periode
                                    werden afgezet, worden door De Mulder en Bosch gerekend tot het
                                    Hauwertcomplex laag A (voorheen: Calais IVa1, tegenwoordig:
                                    Laagpakket van Wormer). Westerhoff e.a. (1987) duiden de kleiige
                                    afzettingen ook wel aan als de zogenaamde Beemsterklei en
                                    rekenen haar niet tot het Hauwertcomplex maar tot de jongere
                                    afzettingen van de Beemster Afzettingen. </al>
              <al/>
              <al>Door de min of meer gesloten kustlijn verslechterde de
                                    afwatering en ontstonden in het gebied achter de kust goede
                                    condities voor veengroei. Het veen wordt gerekend tot het
                                    Hollandveen (tegenwoordig: Formatie van Nieuwkoop). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.3 Ontwikkelingen tussen 3000 en 1500 voor Chr.</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Rond 3000 voor Chr. was het zeegat van Bergen nog steeds open.
                                    De geulen die via dit zeegat het achterland binnenkwamen, waren
                                    echter van ligging veranderd en reikten nu tot Medemblik en
                                    Oostwoud in oostelijk West-Friesland (Van Heeringen &amp;
                                    Theunissen, 2001). Met name het noordelijke deel van
                                    West-Friesland Midden lag binnen de invloedssfeer van deze
                                    geulen. De sedimenten (zand en klei) die in deze periode zijn
                                    afgezet, worden door De Mulder en Bosch gerekend tot het
                                    Hauwertcomplex </al>
              <al>laag B (voorheen: Afzettingen van Calais IVa2, tegenwoordig:
                                    Laagpakket van Wormer). Rond 2500 voor Chr. (4500-4400 BP)
                                    ontstond bij Zandwerven een langwerpige, noordwest-zuidoost
                                    georiënteerde </al>
              <al>strandwal waarop zich later lage duinen ontwikkelden (Westerhoff
                                    e.a., 1987). In de gebieden waar de geulen niet actief waren,
                                    bleef veenvorming plaatsvinden. </al>
              <al/>
              <al>Rond 2200 voor Chr. was in het westen van West-Friesland nog
                                    slechts één grote west-oost georiënteerde geul aanwezig. In
                                    West-Friesland Midden splitste deze geul zich ter hoogte van
                                    Aartswoud in een noordelijke en een zuidelijke tak (De Mulder
                                    &amp; Bosch, 1982; Van Heeringen &amp; Theunissen, 2001). De
                                    noordelijke tak liep via Aartswoud en Abbekerk in de richting
                                    van Opperdoes. De zuidelijke tak liep van Aartswoud via
                                    Hoogwoud, Wognum en Hoorn in de richting van Wijdenes en Andijk.
                                    Enkhuizen lag in deze periode langs een oostelijke uitloper van
                                    deze zuidelijke tak. De noordelijke tak verlandde vermoedelijk
                                    al rond 2100 jaar voor Chr., waardoor de zuidelijke tak de
                                    hoofdgeul werd. De afzettingen die in deze periode zijn afgezet,
                                    worden door De Mulder &amp; Bosch gerekend tot het
                                    Hauwertcomplex laag C </al>
              <al>(voorheen: Afzettingen van Calais IVb, tegenwoordig: Laagpakket
                                    van Wormer). Ook in deze periode vond buiten de actieve geulen
                                    veenvorming plaats. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.4 Ontwikkelingen van 1500 voor Chr. tot 1000 na Chr.</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Rond 1500 voor Chr. sloot het zeegat van Bergen en werden de
                                    geulsystemen in West-Friesland minder actief. Aanvankelijk werd
                                    nog een pakket klei afgezet, maar onder invloed van de
                                    verslechterde afwatering begon in grote delen van West-Friesland
                                    veen te groeien. Na het droogvallen van de geulen vond, als
                                    gevolg van differentiële inklinking van de verschillende
                                    afzettingen een omkering (inversie) van het reliëf plaats (Smit,
                                    2002). De aanvankelijk laaggelegen kreekbeddingen en oevers
                                    zakten minder in dan de aanvankelijk hooggelegen
                                    kwelders/komgebieden. Hierdoor kwamen de voormalige kreken als
                                    ruggen in het landschap te liggen. Op basis van hoogtegegevens
                                    van het Actueel Hoogtebestand </al>
              <al>Nederland (AHN) is deze reliëfinversie nog goed herkenbaar
                                    (kaartbijlagen 2 en 3). De afzettingen uit deze periode worden
                                    door De Mulder en Bosch gerekend tot het Hauwertcomplex laag D
                                    (voorheen: Afzettingen van Duinkerke 0, tegenwoordig: Laagpakket
                                    van Walcheren). </al>
              <al/>
              <al>Buiten de actieve geulen had vanaf circa 3800 voor Chr. in heel
                                    West-Friesland continu veenvorming plaatsgevonden, waardoor
                                    grote veenkussens waren ontstaan. Op het moment dat de laatste
                                    actieve </al>
              <al>geulen verlandden, verdwenen ook deze onder een dik pakket veen.
                                    Op en rond de veenkussens waren alleen nog kleine veenstroompjes
                                    actief. Deze voerden het water uit de veenkussens af naar lager
                                    gelegen delen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.5 Ontwikkelingen van 1000 na Chr. tot heden</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Rond het begin van de Late Middeleeuwen (ongeveer 1000 jaar na
                                    Chr.) nam de invloed van de zee weer toe en ontstonden opnieuw
                                    gaten in de strandwalkust (o.a. het Zijper zeegat en het
                                    Marsdiep). </al>
              <al>Hierdoor kreeg de zee via getijdengeulen weer toegang tot het
                                    achterliggende veengebied, waardoor de natuurlijke drainage van
                                    het gebied achter de strandwallen verbeterde. Daarnaast was de
                                    ontwatering </al>
              <al>van het veengebied verder toegenomen door ingrijpen van de mens:
                                    vermoedelijk al rond de 8e eeuw na Chr. werd in de omgeving van
                                    Andijk en Medemblik begonnen met de ontginning van de
                                    veenkussens. </al>
              <al>Grootschalige ontginning van het veen door de mens en de
                                    inbraken van de zee leidden ertoe dat de veenkussens dunner
                                    werden of zelfs volledig verdwenen. Op plaatsen waar het veen
                                    had gelegen, ontstonden vaak kleine meren of polders. </al>
              <al/>
              <al>Uiteindelijk is van het voormalige veenpakket dat bijna heel
                                    West-Friesland bedekte vrijwel niets bewaard gebleven. Op een
                                    aantal plaatsen in de gemeenten Wester-Koggenland, Heerhugowaard
                                    en Langedijk wordt nog veen aan of dicht aan het oppervlak
                                    aangetroffen. Elders in West-Friesland is alleen nog in
                                    laaggelegen komgebieden, onder sommige wegen, dijken en
                                    kerkheuvels een dunne laag veen aanwezig (Hallewas &amp; De
                                    Mulder, 1987). Door het verdwijnen van het veen liggen in grote
                                    delen van West-Friesland de oudere afzettingen weer aan het
                                    maaiveld. </al>
              <al/>
              <al>In het noordwestelijk deel van het onderzoeksgebied komen
                                    meer-afzettingen voor (in vroegere literatuur ‘kiekklei’
                                    genoemd; tegenwoordig: Laagpakket van Walcheren). Deze
                                    afzettingen -van overwegend zware klei -hangen samen met het
                                    voormalige Meer van Wervershoof dat hier lag (circa 1500 voor
                                    Chr. tot 11e eeuw na Chr.). </al>
              <al/>
              <al>Door het verdwijnen van het veen was het maaiveld flink lager
                                    komen te liggen en de invloed van de zee kon alleen nog door de
                                    aanleg van dammen en dijken worden teruggedrongen. Behalve het
                                    buitenwater vormde echter ook het water binnen de dijken een
                                    probleem. Door golfslag werden de venige oevers van de meren
                                    weggeslagen en konden de binnengedijkte meren uitgroeien tot
                                    grote binnenmeren. Een voorbeeld hiervan is de Heerhugowaard.
                                    Vooral tijdens stormen werd het binnenwater opgejaagd, waardoor
                                    het een bedreiging vormde voor de steden en dorpen die er omheen
                                    lagen. Pas tegen het einde van de 16e eeuw kwam met de
                                    drooglegging van de meren binnen en buiten de dijken een
                                    voorlopig einde aan de dreiging van het water. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>6 Bewoningsgeschiedenis van West-Friesland Oost </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.1 Laat Neolithicum</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De vroegste bewoning in oostelijk West-Friesland dateert uit het
                                    Laat Neolithicum (2850 tot 2000 jaar voor Chr.). Vindplaatsen
                                    uit het Laat Neolithicum zijn aangetroffen nabij Zwaagdijk-oost
                                    (gemeente Wervershoof) en Oostwoud/Tuithoorn (gemeente
                                    Medemblik). Deze vindplaatsen zijn hiermee voor West-Friesland
                                    de meest oostelijke (bekende) vindplaatsen uit deze periode (Van
                                    Heeringen &amp; Theunissen, 2001). Bij Zwaagdijk-oost werden bij
                                    opgravingen sporen van een primitieve ploeg (het eergetouw) </al>
              <al>en sporen van een hekwerk aangetroffen. Tevens werden scherven
                                    van standvoetbekers, AOO-bekers (all-over ornamented), maritieme
                                    klokbekers en Veluwse klokbekers aangetroffen. Dergelijk
                                    ‘bekeraardewerk’ is kenmerkend voor het Laat Neolithicum (Van
                                    Ginkel &amp; Hogestijn, 1997). Op de vindplaats
                                    Oostwoud/Tuithoorn was het archeologisch onderzoek intensiever
                                    van aard. Ook hier werden eergetouwsporen ontdekt maar veel
                                    spectaculairder was de vondst van een grafheuvel met daarin een
                                    aantal skeletten van mannen en vrouwen (Van Heeringen &amp;
                                    Theunissen, 2001). Het aardewerk bestaat ook hier uit
                                    bekeraardewerk (voornamelijk klokbeker). </al>
              <al/>
              <al>Het archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de
                                    laat-neolithische bewoners van West-Friesland Oost leefden van
                                    landbouw en veeteelt, maar hun dieet ook aanvulden door het
                                    vangen van vis en wild alsmede het verzamelen van schelpdieren
                                    en noten. Ze begroeven hun doden individueel, soms onder een
                                    grafheuvel. De dode kreeg vaak een aardewerken beker mee als
                                    grafgift. </al>
              <al/>
              <al>De twee laat-neolithische vindplaatsen in West-Friesland Oost
                                    lijken geologisch gezien verband te houden met de twee grote
                                    getijdegeulen die van west naar oost door West-Friesland liepen.
                                    De laatneolitische bewoning lijkt niet zozeer direct langs de
                                    grote getijde-geulen te hebben plaats-gevonden maar meer langs
                                    kleinere kreeksystemen in de relatief laaggelegen delen.
                                    Mogelijk waren de grotere oost-west georiënteerde geulsystemen
                                    te dynamisch voor bewoning. Het is echter ook mogelijk dat wel
                                    degelijk langs de grote geulen is gewoond, maar dat de
                                    vindplaatsen uit deze periode door erosie zijn opgeruimd. </al>
              <al/>
              <al>Hoewel in de gemeente Enkhuizen geen vindplaatsen uit het
                                    Laat-Neolithicum zijn aangetroffen, kunnen deze in theorie wel
                                    aanwezig zijn. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.2 Bronstijd</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De bewoning uit de Bronstijd lijkt op een aantal plaatsen direct
                                    te volgen op de bewoning uit het Laat Neolithicum. De
                                    continuïteit van bewoning is opmerkelijk omdat juist in de
                                    Vroege Bronstijd een aantal ingrijpende veranderingen optrad in
                                    het landschap. Zo was in de Vroege Bronstijd vermoedelijk alleen
                                    nog de zuidelijke van de twee grote west-oost georiënteerde
                                    getijdegeulen actief. Ook deze geul begon vermoedelijk, onder
                                    invloed van een afnemende aanvoer van water, echter langzaam aan
                                    kracht te verliezen en droog te vallen (te verlanden). Als
                                    gevolg van dit proces begon in de lager gelegen delen van het
                                    landschap veen te groeien en werden ze ongeschikt voor bewoning.
                                    Vrijwel tegelijkertijd echter </al>
              <al>trad reliëfinversie op (zie hoofdstuk 5). De drooggevallen
                                    geulen klonken door hun zandige opvulling minder snel in dan het
                                    omliggende kleigebied, waardoor de geulen als ruggen in het
                                    landschap kwamen te liggen. Tegen het einde van de Vroege
                                    Bronstijd vormden deze ruggen ideale locaties voor bewoning en
                                    landbouw. </al>
              <al>Al met al is de informatie over de bewoning in de Vroege
                                    Bronstijd relatief gering. Voor de Midden en Late Bronstijd is
                                    dit juist niet het geval. Dankzij talloze opgravingen en
                                    veldverkenningen is zeer veel informatie verkregen over de
                                    bewoning in deze perioden. Tijdens archeologisch onderzoek in
                                    Bovenkarspel en Andijk bleek onder meer dat bewoning in de
                                    Midden en Late Bronstijd voornamelijk plaatsvond op de smallere
                                    ruggen en op de zavelige flanken van de brede ruggen (IJzereef
                                    &amp; Van Regteren Altena, 1991). De akkers lagen op de zandige
                                    kruinen van de ruggen, terwijl de lager gelegen, voormalige
                                    komgebieden voornamelijk als wei-en hooilanden zullen hebben
                                    gediend. </al>
              <al/>
              <al>IJzereef &amp; Van Regteren Altena (1991) menen dat de
                                    bewoningskernen in de Midden en Late Bronstijd op regelmatige
                                    afstand van elkaar hebben gelegen. Cirkels getrokken rond de
                                    gebieden met grafheuvels laten een regelmatige verspreiding
                                    zien: tussen de centra ligt steeds een afstand van circa drie
                                    tot vier kilometer. De kernen liggen in de buurt van Zwaagdijk,
                                    Hoogkarspel, Grootebroek en Andijk-West maar ook binnen de
                                    gemeente Enkhuizen liggen drie van dergelijke bewoningscentra.
                                    De eerste ligt </al>
              <al>tussen Bovenkarspel en Enkhuizen, de tweede ter hoogte van het
                                    Valkje en de derde in het uiterste noorden van de gemeente,
                                    direct ten zuiden van Oosterdijk (kaartbijlagen 1 en 4). </al>
              <al/>
              <al>Voor de Bronstijd-samenlevingen in oostelijk West-Friesland
                                    waren landbouw en veeteelt de belangrijkste bronnen van bestaan
                                    (Hallewas &amp; De Mulder, 1987). In tegenstelling tot het
                                    Laat-Neolithicum werd er vrijwel niet gejaagd. De visvangst
                                    speelde echter nog wel een rol van betekenis in het dieet. De
                                    landbouw vond uitsluitend plaats in de zomer en bestond uit het
                                    verbouwen van graan. De veestapel bestond voornamelijk uit
                                    runderen en in beperkte mate uit schapen of geiten, varkens en
                                    paarden. Het vee werd geweid in de met gras begroeide laagten
                                    tussen de inversieruggen (Hallewas &amp; De Mulder, 1987). </al>
              <al/>
              <al>Tegen het einde van de Bronstijd kwam aan deze situatie een
                                    eind. Door een verslechterende waterhuishouding begon het gebied
                                    te vernatten. Er zijn aanwijzingen dat de bewoning in de Late
                                    Bronstijd zich op en rond terpjes afspeelde (IJzereef, 1981;
                                    Hallewas &amp; De Mulder, 1987). Ook de veengroei die al in de
                                    Vroege Bronstijd was begonnen, begon nu vanuit de laaggelegen
                                    delen langzaam maar zeker ook de hogere delen van het landschap
                                    te bedekken waardoor het bewoonbare areaal kleiner werd. </al>
              <al>Uiteindelijk waren de condities voor bewoning dermate slecht
                                    geworden dat grote gebieden werden verlaten. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.3 IJzertijd en Romeinse tijd</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Lange tijd werd aangenomen dat in het onderzoeksgebied geen
                                    bewoning heeft plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd.
                                    In deze periode zou het hele gebied immers volledig met veen
                                    bedekt zijn geweest en dus praktisch onbewoonbaar. Uit de
                                    omgeving van Opperdoes (gemeente Noorder-Koggenland) zijn echter
                                    op de voormalige noordelijke getijdegeul bewoningssporen uit de
                                    Vroege t/m Late IJzertijd aangetroffen (Woltering, 1979 en
                                    1980). Door het ontstaan van het Meer van Wervershoof was het
                                    omliggende veengebied (omgeving Medemblik-Opperdoes) beter
                                    ontwaterd en daardoor ook beter toegankelijk dan andere delen
                                    van het onderzoeks-gebied. Op een aantal percelen bleken tevens
                                    bewoningssporen uit de Midden en Late Bronstijd aanwezig, zodat
                                    er sprake lijkt van continuïteit van </al>
              <al>bewoning. Ook uit Medemblik zijn sporen van bewoning uit de
                                    IJzertijd bekend (Woltering, 1991). Volgens geologische
                                    informatie zou de noordelijke getijdegeul al ruim 1000 jaar
                                    eerder moeten zijn verland </al>
              <al>en overgroeid moeten zijn met veen. De ondergrond ligt hier
                                    echter relatief hoger dan de rest van West-Friesland waardoor
                                    het vermoedelijk niet of pas veel later onder het veen is
                                    verdwenen (Hallewas &amp; De Mulder, 1987). </al>
              <al/>
              <al>Er zijn aanwijzingen dat door de toenemende vernatting aan het
                                    einde van de IJzertijd ook het gebied rond Opperdoes ongeschikt
                                    werd voor bewoning (Woltering, 1980). Het is mogelijk dat de
                                    bewoning in de Late IJzertijd/Romeinse tijd zich heeft
                                    verplaatst naar Schagen in het westelijke deel van
                                    West-Friesland (Woltering, 1980). Het is echter ook mogelijk dat
                                    lokaal nog bewoning plaatsvond in de Romeinse tijd. Uit
                                    Medemblik zijn bijvoorbeeld sporen uit de Romeinse tijd bekend
                                    (Woltering, 1991). Het </al>
              <al>aantal vindplaatsen uit de Romeinse tijd in West-Friesland Oost
                                    is echter zeer gering, zodat moet worden aangenomen dat
                                    eventuele bewoning uit deze periode lokaal voorkwam en relatief
                                    kleinschalig was. </al>
              <al/>
              <al>In de gemeente Enkhuizen is een aantal vindplaatsen bekend die
                                    mogelijk een aanwijzing vormen voor bewoning in de IJzertijd
                                    (zie bijlage 7). Heel duidelijke bewijzen voor bewoning uit deze
                                    periode ontbreken echter. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.4 Vroege en Late Middeleeuwen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Ontginning van het veen </vet>
              </al>
              <al>Tegen het einde van de Vroege Middeleeuwen en het begin van de
                                    Late Middeleeuwen werd een start gemaakt met de ontginning van
                                    het veen. De oudste veenontginningen zijn bekend uit de omgeving
                                    van Medemblik en Andijk en dateren uit circa 800 na Chr
                                    (kaartbijlage 5a). De reden dat juist hier de eerste
                                    ontginningen plaatsvonden moet waarschijnlijk worden gezocht in
                                    de aanwezigheid van het voormalige Meer van Wervershoof dat
                                    tussen Andijk en Medemblik heeft gelegen. Vermoedelijk werden de
                                    randen van het veen door het meer op natuurlijke wijze goed
                                    ontwaterd, waardoor het veen relatief droog en bewoonbaar was.
                                    Bij deze oudste ontginningen is voor de noodzakelijke
                                    ontwatering van het veen waarschijnlijk nog geen systeem van
                                    parallel aan elkaar gelegen afwateringssloten gegraven. Bij
                                    opgravingen ten zuiden van Medemblik is het niet gelukt om de
                                    tegen-woordige strokenverkaveling en vroegmiddeleeuwse
                                    bewoningssporen met elkaar in verband te brengen (Besteman &amp;
                                    Guiran, 1986; Besteman, 1994; Woltering, 1991). </al>
              <al/>
              <al>De vroegmiddeleeuwse ontginningen bij Medemblik en Andijk hebben
                                    waarschijnlijk wel de basis gevormd voor de grootschalige
                                    ontginning van de veengebieden in oostelijk West-Friesland in de
                                    10e-12e eeuw. Deze recentere veenontginningen werden wel
                                    ontwaterd door middel van het systeem van parallel aan elkaar
                                    gegraven afwateringssloten, waardoor in elke ontginningseenheid
                                    een strokenverkaveling ontstond. Om een natuurlijke afwatering
                                    mogelijk te maken werden de sloten zo haaks mogelijk op de
                                    natuurlijke helling van het veen georiënteerd: vanaf een
                                    natuurlijke of gegraven waterloop die langs de laagst gelegen
                                    punten van de ontginning liep (de ontginningsbasis) in de
                                    richting van de waterscheidingen </al>
              <al>in het landschap. Aldus kwam in het onderzoeksgebied een patroon
                                    van vanaf de ontginningsbasis opstrekkende ontginningen met een
                                    stroken-verkaveling tot stand. Langs de (achter)zijden van de
                                    ontginningseenheden </al>
              <al>werden meestal kades of waterlopen aangelegd die toestroming van
                                    overtollig water uit de omgeving verhinderden. Tenzij
                                    ontginningseenheden ‘voortijdig’ werden afgesneden door
                                    ‘concurrerende’ opstrekkende ontginningen, kwamen de
                                    uiteindelijke achtergrenzen meestal op de waterscheidingen te
                                    liggen. </al>
              <al/>
              <al>Het is opvallend dat in grote delen van oostelijk West-Friesland
                                    de typische strokenverkavelingen geen relatie vertonen met het
                                    reliëf van het onderliggende inversielandschap (kreekruggen).
                                    Dit is een duidelijke </al>
              <al>aanwijzing dat dit reliëf nog niet waarneembaar was ten tijde
                                    van de ontginningen, en dat het ontginningsproces en
                                    verkavelingspatroon voornamelijk zijn bepaald door de fysische
                                    kenmerken van het destijds aanwezige veenlandschap. Het
                                    Grootslag, het oostelijke deel van het onderzoeksgebied dat zich
                                    ten noorden van Binnen-, Westeren Oosterwijzend en ten oosten
                                    van de Kromme Leek bevindt, waterde af in noordelijke richting,
                                    naar het huidige IJsselmeer. De strokenverkavelingen zijn hier
                                    aangelegd vanuit de vroegmiddeleeuwse nederzettingsgebieden bij
                                    Wervershoof en Andijk en doorgetrokken tot aan de Wijzend
                                    (Besteman &amp; Guiran, 1986; Besteman, 1994). </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Maaivelddaling, landverlies en bedijkingen</vet>
              </al>
              <al>Als gevolg van de ontwatering van het veen voor de landbouw trad
                                    verdroging van het veen op. Wanneer veen aan zuurstof wordt
                                    blootgesteld, ‘verbrandt’ het aan de lucht (oxidatie) waardoor
                                    het geleidelijk verdwijnt. Het verdwijnen van het veen had een
                                    aantal zeer ingrijpende gevolgen voor het landschap en de
                                    bevolking. </al>
              <al/>
              <al>In de eerste plaats daalde het maaiveld waardoor de afstand tot
                                    het grondwater steeds geringer werd. De gronden werden hierdoor
                                    steeds drassiger waardoor landbouw op den duur vrijwel
                                    onmogelijk werd en het agrarisch accent gaandeweg steeds sterker
                                    op de veeteelt kwam te liggen. Een tweede, desastreuzer effect
                                    van de maaivelddaling was dat de dalende gebieden steeds
                                    kwetsbaarder werden voor overstromingen door de zee of rivieren.
                                    Voorheen hadden inbraken van het buitenwater weinig grip gehad
                                    op de grote veenkussens. Door de daling van het maaiveld kon het
                                    buitenwater echter steeds makkelijker via de voormalige
                                    veenstroompjes de laaggelegen veengebieden binnenstromen. Door
                                    de eroderende werking van het water trad, vooral tijdens
                                    stormvloeden, landverlies op en op sommige plaatsen ontstonden
                                    zelfs meren. Met name in de tweede helft van de 12e eeuw werd
                                    Noord-Holland geteisterd door een aantal zware stormvloeden die
                                    veel schade toebrachten aan de Noord-Hollandse veengebieden. </al>
              <al>Als oplossing voor de dreiging van het buitenwater werden dijken
                                    en dammen aangelegd. Aanvankelijk was sprake van kleine, lokale
                                    initiatieven, maar al snel werd duidelijk dat iedereen baat had
                                    bij een grootschalige, gestructureerde aanpak. Samenwerking
                                    resulteerde in de aanleg van lange, aaneengesloten buitendijken
                                    die grote gebieden konden beschermen. In West-Friesland werd in
                                    dit verband de Westfriese Omringdijk aangelegd. Omstreeks 1250
                                    omvatte deze dijk alle ‘losse’ buitendijken rond West-Friesland
                                    en vormde een aaneengesloten barrière tegen het buitenwater. Met
                                    de aanleg van de omringdijk waren de problemen overigens nog
                                    niet voorbij. Afgezien van het feit dat de dijk bij storm
                                    gemakkelijk kon doorbreken en stukken land konden worden
                                    weggespoeld, was de afwatering van het gebied binnen de dijken
                                    nog steeds slecht. Ook de binnengedijkte meren konden zich nog
                                    steeds ten koste van het binnengedijkte land uitbreiden. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Nederzettingen</vet>
              </al>
              <al>Behorend bij de vroegmiddeleeuwse ontginningen zijn in de
                                    omgeving van Medemblik en Andijk waarschijnlijk nederzettingen
                                    (in de vorm van verspreide boerderijen) gesticht. In de
                                    recentere veenontginningen, </al>
              <al>die vanaf de 10e eeuw werden ondernomen, heeft zich, evenals
                                    elders in Noord-Holland, in oostelijk West-Friesland het
                                    verschijnsel van ‘schuivende nederzettingen’ voorgedaan. In het
                                    plangebied de Streek is dit proces nader onderzocht en
                                    beschreven (zie kaartbijlage 5a). De bewoning, die in de eerste
                                    fase van de ontginning verspreid in het land was gesitueerd,
                                    werd bij het opstrekken van de veenontginningen in zuidelijke
                                    richting gecon-centreerd in lineaire nederzettingen langs de
                                    Kadijk, waar sporen van de kerkjes of kerkhoven uit de 11e en
                                    12e eeuw zijn teruggevonden. In de 13e eeuw werd de bewoning
                                    opnieuw naar het zuiden verplaatst en gecon-centreerd op één
                                    lijn ter plaatse van de huidige dorpenreeks langs de Streekweg
                                    (kaartbijlage 5a). De oude kerkjes van Gommerkarspel,
                                    Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek en Hoogkarspel werden
                                    verlaten en schoven binnen dezelfde percelen op naar de huidige
                                    locatie aan de Streekweg. Op grond van vergelijkbare
                                    ontwikkelingen in Westzaan, </al>
              <al>Waterland en Midden West-Friesland mag worden aangenomen dat dit
                                    verschuivingsproces ook in de rest van het onderzoeksgebied
                                    heeft plaatsgevonden. De mobiliteit van de nederzettingen hing
                                    samen met de voortschrijdende bodemdaling in de
                                    veenontginningen: wanneer als gevolg van de bodemdaling teveel
                                    wateroverlast optrad, werd de bewoning naar een nieuwe, drogere
                                    locatie verplaatst (Bos, 1988; Besteman &amp; Guiran, 1986;
                                    Besteman, 1994; Vervloet, 1982). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.5 Nieuwe tijd</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Door de daling van het maaiveld werd ook de afwatering in de
                                    ontgonnen gebieden gaandeweg steeds problematischer. Tegen het
                                    einde van de Late Middeleeuwen was het waterpeil in
                                    West-Friesland zo laag komen te liggen dat de afvoer van
                                    overtollig binnenwater naar de Zuiderzee bij gemiddeld
                                    laagwaterpeil via klepduikers vrijwel onmogelijk was geworden.
                                    Door de verbetering van de afwatering met behulp van molens kon
                                    vanaf de 15e eeuw het water in de binnendijkse gebieden echter
                                    weer beter worden gereguleerd. In het onderzoeksgebied is het
                                    gebruik van windwatermolens bekend vanaf 1452 (te Enkhuizen). De
                                    invoering van de molenbemaling leidde er ook toe dat vanaf de
                                    16e eeuw binnenwateren konden worden drooggelegd. In oostelijk
                                    West-Friesland zijn tussen 1600 en 1900 een tiental kleine
                                    binnenmeertjes en wielen (kolkgaten van dijkdoorbraken)
                                    drooggelegd. Door de drooglegging was na lange tijd weer sprake
                                    van landwinning in plaats van landverlies. Het ‘nieuwe’ land was
                                    overigens </al>
              <al>niet altijd van goede kwaliteit en vaak alleen geschikt als
                                    weiland. Ondanks de bedijkingen en droogleggingen was de
                                    dreiging van het water niet voorbij. Nog regelmatig deden zich
                                    dijkdoorbraken voor vanuit de voormalige Zuiderzee. Met de
                                    drooglegging van de Wieringermeer in 1929 en de aanleg van de
                                    Afsluitdijk in 1932 kwam er een voorlopig einde aan de dreiging
                                    van het water. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.6 De historische ontwikkeling van de stad Enkhuizen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Als aanvulling op de hierboven geschetste bewoningsgeschiedenis
                                    voor West-Friesland Oost, zal in deze paragraaf kort worden
                                    ingegaan op de historische ontwikkeling van de stad Enkhuizen.
                                    Aanvankelijk bestond Enkhuizen uit twee dorpen. Een dorp langs
                                    de Zuiderzeekust maar buiten de West-Friese Omringdijk dat
                                    Enkhuizen heette en een dorpje meer landinwaarts, gelegen rond
                                    de St. Gomaruskapel (huidige Westerkerk), Gommerkarspel genaamd.
                                    De bewoners van Enkhuizen leefden vermoedelijk hoofdzakelijk van
                                    de visserij terwijl de bewoners van Gommerkarspel meer op de
                                    landbouw waren gericht. Het vissersdorp Enkhuizen lag met haar
                                    St. Pauluskapel tot circa 1300 buiten de West-Friese Omringdijk
                                    maar werd daarna verplaatst naar een locatie deels op en deels
                                    achter de dijk. De Breedstraat en de Vischersdijk vormden nu min
                                    of meer het hart van het dorp en de Kapelle van St. Pancras
                                    (huidige Zuiderkerk)werd in deze periode gebouwd. </al>
              <al/>
              <al>In 1355 werden beide dorpen door Hertog Willem van Beieren
                                    samen-gevoegd tot één stad met stadsrechten: Enkhuizen. Dat de
                                    samenvoeging niet direct tot een hechte band leidde, kan
                                    ondermeer worden afgeleid uit het feit dat men probeerde elkaar
                                    met de nieuwbouw of uitbouw van een kerk (Westerkerk:
                                    Gommerkarspel en Zuiderkerk: Enkhuizen) de loef af te steken. Na
                                    de samenvoeging werd wel begonnen aan de verdere uitbouw van de
                                    stad (zie ook Duijn, 2011a). In 1361 begon men met de bouw </al>
              <al>van een haven achter de Breedstraat. Tevens werden in deze
                                    periode verdedigingswerken aangebracht om de stad tegen vijanden
                                    te beschermen. In de loop van de tijd werden steeds nieuwe en
                                    grotere havens aangelegd. Aanleiding hiervoor was de groeiende
                                    handel maar ook de visvangst op de Zuiderzee maakte een grote
                                    bloeiperiode door. </al>
              <al/>
              <al>De Hoekse en Kabeljauwse twisten leidden tegen het einde van de
                                    15e eeuw tot de aanleg van vestingwerken rond de stad. Grachten
                                    werden verbreed,poorten versterkt en voor de stad werden palen
                                    in zee geslagen. In de 16e eeuw werd de stad aan de zuid en
                                    noordkant vergroot en werden opnieuw havens aangelegd. Ook begon
                                    men in 1540 met de bouw van een stenen muur aan de landzijde met
                                    aan het eind de Drommedaris. De scheepvaart, scheepsbouw en de
                                    zouthandel hadden intussen van Enkhuizen een welvarende stad
                                    gemaakt. Deze stad is te zien op de kaart uit circa 1560 uit de
                                    atlas van Jacob van Deventer. Op kaartbijlage 5b zijn de
                                    contouren van de stad rond 1560 aangegeven op de kadastrale
                                    minuutkaart uit het begin van de 19e eeuw (zie kaartbijlage 5b). </al>
              <al/>
              <al>Tegen het einde van de 16e eeuw zouden echter drastische
                                    uitbreidingen en aanpassingen plaatsvinden van de stad. Meest
                                    ingrijpend was de bouw van de fortificatie waarbij
                                    vestingswallen, bastions, stadsgrachten en water-poorten werden
                                    aangelegd. De nieuwe vestingswal had zeven vijfhoekige bastions
                                    waarvan er nu nog 5 over zijn. De grootste uitbreidingen vonden
                                    plaats aan de landzijde van de stad vermoedelijk om ruimte te
                                    bieden voor de snelle groei van de stad. Deze snelle groei bleef
                                    echter uit waardoor met name in het westelijke stadsdeel vele
                                    tuinderijen en buitens ontstonden en aan deze situatie
                                    veranderde maar weinig in de eeuwen die volgden. De tweede helft
                                    van de 17e eeuw liet een teruggang in de welvaart zien. Hoewel
                                    er in deze periode nog nieuwe en kostbare gebouwen werden
                                    gebouwd zoals het stadhuis en de paleizen langs de Wierdijk,
                                    vormden de oorlogen met Engeland en Frankrijk, de terugval in de
                                    haringvisserij, de verzanding van de kust voor Enkhuizen en de
                                    opkomst </al>
              <al>van andere havensteden voor een belangrijke terugval van de
                                    Enkhuizer economie en welvaart. In de 18e en 19e eeuw moesten
                                    zelfs veel van de prachtige gebouwen worden verkocht en gesloopt
                                    omdat het onderhoud niet meer was op te brengen. De sloop van
                                    huizen en de verkoop van de stenen en het hout werden zelfs een
                                    heuse bedrijfstak van enige omvang. </al>
              <al/>
              <al>Tegen het einde van de 19e eeuw vond met de verbetering van de
                                    bevaarbaarheid van de kust voor Enkhuizen alsmede de aanleg van
                                    de spoorlijn Amsterdam-Enkhuizen een opleving van de stad
                                    plaats. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>7 Gespecificeerde archeologische verwachting voor de gemeente Enkhuizen </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.1 Algemeen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor het opstellen van de archeologische verwachtingenkaart van
                                    de gemeente Enkhuizen is gebruik gemaakt van de archeologische
                                    verwachtingenkaart van De Streek. Voor de verwachtingenkaart
                                    zijn de </al>
              <al>ARCHIS-waarnemingen gekoppeld aan de bodemeenheden op de
                                    bodemkaart van De Streek (Ente, 1963: kaartbijlage 1).
                                    Vervolgens is onderzocht of duidelijke (voorkeurs)relaties
                                    bestaan tussen het </al>
              <al>voorkomen van vindplaatsen en bodemeenheden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.2 Opstellen archeologische verwachting gemeente Enkhuizen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor de verwachtingenkaart van De Streek is een onderscheid
                                    gemaakt in de Bronstijd en de Middeleeuwen. </al>
              <al>In De Streek zijn slechts 2 vindplaatsen bekend met een
                                    (betrouwbare) datering in het Neolithicum en 6 vindplaatsen met
                                    een datering IJzertijd/Romeinse tijd. Dit biedt te weinig
                                    onderbouwing voor het opstellen van een verwachtingsmodel. In
                                    het verwachtingsmodel van de Bronstijd zijn overigens wel de
                                    vindplaatsen meegenomen die als beginperiode Neolithicum hebben
                                    en als eindperiode IJzertijd/Romeinse tijd. Voor de
                                    verwachtingenkaart van de gemeente Enkhuizen is de
                                    verwachtingenkaart </al>
              <al>van De Streek één op één overgenomen. </al>
              <tussenkop>
                         7.2.1 Verwachtingsmodel Bronstijd 
                     </tussenkop>
              <al>Voor het verwachtingsmodel van de Bronstijd is een koppeling
                                        gelegd tussen de vindplaatsen uit de Bronstijd en de
                                        bodemeenheden van de bodemkaart van de Streek. Op basis van
                                        deze koppeling is bepaald of een bodemeenheid een hoge,
                                        middelhoge of lage archeologische verwachting heeft voor
                                        vindplaatsen uit de Bronstijd (kaartbijlage 4). </al>
              <al>Een speciale plaats is ingeruimd voor de zogenaamde ‘oude
                                        woongronden’ die door Ente (1963) zijn gekarteerd (bijlage
                                        8; kaartbijlage 1 en 4). Op de luchtfoto-interpretaties van
                                        De Vries-Metz (1993) valt een aantal van deze oude
                                        woongronden samen met mogelijke nederzettingen en/of
                                        perceleringen uit de Midden en Late Bronstijd (figuur 4).
                                        Omdat van de meeste oude woongronden niet precies bekend is
                                        uit welke periode deze dateren, zijn ze als aparte eenheid
                                        op de verwachtingenkaart weergegeven. Lang niet alle oude
                                        woongronden vallen samen met bestaande ARCHIS-meldingen.
                                        Hoewel feitelijk nog niet gecontroleerd is of ter plekke van
                                        de oude woongronden ook daadwerkelijk sprake is van
                                        archeologische waarden, is dit wel zeer aannemelijk. </al>
              <tussenkop>
                         7.2.2 Verwachtingsmodel Middeleeuwen 
                     </tussenkop>
              <al>Voor het opstellen van een verwachtingsmodel voor de
                                        Middeleeuwen is geen gebruik gemaakt van de bodemkaart van
                                        Ente. Het getijdenlandschap was in de Middeleeuwen geheel
                                        overdekt met veen. Middeleeuwse </al>
              <al>bewoning vond dus plaats óp het veen en was niet gekoppeld
                                        aan de onderliggende mariene afzettingen. De bodemkaart, die
                                        wel gebruikt kan worden om inzicht te krijgen in het
                                        voormalige getijdenlandschap, biedt dus geen houvast voor
                                        reconstructie van het intussen verdwenen, middeleeuwse </al>
              <al>veenlandschap. </al>
              <al/>
              <al>Voor het opstellen van het verwachtingsmodel is daarom
                                        uitgegaan van historische gegevens. Het door Besteman en
                                        Guiran (1986) geformuleerde patroon van zich verplaatsende
                                        nederzettingen is daarbij als uitgangspunt genomen
                                        (kaartbijlage 5a). Het gebied (A) waar zich volgens hen de
                                        concentratie van bewoning uit de Karolingische periode
                                        bevindt, is aangegeven met een hoge archeologische
                                        verwachting. </al>
              <al>Ook de bewoningsassen uit de 11e en 12e eeuw (B) hebben een
                                        hoge archeologische verwachting gekregen. Omdat de bewoning
                                        uit de 11e en 12e eeuw naar verwachting toch enigszins
                                        verspreid heeft gelegen, is de bewoningsas ter weerszijden
                                        over een breedte van 200 m gebufferd. Hiermee wordt de
                                        ruimtelijke verspreiding van middeleeuwse huisplaatsen naar
                                        verwachting voldoende ondervangen. Een uitzondering vormt de
                                        voorloper uit de 11e en 12e eeuw van de kerk van
                                        Grootebroek. Omdat deze enigszins buiten de gebufferde zone
                                        viel, is rond deze kerk een buffer van 250 m aangehouden.
                                        Het huidige bewoningslint van Hoogkarspel tot en met
                                        Medemblik (C) vormt het bewoningslint sinds de 13e eeuw. Ook
                                        dit lint heeft een hoge archeologische verwachting gekregen.
                                        Voor de begrenzing van dit bewoningslint is uitgegaan van de
                                        bestaande historische kernen. Naar verwachting heeft de
                                        bewoning in deze kernen dichter rond de bewoningsas
                                        plaatsgevonden, zodat dit bewoningslint niet is gebufferd. </al>
              <al/>
              <al>De watergangen (achterdichtingen) die een rol hebben
                                        gespeeld bij de middeleeuwse ontginning van De Streek hebben
                                        op de verwachtingenkaart een middelhoge archeologische
                                        verwachting gekregen. </al>
              <al/>
              <al>Wel is de bodemkaart gebruikt om de (vermoedelijk) oudste
                                        bewonings-kernen te onderscheiden (‘zeer diep humeuze
                                        gronden’: kaartbijlage 1). Tevens zijn de AMK-terreinen die
                                        behoren tot de historische kernen beschouwd als indicatief
                                        voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de
                                        Middeleeuwen (en/of Nieuwe tijd). Verder is, net als op de
                                        verwachtingenkaart van de Bronstijd, ook op de
                                        verwachtingenkaart </al>
              <al>van de Middeleeuwen een speciale plaats ingeruimd voor de
                                        zogenaamde ‘oude woongronden’ (kaartbijlage 1 en 5). Deze
                                        gronden zouden volgens Ente (1963) de locatie vormen van
                                        bewoning uit het verleden. Omdat van de meeste oude
                                        woongronden niet precies bekend is uit welke periode deze
                                        bewoning dateert, zijn ze als aparte eenheid met een hoge
                                        archeologische verwachting op de verwachtingenkaart
                                        aangegeven. Op kaartbijlage 5a zijn de verschillende
                                        verwachtingszones voor de Middeleeuwen weergegeven. </al>
              <al/>
              <al>Door Archeologie West-Friesland is ten behoeve van
                                        kaartbijlage 5a een kaartanalyse uitgevoerd. Hierbij zijn
                                        enkele historische elementen zoals losse huisplaatsen,
                                        molens etc. nader begrensd. Door het georefereren van de
                                        Kadastrale minuut is het mogelijk gebleken elementen van de
                                        kaart van Dou 1651-1654 te digitaliseren. Deze locaties
                                        krijgen (voor zover niet in een hoge verwachting) een hoge
                                        verwachting. De gegevens zijn voor de beleidsnota ter
                                        beschikking gesteld. </al>
              <al/>
              <al>De vindplaatsen uit de Nieuwe tijd zijn voor de volledigheid
                                        wel afgebeeld op de verwachtingenkaart voor de Middeleeuwen,
                                        maar passen feitelijk niet in het gehanteerde
                                        verwachtingsmodel. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>8 Toelichting op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Enkhuizen </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.1 Algemeen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Normaal gesproken zou voor de uiteindelijke archeologische
                                    vindplaatsen-en verwachtingenkaart van De Streek de
                                    archeologische verwachtingen-kaarten van de Bronstijd en de
                                    Middeleeuwen samengevoegd worden tot één kaartbeeld. Voor de
                                    vindplaatsen-en verwachtingenkaart van Enkhuizen is hier echter
                                    van afgezien, omdat bij het samenvoegen van de
                                    verwachtingswaarden van beide kaartbeelden teveel informatie
                                    over de relatie met het landschap (Bronstijd) en de
                                    gereconstrueerde bewonings-geschiedenis van de Middeleeuwen
                                    verloren zou gaan. De kaartbeelden zoals die in de kaartbijlagen
                                    4 en 5 zijn weergegeven, vormen dus feitelijk samen de
                                    uiteindelijke vindplaatsen-en verwachtingenkaart van de gemeente
                                    Enkhuizen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.2 Zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In zones met een hoge archeologische verwachting wordt de
                                    hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen (m.n.
                                    nederzettingsterreinen) verwacht (kaartbijlagen 4 en 5a:
                                    (donker)rood, oranje en geel; water: blauw). Op basis van de
                                    geologie en bodemopbouw worden de meeste archeologische resten
                                    binnen 1,0 m -Mv verwacht. In zones met een middelhoge
                                    archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen
                                    verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een
                                    hoge </al>
              <al>archeologische verwachting. In principe zou in de zones met een
                                    hoge en middelhoge archeologische verwachting archeologisch
                                    (voor)onderzoek verplicht gesteld moeten worden voor
                                    bodemingrepen dieper dan de bouwvoor. Aard en omvang van het
                                    archeologisch (voor)onderzoek zal sterk afhangen van de aard en
                                    omvang van de geplande bodemingre(e)p(en). </al>
              <al/>
              <al>Voor de waterbodems binnen de gemeentegrenzen geldt eveneens een
                                    (middel)hoge archeologische verwachting.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.3 Zones met een lage archeologische verwachting</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In zones met een lage archeologische verwachting wordt de kans
                                    op het voorkomen van archeologische vindplaatsen klein geacht
                                    (kaartbijlagen 4 en 5a: groen). Wel dient opgemerkt te worden
                                    dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden
                                    uitgesloten (de reeds bekende vindplaatsen in deze zones
                                    bewijzen dit). Voor deze gebieden kan dus wel (beperkt)
                                    archeologisch onderzoek worden voorgeschreven. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.4 Zones met een onbekende archeologische verwachting</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In zones met een onbekende archeologische verwachting is niet
                                    bekend wat er aan archeologische waarden is te verwachten
                                    (kaartbijlagen 4 en 5a: wit). Voor de verwachtingskaart van de
                                    gemeente Enkhuizen is gebruik gemaakt van de bodemkaart van
                                    Ente. Voor de delen van de gemeente die buiten de begrenzing
                                    liggen van deze bodemkaart geldt dus dat geen bodemkundige
                                    informatie beschikbaar is en derhalve ook geen archeologische
                                    verwachting kon worden opgesteld. Omdat de bodemkaart
                                    hoofdzakelijk is gebruikt voor het opstellen van de
                                    verwachtingenkaart van de Bronstijd, geldt dat voor deze periode
                                    veel ‘witte vlekken’ op de kaart aanwezig zijn. Voor de
                                    Middeleeuwen is de bodemkaart niet gebruikt en zijn de
                                    historische kernen meegenomen. Het kaartbeeld van de
                                    archeologische verwachtingen van de Middeleeuwen laat dus minder
                                    ‘witte vlekken’ zien. </al>
              <al>In gebieden met een onbekende archeologische verwachting, zal
                                    feitelijk eerst een gespecificeerde archeologische verwachting
                                    moeten worden opgesteld. Bureauonderzoek, waarbij wordt gekeken
                                    naar historische kaarten en eventuele bodemverstoringen zal
                                    hierbij een eerste stap zijn. Omdat aardkundig bronnenmateriaal
                                    slechts beperkt aanwezig is, zal naar verwachting ook verkennend
                                    booronderzoek moeten worden uitgevoerd om meer inzicht te
                                    krijgen in de bodemkundige en geologische opbouw. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.5 Zones zonder archeologische verwachting</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de gebieden die op kaartbijlage 4 grijs zijn ingekleurd heeft
                                    verstoring van de bodem plaatsgevonden waardoor er geen
                                    archeologische resten meer te verwachten zijn (kaartbijlage 4:
                                    grijs). Voor deze gebieden </al>
              <al>hoeft dus geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
                                </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.6 AMK-terreinen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor AMK-terreinen gelden speciale regels als het gaat om het
                                    uitvoeren van bodemverstorende maatregelen (kaartbijlagen 4 en
                                    5a). De West-Friese Omringdijk is een provinciaal monument zodat
                                    bij ingrepen de provincie Bevoegd Gezag is en zorg draagt voor
                                    vergunningverlening. Voor de overige AMK-terreinen (terreinen
                                    zonder provinciale bescherming) wordt een stapje verder gegaan
                                    dan in de huidige Monumentenwet is vastgelegd, en wordt
                                    aangesloten bij het wetsvoorstel voor de nieuwe monumentenwet. </al>
              <al>Conform het wetsvoorstel dienen archeologische waarden zoveel
                                    mogelijk behouden te worden. </al>
              <al>Dit impliceert dat behoud van de bestaande situatie gewenst is.
                                    Ingrepen die tot (fysieke) aantasting van de verwachte
                                    archeologische waarden leiden, dienen zoveel mogelijk vermeden
                                    te worden. Om een goede naleving van deze beperkende maatregelen
                                    te bevorderen, verdient het aanbeveling om de terreinen op
                                    gemeentelijke bestemmingsplannen een hoofd-of dubbelbestemming
                                    'archeologisch waardevol' gebied te geven en bodemingrepen
                                    dieper dan de bouwvoor aan een aanlegvergunning te koppelen. </al>
              <al>Ook kan de gemeente de terreinen aanwijzen als respectievelijk
                                    gemeentelijk monument. Hiertoe kan een terrein worden aangekocht
                                    of kan het verlies aan inkomsten voor de grondeigenaar/pachter
                                    worden gecompenseerd. De monumentterreinen kunnen een
                                    recreatieve en/of informatieve functie krijgen zoals
                                    bijvoorbeeld een onderdeel van een fiets en/of wandelroute. </al>
              <al/>
              <al>Indien bodemingrepen niet vermeden kunnen worden, dient in een
                                    zo vroeg mogelijke fase van de planvorming archeologisch
                                    onderzoek plaats te vinden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.7 Reeds onderzochte terreinen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Op de vindplaatsen-en verwachtingenkaarten staan terreinen
                                    aangegeven waar reeds archeologisch onderzoek heeft
                                    plaatsgevonden (bijlage 9 en kaartbijlage 4 en 5a). Deze
                                    terreinen kunnen niet zonder meer worden afgeschreven omdat
                                    eerst zal moeten worden bekeken wat de aard van het
                                    archeologisch onderzoek en de betreffende ingrepen is geweest.
                                    Zo zal in gebieden waarvoor alleen een bureauonderzoek is
                                    uitgevoerd eerst moeten worden bekeken of, op basis van de
                                    nieuwe ingrepen, nog aanvullend </al>
              <al>veldonderzoek noodzakelijk is. In veel gevallen zal uit de reeds
                                    uitgevoerde onderzoeken veel informatie kunnen worden gehaald om
                                    de aard en omvang van archeologisch (vervolg)onderzoek te kunnen
                                    bepalen. Een aantal onderzoeksgebieden kan wel worden
                                    vrijgegeven (kaartbijlage 6). De begrenzing hiervan is
                                    aangeleverd door Archeologie West-Friesland. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.8 Verstoring van de bodem</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De archeologische verwachting van een gebied of perceel wordt
                                    sterk bepaald door de mate van bodemverstoring. </al>
              <al>Op basis van de geologische opbouw van het grondgebied van de
                                    gemeente Enkhuizen worden de meeste archeologische resten dicht
                                    aan het maaiveld verwacht. Hierdoor zijn ze echter zeer
                                    kwetsbaar voor verstoring van de bodem. Zoals aangegeven in
                                    hoofdstuk 4 is de mate van verstoring van de bodem niet op
                                    voorhand te bepalen. Tijdens het onderzoek in West-Friesland
                                    Midden bleek dat het opsporen van bodemverstoringen met behulp
                                    van het AHN onvoldoende betrouwbaar was (Molenaar &amp; De Boer,
                                    2005). Om een goede inschatting van de mate van verstoring te
                                    krijgen, zal in veel </al>
              <al>gevallen eerst een (verkennend) booronderzoek te worden
                                    verricht. Op basis van deze gegevens kan dan vaak direct of
                                    indirect een beeld worden verkregen van de mate van verstoring
                                    en kan worden bepaald of de hoge of middelhoge archeologische
                                    verwachtingswaarde kan worden gehandhaafd of </al>
              <al>naar beneden toe moet worden bijgesteld. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        
        <al>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218953.pdf">Literatuurlijst </extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218954.pdf">Afkortingen en Verklarende woordenlijst</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218955.pdf">Figuur 1. Koppeling archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en archeologische beleidsadvieskaart</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218956.pdf">Figuur 2. Beslisschema</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218957.pdf">Figuur 3. Indicatieve kaart Acheologische Waarden</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218958.pdf">Figuur 4. Archeologische vindplaatsen en luchtfoto-sporen</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218959.pdf">Tabel 1. Archeologische tijdschaal</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218960.pdf">Bijlage 1. Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed (herzien)</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218961.pdf">Bijlage 2. Korte toelichting op enkele beleidsstukken van de provincie Noord-Holland</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218962.pdf">Bijlage 3. Vrijstellingen</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218963.pdf">Bijlage 4. Voorstel archeologische onderzoeksagenda gemeente Enkhuizen</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218964.pdf">Bijlage 5a. De cyclus van Archeologische Monumentenzorg op land</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218965.pdf">Bijlage 5b. de AMZ-cyclus onder water</extref>
          <extref doc="/cvdr/images/Enkhuizen/i218966.pdf">Bijlage 8. Catalogus van nieuwe vindplaatsen: oude woongronden in gemeente Enkhuizen</extref>
        </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>