<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR293987_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 gemeente Velsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Velsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Velsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Jutter / De Hofgeest, 4 april 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 gemeente Velsen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand (Wwb)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R13.020</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 gemeente Velsen per 5-4-2013 is komen te vervallen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 gemeente Velsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>WWB:</al><al>de Wet werk en bijstand</al></li><li nr="b."><al>college:</al><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                            Velsen;</al></li><li nr="c."><al>bijstand:</al><al>algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="d."><al>algemene bijstand:</al><al>de bijstand bedoeld in artikel 5 onderdeel b van de
                                            WWB;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand:</al><al>de bijstand bedoeld in artikel 5 onderdeel d van de
                                            WWB;</al></li><li nr="f."><al>maatregel:</al><al>het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18,
                                            lid 2 van de WWB;</al></li><li nr="g."><al>bezit:</al><al>waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                            diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                                            met uitzondering van het in de woning met bijbehorend
                                            erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                            lid, van de wet</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende:</al><al>de persoon die bijstand aanvraagt of ontvangt;</al></li><li nr="i."><al>jongere:</al><al>belanghebbende jonger dan 27 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders bepaald, worden begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de WWB en de
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit tot het opleggen van een maatregel in een
                                    individueel geval met inachtneming van de bepalingen van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels vaststellen voor de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de raad jaarlijks over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 De ernst van het feit</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Tekortschieten</titel></kop><al>De bijstand wordt eenmalig met € 100,00 verlaagd wanneer de
                            belanghebbende naar het oordeel van het college is tekortgeschoten in
                            het verlenen van de medewerking als bedoeld in artikel 17, lid 2 van de
                            WWB.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Ernstig tekortschieten</titel></kop><al>De bijstand wordt eenmalig met € 200,00 verlaagd wanneer de
                            belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is
                            tekortgeschoten in:</al><lijst><li nr=""><al>a. het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr=""><al>b. het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB
                                    wordt aangeboden of die, gezien aard en doel gelijk is te
                                    stellen met een WWB voorziening;</al></li><li nr=""><al>c. het betonen van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                                    het bestaan;</al></li><li nr=""><al>d. zijn gedrag jegens het college;</al></li><li nr=""><al>e. verlenen van medewerking aan het plan van aanpak, als bedoeld
                                    in artikel 44a WWB;</al></li><li nr=""><al>f. medewerking verlenen aan de door het college opgedragen
                                    onbeloonde maatschappelijke nuttige activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Maximering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het recht op algemene bijstand over de maand waarover de
                                    maatregel wordt toegepast minder bedraagt dan de in artikel 3 en
                                    4 vastgestelde verlaging, blijft de verlaging beperkt tot de
                                    hoogte van dat recht.</al></li><li nr="2."><al>Als de maatregel betrekking heeft op bijzondere bijstand kan het
                                    college, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, besluiten
                                    de maatregel te beperken tot een deel van de bijzondere
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Zeer ernstig tekortschieten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstand wordt gedurende één maand met het volledige recht op
                                    bijstand over die maand verlaagd wanneer de belanghebbende naar
                                    het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in
                                    één of meer van de in artikel 3 en 4 genoemde opzichten.</al></li><li nr="2."><al>Van zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het eerste lid is
                                    in elk geval sprake als vaststaat of redelijkerwijs is aan te
                                    nemen dat: </al><lijst><li nr=""><al>a. het beroep door belanghebbende op algemene bijstand
                                            gedurende meer dan een maand het gevolg is van diens
                                            handelen of nalaten;</al></li><li nr=""><al>b. de belanghebbende zich in zijn gedrag jegens het
                                            college schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als
                                            bedoeld in het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorziening door toepassing van een bestuurlijke boete</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van de artikelen 3, 4 en 6 wordt belanghebbende, in
                                    het kader van het bij herhaling schenden van de
                                    inlichtingenplicht bij een voorliggende voorziening, een
                                    maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden
                                    gerekend vanaf de start van de verrekening, indien hij geen
                                    beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende
                                    voorziening omdat die volledig wordt verrekend met een
                                    bestuurlijke boete.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, wordt de maatregel in de tweede
                                    en derde maand, gerekend vanaf de start van de verrekening,
                                    gematigd tot € 200,- indien de belanghebbende redelijkerwijs
                                    niet kan beschikken over bezit ter hoogte van ten minste
                                    driemaal de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 De mate van verwijtbaarheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Weging van het gedrag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de maatregel, gelet op de mogelijkheden van de
                                    belanghebbende en de omstandigheden waaronder het verwijtbare
                                    handelen of nalaten plaatsvond, hoger of lager vaststellen of
                                    vaststellen voor een langere periode dan als bepaald in de
                                    artikelen 3, 4 en 6.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van het eerste lid, houdt het college rekening
                                    met gedragingen uit het voorafgaande jaar, en kan de hoogte of
                                    duur van de maatregel aanpassen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 De omstandigheden van persoon of gezin</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Weging van de gevolgen van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de maatregel, gelet op de omstandigheden van
                                    persoon of gezin, hoger of lager vaststellen dan met toepassing
                                    van de vorige artikelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bij het besluit tot opleggen van een maatregel
                                    rekening houden met latere gedragingen van de belanghebbende in
                                    overeenstemming met zijn verplichtingen ingevolge de WWB.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Het uitvoeren van de maatregel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van het besluit tot opleggen van een maatregel vindt
                            plaats op de eerste betaling van de bijstand, volgend op de bekendmaking
                            van de maatregel, maar niet later dan een jaar na de bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Voorziening door college</titel></kop><al>In gevallen waarin de toepassing van deze verordening een bijzondere
                            hardheid zou betekenen voor de belanghebbende is het college bevoegd om
                            af te wijken van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 7.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Overgangsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de gedraging plaats heeft gevonden vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening, legt het college de
                                    maatregel op overeenkomstig de Maatregelenverordening WWB 2012,
                                    tenzij de nieuwe verordening gunstiger is voor
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de gedraging plaats vindt vanaf de inwerkingtreding van
                                    deze verordening, wordt de maatregel opgelegd op grond van de
                                    Maatregelenverordening WWB 2013.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum waarop deze
                            verordening is gepubliceerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand 2013.gemeente Velsen</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013
                        gemeente Velsen</titel></kop><divisie><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><al>Tot 1 januari 2013 was het schenden van de inlichtingenplicht een
                        maatregelwaardige gedraging. Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping
                        handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Deze wet
                        regelt de gevolgen van die gedraging, met verplichte terugvordering en het
                        opleggen van een boete. Om deze reden is een maatregel voor dit gedrag uit
                        deze verordening gehaald.</al><al>De WWB bepaalt in artikel 18, lid 1 dat het college de bijstand en daaraan
                        verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, de mogelijkheden en
                        de middelen van de belanghebbende.</al><al>In lid 2. van dat artikel wordt dat op de volgende wijze uitgewerkt:</al><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan
                        dan wel de uit deze wet dan wel het artikel 30c tweede en derde lid van de
                        Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                        verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich
                        jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college
                        overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
                        b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>Het college heeft dus de bevoegdheid en de plicht om de bijstand te verlagen
                        binnen de kaders die de raad in de verordening bepaalt.</al><al>Met deze bevoegdheid heeft het college een instrument in handen om het
                        beoogde re-integratiebeleid en handhavingsbeleid te sturen.</al><al>Die verlaging van de uitkering moet niet worden gezien als een vorm van
                        straf maar als een instrument tot gedragsbeïnvloeding. Doel is de
                        belanghebbende aan te zetten tot bijstellen van diens verwijtbare handelen
                        of nalaten.</al><al>De verordening deelt verwijtbare gedragingen in drie categorieën:</al><lijst><li nr=""><al>- tekortschieten;</al></li><li nr=""><al>- ernstig tekortschieten;</al></li><li nr=""><al>- zeer ernstig tekortschieten.</al></li><li nr=""><al>De afweging van verwijtbaar gedrag in het individuele geval en het
                                besluit over de omvang van de verlaging van de bijstand wordt
                                vormgegeven langs drie stappen:</al></li><li nr=""><al>- de ernst van het feit: wat wordt de belanghebbende verweten;</al></li><li nr=""><al>- de mate van verwijtbaarheid: hoe ernstig moet het handelen of
                                nalaten de belanghebbende worden aangerekend;</al></li><li nr=""><al>- de omstandigheden: wat zijn de gevolgen van de verlaging van de
                                bijstand voor persoon en gezin.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting per artikel</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begrippen</titel></kop><al>De in dit artikel beschreven begrippen spreken voor zich.</al><al>Er is in deze verordening gekozen voor het begrip maatregel, omdat dit beter
                        dan het begrip afstemming de bedoeling van het genomen besluit, namelijk om
                        de bijstand te verlagen wegens verwijtbaar handelen of nalaten, weergeeft.
                        Een maatregel beoogt een gedragsverandering teweeg brengen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Opdracht college</titel></kop><al>Het eerste lid is feitelijk een nadere invulling van de wettelijke bepaling
                        zoals verwoord in artikel 18, lid 1.</al><al>Nadere regels, die het college kan vaststellen op grond van de Algemene wet
                        bestuursrecht, zijn gericht op de rechtszekerheid van de belanghebbenden en
                        op de uitvoerbaarheid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Tekortschieten</titel></kop><al>De wet verplicht de belanghebbende in artikel 17, lid 2 en in het artikel
                        30c tweede lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                        (SUWI) tot het verlenen van de noodzakelijk geachte medewerking. Deze
                        medewerkingsplicht is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd de
                        medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van
                        de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                        bestaan zoals het meewerken aan het instellen van een verzoek tot het
                        verkrijgen van kinderalimentatie, het toestaan van een huisbezoek of het
                        meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>De verplichtingen van de belanghebbende kunnen zowel de algemene als de
                        bijzondere bijstand betreffen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Ernstig tekortschieten</titel></kop><al>Uitgangspunt van de wetgever is de zelfstandige bestaansvoorziening van de
                        belanghebbende. Als deze diens verantwoordelijkheid op dit punt niet of
                        onvoldoende nakomt, is er sprake van een ernstige vorm van tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid. Onder het “naar vermogen verkrijgen van
                        algemeen geaccepteerde arbeid” valt ook het tijdens de wachttijd naar
                        vermogen zoeken naar werk of een opleiding van de jongere.</al><al>Met de onder b. bedoelde (re-ïntegratie)voorziening wordt gelijk gesteld een
                        voorziening in het kader van een inburgeringstraject, een traject dat wordt
                        aangeboden door de Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en het
                        niet voldoende meewerken aan het plan van aanpak voor de jongere. Hieronder
                        vallen ook de alleenstaande ouders die zich niet houden aan de
                        verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid onder a WWB.</al><al>Met het onder c. bedoelde betonen van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan wordt onder meer gedoeld op situaties waarbij
                        sprake is van verwijtbaar ontslag, het niet voldoende gezocht hebben naar
                        algemeen geaccepteerde arbeid en / of scholing van de belanghebbende jonger
                        dan 27 jaar, of te snel besteed vermogen, waardoor aanspraak op bijstand
                        ontstaat.</al><al>In onderdeel d. gaat het om verbaal of fysiek agressief gedrag. Met gedrag
                        jegens het college wordt mede bedoeld gedrag ten opzichte van personen die
                        in het kader van de uitvoering van de WWB ten dienste of in opdracht van het
                        college werkzaam zijn. Daaronder vallen tevens personen die betrokken zijn
                        bij de uitvoering van voorzieningen op grond van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Maximering</titel></kop><al>Een maatregel is geen boete. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan het
                        recht op bijstand over de maand of maanden waarin deze is opgelegd.</al><al>Bij bijzondere bijstand kan een maatregel betekenen dat er per saldo geen
                        bijzondere bijstand uitbetaald wordt.</al><al>De hoogte van de maatregel kan ertoe leiden dat de maatregel niet in
                        verhouding staat tot het toegekende bedrag. Het tweede lid voorziet erin dat
                        het college bij lage bedragen voor bijzondere bijstand de maatregel beperkt
                        tot een deel van die bijstand. Dit wordt uitgewerkt in de uitvoeringsregels
                        van het college.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Zeer ernstig tekortschieten</titel></kop><al>Het betreft in dit artikel dezelfde (verwijtbare) gedragingen als in artikel
                        3 en 4, maar dan in ernstiger mate. Dat rechtvaardigt een zwaardere
                        maatregel, namelijk 100% van de uitkering over een maand.</al><al>In het tweede lid is een aantal situaties genoemd waarbij in elk geval
                        sprake is van zeer ernstig tekortschieten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                            voorziening door toepassing van een bestuurlijke boete</titel></kop><al>Met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-Wetgeving wordt ook
                        het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten aangescherpt. Er
                        wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd. Alleen de overige
                        uitvoeringsorganisaties kunnen bij recidive het uitstaande boetebedrag voor
                        een termijn van vijf jaar verrekenen zonder rekening te houden met de
                        beslagvrije voet. Dit betekent dat de belanghebbenden, zodra de verrekening
                        wordt geëffectueerd, in beginsel geen beschikking hebben over hun uitkering
                        en (indien andere middelen ontbreken) een beroep moeten doen op
                        bijstand.</al><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                        voorliggende voorziening verloren is gegaan, aangemerkt als tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid. Eén en ander levert daarom maatregelwaardig
                        gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. Met dit artikel
                        komt de belanghebbende in een vergelijkbare situatie als de recidiverende
                        bijstandsgerechtigde. Hetgeen inhoudt dat ook aan hem in beginsel drie
                        maanden geen bijstand toekomt. Met lid 2 kan hiervan worden afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Weging van het gedrag</titel></kop><al>Bij het oordeel van het college over de mate waarin de belanghebbende is
                        tekortgeschoten wordt meegewogen in hoeverre diens gedraging hem te
                        verwijten valt.</al><al>Hiermee wordt recht gedaan aan de omstandigheden in het individuele geval.
                        Het zal in het algemeen nodig zijn om de belanghebbende te horen.</al><al>Deze weging kan zowel tot een lagere als tot een hogere maatregel leiden of
                        voor een langere periode gelden dan geregeld in de artikelen 3, 4 en 6.</al><al>Let wel: bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen maatregel
                        opgelegd.</al><al>Het zijn bij het tweede lid situaties waarin sprake is van herhaald
                        verwijtbaar gedrag</al><al>(recidive). Hierbij wordt bij het besluit voor een "nieuwe" maatregel een
                        eerder besluit op een maatregel meegenomen, als een eerder besluit of
                        besluiten voor een maatregel korter dan 1 jaar daarvoor heeft of hebben
                        plaatsgevonden.Dat zal dus meestal leiden tot een hogere maatregel of een
                        langere periode van de maatregel. Als richtlijn bij herhaald verwijtbaar
                        gedrag (recidive) kan gekozen worden voor een verdubbeling van de eerder
                        opgelegde maatregel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Weging van de gevolgen van de maatregel</titel></kop><al>Als de maatregel leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende of
                        diens gezin, kan deze worden gematigd. Ook hier is dus een individuele
                        afweging vereist.</al><al>Een maatregel beoogt gedragsbeïnvloeding. Als de belanghebbende inmiddels
                        aantoonbaar zijn gedrag heeft verbeterd kan dat aanleiding zijn om de
                        maatregel lager vast te stellen of niet op te leggen als positieve prikkel.
                        Dit is vastgelegd in het tweede lid. Indien het gaat om een maatregel
                        opgelegd voor een periode langer dan 3 maanden, moet binnen 3 maanden het
                        besluit tot het opleggen van deze maatregel worden heroverwogen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Uitvoering</titel></kop><al>Tot de maatregel wordt zo snel mogelijk besloten (lik op stuk) en het
                        besluit wordt per gemotiveerde beschikking aan de belanghebbende
                        bekendgemaakt.</al><al>De verlaging vindt plaats op de volgende betaling van de bijstand en is dus
                        toekomstgericht. Dit sluit aan bij de gedachte dat de maatregel een
                        instrument tot gedragsbeïnvloeding is.</al><al>Als de verwijtbare gedraging betrekking heeft op de aanspraak op nog niet
                        betaalde bijzondere bijstand, dan kan de verlaging ook daarmee worden
                        verrekend.</al><al>Heeft de belanghebbende geen recht (meer) op bijstand, dan kan op dat moment
                        geen maatregel worden opgelegd. Maakt hij echter binnen een jaar nadien weer
                        aanspraak op bijstand, dan kan alsnog worden besloten de verlaging toe te
                        passen. Een verlaging op grond van gedragingen, genoemd in deze verordening,
                        kan eveneens worden toegepast op de bijzondere bijstand, voor algemene
                        bestaanskosten, die aan belanghebbenden op grond van artikel 12 WWB wordt
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Overgangsregeling</titel></kop><al>Op grond van deze overgangsregeling worden de gedragingen van voor 1 januari
                        2013 beoordeeld volgens de Maatregelenverordening WWB 2012, tenzij de nieuwe
                        verordening gunstiger is voor de belanghebbende.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>