<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR293135_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Welstandsnota 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Rotonde 17-5-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Welstandsnota 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WONINGWET">Woningwet, art. 12a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Welstandsnota 2012 vervangt de Welstandsnota vastgesteld d.d. 13 februari 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5308</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5309</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5310</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5311</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5312</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5313</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Welstandsnota 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Eemnes</al><al/><al>gelezen het voorstel d.d. 19 februari 2013 van burgemeester en
                        wethouders</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>de Welstandsnota 2012 vast te stellen</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al> A: Algemeen</al><al/><al> 1 Welstandsbeleid </al><al/><al> 1.1 Aanleiding, doel en opbouw van de welstandsnota </al><al>De welstandsnota zoals die voor u ligt is opgesteld in het kader van de
                            per 1 januari 2003 herziene Woningwet. De nota beschrijft het
                            welstandsbeleid van de gemeente Eemnes en dient als toetsingskader voor
                            de welstandstoetsing in het kader van een bouwplanprocedure. In artikel
                            12a van de Woningwet is bepaald dat de gemeenteraad een welstandsnota
                            vaststelt met beleidsregels waarin de criteria zijn opgenomen die
                            burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een
                            omgevingsvergunningaanvraag op welstandsvereisten. Daarbij gaat het om
                            de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel
                            op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten
                            ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.
                            De voorliggende welstandsnota voorziet in de bedoelde criteria. Daarbij
                            biedt het, als beleidsdocument, ruimte voor nieuwe accenten en
                            inzichten.</al><al/><al>De gemeente Eemnes heeft in de aanvangsfase samengewerkt met de
                            gemeenten Baarn en De Bilt. Er heeft afstemming plaats gehad ten aanzien
                            van de ruimtelijk samenhangende buitengebieden en de bebouwing die daar
                            in voorkomt. Dat heeft geresulteerd in een in 2004 vastgestelde
                            welstandsnota voor de gemeente Eemnes. Eind 2007 is de welstandsnota op
                            onderdelen aangepast en op 13 februari 2009 is die gewijzigde versie in
                            werking getreden.</al><al>Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                            en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met deze wet
                            heeft de wetgever de mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen vergroot.
                            De Wabo en het Bor geven aan welke bouwplannen (en welke andere
                            activiteiten) omgevingsvergunningplichtig zijn en vormen daarmee de
                            basis voor de welstandstoetsing. Alleen vergunningplichtige bouwwerken
                            kunnen vooraf op welstand worden getoetst. Naar aanleiding van
                            inwerkingtreding van de Wabo is voorliggende welstandsnota aangepast aan
                            de nieuwe terminologie.</al><al/><al> 1.2 Leeswijzer </al><al>Het weigeren van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen
                            wegens ‘strijd met redelijke eisen van welstand’ is ingrijpend. Dat zo’n
                            oordeel goed is onderbouwd en de criteria democratisch zijn vastgesteld,
                            dat het in alle openheid tot stand komt en dat er op te anticiperen
                            valt, dat is de achtergrond van de Woningwet. De welstandsnota moet
                            daaraan invulling geven op een wijze die de gevraagde duidelijkheid
                            verschaft.</al><al>Daarnaast is het opstellen van de welstandsnota uiteraard ook een goede
                            gelegenheid om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als geheel tegen het
                            licht te houden en de plaats van welstand daarbij duidelijk te maken. De
                            achtergronden daarvoor worden in dit eerste hoofdstuk van deel A
                            (Algemeen) geschetst. Hoofdstuk 1 van dit deel geeft een algemeen
                            overzicht van de uitvoering van het beleid en de daarin opgetreden of
                            optredende veranderingen. Een overzicht van het beschikbare
                            instrumentarium voor de welstandsnota is te vinden in hoofdstuk 2.</al><al/><al>Deel B (Beleidsregels) omvat de specifieke beleidskeuzen van de gemeente
                            Eemnes. In hoofdstuk 3 komen de criteria voor kleine plannen aan de
                            orde. Daarna volgen in hoofdstuk 4 de objectcriteria voor veel
                            voorkomende objecten in het buitengebied, zoals (agrarische)
                            bedrijfsbebouwing en burgerwoningen. In hoofdstuk 5 moet de nadere
                            ruimtelijke analyse van het buitengebied een antwoord moet geven op de
                            vraag of (en zo ja, hoe) er aanleiding is om de welstandscriteria naar
                            (deel-)gebied te differentiëren. In hoofdstuk 6 wordt nader op de kern
                            Eemnes ingegaan. Daarbij worden de te onderscheiden deelgebieden
                            beschreven en van gebiedsgerichte criteria voorzien.</al><al>Hoofdstuk 7 bevat de procedurevoorschriften bij nieuwe projecten,
                            terwijl in hoofdstuk 8 de toepassing van de excessenregeling wordt
                            belicht. De algemene welstandscriteria worden in hoofdstuk 9 aangegeven.
                            Dan volgt de Welstandskaart waarop de onderscheiden welstandsgebieden
                            binnen de gemeente Eemnes zijn weergegeven (hoofdstuk 10).</al><al/><al>Tot slot zijn in deel C bijlagen toegevoegd die het gebruik van de nota
                            kunnen vergemakkelijken zoals het samen met de gemeenten Baarn en De
                            Bilt opgestelde ruimtelijke kader van de gemeente, de monumentenlijst,
                            een lijst van gebruikte begrippen en de volledige tekst van de algemene
                            welstandscriteria.</al><al/><al>In praktijk zal de welstandsnota niet als leesboek worden gebruikt. De
                            gemiddelde burger met bouwplannen hoeft niet de hele nota te lezen. Wie
                            wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, zal eerst
                            kijken of het beoogde bouwwerk valt onder de veel voorkomende kleine
                            plannen als dakkapellen en uitbouwen waarvoor met criteria voor kleine
                            plannen kan worden volstaan. Is dit niet het geval, dan gelden de
                            gebiedsgerichte criteria of de criteria voor specifieke bouwwerken. Deze
                            zijn minder vast omlijnd dan die voor veel voorkomende kleine plannen,
                            omdat het meer relatieve criteria zijn. Ze laten meer ruimte over voor
                            interpretatie. De welstandsnota is bedoeld als stimulans om een betere
                            kwaliteit te bereiken. Om deze reden is een ruimtelijke analyse
                            uitgevoerd, waarop de welstandsbeleidskaarten zijn gebaseerd.</al><al>Het kan voorkomen, dat de gebiedsgerichte en objectgerichte
                            welstandscriteria ontoereikend zijn voor de beoordeling, maar het
                            project wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Voor het geven van
                            een advies over dergelijke gevallen zijn algemene criteria opgenomen,
                            die ingaan op de bijzondere kwaliteiten van een plan. In praktijk zal
                            gelden, dat aan een plan hogere eisen worden gesteld naarmate het zich
                            meer van zijn omgeving onderscheidt.</al><al/><al> 1.3 Gebruik van de welstandsnota </al><al>Wie in Nederland iets wil bouwen of verbouwen van enig formaat heeft
                            daarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen nodig. Burgemeester en
                            wethouders (het bevoegd gezag) mogen (en moeten!) die
                            omgevingsvergunning verlenen als het bouwwerk voldoet aan: het
                            bouwbesluit, het bestemmingsplan, de bouwverordening én aan redelijke
                            eisen van welstand.</al><al>Het is dus een wettelijk vereiste dat een bouwplan naar uiterlijke
                            verschijningsvorm voldoet aan hetgeen daarover is bepaald in de
                            Woningwet en wat er in het kort op neerkomt dat een bouwplan moet worden
                            getoetst op zijn visuele kwaliteit, op zichzelf en in relatie tot zijn
                            omgeving. Daar is het algemeen belang mee gediend, want de buitenkant
                            van het gebouw is de binnenkant van stad of dorp.</al><al>Een ieder kan in de welstandsnota opzoeken welke welstandscriteria bij
                            de welstandsbeoordeling een rol zullen spelen. De welstandscriteria zijn
                            duidelijk geformuleerd en afgeleid van de bestaande omgeving.</al><al>Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen of aanpassingen van bestaande
                            bouwwerken moet daarmee rekening worden gehouden. Wie bouwplannen heeft,
                            kan al vroeg in het ontwerpproces in overleg treden met de gemeente
                            zodat snel duidelijk is of die plannen kans van slagen hebben.</al><al>De welstandsnota is vooral een sturend en stimulerend hulpmiddel en niet
                            zozeer een instrument om van alles te verbieden. Voorkomen moet worden
                            dat er gebouwen worden gerealiseerd die afbreuk doen aan de omgeving. In
                            zo'n geval krijgt de indiener gelegenheid de plannen aan te passen. Ook
                            dat hoort bij sturen en stimuleren.</al><al/><al>De belangrijkste uitgangspunten voor het welstandsbeleid van Eemnes
                            zijn:</al><al> Welstandstoezicht als instrument voor handhaven en versterken van
                            ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit van Eemnes is voor een
                            groot deel te vinden in het samenspel en afwisseling van de bebouwing.
                            Behoud en kwaliteit zijn de kernbegrippen voor het beheer van de
                            ruimtelijke kwaliteit en daarmee voor welstand, dat plannen voor
                            gebouwen moet beoordelen in hun omgeving. Openbaarheid en
                            inzichtelijkheid. Het welstandstoezicht moet objectiever en
                            transparanter voor de burgers worden, door duidelijke welstandscriteria
                            en door een open(bare) werkwijze. 1.4 Relatie met overig ruimtelijk
                            beleid </al><al>Adequate plannen voor een goede ruimtelijke ordening zoals
                            bestemmingsplannen en beeldkwaliteitplannen blijven onverminderd van
                            belang. Dat geldt ook voor een doeltreffend sectorbeleid zoals het
                            monumenten- en archeologiebeleid, of een rolluiken- of
                            reclameverordening. Ook een stimuleringsbeleid op het gebied van
                            architectuur of het opdrachtgeverschap kan niet worden gemist als het
                            gemeentelijk streven verder gaat dan ‘redelijke eisen van welstand’. In
                            feite vormt juist dit overige beleid de achtergrond voor
                            welstandsbeoordeling. In het bovenstaande schema is aangegeven hoe de
                            criteria voor welstandstoetsing worden opgebouwd vanuit het ruimtelijke
                            ordeningsbeleid aan de ene kant en het sectorbeleid aan de andere
                            kant.</al><al>Tegen die achtergrond is nog wel een vertaalslag nodig voor het
                            vaststellen van welstandscriteria. Het is gewenst om van tevoren te
                            weten hoe zwaar het belang is dat aan de visuele kwaliteit wordt
                            gehecht: de mate waarin. Tevens moet er geanticipeerd kunnen worden op
                            de aspecten die bij de beoordeling aan de orde zullen komen: de wijze
                            waarop. </al><al>De criteria worden weliswaar in belangrijke mate ontleend aan de
                            stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke context maar
                            zijn zelf bouwkundig en situatief van aard; het gaat om het bouwwerk en
                            de plaatsing ervan. Daarbij mag de welstandstoets niet in het vaarwater
                            van het bestemmingsplan terecht komen. Het bestemmingsplan regelt, voor
                            zover nodig voor een goede ruimtelijke ordening, de functie, de
                            bouwplaatsen en de afmetingen van bouwwerken. Welstandscriteria mogen de
                            geboden ruimte in het bestemmingsplan niet wezenlijk beperken. Als het
                            bestemmingsplan alternatieve mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld in de
                            plaatsing van een bouwwerk of een zekere afwisseling in de goothoogte
                            dan kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen
                            stedenbouwkundige of architectonische oplossing afbreuk doet aan de
                            ruimtelijke beleving. Dit gebeurt dan uiteraard op basis van de
                            welstandscriteria.</al><al/><al>In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn
                            opgenomen in andere documenten zoals beeldkwaliteitsplannen. Die moeten
                            dan wel voldoen aan dezelfde eisen: vaststelling in de vorm van
                            beleidsregels door de gemeenteraad, inspraak conform de gemeentelijke
                            inspraakverordening enzovoort. Verwerking van die criteria in de
                            welstandsnota zelf verdient de voorkeur. Omgekeerd geldt dat waar in een
                            gemeentelijke verordening naar een welstandstoets wordt verwezen, zoals
                            in de reclame- of terrassenverordening, de welstandsnota daarop
                            toegesneden criteria moet bevatten.</al><al/><al> 1.5 Vaststelling en evaluatie </al><al>De gemeenteraad stelt de (aanpassingen van de) welstandsnota vast.
                            Burgemeester en wethouders én de welstandscommissie leggen ten minste
                            eenmaal per jaar een verslag (evaluatie) voor aan de gemeenteraad. Op
                            grond daarvan kan tot bijstelling van het welstandsbeleid en/of de
                            -criteria worden besloten.</al><al/><al> 2 Beleidsinstrumenten</al><al/><al> 2.1 Inleiding </al><al>Hoewel de Woningwet vraagt om zo concreet mogelijke criteria zal het
                            duidelijk zijn dat ’recepten’ voor goede architectuur niet gegeven
                            kunnen worden. Bij de zogenaamde kleine bouw kunnen de grenzen van wat
                            aan redelijke eisen voldoet redelijk scherp worden getrokken (criteria
                            voor kleine plannen). Naarmate de complexiteit en de omvang van de
                            bouwopgave toenemen, zullen de criteria minder letterlijk worden en
                            wordt inschakeling van de welstandscommissie meer noodzakelijk. Dat
                            geeft weliswaar minder zekerheid en duidelijkheid voor de burger maar
                            het vergroot de vrijheid voor vernieuwing en oorspronkelijkheid in het
                            architectonisch ontwerp. De gemeente Eemnes hecht daar immers veel
                            waarde aan. Dan kan teruggegrepen worden op de algemene
                            welstandscriteria die aan ieder welstandsadvies ten grondslag liggen.
                            Dat is bijvoorbeeld het geval als de indiener van een bouwplan beslist
                            zijn eigen weg wil volgen en het college van burgemeester en wethouders
                            daaraan mee willen werken. Ook wanneer de objectcriteria of de
                            gebiedscriteria ontoereikend blijken zal de welstandscommissie op deze
                            algemene criteria steunen in haar advies aan burgemeester en
                            wethouders.</al><al/><al>Voor kleine bouwplannen die niet vergunningsvrij zijn zal eerst worden
                            nagegaan of ze binnen de termen van de criteria voor kleine plannen
                            kunnen worden afgehandeld. Dit type welstandscriteria is dermate
                            concreet dat een aspirant-bouwer als het ware vooraf zelf kan beoordelen
                            of zijn bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.</al><al>Deze benadering kan ook betrekking hebben op de beoordeling van
                            omgevingsvergunningplichtige specifieke objecten waarbij het object, het
                            bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop staat. Dit zijn de objectcriteria.
                            Voorts is een differentiatie van de welstandscriteria naar gebieden
                            mogelijk (gebiedsgerichte criteria).</al><al/><al>In het navolgende worden de aard en de werking van de verschillende
                            soorten welstandscriteria beschreven. In deel B komen deze opnieuw aan
                            de orde, als beleidskeuzen van de gemeente Eemnes.</al><al/><al> 2.2 Criteria voor kleine plannen </al><al>In dit hoofdstuk worden de criteria gegeven voor de welstandstoets van
                            enkele veel voorkomende kleine plannen. In tegenstelling tot alle
                            relatieve welstandscriteria gaat het in dit hoofdstuk om vrijwel
                            absolute, objectieve criteria die de planindiener vooraf maximale
                            duidelijkheid geven. De criteria voor kleine plannen kunnen gezien
                            worden als een verzameling ‘standaardoplossingen’ die in elk geval geen
                            bezwaren zullen oproepen.</al><al>In het beschermde dorpsgezicht en bij de door het Rijk, de provincie of
                            de gemeente aangewezen beschermde monumenten, zijn de elders
                            vergunningsvrije bouwwerken, in sommige gevallen
                            omgevingsvergunningplichtig. Dat betekent dat voor die gevallen een
                            omgevingsvergunning voor bouwen moet worden aangevraagd.</al><al/><al> 2.3 Objectgerichte criteria </al><al>Deze criteria kunnen hebben betrekking op de beoordeling van specifieke
                            objecten waarbij het object, het bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop
                            staat. Dit betreft bijvoorbeeld hallenhuisboerderijen, (agrarische)
                            bedrijfsbebouwing of (burger-)woningen in het buitengebied. Daarnaast
                            kan het betrekking hebben op omgevingsvergunningplichtige bouwwerken,
                            zoals dakopbouwen.</al><al>De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met
                            de hierna beschreven gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij
                            gaat het steeds om 'relatieve' welstandscriteria. De bouwplannen worden
                            altijd aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling de
                            criteria interpreteert in het licht van het concrete bouwplan.</al><al/><al> 2.4 Gebiedsgerichte criteria </al><al>De gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden. De
                            wijze van indeling in gebieden kan functioneel of topografisch zijn; dat
                            wil zeggen naar soort gebruik zoals woon- en werkgebieden, het
                            voorzieningencentrum, naar open en meer besloten landschappen en/of naar
                            specifieke plaatselijke kenmerken los van de functie die het gebied voor
                            de gemeente heeft.</al><al/><al>Voor bouwplannen die niet met de criteria voor kleine plannen kunnen
                            worden beoordeeld is bij het opstellen van welstandscriteria een
                            gebiedsgerichte aanpak gevolgd. Het zijn criteria waar men op moet
                            letten als men wil bouwen of verbouwen in een bepaald gebied. Met deze
                            gebiedsgerichte welstandscriteria wordt ook aangegeven in welke gebieden
                            bijzondere kwaliteiten aanwezig zijn en extra inspanningen worden
                            verwacht.</al><al>Het voordeel van een functionele indeling is ongetwijfeld de
                            rechtszekerheid; in gelijke omstandigheden geldt een gelijk
                            welstandsbeleid. Bovendien zal daarop eensluidend beleid van toepassing
                            zijn. Met een topografische indeling kan meer rekening worden gehouden
                            met bijzondere omstandigheden maar dat zal niet altijd tot begrip leiden
                            voor de verschillende uitkomsten die daarvan het gevolg zijn. Door de
                            combinatie van vooral functionele gebiedsgerichte criteria met daar op
                            toegespitste welstandstoetsing kan eveneens rekening worden gehouden met
                            plaatselijke bijzonderheden. Zo wordt ook voorkomen dat het aantal
                            deelgebieden te groot en dus onoverzichtelijk wordt.</al><al/><al> 2.5 Algemene beoordelingscriteria </al><al>In een enkel geval zal het voorkomen dat de gebiedsgerichte en
                            objectgerichte welstandscriteria ontoereikend of te beperkend zijn. Het
                            kan gebeuren dat een plan wél voldoet aan redelijke eisen van welstand
                            maar niet aan de gebiedsgerichte of objectgerichte criteria. Daarom zijn
                            in de nota ook algemene criteria opgenomen, waarmee een bouwplan geheel
                            op zichzelf, op de eigen architectonische kwaliteiten kan worden
                            beoordeeld. Deze criteria kunnen niet te pas en te onpas worden
                            gebruikt. Het moet gaan om uitzonderlijke bouwwerken die op zichzelf een
                            positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Ze zijn voor
                            onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken. Als stelregel geldt
                            daarbij dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en de
                            architectuur, naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving
                            onderscheidt.</al><al/><al>De welstandstoetsing vindt plaats aan de hand van de volgende
                            aspecten:</al><al> het gebouw in zijn omgeving; het gebouw op zichzelf; de detaillering;
                            het kleur- en materiaalgebruik. </al><al>Deze algemene welstandscriteria vormen thans een vangnet voor die
                            gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Criteria zijn
                            er om de voorspelbaarheid en doorzichtigheid van het welstandsbeleid te
                            vergroten, niet om gemakzucht een kans te geven.</al><al/><al>Welstandscriteria ‘nieuwe stijl’ zijn bovendien beleidsregels waaraan
                            het gemeentebestuur gehouden is, maar waarvan de burger mag vragen ze op
                            zijn bouwplan niet van toepassing te laten zijn. In dat geval moet het
                            college van burgemeester en wethouders over andere instructies aan de
                            welstandscommissie kunnen beschikken. In hoofdstuk 9 van de
                            Beleidsregels wordt daar nader op ingegaan. Daarbij is gebruik gemaakt
                            van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof. ir Tj. Dijkstra. De
                            complete tekst is te vinden in een bijlage.</al><al/><al> 2.6 Nieuwe projecten </al><al>De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor
                            (her-)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en
                            karakteristiek doorbreken en waarvoor het ter plaatse geldende
                            bestemmingsplan ook geen ruimte laat. Dergelijke welstandscriteria
                            kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet
                            stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt.</al><al>De welstandsnota beperkt zich in dit verband tot een
                            procedurevoorschrift (zie hoofdstuk 7). Daarbij is tevens een
                            constructie nodig wanneer met het bouwen begonnen wordt voordat de
                            gemeenteraad de nieuwe welstandscriteria heeft vastgesteld.</al><al/><al> 2.7 De welstandscommissie </al><al>De wettelijke taak van de welstandscommissie is het uitbrengen van
                            adviezen aan burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of het
                            uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag om
                            omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van
                            welstand. Het welstandsadvies is gebaseerd op de in deze welstandsnota
                            genoemde criteria. De vergaderingen van de welstandscommissie zijn
                            openbaar.</al><al/><al>Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door
                            de gemeenschap i.c. de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de
                            openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden
                            daaraan te leveren. Een beschermd stads- of dorpsgezicht vraagt om een
                            specifieke benadering. Langs de oorspronkelijke routes en de
                            hoofdinfrastructuur zijn ze het visitekaartje van het dorp, zoals de
                            Wakkerendijk/Meentweg. Hier zullen de welstandscriteria betrekking
                            hebben op de aspecten bebouwing en omgeving, het bouwwerk op zichzelf en
                            detaillering, kleur- en materiaalgebruik. In het geval van een ‘normale’
                            woonstraat gaat het vooral om het handhaven en stimuleren van een zekere
                            basiskwaliteit voor de dagelijkse woon- en leefomgeving. Daarbij zal
                            steeds de omgeving uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met
                            daarnaast specifieke kenmerken van de bebouwing zelf en/of de
                            detaillering en het kleur- en materiaalgebruik ervan.</al><al/><al> 2.8 Afwijken van het welstandsadvies? </al><al>Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies
                            van de welstandscommissie. Zij kunnen evenwel afwijken van het advies
                            van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de
                            welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                            geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste
                            criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een
                            aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen op inhoudelijke grond
                            tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, dan kunnen zij,
                            voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen
                            de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een nader advies vragen. Het
                            advies van deze commissie gaat boven het advies van de reguliere
                            welstandscommissie en speelt een zware rol bij de verdere
                            oordeelsvorming van burgemeester en wethouders.</al><al>Afwijken om andere redenen kan ook op basis van artikel 2.10 lid 1 onder
                            d Wabo. Dat biedt de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met
                            redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen
                            indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat daarvoor andere
                            redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. In
                            Eemnes zullen burgemeester en wethouders uiterst terughoudend zijn met
                            het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet
                            snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke
                            belangen.</al><al/><al>Indien burgemeester en wethouders afwijken van het advies van de
                            welstandscommissie dan wel de 'second opinion', wordt dit in de
                            beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen
                            gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte
                            gesteld.</al><al/><al> 2.9 Excessenregeling </al><al>De gemeente heeft de mogelijkheid om repressief (achteraf) in te grijpen
                            indien bouwwerken in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen
                            van welstand. Dat het geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken of
                            vergunningsvrije activiteiten zoals schilderwerk. Op grond van artikel
                            13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar
                            aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. De daarbij
                            gehanteerde criteria moeten in de welstandsnota worden vermeld (zie
                            hoofdstuk 8).</al><al/><al/><al/><al> Deel B: Beleidsregels</al><al/><al/><al> 3 Criteria voor kleine plannen</al><al/><al>In het ‘Besluit omgevingsrecht’ (Bor) zijn alle bouwwerken opgesomd die
                            onder bepaalde voorwaarden omgevingsvergunningsvrij, en dus
                            ‘welstandsvrij’. Alle andere bouwwerken zijn
                            omgevingsvergunningsplichtig. Voor een aantal nauwkeurig benoemde kleine
                            bouwwerken zijn ‘criteria voor kleine plannen’ opgesteld. Dat zijn
                            zodanig helder geformuleerde welstandsregels dat zij voor iedereen
                            begrijpelijk zijn en in principe door de vergunningsaanvrager kunnen
                            worden getoetst.</al><al/><al>Het gaat om de volgende kleine bouwwerken:</al><al> aan- of uitbouwen; bijgebouwen of overkappingen; kozijn- of
                            gevelwijzigingen; dakkapellen; erf- of perceelafscheidingen;
                            zonnecollectoren of zonnepanelen; zonweringen of (rol)luiken. </al><al/><al>Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet
                            omgevingsvergunningsvrij is moet een omgevingsvergunning worden
                            aangevraagd. In dat geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie
                            regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen.</al><al/><al>Als het bouwplan past binnen het bestemmingsplan wordt het bouwplan door
                            de rayonarchitect/de welstandscommissie of door een daartoe bevoegd
                            persoon getoetst. Voldoet het plan aan de criteria dan wordt een
                            positief welstandsoordeel gegeven. Indien een bouwwerk niet voldoet aan
                            de criteria voor kleine plannen, omdat sprake is van een bijzonder
                            ontwerp of van een bijzondere situatie, zoals aan een monument of in het
                            beschermd dorpsgezicht, dan kan het bouwplan voorgelegd worden aan de
                            welstandscommissie.</al><al>Dat is ook het geval als er twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de
                            criteria voor kleine plannen. De welstandscommissie maakt bij de
                            beoordeling van het bouwplan –voor zover van toepassing– gebruik van de
                            criteria voor kleine plannen, de objectcriteria, de gebiedsgerichte en
                            algemene welstandscriteria.</al><al/><al>Voorerfgebieds- en achtererfgebiedsbenadering</al><al>Er wordt onderscheid gemaakt tussen het voorerf- en achtererfgebied. Het
                            achtererfgebied is het erf aan de achterkant en de niet naar openbaar
                            toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant,
                            van het hoofdgebouw. Het voorerfgebied is dat deel van het erf dat geen
                            onderdeel is van het achtererfgebied.</al><al/><al>Standaardplan</al><al>Eerst wordt vermeld of de zogenaamde trendsetterregeling van toepassing
                            is. Dat is het geval als een zelfde bouwwerk in dezelfde omstandigheden
                            al is vergund of als er al een goedgekeurd ontwerp voor is gemaakt. De
                            gemeente gebruikt deze trendsetters als welstandstoets. In sommige
                            gevallen, zoals bij alle dakkapellen of bij een aan- of uitbouw aan de
                            voorgevel, is de trendsetter verplicht gesteld. Informatie over de
                            standaardplannen is verkrijgbaar bij de gemeente.</al><al>Dan volgen de welstandscriteria, als er geen trendsetter aanwezig is.
                            Naar inhoud hebben deze, indien van toepassing, betrekking op de
                            plaatsing, de vorm, de maatvoering, de detaillering en het materiaal- en
                            kleurgebruik.</al><al/><al>Omgevingsvergunning en welstandstoetsing</al><al>De toepassing van welstandstoetsing is gekoppeld aan de
                            omgevingsvergunningsplicht voor bouwen. Onder bepaalde voorwaarden mag
                            zonder omgevingsvergunning worden gebouwd. Deze wordt dan ook niet
                            preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand.</al><al/><al>In uitzonderingsgevallen, wanneer een bouwwerk in ernstige mate in
                            strijd is met redelijke eisen van welstand kan de gemeente achteraf met
                            behulp van de Excessenregeling ingrijpen. De eigenaar wordt dan verzocht
                            het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het
                            omgevingsvergunningsvrij is.</al><al/><al> 3.1 Aan- of uitbouwen </al><al>Criteria voor een aan- of uitbouw in het achtererfgebied</al><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand aan- of uitbouw of een
                            bestaande overkapping in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen
                            in een vergelijkbare situatie, dat/die minder dan 5 jaar geleden met een
                            positief welstandsadvies zijn vergund, of </al><al/><al> B. het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor
                            een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al>C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria:</al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>direct aan en binnen de oorspronkelijke achter- of zijgevel, 1 m terug
                            van de voorgevelrooilijn.</al><al/><al/><al>Vorm</al><al> plat afgedekt; gevelindeling evenwichtig en afgestemd op het
                            hoofdgebouw. </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> tot 3 m uit de oorspronkelijke achter- of zijgevel; niet hoger dan: 4
                            m, gemeten vanaf het aansluitende terrein, 0,25 m boven de vloer van de
                            eerste verdieping en 0,30 m onder de gootlijn en de woning of het
                            woongebouw; daktrim, bovendorpel of boeiboord minder dan 0,25 m. </al><al/><al/><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al> overeenkomstig het hoofdgebouw; op de erfgrens: een gemetselde gevel. </al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>overeenkomstig het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al>Criteria voor een aan- of uitbouw in het voorerfgebied</al><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> A. het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand bijgebouw of een
                            bestaande overkapping in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen
                            in een vergelijkbare situatie, dat/die minder dan 5 jaar geleden met een
                            positief welstandsadvies zijn vergund, of B. het bouwwerk is
                            overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen
                            heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief
                            welstandsadvies is gegeven, of </al><al>C. het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: (*):</al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>gebouwd aan:</al><al> de oorspronkelijke voorgevel; een naar de weg of het openbaar groen
                            gekeerde oorspronkelijke zijgevel, 1 m terug van de voorgevellijn. </al><al/><al/><al>Vorm</al><al> plat afgedekt; rechthoekige hoofdvorm; gevelindeling evenwichtig en
                            afgestemd op het hoofdgebouw; kozijnhoogte en hoogteplaatsing gelijk aan
                            het oorspronkelijke raam en zonder vergroting van de oorspronkelijke
                            gevelopening(en). </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> niet hoger dan: 4 m, gemeten vanaf het aansluitende terrein, 0,25 m
                            boven de vloer van de eerste verdieping en 0,30 m onder de gootlijn, en
                            de woning of het woongebouw; diepte aan de voorgevel minder dan 1 m en
                            aan de zijgevel minder dan 3 m; daktrim, bovendorpel of boeiboord minder
                            dan 0,25 m; </al><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al> overeenkomstig het hoofdgebouw; aan voorgevel: rondom van glas voorzien
                            en een gemetselde borstwering; op de erfgrens: een gemetselde gevel. </al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>overeenkomstig het hoofdgebouw.</al><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al> (*) Indien voor een aan- of uitbouw aan de voorgevel een trendsetter,
                            zoals bedoeld onder A of B beschikbaar is, moet deze gevolgd worden. 3.2
                            Bijgebouwen of overkappingen </al><al>Criteria voor een bijgebouw of overkapping in het achtererfgebied en
                            niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijerf</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand bijgebouw of een bestaande
                            overkapping in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een
                            vergelijkbare situatie, dat/die minder dan 5 jaar geleden met een
                            positief welstandsadvies zijn vergund, of B. het bouwwerk is
                            overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen
                            heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief
                            welstandsadvies is gegeven, of C. het bouwplan voldoet aan de volgende
                            criteria: </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>op het achter- of zijerf, 1 m achter de voorgevelrooilijn en 1 m van de
                            weg of het openbare groen.</al><al/><al/><al>Vorm</al><al> plat afgedekt; gevelindeling evenwichtig en afgestemd op het
                            hoofdgebouw; op het openbaar gelegen zijerf: een rechthoekige hoofdvorm. </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> hoogte: indien op meer dan 1 m van de erfgrens maximaal 3 m, of indien
                            op minder dan 1 m van de erfgrens, 2,25 m plus de afstand tot de
                            erfgrens. </al><al/><al/><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al> aan het hoofdgebouw geplaatst of op minder dan 3 m afstand daarvan,
                            overeenkomstig het hoofdgebouw; in de andere gevallen: hout of
                            overeenkomstig het hoofdgebouw. </al><al/><al/><al>Kleur</al><al> aan het hoofdgebouw geplaatst of op minder dan 3 m afstand daarvan,
                            overeenkomstig het hoofdgebouw; in de andere gevallen: een gedekte kleur
                            of overeenkomstig het hoofdgebouw. </al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al/><al/><al> 3.3 Kozijn- of gevelwijzigingen</al><al>KOZIJN- OF GEVELWIJZIGINGEN</al><al>Criteria voor een kozijn- of gevelwijziging in de achtergevel en een
                            niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> de kozijn- of gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande kozijn- of
                            gevelwijziging in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een
                            vergelijkbare situatie, die minder dan 5 jaar geleden met een positief
                            welstandsadvies is vergund, of </al><al/><al> de kozijn- of gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de
                            architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel
                            uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>in de achtergevel of niet openbaar gelegen zijgevel van een woning,
                            woongebouw of een daarbij behorend bijgebouw.</al><al/><al/><al>Vorm</al><al>Maatvoering</al><al>Detaillering</al><al>Materiaal,</al><al>Kleur</al><al/><al>vorm, maatvoering, detaillering, materiaal en kleur zijn welstandsvrij
                            voor wat betreft de achtergevel op de begane grond en bijgebouwen. Voor
                            de gevels op de verdieping(en) en de zijgevel geldt hetgeen voor de
                            voorgevel en de openbaar gelegen zijgevel is bepaald.</al><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al>KOZIJN- OF GEVELWIJZIGINGEN</al><al>Criteria voor een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel en een naar
                            het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> de kozijn- of gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande kozijn- of
                            gevelwijziging in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een
                            vergelijkbare situatie, die minder dan 5 jaar geleden met een positief
                            welstandsadvies is vergund, of </al><al/><al> de kozijn- of gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de
                            architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel
                            uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria (*): </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het
                            openbaar groen gekeerde zijgevel.</al><al/><al/><al>Vorm</al><al> zonder aantasting van de bestaande gevelopening; bij vervanging van een
                            garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering; bij vervanging van
                            raamkozijnen: gelijke kozijnen gelijktijdig vervangen; kozijnindeling
                            gerelateerd aan de bestaande kozijnindeling; gevelindeling evenwichtig
                            en afgestemd op het hoofdgebouw. </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> profielmaten gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijnonderdelen;
                            nieuwe gevelopeningen in de zijgevel; maximaal 1 m² voor een raam;
                            maximaal 2,3 m² voor een deur. </al><al/><al/><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al> overeenkomstig de bestaande kozijnen; terughoudend met het gebruik van
                            kunststof, alleen toepasbaar indien dimensioneringen en aansluitingen
                            zijn afgestemd op de gevel. </al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>overeenkomstig het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al> (*) Indien voor een kozijn- of gevelwijziging aan de voorgevel een
                            trendsetter, zoals bedoeld onder A of B beschikbaar is, moet deze
                            gevolgd worden. </al><al/><al>.</al><al/><al> 3.4 Dakkapellen</al><al/><al>DAKKAPELLEN</al><al>In het ACHTERDAKVLAK of niet openbaar gelegen ZIJDAKVLAK</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel in hetzelfde
                            bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een vergelijkbare situatie, die
                            minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is vergund,
                            of </al><al/><al> de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor
                            een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria (*): </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al> onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet;
                            bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; de afstand meer dan 0,75 m
                            tot het midden van de woningscheidende bouwmuren of de eindgevel en bij
                            vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen meer dan 1,5 m tot de
                            eindgevel, bij hoekkepers aan de bovenkant en bij kilkepers aan de
                            onderkant van de dakkapel gemeten; de afstand tot kilkepers en
                            hoekkepers bedraagt minimaal 0,75 m; bij meer dan één dakkapel:
                            regelmatige rangschikking op een horizontale rij met een minimale
                            tussenruimte van 0,75 m; geen dakkapellen op het bovenste deel van een
                            hoogopgaand dakvlak of mansardekap; geen dakkapellen boven elkaar; geen
                            dakkapellen op dakvlakken met een hellingshoek kleiner dan 30°; niet op
                            een aan- of uitbouw of op een bijgebouw. </al><al/><al/><al>Vorm</al><al> plat afgedekt; rechtopgaande zijkanten; zijwanden ondoorzichtig; geen
                            borstwering; indeling evenwichtig en afgestemd op het hoofdgebouw;
                            passend bij de vormgevingskarakteristiek van het pand. </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> niet meer dan 2/3 van de breedte van het dakvlak tot een maximum van
                            3.60 m, tenzij de vormgevingskarakteristiek van het pand zich hier tegen
                            verzet; niet meer dan 2/3 van de oppervlakte van het dakvlak gebruikt
                            voor dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen
                            gezamenlijk; hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan
                            1,5 m; boeiboord niet hoger dan 0,25 m; overstekken niet meer dan 0,1 m. </al><al/><al/><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al/><al>overeenkomstig het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>overeenkomstig het hoofdgebouw, of in de kleur van de dakbedekking.</al><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al> (*) Indien voor een dakkapel een trendsetter, zoals bedoeld onder A of
                            B beschikbaar is, moet deze gevolgd worden. </al><al/><al/><al>DAKKAPELLEN</al><al>In het VOORDAKVLAK of het openbaar gelegen ZIJDAKVLAK</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel in hetzelfde
                            bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een vergelijkbare situatie, die
                            minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is vergund,
                            of </al><al/><al> de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het
                            project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor
                            een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria (*): </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al> onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet;
                            bovenzijde meer dan 1,0 m onder de daknok; zijkant meer dan 0,75 m tot
                            het midden van de woningscheidende bouwmuren of de eindgevel en bij
                            vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen meer dan 1,5 m tot de
                            eindgevel (bij hoekkepers aan de bovenkant en bij kilkepers aan de
                            onderkant van de dakkapel gemeten); de afstand tot kilkepers en
                            hoekkepers bedraagt minimaal 0,75 m; geen dakkapellen op het bovenste
                            deel van een hoogopgaand dakvlak, of mansardekap; geen dakkapellen boven
                            elkaar; geen dakkapellen op dakvlakken met een hellingshoek kleiner dan
                            30°; niet op een aan- of uitbouw of op een bijgebouw. </al><al>Vorm</al><al> plat afgedekt; zijwanden ondoorzichtig; overstekken maximaal 0,1 m;
                            boeiboord maximaal 0,25 m; geen borstwering; indeling evenwichtig en
                            afgestemd op het hoofdgebouw; passend bij de vormgevingskarakteristiek
                            van het pand. </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al> één per dakvlak; niet meer dan 2/3 van de breedte van het dakvlak tot
                            een maximum van 3.60 m, tenzij de vormgevingskarakteristiek van het pand
                            zich hier tegen verzet; hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel,
                            minder dan 1,5 m; niet meer dan 50% van de oppervlakte van het dakvlak
                            gebruikt voor dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere
                            dakdoorbrekingen gezamenlijk. </al><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al/><al>hout.</al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>(gebroken) wit of overeenkomstig het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al> (*) Indien voor een dakkapel een trendsetter, zoals bedoeld onder A of
                            B beschikbaar is, moet deze gevolgd worden. </al><al>Een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen in de in hoofdstuk 6
                            omschreven deelgebieden Beschermd Dorpsgezicht, Wakkerendijk/Meentweg en
                            Laarderweg wordt steeds aan de welstandscommissie voorgelegd.</al><al/><al> 3.5 Erf- of perceelafscheidingen</al><al/><al>ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN</al><al>In het achtererfgebied, het niet naar het openbaar toegankelijk gebied
                            gekeerde zijerf en het naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde
                            zijerf</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> het bouwplan is overeenkomstig een bestaande erf- of perceelafscheiding
                            in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke woningen in een vergelijkbare
                            situatie, die minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies
                            is vergund, of </al><al/><al> de erf- of perceelafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de
                            architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel
                            uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al> op de erfgrens; tot 1 m achter de voorgevelrooilijn. </al><al/><al/><al>Vorm</al><al> enkelvoudige, rechte vormgeving (geen toogvormen of diagonaal
                            aangebrachte delen); horizontale of verticale geleding; in één lijn.
                            geen diversiteit aan vormgevingsprincipes binnen een erf- of
                            perceelafscheiding; </al><al/><al/><al>Maatvoering</al><al/><al>maximaal 2 m hoog.</al><al/><al/><al>Detaillering</al><al/><al>zorgvuldig en afgestemd op het hoofdgebouw.</al><al/><al/><al>Materiaal</al><al> natuurlijk materiaal, zoals steen of hout of een hek van smeedijzer;
                            open gaas- of hekwerk, als drager voor beplanting. </al><al/><al/><al>Kleur</al><al/><al>aardkleuren, groen of zwart.</al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al/><al/><al> 3.6 Zonnecollectoren of zonnepanelen </al><al/><al>Indien een zonnecollector of zonnepaneel niet op een dak wordt geplaatst
                            is een omgevingsvergunning vereist. Zonnecollectoren of zonnepanelen
                            zijn niet toegestaan op/aan/in Rijksmonumenten, gemeentelijk monumenten,
                            of in het beschermde dorpsgezicht.</al><al/><al>Vanuit het Klimaat Uitvoeringsprogramma bestaat de intentie om zoveel
                            mogelijk zonnepanelen in Eemnes te plaatsen. Hoewel de voorwaarden voor
                            het vergunningsvrij bouwen van een zonnecollector of zonnepaneel in het
                            Besluit omgevingsrecht reeds ruim zijn gesteld, worden criteria benoemd
                            voor die gevallen waarin het niet vergunningsvrij is. Tevens is de
                            trendsetterregeling, voor zowel de niet openbaar gelegen zijgevel als
                            achtergevel, van toepassing.</al><al/><al>ZONNECOLLECTOREN OF ZONNEPANELEN</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> de zonnecollector of het zonnepaneel zijn overeenkomstig een bestaande
                            collector of bestaand paneel in hetzelfde bouwblok dan wel bij gelijke
                            woningen in een vergelijkbare situatie, die/dat minder dan 5 jaar
                            geleden met een positief welstandsadvies zijn vergund, of </al><al/><al> de zonnecollector of het zonnepaneel zijn overeenkomstig het ontwerp
                            van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan
                            deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of
                            het bouwplan voor een zonnecollector of -paneel voldoet aan de volgende
                            criteria: </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al> op/aan/in de achtergevel of niet openbaar gelegen zijgevel; onder een
                            hoek van ten hoogte 55 graden met de gevel tot een hoogte van 3 m vanaf
                            het maaiveld. Daarboven onder een hoek van ten hoogste 35 graden met de
                            gevel; diepte niet meer dan 0,85 m vanaf de gevel tot een hoogte van 3 m
                            vanaf het maaiveld. Daarboven tot een diepte van niet meer dan 0,5 vanaf
                            de gevel; de afstand meer dan 0,5 m tot het midden van de
                            woningscheidende bouwmuren of de eindgevel. </al><al>Vorm</al><al>Maatvoering</al><al>Detaillering</al><al>Materiaal,</al><al>Kleur</al><al/><al>vorm, maatvoering, detaillering, materiaal en kleur zijn
                            welstandsvrij</al><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al/><al/><al> 3.7 Zonweringen of (rol)luiken </al><al/><al>ZONWERING OF (ROL)LUIKEN</al><al>In het voorerfgebied</al><al/><al>Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet
                            tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen bij
                            omgevingsvergunning daarvan af te wijken.</al><al/><al>Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van
                            welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</al><al/><al> het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande zonwering of (rol)luik in
                            een vergelijkbare situatie, die minder dan 5 jaar geleden met een
                            positief welstandsadvies zijn vergund, of </al><al/><al> de zonwering of (rol)luik zijn overeenkomstig het ontwerp van de
                            architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel
                            uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of </al><al/><al> het bouwplan voldoet aan de volgende criteria: </al><al/><al/><al>Plaatsing</al><al> aan woningen en woongebouwen: binnen de bestaande gevelopening en
                            achter de voorgevelrooilijn; aan andere gebouwen: een gesloten (rol)luik
                            op 1 m achter de winkelpui. </al><al/><al/><al>Gebiedsgerichte criteria</al><al/><al>dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er
                            kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de
                            gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden.</al><al/><al/><al>Overig</al><al/><al>gemeentelijke rolluikenverordening op basis van APV.</al><al/><al/><al/><al/><al> 4 Objectgerichte criteria </al><al/><al>Bepaalde bebouwing in het buitengebied van de gemeente Eemnes komt
                            veelvuldig voor. Hiervoor is het opstellen van objectcriteria relevant.
                            Dat betreft de historische agrarische bebouwing, hooibergen, de
                            (agrarische) bedrijfsbebouwing, de agrarische woningen en de
                            burgerwoningen in het buitengebied.</al><al>Deze objectcriteria zijn in aanzet gezamenlijk met Baarn en De Bilt
                            opgesteld, op basis van analyse van het buitengebied die als bijlage A
                            is toegevoegd. Met de objectcriteria wordt in belangrijke mate tegemoet
                            gekomen aan de uitgesproken wens om de welstandstoetsing in de
                            buitengebieden op elkaar af te stemmen.</al><al/><al>In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld, die
                            eventueel per deelgebied kunnen worden aangepast. Om die reden wordt
                            steeds verwezen naar de gebiedscriteria.</al><al/><al> 4.1 Object ‘hallenhuisboerderij’ </al><al/><al>Objectbeschrijving</al><al>Het veel voorkomende boerderijtype in de gemeente Eemnes is de
                            langhuisboerderij. Dit type heeft zich ontwikkeld uit het zogenaamde
                            hallenhuis. Kenmerkend voor deze boerderijen is dat het woongedeelte,
                            het voorhuis, en het werkgedeelte, het achterhuis, onder één doorlopende
                            kap zijn geplaatst. Een brandmuur scheidt woonhuis- en schuurgedeelte
                            van elkaar. De meeste langhuisboerderijen dateren uit de negentiende
                            eeuw, hoewel ook regelmatig boerderijen uit de zeventiende en achttiende
                            eeuw voorkomen. Daarnaast zijn tot in de eerste helft van de twintigste
                            eeuw nog moderne varianten op het langhuistype gebouwd.</al><al/><al>Uit het hallenhuis ontwikkelden zich eveneens de minder voorkomende T-
                            of dwarshuisboerderij, waarbij het voorste gedeelte van de zijgevel is
                            opgeheven tot het niveau van de voorgevel, en de krukhuisboerderij,
                            waarvan slechts één zijgevel is opgehoogd en verlengd zodat een L-vormig
                            plattegrond is ontstaan.</al><al/><al>De langhuisboerderij heeft een rechthoekig plattegrond, waarvan de
                            lengteas meestal evenwijdig aan de verkavelingsrichting is gesitueerd.
                            Het voorhuis is op de weg georiënteerd. De gevels zijn veelal
                            opgetrokken uit roodachtige baksteen en gemetseld in kruis- of
                            halfsteensverband (één laag koppen afgewisseld met één laag strekken).
                            Ook komen geheel gepleisterde gevels voor, waarbij de gevels (crème-)wit
                            zijn en de plint donkergrijs of zwart. De vensters worden beëindigd door
                            een laag strekken, een segmentboog of een rollaag. De kozijnen en het
                            andere houtwerk zijn geverfd in witte en/of donkergroene tinten.</al><al/><al>De één bouwlaag hoge massa wordt gedekt door een fors zadeldak waarvan
                            de nokuiteinden eventueel zijn afgewolfd. Bij modernere varianten komen
                            mansardekappen voor. De daken zijn gedekt met riet, pannen of een
                            combinatie van beide. Vaak hebben rieten kappen een gedeelte met pannen
                            voor de opvang van regenwater. Met pannen gedekte daken hebben windveren
                            die in verscheidene gevallen gedecoreerd zijn. De bakstenen schoorstenen
                            zijn vaak midden op de nok geplaatst. Tuitgevels, waarbij de geveltop
                            wordt beëindigd door de schoorsteen, komen regelmatig voor.</al><al>De voorgevels van de oudere boerderijen, uit de zeventiende en
                            achttiende eeuw, hebben een indeling bestaande uit vier of vijf
                            traveeën. In het midden bevinden zich twee vensters of een voordeur met
                            doorgaans aan de noordzijde een opkamer met kelderlicht en aan de
                            zuidzijde een klein venster. Op de zolderverdieping bevindt zich een
                            klein venster of een luik. De negentiende-eeuwse voorgevels hebben een
                            meer symmetrische indeling met beneden twee of vier vensters van
                            dezelfde afmeting met eventueel een centraal geplaatste deur en één of
                            twee vensters in de geveltop.</al><al/><al>In de zijgevels bevinden zich een eventuele hoofdingang, een tweede
                            ingang naar de keuken en in sommige gevallen een zijbaander, dat is een
                            enkele of dubbele schuurdeur in één van de zijgevels. In het midden van
                            een oorspronkelijke achtergevel is een dubbele schuurdeur, de
                            achterbaander, geplaatst met aan weerszijden kleinere mestdeuren. In de
                            geveltop zit vaak een zolderluik. Achtergevels zijn echter in veel
                            gevallen gewijzigd, hetzij door de moderne agrarische bedrijfsvoering,
                            hetzij door functieverandering.</al><al/><al>In de loop der tijd zijn op het erf verscheidene bijgebouwen verschenen,
                            met vaak één of twee hooibergen. Daarnaast zijn er wagen- of veeschuren
                            te vinden. Een enkele boerderij heeft een apart melkhuisje. Op het erf
                            bevindt zich ook nog redelijk vaak een boomgaard en staan voor het
                            voorhuis soms enkele leilinden.</al><al/><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>De langhuisboerderij is zeer karakteristiek voor het gebied van de
                            gemeente Eemnes. De panden zijn cultuurhistorisch van groot belang en
                            vele zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument. In het ter
                            plaatse geldende bestemmingsplan Wakkerendijk-Meentweg 2012 zijn de
                            bouwmogelijkheden nauwgezet vastgelegd. Daarbij mogen de als ‘rijks- of
                            gemeentelijk monument’ of ‘karakteristiek’ aangeduide panden in beginsel
                            niet worden uitgebreid met erkers of aanbouwen en dient nieuwe bebouwing
                            achter die bestaande geplaatst te worden. Daarmee heeft afdoende
                            bescherming plaats.</al><al/><al>Reeds geruime tijd staat de langhuisboerderij onder druk door de
                            veranderingen in de landbouw. Het schuurgedeelte voldoet vaak niet meer
                            aan de eisen die een moderne bedrijfsvoering stelt. Daartoe verrijst
                            vaak achter de oude boerderij een nieuw bedrijfsgedeelte dat, wat
                            schaal, materiaalgebruik en detaillering betreft, afwijkt van de
                            oorspronkelijke agrarische bebouwing.</al><al/><al>Ook verliest een groot aantal hallenhuisboerderijen de oorspronkelijke
                            functie. Veelal maakt de agrarische bedrijfsfunctie plaats voor een
                            woonfunctie en/of een niet-agrarische functie. Bij verbouw, waarbij dan
                            veelal sprake is, dienen de oorspronkelijke kenmerken te worden
                            gerespecteerd en als uitgangspunt te dienen. Het is vooral van belang
                            dat het oorspronkelijke onderscheid tussen het woon- en bedrijfsgedeelte
                            herkenbaar blijft.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al> De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> Situering bijgebouwen achter de brandmuur c.q. scheiding
                            woon/stalgedeelte; de bestaande plaatsing wordt gehandhaafd; de
                            plaatsing van de bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en dient te worden
                            gerespecteerd; er worden forse zadeldaken toegepast, doorgaans met
                            tuitgevels en puntgevels. Ook komen soms mansardekappen en kappen met
                            wolfeinden voor. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> het oorspronkelijke onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte moet
                            herkenbaar blijven in de gevels; de gevelindeling wordt gekenmerkt door
                            een traditionele opbouw, met een hiërarchische, evenwichtige opzet;
                            gevels worden opgetrokken in roodachtige baksteen of zijn (crème)wit
                            gepleisterd; de plint van het voorhuis is zwart of donkergrijs
                            gepleisterd; kozijnen worden uitgevoerd in hout; kozijnen en ander
                            houtwerk dienen in witte en/of donkergroene tinten te worden geverfd;
                            daken worden gedekt met riet of rode, grijs/gesmoorde gebakken pannen;
                            de kleuren van de luiken moeten aansluiten bij lokaal of regionaal
                            gebruik; bij de detaillering van gootlijsten, windveren, kozijnen e.d.
                            dient zorgvuldigheid te worden betracht en de bestaande detaillering als
                            uitgangspunt te worden genomen. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor kleine plannen t.b.v. dakkapellen
                            (paragraaf 3.4) geldt dat op het achterdakvlak of het niet openbaar
                            gelegen zijdakvlak maximaal twee dakkapellen mogen worden geplaatst tot
                            een totale maximumbreedte van 3,60 m. Bovendien zijn de dakkapellen
                            uitsluitend toegelaten op het oorspronkelijke woongedeelte, of direct
                            achter de brandmuur van het oorspronkelijke woongedeelte. Voorts zijn
                            geen dakkapellen toegestaan op het pannengedeelte van een rietgedekte
                            boerderij.</al><al/><al> 4.2 Object ‘hooiberg’ </al><al/><al>Bij veel oorspronkelijke boerderijen in Eemnes staat een hooiberg op het
                            erf, soms zelfs twee. Hooibergen zijn opslagruimten voor hooi en stro.
                            Aan een hooiberg ging het opslaan in schelven of mijten vooraf, maar al
                            in de 13e eeuw wordt van hooibergen gesproken. In Eemnes zijn vooral
                            hooibergen met vier roeden (staanders) gebouwd. Er komen ook hooibergen
                            met twee, drie, vier of juist vijf roeden voor. Oorspronkelijk waren de
                            roeden van eikenhout. De vierkant gemaakte roeden konden een lengte tot
                            wel 10 meter hebben. Later werden de roeden ook van beton of ijzer
                            gemaakt en werden ook ronde roeden toegepast.</al><al> Voorts is sprake van een verstelbaar dak, met een hijsmechanisme. Van
                            oudsher betreft het vooral hooibergen met een rieten sporen kap. Bij
                            latere aanpassingen en nieuwe hooibergen zijn veelvuldig zinken
                            golfplaten toegepast.</al><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>Hooibergen zijn een karakteristiek en uiterst waardevol onderdeel van
                            het bebouwingsbeeld. Gaandeweg zijn er veel hooibergen verwijderd, wat
                            als een verarming van het bebouwingsbeeld wordt ervaren. In het kader
                            van het bestemmingsplan wordt onderzocht of de hooibergen uitgezonderd
                            kunnen worden van de aan- en bijgebouwenregeling, waar een stimulans
                            voor behoud van uit zal gaan. Ook het terugbrengen van hooibergen is dan
                            een aantrekkelijke optie, met een nieuwe bergingsfunctie.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> achter de brandmuur van de boerderij op het voormalig erf. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm is vierkant, rechthoekig of een andere veelhoek; de roeden
                            vormen een herkenbaar onderdeel van het bouwwerk. </al><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> de roeden worden in hout, ijzer of beton uitgevoerd; de zijwanden, met
                            een maximale hoogte van 3 m: in hout en met een donkere kleurstelling;
                            bij ijzeren of betonnen roeden wordt een zichtbaar hijswerkmechanisme
                            toegepast. Bij houten roeden wordt een constructie van pennen toegepast
                            om de kap op te hijsen; het dakvlak wordt in riet of een ander materiaal
                            in grijze of donkere tint uitgevoerd in een (golfplaten) profiel met
                            matte, -niet spiegelende-oppervlaktestructuur. </al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                            gebiedsbeschrijving en de -criteria.</al><al/><al> 4.3 Object ‘agrarische bedrijfsbebouwing’ </al><al>Op een agrarisch bedrijf zijn meestal meerdere bedrijfsgebouwen
                            aanwezig: één of meer stallen en werktuigbergingen of schuren. Het gaat
                            voor het merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met
                            een zadeldak. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook
                            gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het
                            woonhuis. De gebouwen zijn veelal in de verkavelingsrichting van het
                            landschap geplaatst, mede afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden
                            van het perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bedrijfsgebouwen
                            haaks staan op het hoofdgebouw.</al><al/><al>De meeste agrarische bedrijfsgebouwen zijn van oudsher gemetseld op een
                            simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband,
                            soms gedeeltelijk open of bedekt met een damwandprofiel. Het nabij de
                            openbare weg gesitueerde bedrijfsgebouw is veelal voorzien van een
                            metselwerk topgevel (soms tot de gootlijn), terwijl het metselwerk dan
                            ook overhoeks wordt toegepast. Aandacht is vereist voor de grote
                            toegangsdeuren; witte vlakken treden vaak sterk in het zicht.</al><al/><al>De daken waren vroeger met pannen of riet gedekt. In toenemende mate
                            zijn grijze of donkere vezelcementgolfplaten toegepast. Van belang is
                            dat een (golfplaten-)profiel herkenbaar is. Vlakke sandwichpanelen
                            hebben een meer industriële uitstraling, wat hier ongewenst is.</al><al/><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>Stallen, schuren en andere bedrijfshallen kunnen een grote invloed
                            hebben op het bebouwingsbeeld. Ze kunnen een storende invloed hebben
                            wanneer opvallende vormen en kleuren worden toegepast. De gemeente
                            streeft naar een eenvoudige en zorgvuldige opzet, in onderlinge
                            samenhang.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de plaatsing is terugliggend ten opzichte van de agrarische
                            bedrijfswoning. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; de nokrichting is in de
                            verkavelingsrichting van het landschap; de massaopbouw op het erf is in
                            onderlinge samenhang; de gevelindeling is horizontaal; herhaling van
                            eenvoudige vierkante of rechthoekige gevelopeningen; er worden
                            eenduidige en forse zadeldaken toegepast. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> de topgevel van een nabij de openbare weg gelegen bedrijfsgebouw wordt
                            tenminste tot de gootlijn voorzien van metselwerk. Bovendien wordt het
                            metselwerk in ieder geval overhoeks toegepast, over een lengte van ten
                            minste 8 m. Daarnaast is ander materiaal is toegestaan, mits in donkere
                            tinten uitgevoerd en voorzien van een profiel en een zichtbare
                            metselwerkplint; toegangsdeuren worden in een donkere kleur uitgevoerd;
                            de dakvlakken worden in pannen of riet uitgevoerd; ander materiaal is
                            toegestaan mits in grijze of donkere tinten uitgevoerd, afwijkend van de
                            gevelkleur en voorzien van een (golfplaten-)profiel en met een matte,
                            -niet spiegelende- oppervlaktestructuur; in de dakvlakken worden geen
                            doorgaande verticale of horizontale lichtbanen aangebracht. </al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                            gebiedsbeschrijving en de -criteria.</al><al/><al> 4.4 Object ‘agrarische bedrijfswoning’ </al><al>In het buitengebied komen veel vrijstaande agrarische bedrijfswoningen
                            voor. De bedrijfswoning valt op door de prominente ligging aan de
                            straatzijde, met daarachter de bedrijfsgebouwen. De woning kan ook
                            geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw
                            hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’) naast de
                            oorspronkelijke bebouwing is neergezet. Die bebouwing kan vrijstaand
                            zijn of via een plat verbindingsstuk verbonden aan het woonhuis.</al><al>Er is veelal sprake van een nokrichting haaks op de weg en van
                            zadeldaken met rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is
                            eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels.
                            Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het materiaalgebruik
                            bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout of kunststof.</al><al/><al/><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>De agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het
                            buitengebied. Er hebben zich in het verleden veel veranderingen binnen
                            de agrarische sector voorgedaan, waarbij nieuwe bedrijfswoningen zijn
                            verschenen. Er is een tendens waarneembaar waarbij de bedrijfswoning
                            ‘los komt’ van de overige agrarische bebouwing, door de toepassing van
                            afwijkende vormen en afwijkend kleur- en materiaalgebruik. De identiteit
                            van het agrarische karakter van het gebied verandert daarmee. De
                            gemeente Eemnes is daarvan geen voorstander. De gemeente streeft dan ook
                            naar het herkenbaar houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie
                            van de bebouwing. De welstandsbeoordeling richt zich dan ook op het
                            handhaven of het gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit
                            van het gebied.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> in de directe nabijheid van de weg; de bedrijfswoning is georiënteerd
                            op de weg; de plaatsing van bijgebouwen en bedrijfsgebouwen is
                            ondergeschikt aan de woning. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen zijn in
                            de massa ondergeschikt aan de bedrijfswoning en worden terughoudend
                            vormgegeven; er worden eenduidige en forse kappen toegepast; de
                            nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw; de
                            hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk,
                            hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren;
                            kozijnen van hout of ander materiaal met een aan houtprofielen
                            gerelateerde detaillering; kleurgebruik en detaillering van aan- en
                            uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren
                            van bijgebouwen in de nabijheid van de bedrijfswoning zijn afgestemd op
                            het hoofdgebouw. </al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                            gebiedsbeschrijving en de -criteria.</al><al/><al> 4.5 Object ‘niet agrarische woonbebouwing’ </al><al>Objectbeschrijving</al><al>Op enkele plekken in het buitengebied zijn van oudsher burgerwoningen
                            aanwezig. Het aantal burgerwoningen neemt hier de laatste jaren
                            enigszins toe. Het gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen
                            waarbij agrarische functies plaats maken voor woonfuncties. Het betreft
                            veelal vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of
                            villa’s met een historiserende maar ook met een moderne
                            architectuur.</al><al/><al>De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee
                            bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vormen van de
                            massa voornamelijk enkelvoudig en geometrisch. Detailleringen, kleur- en
                            materiaalgebruik zijn zeer divers.</al><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>Vooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote
                            aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve
                            bebouwingsdichtheid. Het gemeentelijk beleid is gericht op het in stand
                            houden van extensieve karakter en de landschappelijke karakteristieken
                            van het buitengebied te behouden.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en met
                            de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> in de directe nabijheid van de weg; de woning is georiënteerd op de
                            weg; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen worden
                            terughoudend vormgegeven en met een aan het hoofdgebouw ondergeschikte
                            massa; er worden eenduidige en forse kappen toegepast; de nokrichting is
                            in de verkavelingsrichting van het landschap. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw; de
                            hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk,
                            hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren;
                            kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de
                            hoofdmassa; kleur- en materiaalgebruik van bijgebouwen binnen 5 meter
                            afstand van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw; bij
                            verbouw worden bestaande details gerespecteerd. </al><al/><al>Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
                            gebiedsbeschrijving en de -criteria.</al><al/><al> 4.6 Object ‘dakopbouwen’ </al><al>Objectbeschrijving</al><al>Op enkele plekken in Eemnes zijn dakopbouwen toegepast. Het gaat daarbij
                            om een uitbreiding van de woning waarbij de nok wordt verhoogd. Veelal
                            gebeurt dat bij woningen met een relatief flauwe kap en een lage
                            nokhoogte ten opzichte van de goothoogte. De ruimte is daar niet
                            aanwezig om een dakkapel te plaatsen. Anderzijds worden dakopbouwen
                            toegepast om een royale zolderverdieping te verkrijgen.</al><al>Binnen Eemnes zijn met name in de omgeving van Graanoogst dakopbouwen
                            gerealiseerd.</al><al/><al>Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid</al><al>Dakopbouwen worden door de gemeente als ongewenst ervaren omdat deze de
                            bestaande massaopbouw verstoren en kunnen leiden tot een onevenwichtig
                            aanzicht. De gemeente voert op dit punt een terughoudend beleid; de
                            geldende bestemmingsplannen staan het over het algemeen ook niet toe.
                            Vanuit het gelijkheidsbeginsel worden dakopbouwen uitsluitend toegestaan
                            op woningen waar in het verleden, op hetzelfde woningtype en in dezelfde
                            straat reeds dakopbouwen zijn gerealiseerd, met een positief
                            welstandsadvies. Met daarbij de beperking dat deze trendsetterregeling
                            zich beperkt tot seriematig aaneengebouwde woningen. Daarnaast zijn
                            dakopbouwen toegelaten in die gevallen dat een ontwerp beschikbaar is
                            waarvoor reeds een positief welstandsadvies is gegeven.</al><al/><al>Objectcriteria</al><al> het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande dakopbouw op een
                            seriematig aaneengebouwde woning van het zelfde type in de zelfde
                            straat, die met een positief welstandsadvies is vergund, de dakopbouw is
                            overeenkomstig een ontwerp voor een dakopbouw op de betreffende woning,
                            waarvoor reeds een positief welstandsadvies is gegeven. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al> 5 Gebiedscriteria buitengebied</al><al/><al>Analyse ruimtelijke hoofdstructuur</al><al>Het buitengebied van de gemeente Eemnes wordt begrensd door de
                            Goyergracht in het westen en de Eem in het oosten en door het Eemmeer in
                            het noorden en rijksweg A1 in het zuiden. De kern (inclusief de gehele
                            Laarderweg) en de lintbebouwing aan de westzijde van de
                            Wakkerendijk/Meentweg behoren niet tot het buitengebied; dat komt in
                            hoofdstuk 6 aan bod.</al><al/><al>Met het oog op het formuleren van welstandsbeleid is het buitengebied
                            opgedeeld in twee karakteristieke landschappen. Dat betreft het open
                            polderlandschap (Noordpolder te Veld, Zuidpolder te Veld, Binnendijk te
                            Veld en Maatpolder) ten oosten van de Wakkerendijk/Meentweg en een
                            halfopen overgangsgebied ten westen daarvan (Noordpolder te Veen,
                            Zuidpolder te Veen en Binnendijk te Veen). De bebouwing nabij Eembrugge
                            wordt in een apart deelgebied beschreven.</al><al/><al>Markante lijnen en elementen in het buitengebied van de gemeente Eemnes
                            zijn de rijkswegen A1 en A27, de Eem, de Wakkerendijk/Meentweg, de
                            Goyergracht, de Eemnesser Vaart/Buitenvaart en de Zomerdijk.</al><al>De ontstaansgeschiedenis en achtergrondinformatie hierover zijn te
                            vinden in bijlage A, waarin het samen met de gemeenten Baarn en De Bilt
                            opgestelde gebiedsdocument voor de buitengebieden is opgenomen.</al><al/><al>De welstandscriteria hebben betrekking op de ‘overige bebouwing’,
                            bebouwing die niet reeds via de kleine plannen criteria en
                            objectcriteria is geregeld. In dit verband kan een nuancering van die
                            criteria plaats hebben.</al><al/><al>1. Goyergrachtzone</al><al/><al>Dit gebied (deelgebied 11 op de welstandskaart) bestaat uit de zone
                            tussen de Goyergracht en Wakkerendijk/Meentweg. Deze zone wordt aan de
                            zuidkant begrensd door de gemeentegrens met de gemeente Baarn en in het
                            noorden met die van de gemeente Blaricum.</al><al>De landschappelijke structuur is gevarieerd en relatief kleinschalig,
                            met een afwisseling tussen openheid en beslotenheid. Boscomplexen,
                            bosschages en beplanting op de perceelsgrenzen, een
                            boomkwekerij/tuincentrum en volkstuinen dragen bij aan het kleinschalige
                            karakter.</al><al/><al>Bebouwing</al><al>De bebouwing in dit deelgebied betreft vooral verspreide woonbebouwing,
                            bedrijven en incidentele boerderijen. Deze bevinden zich op veelal
                            kleinschalige kavels, enigszins verborgen ten opzichte van de weg. De
                            woonbebouwing is overwegend vrijstaand, traditioneel van karakter, met
                            een eenvoudige hoofdvorm. De woonbebouwing bestaat uit één laag met een
                            soms steile kap. De daken, overwegend zadeldaken, zijn meestal gedekt
                            met pannen in oranje of antraciet. De bijgebouwen zijn achter of naast
                            de hoofdgebouwen gesitueerd, maar in ieder geval achter de voorgevel van
                            de woning. Bovendien zijn deze ondergeschikt van karakter door hun
                            kleurstelling en materiaal. Wanneer zij dichtbij de woning staan, zijn
                            zij qua kleur- en materiaalgebruik veelal daarop afgestemd.</al><al/><al>Damwandprofielen en golfplaten daken komen voor bij grotere
                            bedrijfshallen en loodsen. Zij hebben overwegend donkere tinten die niet
                            opvallen in het landschap.</al><al>In de zuidwest-oksel van knooppunt Eemnes bevindt zich horecagelegenheid
                            De Witte Bergen, met een grote mate van zichtbaarheid vanaf rijksweg
                            A1.</al><al>Met enige zorg wordt geconstateerd dat in het buitengebied incidenteel
                            afscheidingen worden gerealiseerd van materiaal dat daarvoor niet
                            bedoeld is.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De bestaande functies in dit deelgebied zijn geaccepteerd en voorzien
                            van een geringe ruimte voor aanpassingen en vergroting. Daarbij zijn
                            voor het gebied boven rijksweg A1 de plaats en de toegelaten omvang
                            nauwgezet vastgelegd in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen
                            (Landelijk Gebied 2011 en Landelijk Gebied Noordwest). In het gebied ten
                            zuiden van de A1 is in het bestemmingsplan (Heidehoek 2000) enige ruimte
                            gelaten, met name voor wat betreft de situering.</al><al/><al>In het Structuurplan Eemnes 2015 wordt in het zuidelijke deel van deze
                            zone een landschappelijke invulling voorgesteld, met wonen en werken te
                            midden van open delen en boszones. Voor wat betreft de zone ten westen
                            van rijksweg A27 legt dat Structuurplan een accent op het versterken van
                            de recreatieve activiteiten, zoals sport. Tevens is de eventuele aanleg
                            van een HOV-verbinding tussen Utrecht en Almere voorzien, met een
                            mogelijke halteplaats bij Eemnes. Deze beoogde ontwikkelingen zijn deels
                            van ingrijpende aard, zodat hiervoor te zijner tijd aanvullende
                            welstandscriteria zullen worden opgesteld. Deze worden dan aan de
                            welstandsnota toegevoegd. Voor het deel ten noorden van de kern zijn er
                            mogelijkheden voor landschapsbouw, maar dat is vanuit het perspectief
                            van de welstandsnota niet zo relevant.</al><al/><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het welstandsbeleid is vooral gericht op een zorgvuldige inpassing van
                            de bebouwing, rekening houdend met de bijzondere landschappelijke
                            situatie en het kleinschalige karakter. De situering van de bebouwing op
                            de kavel en de relatie met de openbare weg is daarbij richtinggevend.
                            Voorts is ook op de details, zoals ten aanzien van afscheidingen, extra
                            aandacht vereist.</al><al>Opgemerkt wordt dat een deel van de in dit deelgebied voorkomende
                            bebouwing reeds via de objectcriteria wordt geregeld. Waar nodig wordt
                            dit hier nader genuanceerd.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> in de nabijheid van de weg is de bebouwing georiënteerd op de weg; de
                            plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdvorm van de bebouwing is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en
                            uitbouwen aan het hoofdgebouw zijn daar aan ondergeschikt en worden
                            terughoudend vormgegeven. </al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaalgebruik</al><al> de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw; er
                            worden eenduidige en forse zadeldaken toegepast; de hoofdmaterialen zijn
                            afgestemd op de hoofdmassa en/of natuurlijke materialen: baksteen, hout,
                            pleisterwerk, pannen en riet; de hoofdkleuren zijn afgestemd op de
                            hoofdmassa en/of gedempte (aard-)kleuren, donkere tinten, (crème)wit of
                            lichtgrijs; kleurgebruik en detaillering van aan- en bijgebouwen zijn
                            afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen
                            binnen 5 m van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor kleine plannen t.b.v. erf- of
                            perceelafscheidingen (paragraaf 3.5) geldt dat deze in dit deelgebied in
                            (ijzer-)draad en hout moeten worden uitgevoerd. In het geval van de
                            toepassing van hout dienen naturel of donkere tinten te worden
                            toegepast.</al><al/><al/><al>2. Poldergebied</al><al/><al>Dit gebied (deelgebied 12) bestaat uit de zone tussen de
                            Wakkerendijk/Meentweg en de Eem (inclusief een deel van het Eemmeer).
                            Aan de zuidkant wordt dit deelgebied begrensd door de gemeentegrens met
                            Baarn. Dit deelgebied omvat de Noordpolder te Veld, de Zuidpolder te
                            Veld en de Maatpolder</al><al>In tegenstelling tot de Goyergrachtzone is dit gedeelte van de gemeente
                            Eemnes een grootschalig en extreem open landschap. De verkaveling van is
                            met smalle, zeer lange stroken. In dit gebied was tot voor kort
                            nauwelijks bebouwing aanwezig.</al><al>De bebouwingscomplexen, grotendeels agrarische bedrijven, hebben vrijwel
                            identieke kenmerken als de bebouwing uit omgevende poldergebieden. Ze
                            zijn voor het merendeel gesitueerd langs noordzuid gerichte lange wegen,
                            zoals aan de Wakkerendijk/Meentweg, de Geerenweg/Korte Maatsweg en
                            Nieuwe Maatweg. Nabij de Wiggertsweg is sprake van een cluster van drie
                            boerderijen. In het kader van de ruilverkaveling zijn solitaire
                            agrarische bedrijven toegevoegd langs de Geerenweg.</al><al/><al>Bebouwing</al><al>De agrarische bedrijven zijn productiegericht en bestaan uit een
                            vrijstaande bedrijfswoning met daar achter grootschalige
                            bedrijfsbebouwing. Een enkele boerderij heeft nog een traditionele
                            uitstraling. Het hallenhuistype (zie de objectcriteria) komt voor, maar
                            is vaak vernieuwd.</al><al>De in dit deelgebied toegepaste bouwstijlen gaan veelal uit van
                            compacte, rechthoekige bebouwing, voorzien van een fors zadeldak met of
                            zonder wolfseinde. Veelvuldig komen tussen het hoofdgebouw en de
                            achtergelegen schuur aanbouwen voor, in één laag en een plat dak. De
                            gevels van de bebouwing zijn in licht- of donkerkleurige bakstenen
                            (roodachtig en okerkleurig) opgetrokken. De daken zijn bedekt met
                            oranje, bruine of antracietkleurige dakpannen (meerderheid) en vaak
                            voorzien van dakkapellen. Bij een enkel pand is het dak van riet.</al><al/><al>De overige bebouwing in dit deelgebied stamt uit verschillende
                            bouwperiodes, met de nadruk op de naoorlogse periode. De woningen
                            bestaan voornamelijk uit één bouwlaag met een kap. Twee lagen komen
                            incidenteel voor, bijvoorbeeld ter hoogte van Eemlust aan de oostkant
                            van de Wakkerendijk.</al><al/><al>De nieuwere agrarische complexen bestaan uit een hoofdgebouw (woning),
                            met de nokrichting gericht naar de weg of evenwijdig daaraan. Achter de
                            woning staan grootschalige schuren met een functionele uitstraling. De
                            schuren zijn voor het merendeel eenvoudige, rechthoekige gebouwen, met
                            een zadeldak gedekt met licht- en donkergrijze golfplaten. Het betreft
                            soms (gedeeltelijk) gemetselde constructies, maar veelvuldig zijn groene
                            geprofileerde stalen platen toegepast. Bij oudere bedrijven gaat het om
                            meerdere schuren en soms staan deze naast het woongebouw. Silo’s staan
                            vaak naast of achter de schuren en zijn aan het zicht onttrokken.</al><al>Door het open landschap en de geringe dichtheid van de bebouwing zijn de
                            ruimtelijke structuren en de opzet van de bouwcomplexen duidelijk en
                            over een grote afstand zichtbaar. De (incidentele) realisering van
                            afscheidingen van afwijkend materiaal (steigerpijpen, vangrails)
                            springen dan ook extra in het oog.</al><al/><al>Langs de Volkersweg, bij de Noord Midden Wetering, in Noordpolder te
                            Veld staat het Radio Ontvang Station Eemnes, bestaand uit een éénlaagse
                            rechthoekig gebouw en een cirkelvormige opstelling met hoge
                            ontvangmasten.</al><al>Nabij de monding van de Eem in de Maatpolder bevindt zich een kleine
                            jachthaven.</al><al/><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De bouwmogelijkheden zijn vastgelegd in het ter plaatse geldende
                            bestemmingsplan Landelijk Gebied 2011. Buiten de bouwvlakken waren
                            uitsluitend kleinschalige gebouwen, zoals veldschuren en melkstallen,
                            toegelaten. De hierop betrekking hebbende bepaling in het
                            bestemmingsplan is evenwel geschrapt.</al><al/><al>In het Structuurplan Eemnes 2015 blijft in het zuidwestelijke deel het
                            accent op de landbouw, terwijl in het noordoostelijke deel de
                            natuurwaarden worden uitgebreid. Voorts worden recreatieve wandel- en
                            fietsroutes voorzien. Dat zijn belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen,
                            maar in het kader van welstand hebben deze ontwikkelingen weinig
                            relevantie.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Vanuit de bestemmingsplanbepalingen is een restrictief beleid van
                            toepassing op de bebouwing. Dat zal ook voor welstand gelden, waarbij de
                            zichtbaarheid over een grote afstand een rol speelt. De voor deze
                            gebieden op te stellen criteria zullen dan ook aansturen op realisatie
                            van een eenvoudige hoofdvorm van de bebouwing en het zorgvuldig
                            afstemmen op de omgeving, waaronder de dominant aanwezige
                            verkavelingsrichting. Daarbij is een terughoudende opstelling ten
                            aanzien van het kleur- en materiaalgebruik vereist. Gelet op de extreme
                            mate van openheid is het niet gewenst dat bebouwing zich over een grote
                            afstand ongewenst opdringt, bijvoorbeeld door de toepassing van glimmend
                            materiaal. Voorts is ook op het detail, zoals ten aanzien van
                            afscheidingen, extra aandacht vereist.</al><al>Een groot deel van de in dit deelgebied voorkomende bebouwing is via de
                            objectcriteria geregeld. De daar genoemde criteria worden, waar nodig
                            hier nader genuanceerd.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. </al><al/><al>Massa en vorm bebouwing</al><al> de hoofdvorm is eenvoudig en rechthoekig; de nokrichting is in de
                            verkavelingsrichting van het landschap; aan- en uitbouwen zijn in massa
                            ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven. </al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaalgebruik</al><al> de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw; de
                            hoofdmaterialen zijn afgestemd op de hoofdmassa en/of natuurlijke
                            materialen: baksteen, hout en dakpannen of riet; de hoofdkleuren zijn
                            afgestemd op de hoofdmassa en/of gedempte (aard-)kleuren of donkere
                            tinten; het kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn
                            afgestemd op de hoofdmassa; materiaal en kleuren van bijgebouwen binnen
                            5 meter van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor erf- of perceelafscheidingen
                            (paragraaf 3.5) geldt dat deze in dit deelgebied in ijzerdraad en hout
                            moeten worden uitgevoerd. In het geval van de toepassing van hout dienen
                            naturel of donkere tinten te worden toegepast.</al><al/><al/><al>3. Eembrugge</al><al/><al>Eembrugge, deelgebied 13 op de welstandskaart, is een
                            bebouwingsconcentratie aan de Eem. De kern en enkele jachthavens
                            bevinden zich op het grondgebied van de gemeente Baarn, terwijl de
                            ‘uitlopers’ van de kern, met vooral bedrijvigheid bij Eemnes horen. Het
                            gaat voorts om het gemaal Tydeman en een kantoor van jachthaven ‘De
                            Kemphaan’.</al><al/><al>Bebouwing</al><al>De bebouwing Eembrugge (in de gemeente Eemnes) bestaat grotendeels uit
                            bedrijven, grootschalige en kleinschalige. Productie staat voorop, met
                            een relatief geringe aandacht voor de representatieve uitstraling. De
                            soms hoge beplanting onttrekt gedeeltelijk dit activiteitengebied aan
                            het zicht.</al><al>Aan de noordkant van de Bisschopsweg staan bijna alle bedrijven in het
                            nauwe gebied tussen de smalle ontsluitingsweg en de Eem. Dominant is
                            fabriek Ocriet met grote rood gemetselde productiehallen en sheddaken
                            waarop een betonnen silo als blikvanger staat. Ook aanwezig in het beeld
                            is een transportbedrijf met een grote opslagplaats voor containers. De
                            overige, kleine bedrijven zijn meestal gevestigd in eenvoudige rood
                            gemetselde panden met twee lagen en een zadeldak.</al><al/><al>Aan de zuidkant zijn de bedrijven eveneens relatief grootschalig, met
                            diverse activiteiten zoals een asfaltproductiebedrijf met herkenbare
                            opslagsilo’s, een houthandel of een scheepswerf. Ook is een enkele
                            woning aanwezig tegenover de jachthaven.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>In het Structuurplan Eemnes 2015 is de mogelijkheid van een ontwikkeling
                            tot aantrekkelijke woon-werklocatie geschetst, waarbij de ligging aan
                            het water wordt benut. Nieuwe initiatieven zullen, vooruitlopend daarop,
                            een stimulans moeten inhouden voor de ruimtelijke kwaliteit van dit
                            deelgebied. Ingrijpende nieuwe ontwikkelingen zullen op het moment dat
                            meer zicht bestaat op het (stedenbouwkundige) programma omgeven worden
                            door aanvullende welstandscriteria.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de
                            bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
                            landschappelijke inrichting. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> in de nabijheid van de weg is de bebouwing georiënteerd op de weg. Van
                            de bedrijfsbebouwing is de representatieve zijde (bedrijfswoning,
                            kantoorgedeelte, entree) naar de openbare weg gekeerd. </al><al/><al>Massa en vorm bebouwing</al><al> de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met een heldere,
                            eenduidige hoofdvorm. de gevelindeling wordt gekenmerkt door een
                            evenwichtige opbouw. aan- en uitbouwen zijn in massa ondergeschikt aan
                            het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven. </al><al/><al/><al>Detaillering, kleur en materiaalgebruik</al><al> de hoofdmaterialen zijn afgestemd op de hoofdmassa en/of natuurlijke
                            materialen: baksteen en dakpannen. Voor het representatieve deel van
                            bedrijven is dat baksteen; de hoofdkleuren zijn afgestemd op de
                            hoofdmassa en/of gedempte (aard-)kleuren of donkere tinten (niet
                            spiegelend); het kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen
                            binnen 5 meter van het hoofdgebouw zijn afgestemd op de hoofdmassa. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al> 6 Welstandsbeleid in de kern</al><al/><al>Binnen de kern Eemnes kunnen de volgende deelgebieden worden
                            onderscheiden (zie bijlage afbeelding Gebiedsindeling Eemnes):</al><al> Beschermd Dorpsgezicht Wakkerendijk/Meentweg Laarderweg Raadhuislaan
                            e.o. Zuidbuurt Noordbuurt Zuidpolder Bedrijventerrein Westzone
                            Sportcomplex Noordersingel</al><al>Zie bijlage: Welstandsbeleid in de kern.</al><al/><al> 6.1 Beschermd Dorpsgezicht</al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Het deelgebied volgt de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht en
                            omvat globaal genomen de bebouwing rondom de N.H. Nicolaaskerk. De
                            bebouwing markeert de aansluiting van de Laarderweg op de Wakkerendijk,
                            van oudsher de twee belangrijkste wegen van Eemnes. Via de Kerkstraat
                            staat de kerk in directe verbinding met de Wakkerendijk. Deze straat is
                            in de jaren vijftig in westelijke richting doorgetrokken tot
                            Torenzicht.</al><al/><al>De Nicolaaskerk staat centraal en solitair in het gebied. De uit de
                            veertiende eeuw daterende kerk, die meerdere malen is herbouwd en
                            gerestaureerd, domineert nog altijd het beeld van het dorp. Het gebouw
                            staat op een verhoging. De overige bebouwing ligt rondom de kerk of aan
                            een straat georiënteerd. De panden staan veelal dicht op elkaar en
                            direct aan de straat, zodat het geheel een besloten indruk maakt.</al><al/><al/><al>De meeste bebouwing bestaat uit oude boerderijen van het langhuistype,
                            die in de loop der tijd een winkel-, bedrijfs- of woonfunctie hebben
                            gekregen. De boerderijen zijn vrijstaand en hebben een groot zadeldak.
                            Ten zuiden van de kerk staat een blok aaneengeschakelde
                            nieuwbouwwoningen, die gezamenlijk een wand vormen.</al><al>De bebouwing in dit deelgebied is één à twee bouwlagen met kap hoog.
                            Uitzonderingen daarop zijn de Nicolaaskerk en het seniorencomplex op de
                            hoek Jhr. C. Roëlllaan-Kerkstraat-Rutgers van Rozenburglaan. Het
                            laatstgenoemde gebouw, dat zich gedeeltelijk binnen de het Beschermd
                            Dorpsgezicht bevindt, heeft drie bouwlagen.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Veel bebouwing stamt uit de zeventiende en achttiende eeuw en is gebouwd
                            in een traditionele stijl. De gevels zijn opgetrokken uit roodbruine
                            baksteen, maar zijn soms wit gepleisterd. De daken worden gedekt door
                            rode pannen of riet. Het houtwerk is crèmewit en donkergroen
                            geschilderd. De nieuwbouw ten zuiden van de kerk is eigentijds
                            vormgegeven, waarbij wel rekening is gehouden met de historische
                            setting.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De kerkbuurt van Eemnes heeft een zeer oorspronkelijk karakter met
                            cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Veel panden hebben de status
                            van Rijksmonument of gemeentelijk monument. Daarbij is dit deelgebied
                            een van rijkswege beschermd dorpsgezicht. Dit is als zodanig geregeld in
                            het bestemmingsplan Oude Dorpskern, waarvan de begrenzing nagenoeg
                            overeen met die van het beschermd dorpsgezicht.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het ter plaatse geldende bestemmingsplan Oude Dorpskern vormt een
                            belangrijke schakel in het handhaven van de bestaande karakteristiek. Op
                            pandniveau wordt dat tevens bereikt door de status van Rijks- of
                            gemeentelijk monument. Dat betekent dat de rol voor de welstandsnota
                            relatief beperkt is, al wordt in dit kader toegezien op het versterken
                            van de bestaande karakteristiek. Zo wordt in het geval van nieuwbouw
                            aansluiting gezocht bij het huidige bebouwingsbeeld.</al><al/><al/><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> oriëntatie op de weg of de kerk; handhaving van het besloten karakter
                            van de bebouwing; de ruimtelijke karakteristieken van de individuele
                            bebouwingen moeten worden behouden of hersteld. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere,
                            eenduidige hoofdvormen; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een
                            evenwichtige opbouw; toepassing van kappen met een nok; aan- en
                            uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in roodbruine baksteen of
                            (crème)wit pleisterwerk; houtwerk moet (crème-)wit en/of donkergroen van
                            kleur zijn; daken worden gedekt met grijze of rode gebakken pannen of
                            riet; bestaande details dienen zoveel mogelijk te worden gerespecteerd
                            en dienen als uitgangspunt bij verbouwingen. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) mag
                            in dit deelgebied de daktrim, bovendorpel of boeiboord van een aan- of
                            uitbouw aan de voorzijde maximaal 0,15 m hoog zijn.</al><al>In afwijking van de criteria voor zonnecollectoren of zonnepanelen
                            (paragraaf 3.6) worden in dit deelgebied geen zonnecollectoren of
                            zonnepanelen toegelaten.</al><al> 6.2 Wakkerendijk/Meentweg</al><al>Ruimtelijke structuur</al><al>De bebouwing in dit deelgebied bestaat uit een lint dat zich langs de
                            westzijde van de Wakkerendijk, die ten noorden van de splitsing met de
                            Laarderweg Meentweg heet, uitstrekt. Deze lintbebouwing is vanaf de
                            veertiende eeuw tot heden langs een dijk op enige afstand, ten westen
                            van de rivier De Eem tot stand gekomen. Ter hoogte van de Pieterskerk in
                            Eemnes-Binnen en de Nicolaaskerk in Eemnes-Buiten is er ook wat
                            bebouwing aan de oostzijde van de weg aanwezig. Op deze plekken is de
                            bebouwingsdichtheid in het lint het hoogst. Naar de noord- en zuidzijde
                            toe neemt deze af. Tussen de bebouwing bevinden zich open plekken van
                            waar het achterliggende landschap te zien is.</al><al/><al>De Wakkerendijk is een doorgaande verkeersverbinding, terwijl de
                            Meentweg een veel rustiger karakter heeft. Opvallend is verder de
                            verhoogde ligging van de weg zelf, met aan de oostzijde een begeleidende
                            beplanting van eiken. Aan de westzijde is er over een groot gedeelte van
                            de weg eveneens sprake van een begeleidende beplanting, maar deze is op
                            de particuliere erven gelegen.</al><al/><al/><al>Het gebied ten westen van de Wakkerendijk en Meentweg heeft een
                            opstrekkende verkaveling. De bebouwing is parallel aan de lengterichting
                            van de kavel op de weg georiënteerd. Doordat de verkavelingsas schuin op
                            de dijk is gesitueerd, verspringen de panden ten opzichte van elkaar.
                            Dit ritme wordt nog eens verlevendigd door de wisselende afstand tussen
                            de voorgevel en de weg. Sommige panden liggen direct aan de weg, terwijl
                            andere een flinke voortuin hebben. Aan de Wakkerendijk is plaatselijk
                            sprake van een tweede lint achter het hoofdlint.</al><al>De twee kerken aan de Wakkerendijk vormen de herkenningspunten binnen
                            het lint. De Pieterskerk van Eemnes-Binnen ligt aan de oostzijde, in het
                            zuiden. Ten noorden daarvan ligt aan de westzijde het complex van de
                            R.K.-kerk.</al><al/><al>Opvallend is de aanwezigheid van de vele monumentale boerderijen aan de
                            westzijde van de weg. Het betreft met name boerderijen van het
                            langhuistype. In enkele gevallen is deze bebouwing in het verleden ook
                            dwars gebouwd. De meeste bevinden zich nog in oorspronkelijke staat,
                            hoewel een groot deel zijn oorspronkelijke agrarische functie verloren
                            heeft. De panden hebben één bouwlaag en worden gedekt door een groot
                            zadeldak. De grote boerderijen worden afgewisseld door kleinere
                            woonhuizen van verschillende afmetingen die niet hoger zijn dan twee
                            bouwlagen met kap. De diverse bijgebouwen staan veelal achter op het
                            erf. Bij de (voormalige) boerderijen komen ook veelvuldig hooibergen
                            voor.</al><al/><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Door de verscheidenheid aan type panden en het geleidelijk ontstaan van
                            het lint is er een grote diversiteit in detaillering, kleur- en
                            materiaalgebruik. De boerderijen -enkele dateren uit de zeventiende en
                            achttiende eeuw, maar de meeste uit de negentiende eeuw- zijn
                            opgetrokken in bruinrode baksteen en hebben een dak van riet en pannen.
                            De overige bebouwing heeft eveneens bakstenen of wit gepleisterde
                            gevels. De daken worden veelal gedekt door grijze of rode pannen.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>Veel boerderijen alsmede andere panden in het gebied zijn Rijks- of
                            gemeentelijk monument. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan
                            Wakkerendijk-Meentweg 2012 zijn de bouwmogelijkheden nauwgezet
                            vastgelegd. De daar als ‘rijks- of gemeentelijk monument’ of
                            ‘karakteristiek’ aangeduide panden mogen in beginsel niet worden
                            uitgebreid met erkers of aanbouwen, de bestaande situatie is er
                            maatgevend.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Wakkerendijk/Meentweg is een zeer waardevolle lintbebouwing die
                            bovendien beeldbepalend is voor het aanzicht van Eemnes. Zowel de
                            ruimtelijke structuur als het bebouwingsbeeld zijn zeer karakteristiek
                            en verdienen een zorgvuldige behandeling vanuit het oogpunt van
                            welstand. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan draagt daar reeds in
                            belangrijke mate aan bij, nader ondersteund met de onderstaande
                            welstandscriteria. Vooral het terughoudende beleid ten aanzien van de
                            kleine bouw en het vrijhouden van doorzichten is daarbij van
                            belang.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al/><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> handhaven van de bestaande ritmiek in de lintbebouwing en van de
                            gevarieerde plaatsing ten opzichte van de weg; bijgebouwen dienen
                            terugliggend van de hoofdbouwmassa geplaatst te worden; het clusteren
                            van bebouwing, waarmee bestaande doorzichten vrijgehouden worden; de
                            nokrichting dient evenwijdig aan de verkavelingsrichting te worden
                            geplaatst. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere,
                            eenduidige hoofdvormen; geen samengestelde bouwmassa’s in de breedte van
                            het perceel; de hoofdmassa bevindt zich aan de wegzijde en heeft een
                            representatieve voorgevel; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een
                            evenwichtige opbouw; aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn
                            ondergeschikt aan de hoofdmassa. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels zijn opgetrokken uit roodbruine baksteen of zijn (crème)wit
                            gepleisterd; alleen indien de bijgebouwen achter de hoofdbouwmassa
                            worden gerealiseerd kan de materialisering van deze bijgebouwen ook in
                            natuurlijke materialen, zoals gepotdekseld hout, worden opgetrokken;
                            alleen indien daken van bijgebouwen voldoende afstand tot de weg hebben
                            is een ander materiaal toegestaan mits in grijze en donkere tinten
                            uitgevoerd, afwijkend van de gevelkleur en voorzien van
                            (golfplaten-)profiel en met een matte, -niet spiegelde-
                            oppervlaktestructuur; daken moeten worden gedekt door riet of gebakken
                            pannen. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) mag
                            in dit deelgebied de daktrim, bovendorpel of boeiboord van een aan- of
                            uitbouw aan de voorzijde maximaal 0,15 m hoog zijn, dan wel conform de
                            bestaande detaillering van de woning.</al><al> 6.3 Laarderweg </al><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Het deelgebied Laarderweg omvat de bebouwing aan weerszijden van de
                            Laarderweg, de Nieuweweg en de Braadkamp. De Laarderweg vormt van
                            oudsher de verbinding tussen de oude dorpskern van Eemnes met het
                            westelijk gelegen Laren. Vanaf 1900 ontstond aan weerszijden bebouwing
                            bestaande uit kleine vrijstaande woningen die tussen de reeds bestaande
                            boerderijen werden geplaatst. Ten noorden van de Laarderweg werd in de
                            jaren twintig van de vorige eeuw de Nieuweweg aangelegd die vervolgens
                            bebouwd werd met vrijstaande middenstandswoningen. Ter hoogte van de
                            oude dorpskern werd in de jaren zeventig, toen Eemnes zich fors begon
                            uit te breiden met de Noordbuurt, aan de noordzijde een gemeentehuis
                            gebouwd. Dat gemeentehuis is inmiddels gesloopt in het kader van de
                            realisering van het nieuwe dorpshart.</al><al>Met de aanleg van de A27 in 1977 is de Laarderweg (evenals de Nieuweweg)
                            als directe verbinding tussen Eemnes en Laren verbroken. Vanaf dat
                            moment zorgt de Verlengde Laarderweg voor een doorgaande
                            verbinding.</al><al>Het deelgebied herbergt diverse functies, met een concentratie van
                            voorzieningen in het nieuwe Dorpshart. Langs de Laarderweg zijn
                            verschillende beeldbepalende panden te vinden, waaronder enkele
                            gemeentelijke monumenten. Dit betreffen vooral burgerwoningen, daterend
                            van rond 1900, die een rechthoekig plattegrond hebben en gedekt worden
                            door een mansarde kap.</al><al/><al/><al>De Laarderweg kenmerkt zich door een afwisselende, kleinschalige
                            bebouwing bestaande uit vrijstaande, dubbele en rijtjes woningen die op
                            de weg georiënteerd zijn. De rooilijn verspringt soms iets: de
                            kleinschalige bebouwing ligt dicht op de weg, terwijl enkele grotere
                            panden, zoals het hotel Eemland en de garage, op enige afstand tot de
                            weg zijn gelegen. Een groot gedeelte van de Laarderweg heeft aan
                            weerszijden een begeleidende beplanting van eiken. De Nieuweweg is een
                            veel smallere straat dan de Laarderweg: trottoirs ontbreken hier en de
                            bebouwing staat dicht op elkaar.</al><al>De bebouwing aan de Laarderweg en de Nieuweweg is niet hoger dan één à
                            twee bouwlagen met een kap. De Laarderweg kent een veelzijdig
                            bebouwingsbeeld, waarin kleinere volumes met verschillende kapvormen
                            worden afgewisseld door enkele grotere. Bijgebouwen staan overwegend
                            achter het hoofdgebouw.</al><al>Het nieuwe Dorpshart sluit goed aan bij de schaalgrootte van Eemnes, met
                            een afwisselend en dorps beeld van de gebouwen. In samenhang hiermee
                            wordt ook het openbare gebied heringericht.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Omdat de bebouwing in het deelgebied in verschillende perioden
                            gerealiseerd is, is er een grote verscheidenheid in detaillering, kleur-
                            en materiaalgebruik te onderscheiden. Oude, karakteristieke panden staan
                            naast recent gebouwde panden. Wel is er overwegend in baksteen gebouwd
                            en worden de daken gedekt door pannen en soms met riet.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De Laarderweg is een belangrijke, historische toegangsroute tot het
                            dorp, waar het bebouwingsbeeld speciale aandacht verdient.</al><al>In het Structuurplan Eemnes 2015 vormt Braadkamp een ‘actief
                            ontwikkelingsgebied’, waaraan inmiddels uitvoering is gegeven. Daarmee
                            is het voorzieningenniveau en de winkelstructuur in de kern van Eemnes
                            verbeterd.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>De Laarderweg is één van de structuurbepalende wegen en een
                            visitekaartje van Eemnes. Door de tijd heen is hier ruimte geboden voor
                            bijzondere bebouwing, met een meer dan gemiddelde aandacht voor de
                            verschijningsvorm, al is die zeer divers. De nieuwe ontwikkelingen aan
                            de Laarderweg en Braadkamp leveren een positieve bijdrage aan het
                            straatbeeld, zowel voor wat betreft plaatsing, massa en vorm, als de
                            detaillering. Aan de Nieuweweg is vooral een zorgvuldige inpassing
                            vereist en een goede aansluiting op de bestaande bebouwing.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de bebouwing dient op de openbare ruimte te zijn georiënteerd. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdgebouwen aan de Laarderweg en Braadkamp hebben een individuele
                            uitstraling met heldere, eenduidige hoofdvormen; toepassing van royale
                            kappen met een nok; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een
                            evenwichtige opbouw; aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn
                            ondergeschikt aan de hoofdmassa. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in baksteen, aan de Laarderweg en
                            Braadkamp zijn ook (crème)wit gepleisterde gevels toegestaan; daken
                            worden gedekt met pannen of riet; bestaande details dienen als
                            uitgangspunt bij verbouwingen. </al><al/><al>In afwijking van de criteria voor aan- of uitbouwen (paragraaf 3.1) mag
                            in dit deelgebied de daktrim, bovendorpel of boeiboord van een aan- of
                            uitbouw aan de voorzijde maximaal 0,15 m hoog zijn, dan wel conform de
                            bestaande detaillering van de woning.</al><al/><al> 6.4 Raadhuislaan e.o. </al><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Het deelgebied Raadhuislaan e.o. omvat de eerste uitbreiding van Eemnes.
                            Al in de jaren twintig van de vorige eeuw werd begonnen met de aanleg
                            van de Molenweg en de Streefoordlaan haaks op de Laarderweg. Na de
                            Tweede Wereldoorlog, in de jaren vijftig en zestig, werd het gebied ten
                            zuiden van de Laarderweg pas echt planmatig uitgebreid. Ook de ten
                            noorden van de Laarderweg gelegen Veldweg werd toen aangelegd.
                            Raadhuislaan e.o. heeft een rechthoekig stratenpatroon, waarin
                            plantsoenachtige open ruimten zijn opgenomen. De uitbreiding was vooral
                            bestemd voor woningbouw, maar ook andere voorzieningen zoals een
                            bibliotheek en woonzorgvoorzieningen vonden er een plek.</al><al/><al>Een groot deel van het gebied heeft een regelmatig verkavelingspatroon,
                            waarbij bouwblokken evenwijdig aan de straat of het plantsoen zijn
                            geplaatst. Dit verkavelingspatroon wordt onderbroken door de meer
                            grootschalige, enigszins op zichzelf staande volumes van onder andere de
                            woonzorgcomplexen, de bibliotheek en het voormalige postkantoor aan de
                            Raadhuislaan. Langs de bovengenoemde vooroorlogse straten is sprake van
                            lintachtige bebouwing die haaks op de straat is georiënteerd.</al><al/><al>Het grootste deel van de bebouwing in het deelgebied wordt gevormd door
                            woonblokken van twee bouwlagen hoog die worden gedekt door een zadeldak
                            dat evenwijdig aan de straat is geplaatst. De vrijstaande en dubbele
                            woningen aan de Molenlaan en de Streefoordlaan zijn één bouwlaag met kap
                            hoog en haaks ten opzichte van de weg gesitueerd.</al><al>Het woonzorgcomplex, het voormalige postkantoor en de bibliotheek zijn
                            lage, uit verschillende volumes opgebouwde massa die worden gedekt door
                            een plat dak.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Doordat de bebouwing, met uitzondering van de bibliotheek die rond 1990
                            is gebouwd, tot stand is gekomen in de periode 1920-1970 is er sprake
                            van een gevarieerd bebouwingsbeeld, waarin de bebouwing uit de jaren
                            zestig domineert. Vrijwel alle bebouwing is opgetrokken in baksteen,
                            echter in verschillende kleuren. De zadeldaken zijn gedekt met rode of
                            donkere pannen.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>Raadhuislaan e.o. is een gebied met een nadruk op de woonfunctie,
                            aangevuld met wat grotere niet-woonfuncties. Het ter plaatse geldende
                            bestemmingsplan Raadhuislaan heeft de ruimtelijke mogelijkheden van dit
                            deelgebied nauwgezet vastgelegd. In het kader van het Structuurplan zijn
                            enkele inbreidingen voorzien, veelal op de schaal van het gebied.
                            Daarnaast is een inbreiding gerealiseerd met een clusterschool en
                            woningen aan de westzijde van dit deelgebied.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het gebied vormt een aantrekkelijk gebied, met plaatselijk ruimte voor
                            vernieuwing. Die vernieuwingen fungeren als kwalitatieve toevoegingen,
                            die een stimulans inhouden voor het hele gebied. Het welstandsbeleid
                            voor de bestaande bebouwing is vooral gericht op het in stand houden en
                            versterken van het bestaande samenhangende bebouwingsbeeld.</al><al>Bij de welstandstoetsing van de bijzondere objecten in dit deelgebied,
                            zoals basisscholen, het voormalige postkantoor, de bibliotheek en het
                            voormalige winkelcentrum, zal in eerste instantie rekening worden
                            gehouden met de karakteristieken van de omgeving. Bij kwalitatieve
                            toevoegingen zal tevens van de algemene welstandscriteria gebruik
                            gemaakt worden.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de bebouwing dient te zijn georiënteerd op een openbare weg of ruimte. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de
                            hoofdmassa; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige
                            opbouw; maat en schaal van de nieuwbouwinitiatieven sluiten aan op de
                            bestaande bebouwing. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in baksteen; zadeldaken worden
                            gedekt door zwarte, grijze of rode pannen; nieuwbouwinitiatieven
                            betekenen een kwalitatieve impuls voor het gebied, door het gebruik van
                            hoogwaardige, natuurlijke materialen en een zorgvuldige detaillering;
                            detaillering en kleurgebruik zijn per bestaande rij en cluster in
                            onderlinge samenhang. 6.5 Zuidbuurt </al><al>Ruimtelijke structuur</al><al>De Zuidbuurt betreft de uitbreiding van Eemnes in de jaren tachtig en
                            negentig van de vorige eeuw in zuidelijke richting. Het woongebied wordt
                            ontsloten door de Stadwijksingel die in het westen aansluit op de
                            Zuidersingel en in het noordoosten op de Raadhuislaan. Op de
                            Stadwijksingel monden verkeersluwe straten uit die verschillende
                            bebouwingsclusters ontsluiten. Vaak hebben deze straten het karakter van
                            een woonerf. Er zijn evenals in de Noordbuurt aparte paden voor fietsers
                            en voetgangers. In het midden van de wijk ligt een brede groenstrook met
                            een waterpartij die in verbinding staat met de groenzone die de
                            Zuidbuurt van het deelgebied Raadhuislaan e.o. scheidt. In de Zuidbuurt
                            zijn naast woonblokken ook vrijstaande en dubbele woningen gerealiseerd,
                            waardoor mede door de variatie in het kleurgebruik, een afwisselend
                            geheel is ontstaan. Aan de noordkant van dit deelgebied is een
                            inbreiding gerealiseerd (Het Vierkante Bosje).</al><al/><al/><al>Het oudste gedeelte van de Zuidbuurt, de Kamgras e.o., is nog in de
                            traditie van de Noordbuurt aangelegd met clusters woonblokken
                            gegroepeerd aan woonerven. In het zuidoostelijke deel dat in de jaren
                            negentig is gebouwd, is de woonervenstructuur iets losser toegepast. In
                            het meest recente gedeelte, de Wolfstedelaan e.o., is geëxperimenteerd
                            met het gesloten bouwblok.</al><al/><al>De Zuidbuurt heeft een kleinschalige, dichte bebouwing die op de straat
                            is georiënteerd en in clusters gegroepeerd. Korte voortuinen bakenen de
                            privéruimte van de openbare af. Woonblokken en dubbele woningen zijn
                            evenwijdig aan de straat of groene ruimte gesitueerd. Vrijstaande
                            woonhuizen hebben de nok veelal haaks op de straat gericht.</al><al/><al>De gemiddelde bouwhoogte is hier twee bouwlagen met kap, maar lagere
                            bebouwingshoogten komen ook voor. Gevelvlakken worden verlevendigd door
                            middel van het doortrekken of terugspringen van de gevel. Daarnaast is
                            er sprake van een grote variatie in kapvormen: er zijn zowel gewone
                            zadeldaken als samengestelde zadeldaken en lessenaarsdaken te
                            vinden.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>De gehele wijk is opgetrokken in baksteen, zij het in verschillende
                            kleuren. In de jongere gedeelten zijn de gevels vaak uit twee
                            contrasterende kleuren baksteen opgetrokken. Dit is, evenals het gebruik
                            van lessenaarsdaken en een horizontale gevelindeling karakteristiek voor
                            het toen in zwang zijnde postmodernisme. De daken worden gedekt door
                            pannen. Kleuren wijzigen meestal per cluster.</al><al/><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De Zuidbuurt is een afwisselende woonbuurt zowel wat de detaillering en
                            het kleurgebruik betreft, als ook wat de bouwvolumes betreft. Groot
                            pluspunt is het aanwezige groen in de wijk en de landelijke setting van
                            de wijk.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>De gevarieerde ruimtelijke karakteristiek van de Zuidbuurt is de
                            leidraad voor de toekomst. Voortgeborduurd wordt op het bestaande
                            patroon, waarbij traditionele en moderne bouwvormen voorkomen. Het vergt
                            een zorgvuldige afstemming op de directe omgeving; voorkomen dient te
                            worden dat een onduidelijk beeld ontstaat doordat de bouwvormen door
                            elkaar gebruikt worden. Nieuwe initiatieven, al zijn op zeer bescheiden
                            schaal te voorzien, moeten aantoonbaar een verrijking van dat patroon
                            opleveren.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de bebouwing dient te zijn georiënteerd op een openbare weg of een
                            openbare groene ruimte; bij nieuwbouw dient de bestaande rooilijn te
                            worden gerespecteerd. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> per cluster moet er eenheid zijn in de architectonische uitdrukking en
                            de massaopbouw van het hoofdgebouw; de kapvorm is eveneens
                            clustergebonden; aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen moeten
                            ondergeschikt aan de hoofdmassa zijn; de gevelindeling wordt gekenmerkt
                            door een evenwichtige opbouw. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in baksteen, met een nadere
                            afstemming per cluster voor wat betreft de detaillering en kleur; de
                            kleur van de daken (rood of donker) is per cluster in onderlinge
                            samenhang. 6.6 Noordbuurt </al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>De realisering van de Noordbuurt, ten noorden van de Laarderweg, houdt
                            verband met de toenmalige aanwijzing door de provincie Utrecht van
                            Eemnes als groeikern. De wijk is grotendeels aangelegd volgens de voor
                            de jaren zeventig typerende woonerfstructuur. De bebouwing, bestaande
                            uit woonblokken, is in clusters gegroepeerd aan meanderende, doodlopende
                            straten. De woonstraten monden uit op de Noordersingel die vanaf de
                            Laarderweg een lus maakt en om de gehele wijk heen loopt. Aan het begin
                            van de 21e eeuw is de noordelijke afronding van de Noordbuurt
                            gerealiseerd, waarvoor in juni 200 de architectonische randvoorwaarden
                            zijn vastgesteld. Dit deel omvat woningen die projectmatig zijn
                            gerealiseerd, waaronder hofjes met aaneengeschakelde woningen. Verder
                            gaat het om particulier uitgegeven kavels met vrijstaande en dubbele
                            woningen rondom een langgerekte vijver.</al><al/><al>De woonblokken zijn in clusters gegroepeerd en zijn evenwijdig aan de
                            straat of aan de groenstructuur geplaatst. Op enkele plaatsen zijn
                            uitbouwen en garages aan de straatzijde gesitueerd, waardoor het soms
                            niet duidelijk is wat de voorzijde van de woning is. Een duidelijk
                            onderscheid tussen privé en openbare ruimte is vaak niet aanwezig. Dit
                            wordt versterkt door het ontbreken van trottoirs in de woonstraten. De
                            clusters worden onderling ruimtelijk verbonden door een groenstructuur
                            met kanaalachtige waterpartijen en voet- en fietspaden. Centraal in de
                            woonwijk Noordbuurt zijn enkele bijzondere objecten gesitueerd, zoals
                            basisscholen, een sporthal en De Eemhof.</al><al/><al/><al>Vrijwel het gehele deelgebied is bebouwd met blokken met
                            eengezinswoningen. De bebouwing bestaat veelal uit twee bouwlagen met
                            een kap; er zijn echter ook bebouwingsmassa waar de hoogte afwisselend
                            één en twee lagen met een kap is. De meeste panden worden gedekt door
                            een zadel- of schilddak. In sommige gevallen is het dak aan één zijde
                            doorgetrokken tot de eerste verdieping.</al><al>De meeste panden hebben een verticale gevelindeling. Dakkapellen
                            bevinden zich zowel aan de voor- als achterzijde. Hier en daar is aan de
                            voorgevel een erker ter grootte van de vensteropening geplaatst.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Kleurgebruik en detaillering veranderen in de Noordbuurt per cluster of
                            straat. Alle bebouwing is evenwel opgetrokken in baksteen die in kleur
                            varieert van licht geel en terracotta tot rood, waarbij de gevels soms
                            onderbroken zijn door betonnen gevellijsten. De daken zijn veelal gedekt
                            met een donkere sneldekpan. In het meest noordelijke deel worden de
                            daken gedekt door terracottarood gekleurde pannen of door riet.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De Noordbuurt is een rustige woonbuurt die zijn oorspronkelijk karakter
                            goed behouden heeft. De bebouwings- en groenstructuur en
                            architectonische detaillering zijn goed geconserveerd. Met name de
                            weldadige groenstructuur geeft de wijk een prettige groene uitstraling.
                            De ter plaatse geldende bestemmingsplannen fixeren die kwaliteiten reeds
                            in voldoende mate. De authenticiteit wordt versterkt door het feit dat
                            verbouwingen veelal met zorg en respect voor het bestaande zijn
                            uitgevoerd.</al><al/><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het eigen, kenmerkende karakter van de bebouwing in het groen zal
                            behouden moeten blijven. Steeds vergt dat een zorgvuldige afstemming op
                            wat er in de omgeving in positieve zin reeds gebeurd is. De samenhang en
                            eenheid per rij of cluster staan daarbij voorop. Bij toevoegingen en
                            aanpassingen aan de bestaande woningen in de noordelijke deel wordt
                            vastgehouden aan de stedenbouwkundige en architectonische
                            randvoorwaarden die voor dit gebied zijn vastgelegd.</al><al>Bij de welstandstoetsing van de bijzondere objecten gesitueerd in dit
                            deelgebied, zoals basisscholen, een sporthal en De Eemhof, zal in eerste
                            instantie rekening worden gehouden met de karakteristieken van de
                            omgeving. Bij kwalitatieve toevoegingen zal tevens van de algemene
                            welstandscriteria gebruik gemaakt worden, gelet op het unieke, eenmalige
                            karakter van die gebouwen.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> de bebouwing dient te zijn georiënteerd op een openbare weg of een
                            openbare groene ruimte; bij nieuwbouw wordt de bestaande rooilijn
                            gerespecteerd. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> per rij en cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw;
                            woonbebouwing wordt vormgegeven in blokken die gedekt worden door een
                            zadel- of schilddak; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een
                            evenwichtige opbouw; aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn
                            ondergeschikt aan de hoofdmassa. </al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in baksteen, waarbij de kleur per
                            rij en cluster in onderlinge samenhang is. Steunkleuren van het
                            metselwerk zijn aardetinten en houtwerk mag worden toegepast als
                            ondergeschikte gevelbekleding; daken moeten worden gedekt; de daken, met
                            zwarte, grijze, rode of gedekt terracotta pannen, zijn per cluster in
                            onderlinge samenhang. Bij de individuele bouw aan de noordoostkant is
                            ook riet toegelaten; de daken dienen donkerder van kleur te zijn dan de
                            gevels. 6.7 Zuidpolder </al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Ten zuiden van de Zuidbuurt wordt de Zuidpolder tot ontwikkeling
                            gebracht. Voor dit gebied zijn de ambities vastgestelde in het
                            Gemeentelijk Programma van Eisen (2011), waarna dat is uitgewerkt in het
                            Masterplan Zuidpolder (februari 2012). Er wordt een dorpse opzet beoogd,
                            met kleinschalige gevarieerde bebouwing, binnen het stramien van de
                            langgerekte lijnen van het onderliggende landschap.</al><al>Vooruitlopend op de woningbouw in dit gebied is het kantoor van de
                            BEL-combinatie gerealiseerd.</al><al>Voor de beeldkwaliteit van de woningbouw wordt de inspiratie gevonden in
                            de historische dorpse bebouwing aan de Laarderweg, Kerkstraat en
                            Wakkerendijk. De woningen worden georiënteerd op de openbare ruimte, met
                            bijzondere aandacht voor de kopgevels die vol zichtbaar zijn.</al><al/><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>De woningen in de Zuidpolder worden kleinschalig en gevarieerd, waarbij
                            de eenheid verzorgd wordt door de toepassing van kappen en kenmerkende
                            detailleringen in de vorm van gootklossen en houten betimmering in de
                            kopgevel. Verder is sprake van traditioneel materiaal- en kleurgebruik.
                            Ten behoeve van de oriëntatie worden op cruciale plekken hoogteaccenten
                            of bijzondere kapvormen en/of uitbouwen mogelijk gemaakt.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>Het wordt een rustige woonwijk, waar slechts in zeer beperkte mate
                            andere functies dan wonen voorkomen.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het Masterplan Zuidpolder vormt de leidraad voor de opzet en in vulling
                            van het nieuwe woongebied. Bij latere toevoegingen en aanpassingen wordt
                            vastgehouden aan de stedenbouwkundige en architectonische
                            randvoorwaarden die voor dit deelgebied zijn vastgelegd.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Plaatsing</al><al> de woonbebouwing dient te zijn georiënteerd op het openbare gebied; op
                            openbare hoeken heeft de woonbebouwing een tweezijdige oriëntatie. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de woonbebouwing is gevarieerd en kleinschalig; aan- en uitbouwen,
                            alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa; de
                            gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> gevels dienen te worden opgetrokken in baksteen: rood, roodbruin of
                            roodpaars en witgestuukte en gekeimde gevels; toepassing van
                            gootklossen, houten daklijsten, houten betimmering en gevelmakelaars in
                            de topgevel met lichte (crèmewit, beige) of donkere (groen, blauw)
                            kleuren; daken worden gedekt met pannen of riet; traditionele
                            raamverdeling met extra raamroedes of kleinschalige ramen. 6.8
                            Bedrijventerrein </al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>In het zuidwesten van de bebouwde kom van Eemnes, nabij de (op- en afrit
                            van de) A27, bevindt zich een bedrijventerrein. Het terrein is in fasen
                            gerealiseerd. Op het noordelijke deel, bedrijventerrein Bramenberg, zijn
                            verschillende soorten bedrijven gevestigd, zoals kantoren, garages,
                            bouwbedrijven en een benzinepomp. Bovendien zijn bedrijfswoningen
                            aanwezig.</al><al>Ten zuiden hiervan wordt bedrijventerrein Zuidpolder gerealiseerd, wat
                            programmatisch voortborduurt op bedrijventerrein Bramenberg. Voor dit
                            deel is een beeldkwaliteitplan vastgesteld (Bedrijventerrein Zuidpolder,
                            Beeldkwaliteit, mei 2011).</al><al/><al>Het noordelijke deel, bedrijventerrein Bramenberg, is blokvormig
                            verkaveld en heeft een hoge bebouwingsdichtheid. De bebouwing heeft vaak
                            korte voorerven die veelal bestraat zijn. Alle bestaande wegen in het
                            gebied hebben aan weerszijden trottoirs met een begeleidende
                            boombeplanting die het terrein (Bramenberg) een verzorgde indruk
                            geven.</al><al/><al>Er is sprake van een afwisseling in bouwvolumes: grote en kleine
                            gebouwen, met één tot drie bouwlagen. Ook de uitstraling is divers, van
                            sober en doelmatig tot representatief en eigentijds. De uitstraling in
                            de richting van de snelweg is een aandachtspunt. Deze zijde heeft een
                            gedifferentieerd bebouwingsbeeld, met gedeeltelijk een nagenoeg
                            aaneengesloten bebouwingswand, met een weinig uitgesproken
                            karakter.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>De meeste panden hebben een representatieve hoofdmassa die direct aan de
                            straat gelegen is. Verscheidene panden hebben een eigentijdse
                            vormgeving, waaraan veel aandacht is besteed. Voor de gevels zijn
                            diverse materialen gebruikt, waaronder baksteen, golfplaat of
                            pleisterwerk. Meestal is het kleurgebruik ingetogen, soms zijn er ook
                            felle kleuren toegepast ter accentuering van het representatieve
                            gedeelte. De bedrijfswoningen zijn in een traditionele stijl opgetrokken
                            uit baksteen en hebben daken gedekt met pannen.</al><al/><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>Het bedrijventerrein Bramenberg is een bedrijventerrein dat intern een
                            redelijk verzorgde indruk maakt, waarbij met name de inrichting van het
                            openbare gebied de bindende schakel vormt. Ook de aandacht voor de
                            vormgeving van enkele bedrijven draagt hiertoe bij, al is er sprake van
                            een differentiatie naar aard en schaal van de bedrijven. Ter plaatse van
                            het nieuwe bedrijventerrein Zuidpolder zal extra aandacht uitgaan naar
                            de openbare oost- en zuidrand, met een evenwichtig bebouwingsbeeld.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Diversiteit is een gegeven en ook de kracht van het bedrijventerrein. Om
                            die reden zal juist de individuele uitstraling van de bedrijven
                            benadrukt worden, al wordt van een ieder een goede detaillering en een
                            verzorgde vormgeving verwacht. Dat geldt vooral in de richting van de
                            hoofdweg (Zuidersingel-Walnootberg) en de zichtbare buitenranden.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen </al><al> voor bedrijventerrein Bramenberg is de bestaande gebouwde omgeving het
                            kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk;
                            voor bedrijventerrein Zuidpolder is het beeldkwaliteitplan
                            Bedrijventerrein Zuidpolder het kwalitatieve referentiekader. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> het representatieve gedeelte van de bouwmassa is gelegen aan en gericht
                            op de straat. </al><al>Massa en vorm</al><al> de bebouwing heeft een individuele uitstraling, waarbij ter plaatse van
                            bedrijventerrein Zuidpolder een rustig straatbeeld wordt bereikt door
                            geringe hoogteverschillen tussen de verschillende hoofdgebouwen; de
                            gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> bij het representatieve gedeelte worden hoogwaardige, duurzame
                            materialen toegepast; aan de Zuidersingel-Walnootberg en de zichtbare
                            buitenranden is sprake van een zorgvuldige detaillering en een verzorgde
                            vormgeving. 6.9 Westzone </al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Het deelgebied Westzone beslaat het langwerpige gebied tussen de A27 en
                            het woongebied van Eemnes, vanaf de noordrand tot het bedrijventerrein
                            Bramenberg in het zuiden. Het gebied wordt onderbroken door het
                            deelgebied Laarderweg e.o. (deelgebied 3). Het is een overgangsgebied,
                            waar uiteenlopende functies en bestemmingen een plaats hebben. Van noord
                            naar zuid zijn dit: een volkstuincomplex, een woonwagenterrein, enkele
                            bedrijven, een manege, de algemene begraafplaats, de gemeenschappelijke
                            gemeentewerf van Eemnes, Laren en Blaricum en een groene ruimte tussen
                            infrastructuur. Alle functies worden direct ontsloten door middel van de
                            Noorder- of Zuidersingel.</al><al/><al>Het gebied heeft geen eenduidige verkaveling. Het volkstuincomplex, het
                            woonwagenterrein en de begraafplaats zijn aparte, zelfstandige
                            structuren. De overige bestemmingen zijn op de weg georiënteerd.</al><al/><al>De meeste bebouwing in het deelgebied is relatief grootschalig van
                            karakter. Sommige worden gedekt door een plat dak, andere door een kap.
                            Vaak wordt het hoofdgebouw vergezeld door meerdere bijgebouwen die vaak
                            ook fors van formaat zijn. Sommige bedrijfspanden en de gemeentewerf
                            hebben een representatief karakter. Bij de volkstuincomplexen is sprake
                            van kleine, houten opstallen.</al><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>Er bestaat grote pluriformiteit in detaillering, kleur- en
                            materiaalgebruik in de Westzone. Enkele bedrijfspanden, het aulagebouw
                            op de begraafplaats en de gebouwen op de gemeentewerf zijn eigentijds
                            vormgegeven en hebben een opvallend kleurgebruik.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>De Westzone is een verzamelgebied met een eigen sfeer en karakter.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>De Westzone wordt gekenmerkt door incidentele bebouwing in een groene
                            setting. Bij de vanaf de openbare weg (waaronder ook de snelweg)
                            zichtbare bebouwing zal in de toekomst blijvend en in sterkere mate
                            aandacht worden besteed aan de representativiteit.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige
                            toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de
                            typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik
                            ervan als uitgangspunt dient te nemen. </al><al/><al>Plaatsing</al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met een heldere,
                            eenduidige hoofdvorm; de vanaf de openbare weg zichtbare gebouwen worden
                            gekenmerkt door een zorgvuldige opzet en een representatief karakter; de
                            gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> bij de vanaf de openbare weg zichtbare representatieve gedeelte worden
                            hoogwaardige, duurzame materialen toegepast; de overige bebouwing heeft
                            een gedekte kleurstelling. 6.10 Sportcomplex Noordersingel </al><al/><al>Ruimtelijke structuur</al><al>Het sportcomplex Noordersingel ligt ingeklemd tussen de Noordbuurt en de
                            lintbebouwing aan de Meentweg. Het deelgebied herbergt verschillende
                            voorzieningen. Direct ten noorden van het nieuwe Dorpshart liggen
                            tennisvelden die door een afschermende haagbeplanting enigszins op
                            zichzelf ligt. Ten noorden hiervan ligt een openbaar grasveld met een
                            jongerencentrum en ten noorden daarvan het voetbalcomplex van de S.V.
                            Eemnes met een parkeerplaats, een skatebaan en een geasfalteerd
                            basketbalveld. Het sportcomplex wordt vrijwel geheel omzoomd door
                            beplanting van loofbomen. De ontsluiting heeft plaats vanaf de
                            Noordersingel. Ook de nieuwe brandweerkazerne maakt deel uit van dit
                            gebied.</al><al/><al>De verschillende activiteiten hebben allemaal hun eigen bebouwing die op
                            het bijbehorende terrein gelegen is. De bebouwing is zo gesitueerd dat
                            het zowel vanaf de velden als vanaf de ontsluitende wegen gemakkelijk
                            bereikbaar is.</al><al/><al>In het deelgebied is de bebouwing niet hoger dan één à twee bouwlagen en
                            vrijstaand. De meeste panden worden gedekt door een lessenaarsdak,
                            andere hebben een plat dak.</al><al/><al/><al>Detaillering, kleur en materiaal</al><al>De clubgebouwen hebben een representatief uiterlijk. Kleur- en
                            materiaalgebruik zijn zeer uiteenlopend, met vooral baksteen en hout en
                            glas voor de gevels.</al><al/><al>Waardebepaling en beleid</al><al>Het sportcomplex Noordersingel in een groot, relatief open groengebied.
                            Vanaf de Noordersingel zijn er verschillende doorkijken. Vanuit andere
                            richtingen is het gebied tamelijk gesloten.</al><al/><al>Gewenste ontwikkeling</al><al>Het deelgebied vormt een op zich staand gebiedje, met tamelijk
                            verscholen bebouwing. De bebouwing zal een bijdrage moeten leveren aan
                            het ‘landelijke’ groene karakter. Het gebruik van natuurlijke
                            materialen, zoals hout en een terughoudende kleurstelling, versterken
                            dat karakter.</al><al/><al>Welstandscriteria</al><al>Algemeen</al><al> de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor
                            ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. </al><al/><al>Plaatsing</al><al> handhaven van bebouwing in een vrije setting. </al><al/><al>Massa en vorm</al><al> de bouwmassa is vrijstaand en kleinschalig van karakter; de
                            gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige opbouw. </al><al/><al>Detaillering, kleur- en materiaalgebruik</al><al> het gebruik van hout en andere natuurlijke materialen; er worden
                            naturelkleuren of donkere tinten toegepast. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al>7 Nieuwe projecten De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor
                            grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke
                            structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria
                            kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet
                            stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Het opstellen van
                            welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten kan een onderdeel
                            vormen van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria kunnen
                            worden ontleend aan een beeldkwaliteitsplan of ruimtelijke
                            randvoorwaarden.De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens
                            vast ter aanvulling op de welstandsnota. Voor dergelijke aanvullingen op
                            de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere
                            inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De
                            welstandscriteria moeten zijn vastgesteld voordat de planvorming van de
                            concrete bouwplannen start en worden bekend gemaakt aan alle potentiële
                            opdrachtgevers in het gebied..8 Excessenregeling Bouwwerken waarvoor
                            geen omgevingsvergunning voor bouwen hoeft te worden aangevraagd moeten
                            desalniettemin aan minimale welstandseisen voldoen. Op grond van artikel
                            13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van
                            een bouwwerk dat ‘in ernstige mate is strijd is met redelijke eisen van
                            welstand’ aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken.
                            Volgens datzelfde wetsartikel moeten de criteria hiervoor in de
                            welstandsnota zijn opgenomen. Deze 'excessenregeling' is niet bedoeld om
                            de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. De gemeente hanteert bij
                            het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat sprake moet
                            zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor
                            niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke
                            kwaliteit van een gebied.Vaak heeft dit betrekking op:het visueel of
                            fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving;het ontkennen of
                            vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een
                            bouwwerk;inferieur materiaalgebruik;toepassing van felle of
                            contrasterende kleuren;te opdringerige reclames;een te grove inbreuk op
                            wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte
                            criteria). Omgevingsvergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de
                            welstandscriteria voor veel voorkomende kleine plannen zijn in elk geval
                            niet in strijd met redelijke eisen van welstand. 9 Algemene
                            welstandscriteria De welstandstoets heeft steeds plaats gehad aan de
                            hand van de volgende aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw
                            op zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. Die
                            indeling is op zich nog steeds bruikbaar en zal ook van nut blijken bij
                            het formuleren van criteria maar geeft zelf geen of onvoldoende inzicht
                            in de inhoudelijke kant ervan. Voor het ‘inkleuren’ van deze aspecten
                            met de algemene principes die de beoordeling van een bouwplan op
                            kwaliteit (of het ontbreken daarvan) mogelijk maken, is gebruik gemaakt
                            van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof. ir. Tj. Dijkstra.
                            Die worden hier puntsgewijs samengevat, de complete tekst is te vinden
                            in de bijlage. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van
                            welstand mag worden verwacht dat:Het een positieve bijdrage levert aan
                            de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte.
                            Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van
                            het bouwwerk of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en
                            omgeving).Dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en
                            uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in
                            de bestaande maatschappelijke realiteit (betekenissen van vormen in de
                            sociaal-culturele context).Er structuur is aangebracht in het beeld,
                            zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat
                            (evenwicht tussen helderheid en complexiteit).Het een samenhangend
                            stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in
                            ruimtes, volumes en vlakverdelingen (schaal en
                            maatverhoudingen).Materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van
                            het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de
                            omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Deze
                            algemene welstandscriteria worden als een vangnet gebruikt voor die
                            gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Ze zijn ook,
                            in hun samenhang, een illustratie van de wijze waarop de onafhankelijke,
                            deskundige en geïnteresseerde welstandscommissie tot een oordeel komt,
                            niet door het ‘afvinken’ van onderdelen maar door een integrale
                            afweging.10 WelstandskaartZie bijlage. </al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 22 april
                        2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>J.A. de Bruijn R. van Benthem RA</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221013.pdf">Welstandskaart Eemnes</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221014.pdf">Bijlage a Ruimtelijke analyse buitengebied</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221015.pdf">Bijlage c Verklarende woordenlijst</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221016.pdf">Bijlage b Monumentenlijst</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221017.pdf">Bijlage d Tekst algemene criteria</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i221018.pdf">Bijlage Welstandsbeleid in de kern</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>