<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR293107_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Biltbuis, 15 mei 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 108 eerste en tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 148 eerste en tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>4de wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>rv 12-02-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Zie bestaande regeling</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Dit is de Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009 inclusief de 4de wijziging</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente De Bilt;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 december
                        2009;</al><al>Gelet op de artikelen 108 eerste en tweede lid, 147 eerste en tweede lid en
                        149 Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de volgende :</al><al><vet>Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009. </vet>(inclusief de
                        4d<sup>e</sup> wijziging 2013). </al><al><vet>Algemene plaatselijke verordening</vet></al><al><vet>gemeente De Bilt 2009 (incl.4<sup>e</sup> wijziging)</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>A. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn
                                    vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                    1994 ;</al></li><li nr="·"><al>B. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen
                                    van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als
                                    bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
                                    omgevingsvergunning;</al></li><li nr="·"><al>C. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening De Bilt
                                    daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="·"><al>D. college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="·"><al>E. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="·"><al>F. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="·"><al>G. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="·"><al>H. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="·"><al>I. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="·"><al>J. weg:</al><lijst><li nr="o"><al>1. wegen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b
                                            van de Wegenverkeerswet, alsmede de daaraan liggende en
                                            als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="o"><al>2. de - al dan niet met enige beperking - voor het
                                            publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="o"><al>3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, welke
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="o"><al>4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;</al></li><li nr="o"><al>5. van de weg zoals bedoeld in sub a, onder 1 tot en met
                                            4, maakt deel uit de daartoe behorende ondergrond.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>K. werkdag: maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van
                                    erkende feestdagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10,
                                vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel
                                4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken, of minder dan de termijn in de
                                betreffende bepaling is vermeld, vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen,
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="·"><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="·"><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="·"><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="·"><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn; of</al></li><li nr="·"><al>e. indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de openbare orde;</al></li><li nr="·"><al>b. de openbare veiligheid;</al></li><li nr="·"><al>c. de volksgezondheid;</al></li><li nr="·"><al>d. de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Degene die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="o"><al>a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="o"><al>b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft
                                            tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="o"><al>c. zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                            samenscholing;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                    openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan
                                    in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="o"><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="o"><al>b. het doel van de betoging;</al></li><li nr="o"><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="o"><al>d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                            de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="o"><al>e. voor van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                            en</al></li><li nr="o"><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                            treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, dan wordt de kennisgeving geacht
                                    gedaan te zijn uiterlijk om 12.00 uur op de eerstvolgende
                                    werkdag.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek
                                    een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de
                                            weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan
                                            belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen
                                            voor het beheer of onderhoud van de weg; of</al></li><li nr="o"><al>b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in
                                    ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van
                                    1 m wordt gelaten op voetpaden en van 2 m op de rijbaan voor
                                    fietsers of gemotoriseerd verkeer.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de
                                    woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van
                                    terrassen, uitstallingen en reclameborden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het
                                    verbod in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor
                                    het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    .</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="o"><al>b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; en</al></li><li nr="o"><al>c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor nader
                                    door het college bepaalde categorieën onder door het college
                                    nader bepaalde voorwaarden mits:</al><lijst><li nr="o"><al>a. minstens drie weken voor het geplande gebruik
                                            schriftelijk kennisgeving hiervan is gedaan aan het
                                            college via het daarvoor door of namens het college
                                            vastgestelde meldingsformulier;</al></li><li nr="o"><al>b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van
                                            die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen
                                            blijken;</al></li><li nr="o"><al>c. voldaan wordt aan de nader door het college
                                            vastgestelde algemene voorschriften als vermeld op het
                                            meldingsformulier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994,
                                    of de provinciale wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>9. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="o"><al>a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
                                            indien de activiteiten zijn verboden bij een
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="o"><al>b. door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken , de provinciale wegenverordening, de
                                    waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening ….</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van
                                    een uitweg of het gebruik daarvan</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg naar de weg
                                    te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik van de
                                    uitweg te veranderen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="o"><al>a. de bruikbaarheid van de weg of het veilig en
                                            doelmatig gebruik daarvan;</al></li><li nr="o"><al>b. de bescherming van openbare groenvoorzieningen;
                                            of</al></li><li nr="o"><al>c. als het maken, hebben of veranderen zonder noodzaak
                                            ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de keur van het waterschap of het
                                    provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden
                                    dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende de periode van 1 mei tot en met 31 oktober en
                                    andere door het college aangewezen periodes.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het
                                    roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                    dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen
                                    ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet,
                                    of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                    bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas
                                    of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                    elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel
                                    uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen;</al></li><li nr="o"><al>b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="o"><al>b. activiteiten, niet zijnde free fight gala’s,
                                            kooigevechten of daarmee gelijk te stellen activiteiten,
                                            in gebouwen die in de eerste plaats gebruikt worden door
                                            cultureel-maatschappelijke instellingen, mits het
                                            gebruik past binnen de gebruiksvergunning en de
                                            activiteiten op basis van een jaarprogramma bij de
                                            burgemeester zijn aangemeld;</al></li><li nr="o"><al>c. sportwedstrijden en –toernooien georganiseerd onder
                                            auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten
                                            sportbond;</al></li><li nr="o"><al>d. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder
                                            h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="o"><al>e. kansspelen als bedoeld in de Wet op de
                                            kansspelen;</al></li><li nr="o"><al>f. het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="o"><al>g. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld
                                            in de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="o"><al>h. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van
                                            deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="o"><al>b. een braderie;</al></li><li nr="o"><al>c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="o"><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan
                                            de weg;</al></li><li nr="o"><al>e. een klein evenement, zoals een straatfeest,
                                            buurtbarbecue of kleinschalige activiteit indien:</al></li><li nr="o"><al>1o. het op één dag plaatsvindt;</al></li><li nr="o"><al>2o. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100
                                            personen; </al></li><li nr="o"><al>3o. het evenement plaats vindt op: - maandag tot en met
                                            zaterdag tussen 10.00 uur en 24.00 uur; of - zondag
                                            tussen 13.00 uur en 24.00 uur; of - ten tijde van de
                                            jaarwisseling tot 02.00 uur op nieuwjaarsdag; </al></li><li nr="o"><al>4o. geen muziek ten gehore wordt gebracht op: - maandag
                                            tot en met zaterdag voor 07.00 uur of na 23.00 uur; - op
                                            zondag voor 13.00 of na 23.00 uur; - ten tijde van de
                                            jaarwisseling voor 07.00 uur of na 02.00 uur op
                                            nieuwjaarsdag; </al></li><li nr="o"><al>5o. er geen samenloop is met andere evenementen in
                                            dezelfde wijk;</al></li><li nr="o"><al>6o. het evenement geen of een zeer geringe beperking van
                                            het gebruik van de openbare weg veroorzaakt, en het
                                            derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere
                                            verkeersmaatregel(en) te treffen;</al></li><li nr="o"><al>7o. er te allen tijde een rijloper van minimaal 3.50
                                            meter beschikbaar blijft ten behoeve van de
                                            hulpdiensten;</al></li><li nr="o"><al>8o. slechts kleine objecten worden geplaatst,
                                            bijvoorbeeld een kleine partytent, springkussen,
                                            barbecue, e.d. met een oppervlakte van minder dan 10 m2
                                            per object;</al></li><li nr="o"><al>9o. er geen samenloop is met wegopbrekingen en/of de
                                            hoofdroutes van de hulpdiensten;</al></li><li nr="o"><al>10o. er een organisator is; en</al></li><li nr="o"><al>11o. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand
                                            aan het evenement op een door de burgemeester
                                            vastgesteld formulier daarvan melding heeft gedaan aan
                                            de burgemeester. </al></li><li nr="o"><al>f. een groot evenement: een evenement waarvoor meer dan
                                            duizend bezoekers/deelnemers per dag worden verwacht
                                            enof regelmatig terugkerende evenementen die als zodanig
                                            door de burgemeester zijn aangewezen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Onder evenemententerrein wordt verstaan: de ruimte die in de
                                    evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten
                                    plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te
                                    kijken of eraan deel te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    de burgemeester een evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement zoals
                                    bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder e.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de
                                    melding van een klein evenement besluiten om dat te verbieden,
                                    indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare
                                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu
                                    in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod in het eerste lid is tevens niet van toepassing op
                                    een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
                                    wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 dient een
                                    aanvraag om een vergunning ten behoeve van:</al><lijst><li nr="o"><al>a. een groot evenement uiterlijk zes maanden voor
                                            aanvang van het groot evenement te worden ingediend en
                                            tevens vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het
                                            jaar waarin het evenement gepland staat te worden
                                            aangemeld bij de burgemeester;</al></li><li nr="o"><al>b. een evenement uiterlijk acht weken voor aanvang van
                                            het evenement te worden ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>De burgemeester kan in afwijking van het gestelde onder a. en b.
                                    de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen in
                                    verband met de benodigde voorbereidingstijd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. In afwijking van de in artikel 1:2 genoemde
                                    beslissingstermijn besluit de burgemeester op de aanvraag voor
                                    een vergunning voor een groot evenement binnen zes maanden na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is. De burgemeester kan deze
                                    termijn verlengen met twaalf weken.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en
                                    beperkingen verbinden met het oog op de in artikel 1:8 bedoelde
                                    belangen en ter verzekering van de nakoming van deze
                                    voorschriften en beperkingen in de vergunning bepalen dat een
                                    waarborgsom moet worden betaald voordat het evenement wordt
                                    gehouden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. openbare inrichting: </al><lijst><li nr="§"><al>i. een hotel, restaurant, pension, café,
                                                  cafetaria, snackbar, afhaal- of bezorgcentrum,
                                                  discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li><li nr="§"><al>ii. elke andere voor het publiek toegankelijke,
                                                  besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
                                                  omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                                                  verstrekt of dranken worden geschonken of
                                                  rookwaren of spijzen voor directe consumptie
                                                  worden verstrekt of bereid;</al></li></lijst></li><li nr="o"><al>b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                            inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                            vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                            voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                            verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                    besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan
                                    waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie
                                    van de openbare inrichting in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                    burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk
                                    weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                    woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting
                                    of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                    beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die
                                    zich bevindt in </al><lijst><li nr="o"><al>a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                            Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                            openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de
                                            winkelactiviteit;</al></li><li nr="o"><al>b. een zorginstelling;</al></li><li nr="o"><al>c. een museum; of</al></li><li nr="o"><al>d. een bedrijfskantine of – restaurant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De burgemeester verleent ambtshalve of op verzoek
                                    vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan
                                    openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien </al><lijst><li nr="o"><al>a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de
                                            inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten
                                            gepaard gaande met geweld, overlast op straat of
                                            drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de
                                            inrichting, dan wel</al></li><li nr="o"><al>b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er
                                            zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in
                                            artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                    (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is
                                    niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid
                                    en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met
                                    vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                    tussen 03.00 uur en 07.00 uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Openbare inrichtingen, welke uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik zijn bij een sport- of jeugdorganisatie,
                                    welzijnsorganisatie of instelling, dan wel in gebruik is als
                                    buurt- of dorpshuis, zijn gesloten van 00.00 tot 07.00 uur
                                    (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers
                                    geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten
                                    verblijven na sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
                                    Aan de door de burgemeester aangewezen jeugdsociëteiten kan deze
                                    ontheffing worden verleend tot 03.00 uur op zaterdag en
                                    zondag.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28,
                                    vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. In afwijking van het eerste lid is de sluitingstijd voor de
                                    aldaar genoemde openbare inrichtingen op nieuwjaarsdag van 06.00
                                    uur tot 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. Het eerste en het vierde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de orde te verstoren;</al></li><li nr="·"><al>b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd
                                        dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;</al></li><li nr="·"><al>c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan
                                        personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die
                                        aanwezig zijn op het terras. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
                                    als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur
                                    op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A.</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><structuurtekst><al><vet>[gereserveerd]</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34A</nr><titel>Schenktijden paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34B</nr><titel>Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34C</nr><titel>Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34D</nr><titel>Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</titel></kop><al>[Gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34E</nr><titel>Koppeling toegang aan leeftijden</titel></kop><al>[Gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34F</nr><titel>Verbod happy hours</titel></kop><al>[Gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een
                                    voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of
                                    in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel
                                            30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="o"><al>b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie
                                            of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen; en</al></li><li nr="o"><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden
                                            om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de
                                            Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen , of de handeling als in artikel l, onder
                                            a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat
                                            de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; of</al></li><li nr="o"><al>b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in
                                            strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="o"><al>b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c. van de Wet;</al></li><li nr="o"><al>c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="o"><al>d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="o"><al>b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                    van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                    aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die
                                    aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond
                                    ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig
                                    aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                    verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                    materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                    bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde
                                    werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                schriftelijke toestemming van de rechthebbende zich te bevinden in
                                of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen
                                wegen of paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="o"><al>a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                            monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="o"><al>b. zich op te houden op een wijze die aan andere
                                            gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats
                                            gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                            berokkent.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></li><li nr="o"><al>b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op
                                            te houden;</al></li><li nr="o"><al>b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn
                                            of een drempel van een gebouw te zitten of te
                                            liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                tunnels, schoolpleinen, winkelcentra, speelplaatsen, wachtlokalen
                                voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                        de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="·"><al>b. daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw,
                                    deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen
                                    of woonschip bevindt te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                    te laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                            als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li><li nr="o"><al>b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet
                                            is aangelijnd; of</al></li><li nr="o"><al>c. op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn
                                    niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: </al><lijst><li nr="o"><al>a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                            of sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="o"><al>b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Degene die zich met een dier op een openbare plaats begeeft
                                    is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat dier
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of
                                    houder van een hond </al><lijst><li nr="o"><al>a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                            of sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="o"><al>b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                    verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al><lijst><li nr="o"><al>a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer
                                            of van beide stoffen;</al></li><li nr="o"><al>b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond
                                            de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen
                                            van de mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr="o"><al>c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat
                                            de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening
                                            van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de
                                            korf aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder
                                    c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="o"><al>a. aanwezig te hebben;</al></li><li nr="o"><al>b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels;</al></li><li nr="o"><al>c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of</al></li><li nr="o"><al>d. te voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                    gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is
                                    aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Verbod voeren van dieren</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden dieren te
                                voeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of
                                            andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="o"><al>b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op
                                    een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten
                                    een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel
                                    hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de
                                    bijen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
                                    toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de
                                    woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                    Wegenverordening Provincie Utrecht 2004.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65a</nr><titel>Slapen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder
                                    op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een
                                    soortgelijk onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te
                                    overnachten dan welk gelegenheid daartoe te bieden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste lid bepaalde geldt op de door het college
                                    aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot
                                            het goed;</al></li><li nr="o"><al>b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="o"><al>c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voor dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                            goed;</al></li><li nr="o"><al>d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en</al></li><li nr="o"><al>e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis
                                        te stellen: </al><lijst><li nr="o"><al>1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="o"><al>2. van een verandering van de onder a, sub 1,
                                                bedoelde adressen;</al></li><li nr="o"><al>3. dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent;</al></li><li nr="o"><al>4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat
                                                redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor
                                                de rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="·"><al>c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te
                                        hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                                        duidelijk zichtbaar zijn;</al></li><li nr="·"><al>d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare
                                inrichtingen) onder artikel 2:32]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door
                                    het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade
                                    of overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Carbidschieten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water of een gasmengsel met
                                    vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te
                                    verbranden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien:</al><lijst><li nr="o"><al>a. het carbidschieten buiten de bebouwde kom plaatsvindt
                                            van 31 december 10.00 uur tot 1 januari van het
                                            daaropvolgende jaar 02.00 uur;</al></li><li nr="o"><al>b. minstens drie weken voor de geplande activiteit
                                            schriftelijk kennisgeving hiervan is gedaan aan het
                                            college via het daarvoor door of namens het college
                                            vastgestelde meldingsformulier;</al></li><li nr="o"><al>c. voldaan wordt aan de nader door het college
                                            vastgestelde algemene voorschriften als vermeld op het
                                            meldingsformulier; en</al></li><li nr="o"><al>d. het college niet binnen twee weken na ontvangst van
                                            de schriftelijke kennisgeving van enig bezwaar heeft
                                            doen blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het gestelde in het tweede lid onder a is niet van toepassing
                                    op de door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in artikelen 2:1, 2:10,
                                2:16, 2:41, 2:47, 2:50, of 2:73 van de Algemene plaatselijke
                                verordening 2013 groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                plaats.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="·"><al>b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="·"><al>c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht,
                                        of vertoningen van erotisch-pornografische aard
                                        plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval
                                        verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater,
                                        een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                                        begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                        combinatie met elkaar;</al></li><li nr="·"><al>d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen
                                        of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="·"><al>e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="·"><al>f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="·"><al>g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="·"><al>h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting,
                                        met uitzondering van: </al><lijst><li nr="o"><al>1. de exploitant;</al></li><li nr="o"><al>2. de beheerder;</al></li><li nr="o"><al>3. de prostituee;</al></li><li nr="o"><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="o"><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="o"><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met
                                betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                    ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="o"><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="o"><al>c. de aard van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="o"><al>b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="o"><al>c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                            bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de
                                    exploitant en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="o"><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                            veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van
                                            zes maanden of meer door de rechter in Nederland,
                                            inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en
                                            Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel
                                            door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                            naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                            ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="o"><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="§"><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank-
                                                  en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en
                                                  de Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="§"><al>- de artikelen 137c tot en met 137g , 140 ,
                                                  240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a,
                                                  300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                                  429quater en 453 van het Wetboek van
                                                  Strafrecht;</al></li><li nr="§"><al>- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="§"><al>- de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de Kansspelen;</al></li><li nr="§"><al>- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="§"><al>- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    gelijk gesteld: </al><lijst><li nr="o"><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="o"><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                            voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="o"><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend
                                            vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="o"><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                            vanaf de datum van de intrekking van deze
                                            vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf
                                    jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting
                                    of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 en 03.00
                                            uur;</al></li><li nr="o"><al>b. op zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke
                                    seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                    te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens
                                    het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                    gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste
                                            of tweede lid, geldende sluitingstijden
                                            vaststellen;</al></li><li nr="o"><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit
                                    bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42,
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel
                                    3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat
                                    in de seksinrichting: </al><lijst><li nr="o"><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                            ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                            (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de
                                            persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                            (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het
                                            Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                            wapens en munitie; en</al></li><li nr="o"><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                    op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op of aan andere dan door het college aangewezen
                                            wegen of gebieden;</al></li><li nr="o"><al>b. gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het
                                    eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven
                                    zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan
                                    personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende
                                    de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                    zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de
                                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie
                                    ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde
                                    lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in
                                    een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen
                                    of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder
                                    b.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                    daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte
                                    of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                            rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                                            openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                                            brengt;</al></li><li nr="o"><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing
                                    op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Beslistermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="o"><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting
                                            of het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                            voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; of</al></li><li nr="o"><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                    escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8,
                                    de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden
                                    geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in
                                    artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="o"><al>b. het voorkomen of beperken van aantasting van het
                                            woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="o"><al>c. de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="o"><al>d. de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="o"><al>e. de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li><li nr="o"><al>f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                    artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                    exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                    binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                    het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                    het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf
                                    het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                    besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="·"><al>b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het Besluit;</al></li><li nr="·"><al>c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="·"><al>d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek
                                        aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="·"><al>e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="·"><al>f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op
                                        grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden
                                        aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering
                                        van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="·"><al>g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="·"><al>h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                    van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                    college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                    kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een
                                    of meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor
                                    het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                    gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als
                                    bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en2.20 van het Besluit en
                                    artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur te
                                    worden beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De kennisgeving van een incidentele festiviteit wordt geacht
                                    te zijn gedaan indien:</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al>a. het door of namens het college vastgestelde formulier voor
                                    het doen van kennisgeving volledig en naar waarheid is ingevuld
                                    en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier staat
                                    vermeld; of</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al>b. het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.3. Het college stelt een formulier vast
                                    voor het doen van een kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De geluidswaarde als bedoeld in het vierde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwen gelaten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten
                                    gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als
                                    bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en
                                    artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>·1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld
                                in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit
                                binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing,
                                met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                        aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                        gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft
                                        voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="o"><al>b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden
                                        bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="o"><al>c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="o"><al>d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al></li><li nr="o"><al>e. Tabel</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="53*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00-19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00-23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00-7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="·"><al>2. Voor de duur van 20 uur in de week is onversterkte
                                        muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals
                                        orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een
                                        inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd
                                        van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.</al></li><li nr="·"><al>3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="·"><al>4. Het eerste lid is niet van toepassing op incidentele
                                        festiviteiten als bedoeld in artikel 4:3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>Geluidsoverlast door dieren</titel></kop><al>Diegene die de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor
                                omwonenden of overigens voor de omgeving geluidshinder
                                veroorzaakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="o"><al>b. hakhout: een of meer bomen of boomvormers die na te
                                            zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="o"><al>c. boom: een houtachtig, overblijvend gewas dat:</al></li><li nr="o"><al>- een of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van
                                            meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken en
                                            waarbij;</al></li><li nr="o"><al>- de stam een dwarsdoorsnede of bij meerstammigheid de
                                            dikste stam een dwarsdoorsnede heeft van minimaal 20
                                            centimeter op 1,3 meter hoogte boven maaiveld;</al></li><li nr="o"><al>d. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet;</al></li><li nr="o"><al>e. boomwaarde: de waardebepaling volgens de laatste
                                            richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van
                                            Bomen (NVTB).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien,
                                    met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
                                    handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering
                                    van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="·"><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                            gezag:</al></li><li nr="o"><al>a. houtopstanden te vellen of te doen vellen binnen een
                                            door het college van burgemeester en
                                            wethoudersaangewezen gebied ('Groene Kaart'), tenzij in
                                            het ‘Bomenbeleid’ is bepaald dat geen vergunning
                                            benodigd is voor het vellen;</al></li><li nr="o"><al>b. houtopstanden te vellen of te doen vellen die zijn
                                            opgenomen op een door het college van burgemeester en
                                            wethouders vastgestelde lijst ('Bomenlijst').</al></li><li nr="o"><al>c. houtopstanden te vellen of te doen vellen, voor zover
                                            het gemeentelijke bomen betreft.</al></li><li nr="o"><al>d. houtopstanden te vellen of te doen vellen, voor zover
                                            de bomen buiten de bebouwde kom zijn gelegen en
                                            particulier eigendom zijn, niet zijnde gemeentelijke
                                            bomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Zolang het college van burgemeester en wethouders geen gebied
                                    heeft aangewezen of lijst heeft vastgesteld, is het verboden
                                    zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te
                                    vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste en tweede lid genoemde verbod geldt niet
                                    voor:</al><lijst><li nr="o"><al>a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouw gronden, beide voor zover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="o"><al>b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden, tenzij
                                            het gaat om hoogstamvruchtbomen;</al></li><li nr="o"><al>c. fijnsparren en andere coniferen, niet ouder dan 12
                                            jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op
                                            daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="o"><al>d. kweekgoed;</al></li><li nr="o"><al>e. het periodiek knotten of kandelaberen van knotbomen
                                            en leibomen als cultuurmaatregelen;</al></li><li nr="o"><al>f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die:</al></li><li nr="o"><al>- ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10
                                            are;</al></li><li nr="o"><al>- ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                            bomen, gerekend over het totale aantal rijen;</al></li><li nr="o"><al>g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last
                                            van het bevoegd gezag;</al></li><li nr="o"><al>h. het periodiek vellen van houtopstand op
                                            natuurterreinen ter uitvoering van het reguliere
                                            onderhoud;</al></li><li nr="o"><al>i. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
                                            het reguliere onderhoud.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De vergunning, als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="o"><al>a. de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="o"><al>b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="o"><al>c. de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon; </al></li><li nr="o"><al>d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; </al></li><li nr="o"><al>e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="o"><al>f. de waarde voor de leefbaarheid van de
                                            houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde dat
                                    deze vervalt als hier geen gebruik van is gemaakt binnen een
                                    jaar nadat dit feitelijk is toegestaan. Ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden kan hiervoor in de vergunning een langere termijn
                                    worden opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader
                                    te stellen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. Indien het bevoegd gezag overeenkomstig het vorige lid een
                                    herplantplicht oplegt maar uitvoering hiervan in ruimtelijke zin
                                    niet tot de mogelijkheden behoort, kan het bevoegd gezag aan de
                                    vergunning het voorschrift verbinden dat de vergunningaanvrager
                                    een vergoeding verschuldigd is. Het bevoegd gezag stelt nadere
                                    regels vast omtrent de wijze waarop de hoogte van de vergoeding
                                    gebaseerd op boomwaarde, wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>8. Ingeval een houtopstand in strijd met het verbod van dit
                                    artikel is geveld, kan het bevoegd gezag, onverminderd zijn
                                    bevoegdheid tot het opleggen van een bestuursrechtelijke
                                    sanctie, de zakelijk gerechtigde op de grond of degene die uit
                                    andere hoofde bevoegd is voorzieningen te treffen, de
                                    verplichting opleggen een vergoeding te voldoen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artik 4:12 Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelengen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="o"><al>a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuin of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="o"><al>b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="o"><al>c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of</al></li><li nr="o"><al>d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen
                                            van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp
                                            of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
                                            oude metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens de Verordening natuur en landschap provincie Utrecht
                                    1996.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame
                                    te maken of te voeren door middel van een opschrift,
                                    aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt
                                    gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor
                                    inrichtingen milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                    voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de bescherming van natuur en landschap; of</al></li><li nr="o"><al>b. de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder
                                        al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="·"><al>b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="o"><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voertuigen waaraan herstel- of
                                            onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal
                                            niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd
                                            die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="o"><al>b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het
                                            derde lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="o"><al>b. de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                            gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al><lijst><li nr="o"><al>a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op
                                            de weg te plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="o"><al>b. op een door het college aangewezen plaats te
                                            parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor
                                            het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    eerste lid, aanhef en onder a.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening
                                    Provincie Utrecht 2004 of de Verordening bescherming natuur en
                                    landschap provincie Utrecht 1996.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                    aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                    kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op
                                    werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00
                                    tot 18.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op de weg;</al></li><li nr="o"><al>b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid; en</al></li><li nr="o"><al>c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is
                                            ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn
                                            bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe
                                    een intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                    verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden
                                    gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het
                                    aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                    daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de
                                    opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel
                                    is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="o"><al>a. een inzameling die in besloten kring gehouden
                                            wordt;</al></li><li nr="o"><al>b. een collecte die op het collecterooster van het
                                            Centraal Bureau voor de Fondsenwerving staat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. In afwijking van artikel 1:2 beslist het college op een
                                    aanvraag voor het houden van een kledinginzameling in een
                                    bepaald kalenderjaar op 15 december van het daaraan voorafgaande
                                    kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. In afwijking van artikel 1:3 dient een aanvraag voor het
                                    houden van een kledinginzameling in een bepaald kalenderjaar
                                    uiterlijk te zijn ingediend op 15 oktober in het daaraan
                                    voorafgaande kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) is niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder venten wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van
                                            de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1
                                            van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="o"><al>b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel
                                            5:22;</al></li><li nr="o"><al>c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde,
                                    de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in
                                    gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden
                                    te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 18.00 en
                                    09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                    toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken
                                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op door het college aangewezen openbare plaatsen;
                                            of</al></li><li nr="o"><al>b. op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                    plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
                                    kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als
                                            bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="o"><al>b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in
                                            artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="o"><al>b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is
                                    niet van toepassing op bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt
                                    in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;</al></li><li nr="o"><al>b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet .</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met
                                    een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                                    of voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                    aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens,
                                    dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                    oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                    waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of
                                    sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht , het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
                                    Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31A</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                        artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="·"><al>b. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="o"><al>b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="o"><al>c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van
                                            de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of
                                            van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                                    Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="o"><al>b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li><li nr="o"><al>c. de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de bevoegde minister aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="o"><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
                                            of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="o"><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die
                                            krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                            uitgevoerd;</al></li><li nr="o"><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters
                                            van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in
                                            het eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="o"><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid
                                            bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="o"><al>b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Mits er geen sprake is van gevaar of overlast voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="o"><al>b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="o"><al>c. vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening
                                    Utrecht 1995.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. verharde delen van de weg;</al></li><li nr="o"><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen en
                                            crematoriumterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                    andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>·1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                            en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                            beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                            geldboete van de tweede categorie:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Strafbepalingen 2<sup>e</sup>
                                                categorie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 2. Drugsoverlast</al></entry><entry colname="col2"><al>2:74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 3, Afdeling 2. Seksinrichting</al></entry><entry colname="col2"><al>3:4 t/m 3:15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 4, Afdeling 3. Kapverbod</al></entry><entry colname="col2"><al>4:11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 4, Afdeling 4.
                                                Ontsiering/stankoverlast</al></entry><entry colname="col2"><al>4:13, 4:15 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 5, Afdeling 1. Parkeerexcessen</al></entry><entry colname="col2"><al>5:2, 5:3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 5, Afdeling 8. Verbod vuur te stoken </al></entry><entry colname="col2"><al>5:34</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>·2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                            en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                            beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Strafbepalingen 1<sup>e</sup>
                                                categorie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 1. Bestrijding van
                                                ongeregeldheden</al></entry><entry colname="col2"><al>2:1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 2. Betogingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2:2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte
                                                stukken</al></entry><entry colname="col2"><al>2:6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de
                                                weg</al></entry><entry colname="col2"><al>2:9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien
                                                van de weg</al></entry><entry colname="col2"><al>2:10 t/m 2:12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 6. Veiligheid op de weg</al></entry><entry colname="col2"><al>2:14, 2:16, 2:18, 2:22, 2:23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 7. Evenementen</al></entry><entry colname="col2"><al>2:24 t/m 2:26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 8. Toezicht op
                                                horecabedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>2:27 t/m 2:34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 9. Toezicht op inrichting tot
                                                het verschaffen van nachtverblijf</al></entry><entry colname="col2"><al>2:35 t/m 2:38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 10. Toezicht op
                                                speelgelegenheden</al></entry><entry colname="col2"><al>2:39 t/m 2:40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast
                                                en baldadigheid</al></entry><entry colname="col2"><al>2:41 t/m 2:65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding
                                                van de heling van goederen</al></entry><entry colname="col2"><al>2:66 t/m 2:70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2, Afdeling 13. Vuurwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>2:71 t/m 2:73a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 4, Overige artikelen</al></entry><entry colname="col2"><al>4:3, 4:5, 4:6, 4:7 t/m 4:9, 4:18, 419</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 5, Overige artikelen</al></entry><entry colname="col2"><al>5:4 t/m 5:12, 5:13, 5:15, 5:18</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de bij besluit van het college of
                                de burgemeester aangewezen personen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2009, zoals laatstelijk
                            gewijzigd door de gemeenteraad in zijn vergadering van 28 juni 2012
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij
                            is bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            De Bilt 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 25 april 2013.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr.Drs. J.L. van Berkel A.J. Gerritsen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>