Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sint Maarten

LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, houdende de ambtsinstructie voor de politie en de buitengewone agenten van politie en regels met betrekking tot de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen voor Sint Maarten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSint Maarten
OrganisatietypeKoninkrijksdeel
Officiële naam regelingLANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, houdende de ambtsinstructie voor de politie en de buitengewone agenten van politie en regels met betrekking tot de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen voor Sint Maarten
CiteertitelAmbtsinstructie politie
Vastgesteld doorregering
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Dit landsbesluit is in werking getreden op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking is getreden. De Rijkswet politie is, met uitzondering van artikel 39, vierde en vijfde lid, in werking getreden op het tijdstip waarop de artikelen I en II van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking zijn getreden, te weten 10 oktober 2010.

De datum van ondertekening is een veronderstelde, aangezien deze onbekend is.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

30-04-2013Artikel 3

14-03-2013

AB 2013, no. 16

Onbekend
10-10-201030-04-2013geconsolideerde tekst (GT)

01-12-2011

AB 2011, GT no. 2

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, houdende de ambtsinstructie voor de politie en de buitengewone agenten van politie en regels met betrekking tot de maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen worden onderworpen voor Sint Maarten

 

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1
  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    ambtenaar:

    • a.

      de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder a. van de

      rijkswet;

    • b.

      de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, onder b, van de rijkswet, voor zover het betreft de artikelen 1 tot en met 8 en hoofdstuk 7;

    • c.

      degene die is benoemd tot aspirant voor de duur dat hij de

      praktijkstage volgt;

    • d.

      de buitengewoon agent van politie, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de rijkswet.

    meerdere:

    • a.

      de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens

      beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering:

    • b.

      indien op grond van het bepaalde onder a geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste dienstjaren.

    bevoegdgezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 16 en 17

    van de rijkswet;

    Minister: de Minister van Justitie;

    Geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan

    geringe betekenis uitgeoefend op personen of

    zaken;

    aanwenden van

    geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen

    met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;

    geweldsmiddel: de krachtens artikel 42. eerste en tweede lid,

    van de rijkswet toegelaten uitrusting en

    bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend;

    vuurwapen

    waarmee auto-: vuurwapen waarmee met één druk op het

    matisch vuur afvuurmechanisme meer schoten kunnen

    kan wordenwordengelost dan wel een vuurwapen waarmee

    afgegeven nakeus hetzij één schot, hetzij meer schoten

    kunnen worden gelost

    het gebruik van

    een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het

    daadwerkelijk gebruik van het vuurwapen;

    niet penetrerende: munitie die is ontworpen om bij het treffen

    munitie van een persoon niet het lichaam binnen

    te dringen;

    rijkswet: de Rijkswet politie van Curaçao van Sint

    Maarten en van Bonaire, Sint

  • 2.

    In deze regeling wordt ten aanzien van buitengewone agenten van

    politie voor“korpschef” gelezen: de door de Minister aangewezen

    ambtenaar die uit hoofd van zijn functie of krachtens beschikking of

    aanwijzing met de leiding is belast.

Hoofdstuk 2 Ambtsuitvoering

Artikel 2

Bij de uitoefening van zijn taken onthoudt de ambtenaar zich van gedragingen waardoor aan de goede naam van het politiekorps afbreuk gedaan kan worden.

Artikel 3
  • 1.

    Behoudens bij door de korpsbeheerder politie vastgestelde bijzondere

    voorschriften, brengt de ambtenaar bij officiële aangelegenheden in uniform gekleed op militaire wijze de groet:

    • a.

      voor leden van het Koninklijk Huis, de Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao en de Gouverneur van Sint Maarten;

    • b.

      tijdens het ten gehore brengen van volksliederen bij officiële gelegenheden, tenzij de dienstverrichting het brengen van de groet niet toelaat;

    • c.

      voor ontplooide, door of vanwege de Koning uitgereikte met Koninklijke toestemming gevoerde vaandels en standaarden, waarbij halt en front wordt gemaakt;

    • d.

      voor ministers, staatssecretarissen en gezaghebbers.

  • 2.

    De groet wordt niet gebracht door de ambtenaar die optreedt als bestuurder van een in beweging zijnd vervoermiddel, of die actief bezig is met de regeling van het verkeer.

  • 3.

    In burgerkleding groet de ambtenaar en brengt hij eerbewijzen met inachtneming van de gebruikelijke beleefdheidsvormen.

Artikel 4
  • 1.

    De ambtenaar zorgt voor een correct voorkomen.

  • 2.

    Hij verricht zijn taken in uniform, tenzij hij is aangewezen om in

    burgerkleding dienst te doen.

  • 3.

    In uniform of burgerkleding gekleed draagt hij de wapens als voor de dienst voorgeschreven. Indien het dragen van wapens bij de uitoefening van de politietaak in burgerkleding is voorgeschreven, worden de wapens als regel niet zichtbaar gedragen.

  • 4.

    Hij draagt er zorg voor dat zijn uniformkleding en uitrustingsstukken en de hem verstrekte wapens steeds in goed onderhouden en zindelijke staat verkeren.

  • 5.

    Het is de ambtenaar verboden dienstkleding, auto’s en gebouwen voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor zij zijn verstrekt respectievelijk beschikbaar gesteld.

Artikel 5

De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs dat aan hem is verstrekt:

  • a.

    bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken, en

  • b.

    bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.

Artikel 6
  • 1.

    De ambtenaar bekwaamt zich voortdurend in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle andere zaken met betrekking tot zijn taken.

  • 2.

    De ambtenaar stelt zich voortdurend op de hoogte van de geldende wettelijke regelingen, die voor de politie van belang zijn en van de voor hem geldende regelingen, dienstvoorschriften en ambtelijke instructies.

Artikel 7

Indien tegen een verdachte van een strafbaar feit proces-verbaal zal worden opgemaakt, wordt dit zo mogelijk aan hem medegedeeld, met inachtneming van de geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 8
  • 1.

    De ambtenaar, die buiten dienst een ernstig voorval waarneemt dat binnen de bevoegdheidssfeer van de politie ligt, of die buiten dienst op andere wijze van een zodanig ernstig voorval mededeling ontvangt, is verplicht naar bevind van zaken hulp te bieden en voorlopige maatregelen te nemen ter voorkoming van verder onheil dan wel ter verzekering van de mogelijkheid tot opsporing van een strafbaar feit, een en ander in afwachting van het overnemen van de behandeling van de zaak door een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met toezichthoudende of opsporingstaken.

  • 2.

    Bij dringende noodzaak verleent de ambtenaar die buiten dienst is, hulp bij de uitoefening van politietaken aan een dienstdoend functionaris die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast is met toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden.

Hoofdstuk 3 Geweld

§ 1 Algemeen

Artikel 9
  • 1.

    De ambtenaar die bevoegd is in de rechtmatige bevoegd van zijn taak geweld te gebruiken tegen personen en goederen of vrijheids-beperkende middelen te gebruiken tegen personen, gebruikt geweld wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede ge!et op de hieraan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

  • 2.

    De uitoefening van de bevoegdheid dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

Artikel 10

Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

  • a.

    aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en

  • b.

    die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.

Artikel 11
  • 1.

    Indien de ambtenaar, a! of niet in gesloten verband, onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, zal hij geen geweld aanwenden dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt gemaakt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald, of

    • b.

      in een geval als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, voor zover de last redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.

     

     

    § 2 Vuurwapens

Artikel 12
  • 1.

    Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstands precisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

    • a.

      om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen za! gebruiken;

    • b.

      om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

      1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf

      van vier jaren of meer is gesteld, en

      2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

      3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

    • c.

      tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden ingesloten verband onder leiding van een meerdere.

  • 2.

    Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoer-middelen waarin of waarop zich personen bevinden.

  • 3.

    In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt, dan wel indien

    een aanmerkelijke kans bestaat dat onschuldige derden kunnen worden getroffen.

  • 4.

    Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging daartoe en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 49 en 50 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 13
  • 1.

    De ambtenaar mag slechts uit voorzorg een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, terhand nemen:

    • a.

      in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of

    • b.

      in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is dat vuurwapen te gebruiken.

  • 2.

    lndien een situatie ais bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambtenaar terstond het vuurwapen op.

Artikel 14
  • 1.

    Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd tegen personen en tegen vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf.

  • 2.

    Een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel voor:

    • a.

      het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een. voor onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, of

    • b.

      de bewaking en beveiliging van personen en objecten.

  • 3.

    Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder a, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van de hoofdofficier van justitie. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook

    mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd. De hoofdofficier van justitie doet van het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven

    zo mogelijk vooraf mededeling aan de Minister.

  • 4.

    Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden

    gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.

Artikel 15
  • 1.

    Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd bij zeer ernstige misdrijven ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.

  • 2.

    Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel van de commandant van een bijstandseenheid, belast met bijzondere onderdelen van de politietaak.

  • 3.

    Een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeen ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden.

  • 4.

    Het meevoeren van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden, is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.

Artikel 16
  • 1.

    De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen zal schieten. met luide stern of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

  • 2.

    Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven,

    dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.

     

     

    §3 Niet-penetrerende munitie

Artikel 17

De artikelen 12 tot en met 16 zin niet van toepassing op het gebruik en het ter hand nemen van een vuurwapen dat is geladen met niet—penetrerende munitie.

Artikel 18

Het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie is slechts geoorloofd:

  • a.

    om een persoon aan te houden ten aanzien van ie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken, of

  • b.

    om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.

Artikel 19

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft slechts achterwege. wanneer de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 20

De artikelen 17 tot en met 19 zijn van overeenkomstige toepassing indien de niet-penetrerende munitie wordt afgegeven met een ander hulpmiddel dan een vuurwapen.

 

 

§4 Pepperspray

Artikel 21
  • 1.

    Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd:

    • a.

      om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik

      gereed zijn wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken:

    • b.

      om een persoon aan to houden die zich aan aanhouding,voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken:

    • c.

      ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren.

  • 2.

    Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:

    • a.

      personen die zichthaar jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar zijn:

    • b.

      vrouwen die zichtbaar zwanger zijn:

    • c.

      personen voor wie dit gebruik als gevolg van een voor de ambtenaar zichtbare ademhaling- of andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;

    • d.

      groepen personen.

  • 3.

    Bij gebruik van pepperspray wordt niet op de mond gericht.

Artikel 22

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat pepperspray gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

Artikel 23

Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste tweemaal voor de duur van niet langer dan ongeveer een seconde gebruikt en op een afstand van ten minste een meter.

 

 

§ 5 CS-Traangas

Artikel 24

Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:

  • a.

    in de in artikel 12, eerste lid. genoemde situaties;

  • b.

    om agressiegedrag of verzet van een persoon te onderdrukken respectievelijk te breken;

  • c.

    om dreigende agressie of verzet van een persoon te voorkomen.

Artikel 25

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij CS-traangas tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een traangas gebruikt zal orden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

 

 

§ 6 Politiehonden

Artikel 26
  • 1.

    Het inzetten van een politiesurveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij:

    • a.

      de surveillancedienst.

    • b.

      het optreden van de mobiele eenheid na toestemming van het bevoegd gezag.

  • 2.

    Het inzetten van een politiebond bij het optreden van een aanhouding en ondersteuningseenheid of een bijstandseenheid is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een dergelijke eenheid.

  • 3.

    De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel 42, eerste lid, van de rijkswet vastgesteld certificaat.

Artikel 27

In een situatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b, waarschuwt de ambtenaar onmiddellijk voordat hij een politiesurveillance hond inzet tegen een persoon met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat de bond zal worden ingezet, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

 

 

§ 7 Fysiek geweld en de wapenstok

Artikel 28

Het gebruik van fysiek geweld en de wapenstok is slechtst geoorloofd:

  • a.

    om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken;

  • b.

    om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken.

Artikel 29

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij fysiek geweld of een wapenstok zal gebruiken. met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat fysiek geweld of de wapenstok gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel word opgevolgd. Deze waarschuwing blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.

 

 

§ 8 Melding geweld

Artikel 30
  • 1.

    De ambtenaar die geweld heeft aangewend. meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere of een door de korpschef aangewezen functionaris.

  • 2.

    De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere of de door de korpschef aangewezen functionaris terstond vastgelegd, waarbij gebruik wordt gemaakt van het model, zoals opgenomen in bijlage I bij dit besluit.

  • 3.

    De korpschef wijst in elk bureau een functionaris aan die het opmaken van de in het eerste en tweede lid bedoelde melding coördineert en begeleid.

  • 4.

    De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de korpschef binnen vierentwintig uur na ontvangst ter kennis gebracht van de officier van justitie indien:

    • a.

      de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de korpschef;

    • b.

      het aanwenden van geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt, of

    • c.

      gebruik is gemaakt van een vuurwapen en daarmee één of meen schoten zijn gelost.

  • 5.

    In geval van bijzondere bijstandseenheden die als collectief optreden, berust de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schriftelijke vastlegging en inlevering bij degene die belast is met de leiding van de betrokken eenheid.

  • 6.

    De betrokken ambtenaar of de leidinggevende, bedoeld in het vijfde lid, wordt door de meerdere regelmatig op de hoogte gehouden van de afhandeling van de melding en de schriftelijke vastlegging.

Hoofdstuk 4 Handboeien

Artikel 31
  • 1.

    De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

  • 2.

    De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden,

  • 3.

    De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

    • a.

      de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

    • b.

      de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, een en ander in samenhang met De wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.

Artikel 32

De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 31, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

Hoofdstuk 5 Veiligheidsfouillering

Artikel 33
  • 1.

    Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de rijkswet, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

  • 2.

    In het geval dat een persoon is of zal worden aangehouden, wordt van een onderzoek aan diens kleding door de ambtenaar die bevoegd is tot het onderzoek gemotiveerd melding gemaakt in het desbetreffende proces-verbaal.

Artikel 34

Het onderzoek, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de rijkswet, wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Artikel 35

De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 13, vierde of vijfde lid, van de rijkswet heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

Hoofdstuk 6 Hulpmiddelen ten behoeve van de feitelijke verwijdering of uitzetting van vreemdelingen
Artikel 36
  • 1.

    De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, kan een vreemdeling bij diens feitelijke verwijdering of uitzetting met hulpmiddelen ten behoeve van de verwijdering of uitzetting in zijn bewegingsvrij heid beperken, ten behoeve van een goed verloop van de verwijdering of uitzetting.

  • 2.

    De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen indien:

    • a.

      de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de vreemdeling, van de ambtenaar of van derden, dan wel met het oog op gevaar voor een ernstige verstoring van de openbare orde, en

    • b.

      de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de vreemdeling.

  • 3.

    Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder leiding van een ter plaatste aanwezige meerdere optreedt, zal bij geen gebruik maken van deze hulpmiddelen dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan van welk hulpmiddel gebruik wordt gemaakt.

  • 4.

    Het gebruik van een hulpmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat hulpmiddel is geoefend.

Artikel 37
  • 1.

    De ambtenaar die ten aanzien van een vreemdeling die wordt verwijderd of uitgezet gebruik heeft gemaakt van een hulpmiddel ten behoeve van de verwijdering dan wel uitzetting als bedoeld in artikel 36. eerste lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit voorvloeiende gevolgen.

  • 2.

    De meerdere draagt zorg voor registratie van de melding, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 7 Hulpverlening

Artikel 38
  • 1.

    De ambtenaar draagt er zorg voor personen met lichte verwondingen, ziekteverschijnselen en personen ten aanzien van wie twijfel op dit punt bestaat, de weg te wijzen naar een huisarts of naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis. Indien dat noodzakelijk is, verleent de ambtenaar bemiddeling bij het verkrijgen van passend vervoer.

  • 2.

    De ambtenaar draagt er zorg voor dat personen met ernstige verwondingen en bewustelozen, waar onder mede worden verstaan personen die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. De gegevens omtrent aard en omstandigheden van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand heeft geleid, alsmede de op de persoon aangetroffen medische gegevens en geneesmiddelen, worden door hem ter beschikking van de medische hulpverleners gesteld.

Artikel 39
  • 1.

    De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, hetzij voor zichzelf op de meest geschikte wijze van plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek worden verwijderd. Onder plaatsen die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek warden mede verstaan vervoermiddelen die zich bevinden op deze plaatsen, een en ander voor zover niet gebezigd als woning.

  • 2.

    De ambtenaar draagt personen als bedoeld in het eerste lid over aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening, op het politie of brigadebureau worden onder-gebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.

  • 3.

    Voor personen als bedoeld in het eerste lid, van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken, waarschuwt de ambtenaar de dienstdoend adviserend arts, nadat zo mogelijk getracht is contact te zoeken met de eigen huisarts.

Hoofdstuk 8 Maatregelen jegens ingeslotenen

Artikel 40
  • 1.

    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a.

      arts: de dienstdoend adviserend arts;

    • b.

      ingeslotene: degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd.

  • 2.

    Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht.

Artikel 41
  • 1.

    De Minister treft voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over:

    • a.

      slaapgelegenheid,

    • b.

      eten en drinken in overeenstemming met medische en voor zover mogelijk levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,

    • c.

      sanitair,

    • d.

      de noodzakelijke medische zorg en

    • e.

      informatie over de gang van zaken in het politiecellencomplex.

  • 2.

    Tenzij het politiecellencomplex geen luchtplaats heeft, draagt de Minister er zorg voor dat de ingeslotene tweemaal daags wordt gelucht.

  • 3.

    In verband met het eerste lid, onder d, treft de Minister een regeling met artsen ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen.

  • 4.

    Met inachtneming van het bij of krachtens het landsbesluit bepaalde treft de Minister een regeling met betrekking tot het roken, de ontspanning, het telefoneren en het ontvangen van bezoek van de ingeslotene.

  • 5.

    De Minister geeft regels over de intreding van een politiecellencomplex.

  • 6.

    De Minister wijst de gegevens aan die worden geregistreerd over ingeslotenen.

  • 7.

    In geval van overlijden of poging tot zelfdoding van een ingeslotene draagt de Minister er zorg voor dat het openbaar ministerie hiervan onverwijld in kennis wordt gesteld en dat aan de Minister hiervan een schriftelijk rapport wordt gezonden. De Minister stelt voor het rapport een model vast.

Artikel 42
  • 1.

    Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering bepaalde zich hiertegen niet verzet, stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene zo spoedig mogelijk op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minder jarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.

  • 2.

    Indien de omstandigheden de uitvoering van het eerste lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.

Artikel 43
  • 1.

    De ambtenaar brengt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau op de hoogte van het bepaalde in de artikelen 42, 48 en 49. De mededeling geschiedt in een taal die de ingeslotene verstaat.

  • 2.

    Behalve de mondelinge mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de ingeslotene het formulier dat is opgenomen als bijlage 2 van dit besluit uitgereikt, waarop deze mededeling is vermeld. Het formulier is beschikbaar in ten minste de talen: Engels, Nederlands, Papiaments en Spaans.

Artikel 44
  • 1.

    De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.

  • 2.

    Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze in bewaring.

  • 3.

    Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Artikel 45
  • 1.

    De ambtenaar kan slechts van de ingeslotene verlangen dat deze zich ontkleedt indien de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven.

  • 2.

    De ambtenaar neemt de kleding, bedoeld in het eerste lid, in bewaring en draagt zorg voor vervangende kleding.

Artikel 46
  • 1.

    De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 44, eerste lid, heeft uitgevoerd, maakt hiervan onverwijld schriftelijk rapport op ten behoeve van de meerdere.

  • 2.

    De ambtenaar tekent nauwkeurig alle voorwerpen en kledingstukken die hij in bewaring heeft genomen, op. Bij voorwerpen van een geringe omvang en waarde kan worden volstaan met een globale aanduiding.

  • 3.

    Een afschrift van de aantekening, bedoeld in het tweede lid, wordt door de ingeslotene en de ambtenaar ondertekend en aan de ingeslotene overhandigd.

Artikel 47
  • 1.

    De ambtenaar kan de ingeslotene na toestemming van de hulpofficier van justitie aan permanente cameraobservatie onderwerpen.

  • 2.

    De maatregel, bedoeld in het eerste lid, is slechts geoorloofd in die gevallen waarin sprake is van een zodanige dreiging van gevaar voor het leven of de veiligheid van de betrokkene dat doorlopende controle ter afwending van dit gevaar noodzakelijk is.

  • 3.

    De ambtenaar doet aan de betrokkene mededeling van de permanente cameraobservatie en maakt aantekening van de permanente cameraobservatie.

Artikel 48
  • 1.

    In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt.

  • 2.

    In het geval de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan op de hoogte.

  • 3.

    In het geval de ingeslotene te kennen geeft geen medische hulp te willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand gewenst is, waarschuwt de ambtenaar de arts en deelt hij deze de houding van de ingeslotene mee.

Artikel 49

De ambtenaar mag aan de arts bij het onderzoek en de behandeling geen beperkingen opleggen. Hij volgt de aanwijzingen op die de arts over de zorg voor de gezondheid van de ingeslotene geeft en registreert de door de arts gegeven aanwijzingen.

Artikel 50
  • 1.

    De ambtenaar controleert de ingeslotene regelmatig met dien verstande dat:

    • a.

      in het geval de arts is gewaarschuwd, de ingeslotene ten minste elk

      kwartier in de cel wordt gadegeslagen;

    • b.

      in het geval medische hulp is verstrekt, de ingeslotene zo vaak wordt geobserveerd als de arts heeft voorgeschreven;

    • c.

      in het geval geen medische hulp noodzakelijk wordt geacht, de ingeslotene eenmaal per twee uur wordt gadegeslagen.

  • 2.

    In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, observeert de ambtenaar de ingeslotene zo nodig in de cel en aan de persoon, waarbij hij vooral acht slaat op de mate waarin de ingeslotene gewekt kan worden en aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet gewekt kunnen worden of niet aanspreekbaar zijn, worden terstond per ambulance naar een ziekenhuis vervoerd.

  • 3.

    De ambtenaar registreert de observaties, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 51

Bij overplaatsing van de ingeslotene geeft de ambtenaar de geneesmiddelen, de registraties, bedoeld in de artikelen 41, tweede lid, 49 en 50, derde lid, voor zover die van belang kunnen zijn, en de rapportage van de arts, die bestemd is voor een arts die de behandeling zal overnemen, mee.

Artikel 52

De ambtenaar zorgt ervoor dat bij de invrijheidstelling van een persoon die zichzelf niet kan verplaatsen, vervoer en begeleiding voor die persoon beschikbaar is.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 53

[regelt de inwerkingtreding]

Artikel 54

Dit besluit wordt aangehaald als: Ambtsinstructie politie.