<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR292675_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, Ioaw en Ioaz gemente Opmeer 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koggenlander d.d. 28-3-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, Ioaw en Ioaz gemente Opmeer 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid; Wet werk en bijstand, art. 8 en 18; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35 en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandiggen, art. 35 en 20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RVS 2.64 d.d. 14-3-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening WWB, Ioaw en Ioaz gemente Opmeer 2013
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Opmeer;</al>
          <al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van      ; </al>
          <al>Gelet op het advies van de commissie Samenlevingszaken van      ;</al>
          <al>Gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en de artikelen 8 en 18
                        van de Wet werk en bijstand (WWB), de artikelen 35 en 20 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (Ioaw) en de artikelen 35 en 20 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>besluit:</vet>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>in te trekken de Afstemmingsverordening WWB gemeente Opmeer 2012 per
                                1 januari 2013 en;</al></li>
            <li nr="2."><al>vast te stellen de Afstemmingsverordening WWB, Ioaw en Ioaz gemeente
                                Opmeer 2013.</al></li>
          </lijst>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Definities</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. </al></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de wet; Wet werk en bijstand of Wet Inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                            werknemers of de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of
                                            het Besluit bijstandverlening Zelfstandigen 2004.</al></li>
                  <li nr="b."><al>maatregel: het verlagen van de uitkering op grond van de
                                            bepalingen in de wet</al></li>
                  <li nr="c."><al>waarschuwing: een besluit inhoudende een terechtwijzing
                                            zonder een verlaging van de uitkering;</al></li>
                  <li nr="d."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Opmeer;</al></li>
                  <li nr="e."><al>benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte
                                            uitbetaalde bedrag aan bijstand verhoogd met de
                                            loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de
                                            gemeente de bijstand verstrekt op grond van de Wet op de
                                            loonbelasting en inhoudingsplichtige is;</al></li>
                  <li nr="f."><al>recidive: het binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                            besluit tot het opleggen van een maatregel of een
                                            waarschuwing in de zin van artikel 8 van deze
                                            verordening, opnieuw plegen van een verwijtbare
                                            gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Overeenkomstig deze verordening legt het college een maatregel op
                                indien:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
                                bestaan, of</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>indien de belanghebbende zich jegens het college zeer ernstig
                                misdraagt, of </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>indien de belanghebbende de verplichtingen genoemd in artikel 6 van
                                de vigerende re-integratieverordening gemeente Opmeer niet of
                                onvoldoende nakomt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende
                                verkeert. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een waarschuwing, tenzij het niet of
                                onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste
                                of tweede lid plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                waarschuwing is gegeven.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <al>De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van toepassing
                            zijnde bijstandsnorm en/of grondslag.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel; de duur van de maatregel; het bedrag
                            en het percentage waarmee de uitkering dan wel de inkomensvoorziening
                            wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            de standaardmaatregel.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al>
              <al>a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer
                                dan twaalf maanden vóór constatering van die gedraging </al>
              <al>a. door het college heeft plaatsgevonden;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald en voor zover de ingangsdatum niet voor de datum van de
                                gesanctioneerde gedraging komt te liggen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
                                die voor een periode van drie maanden of langer wordt opgelegd,
                                wordt uiterlijk na drie maanden nadat met de tenuitvoerlegging is
                                begonnen heroverwogen. Steeds indien besloten wordt de maatregel te
                                continueren dient na maximaal drie maanden een herbeoordeling plaats
                                te vinden. De belanghebbende wordt schriftelijk mededeling gedaan
                                van de heroverweging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>In de gevallen waarin een maatregel niet of niet volledig kan worden
                                geëffectueerd omdat de uitkering, kan de maatregel alsnog
                                geëffectueerd worden indien de belanghebbende binnen een termijn van
                                zes maanden opnieuw uitkering ontvangt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging die
                                naar aard betrekking heeft op verschillende gedragingen of
                                verplichtingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, wordt voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                                gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen of verplichtingen die naar hun aard
                                betrekking hebben op verschillende gedragingen of verplichtingen als
                                bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke maatregel opgelegd. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>GEDRAGINGEN, HOOGTE EN DUUR</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Indeling in categorieën gedragingen WWB en IOAW/IOAZ</titel>
            </kop>
            <al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de WWB;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            Werknemersvoorzieningen (UWV) of het niet of niet tijdig
                                            laten verlengen van de registratie.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><al>a.het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden binnen ’s
                                    Rijks kas bekostigde onderwijs te onderzoeken. Hieronder valt in
                                    ieder geval het verstrekken van documenten conform artikel 41,
                                    vijfde lid van de wet. </al></li>
              <li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
                                        </al></li>
                  <li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            het gebruik maken van geboden voorzieningen als bedoeld
                                            in de wet, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling dan wel het niet of niet tijdig
                                            voldoen aan een oproep om, in verband met de
                                            inschakeling van arbeid, op een bepaalde tijd en
                                            bepaalde plaats ergens te verschijnen, voor zover dit
                                            niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van de geboden voorziening.</al></li>
                  <li nr="d."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan de door het
                                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            activiteiten zoals genoemd in de wet.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Vierde categorie: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking; </al></li>
                  <li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                            het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van geboden voorzieningen als bedoeld in
                                            de wet, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de
                                            geboden voorziening; het zich zeer ernstig misdragen
                                            tegenover een medewerker belast met de uitvoering van de
                                            wet.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Verlies van een voorliggende voorziening door toepassing van een
                                bestuurlijke boete.</titel>
            </kop>
            <al>Indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                            toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                            verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling
                            schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van
                            100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de
                            verrekening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Weigering Ioaw of Ioaz</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In gevallen als bedoeld in artikel 20, eerste lid Ioaw, wordt de
                                uitkering blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende
                                uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
                                artikel 8 Ioaw zou hebben kunnen verwerven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In gevallen als bedoeld in artikel 20, tweede lid Ioaz, wordt de
                                uitkering blijvend geweigerd naar de mate waarin de belanghebbende
                                die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met
                                deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou
                                hebben kunnen verwerven.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college stelt de maatregel vast op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>vijf procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag
                                        gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
                                    </al></li>
                <li nr="b."><al>tien procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag
                                        gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
                                    </al></li>
                <li nr="c."><al>twintig procent van betreffende bijstandsnorm en/of
                                        grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                        categorie; </al></li>
                <li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm en/of grondslag
                                        gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd dan wel een waarschuwing is gegeven, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de belanghebbende ook na toepassing van het bepaalde in het
                                tweede lid binnen een periode van twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij een maatregel is opgelegd blijft volharden in
                                zijn verwijtbare gedraging kan het college de maatregel voor
                                onbepaalde tijd opleggen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan, in afwijking van het eerste lid, de hoogte van de
                                maatregel hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf
                                procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend met de
                                ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college is bevoegd om van deze verordening af te wijken,
                                    indien toepassing van de bepalingen indeze verordening zou
                                    leiden tot onbillijkheden van ernstige aard jegens de
                                    belanghebbende.</al></li>
              <li nr="2."><al>In gevallen, waarin de uitvoering van deze verordening niet
                                    voorziet, beslist het college.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking en werkt terug tot en met 1
                                    januari 2013;</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    WWB, Ioaw en Ioaz gemeente Opmeer 2013.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Opmeer </al>
          <al>van 14 maart 2013.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>mevrouw M.C.G.M. de Vree-Bekker</ondertekening>
        <ondertekening>griffier gemeenteraad Opmeer</ondertekening>
        <ondertekening>de heer G.J.A.M. Nijpels</ondertekening>
        <ondertekening>voorzitter gemeenteraad Opmeer</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting Afstemmingsverordening WWB ,Ioaw en Ioaz gemeente Opmeer
                        2013</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop>
        <al>De afstemmingsverordening 2013 is inhoudelijk grotendeels gelijk aan de
                    Afstemmingsverordening 2012.</al>
        <al>De algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting zijn daarom
                    grotendeels gehandhaafd. </al>
        <al>De wijzigingen per 1-1-2013 vereisen de volgende algemene toelichting:</al>
        <al>Vanaf 1 januari 2013 geldt de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving. Hierdoor moet de gemeente bij schending van de inlichtingenplicht
                    in de Wet werk en bijstand (WWB) boetes opleggen en deze verrekenen met de
                    bijstandsuitkering. Dit was tot 1 januari 2013 niet het geval maar kon de
                    gemeente de bijstand bij schending van de inlichtingenplicht op basis van de
                    Afstemmingsverordening verlagen. Het fraudebeleid is dus strenger geworden. </al>
        <al>Voor de uitvoering van deze Wet aanscherping is de Verordening verrekening
                    bestuurlijke boete bij recidive gemeente Opmeer 2013 vastgesteld. Hierin staat
                    hoe de gemeente omgaat met de verrekening van bestuurlijke boetes bij recidive. </al>
        <al>Door de nieuwe wet moet de Afstemmingsverordening WWB op onderdelen worden
                    aangepast want de bijstand verlagen vanwege schending van de inlichtingenplicht
                    kan niet meer.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Wijzigingen Verordening 2013 t.o.v. 2012</vet> De bepalingen in de
                    Afstemmingsverordening 2012 die betrekking hebben op afstemming van de uitkering
                    in verband met schending van de inlichtingenplicht zijn in de
                    Afstemmingsverordening 2013 komen te vervallen. De artikelleden zijn vernummerd.
                    (artikelen 5 en 8).</al>
        <al>Daarnaast is in een nieuw artikel 9 opgenomen hoe wordt omgegaan met mensen die
                    een beroep doen op bijstand omdat zij geen inkomen hebben en vanwege
                    herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht hun recht op een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering of werklozenuitkering hebben verloren. Vanaf
                    artikel 10 zijn de artikelen uit de oude verordening vernummerd.</al>
        <tussenkop>
          <vet>Toelichting Verordening 2013</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>1. Wet werk en bijstand</tussenkop>
        <al>In de WWB staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger om in zijn
                    levensonderhoud te voorzien centraal. Met de aanscherping van de WWB per 1
                    januari 2012 is deze eigen verantwoordelijkheid nog duidelijker naar voren.</al>
        <al>Per 1 januari 2012 is de WIJ opgenomen in de WWB en gelden er voor jongeren
                    strengere regels. Een van de nieuwe eisen is dat een jongere bij een melding
                    voor een uitkering eerst 4 weken zoektijd krijgt, waarbij hij of zij zich moet
                    gaan onderzoeken wat de mogelijkheden op het gebied van opleiding en werk zijn.
                    Geen onderzoek betekent ook geen uitkering.</al>
        <al>Dit zorgde ervoor dat de afstemmingsverordening aangepast is aan de terminologie
                    van de WWB per 1 januari 2012.</al>
        <al>De afstemmingsverordening bijstand regelt de verlaging van de bijstand bedoeld
                    in artikel 18 WWB. Deze luidt per 1 januari 2013:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
                        </al></li>
          <li nr="2."><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening ter zake
                            van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de
                            verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel artikel 30 c, tweede
                            en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                            inkomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                            misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                            college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li>
          <li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li>
          <li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin en de ten laste komende kinderen van de alleenstaande
                            ouder.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1. Relatie met de re-integratieverordening</tussenkop>
        <al>De gemeente heeft ook een re-integratieverordening vastgesteld. In deze
                    verordening is vastgelegd hoe de belanghebbenden worden ondersteund bij de
                    arbeidsinschakeling en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. In beginsel wordt aan iedere belanghebbende
                    arbeidsverplichtingen opgelegd, deze worden vastgelegd in een individuele
                    beschikking. Indien een belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, kan dit
                    tot een maatregel leiden, waarvoor de basis is gelegd in de
                    afstemmingsverordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>2. De term ‘maatregel’</tussenkop>
        <al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Hier is gekozen om
                    het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen aan te duiden als het opleggen van een maatregel. Hiermee wordt
                    het sanctionerende karakter benadrukt. Voor ogen moet worden gehouden dat het
                    opleggen van een maatregel géén straf is, waarbij het leedtoevoegend karakter
                    voorop staat, maar een herstelsanctie, gericht op het (weer) in overeenstemming
                    brengen van de hoogte van de bijstand/inkomensvoorziening met de mate waarin de
                    /jongere de aan de uitkering/inkomensvoorziening verbonden verplichtingen
                    nakomt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 1 Definities</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen.</al>
        <al>Onder bijstandsnorm wordt in deze verordening uitdrukkelijk verstaan de
                    toepasselijke bijstandsnorm plus de toeslag of de verlaging. De maatregel is dus
                    alleen van toepassing op de bijstandsnorm..</al>
        <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt ten aanzien van de personen
                    die een Ioaw of Ioaz uitkering ontvangen, hebben een gelijkluidende betekenis
                    als in laatstgenoemde wetten. De maatregel is van toepassing op de van
                    toepassing zijnde grondslag.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>De WWB, Ioaw en Ioaz verbinden aan het recht op een uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al></li>
          <li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37
                            Ioaw/Ioaz). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al></li>
          <li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden;</al></li>
          <li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                            verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                            verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de de belanghebbende. De re-integratieverordening vormt de juridische
                            basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                            verplichtingen zijn in het besluit tot het verlenen van bijstand
                            neergelegd.</al></li>
          <li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB en artikel 13, tweede
                            lid Ioaw/Ioaz). Dit is de plicht van belanghebbende om desgevraagd het
                            college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                            uitvoering van de betreffende wet. De medewerkingsplicht kan uit
                            allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><lijst>
              <li nr="-"><al>het toestaan van een huisbezoek;</al></li>
              <li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <al>Artikel 18 WWB en artikel 35 Ioaw/Ioaz (nieuw) noemen nog een gedraging die in
                    ieder geval afstemmingswaardig is: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al>
        <tussenkop>Tweede lid </tussenkop>
        <al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de uitkering/inkomensvoorziening. In het
                    tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken /jongere afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al>
        <al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al>
        <al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al>
        <al>Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid.</al>
        <al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de /jongere.</al>
        <al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de uitkering/inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 6. Indien het college vanwege de persoonlijke omstandigheden van
                    belanghebbende in het geheel geen verlaging wil toepassen kan dit op grond van
                    dringende redenen, zie toelichting bij artikel 6. </al>
        <al>Bij matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                    worden die persoonlijke omstandigheden bedoeld die los staan van de gedraging,
                    maar die individualisering rechtvaardigen. Hiervan kan bijvoorbeeld in de
                    volgende gevallen aan de orde zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het afzien van een forse verlaging indien de belanghebbende is opgenomen
                            in een traject schuldhulpverlening. Het hebben van schulden hoeft
                            overigens alleen dan beschouwd te worden als een reden om een lagere
                            verlaging toe te passen, als in de maanden waarin de verlaging wordt
                            toegepast ook daadwerkelijk op die schulden wordt afgelost.</al></li>
          <li nr="-"><al>sociale omstandigheden.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Derde lid </tussenkop>
        <al>Een waarschuwing kan worden gegeven, als belanghebbende een verzuim binnen</al>
        <al>korte tijd al heeft hersteld voor een maatregel is opgelegd en het opleggen van
                    de maatregel</al>
        <al>contraproductief is. De waarschuwing wordt niet als zodanig benoemd in artikel
                    18 van de WWB, artikel 35 Ioaw/Ioaz. In de WWB/Ioaw/Ioaz wordt gesproken over
                    het afstemmen van de uitkering dan wel over het verlagen van de uitkering indien
                    niet aan de verplichtingen wordt voldaan. In de WIJ werd gesproken over het
                    verlagen van de inkomensvoorziening indien niet aan de verplichtingen wordt
                    voldaan. In bepaalde situaties kan het voorkomen dat gedragingen formeel gezien
                    in strijd zijn met de verplichtingen van de betreffende wetten, maar dat bij de
                    beoordeling van de gedraging wordt geconstateerd dat er in de situatie van
                    belanghebbende sprake is van een incident en dat het direct verlagen van de
                    uitkering/inkomensvoorziening niet in verhouding staat tot het overige goede
                    gedrag van belanghebbende. </al>
        <al>Het afstemmen leidt in deze gevallen niet tot een verlaging van de
                    uitkering/inkomensvoorziening en kan worden volstaan met het geven van een
                    schriftelijke waarschuwing. De waarschuwing is geen maatregel, maar wordt wel
                    betrokken bij de recidivebepalingen. </al>
        <tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop>
        <al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    over de bijstandsnorm/grondslag. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot het opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <al>Het verlagen van de uitkering/inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt
                    opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit waartegen belanghebbende
                    bezwaar en beroep kan aantekenen. </al>
        <al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is
                    en van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de omstandigheden
                    waarin de belanghebbende verkeert en de mate van verwijtbaarheid. Van het
                    opleggen van een maatregel wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt. Deze laatste bepaling staat in artikel 18 lid 2 van de WWB artikel 35
                    lid 3 Ioaw/Ioaz en is overgenomen in de verordening in artikel 5.
                    Belanghebbenden worden op verschillende manieren op de hoogte gesteld van hun
                    verplichtingen en hadden op het moment dat zij hun gedrag vertoonden
                    redelijkerwijs moeten kunnen weten dat hun gedragingen maatregelwaardig zijn. </al>
        <al>Indien het specifieke verplichtingen betreft moeten deze van tevoren wel
                    voldoende kenbaar zijn gemaakt. Alleen in evidente gevallen kan worden afgezien
                    van het opleggen van een maatregel wegens niet-verwijtbaarheid. </al>
        <al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al>
        <al>Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt
                    voor gedragingen die langer dan twaalf maanden geleden hebben plaatsgevonden.
                    Deze bepaling is niet van toepassing indien als gevolg van de gedraging te veel
                    of ten onrechte bijstand dan wel een inkomensvoorziening is verstrekt. De
                    termijn voor het opleggen van een maatregel is dan niet beperkt. </al>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Nadat is besloten
                    tot het opleggen van een maatregel waarbij bij de bepaling van de hoogte van de
                    maatregel rekening is gehouden met de ernst van de gedraging, de omstandigheden
                    waarin de belanghebbende verkeert en de mate van verwijtbaarheid, kan in
                    uitzonderlijke gevallen worden besloten om af te zien van het opleggen van een
                    maatregel op grond van dringende redenen. Dringende redenen zijn redenen die op
                    zich niets van doen hebben met de maatregel. Wat onder dringende redenen
                    verstaan moet worden, is niet in de wet aangegeven. </al>
        <al>Wel is duidelijk dat het moet gaan om uitzonderingen en bijzondere
                    omstandigheden en dat de omstandigheden los staan van de maatregelwaardige
                    gedraging zelf. Steeds gaat het om een individuele afweging van alle relevante
                    omstandigheden van de belanghebbende. Het opleggen van de maatregel zou leiden
                    tot onaanvaardbare consequenties. Uiteraard gaat het om incidentele en
                    individuele gevallen. </al>
        <tussenkop>Derde lid </tussenkop>
        <al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed mogelijk te
                    informeren over de verplichtingen die aan de uitkering/inkomensvoorziening
                    verbonden zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid </tussenkop>
        <al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering/inkomensvoorziening kan in beginsel op twee manieren: </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering/inkomensvoorziening; of</al></li>
          <li nr="2."><al>door middel van verlaging van de uitkering/inkomensvoorziening in de
                            eerstvolgende maand(en).</al></li>
        </lijst>
        <al>Het verlagen van de bijstand die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet over te worden gegaan tot
                    herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
                    Om deze reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met
                    ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is kenbaar gemaakt.</al>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Wanneer de uitkering nog niet (volledig) aan de is uitbetaald, zoals
                    bijvoorbeeld tijdens de toekenningsfase van de uitkering, kan het praktisch zijn
                    om de uitkering die nog moet worden uitbetaald te verlagen. Van deze
                    mogelijkheid kan alleen gemotiveerd gebruik worden gemaakt. </al>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de die met een maatregel
                    wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de
                    periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen.
                    Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Artikel 18, derde lid van de
                    WWB bepalen dat de gemeente een besluit tot het treffen van een maatregel binnen
                    een door haar te bepalen termijn moet heroverwegen. Dit is een
                    dwingendrechtelijke bepaling.</al>
        <al>Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd,
                    wordt uiterlijk na drie maanden nadat met de tenuitvoerlegging is begonnen,
                    heroverwogen. Het college moet beoordelen of de omstandigheden en het gedrag van
                    de belanghebbende aanleiding geven om de beslissing te herzien. Daarbij moeten
                    de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen worden. Omwille
                    van de rechtszekerheid dienen de rechten en plichten die voor de belanghebbende
                    van toepassing zijn, in de beschikking te worden opgenomen.</al>
        <al>Bij de heroverweging dient het college zowel te kijken naar het gedrag van
                    belanghebbende als de omstandigheden van belanghebbende. Het oordeel van het
                    college naar aanleiding van deze heroverweging kan zijn dat: </al>
        <al>• de verlaging conform het oorspronkelijke besluit tot verlaging wordt
                    voortgezet; </al>
        <al>• de verlaging vanaf het moment van heroverweging wordt beëindigd, of; </al>
        <al>• de hoogte of de duur van de verlaging wordt gewijzigd voor de resterende tijd
                    waarop de afstemmingsbeschikking betrekking had.</al>
        <al>De heroverweging leidt tot een beschikking, waartegen de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat. Door middel van bezwaar en/of beroep tegen deze
                    beschikking is het niet mogelijk ook bezwaar of beroep in te stellen tegen het
                    primaire besluit indien dit reeds rechtens onaantastbaar is geworden. Indien
                    belanghebbende zich tussentijds zodanig gedragen heeft dat er aanleiding is voor
                    een verdere verlaging, kan deze verlaging niet worden bereikt door naar
                    aanleiding van de heroverweging de reeds opgelegde verlaging te verlengen of te
                    verhogen. </al>
        <al>In dat geval dient het college ten aanzien van de nieuwe gedraging een nieuw
                    besluit te nemen, omdat anders de ingangsdatum van de verlaging gelegen is voor
                    de datum van de gedraging.</al>
        <al>In de Ioaw/Ioaz is geen bepaling opgenomen die de gemeente verplicht om een
                    besluit tot het treffen van een maatregel binnen een door haar te bepalen
                    termijn te heroverwegen. Op grond van deze verordening geldt deze verplichting
                    ook ten aanzien van de Ioaw/Ioaz. </al>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Indien de uitkering is beëindigd kan een maatregel in de toekomst binnen zes
                    maanden ten uitvoer worden gelegd. Bij het beëindigingsonderzoek zal de
                    afstemmingswaardige gedraging moeten worden meegenomen. De tenuitvoerlegging van
                    de afstemming kan dan bij de nieuwe aanvraagprocedure worden uitgevoerd. </al>
        <tussenkop>Artikel 7 Samenloop van gedragingen</tussenkop>
        <al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een /jongere die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. Indien
                    sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan
                    dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging
                    waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. Indien sprake is van schending
                    van de meerdere verplichtingen door meerdere gedragingen, dan moeten in principe
                    de afzonderlijke maatregelen opgeteld worden. Hierbij geldt dat de maatregelen,
                    voor zover mogelijk, in dezelfde maand worden geëffectueerd. </al>
        <tussenkop>Artikel 8 Indeling in categorieën gedragingen WWB</tussenkop>
        <al>De artikelen acht en twaalf moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                    verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën waaraan (in artikel
                    twaalf) een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                    categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. In de indeling in
                    categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in de WWB wordt gehecht
                    aan de re-integratieverplichting. De gedragingen welke direct betrekking hebben
                    op verplichtingen in het kader van de inschakeling in de arbeid, met
                    uitzondering van het niet of niet volledig verstrekken van inlichtingen ten
                    behoeve van de re-integratie zijn daarom ondergebracht in de twee zwaarste
                    categorieën (categorie drie en vier). Voor elke verlaging geldt dat hiertoe is
                    beslist nadat een zelfstandige beoordeling door de gemeente is gemaakt. Een
                    maatregel opgelegd door bijvoorbeeld het UWV (bijv. permanente weigering WW) mag
                    niet klakkeloos worden overgenomen. Wel dient met dit feit rekening te worden
                    gehouden bij de individuele gemeentelijke beoordeling.</al>
        <tussenkop>Eerste categorie</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>De aanvullende verplichtingen van artikel 55 en 57 WWB moeten expliciet
                            bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang
                            van de uitkering als in een later stadium, zodra de omstandigheden
                            daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om specifieke verplichtingen,
                            die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het recht, maar
                            wel arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden met
                            aard en doel van de uitkering. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de
                            verplichting om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of de
                            verplichting een medische behandeling te ondergaan.</al></li>
          <li nr="b."><al>Dit betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te
                            schrijven bij het UWV en ingeschreven te blijven.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Tweede categorie</tussenkop>
        <al>Dit spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Derde categorie</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op uitkering,
                            bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen toedoen (eerder) in
                            bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren.</al></li>
          <li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te
                            verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte
                            aantal verplichte sollicitaties zal afhangen van het aanbod van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Van belanghebbende wordt verwacht dat hij of zij
                            uit eigen beweging tracht een baan te vinden. Met mededeling van
                            mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij
                            geverifieerd kan worden dat deze daadwerkelijk hebben
                            plaatsgevonden.</al></li>
          <li nr="c."><al>Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                            belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht in zijn
                            levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te
                            werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            re-integratievoorziening of om deel te nemen aan een concreet aangeboden
                            voorziening (waaronder begrepen sociale activering; onbeloonde
                            additionele werkzaamheden; scholing/opleiding teneinde een
                            startkwalificatie te behalen), dat uiteindelijk moet leiden tot
                            uitstroom. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de
                            belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, wat weer
                            gevolgen heeft voor de duur van de aanspraak op uitkering.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject kan er immers
                    toe leiden dat een traject ernstig wordt vertraagd of zelfs moeten worden
                    afgebroken. </al>
        <al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet
                    op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt of opdrachten in het kader
                    van een scholing niet naar behoren uitvoert.</al>
        <tussenkop>Vierde categorie</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>in deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag,
                            bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of
                            werkweigering.</al></li>
          <li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op het weigeren van een aangeboden
                            dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan,
                            gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor
                            onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                            werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk, op
                            korte of langere termijn uit de bijstand te komen. </al></li>
        </lijst>
        <al>Ten aanzien van het onderdeel misdraging is er geen bestaand kader voorhanden
                    waarbij kan worden aangesloten. Bij het vaststellen van de maatregel in de
                    situatie dat een zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al>
        <al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li>
          <li nr="b."><al>discriminatie;</al></li>
          <li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li>
          <li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li>
          <li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li>
          <li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij het beschrijven van de ernst van de misdraging zal steeds de exacte aard van
                    de gedraging moeten worden vermeld.</al>
        <al>Zo kan er ten aanzien van bv verbale misdragingen weer een onderscheid worden
                    gemaakt in grof en/of discriminerend taalgebruik (schelden, vloeken, beledigen
                    etc.). Bedreiging is hierbij weer zwaarder aan te rekenen dan grof en/of
                    discriminerend taalgebruik. Onder bedreiging vallen uitingen gericht op
                    represailles richting de medewerker. Hierbij is sprake van ernstig intimiderend
                    gedrag en/of dreiging met geweld zoals het buiten opwachten, volgen, het dragen
                    van wapens of andere gevaarlijke voorwerpen etc. </al>
        <al>Ook is er een nog grijs gebied waarbij moeilijk is vast te stellen waar verbaal
                    en fysiek geweld in elkaar overgaan.</al>
        <al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering).</al>
        <al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                    dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn
                    dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is
                    dan bij frustratiegeweld. </al>
        <al>Voorts moet worden beoordeeld of er sprake is van een ‘medewerker belast met de
                    uitvoering van de wet’. Hieronder wordt niet alleen de casemanager verstaan,
                    maar ook de medewerker van de receptie, de telefonist en iedere andere
                    medewerker die namens de afdeling Werk en Inkomen of het UWV met de
                    belanghebbende in contact treedt.</al>
        <al>Het college kan bij het nemen van een besluit tot het opleggen van een maatregel
                    rekening houdend met de ernst van de gedraging, mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden van de belanghebbende, het percentage van de maatregel anders
                    vaststellen.</al>
        <al>Is er sprake van misdraging, dan moet uitvoerig worden gerapporteerd over de
                    exacte aard van het gedrag en de omstandigheden waaronder het zich heeft
                    voorgedaan. Het verlagen van de uitkering wegens wangedrag laat de bevoegdheid
                    van de afdeling Werk en Inkomen om de dader gedurende een periode de toegang tot
                    de gebouwen van de afdeling Werk en Inkomen en het UWV te ontzeggen onverlet. In
                    geval van bedreiging, fysiek geweld, ernstig intimiderend gedrag of het dragen
                    van wapens en andere gevaarlijke voorwerpen wordt er, in overleg met de
                    betreffende medewerk(st)er, aangifte gedaan.</al>
        <al>De Centrale Raad van Beroep wijst er in zijn uitspraak van 31 december 2007 (LJN
                    BC 1811) op dat onder verlaging wegens het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, dient te worden
                    verstaan diverse vormen van agressie, zij het dat er sprake moet zijn van
                    verwijtbaarheid en van gedrag jegens het college of hun ambtenaren dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd. Naar het oordeel van de Raad dient een dergelijke verlaging te worden
                    aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. </al>
        <al>Het is volgens de CRvB dus niet noodzakelijk dat er een verband dient te zijn
                    tussen de ernstige gedraging en mogelijke belemmeringen voor het college bij het
                    vaststellen van de uitkering. Dit betekent dat ook indien een dergelijk verband
                    niet aanwezig is en de belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, de
                    uitkering kan worden verlaagd op grond van in de verordening vast te stellen
                    criteria. Op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken
                    dat van agressie in de zin van artikel 18, tweede lid WWB, sprake is geweest.
                    Punitieve sancties vallen ook onder het bereik van artikel 6 EVRM. De waarborgen
                    die hierin zijn opgenomen zijn van toepassing. De gemeente zal aan degene die
                    zich misdraagt de cautie moeten geven, dat wil zeggen dat ze hem moet wijzen op
                    het zwijgrecht. Iemand moet er van op de hoogte te worden gesteld dat hij mag
                    zwijgen en dat hij niet hoeft mee te werken aan het opgelegd krijgen van een
                    dergelijke sanctie. Daarnaast moet de procedure binnen een redelijke termijn
                    worden afgehandeld, dat wil zeggen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing moet zijn genomen. Wat hieronder moet worden verstaan hangt van de
                    omstandigheden af van het geval. </al>
        <tussenkop>Artikel 9. Verlies van een voorliggende voorziening door toepassing van
                    een bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>Dit artikel is nieuw per 1-1-2013</al>
        <al>Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een voorliggende voorziening die
                    niet tot uitbetaling, kan vanaf dat moment aanspraak maken op bijstand. De
                    voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en toereikend, zodat
                    artikel 15 WWB niet meer als afwijzingsgrond mag worden gehanteerd. </al>
        <al>Er bestaat formeel wel recht op de voorliggende voorziening (bijvoorbeeld WW of
                    Wia), maar het komt niet meer tot feitelijke uitbetaling omdat er volledig wordt
                    verrekend.</al>
        <al>Een voorbeeld. Een belanghebbende ontvangt WW, maar geeft voor de tweede keer
                    binnen 5 jaar inkomsten niet op. Het UWV verrekent en stelt daarbij de
                    beslagvrije voet op nihil. Wanneer dat bijvoorbeeld 6 maanden zou duren, omdat
                    na 6 maanden de vordering is afgelost (lees de boete is betaald), heeft diegene
                    dus 6 maanden geen geld om in het levensonderhoud te voorzien. Hij kan daardoor
                    een beroep op bijstand doen. Daarbij is het wel mogelijk om de uitkering te
                    verlagen, omdat belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                    heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Hij had immers niet hoeven
                    frauderen met zijn WW-uitkering. In dit nieuwe artikel in de
                    afstemmingsverordening wordt voorgeschreven dat op de WWB-uitkering dan een
                    maatregel van 3 maanden 100% wordt opgelegd. Daarbij wordt aangesloten bij de
                    periode dat het college maximaal mag verrekenen indien een bestuurlijke boete
                    bij recidive is opgelegd (artikel 60b lid 1 WWB).</al>
        <al>Merk op dat de in dit artikel beschreven situatie afwijkt van die waarin een
                    voorliggende voorziening (bijvoorbeeld WW) niet tot uitbetaling komt omdat er
                    een maatregel van 100% op de WW-uitkering wordt toegepast. </al>
        <al>In deze situatie is artikel 10 van de maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ
                    2013 van toepassing, waarbij de gemeente een eigen onderzoek doet naar de
                    gedraging en de toepassing van een WWB-maatregel. </al>
        <tussenkop>Artikel 10 Weigering Ioaw/Ioaz</tussenkop>
        <al>In het verleden is het sanctiebeleid in de Werkloosheidswet (WW) bij verwijtbare
                    werkloosheid en bij het weigeren van passende arbeid, aangescherpt en is
                    besloten om de aanscherping van dit sanctiebeleid door te laten werken voor wat
                    betreft de Ioaw en Ioaz.</al>
        <al>De Ioaw beoogt een uitkering te verschaffen aan bepaalde werkloze werknemers die
                    de volledige uitkeringsduur van de WW hebben doorlopen op het niveau van het
                    sociaal minimum. </al>
        <al>De Ioaw biedt een inkomensvoorziening met een eigen uitkeringsregime als
                    voorlaatste vangnet bij werkloosheid. Met een uitkering op grond van de Ioaw
                    wordt voorkomen, dat de betreffende werkloze werknemer een beroep moet doen op
                    de WWB. </al>
        <al>De Ioaz beoogt een uitkering te verschaffen aan (gewezen) zelfstandigen op het
                    niveau van het sociaal minimum. Bij de behandeling van de Ioaw heeft de Tweede
                    Kamer gepleit voor een gelijkwaardige bescherming in de sociale zekerheid voor
                    gewezen zelfstandigen, die noodgedwongen hun zelfstandig bedrijf of beroep
                    hebben beëindigd. Na het ontvangen van de bedrijfsbeëindigingshulp was de
                    gewezen zelfstandige voorheen veelal aangewezen op een WWB-uitkering en werd dan
                    geconfronteerd met de stringente middelentoets daarvan.</al>
        <al>De Ioaw en Ioaz hebben niet het sluitstukkarakter van de WWB. Voor de Ioaw en de
                    Ioaz – beide op werkloosheid betrekking hebbende regelingen - is destijds de
                    vraag gesteld of het verscherpte sanctiebeleid van de WW bij verwijtbare
                    werkloosheid en het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid consequenties
                    moet hebben voor het sanctiebeleid met betrekking tot de Ioaw en de Ioaz.
                    Weliswaar zijn de Ioaw en de Ioaz geen verzekeringen, maar het feit dat het bij
                    de Ioaw en de Ioaz gaat om een voorziening waarbij werkloosheid mede bepalend is
                    voor het recht op uitkering, is er voor gekozen het aangescherpte sanctiebeleid
                    van de WW door te laten werken. </al>
        <al>De bescherming van het specifieke uitkeringsregiem van de Ioaw en Ioaz is dan
                    ook alleen bedoeld voor degenen die buiten hun schuld om op de Ioaw en Ioaz
                    aangewezen raken. Hier zij opgemerkt dat de WWB als vangnet blijft fungeren op
                    grond waarvan een minimum inkomen gewaarborgd blijft.</al>
        <al>In het kader hiervan was de Ioaw en Ioaz zo opgesteld dat, ten aanzien van
                    werkloze werknemers en werkloze zelfstandigen die reeds aanspraak hebben op een
                    Ioaw- of Ioaz-uitkering, hun uitkering bij het verwijtbaar werkloos worden of
                    het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid, blijvend geheel dient te worden
                    geweigerd. In de Ioaw en Ioaz is net zoals in de WW de verplichting tot het
                    aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid opgenomen om te voorkomen dat met
                    door eigen toedoen op een Ioaw- of Ioaz-uitkering aangewezen raakt of blijft.
                    Ten aanzien van degenen die verwijtbaar werkloos worden of algemeen
                    geaccepteerde arbeid weigeren moet worden geconcludeerd dat zij deze
                    verplichting niet zijn nagekomen en als gevolg hiervan ten onrechte aangewezen
                    raken op een voorziening van overheidswege als hier bedoeld.</al>
        <al>Met de invoering van de Wet bundeling uitkering inkomensvoorziening aan
                    gemeenten, is deze verplichting van het college omgezet in een bevoegdheid. Dit
                    betekent dat de gemeente met ingang van 1 juli 2010, binnen de kaders zoals
                    gesteld in artikel 20 Ioaw/Ioaz, vrij is om beleid vast te stellen ten aanzien
                    van de weigering van de Ioaw- en Ioaz-uitkering. </al>
        <al>Nu de Ioaw en Ioaz als laatste vangnet bij werkloosheid fungeren en de
                    werkloosheid bij deze voorzieningen mede bepalend is voor het recht op een Ioaw-
                    en Ioaz-uitkering, is hier gekozen om aansluiting te zoeken bij het bovenstaande
                    en om in de gevallen als bedoeld in artikel 20, eerste lid Ioaw en artikel 20,
                    tweede lid Ioaz, de uitkering blijvend te weigeren naar de mate waarin de
                    belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Bij de onderscheiden categorieën verlagingen zijn de aard en zwaarte van de
                    gedragingen gekoppeld aan een bepaald verlagingspercentage.</al>
        <al>Dit percentage is het uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de
                    verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten worden meegewogen.</al>
        <al>Dat betekent dat in individuele gevallen, met uitvoerige motivering, van het –in
                    beginsel van toepassing zijnde- percentage genoemd in dit artikel kan worden
                    afgeweken.</al>
        <al>Voorts wordt in dit lid de duur van de maatregel bij een eerste gedraging
                    geregeld. Een eerste gedraging kan hoogstens leiden tot een verlaging voor de
                    duur van een maand. Uitgangspunt is dat degene die voor het eerst
                    ‘maatregelwaardig gedrag’ vertoont maximaal een maand een verlaging krijgt.
                    Doorgaans geldt dat een verlaging een bepaald opvoedkundig element met zich
                    meebrengt en dat de belanghebbende zijn gedrag kan aanpassen. Hoewel dit laatste
                    bij iedere maatregel geldt wordt aangenomen dat een langere verlaging in dit
                    geval disproportioneel wordt geacht. Overigens dient de beschrijving ‘eerste
                    gedraging’ ruimer te worden uitgelegd dan zij doet vermoeden. Een gedraging
                    wordt als eerste gedraging aangemerkt indien zij echt voor het eerst is
                    vertoond, maar ook indien er al eerder een dergelijke gedraging is vertoond,
                    maar dit langer dan een jaar (12 maanden) geleden vertoond is. Is sprake van een
                    volgende verwijtbare gedraging die een verlaging oplevert binnen een jaar, dan
                    is er sprake van recidive en is lid 2 of lid 3 van dit artikel van de
                    verordening van toepassing.</al>
        <tussenkop>Het tweede en derde lid</tussenkop>
        <al>Het tweede lid regelt de duur van de verlaging bij volharding van ongewenst,
                    verwijtbaar gedrag. Van volharding is sprake bij een tweede gedraging van
                    gelijke categorie, binnen twaalf maanden na de eerste gedraging. Bepalend voor
                    recidive is de datum waarop het eerste besluit inzake de eerste
                    afstemmingswaardige gedraging is genomen.</al>
        <al>Blijft een belanghebbende voor een derde maal (of nog vaker) volharden in het
                    ongewenste en verwijtbare gedrag, dan kan dit een verdere verlaging tot drie
                    maanden opleveren. Ook hiervoor geldt dat de gedragingen binnen twaalf maanden
                    moeten zijn opgetreden. Voor het overige wordt aangesloten bij de toelichting in
                    het vorige lid.</al>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Bij de feitelijke vaststelling van de verlaging moet het college vanzelfsprekend
                    rekening houden met de individuele situatie van de belanghebbende, maar
                    daarnaast ook met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Zo
                    kan een gedraging door zijn zwaarte aanleiding zijn voor een bepaald
                    verlagingspercentage, maar als de belanghebbende blijk heeft gegeven van verder
                    verwijtbaar gedrag af te zien zou het onevenredig hard kunnen zijn om het volle
                    percentage toe te passen. Ook hebben de categorieën een zekere ‘bandbreedte’,
                    niet elke gedraging binnen dezelfde categorie is even ernstig of heeft even
                    grote gevolgen. Ook dit aspect zal dus in de belangenafweging moeten worden
                    betrokken.</al>
        <al> Zo kan er in het bijzonder bij misdraging sprake zijn van een breed scala aan
                    feitelijke gedragingen, van relatief ‘onschuldig’ (schreeuwen of schelden) tot
                    zeer ernstige (fysiek geweld). Ook kan een rol spelen of een dergelijke
                    gedraging zich voor de eerste maal voordoet of dat in het verleden al eerder van
                    verwijtbaar gedrag sprake is geweest.</al>
        <tussenkop>Artikel 12 Hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>In de dagelijkse uitvoeringspraktijk kan in een incidenteel geval de toepassing
                    van deze verordening leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Het college
                    kan dan afwijken van deze verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>