<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR29000_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Exploitatieverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Boekel &amp; Venhorst, 03-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Exploitatieverordening gemeente Boekel 2002</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 42</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PD/000676</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Exploitatieverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Boekel;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 december
                        2001;</al><al>Gezien het advies van de commissie Gemeentewerken d.d. 26 november
                        2001;</al><al>Gelet op de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en artikel 42 van de
                        Wet op de Ruimtelijke Ordening;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de volgende verordening, houdende de voorwaarden waaronder
                        de gemeente medewerking zal verlenen aan het in exploitatie brengen van
                        gronden (exploitatieverorde­ning).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> Medewerking verlenen aan het in exploitatie brengen
                                            van gronden:</vet> het door of met medewerking van de
                                        gemeente treffen van voorzieningen van openbaar nut,
                                        waardoor de in het exploitatiegebied gelegen onroerende
                                        zaken gebaat worden.</al></li><li nr="b."><al><vet> Exploitatiegebied:</vet> een als zodanig aangewezen
                                        gebied, waarbinnen de onroerende zaken zijn gelegen die
                                        gebaat worden door de voorzieningen van openbaar nut die
                                        door of met medewerking van de gemeente worden
                                        getroffen.</al></li><li nr="c."><al><vet> Exploitant:</vet> de eigenaar of rechthebbende van een
                                        in het exploitatiegebied gelegen onroerende zaak welke als
                                        gevolg van het door of met medewerking van de gemeente
                                        treffen van voorzieningen van openbaar nut wordt
                                        gebaat.</al></li><li nr="d."><al><vet> kostenbegroting:</vet> begroting van kosten en
                                        opbrengsten op basis waarvan de door een exploitant
                                        verschuldigde exploitatiebijdrage wordt vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraad kan gebieden aanwijzen die als exploitatiegebied
                                zullen gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><al>Tot het treffen van voorzieningen van openbaar nut waardoor de in het
                            exploitatiegebied gelegen onroerende zaken worden gebaat, worden
                            gerekend:</al><lijst><li nr="1."><al> De aanleg binnen een exploitatiegebied van de hieronder
                                    vermelde werken en werkzaamheden:</al><al><vet>a.</vet> het dempen van sloten en het verrichten van
                                    grondwerken met inbegrip van het egaliseren, ophogen en
                                    afgraven;</al><al><vet>b.</vet> riolering met inbegrip van bijbehorende
                                    werken;</al><al><vet>c.</vet> wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs,
                                    voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, bruggen,
                                    tunnels en andere rechtstreeks met de aanleg van deze
                                    voorzieningen van openbaar nut en kunstwerken verband houdende
                                    werken;</al><al><vet>d.</vet> plantsoenen en andere groenvoorzieningen,
                                    waaronder begrepen de aanleg en de inrichting van openbare
                                    speelplaatsen en speelweiden alsmede de sierende elementen die
                                    rechtstreeks voortvloeien uit een juiste uitvoering van een
                                    verzorgd bestemmingsplan;</al><al><vet>e.</vet> openbare verlichting en brandkranen met de nodige
                                    aansluitingen;</al><al><vet>f.</vet> het verrichten van bodemonderzoek en -sanering,
                                    voorzover het de ondergrond van voorzieningen van openbaar nut
                                    betreft en voorzover de daarmee verband houdende kosten niet op
                                    andere wijze kunnen worden verhaald;</al><al><vet>g.</vet> het treffen van milieutechnisch noodzakelijke
                                    maatregelen en voorzieningen van openbaar nut ter uitvoering van
                                    een bestemmingsplan;</al><al><vet>h. </vet>alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn
                                    voor een doeltreffende aanleg van voorzieningen van openbaar
                                    nut.</al></li><li nr="2."><al> De aanleg van de onder 1. vermelde werken en werkzaamheden
                                    buiten het exploitatiegebied, voorzover de binnen het
                                    exploitatiegebied liggende onroerende zaken hierdoor direct
                                    danwel indirect worden gebaat.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Exploitatie op initiatief van de gemeente</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitvoering van voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut worden
                                uitsluitend door de gemeente aangelegd, tenzij deze behoren tot de
                                taken van een ander publiekrechtelijk lichaam.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen burgemeester
                                en wethouders besluiten de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de
                                door de gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de
                                exploitant over te laten, indien vaststaat dat een goede uitvoering
                                is gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval zoals bedoeld in het tweede lid, is het bepaalde in de
                                artikelen 4 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling kostenverhaalsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat met het treffen van de in artikel 2 genoemde voorzieningen
                                van openbaar nut wordt aangevangen, wordt door de gemeenteraad een
                                kostenverhaalsbesluit vastgesteld, waarin wordt aangegeven op welke
                                wijze en tot welke omvang de aan die voorzieningen verbonden kosten
                                zullen worden verhaald. Het besluit wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde besluit bevat in ieder geval de
                                volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al> aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van de
                                        daarin gelegen en gebate onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al> omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren
                                        voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="c."><al> een kostenbegroting verband houdende met de uitvoering van
                                        de onder b. genoemde voorzieningen van openbaar nut, zoals
                                        bedoeld in artikel 5. In afwijking van het bepaalde in de
                                        vorige volzin kan in het besluit zoals bedoeld in het eerste
                                        lid, worden bepaald dat de kostenbegroting op een later
                                        tijdstip wordt vastgesteld. Het besluit tot vaststelling van
                                        de kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig
                                        artikel 139 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft
                                de door de gemeente in eigendom verkregen in het exploitatiegebied
                                liggende onroerende zaken, het verhaal van kosten zoveel mogelijk
                                plaatsvindt via de gronduitgifte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft
                                de niet door de gemeente in eigendom verkregen en in het
                                exploitatiegebied liggende gebate onroerende zaken, het verhaal van
                                kosten in beginsel plaatsvindt op basis van een overeenkomst zoals
                                bedoeld in artikel 7 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tevens wordt bepaald dat, ingeval op enigerlei wijze niet kan worden
                                gekomen tot het aangaan van een overeenkomst zoals bedoeld in
                                artikel 7 van deze verordening, het kostenverhaal in daarvoor in
                                aanmerking komende gevallen kan plaatsvinden door middel van de
                                vaststelling van een baatbelasting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Kostenbegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kostenbegroting bevat in elk geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="1."><al> Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het
                                        in exploitatie brengen van gronden verband houdende kosten,
                                        te weten:</al><al>a. de inbrengwaarde van de binnen het exploitatiegebied
                                        gelegen gronden, zijnde de waarde van de grond vermeerderd
                                        met de waarde van de opstallen die voor de verwezenlijking
                                        van de bestemming niet gehandhaafd kunnen worden, en met de
                                        kosten van vrijmaken van opstallen – met inbegrip van de
                                        zich in de grond bevindende resten, zoals funderingen,
                                        leidingen en kabels – persoonlijke rechten en lasten,
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, zakelijk lasten alsmede de
                                        kosten van schadevergoedingen;</al><al>b. de kosten van planontwikkeling, -voorbereiding en -beheer
                                        en toezicht. Onder deze kosten wordt ten minste verstaan: de
                                        kosten verband houdende met het opstellen van structuur- en
                                        bestemmingsplannen, het opstellen van planmatige
                                        uitwerkingen of wijzigingen, het vervaardigen van besluiten
                                        tot het verlenen van vrijstelling van een bestemmingsplan
                                        alsmede van overige planologische maatregelen voor zoveel
                                        deze nodig zijn voor het in exploitatie brengen van gronden
                                        binnen het exploitatiegebied;</al><al>c. De kosten van de in artikel 2 lid 1 genoemde
                                        voorzieningen van openbaar nut, alsmede de daarmee verband
                                        houdende kosten van onderzoeken, voorbereiding en
                                        toezicht;</al><al>d. De kosten van de in artikel 2 lid 2 genoemde
                                        voorzieningen van openbaar nut, onder meer de bijdrage aan
                                        het Fonds Bovenwijkse Voorzieningen en het Fonds Kunst en
                                        Cultuur;</al><al>e. De kosten voor vergoeding van de als gevolg van het in
                                        exploitatie brengen van de gronden door derde
                                        belanghebbenden geleden planschade ex artikel 49 Wet op de
                                        Ruimtelijke Ordening, voor zover er geen sprake is van het
                                        in exploitatie brengen van gronden op initiatief van de
                                        gemeente;</al><al>f. de kosten van het gemeentelijk apparaat, voorzover dit
                                        rechtstreeks aan het in exploitatie brengen van gronden kan
                                        worden toegerekend;</al><al>g. de rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten
                                        verminderd met renteopbrengsten;</al><al>h. overige kosten die in beginsel ten laste van de
                                        grondexploitatie behoren te worden gebracht.</al></li><li nr="2."><al> Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het
                                        in exploitatie brengen van gronden verband houdende
                                        opbrengsten, bestaande uit:</al><al>a. doelsubsidies;</al><al>b. verkoop van gronden;</al><al>c. bijdragen in de kosten van aanleg van voorzieningen van
                                        openbaar nut, hetzij via overeenkomst hetzij via
                                        baatbelasting;</al><al>d. overige bijdragen.</al></li><li nr="3."><al> De wijze van toerekening van de totale onder sub 1. en 2.
                                        van dit artikellid bedoelde kosten en opbrengsten aan de
                                        onroerende zaken in het exploitatiegebied naar de mate van
                                        de baat die de onroerende zaken hebben van het samenhangend
                                        geheel van voorzieningen van openbaar nut zoals bedoeld in
                                        artikel 2 van deze verordening.</al></li><li nr="4."><al>De mate van baat wordt aangeduid met inachtneming van
                                        hetgeen hieromtrent in artikel 6 is bepaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de opstelling van de kostenbegroting wordt ervan uitgegaan dat
                                het exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in exploitatie
                                zal worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Periodiek wordt nagegaan of optredende loon- en/of prijswijzigingen
                                danwel andere optredende wijzigingen met betrekking tot het in
                                exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied
                                aanleiding geven om de kostenbegroting te herzien. Het besluit tot
                                herziening van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig
                                artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid, onder 1, sub a. is niet van
                                toepassing ten aanzien van de binnen een exploitatiegebied gelegen
                                en gebate gronden die als gevolg van de voorzieningen van openbaar
                                nut niet geschikt worden voor bebouwing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Naast het bepaalde in het vierde lid wordt de raming van de in het
                                eerste lid, onder 1, sub a. bedoelde inbrengwaarde van de gronden
                                beperkt tot de gronden die zijn bestemd voor het treffen van
                                voorzieningen van openbaar nut, ingeval er sprake is van een
                                exploitatiegebied waarvoor geldt dat de voorzieningen van openbaar
                                nut niet in hoofdzaak gericht zijn op het geschikt maken voor
                                bebouwing van onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Grondslag voor toerekening baat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toerekening van de baat wordt als rekeneenheid gebruikt het
                                gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied
                                gemaakte of te maken kosten per m² grondoppervlakte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de grondoppervlakte zoals bedoeld in het eerste lid, wordt
                                verstaan de kadastrale oppervlakte van de gebate onroerende zaken,
                                waar mogelijk ingedeeld naar de in een bestemmingsplan opgenomen
                                geprojecteerde kavels (bouw)grond, vermenigvuldigd met factoren voor
                                ligging en bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin de
                                baat van de van gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar
                                nut tot uitdrukking komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de toerekening op basis van m² grondoppervlakte onvoldoende
                                uitdrukking geeft aan de in het exploitatiegebied opgenomen
                                verschillen in toerekening van baat, geschiedt de toerekening op
                                basis van een nader door burgemeester en wethouders te bepalen
                                grondslag die voorziet in de aanwezige verschillen in baat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud exploitatieovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verhaal van kosten van het treffen van voorzieningen van
                                openbaar nut vindt, voor wat betreft de in het exploitatiegebied
                                liggende onroerende zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente,
                                indien dienaangaande tot overeenstemming kan worden gekomen met de
                                exploitant, plaats op basis van een exploitatieovereenkomst. Van de
                                exploitatieovereenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien het afstand
                                doen van gronden, zoals bedoeld in het derde lid onder d., onderdeel
                                uitmaakt van de overeenkomst, wordt hiervan een notariële akte
                                opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders besluit tot het aangaan
                                van een exploitatieovereenkomst na vaststelling van een
                                kostenbegroting zoals bedoeld in artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder
                                geval bepalingen omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al> de aard en de omvang van de door de gemeente te treffen
                                        voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="b."><al> het tijdvak waarbinnen de onder a. genoemde voorzieningen
                                        zullen worden uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al> de ten laste van de exploitant komende bijdrage,
                                        vastgesteld volgens de artikelen 5 en 6;</al></li><li nr="d."><al> in voorkomende gevallen het afstand doen van gronden aan de
                                        gemeente, voorzover die gronden zijn bestemd voor de aanleg
                                        c.q. aanpassing van voorzieningen van openbaar nut.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval toepassing is gegeven aan artikel 3, tweede lid, kan in
                                de exploitatieovereenkomst, onverminderd het gestelde in het derde
                                lid, worden bepaald dat:</al><lijst><li nr="a."><al> ten behoeve van de door exploitant uit te voeren werken een
                                        aannemingsovereenkomst wordt gesloten, waarbij de gemeente
                                        als opdrachtgever en de exploitant als aannemer wordt
                                        aangemerkt, en de directievoering en het toezicht op de door
                                        de exploitant uit te voeren werken geschieden door of
                                        vanwege de gemeente;</al></li><li nr="b."><al> de aanneemsom in de onder a. genoemde overeenkomst wordt
                                        vastgesteld op een pro-formabedrag van f10,—, zulks met
                                        inachtneming van hetgeen in artikel 8, derde lid is
                                        bepaald.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vaststelling exploitatiebijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 7 genoemde exploitant betaalt als bijdrage in de
                                kosten van voorzieningen van openbaar nut het bedrag dat volgens de
                                in de artikelen 5 en 6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak
                                wordt toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van de in
                                artikel 7, derde lid, sub d. bedoelde gronden vallende en de kosten
                                van kadastrale uitmeting, verminderd met de inbrengwaarde zoals
                                bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1., onder a. van de bij de
                                exploitant in eigendom zijnde of door exploitant in eigendom te
                                verkrijgen gebate gronden, en van de gronden die zijn bestemd voor
                                het treffen van voorzieningen van openbaar nut en door exploitant
                                aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waarde van de door de exploitant ingebrachte grond, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, wordt door de gemeente in overeenstemming met de
                                exploitant op basis van taxatie vastgesteld. Bij het ontbreken van
                                overeenstemming wordt de waarde van de gronden vastgesteld door een
                                commissie van drie deskundigen, van wie een aan te wijzen door de
                                gemeente, een door de exploitant en een door de beide reeds
                                aangewezen deskundigen.Wordt over de aanwijzing van laatstgenoemde
                                deskundige geen overeenstemming verkregen, dan maken de aangewezen
                                deskundigen tezamen dit bekend aan de opdrachtgevers, waarna de
                                meest gerede partij, onder bekendmaking aan de wederpartij, de
                                kantonrechter in het kanton waartoe de gemeente behoort, kan
                                verzoeken deze deskundige te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
                                artikel wordt in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 3,
                                tweede lid, de ten laste van de exploitant komende bijdrage als
                                volgt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al> de bijdrage zoals deze op grond van de in de artikelen 5 en
                                        6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak wordt
                                        toegerekend, wordt vermeerderd met de kosten op de afstand
                                        van de in artikel 7, derde lid, sub d. bedoelde gronden
                                        vallende en de kosten van kadastrale uitmeting;</al></li><li nr="b."><al> de onder a. genoemde bijdrage wordt verminderd met:</al><al>1. de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak van
                                        exploitant behorende gronden. Het bepaalde in het tweede lid
                                        van dit artikel is van overeenkomstige toepassing;</al><al>2. het in de kostenbegroting opgenomen bedrag aan kosten
                                        zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1, onder b. tot
                                        en met f., voorzover de uitvoering van de daarmee verband
                                        houdende werken en werkzaamheden voor risico en rekening
                                        komt van de exploitant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bepaalde in artikel 5, vierde en/of vijfde lid toepassing
                                heeft verkregen, wordt de ten laste van de exploitant komende
                                bijdrage bepaald op de voet van lid 1 en 3 van dit artikel, met dien
                                verstande dat de in het eerste lid en derde lid onder b, sub 1.
                                bedoelde vermindering beperkt is tot de inbrengwaarde van de gronden
                                die zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut
                                en door de exploitant aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Exploitatie op verzoek van exploitant</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende kan het college van burgemeester en wethouders
                                verzoeken tot het verlenen van medewerking met betrekking tot het in
                                exploitatie brengen van gronden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al> een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te
                                        brengen onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al> gegevens waaruit blijkt dat de belanghebbende de eigendom
                                        van de in exploitatie te brengen onroerende zaken heeft
                                        verkregen of kan verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>gegevens omtrent de door
                                        belanghebbende te treffen (bouw)werkzaamheden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval door burgemeester en wethouders een aanvraag voor een
                                bouwvergunning zoals bedoeld in de Woningwet, eventueel in
                                combinatie met een verzoek om vrijstelling wordt ontvangen, waarbij
                                in geval van verlening van de vrijstelling en/of bouwvergunning van
                                gemeentewege voorzieningen van openbaar nut zoals bedoeld in artikel
                                2 van deze verordening moeten worden getroffen, wordt dit vóór de
                                beslissing op de aanvraag bekendgemaakt aan de aanvrager. Daarbij
                                wordt een zo nauwkeurig mogelijke raming van de kosten van de in
                                artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut verstrekt. Tevens
                                wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te
                                dienen bij het college van burgemeester en wethouders voor
                                medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                                gronden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen zes
                                maanden na ontvangst van de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent slechts
                                medewerking aan het op verzoek van exploitant in exploitatie brengen
                                van gronden krachtens een overeenkomst zoals bedoeld in artikel
                                7.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De medewerking behoeft niet te worden verleend, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een
                                        gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt;</al></li><li nr="b."><al> de door exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden zouden
                                        leiden tot strijd met de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al> het treffen van de voorzieningen van openbaar nut, hoewel
                                        overeenkomstig een bestemmingsplan, anderszins zou leiden
                                        tot strijd met belangen van een doeltreffende uitbreiding
                                        van bebouwing en/of herinrichting;</al></li><li nr="d."><al> het in exploitatie brengen van grond anderszins tot grote
                                        kosten of bezwaren zou leiden, met name ten aanzien van het
                                        doeltreffend voorzien in watervoorziening, openbare
                                        verlichting, riolering, etc.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing omtrent een aanvraag kan worden aangehouden:</al><lijst><li nr="a."><al> ingeval de procedure tot goedkeuring van een van toepassing
                                        zijnd bestemmingsplan of herziening daarvan nog niet is
                                        afgerond, tot vier weken na het onherroepelijk worden van
                                        het bestemmingsplan of de herziening daarvan;</al></li><li nr="b."><al> ingeval voorzienbaar is dat de in het tweede lid genoemde
                                        belemmeringen binnen afzienbare tijd zullen kunnen worden
                                        weggenomen, tot vier weken nadat deze belemmeringen zijn
                                        weggenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een aanvraag is ingekomen met betrekking tot een onroerende
                                zaak, voor welke werken in het daarbij behorende exploitatiegebied
                                reeds een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is
                                genomen, maken burgemeester en wethouders dit aan de exploitant
                                bekend.</al><al>Naast de hiervoor genoemde bekendmaking wordt aan exploitant tevens
                                een ontwerpovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, aangeboden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Relatie gronduitgifte en andere kostenverhaalsinstrumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Relatie baatbelasting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een gebied waarvoor een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in
                                artikel 4 is genomen, zal, indien een exploitant een overeenkomst
                                zoals bedoeld in artikel 7 aangaat, in de overeenkomst worden
                                bepaald dat met betrekking tot de uitvoering van de in deze
                                overeenkomst genoemde voorzieningen van openbaar nut geen aanvullend
                                kostenverhaal op basis van baatbelasting ten laste van de
                                desbetreffende onroerende zaak zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een exploitant, in een gebied waarvoor een
                                kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is opgenomen, niet
                                bereid is tot het aangaan van de in artikel 7 genoemde overeenkomst,
                                maken burgemeester en wethouders aan exploitant bekend dat het
                                kostenverhaal kan plaatsvinden door middel van een baatbelasting,
                                zulks overeenkomstig de bepalingen als opgenomen in het
                                kostenverhaalsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Relatie andere overeenkomsten</titel></kop><al>Indien van gemeentewege een overeenkomst wordt aangegaan die naast het
                            kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van het in
                            exploitatie brengen van gronden nog andere elementen bevat, dan vindt de
                            vaststelling van de via een dergelijke overeenkomst totstandgekomen
                            exploitatiebijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut
                            plaats op basis van het gestelde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Relatie gemeentelijke bouwgrondexploitatie</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening vinden, voorzover mogelijk,
                            overeenkomstige toepassing bij de kostprijsberekening van de door de
                            gemeente in exploitatie te brengen gronden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitvoering verordening</titel></kop><al>De gemeenteraad heeft de uitoefening van zijn bevoegdheden, met
                            uitzondering van de vaststelling van het in artikel 4 genoemde
                            kostenverhaalsbesluit, overgedragen aan het college van burgemeester en
                            wethouders. De gemeenteraad kan met betrekking tot de overgedragen
                            bevoegdheden beleidsregels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de datum
                            van inwerkingtreding van deze verordening met het treffen van
                            voorzieningen van openbaar nut is aangevangen, deze voorzieningen niet
                            geheel zijn voltooid en waarvoor geen kostenverhaalsbesluit of
                            afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld, vinden de bepalingen van
                            deze verordening voor dat exploitatiegebied, voorzover nodig, op een aan
                            die situatie aangepaste wijze toepassing. In elk geval geldt daarbij
                            dat, indien binnen dat exploitatiegebied wordt gekomen tot een
                            exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, de vaststelling van
                            de daarin op te nemen financiële bijdrage geschiedt op basis van een
                            door de gemeenteraad vast te stellen kostenbegroting zoals bedoeld in
                            artikel 5. Het besluit tot vaststelling van de kostenbegroting wordt
                            bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                            volgende op die waarin de bekendmaking ingevolge artikel 139 van de
                            Gemeentewet heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Exploitatieverordening
                            gemeente Boekel 2002’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Boekel
                        op 21 december 2001.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>Steeds meer wordt de gemeente geconfronteerd met het niet-volledig uit kunnen
                    voeren van actieve grondpolitiek. Dit houdt in dat naast de door de gemeente te
                    verwerven gronden, die vervolgens bouwrijp worden gemaakt en tenslotte worden
                    uitgegeven, steeds meer <onderstreept>particuliere</onderstreept> initiatieven
                    tot grondexploitatie ontstaan.</al><al>In dergelijke situaties, waarbij zowel gemeentelijke als particuliere
                    grondexploitatie plaatsvindt, is de gemeente verantwoordelijk voor de aanleg van
                    de benodigde infrastructurele werken zoals wegen, straten, riolering, etc.</al><al>Door middel van de actieve grondpolitiek worden deze kosten doorberekend aan de
                    netto-uitgeefbare bouwterreinen. In geval van particuliere grondexploitatie is
                    een dergelijke doorberekening niet mogelijk, simpelweg vanwege het feit dat de
                    grond niet in eigendom is van de gemeente.</al><al>Toch is het uit een oogpunt van gelijkheid en rechtszekerheid rechtvaardig dat
                    ook particuliere grondexploitanten een (financiële) bijdrage leveren in de
                    kosten van de eerdergenoemde voorzieningen. Deze bijdrage wordt dan bepaald op
                    basis van de baat die deze (bouw)gron­den hebben bij de aanleg van genoemde
                    werken.</al><al/><al>In artikel 42 WRO is bepaald dat de gemeenteraad een verordening behoort vast te
                    stellen die de <onderstreept>voorwaarden</onderstreept> bevat waaronder de
                    gemeente medewerking verleent aan het in exploitatie brengen van gronden. Deze
                    verordening wordt ‘Exploitatieverordening’ genoemd.</al><al>De verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al> Voorafgaande aan de realisatie van een bestemmingsplan moet
                            duidelijkheid ontstaan omtrent de risico’s die verbonden zijn aan het
                            niet-volledig kunnen verwerven van de desbetreffende gronden. Aan de
                            hand van deze risico’s zal door middel van een raadsbesluit moeten
                            worden vastgesteld of, en zo ja op welke wijze, kostenverhaal zal
                            plaatsvinden. Op deze wijze ontstaat vooraf duidelijkheid voor alle
                            betrokkenen.Deze werkwijze sluit aan bij de op 26 juli 1991 in werking
                            getreden wijziging van de gemeentewet-oud, i.c. de wijziging van de
                            bouwgrond- en baatbelasting (Stb. 394). In deze wet wordt het nemen van
                            een bekostigingsbesluit <onderstreept>voordat</onderstreept> wordt
                            aangevangen met de voorzieningen van openbaar nut, verplicht gesteld.
                            Deze verplichting is eveneens van toepassing op de baat- en
                            bouwgrondbelasting, zoals opgenomen in de artikelen 221 respectievelijk
                            222 van de Gemeentewet zoals deze gold tot 1 januari 1995. Tenslotte is
                            de vaststelling van een bekostigingsbesluit ook van toepassing op de
                            baatbelasting (nieuwe stijl), die in de Gemeentewet is opgenomen ter
                            vervanging van de voorheen geldende baat- en bouwgrondbelasting (zie
                            artikel 222 van de Gemeentewet zoals dat luidt per 1 januari 1995). Het
                            opnemen van een kostenverhaalsbesluit in de exploitatieverordening
                            verduidelijkt dan ook de samenhang tussen het kostenverhaal via
                            exploitatieovereenkomst enerzijds en het verhaal op basis van een
                            baatbelasting anderzijds.</al></li><li nr="b."><al> Op basis van het onder a. genoemde uitgangspunt wordt de wijze van
                            toerekening van baat via de methoden van exploitatieovereenkomst en
                            baatbelasting zo veel mogelijk op elkaar afgestemd. Dit betekent, dat de
                            in de exploitatieverordening opgenomen systematiek van baattoerekening
                            is aangepast op een gerelateerd aan de fiscale verhaalsmethode.</al></li><li nr="c."><al> Het onder a. genoemde uitgangspunt brengt met zich mee dat de
                            exploitatieovereenkomst zowel op initiatief van de gemeente als op basis
                            van een verzoek van exploitant kan worden aangegaan.</al><al>Gelet op de thans opgenomen werkwijze zal een aanvraag tot het sluiten
                            van een exploitatieovereenkomst in de regel alleen nog voorkomen in
                            situaties waarbij incidentele voorzieningen moeten worden getroffen,
                            vaak speciaal ten behoeve van exploitant. In de meeste overige gevallen
                            zal immers steeds sprake zijn van de werking van een
                            kostenverhaalsbesluit.</al></li><li nr="d."><al> De opsomming van de verschillende voorzieningen van openbaar nut is
                            uitgebreid met die werken welke als gevolg van onder meer de
                            milieuwetgeving vaak noodzakelijk zijn ten behoeve van de uitvoering van
                            een bestemmingsplan.</al><al/></li></lijst><al>Tenslotte wordt opgemerkt dat de verordening is aangepast aan de gevolgen van de
                    invoering van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht per 1 januari
                    1998.Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><vet>Afdeling I: Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1. Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>De exploitatieverordening is van toepassing indien medewerking wordt verleend
                    aan het in exploitatie brengen van gronden. Hieronder wordt verstaan: het van
                    gemeentewege treffen van voorzieningen van openbaar nut, waardoor een onroerende
                    zaak wordt gebaat.Met deze definitie wordt aangesloten bij de definitie van de
                    baatbelasting. Dit betekent, dat ook in gevallen waarbij voorzieningen worden
                    getroffen waardoor een reeds bebouwde onroerende zaak wordt gebaat, het sluiten
                    van een exploitatieovereenkomst mogelijk is.In het tweede lid is bepaald dat de
                    gemeenteraad gebieden kan aanwijzen die als een ‘exploitatiegebied’ zullen
                    gelden. Hiermee wordt het bijvoorbeeld mogelijk onroerende zaken die in het
                    kader van de stads- en dorpsvernieuwing binnen de bebouwde kom worden
                    heringericht, etc. in voorkomende gevallen onder de werking van deze verordening
                    te laten vallen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2. Voorzieningen van openbaar nut</onderstreept></al><al>In de omschrijving van de voorzieningen van openbaar nut is,
                    gelet op de vigerende jurisprudentie, de aanleg van
                    rioolwaterzuiveringsinstallaties niet opgenomen. Dergelijke inrichtingen worden
                    – vanwege het doel van deze werken – niet gerekend tot die werken welke nodig
                    zijn voor het in <onderstreept>exploitatie</onderstreept> brengen van
                    gronden.Als voorzieningen van openbaar nut worden verder aangemerkt het
                    uitvoeren van bodemonderzoek en -sanering, voorzover dit betrekking heeft op de
                    ondergrond van voorzieningen van openbaar nut en voorzover de daarmee verband
                    houdende kosten niet op een andere wijze kunnen worden verhaald. Hierbij moet
                    met name worden gedacht aan het verhaal van kosten bodemsanering, zoals onder
                    meer is bepaald in de Wet bodembescherming.Ingeval kostenverhaal op derden
                    echter niet (geheel) mogelijk is, is het redelijk om de ten laste van de
                    gemeente blijvende nettokosten te verhalen via een gemeentelijke en particuliere
                    grondexploitatie.Dit geldt ook voor de maatregelen die op basis van de vigerende
                    milieuwetgeving nodig zijn voor de realisatie van bestemmingsplannen. Gedacht
                    moet worden aan het treffen van geluidwerende voorzieningen, maar ook aan het
                    verwijderen van bedrijvigheid die stankoverlast of andersoortige hinder
                    veroorzaakt.Ten slotte is aangegeven dat ook werken die als zogenaamde
                    ‘bovenwijkse voorzieningen’ worden beschouwd, kunnen worden aangemerkt als
                    voorzieningen van openbaar nut, voorzover deze werken direct danwel indirect
                    baat opleveren voor de in het exploitatiegebied liggende onroerende zaken.De
                    kosten van bovenwijkse voorzieningen worden in de regel via een fondsopslag in
                    de kostprijs verwerkt. Het is daarbij van belang dat een dergelijke omslag van
                    kosten steeds op een juiste wijze beleidsmatig wordt onderbouwd. Dit kan, indien
                    de gemeente beschikt over een structuurplan, reeds geschieden bij de
                    vaststelling van het structuurplan. De beleidsmatige onderbouwing kan echter
                    zonder bezwaren tevens plaatsvinden op basis van een beleidsnota, waarbij de
                    toerekening van de kosten van bovenwijkse voorzieningen over de diverse
                    toekomstige en eventuele bestaande bestemmingsplannen wordt
                    onderbouwd.</al><al/><al><vet>Afdeling II: Exploitatie op initiatief van de
                    gemeente</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 3. Uitvoering van voorzieningen van openbaar
                        nut</onderstreept></al><al>Hoewel het sluiten van een exploitatieovereenkomst nimmer zal kunnen en mogen
                    worden afgedwongen, wordt in dit artikel bepaald dat de eerdergenoemde
                    voorzieningen van openbaar nut alleen door of met medewerking van de gemeente
                    kunnen worden aangelegd. Het primaat met betrekking tot de aanleg van
                    voorzieningen van openbaar nut ligt derhalve bij de gemeente.In sommige gevallen
                    zal een particuliere exploitant in staat en bereid kunnen zijn tot het
                        <onderstreept>zelfstandig</onderstreept> treffen van dergelijke
                    voorzieningen van openbaar nut op de gronden die in eigendom zijn van de
                    exploitant.Aangezien het daarbij steeds gaat om
                        <onderstreept>openbare</onderstreept> voorzieningen, zal deze particuliere
                    uitvoering alleen dan mogelijk zijn, indien garanties aanwezig zijn omtrent met
                    name de kwaliteit van de uitvoering. De door de gemeente te stellen
                    kwaliteitseisen zullen overeen moeten komen met die eisen welke zij zichzelf
                    steeds stelt bij de aanleg van dergelijke voorzieningen. Wel zijn garanties
                    nodig in de vorm van tijdige uitvoering, kwaliteitseisen, garantieregeling in
                    geval van wanprestatie, overdracht van voorzieningen van openbaar nut aan
                    gemeente, etc. Dergelijke aanvullende eisen zijn opgenomen in artikel 7, vierde
                    lid van deze verordening.De uitvoering van openbare voorzieningen door de
                    exploitant zal niet betekenen dat geen financiële bijdrage aan de gemeente is
                    verschuldigd. Ook indien wordt gekomen tot het zelf uitvoeren van bepaalde
                    werken, is het redelijk dat alsnog een financiële bijdrage wordt verleend in de
                    kosten van onder meer planvoorbereiding, ambtelijk apparaat, bovenwijkse
                    voorzieningen alsmede in de (extra) kosten van voorbereiding en toezicht. In het
                    derde lid van dit artikel alsmede in artikel 8, derde lid is hiervoor een
                    regeling opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. Vaststelling kostenverhaalsbesluit</onderstreept></al><al>Kostenverhaal bij bouwgrondexploitatie is in de meeste gevallen
                    aan de orde bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. In de meeste
                    gevallen gaat de gemeente ervan uit alle gronden in een dergelijk plan te zullen
                    verwerven. Deze gronden zullen vervolgens bouwrijp worden gemaakt en worden
                    uitgegeven.Steeds meer wordt, <onderstreept>vaak pas lopende de realisatie van
                        een bestemmingsplan</onderstreept>, duidelijk dat niet alle gronden in
                    eigendom zullen kunnen worden verkregen.Ter voorkoming van problemen met
                    betrekking tot het kunnen uitvoeren van kostenverhaal (bijv. voorzieningen zijn
                    reeds twee jaar geleden getroffen) alsmede in belang der rechtszekerheid is de
                    bepaling opgenomen dat voordat met de uitvoering van werken wordt begonnen, door
                    de gemeenteraad wordt bepaald volgens welke strategie de te maken kosten worden
                    verhaald.Daarbij wordt aangegeven via een kostenbegroting welke voorzieningen
                    worden getroffen alsmede wat de omvang zal zijn van het gebied dat door deze
                    voorzieningen zal worden gebaat. In sommige gevallen kan dit baatgebied afwijken
                    van het gebied zoals dat is bepaald via de gangbare exploitatieopzet.Belangrijk
                    bij het nemen van een kostenverhaalsbesluit is de
                        <onderstreept>strategie</onderstreept> die toegepast zal gaan worden bij het
                    verhaal van kosten. Uitgangspunt zal daarbij blijven dat de gemeente de voorkeur
                    uitspreekt voor het zelf aankopen en vervolgens uitgeven van deze gronden. Mocht
                    dit niet lukken, dan zullen de particuliere exploitanten in eerste instantie een
                    exploitatieovereenkomst voorgelegd krijgen, waarmee op basis van
                    wilsovereenstemming tot kostenverhaal kan worden gekomen.Mocht men hiertoe niet
                    bereid zijn, dan zal in het besluit worden aangegeven dat aanvullend
                    kostenverhaal via baatbelasting kan plaatsvinden. Onder baatbelasting wordt in
                    deze verordening verstaan: de baatbelasting (nieuwe stijl) die ter vervanging
                    van de tot 1 januari 1995 geldende baat- en bouwgrondbelasting de in de
                    Gemeentewet is opgenomen (zie artikel 222 van de Gemeentewet zoals dat luidt na
                    de inwerkingtreding van de Invoeringswet van de wet materiële
                    belastingbepalingen Gemeentewet (Stb. 1994, 420)). Hiermee zal dan tevens zijn
                    voldaan aan de in artikel 222 Gemeentewet opgenomen verplichting tot het
                    vaststellen van een bekostigingsbesluit.Het kostenverhaalsbesluit wordt
                    bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 Gemeentewet.Op grond van artikel 2, sub
                    c. maakt de kostenbegroting onderdeel uit van het kostenverhaalsbesluit. In de
                    praktijk is het niet in alle gevallen mogelijk de begrotingscijfers ten tijde
                    van de vaststelling van het kostenverhaalsbesluit geheel gereed te hebben. Om
                    deze reden is onder c. bepaald dat de kostenbegroting ook later kan worden
                    vastgesteld. In dat geval dient de kostenbegroting nog afzonderlijk te worden
                    bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. De kostenbegroting</onderstreept></al><al>In de kostenbegroting zijn de kosten en opbrengsten verband houdende met het
                    verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden opgenomen.
                    Benadrukt is dat er een directe relatie aanwezig dient te zijn tussen de
                    verschillende kosten- en opbrengstelementen en het exploitatiegebied. Gezien de
                    diversiteit van de werken en werkzaamheden is het niet mogelijk een limitatieve
                    opsomming van de met de medewerking verband houdende kosten te geven. Dit zal
                    van geval tot geval kunnen verschillen. De wijze van toerekening zal
                    plaatsvinden op basis van de baat die alle in het exploitatiegebied opgenomen
                    onroerende zaken zullen hebben van de te treffen voorzieningen van openbaar nut.
                    Dit geldt derhalve zowel voor de gronden die bestemd zijn voor gemeentelijke
                    gronduitgifte, als de gronden die bestemd zijn voor particuliere exploitatie. De
                    mate van baat kan daarbij onderling variëren als gevolg van verschillen in
                    ligging, bestemming en <onderstreept>objectieve</onderstreept>
                    gebruiksmogelijkheid van de desbetreffende onroerende zaak. Het uitgangspunt bij
                    de opstelling van de kostenbegroting zal steeds zijn, dat het
                        <onderstreept>totale</onderstreept> gebied door de gemeente in exploitatie
                    zal worden gebracht. Hiermee wordt de afstemming bereikt met de uitgangspunten
                    die zijn neergelegd in de gemeentelijke exploitatieopzet. Belangrijk zal daarbij
                    zijn of de laatstgenoemde exploitatieopzet voldoende rekening heeft gehouden met
                    de verschillen in baat tussen de gebate onroerende zaken. Wij verwijzen hierbij
                    naar het gestelde in artikel 13 van de verordening.Opgemerkt wordt dat de in
                    artikel 5 opgenomen eisen gelden voor zowel een kostenbegroting behorende bij
                    een kostenverhaalsbesluit, als een begroting die naar aanleiding van een
                    aanvraag om medewerking (gebaseerd op afdeling III van de
                    Exploitatieverordening) wordt vastgesteld.Uitgangspunt voor de opstelling van de
                    kostenbegroting is dat de inbrengwaarde van alle gebate onroerende zaken en de
                    gronden bestemd voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, in de
                    kostenbegroting wordt opgenomen. Deze inbrengwaarde kan daarmee ook betrekking
                    hebben op onroerende zaken die wel door de voorzieningen gebaat worden maar niet
                    als gevolg van die voorzieningen geschikt worden voor bebouwing. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan bestaande te handhaven bebouwing binnen een
                    exploitatiegebied.Op grond van het gestelde in het vierde lid wordt bereikt dat
                    de inbrengwaarde van deze gronden niet in de kostenbegroting behoeft te worden
                    opgenomen.De aanduiding ‘geschikt worden voor bebouwing’ is afkomstig van de tot
                    1 januari 1995 geldende bouwgrondbelasting en maakte onderdeel uit van de drie
                    voor deze belastingen bestaande rechtsgronden (nl. het geschikt worden voor
                    bebouwing, het beter geschikt worden voor bebouwing alsmede het in een
                    voordeligere positie komen te verkeren van onroerende zaken als gevolg van de te
                    treffen voorzieningen).Naast de toepassing in de grondexploitatie is de
                    Exploitatieverordening eveneens van toepassing op het verhaal van kosten van
                    baatopleverende voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de
                    grondexploitatie. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de herinrichting van
                    centrumgebieden of de aanleg van riolering in het buitengebied. In het vijfde
                    lid is bepaald dat de inbrengwaarde van de gebate objecten niet in de
                    kostenbegroting behoeft te worden opgenomen, indien de te treffen voorzieningen
                    in hoofdzaak niet gericht zijn op het geschikt maken voor bebouwing van
                    onroerende zaken. Wel is het mogelijk de inbrengwaarde van de tot voorzieningen
                    van openbaar nut bestemde gronden in de begroting op te nemen.De toepassing van
                    het vierde en vijfde lid kan met zich meebrengen dat de in de beide artikelleden
                    beschreven situaties zich gelijktijdig kunnen voordoen. Dit zal het geval zijn,
                    indien er sprake is van bijvoorbeeld de aanleg van niet tot de grondexploitatie
                    behorende voorzieningen voor onder meer bestaande bebouwing.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6. Grondslag voor toerekening baat</onderstreept></al><al>Om de aansluiting te verkrijgen met de systematiek van vaststelling van de
                    kostprijs bij gronduitgifte is gekozen voor de rekeneenheid van de vierkante
                    meter grondoppervlakte van de gebate onroerende zaken (zowel bebouwd als
                    onbebouwd). Met toepassing van lig­gings-, bestemmings- en gebruiksfactoren is
                    het mogelijk in nagenoeg alle gevallen te komen tot een verantwoorde baatomslag
                    ter bepaling van de omvang van de exploitatiebij­drage.Ingeval de
                    grondoppervlaktemethode in bepaalde gevallen niet tegemoet komt aan de aanwezige
                    baatverschillen, biedt de verordening de mogelijkheid tot vaststelling van een
                    afwijkende grondslag.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7. Inhoud exploitatieovereenkomst</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt ervan uitgegaan, dat in navolging van het reeds genomen
                    kostenverhaalsbesluit, het sluiten van een exploitatieovereenkomst als eerste en
                    centrale methode van kostenverhaal is aan te merken.Wij willen duidelijk
                    benadrukken dat het sluiten van een exploitatieovereenkomst – evenals iedere
                    andere overeenkomst – is gebaseerd op wilsovereenstemming. Dit betekent, dat een
                    exploitant niet kan worden verplicht tot het sluiten van een
                    exploitatieovereenkomst. De bevoegdheid tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst ligt middels delegatie bij het college van burgemeester
                    en wethouders.Hoewel de kostenbegroting later kan worden vastgesteld, dient in
                    alle gevallen de in een overeenkomst opgenomen exploitatiebijdrage te worden
                    vastgesteld op basis van de kostenbegroting. Om deze reden is in artikel 7,
                    tweede lid bepaald dat het college van burgemeester en wethouders pas kan
                    besluiten tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst, nadat de
                    desbetreffende kostenbegroting is vastgesteld.Gezien het bepaalde in artikel 10,
                    eerste lid van de Exploitatieverordening geldt deze voorwaarde ook ingeval de
                    overeenkomst tot stand komt op basis van een aanvraag.Indien wordt overgegaan
                    tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst, bevat artikel 7 een aantal
                    voorwaarden waaraan deze overeenkomst in alle gevallen moet voldoen. Naast de
                    vaststelling van een financiële bijdrage is in voorkomende gevallen de bepaling
                    opgenomen dat gronden die bestemd zijn als ondergrond voor voorzieningen van
                    openbaar nut, via deze overeenkomst worden afgestaan aan de gemeente. In de
                    situatie dat er sprake is van een overdracht van gronden, is in het eerste lid
                    de bepaling opgenomen dat van de overeenkomst een notariële akte wordt
                    opgemaakt.In het vierde lid zijn aanvullende bepalingen opgenomen, die kunnen
                    worden toegepast indien de werken geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd door
                    de particuliere exploitant.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8. Vaststelling exploitatiebijdrage</onderstreept></al><al>Essentieel bij de vaststelling van de financiële bijdrage is het feit dat
                    overeenkomstig artikel 5, tweede lid de kostentoerekening is opgesteld, met het
                    uitgangspunt dat het totale exploitatiegebied door de gemeente in zijn geheel in
                    exploitatie zal worden gebracht.Dit betekent, dat in de kostenbegroting gerekend
                    wordt met een <onderstreept>gemiddelde</onderstreept> prijs van de inbrengwaarde
                    van alle gronden (ook die van de particuliere eigenaren). Op deze wijze komt een
                    gemiddelde kostprijs tot stand, die daarna – waar nodig – zal worden
                    gecorrigeerd voor verschillen in ligging, etc.Het zal duidelijk zijn dat de
                    particuliere exploitant op deze prijs de waarde van de hem toebehorende gronden
                    (zowel ten behoeve van de exploitatie als ten behoeve van de aanleg van
                    voorzieningen van openbaar nut) in mindering zal mogen brengen. Omdat deze
                    vermindering kan afwijken van de eerdergenoemde gemiddelde grondinbrengprijs, is
                    een regeling nodig voor bindende vaststelling van deze inbrengwaarde.In het
                    derde lid is bepaald op welke wijze de financiële bijdrage wordt vastgesteld,
                    indien de exploitant overgaat tot het geheel of gedeeltelijk zelf uitvoeren van
                    voorzieningen van openbaar nut. In een dergelijke situatie blijft de financiële
                    bijdrage in de regel beperkt tot de kosten die de gemeente maakt of zal maken in
                    verband met de planuitvoering, -voorbereiding en -toezicht, maar ook met
                    betrekking tot voorzieningen die voor het totale plan gelden danwel een
                    bovenwijks karakter hebben. De omslag van deze voor rekening van de gemeente
                    blijvende kosten vindt plaats overeenkomstig de in artikel 5 en 6 beschreven
                    methode, onder verrekening van de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak
                    van exploitant behorende gronden. Daarnaast vindt een vermindering plaats van de
                    daarin opgenomen kosten voor voorzieningen, voorzover deze voorzieningen door de
                    exploitant worden gerealiseerd.Als gevolg van de het bepaalde in artikel 5,
                    vierde en vijfde lid dient de wijze van berekening van de exploitatiebijdrage in
                    die situaties dienovereenkomstig te worden aangepast. Aan artikel 8 is een
                    vierde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat, indien de in artikel 5, vierde
                    en/of vijfde lid beschreven situatie toepassing heeft verkregen, de wijze van
                    berekening van de bijdrage wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de
                    correctie van de inbrengwaarde is beperkt tot de gronden die bestemd zijn voor
                    het treffen van voorzieningen en door de exploitant aan de gemeente in eigendom
                    worden afgestaan.</al><al/><al><vet>Afdeling III: Exploitatie op verzoek van
                    exploitant</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 9. De aanvraag</onderstreept></al><al>Naast het door de gemeente zelf treffen van voorzieningen van openbaar nut kan
                    het voorkomen dat een particuliere exploitant de gemeente verzoekt tot het
                    treffen van voorzieningen. Vaak zullen dit dan incidentele op zichzelf staande
                    voorzieningen zijn, die specifiek betrekking hebben op de onroerende zaak van
                    een of enkele exploitanten.Gedacht moet hierbij bijvoorbeeld worden aan de
                    situatie waarin een tuincentrum de gemeente verzoekt op basis van artikel 19 WRO
                    mee te werken aan de uitbreiding van de winkelruimte door middel van een
                    wijziging van een bestemmingsplan. In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat
                    van gemeentewege wordt gewezen op de noodzaak van uitbreiding van
                    parkeergelegenheid en bijvoorbeeld de aanleg van een in- en uitvoegstrook vanaf
                    de openbare weg. Dergelijke voorzieningen kunnen onder de werking van afdeling
                    III van deze verordening worden gebracht.In het derde lid van dit artikel is de
                    bepaling opgenomen dat, indien een aanvraag voor een bouwvergunning (eventueel
                    gecombineerd met een verzoek om vrijstelling ex artikel 19 WRO) wordt ingediend
                    waarbij in geval van verlenen van een vrijstelling c.q. bouwvergunning van
                    gemeentewege voorzieningen van openbaar nut moeten worden uitgevoerd, dit
                        <onderstreept>voordat over de bouwaanvraag wordt beslist</onderstreept>, aan
                    de aanvrager bekend wordt gemaakt.De aanvrager zal daarbij een raming ontvangen
                    van de door de gemeente te maken kosten. Aan de hand van deze gegevens is
                    aanvrager in staat voorafgaand aan de beslissing over de bouwaanvraag, een
                    financiële afweging te maken van de aan deze exploitatie verbonden kosten. De
                    aanvrager wordt op dat moment in staat gesteld alsnog een aanvraag in te dienen
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 10. Beslissing op de aanvraag</onderstreept></al><al>Aangegeven is dat de medewerking tot het treffen van voorzieningen alleen kan
                    worden verleend door middel van het sluiten van een overeenkomst op basis van
                    artikel 7 van de verordening.Daarnaast is een viertal facultatieve gronden
                    opgenomen, waaronder de medewerking kan worden geweigerd. Tevens is een
                    mogelijkheid tot aanhouding van de aanvraag opgenomen in gevallen waarin de
                    procedure van de vaststelling/goedkeuring van een onderliggend bestemmingsplan
                    nog niet is afgerond.Tenslotte is de bepaling opgenomen, dat, ingeval een
                    aanvraag is ontvangen voor een gebied waarvoor reeds een kostenverhaalsbesluit
                    is genomen door de gemeenteraad, laatstgenoemd besluit aan de exploitant bekend
                    wordt gemaakt.Deze bekendmaking zal mede inhouden, dat de gemeenteraad reeds
                    eerder heeft aangegeven dat de onderhavige onroerende zaak wordt gebaat door het
                    treffen van voorzieningen van openbaar nut en het om die reden gerechtvaardigd
                    is dienaangaande kostenverhaal toe te passen. Derhalve zou ook zonder het
                    insturen van een aanvraag de gemeente reeds op eigen initiatief zijn gekomen met
                    een exploitatieovereenkomst.Een en ander betekent, dat de reeds voorgenomen
                    aanbieding van een ontwerpexploitatieovereenkomst direct kan
                    plaatsvinden.Toelichting gemeentelijke fondsen:Uit de kadernota Grondbeleid
                    volgt dat ook behoefte bestaat om financiële buffers op te bouwen om
                    inrichtingsinvesteringen te bekostigen die indirect samenhangen met het
                    exploitatiegebied. Daartoe is een tweetal fondsen opgezet, te weten het Fonds
                    Bovenwijkse Voorzieningen en het fonds Kunst en Cultuur. Uit de
                    exploitatieverordening (artikel 2 lid 2 juncto lid 1 sub c) volgt dat ook voor
                    bovenwijkse voorzieningen en voor kunstvoorzieningen een bijdrage kan worden
                    opgelegd. In deze nieuwe tekst zijn die kostenposten expliciet
                    genoemd.Toelichting planschade: Ook de vergoeding van planschade aan derden
                    belanghebbenden, dienen als kosten te worden beschouwd die met het verlenen van
                    medewerking aan het in exploitatie brengen van de gronden verband houden. Het is
                    immers door die medewerking dat de kosten worden gemaakt: het bestemmingsplan
                    dient te worden gewijzigd of een vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan
                    dient te worden verleend ten einde de exploitatie mogelijk te maken. Juist
                    daardoor lijden derde belanghebbenden schade die vergoed moet worden door degene
                    die gebaat is bij de bestemmingsplanwijziging of bijstelling.</al><al/><al><vet>Afdeling IV: Relatie gronduitgifte en andere
                        kostenverhaalsinstrumenten</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 11. Relatie baatbelasting</onderstreept></al><al>In het eerste lid wordt uit een oogpunt van rechtszekerheid aangegeven, dat in
                    een te sluiten exploitatieovereenkomst de bepaling wordt opgenomen dat met
                    betrekking tot de uitvoering van die werken geen aanvullend fiscaal verhaal zal
                    plaatsvinden. Een dergelijke bepaling is niet in strijd met de Grondwet (i.c.
                    privilegeverbod bij belastingen), omdat de wijze van toerekening via
                    exploitatieovereenkomst overeenstemt met de wijze van toerekening bij een
                    eventueel toe te passen fiscaal verhaal.Aan de andere kant is het uit een
                    oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat, indien een exploitant niet bereid is
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst, hem wordt medegedeeld dat
                    overeenkomstig het eerder genomen kostenverhaalsbesluit door de gemeenteraad
                    over kan worden gegaan tot het instellen van een
                    baatbelasting.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12. Relatie andere overeenkomsten</onderstreept></al><al>Steeds meer komt het voor dat door de gemeente overeenkomsten
                    worden gesloten met meerdere marktpartijen tot samenwerking in een bepaald
                    project. We spreken dan van een publiek-private samenwerking (PPS).Dergelijke
                    overeenkomsten omvatten naast elementen van kostenverhaal van voorzieningen van
                    openbaar nut vaak nog totaal andere elementen. Ter voorkoming van onnodig
                    complexe contracten worden deze elementen vaak alle tezamen in één overeenkomst
                    opgenomen.In dit artikel is bepaald dat het sluiten van dergelijke
                    overeenkomsten geen bezwaar behoeft op te leveren, mits de vaststelling van de
                    door exploitant verschuldigde exploitatiebijdrage maar geschiedt op basis van
                    het gestelde in deze exploitatieverordening.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 13. Relatie gemeentelijke
                        bouwgrondexploitatie</onderstreept></al><al>Op basis van dit artikel wordt aangegeven dat de wijze van toerekening van de
                    kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals opgenomen in deze verordening,
                    zo veel mogelijk zal worden toegepast bij de kostprijsberekening bij
                    gemeentelijke gronduitgifte. In beginsel is de methodiek van ‘baattoerekening’
                    zoals beschreven in de artikelen 5 en 6 van de verordening, te onderscheiden van
                    de methodiek van berekening van de gronduitgifteprijzen, indien wordt overgegaan
                    tot gemeentelijke grondexploitatie. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid is het van uitermate groot belang, dat het verhaal van kosten
                    via de gemeentelijke gronduitgifte is afgestemd op het niveau van kostenverhaal
                    via toepassing van de exploitatieverordening c.q. via een baatbelasting.Dit
                    betekent niet, dat de gronduitgifteprijs gelijk behoeft te zijn aan de
                    brutofinanciële bijdrage zoals bepaald in artikel 8 van de
                    verordening.Laatstgenoemde prijs is naast de hoogte van de kostprijs afhankelijk
                    van de economische marktsituatie, aanwezige concurrentieverschillen,
                    etc.</al><al/><al><vet>Afdeling V: Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 14. Uitvoering verordening</onderstreept></al><al>De bevoegdheid tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst,
                    ongeacht of dit geschiedt op initiatief van de gemeente of van de exploitant,
                    berust in beginsel bij de gemeenteraad. Via dit artikel wordt de mogelijkheid
                    geboden deze bevoegdheid over te dragen aan burgemeester en wethouders. De
                    gemeenteraad heeft hiervan gebruik gemaakt.Een uitzondering wordt daarbij
                    gemaakt voor de vaststelling van het kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in
                    artikel 4 van de verordening. De besluitvorming met betrekking tot de te voeren
                    grond- en kostenverhaalsstrategie behoort bij uitstek toe aan het
                    beleidsbepalende orgaan i.c. de gemeenteraad. Daarnaast moet erop worden gewezen
                    dat het kostenverhaalsbesluit tevens de functie vervult van het zogenoemde
                    ‘bekostigingsbesluit’ als voorwaarde voor de invoering van een baatbelasting. De
                    bevoegdheid tot vaststelling van het bekostigingsbesluit is op grond van de
                    wettelijke bepalingen voorbehouden aan de gemeenteraad.Bepaald is dat de
                    gemeenteraad terzake de overgedragen bevoegdheden beleidsregels kan
                    vaststellen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 15. Overgangsbepalingen</onderstreept></al><al>De overgangsbepaling in het eerste lid is bedoeld voor die situaties waarbij op
                    het moment van inwerkingtreding van de exploitatieverordening reeds een aanvang
                    is gemaakt met de uitvoering van voorzieningen van openbaar nut. Artikel 4 gaat
                    ervan uit dat het nemen van een kostenverhaalsbesluit moet plaatsvinden
                        <onderstreept>voordat</onderstreept> met de aanleg van voorzieningen van
                    openbaar nut wordt aangevangen.Bepaald is dat de verordening ook van toepassing
                    is in exploitatiegebieden waarin op de datum van inwerkingtreding de te treffen
                    voorzieningen van openbaar nut niet zijn voltooid, en voor welke gebieden geen
                    kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is genomen. De toepassing van
                    de bepaling in het eerste lid zal bijvoorbeeld aan de orde zijn in
                    exploitatiegebieden ten behoeve waarvan vóór de datum van inwerkingtreding van
                    de verordening een bekostigingsbesluit (zoals bedoeld in artikel 222 van de
                    Gemeentewet) ten behoeve van een mogelijk in te stellen baatbelasting is
                    vastgesteld.Daarnaast voorziet de bepaling in het eerste lid erin, dat de
                    verordening ook kan worden toegepast voor in uitvoering zijnde
                    exploitatiegebieden waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van de
                    verordening niet reeds een bekostigingsbesluit was vastgesteld.Om in dergelijke
                    situaties (bij het ontbreken van een kostenverhaalsbesluit of afzonderlijke
                    kostenbegroting) toch te kunnen komen tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst, is bepaald dat de regels van deze verordening op een zo
                    veel mogelijk aan deze afwijking aan­gepaste wijze van toepassing zijn. Hierbij
                    geldt in ieder geval, dat de hoogte van de in de overeenkomst op te nemen
                    bijdrage wordt bepaald op basis van een door de gemeenteraad vast te stellen
                    kostenbegroting die voldoet aan de in artikel 5 gestelde eisen. In navolging op
                    het gestelde in artikel 4, eerste lid dient ook de vast te stellen
                    kostenbegroting bekend te worden gemaakt overeenkomstig artikel 139
                    Gemeentewet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>