<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR289886_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2013 gemeente Steenwijkerland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 9</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio’s, artikel 3 + de aanpassing daarop (Staatsblad 2010, 145 en 146)</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416 en 676);</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2013 gemeente Steenwijkerland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gezien de ledenbrief 12/025 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
                        kenmerk ECGR/U201218 van 16 februari 2012;</al><al/><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s, de aanpassing daarop
                        (Staatsblad2010, 145 en 146) en het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416
                        en 676);</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5-3-2013, nummer
                        2013/13;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Brandbeveiligingsverordening 2013 gemeente
                            Steenwijkerla</vet><vet>nd</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                        begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen, waarin specifieke
                                brandveiligheidsvoorschriften worden omschreven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te
                                houden, waarin:</al><lijst><li nr="-"><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                        zijn;</al></li><li nr="-"><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; of, </al></li><li nr="-"><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de
                                gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van
                                het voorkomen van brand en brandgevaar (paragraaf 3) en het
                                bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                                brand (paragraaf 4).</al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de
                                gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde
                                voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de
                                gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                                verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden
                                gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                                gebruiksvergunning. </al><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders weigert een
                                gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag vermelde wijze van
                                gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het stellen
                                van voorwaarden ook niet kan worden bereikt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                                artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2
                                van het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416 en 676) zijn van
                                overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                                vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                                afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416
                                en 676) zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39,
                                van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                                vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand
                                die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een
                                veen of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel
                                8, tweede lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare
                                gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen,
                                die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken
                                van de gevolgen van brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de voorgaande
                                    Brandbeveiligingsverordeningen en die van kracht zijn op het
                                    moment van inwerkingtreding van deze verordening worden
                                    aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om vergunning op grond van de vorige
                                    Brandbeveiligingsverordening is ingediend waarop nog niet is
                                    beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een
                                    aanvraag om vergunning krachtens de vorige
                                    Brandbeveiligingsverordening, wordt beslist met toepassing van
                                    deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                                2013.</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                                van de bekendmaking. </al><al/><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, A. ten Hoff</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2013 gemeente
                        Steenwijkerland</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                    Brandbeveiligingsverordening. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 968,
                    nummer 8, pagina 7) Naar verwachting treedt deze AMvB pas op zijn vroegst begin
                    2014 in werking. Tot die tijd zal op grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke
                    gemeente een Brandbeveiligingsverordening van kracht zijn.</al><al>Als een gemeente na het in werking treden van de Wet veiligheidsregio’s (op 1
                    oktober 2010) nog geen nieuwe Brandbeveiligingsverordening heeft vastgesteld is
                    zij verplicht dit alsnog te doen. De op de Brandweerwet 1985 gebaseerde
                    Brandbeveiligingsverordening is namelijk van rechtswege bij de inwerkingtreding
                    van de Wet veiligheidsregio’s vervallen.</al><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn. De verordening bevat
                    tevens regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet.</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening mag niet regelen 'voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien'. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wet al voorziet of mede (indirect)
                    voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s als opdacht aan
                    het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk voorschrift voor op de
                    Brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    Brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de Brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk is er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een bepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de Brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'. </al><al/><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel een
                    drijvende discotheek, of een tijdelijke tent die korter dan 31 dagen
                    staat<sup>1</sup> . Het onderwerp is vooraf niet te bepalen.</al><al/><al><sup>1</sup>Bron ministerie VROM</al><al>Desgevraagd heeft VROM bevestigd dat evenementen en activiteiten niet onder de
                    werkingssfeer van Wabo vallen als deze korter dan 31 dagen staan of gebruikt
                    worden. </al><al/><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften)
                    geen beperking van object. </al><al>De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het, vanwege het feit dat niet van tevoren
                    duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten
                    lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                    geval het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening ex de Woningwet van toepassing.
                    Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing
                    ervan in het Bouwbesluit 2012 is een constructie die drijft op het water meestal
                    geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                    de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde
                    object dat drijft is de Brandbeveiligingsverordening het juiste kader (voor de
                    brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig – meer dan 31
                    dagen – op dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van
                    toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een kortdurende periode – minder dan
                    31 dagen – een ‘niet bouwwerk’ is, waarvoor op grond van de
                    Brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting:</al><al/><tussenkop><vet>Bouwwerk of geen bouwwerk</vet></tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    Brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al/><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de bouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><lijst><li nr="1)"><al>constructie,</al></li><li nr="2)"><al>van enige omvang,</al></li></lijst><lijst><li nr="3)"><al>met de grond verbonden</al></li><li nr="4)"><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuїstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie staat in de toelichting op de model bouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al>Bij een kortere periode dan 31 dagen is deze Brandbeveiligingsverordening van
                    toepassing. </al><al/><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de Brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de Brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS<sup>2</sup> 15 september 1997, LJN: AA3601, AB
                    1998, 5).</al><al/><al><sup>2</sup>ABRvS: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State</al><al/><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde, verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en
                    waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw. </al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de Bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><tussenkop>Gebruik en benaming nadere regels</tussenkop><al>De opzet van de Brandbeveiligingsverordening is dusdanig dat alle algemene
                    regels over de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk geregeld
                    zijn, erin opgenomen worden. Regels die alleen betrekking hebben op specifieke
                    beleidsterreinen worden in nadere regels uitgewerkt.</al><al>In artikel 2 van de Brandbeveiligingsverordening is expliciet opgenomen dat
                    specifieke brandveiligheidsvoorschriften door het college kunnen uitgewerkt en
                    vastgesteld worden in nadere regels. Er kunnen dan specifieke
                    brandveiligheidsvoorschriften worden uitgewerkt voor bijvoorbeeld (feest)tenten,
                    campings / kampeerterreinen en markten. Door te werken met nadere regels wordt
                    maatwerk mogelijk. Verder heeft dit als voordeel dat er adequater kan worden
                    ingespeeld op veranderingen. Immers hoeft niet steeds de verordening gewijzigd
                    te worden bij voorruitschrijdend inzicht. Bijstelling van de nadere regels door
                    burgemeester en wethouders kan aanzienlijk sneller plaatsvinden. In het kader
                    van deregulering moet het opnemen van afwijkende regels terughoudend worden
                    toegepast. </al><al/><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingplicht in plaats van een vergunningplicht, omdat tussen die
                    situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in
                    de Brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al/><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via een directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting.</al><al/><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><al/><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de Brandbeveiligingsverordening niet aan te maken aan de hand
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening 2013 is aangepast aan de Dienstenrichtlijn. </al><al/><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de Brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met opsporing
                    van strafbare feiten.</al><al>Bestuurlijke boete</al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (Brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1°. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2011 €
                    9.000,--.</al><al/><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    rekening hoeft te houden.</al><al/><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied in de verordening zelf.</al><al/><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel is twee keer de Brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de Brandbeveiligingsverordening van
                    vóór 2008 en die van 2010 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><tussenkop>Intrekken regeling</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening die nog gebaseerd is op de Brandweerwet 1985, is
                    van rechtswege vervallen op het moment van inwerkingtreding van de Wet
                    veiligheidsregio’s (1 oktober 2010).</al><al/><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook met zich mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits
                    daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al><al/><al>de griffier, A. ten Hoff</al><al/><al>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>