<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR289876_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-79886.html">Gemeenteblad, 2014, 79886</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/085/02</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de<extref doc="1.1:CVDR383520_1"> Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Roermond</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Roermond</vet></al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 februari 2013,
                        raadsvoorstelnummer 2013/021/01;</al><al>gezien het advies van de cliëntenraad WWB van 28 januari 2013;</al><al>gezien het advies van de Commissie Burgers en Samenleving van 26 maart
                        2013;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel 35 lid 1
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de uitvoering van de WWB, IOAW en IOAZ;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening WWB 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende: degene die een rechtstreeks en concreet
                                        belang heeft bij een besluit. Onder belanghebbende wordt
                                        mede verstaan het gezin en de ten laste komende kinderen van
                                        de alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>bestuurlijke boete: de boete, bedoeld in 18a en 47g van de
                                        WWB;</al></li><li nr="d."><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                        diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                        uitzondering van de inboedel, voor zover niet bovenmatig,
                                        zoals bedoeld in artikel 5 van Boek 3 van het Burgerlijk
                                        Wetboek en het in de woning met bijbehorend erf gebonden
                                        vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                        WWB;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm: de op de leef- en woonsituatie van toepassing
                                        zijnde norm inclusief toeslag of verlaging volgens de
                                        Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB eventueel aangevuld
                                        met de bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor 18-21
                                        jarigen conform de Beleidsregel bijzondere bijstand;</al></li><li nr="h."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Roermond;</al></li><li nr="i."><al>inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17
                                        lid 1 van de WWB;</al></li><li nr="j."><al>plan van aanpak: het plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        44a van de wet: dit plan wordt opgesteld voor de jongeren
                                        tot 27 jaar. Het plan bevat de uitwerking van de
                                        ondersteuning door het college, de verplichtingen gericht op
                                        arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van
                                        die verplichtingen;</al></li><li nr="k."><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                        door het college aan hem opgelegd geheel van activiteiten
                                        gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde
                                        arbeid;</al></li><li nr="l."><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                        lid, onderdeel a, van de wet: een instrument binnen een
                                        traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid weg te nemen;</al></li><li nr="m."><al>verlaging: het verlagen van de bijstand op grond van artikel
                                        18, tweede lid van de wet;</al></li><li nr="n."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="o."><al>WI: Wet inburgering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 </nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich naar het oordeel van het college
                                gedraagt, zoals omschreven in artikel 18, tweede lid van de wet,
                                wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende
                                verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 </nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt opgelegd op de van toepassing zijnde bijstandsnorm
                            of, indien van toepassing, op de bijzondere bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 </nr><titel>Het besluit tot verlaging van de bijstand</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging wordt vermeld de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden waarom een
                            hogere of lagere verlaging wordt toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van verlaging indien
                                het daarvoor zeer bijzondere individuele omstandigheden aanwezig
                                acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van verlaging wordt de belanghebbende
                                daarvan schriftelijk mededeling gedaan onder vermelding van de
                                redenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 </nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt met terugwerkende kracht toegepast, voor zover de
                                bijstand nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm of de hoogte van de bijzondere
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de bijstand over de afgelopen maand reeds is uitbetaald
                                gaat de verlaging de eerst volgende kalendermaand in. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of bijzondere
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de verlaging bedraagt minimaal de termijnen die in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze verordening vermeld staan.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden gerekend vanaf de datum
                                van het besluit waarin de verlaging wordt toegepast opnieuw dezelfde
                                verplichting verwijtbaar niet nakomt (recidive), worden de minimale
                                termijnen waarnaar in lid 3 wordt verwezen verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij derde en meer opvolgende verwijtbare gedragingen wordt het
                                percentage van de verlaging verzwaard en wordt de duur waarnaar in
                                lid 3 wordt verwezen telkens verlengd met één maand extra.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien blijkens verklaringen van de belanghebbende direct en
                                onmiskenbaar op voorhand vaststaat dat deze de opgelegde
                                verplichting niet zal nakomen, wordt een verlaging opgelegd voor de
                                duur dat niet aan deze verplichtingen is voldaan, met inachtneming
                                van de heroverweging als bedoeld in artikel 18 lid 3 van de
                                wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 </nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                                gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                                artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de
                                hoogte van de verlaging uitgegaan van het totale percentage
                                behorende bij de verschillende gedragingen, tot een maximum van een
                                verlaging van 100% gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Indien een belanghebbende een inburgeringsprogramma volgt in het
                                kader van de WI, kan de bijstand slechts worden verlaagd voor zover
                                dit inburgeringsprogramma voor belanghebbende tevens is aangemerkt
                                als een re-integratietraject; </al><al>b. Indien een boete op basis van de Boeteverordening in het kader
                                van de WI is opgelegd, kan niet tegelijkertijd voor hetzelfde feit
                                of dezelfde gedraging een verlaging van de bijstand worden toegepast
                                in het kader van deze afstemmingsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Re-integratietraject of werk</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 </nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><onderstreept>1.</onderstreept><onderstreept>Categorie
                                1:</onderstreept></al><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of
                            het niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al><al><onderstreept>2.</onderstreept><onderstreept>
                                C</onderstreept><onderstreept>ategorie 2:</onderstreept></al><al>Het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare reden niet
                            verschijnen op een oproep van het college om te verschijnen voor een
                            gesprek ter bespreking van de arbeidsmarktsituatie.</al><al><onderstreept>3.</onderstreept><onderstreept>Categorie
                                3:</onderstreept></al><al>a. Het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare reden niet of
                            onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door
                            het college noodzakelijk geacht en aangeboden voorziening
                            (arbeidsinschakeling, scholing. zorgtraject); </al><al>b.Het door de jongere, onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                            44a van de wet; voor zover dit <onderstreept>niet</onderstreept> heeft
                            geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                            traject.</al><al><onderstreept>4.</onderstreept><onderstreept>Categorie
                                4:</onderstreept></al><al>a. Het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de
                            periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; </al><al>b. Het door de jongere, onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                            44a WWB; </al><al>c. Het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare reden niet of
                            onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van een
                            door het college noodzakelijke geachte en aangeboden voorziening
                            (arbeidsinschakeling, scholing, zorgtraject), als dit
                                <onderstreept>wel</onderstreept> heeft geleid tot het geen doorgang
                            vinden of voortijdige beëindiging van het traject.</al><al><onderstreept>5.</onderstreept><onderstreept>Categorie
                                5:</onderstreept></al><al>a.Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>b. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 </nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde
                            lid, wordt de verlaging op grond van artikel 8 vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al> 5% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij
                                    gedragingen in categorie 1.</al></li><li nr="b."><al> 35% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij
                                    gedragingen in categorie 2.</al></li><li nr="c."><al> 35% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij
                                    gedragingen in categorie 3.</al></li><li nr="d."><al> 50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij
                                    gedragingen in categorie 4.</al></li><li nr="e."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand bij
                                    gedragingen in categorie 5. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 </nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als
                                bedoeld in artikel 17 lid 1 van de wet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de
                                verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> 20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij
                                        een netto- benadelingsbedrag tot € 1000,-;</al></li><li nr="b."><al> 50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij
                                        een netto- benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 3000,-;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, bij
                                        een netto- benadelingsbedrag van € 3000,- of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 en 2 van dit artikel zijn uitsluitend van toepassing op
                                maatregelwaardige gedragingen die zijn begaan tot 1 januari 2013 of
                                die doorlopen en uiterlijk zijn beëindigd op 31 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 5 van deze verordening ziet het college
                                slechts af van verlaging van de bijstand wegens schending van de
                                inlichtingenverplichting ná verloop van 5 jaren nadat de betreffende
                                gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een belanghebbende gegevens in verband met de vaststelling
                                van het recht op bijstand, waarover hij reeds eerder redelijkerwijs
                                kon beschikken, pas in een bezwaar-, beroeps-, of hoger
                                beroepsprocedure verstrekt, wordt de toepasselijke bijstandsnorm
                                verlaagd met 20% gedurende minimaal 1 maand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor bijstandsverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor bijstandsverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. Indien een belanghebbende voorafgaand aan de ingangsdatum van de
                                bijstandsverlening het beschikbare vermogen op een onverantwoorde
                                wijze heeft besteed, waardoor hij niet langer beschikt over de
                                middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg
                                daarvan eerder dan noodzakelijk een bijstandsuitkering is toegekend,
                                wordt de bijstand op deze gedraging afgestemd. </al><al>b. Indien onderdeel a van toepassing is, wordt de bijstandsuitkering
                                verstrekt in de vorm van een geldlening gelijk aan de periode waarin
                                feitelijk ingeteerd had moeten worden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende voorafgaande aan de bijstandsaanvraag geen
                                of te laat een beroep doet op een voorliggende voorziening, waardoor
                                hij niet beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan
                                te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering is
                                toegekend, wordt de bijstand op deze gedraging afgestemd met 50% van
                                de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van een 
                                bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende
                                en toereikende voorliggende voorziening voor levensonderhoud als
                                bedoeld in artikel 15 van de wet, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete als gevolg van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenverplichting wordt een
                                maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende drie
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt de maatregel
                                in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                                verrekening gematigd tot 20% van de bijstandsnorm indien
                                belanghebbende(n) op het moment van het opleggen van de maatregel
                                redelijkerwijs niet kan beschikken over bezit ter hoogte van ten
                                minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde van het tweede lid wordt een maatregel
                                opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende de eerste drie
                                maanden vanaf de ingangsdatum indien een belanghebbende niet de
                                benodigde gegevens overlegt om het bezit vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 tot en met 3 van dit artikel wordt gedurende
                                de eerste drie maanden een maatregel van 10% opgelegd indien
                                aannemelijk is dat het toepassen van een maatregel bedoeld in lid 1
                                tot en met 3 zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en
                                diens gezin of indien er anderszins sprake is van dringende redenen.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Na afloop van de maatregel als genoemd lid 1 tot en met 4 van dit
                                artikel wordt een maatregel opgelegd van 10% van de bijstandsnorm
                                voor de periode dat de belanghebbende als gevolg van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenverplichting geen beroep kan
                                doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening als
                                bedoeld in artikel 15 van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nadere verplichtingen tijdens bijstandsverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld
                                in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet of in
                                onvoldoende mate worden nagekomen wordt een verlaging toegepast van
                                20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt, indien en zolang een
                                belanghebbende niet aan de verplichting tot het vorderen van
                                alimentatie voor zichzelf of minderjarige kind(eren) heeft voldaan,
                                waardoor de belanghebbende of het gezin niet beschikt over voldoende
                                middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en mede als
                                gevolg daarvan een bijstandsuitkering is toegekend, de bijstand op
                                deze gedraging afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt, indien er sprake is van
                                woonkosten boven de maximale huurtoeslag en belanghebbende in
                                onvoldoende mate heeft voldaan aan de opgelegde bijzondere
                                voorwaarde om, in financieel opzicht, naar passende woonruimte te
                                zoeken en deze te accepteren, de tegemoetkoming in de woonkosten
                                verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging van lid 2 en 3 wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> 20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien
                                        de periode waarin door belanghebbende geen actie is
                                        ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
                                        verplichting korter is dan 3 maanden;</al></li><li nr="b."><al> 50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien
                                        de periode, waarin door belanghebbende geen actie is
                                        ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
                                        verplichting 3 tot 6 maanden bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, indien
                                        de periode, waarin door belanghebbende geen actie is
                                        ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
                                        verplichting langer is dan 6 maanden.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren en medewerkers, onder omstandigheden die
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                18, tweede lid van de wet, wordt de bijstand verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van verbaal geweld, discriminatie of intimidatie op de volgende
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een eerste
                                        ernstige misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een tweede
                                        ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de
                                        vorige misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden vanaf een
                                        derde ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden
                                        na de vorige misdraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van zaakgericht fysiek geweld, mensgericht fysiek geweld op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een eerste
                                        ernstige misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een tweede
                                        ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de
                                        vorige misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden vanaf een
                                        derde ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden
                                        na de vorige misdraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een ernstige misdraging in de zin van artikel 18, tweede lid van
                                de wet kan alleen sprake zijn als verwijtbaarheid is vastgesteld én
                                dit gedrag in het normale menselijke verkeer onacceptabel is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening (september 2012) vastgesteld bij besluit
                                van 27 september 2012, no 2012/071/02, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking per 1 mei 2013.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de
                                ‘Afstemmingsverordening WWB 2013’.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht van de
                    belanghebbende om zich in te zetten om onafhankelijk van de uitkering te worden,
                    het verstrekken van alle relevante inlichtingen en het nakomen van voorwaarden
                    en afspraken. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de bijstand
                    niet alleen afhangt van de toepasselijke bijstandsnorm en de inkomsten en het
                    vermogen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin door de
                    belanghebbende de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Daartoe dient de gemeente bij aanvang van de bijstandsverlening aan de
                    belanghebbende mede te delen welke de verplichtingen zijn en welke de directe
                    gevolgen zijn voor de uitkering indien hij deze verplichtingen niet nakomt. Het
                    niet nakomen van deze verplichtingen heeft meestal een tijdelijke verlaging van
                    de bijstand tot gevolg. De afstemming is een wettelijke verplichting op grond
                    van de WWB. Het vaststellen van de hoogte en duur van deze verlaging is een
                    bevoegdheid van de gemeente. Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB
                    schrijft voor dat de gemeenteraad in een afstemmingsverordening nadere regels
                    stelt met betrekking tot de hoogte en duur van de verlaging. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Voor de begrippen die in de verordening worden gebruikt, is aansluiting gezocht
                    bij de begripsomschrijvingen in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). </al><al/><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit saldi op bankrekeningen als op geld waardeerbare goederen.</al><al/><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in
                    mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de WWB
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen, voor zover die niet tot een gebruikelijke inboedel behoren,
                    waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten
                    aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een
                    uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde
                    (eigen) woning.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</vet></al><al>1. Dit artikellid geeft de omvang van de werking van deze verordening aan en met
                    name dat het hier een uitwerking betreft van artikel 18 lid 2 van de
                    WWB.</al><al>2. In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen
                    standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele)
                    verlaging van de bijstandsnorm. In dit tweede lid is de hoofdregel neergelegd:
                    de verlaging afstemmen op de ernst van het feit dat zich heeft voorgedaan, de
                    afweging in hoeverre de betrokken persoon hiervoor verantwoordelijk is en de
                    eventuele individuele bijzondere omstandigheden die van belang kunnen zijn in
                    verband met de gevolgen van de tijdelijke verlaging voor de persoon of het
                    gezin. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij elke verlaging zal moeten
                    worden nagegaan of gelet op deze drie criteria afwijking van de hoogte en de
                    duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaardverlaging kan zowel tot een verzwaring als een matiging van de hoogte
                    en/of de duur van de verlaging leiden. </al><al/><al> Matiging van de verlaging kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij:</al><al>- bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de belanghebbende; </al><al>- proportionaliteit: de zwaarte van de verlaging is niet evenredig aan de ernst
                    van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast op
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand wegens het niet voldoen aan een of meerdere op
                    grond van de WWB opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een
                    besluit. Deze eis vloeit rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Met name dient aandacht besteed te worden aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van proportionaliteit en het
                    motiveringsbeginsel. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand</vet></al><al>1. Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                    ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB, maar wordt hier nogmaals
                    benadrukt. Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het
                    college geen verlagingen toepast bij gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden. </al><al>2. Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van een verlaging indien er
                    daarvoor zeer bijzondere individuele omstandigheden aanwezig zijn
                    (hardheidsclausule). Dit is uiteraard erg afhankelijk van de concrete situatie
                    en wordt hier niet verder gespecificeerd.</al><al>3. Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een
                    verlaging is van belang in verband met eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</vet></al><al>De verlaging wordt naar de toekomst toegepast, tenzij de uitkering nog niet is
                    uitbetaald. De verlaging dient na constatering in beginsel zo spoedig mogelijk
                    geëffectueerd te worden zodat oorzaak en gevolg maximaal aan elkaar worden
                    gekoppeld.</al><al/><al>In de leden 3 tot en met 5 is de systematiek geregeld indien sprake is van
                    herhaling van de verwijtbare gedraging. Indien binnen één jaar na een eerste
                    verwijtbare gedraging opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van de duur van de verlaging. Er is geen sprake van recidive als is afgezien van
                    een afstemming omdat de verwijtbaarheid geheel heeft ontbroken. Met eerste
                    verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is
                    geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens zeer bijzondere
                    omstandigheden niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit (waarin de
                    verlaging is medegedeeld), bekend is gemaakt (verzenddatum beschikking). In de
                    situatie, dat de belanghebbende in een korte periode steeds herhalend
                    verwijtbaar gedrag blijft vertonen (de derde en mogelijke volgende verwijtbare
                    gedragingen) kan het college besluiten na afweging van alle belangen om de
                    gegeven percentages van de hoofdstukken 2 tot en met 4 te verzwaren. Tevens kan
                    de duur telkens worden verlengd met een maand. Zo is sprake van een evenwichtige
                    en systematische opbouw van verlagingen van de bijstandsverlening, indien sprake
                    is van steeds terugkerend verwijtbaar gedrag van de belanghebbende. </al><al/><al>In lid 6 is geregeld dat de verlaging doorloopt totdat belanghebbende de
                    verwijtbare gedraging heeft hersteld, als direct door de belanghebbende
                    duidelijk is gemaakt, dat van een korte tijdelijke verlaging geen positief
                    effect is te verwachten. De minimale duur van de verlaging is in de hoofdstukken
                    2 tot en met 4 van deze verordening geregeld. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Samenloop van gedragingen </vet></al><al>1. De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                    verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde. Bijvoorbeeld,:
                    belanghebbende staat niet ingeschreven bij het UWV en werkt onvoldoende mee aan
                    het door het college noodzakelijk geachte re-integratietraject . De verlaging
                    van de bijstandsnorm wordt dan vastgesteld aan de hand van de cumulatie van de
                    verschillende percentages van de beide categorieën. In dit geval bedraagt de
                    verlaging niet meer dan 60% gedurende één maand. Uiteraard kan een verlaging van
                    de bijstandsuitkering niet meer bedragen dan de hoogte van de volledige
                    uitkering (100%) gedurende één maand.</al><al>2. a. Afstemming op grond van de WWB kan alleen plaatsvinden als iemand zich
                    niet houdt aan de verplichtingen die rechtstreeks zijn verbonden aan het
                    ontvangen van de bijstandsuitkering. Dat betekent dat de bijstand alleen kan
                    worden verlaagd als iemand een inburgeringsprogramma volgt dat door het college
                    tevens is gedefinieerd als een noodzakelijk traject op grond van artikel 9 van
                    de WWB. </al><al>2. b. In het kader van de WI geldt een eigen (boete)regeling die als specifieke
                    regeling voorrang krijgt voor deze (algemene) Afstemmingsverordening.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Re-integratietraject of werk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8 Categorieën</vet></al><al><onderstreept>Tweede categorie </onderstreept>Het gaat hierbij om situaties dat
                    een belanghebbende, zonder geldige reden, niet reageert op een oproep van het
                    college om te verschijnen voor een gesprek om de arbeidsmarktsituatie te
                    bespreken en waardoor de toeleiding naar werk onnodig gefrustreerd
                    wordt.</al><al/><al><onderstreept>Derde categorie</onderstreept></al><al>Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                    belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                    levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om:</al><al>- mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                    voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand;</al><al>- deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden
                    tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie (zorgtraject).</al><al/><al>Voor de jongere geldt de ingevolge artikel 9, eerste lid onder b van de wet, de
                    verplichting om mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een
                    plan van aanpak zoals bedoel in artikel 44a van de wet. </al><al/><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze
                    verplichting niet of onvoldoende nakomt. Het niet of onvoldoende verlenen van
                    medewerking aan een afgesproken traject zal immers leiden tot ongewenste
                    vertraging van dat traject. </al><al> De gedragingen in de derde categorie hebben echter niet tot gevolg dat het
                    traject (definitief) stopt. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake
                    als de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan (oproepen voor) een
                    onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                    zelfstandige participatie, niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf
                    verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert
                    of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een diagnos-tisch
                    onderzoek.</al><al/><al>De vierde categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren of ingeschreven te
                    staan bij diverse uitzendbureaus. Hierbij wordt tevens bedoeld de verplichting
                    van de jongere om voldoende solliciteren gedurende de zoektijd van 4 weken zoals
                    bedoel in artikel 41, vierde lid van de wet. </al><al/><al>Bij de vierde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de derde categorie, echter met dit belangrijke verschil dat de
                    gedraging heeft geleid tot het (definitief) staken van een lopend traject.</al><al/><al>De vijfde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of
                    regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Parttime
                    en/of tijdelijk werk zal wel nog van invloed kunnen zijn in verband met de
                    beoordeling van de proportionaliteit bij een verlaging.</al><al>Onder de vijfde categorie, onderdeel b wordt ook verstaan het niet correct
                    uitoefenen van het beroep als zelfstandige.</al><al/><al><vet>Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10 Schending inlichtingenplicht</vet></al><al>1. Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens niet direct zelf (onverwijld) of desgevraagd niet op tijd verstrekt
                    wordt de bijstand voort­gezet en kan de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand
                    worden verlaagd voor zover dit de gemeente heeft benadeeld. Onder ‘onverwijld’
                    mededeling doen in artikel 17, eerste lid WWB wordt verstaan: </al><al>- direct mondeling (eventueel telefonisch) informatie geven of indien dit niet
                    mogelijk is;</al><al>- op het door de cliënt verplicht te gebruiken formulier dat door Sociale Zaken
                    wordt aangereikt voor het doorgeven van wijzigigingen;</al><al>- vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit of de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan.</al><al>2. Uit deze formulering volgt dat wanneer er geen sprake is van een financiële
                    benadeling er ook geen afstemming plaats zal vinden.</al><al>3. Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW in
                    werking getreden. Deze wet beoogt een aanscherping van het sanctieregime in de
                    sociale zekerheid. Met ingang van 1 januari 2013 wordt er een boete opgelegd
                    ingeval er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. De regels
                    hiertoe zijn vanaf 2013 centraal geregeld in de sociale zekerheidswetgeving.
                    Voor 1 januari 2013 hadden de gemeenten de bevoegdheid om bij schending van de
                    inlichtingenverplichting een maatregel op te leggen en hier zelf gemeentelijk
                    beleid op te maken. In lid 3 van dit artikel is het geregeld dat voor
                    schendingen van de inlichtingenverplichting voor zover de gedragingen
                    plaatsvonden tot 1 januari 2013 en uiterlijk doorlopen tot en met 30 januari
                    2013 de ‘oude’ bepalingen uit de afstemmingsverordening van toepassing zijn. Met
                    deze bepaling sluit deze verordening aan bij de regelgeving zoals die opgenomen
                    is in artikel 25 Overgangsrecht in de Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid.</al><al>4. In afwijking van artikel 5 lid 1 wordt voor maatregelwaardige gedragingen die
                    een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten
                    onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend een
                    verjaringstermijn van vijf jaar aangehouden omdat dit ook aansluit bij andere
                    verjaringstermijnen, zoals bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek.</al><al>5. Noodzakelijk is dat de gegevens waarover de belanghebbende beschikt ook zo
                    spoedig mogelijk worden verstrekt, zodat deze ook tijdig beoordeeld kunnen
                    worden en daarmee eventuele juridische procedures vermeden kunnen worden.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid vóór
                        bijstandsverlening</vet></al><al/><al>Lid 1 </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan, geldt ook al vóórdat een
                    bijstandsuitkering wordt aangevraagd en wordt toegekend. Dit betekent dat,
                    wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de ingangsdatum van de
                    bijstandsverlening onverantwoord op het beschikbare vermogen heeft ingeteerd, er
                    voor is gekozen om de bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening en
                    wel voor zover en gedurende de periode dat feitelijk nog op het aanwezige
                    vermogen boven de vermogensgrens van art 34 van de wet ingeteerd had moeten
                    worden. </al><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de verlaging dient beoordeeld te worden
                    hoe lang belanghebbende onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij
                    wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. </al><al/><al><vet>n.b. het begrip “verantwoord interen”:</vet></al><al>Verantwoord interen is volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep gelijk te stellen aan het, ten behoeve van levensonderhoud, besteden van
                    uitgaven ter hoogte van 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze
                    norm wordt ook in de jurisprudentie acceptabel geacht (zie bijvoorbeeld <extref doc="">CRvB 08-06-2004, nr. 01/4164 NABW </extref>De interingsnorm moet
                    onder omstandigheden nog worden verhoogd in verband met hoge woonkosten.
                    Daarnaast kan er reden zijn om het in te teren vermogen lager vast te stellen
                    als gevolg van substantiële noodzakelijke uitgaven. Denk bijvoorbeeld aan de
                    kosten in verband met de noodzakelijke vervanging van duurzame
                    gebruiksgoederen.</al><al/><al>Lid 2 De periode waarover de voorliggende voorziening van toepassing zou kunnen
                    zijn bij andere sociale zekerheidswetgeving is vaak relatief moeilijk te
                    bepalen. Daarom is ervoor gekozen om bij het niet gebruiken van een voorliggende
                    voorziening de uitkering gedurende één maand te verlagen met 50% van de
                    bijstandsnorm.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                        door toepassing van een bestuurlijke boete</vet></al><al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW in
                    werking getreden. Deze wet beoogt een aanscherping van het sanctieregime in de
                    sociale zekerheid. In deze wet is geregeld dat een belanghebbende die
                    herhaaldelijk fraudeert met een sociale zekerheidsuitkering (anders dan de
                    bijstand) een boete krijgt van 150% van het benadelingsbedrag. Deze boete wordt
                    volledig verrekend met de uitkering waardoor een belanghebbende een
                    nihil-uitkering ontvangt. Indien de belanghebbende geen andere middelen van het
                    bestaan heeft kan hij een beroep doen op de bijstand als vangnetvoorziening. </al><al/><al>Het feit dat het recht op een passende en toereikende voorziening verloren is
                    gegaan wordt aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een
                    en ander levert daarom maatregelwaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand
                    kan worden verlaagd</al><al>Bij het toepassen van een maatregel in dit soort situaties wordt aangesloten bij
                    de systematiek uit de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                    door analoog aan de boetepercentages uit deze verordening, de bijstand te
                    verlagen door het opleggen van een maatregel.</al><al/><al>In lid 1 is geregeld dat er gedurende 3 maanden een verlaging van de bijstand
                    plaatsvindt als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op
                    te kunnen vangen. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen
                    waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                    driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                    tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd
                    moeten kunnen worden. </al><al/><al>In lid 2 is geregeld dat wanneer een belanghebbende onvoldoende gelden heeft om
                    een periode van drie maanden te overbruggen het college gedurende één maand een
                    maatregel oplegt van 100% van de bijstandsnorm en de volgende twee maanden een
                    maatregel van 20% van de bijstandsnorm. Vervolgens vindt een verlaging plaats
                    van 10% van de bijstandsnorm voor de gehele periode dat de belanghebbende als
                    gevolg van de recidivefraude geen beroep kan doen op de voorliggende
                    voorziening.</al><al/><al>Voor het percentage van 20% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al/><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al/><al>Toepassing van dit artikel impliceert dat een belanghebbende inlichtingen
                    verstrekt over zijn bezittingen ten tijde van het boeteonderzoek. In lid 4 wordt
                    geregeld dat mocht de belanghebbende geen of onjuiste inlichtingen verstrekken
                    over zijn bezittingen ten tijde van het boeteonderzoek het college de
                    recidiveboete gedurende 3 maanden kan verrekenen met het recht op
                    uitkering.</al><al/><al>In het geval van dringende redenen bijvoorbeeld een dreigende huisuitzetting
                    wordt de maatregel in de eerste drie maanden gematigd tot 10% . Het gaat slechts
                    om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de
                    belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te
                    verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door het toepassen van
                    een maatregel zoals genoemd in lid 1 tot en met 3 aan middelen ontbreekt om in
                    het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen
                    spreken van dringende redenen.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Nadere verplichtingen tijdens bijstandsverlening </vet>In lid 1
                    is een algemene bepaling opgenomen met een standaard percentage als niet is
                    voldaan aan de opgelegde specifieke bijzondere voorwaarden .</al><al>In lid 2 en lid 3 zijn specifiek omschreven opgelegde voorwaarden beschreven,
                    waarvoor een afwijkende duur en percentage geldt. De periode van het niet
                    nakomen van de voorwaarden start met ingang van de dag waarop de bijzondere
                    voorwaarde is opgelegd (verzenddatum beschikking).</al><al/><al><vet>Artikel 14 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’. In de verordening worden in verband met de leesbaarheid
                    niet steeds de woorden <cursief>zeer</cursief> ernstig misdragen gebruikt,
                    terwijl het wel om hetzelfde wettelijke begrip gaat. Dit betekent voorts dat
                    alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en ambtenaren
                    aanleiding kan zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk als
                    een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die (indirect) belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld
                    een re-integratiebedrijf). </al><al/><al>Opgemerkt wordt dat landelijk, maar ook in de gemeente Roermond incidenten tegen
                    medewerkers tijdens hun werk frequenter en ernstiger zijn geworden. Dit is een
                    maatschappelijk verschijnsel dat in brede kring als zeer ernstig wordt ervaren
                    en afgekeurd. In de gemeente Roermond neemt het college elke misdraging in welke
                    vorm dan ook tegen medewerkers van de gemeente Roermond of het college zeer hoog
                    op en accepteert dit dan ook onder geen enkele voorwaarde. </al><al>Ervaring sinds de invoering van deze bepaling in de WWB vanaf 1 januari 2004
                    leert dat afstemming met een standaardpercentage van 50% gedurende minimaal 1
                    maand een onvoldoende genuanceerd en hanteerbaar uitgangspunt is gebleken. Dit
                    geldt evenzeer mede ter voorkoming van herhaling van nieuwe incidenten. In deze
                    aangepaste nieuwe afstemmingsverordening is getracht een genuanceerdere en
                    systematische invulling te geven die recht doet aan deze ernstige problematiek.
                    Om deze reden wordt ook anders omgegaan met recidive dan in artikel 6 van deze
                    verordening (hoger percentage en/of verlenging termijn van de verlaging) en een
                    langere termijn wanneer herhaling van het gedrag aangemerkt wordt als recidive
                    (24 maanden in plaats van 12 maanden).</al><al/><al>Anderzijds dient bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de
                    situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, gekeken te
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Met name dient het beginsel van proportionaliteit (de reactie moet in redelijke
                    verhouding staan tot de gedraging) eveneens recht te worden gedaan.</al><al/><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="2."><al>discriminatie;</al></li><li nr="3."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="4."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="5."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="6."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de soort gedraging, de mate waarin de gedraging te verwijten valt en de
                    omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband kan in het algemeen een onderscheid gemaakt worden tussen
                        <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                        <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>In lid 2 is en lid 3 is tevens onderscheid gemaakt tussen fysiek en niet fysiek
                    geweld.</al><al>Daarbij wordt fysiek geweld in welke vorm dan ook als een ernstiger incident
                    beschouwd dan wanneer dit niet heeft plaatsgevonden.</al><al>Daarnaast is sprake van een steeds zwaardere afstemming (verlaging) van de
                    bijstand naarmate deze vergelijkbare incidenten door dezelfde persoon vaker
                    voorkomen.</al><al>Hierdoor ontstaat een meer gedifferentieerd uitgewerkt en gestructureerd systeem
                    waarbij meer recht wordt gedaan aan een stapsgewijze progressieve reactie op
                    onacceptabele incidenten. </al><al/><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie. Voor de afdeling Sociale Zaken is er een intern
                    agressieprotocol opgesteld met instructies hoe te handelen bij agressie.</al><al/><al>Schematisch:</al><al/><al>Niet fysiek geweld</al><al>(verbaal, discriminatie of intimidatie)</al><al>1e keer 50% 1 maand</al><al>2e keer &lt;24 maanden 100% 1 maand</al><al>3e keer of meer &lt; 24 maanden 100% 2 maanden</al><al/><al>Fysiek geweld</al><al>(zaak- of mensgericht)</al><al>1e keer 100% 1 maand</al><al>2e keer &lt; 24 maanden 100% 2 maanden</al><al>3e keer of meer &lt; 24 maanden 100% 3 maanden</al><al/><al><vet>Artikel 15 </vet><vet>Inwerkingtreding en citeertitel </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>