<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR289177_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013 gemeente Stein</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel 29 mei 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013 gemeente Stein</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdeel c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad Afd. A, 2013 no. 9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met ingang van 1 januari 2013 vervalt de "Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012""en de "Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012-A</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013 gemeente Stein</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De Raad der gemeente Stein;</vet></al><al/><al>gezien het voorstel inzake aanpassen verordeningen Wwb in verband
                        wetswijzigingen 2013</al><al>(Gem. blad Afd. A 2013, no. 9);</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 februari 2013,
                        metoverneming van de daarin vermelde motieven</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en </al><al>bijstand (Wwb)</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de navolgende verordening: <vet>Toeslagenverordening Wet
                            Werk en Bijstand 2013 gemeente Stein</vet>. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                            leeftijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                            indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd<vet>. </vet></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (Wwb) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    Wwb;</al></li><li nr="b."><al>zorgbehoefte: de zorgbehoefte bedoeld in artikel 3, tweede lid
                                    van de Wwb;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: de persoon die een zorgbehoefte
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>verzorgende: de persoon die de zorg verleent aan de
                                    verzorgingsbehoevende;</al></li><li nr="e."><al>bijdrage in de woonlasten: het bedrag dat de medebewoner
                                    maandelijks betaalt als bijdrage in de woonlasten te weten:
                                    kostgeld en kamer- of onderhuur;</al></li><li nr="f."><al>kostgeld: een minimaal bedrag van 24% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="g."><al>kamer- of onderhuur: minimaal het deel dat in de gehuwdennorm is
                                    begrepen voor woonkosten, zijnde 18% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bepalingen in artikel 2 en 3 van de verordening laten de toepassing
                            van artikel 18 lid 1 Wwb onverlet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verhoging van de bijstandsnorm</titel></kop><al>(alleenstaande en alleenstaande ouder) </al><lijst><li nr="1."><al>De norm van de alleenstaande of alleenstaande ouder, in wiens woning
                                geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verhoogd met een toeslag
                                als bedoeld in artikel 25 lid 1 Wwb, van 20% van de
                                gehuwdennorm.</al></li><li nr="2."><al>De verhoging als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op 5%
                                van de gehuwdennorm, voor de alleenstaande en alleenstaande ouder
                                die een woning deelt met één of meer anderen en</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder niet kan worden
                                        aangemerkt als verzorgingsbehoevende;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder een lagere bijdrage
                                        in de woonlasten levert dan bedoeld in artikel 1, vierde lid
                                        sub d.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden de volgende groepen
                                niet in aanmerking genomen als personen met wie een woning wordt
                                gedeeld:</al><lijst><li nr="a."><al>verzorgingsbehoevenden die door de alleenstaande of
                                        alleenstaande ouder worden verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering;</al></li><li nr="c."><al>kinderen van 18, 19 of 20 jaar met een inkomen van ten
                                        hoogste de norm vermeerderd met 20% van de
                                        gehuwdennorm.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De verhoging bedraagt 10% van de gehuwdennorm, voor een
                                alleenstaande of alleenstaande ouder met één of meer inwonende niet
                                ten laste komende kinderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verlaging van de bijstandnorm</titel></kop><al>(gehuwden) </al><lijst><li nr="1."><al>De norm van de gehuwden wordt verlaagd, als bedoeld in artikel 26
                                Wwb, met 15% van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen
                                met één of meer anderen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 vindt geen verlaging van de norm plaats
                                indien de gehuwden een woning delen met één of meer anderen en:</al><lijst><li nr="a."><al>deze een bijdrage in de woonlasten leveren als bedoeld in
                                        artikel 1, vierde lid, sub d;</al></li><li nr="b."><al>één echtgenoot als verzorgingsbehoevende kan worden
                                        aangemerkt en hij of zij verzorgd wordt door een
                                        medebewoner, omdat de andere echtgenoot daartoe niet in
                                        staat kan worden geacht;</al></li><li nr="c."><al>deze een verzorgingsbehoeftige is die door de gehuwden wordt
                                        verzorgd.</al></li><li nr="d."><al>dit een meerderjarig kind met studiefinanciering
                                        betreft;</al></li><li nr="e."><al>dit een kind van 18, 19 of 20 jaar betreft met een inkomen
                                        van ten hoogste de bijstandsnorm vermeerderd met 20% van de
                                        gehuwdennorm.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De verlaging bedraagt 10% van de gehuwdennorm, voor gehuwden met één
                                of meer inwonende niet ten laste komende kinderen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Toeslagenverordening Wet Werk en
                        Bijstand 2013 gemeente Stein”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding en toepassingsbereik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013 treedt met
                                terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2013 in werking.</al></li><li nr="2."><al>Met ingang van 1 januari 2013 vervalt de “Toeslagenverordening Wet
                                Werk en Bijstand 2012” en “Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand
                                2012-A”.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 27 maart 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de Griffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Toeslagenverordening </titel></kop><al>In deze toelichting zijn slechts die bepalingen toegelicht waarbij dit
                    noodzakelijk wordt geacht. De bepalingen die geen nadere toelichting behoeven,
                    worden hier niet verder beschreven. </al><al>Verder dient men zich ervan bewust te zijn dat in deze Toeslagenverordening niet
                    alle mogelijke situaties uitputtend geregeld zijn. Dat is ook niet nodig. In
                    niet geregelde situaties of in uitzonderlijke gevallen heeft het college immers
                    de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 Wwb
                    bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. Zo hebben we het
                    artikel waarin geregeld was dat bij het ontbreken van woonkosten een verlaging
                    van 20% plaatsvindt, laten vervallen. Reden hiervoor is dat het in de praktijk
                    heel weinig voorkomt dat iemand in het geheel geen woonlasten heeft. Ingeval het
                    zich voordoet, dient de bijstand met toepassing van artikel 18 lid 1 Wwb
                    afwijkend te worden vastgesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><tussenkop><onderstreept>Lid 1 en 2</onderstreept></tussenkop><al>De werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden die ouder zijn
                    dan 21 jaar doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de lagere
                    jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij
                    belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al/><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Begrippen die reeds zijn omschreven in de Wwb of Awb worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Dit voorkomt dat ingeval van wijziging van
                    betreffende definities in de Wwb of Awb ook de verordening moet worden
                    aangepast. </al><al/><tussenkop><vet>Lid 4 </vet></tussenkop><al>Voor het gebruik van het begrip <cursief>gehuwdennorm </cursief>is gekozen,
                    omdat de hoogte van deze norm in de Wwb zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c
                    Wwb. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon. </al><al/><al>Er is een verduidelijking van de bepaling op grond waarvan de
                        <cursief>v</cursief><cursief>erzorgingsbehoevendheid </cursief>kan worden
                    aangenomen. In artikel 1 lid 2 onderdeel b van deze verordening is bepaald wat
                    daaronder moet worden verstaan.</al><al/><al>Met het begrip ‘zorgbehoefte’ wordt hetzelfde bedoeld als in artikel 3, tweede
                    lid onderdeel a, van de Wwb. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen
                    in zijn uitspraak van 18 september 2007, LJN BB6205 - is van zorgbehoefte sprake
                    indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een
                    AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende redenen van heeft afgezien of op een
                    wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de
                    betrokkene vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke,
                    verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen
                    huishouding te voeren daar hij is aangewezen op intensieve zorg van
                    anderen.</al><al/><al>Onder het begrip <cursief>bijdrage in de woonlasten </cursief>wordt verstaan het
                    bedrag dat de medebewoner betaalt als bijdrage in de woonlasten te weten
                    kostgeld en kamer- of onderhuur. Er wordt vanuit gegaan dat er altijd een
                    commerciële prijs wordt betaald. </al><al>Bij kamer- en onderhuur is sprake van een commerciële prijs indien minimaal een
                    bedrag van 18% van de gehuwdennorm wordt betaald. </al><al>Bij kostgeld is sprake van een commerciële prijs indien minimaal een bedrag van
                    24% van de gehuwdennorm voor kost en inwoning wordt betaald. </al><al>Indien er minder wordt betaald, is er reden voor een onderzoek en is er wellicht
                    sprake van een gezamenlijke huishouding. </al><al>De belanghebbende zal door middel van een schriftelijke overeenkomst en
                    betalingsbewijzen (bij voorkeur bankafschriften) moeten aantonen dat hij een
                    bijdrage in de woonlasten levert als hiervoor bedoeld. </al><al/><tussenkop>Lid 5 </tussenkop><al>De hierin opgenomen verplichting voor het college om, zo nodig in afwijking van
                    de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand, de
                    bijstand anders vast te stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende nodig is, volgt uit artikel 30 lid
                    4 Wwb.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 2 </tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>De hoogte van 20% van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is op grond van artikel 30 lid 2 onder a Wwb, verplicht. </al><al/><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Indien de alleenstaande of alleenstaande ouder, zorgbehoevende is en door een
                    medebewoner verzorgd wordt, danwel indien de alleenstaande of alleenstaande
                    ouder minimaal een bijdrage in de woonlasten levert als bedoeld in artikel 1 lid
                    4 onder c, is er recht op de maximale toeslag van 20%. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en de alleenstaande of
                    alleenstaande zelf niet kan worden aangemerkt als verzorgingsbehoevende of de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder een lagere bijdrage in de woonlasten levert
                    dan bedoeld in artikel 1 lid 4 sub d, wordt verondersteld dat er noodzakelijke
                    kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijv. huur, energiekosten). Of de
                    kosten (of de mate waarin) ook daadwerkelijk gedeeld worden, is hierbij niet van
                    belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen
                    sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan
                    dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.
                    In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 5% van de
                    gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf hebben. Het aantal personen waarmee de woning wordt gedeeld,
                    speelt dus geen rol. Inkomsten welke verbonden zijn aan het delen van de kosten
                    van het bestaan met anderen (huur en kostgeld) mogen niet meer gekort worden op
                    de uitkering. Hiermee is immers reeds bij het bepalen van de hoogte van de
                    toeslag rekening gehouden (artikel 33 lid 4 Wwb)<vet>. </vet></al><al>Deze regel geldt slechts bij uitzondering indien een alleenstaande (ouder) of
                    kostgeld ontvangt van meer dan twee kamerhuurders of kostgangers. Er zal dan
                    naar alle waarschijnlijkheid sprake zijn van het drijven van een onderneming
                    waarvan de kosten zo hoog zijn dat er sowieso geen recht op uitkering bestaat. </al><al/><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Hierin zijn drie groepen opgenomen, die niet (meer) in de norm begrepen zijn,
                    maar die in omstandigheden verkeren waardoor het ook niet aannemelijk of
                    wenselijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden. Zij
                    tellen niet mee als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. </al><al>Ten aanzien van meerderjarige kinderen met studiefinanciering geldt dat zij niet
                    meetellen ongeacht de hoogte van eventuele andere inkomsten waarover zij kunnen
                    beschikken (bijvoorbeeld loon uit dienstbetrekking). Immers, enerzijds is het
                    recht op en de hoogte van de studiefinanciering afhankelijk van de hoogte van
                    het inkomen van de studerende en anderzijds is de hoogte van de
                    studiefinanciering niet toereikend voor de bekostiging van alle met de studie
                    samenhangende kosten. </al><al>Het samenwonen met personen die tot een van deze groepen behoren, heeft dus geen
                    invloed op de maximale toeslag van 20%. </al><al/><tussenkop>Lid 4 </tussenkop><al>Voor inwonende <cursief>niet </cursief>ten laste komende kinderen is de toeslag
                    10%. Deze toeslag is hoger dan 5%, omdat ouders die met één of meer kinderen op
                    hetzelfde adres wonen doorgaans minder schaalvoordelen genieten dan andere
                    woningdelers.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>De basisnorm voor gehuwden kan op basis van artikel 26 Wwb worden verlaagd
                    indien de gehuwden de noodzakelijke kosten van het bestaan geheel of
                    gedeeltelijk kunnen delen met een ander. </al><al>Wanneer gehuwden een woning delen met één of meer anderen wordt de verlaging
                    vastgesteld op 15% van de gehuwdennorm. Het aantal personen waarmee de woning
                    wordt gedeeld speelt dus geen rol. </al><al>Inkomsten welke verbonden zijn aan het delen van de kosten van het bestaan met
                    anderen (huur en kostgeld) mogen niet meer gekort worden op de uitkering.
                    Hiermee is immers reeds bij het bepalen van de hoogte van de verlaging rekening
                    gehouden (artikel 33 lid 4 Wwb). Deze regel leidt slechts uitzondering indien
                    gehuwden huur of kostgeld ontvangen van meer dan twee kamerhuurders of
                    kostgangers. Er is dan naar alle waarschijnlijkheid sprake van het drijven van
                    een onderneming waarvan de inkomsten zo hoog zijn dat er sowieso geen recht op
                    uitkering bestaat. </al><al/><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>In een aantal situaties leidt het delen van een woning met anderen niet tot een
                    verlaging. In de eerste plaats geldt geen verlaging indien de gehuwden een
                    minimumbedrag aan kamerhuur of kostgeld betalen. De verordening gebruikt
                    hiervoor het begrip bijdrage in de woonlasten (zie artikel 1). </al><al>In de tweede plaats geldt geen verlaging indien minimaal een van beide
                    echtgenoten als verzorgingsbehoevende kan worden aangemerkt en hij door een
                    medebewoner wordt verzorgd omdat de andere echtgenoot daartoe redelijkerwijs
                    niet in staat is. In artikel 1 lid 4 onderdeel b is bepaald wat onder
                    verzorgingsbehoevende wordt verstaan. </al><al/><al>Bij het bepalen of gehuwden hun woning delen met één of meer anderen, tellen
                    verzorgingsbehoevenden en bepaalde groepen meerderjarige kinderen met een laag
                    inkomen niet mee. Ten aanzien van meerderjarige kinderen met studiefinanciering
                    geldt dat zij niet meetellen ongeacht de hoogte van eventuele andere inkomsten
                    waarover zij kunnen beschikken (bijvoorbeeld loon uit dienstbetrekking). Immers,
                    enerzijds is het recht op en de hoogte van de studiefinanciering afhankelijk van
                    de hoogte van het inkomen van de studerende en anderzijds is de hoogte van de
                    studiefinanciering niet toereikend voor de bekostiging van alle met de studie
                    samenhangende kosten. </al><al/><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Voor inwonende niet ten laste komende kinderen is de verlaging 10%, omdat ouders
                    die met één of meer kinderen op hetzelfde adres wonen doorgaans minder
                    schaalvoordelen genieten dan andere woningdelers.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2013. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel “Wijzigingen van de Algemenen Ouderdomswet, de Wet
                    werk en bijstand, de Wet Inkomenstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting
                    1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de
                    levensverwachting van de pensioenleeftijd” (Wet verhoging AOW- en
                    pensioenrichtleeftijd) in combinatie met het “Besluit tot wijziging van een
                    aantal wetten in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de
                    Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat” Besluit aanpassing
                    wetten inzake verhoging AOW-leeftijd). </al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening per 1 januari 2013 vervallen de
                    Toeslagenverordening 2012 en Toeslagenverordening Wwb 2012-A. De oude
                    Toeslagenverordening 2012 was nog van kracht tot 1 januari 2013 voor mensen voor
                    wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering
                    leidde.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>