<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>289102_7</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR/UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venray</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-03</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">www.officielebekendmakingen.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2015-12-22</dcterms:issued><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 160, lid 1</dcterms:source><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Arbeidsvoorwaardenregeling Venray / CAR-UWO Venray. Regeling is gewijzigd. </overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de
                                            gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te
                                            zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht is aangegaan; </al></li><li nr="b"><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat
                                            door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;
                                        </al></li><li nr="c"><al><vet> pensioenwet:</vet>de Algemene burgerlijke
                                            pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;
                                        </al></li><li nr="d"><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                            pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
                                        </al></li><li nr="e"><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang
                                            van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende
                                            welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;
                                        </al></li><li nr="f"><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals
                                            die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is
                                            vastgesteld; </al></li><li nr="g"><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                            volgens de aanstelling; </al></li><li nr="h"><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de
                                            arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een
                                            bepaalde week is vastgesteld; </al></li><li nr="i"><al> vervallen;</al></li><li nr="j"><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis
                                            herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                                            feestdagen; </al></li><li nr="k"><al><vet>dienstverband: </vet>een aanstelling voor bepaalde
                                            of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l"><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar,
                                            voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in
                                            dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur
                                            per week; </al></li><li nr="m"><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid
                                            moet verrichten; </al></li><li nr="n"><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde
                                            tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid
                                            moet worden verricht; </al></li><li nr="o"><al><vet> uurloon: </vet>1/156 gedeelte van het - zo nodig
                                            naar een volledig dienstverband herberekende - salaris
                                            van de ambtenaar per maand; </al></li><li nr="p"><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling
                                            voor de sector gemeenten; </al></li><li nr="r"><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s"><al><vet> functioneringstoelage:</vet> een toelage die aan
                                            de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone
                                            bekwaamheid, geschiktheid en ijver;</al></li><li nr="t"><al><vet>waarnemingstoelage:</vet> een vergoeding die wordt
                                            toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe
                                            door of namens het college verstrekte opdracht volledig
                                            een andere functie waarneemt, indien voor die functie
                                            een hogere schaal geldt dan voor de eigen functie; </al></li><li nr="u"><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                            Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering; </al></li><li nr="w"><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in
                                            de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de
                                            WAO; </al></li><li nr="y"><al><vet> WIA:</vet>Wet werk en inkomen naar
                                            arbeidsvermogen; </al></li><li nr="z"><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                            arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa"><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en
                                            duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="bb"><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc"><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering
                                            gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="dd"><al><vet> WAJONG:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            voor jong gehandicapten; </al></li><li nr="ee"><al><vet> WAZ:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al><vet>Wazo:</vet>Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg"><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur
                                            Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; </al></li><li nr="hh"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een
                                            uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde
                                            lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
                                        </al></li><li nr="ii"><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van
                                            de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj"><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk"><al><vet> FPU-regeling:</vet> regeling flexibel pensioen en
                                            uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale
                                            Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; </al></li><li nr="ll"><al><vet> FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:
                                            </vet>het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede
                                            lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en
                                            onderwijspersoneel; </al></li><li nr="mm"><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband
                                            waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de
                                            formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een
                                            deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder
                                            dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder
                                            dan 36 uur per week </al></li><li nr="nn"><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo"><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering
                                            krachtens de ZW; </al></li><li nr="pp"><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                                            Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van
                                            de wet SUWI. </al></li><li nr="qq"><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de
                                            salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar
                                            evenredigheid van diens formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr"><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van
                                            hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de
                                            functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage
                                            onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de
                                            toelage beschikbaarheidsdienst, de
                                            inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de
                                            garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de
                                            medewerker zijn toegekend en die tot 1 januari 2016 tot
                                            de bezoldiging werden gerekend. </al></li><li nr="ss"><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een
                                            functie hoort; </al></li><li nr="tt"><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een
                                            salarisschaal; </al></li><li nr="uu"><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als
                                            opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv"><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar,
                                            geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                            ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met
                                            de overleden ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                    bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a"><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                                            openbaar onderwijs;</al></li><li nr="b"><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting
                                            van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn
                                            in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                            onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c"><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                            zodanig;</al></li><li nr="d"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de
                                            Gemeentewet; </al></li><li nr="e"><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                            benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                            belastingen;</al></li><li nr="f"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h"><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale
                                            werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met
                                            uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de
                                            gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                            artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i"><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder
                                            “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                    afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                    georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                    vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist
                                    van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                    gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:0:0 Rechtspositie BABS</titel></kop><al>In aanvulling op dit artikel, is bij het onderdeel aavullende
                                regelingen de rechtspositie van de Bijzonder Ambtenaar Burgerlijke
                                Stand (BABS) van de gemeente Venray te vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:0:1 Geen ambtenaar</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 1:2 van de CAR wordt voor de toepassing van
                                deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst niet als ambtenaar
                                beschouwd: de onbezoldigd gemeenteambtenaar belast met de uitvoering
                                van de Verordening Parkeerbelasting 1993.</al><al><cursief>Parkeerbelasting parkeerambtenaar</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2a Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie
                                    of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                    stage-overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                    uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17
                                    en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de
                                    stagiair.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met
                                    de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van
                                    de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                    begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                    Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan degene die daarom verzoekt een
                                    werkervaringsplaats aanbieden op basis van een
                                    werkervaringsovereenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing,
                                    met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en
                                    17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                    werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                    periode van maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                    medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal
                                    staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van
                                    het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de
                                    banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die
                                    op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                                    hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het
                                    wettelijk minimumloon kan verdienen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet
                                    banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                                    percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde
                                    percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon,
                                    dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk
                                    minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    levensloopbijdrage. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a,
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op
                                    artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de
                                    loonwaarde en de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                                    loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het
                                    college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop
                                    gebaseerde toelagen en vergoedingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 7:24a, 7:25a, 7:25b,
                                    en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van
                                    een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                    hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                    hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                    regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                                    tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen
                                    van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                                    werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3 Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                    vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand
                                    bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts
                                    toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die
                                    rechtstoestand niet is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                    regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                    ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                    uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                    eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                    secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                    aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3a Toepassing</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en
                                de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                                indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a"><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                        bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                        functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b"><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                        vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                                    deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in
                                    het vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a"><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn
                                            toegelaten tot het LOGA met het college voor
                                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten;</al></li><li nr="b"><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen
                                            van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn
                                            bij de onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c"><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de
                                    voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld
                                    ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling
                                    of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te
                                    leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk
                                    toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                    bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze
                                    behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het
                                hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan
                                voor te dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang
                                van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om
                                tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel
                                gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:6 Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                                    gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke
                                    aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                                    alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de
                                    salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In
                                    de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming
                                    zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                                    functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor
                                    georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge
                                    bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even
                                    genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij
                                    het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                    toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst
                                    die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij
                                    de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren
                                    kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in
                                    verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de
                                    inrichting van de werkzaamheden. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2:0:0:0 Stage</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de stageregeling te vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt
                                bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                    uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de
                                    gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege
                                    aangesteld in algemene dienst van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het
                                    belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden.
                                    Een passende functie is een functie die de ambtenaar
                                    redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                    omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan
                                    worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht,
                                    is de ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a"><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden
                                            te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar
                                            te nemen;</al></li><li nr="b"><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor
                                            hem vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c"><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                            vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde
                                            tijd periodiek verrichten van deze
                                            beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                            aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld
                                            zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden
                                            zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de
                                            schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                                    persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                    werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd,
                                    geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden
                                    terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd
                                    van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig
                                    mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                                    geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                                    na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                    bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat
                                    hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het
                                    verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid
                                    van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid
                                    bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat
                                    betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag
                                    als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke
                                    gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000
                                    kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze
                                    verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet
                                    arbeid vreemdelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2:0:1 Aanvullende bepaling
                                    aanstellingsvereisten</titel></kop><al>In aanvulling op dit artikel, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de regeling functiewaardering van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                                    bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                    bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                    worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een
                                    geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie,
                                    waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig
                                    onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe
                                    aangewezen door het college. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3:0:1 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><al>De vastgestelde functies waarbij aanstelling alleen mogelijk is
                                nadat een geneeskundig onderzoek, gericht op de te vervullen
                                betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking
                                uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, heeft plaatsgevonden,
                                zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>coördinator facilitaire dienst (afdeling I&amp;A);</al></li><li nr="-"><al>bode (afdeling I&amp;A);</al></li><li nr="-"><al>medewerker repro/magazijn (afdeling I&amp;A);</al></li><li nr="-"><al>huismeester (afdeling I&amp;A).</al></li></lijst><al><cursief>PGO PAGO gezondheid dokter fit arts FLO
                                periodiek</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                    bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten
                                    hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de
                                    tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang
                                    van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                    elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6
                                    maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar
                                    opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een
                                    ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht
                                    bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten
                                    aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten
                                    worden elkaars opvolger te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                    bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a"><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel
                                            a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.
                                            1993, 635);</al></li><li nr="b"><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c"><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                            aangesteld:</al><lijst><li nr="I"><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                  tijd;</al></li><li nr="II"><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III"><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                  karakter; </al></li><li nr="IV"><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                                  wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                                  vorming;</al></li><li nr="V"><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI"><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het
                                                  kader van een door de overheid getroffen regeling,
                                                  die het karakter draagt door een tijdelijke
                                                  tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                                  bevorderen van personen, die behoren tot één of
                                                  meer bepaalde groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII"><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                    ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van
                                    de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2 Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                    personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                    aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich
                                    daartegen verzet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering
                                    krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Door het college kan met een persoon slechts een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor
                                    het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en
                                    omvang wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in
                                    tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor
                                    bepaalde tijd is gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5
                                zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                                minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling
                                van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren
                                vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende
                                kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden
                                        voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht
                                        rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de
                                        oproepkracht aan te bieden;</al></li><li nr="b"><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden -
                                        na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c"><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                        kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de
                                        omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te
                                        geven;</al></li><li nr="d"><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                        vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                        verricht;</al></li><li nr="e"><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                        oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                        respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                        kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder
                                        de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                        gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                        vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                        twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich
                                        schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f"><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                        heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten
                                        minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen,
                                        en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te
                                        zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als
                                        grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel
                                        8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                    afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                                    oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage,
                                    worden uitgedrukt in een bedrag per uur. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                                    ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de
                                    uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten
                                    gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip
                                    waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in
                                    bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het
                                    arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van
                                    het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat
                                    een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                                    oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:6 Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing
                                indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode
                                van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste
                                aanstelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon
                                    die is aangesteld als ambtenaar of met wie een
                                    arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele
                                    arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende
                                    bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon
                                    die is aangesteld als ambtenaar of met wie een
                                    arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele
                                    arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een
                                    volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                    dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten
                                    aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het
                                    Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een
                                    verlies van subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar
                                    die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per
                                    week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende
                                            een vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="2"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 ,
                                            tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6"><al>- de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel
                                            3:18a , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                                    het college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                                    over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de
                                    arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                                    bespreking voorgelegd aan de OR.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3:0:0:0 Bezoldigingsregeling</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de bezoldigingsregeling van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                        en uitkeringen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                    gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                    functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                    basis van een functiewaarderingssysteem. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                    en uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                    salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig
                                    dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de
                                    ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
                                    arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en
                                    de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling
                                    anders is bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Salaris</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                    van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid
                                    en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van
                                    een periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij
                                    al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van
                                    opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris
                                    overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de
                                    functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4 Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                    periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog
                                            niet bereikt; </al></li><li nr="c"><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn
                                            aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging
                                            of zijn promotie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke
                                    salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                    salarisverhoging toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                    college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                    verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                    salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                    hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een
                                    grond aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                    instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                    schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in
                                    een functie met een lager maximumsalaris, met een
                                    overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie
                                    met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige
                                    aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal
                                    plan of sociaal statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7 Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Salaristoelagen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed
                                    of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties
                                    heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft
                                    bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                    voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan
                                    deze opnieuw worden toegekend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                    toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als
                                    schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in
                                    het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                    personeel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                    vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te
                                    nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode
                                    van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling
                                    geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de
                                    toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
                                    ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij
                                    de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn
                                    ingedeeld. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                    werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                    uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de
                                    volgende tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="-"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en
                                            tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="-"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en
                                            tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde
                                            lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een
                                    week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur
                                    in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                    uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding
                                    (artikel 3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                    werktijden en die door het college is aangewezen om te werken
                                    buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op
                                    een buitendagvenstertoelage. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte
                                            uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en
                                            vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zaterdag; </al></li><li nr="-"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel
                                            4:5, derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2:1:1</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 3:2:1 lid 5 geldt voor de gemeente Venray
                                dat leidinggevenden geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding
                                voor overwerk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                    beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                    beschikbaarheidsdienst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag
                                    tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op
                                    zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:15 Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage
                                    onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of
                                    de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd,
                                    heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="-"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee
                                            maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten
                                            én</al></li><li nr="-"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een
                                            bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn
                                            salaris.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk
                                            9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="-"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen
                                            in een sociaal plan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                    afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede
                                    jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen
                                    bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                    onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het
                                    gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij
                                    een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is
                                    verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de
                                    salarisverhoging. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                        bijzondere prestaties</al></li><li><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                        ongeval in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens
                                    werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel
                                    15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een
                                    anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding
                                    indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in
                                    voldoende omvang verricht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                    regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                    overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                    wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige
                                    dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het
                                            overwerk, </al></li><li nr="b"><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter
                                            hoogte van het volgende percentage van het uurloon van
                                            de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag
                                                  (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00
                                                  en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag
                                                  volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag,
                                                  woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en
                                                  24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00
                                                  uur.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                    vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor
                                    zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof
                                    verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                    lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                    bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                    uurloon conform het tweede lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden
                                    van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                    opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                    overwerkvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage
                                    van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris
                                    op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                    minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit
                                    bedrag naar rato vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                    ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij
                                    25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst
                                    wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij
                                    het ABP aangesloten werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                    maandsalaris over de maand van jubileren, plus de
                                    vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand
                                    toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst
                                    bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                                    jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende
                                    salaristoelagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van
                                    ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een
                                    evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste
                                    maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                                    maatgevende maand aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                    bijzondere prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5:1:1 Samenloop jubilea</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 3:5:1 wordt aan de medewerker die:</al><lijst><li nr="-"><al>Het 25-jarig jubileum in dienst van de gemeente Venray voor
                                        het 65e jaar bereikt, een gratificatie toegekend
                                        overeenkomende met de bezoldiging en de vakantietoelage
                                        waarop de medewerker in de maand van zijn 25-jarige
                                        overheidsjubileum aanspraak heeft;</al></li><li nr="-"><al>Het 40-jarige jubileum in dienst van de gemeente Venray voor
                                        het 65e jaar bereikt, een gratificatie toegekend
                                        overeenkomende met tweemaal de bezoldiging en de
                                        vakantietoelage waarop de medewerker in de maand van zijn
                                        40-jarig overheidsjubileum aanspraak heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende
                                    salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                    partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige
                                    kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal
                                    het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en
                                    de toegekende salaristoelagen</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                    voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan
                                    de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                    rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan
                                    wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.
                                    Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering
                                    verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de
                                    vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over
                                    de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                    overlijden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                    uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking
                                    van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft
                                    verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid
                                    genoemde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                    lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                    meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of
                                    Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn
                                    Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een
                                    tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar in de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                                    heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                    salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het
                                    bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of
                                    ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten
                                    naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                    december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst
                                    treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                    de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) </titel></kop><al> (gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Overgangsrecht </titel></kop><lijst><li nr="-"><al>Overgangsrecht hoofdstuk 3</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Overgangsrecht hoofdstuk 3</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31
                                        december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de
                                        voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</al></li><li nr="2"><al>Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
                                        uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met
                                        uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de
                                        Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.</al></li><li nr="3"><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden <noot id="FN740781_1"><noot.al>Bruto blijft bruto, netto blijft
                                                netto.</noot.al></noot> die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                        toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling,
                                        vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in
                                        dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet
                                        in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="4"><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn
                                        opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog
                                        bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in
                                        hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014
                                        (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor
                                        elke medewerker die het betreft bepaald:</al><lijst><li nr="a"><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang
                                                geldende regels voor toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b"><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe
                                                systematiek.</al></li></lijst><al> Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 2. </al></li><li nr="5"><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
                                        toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                        loonontwikkelingen.</al></li><li nr="6"><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="7"><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
                                        een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.
                                    </al></li><li nr="8"><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                        jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                        afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
                                        jaar.</al></li><li nr="9"><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
                                        eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
                                        uitgekeerd. </al></li><li nr="10"><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
                                        de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="11"><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft
                                        geen effect. </al></li><li nr="12"><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                        betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="13"><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
                                        op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
                                        bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
                                        afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
                                        vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
                                        31 december 2020) recht zouden hebben op een
                                        ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                        vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
                                        de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
                                        hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
                                        de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
                                        vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4:0:0:0 A la cartemodel</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk is in de aanvullende regelingen het a
                                la Cartemodel van de gemeente Venray te vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </titel></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                                    dagvenster.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00
                                    en 22:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                    kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de
                                    planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                    uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a"><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                            ambtenaar en het college;</al></li><li nr="b"><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet
                                            blijven; </al></li><li nr="c"><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                            week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                            wordt afgeweken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                    over de werktijden aangepast worden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                    werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.
                                </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                    ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden
                                    leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden
                                    de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het
                                    college het erover eens zijn dat overschrijding van de
                                    arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de
                                    omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De
                                    ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding
                                    ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                    wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de
                                    uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                    buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                    vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                    werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                    college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                    werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die
                                    situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de
                                    bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                                    hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                    incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                    werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt
                                    zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het
                                    college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                                    ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter
                                    hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in
                                    artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken
                                    over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid
                                    om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                    gemotiveerd kan afwijken. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                    ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede
                                    lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster
                                    gelden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:0:1 Regeling werktijden</titel></kop><al>In aanvulling op dit artikel, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de regeling werktijden van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                    week. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt
                                    het college deze vast in een rooster. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels
                                    in acht genomen: </al><lijst><li nr="a"><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                            bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b"><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                            vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een
                                            ORT wordt ontweken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                    tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                    hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                    zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor
                                    hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat
                                    hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                                    arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van
                                    arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
                                    Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de
                                    dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen
                                    in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                    zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke,
                                    regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door
                                    het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst
                                    van de gemeente is gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                    kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat
                                    of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij
                                    een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1:1 Collectieve sluiting</titel></kop><al>Met betrekking tot aanvullende afspraken op het vlak van werktijden,
                                zijn bij het onderdeel aanvullende regelingen de afspraken op het
                                gebied van collectieve sluiting van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:7 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in
                                    dienstroosters</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in
                                        dienstroosters</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
                                </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid
                                    van dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er
                                    zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet>het voor 1 april
                                            2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                            verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b"><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde
                                                verloftegoed:</vet> het omzetten van het opgebouwde
                                            verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
                                            bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van
                                            uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                                    door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                    mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                    voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd
                                    wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en
                                    wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                    levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                    wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in
                                    een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan
                                    worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar
                                    opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of
                                    aan dit verzoek kan worden voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                    gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar
                                    kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.
                                    Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van
                                    een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                                    verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde
                                    verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8,
                                    8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om
                                    voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde
                                    verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het
                                    niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                                    bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                    ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                    ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                    afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                    wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond
                                    van het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                    nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                    8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                    ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                    gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                    college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                    uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende
                                    uurloon van de ambtenaar. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                    anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                    daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                                    bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor
                                    een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste
                                    lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld
                                    voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week
                                    geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid
                                    maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                                    naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                                    toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                    daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                    ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                    vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                    salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het
                                    kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                    anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                    daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                                    bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen
                                    inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren
                                    maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                                    naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                                    toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                    daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                    salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid
                                    meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden
                                    overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij
                                    geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek
                                    betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen,
                                    eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als
                                    bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in
                                    artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1,
                                    verlagen voor door het college vastgestelde
                                    bestedingsmogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                    bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.
                                </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Seniorenmaatregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 FPU Gemeenten</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 5a:2 Berekingsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</al></li><li><al>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                                        die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al></li><li><al>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor
                                        medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli
                                        2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al></li><li><al>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor
                                        medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU
                                        Gemeenten</al></li><li><al>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling
                                        werkgever</al></li><li><al>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</al></li><li><al>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</al></li><li><al>Artikel 5a:8 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</titel></kop><al>De ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en</al></li><li nr="b"><al>geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de
                                        in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en</al></li><li nr="c"><al>geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is
                                        aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende
                                        regels zijn gesteld,</al></li></lijst><al>heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling
                                werkgever.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de
                                    pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het
                                    jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de
                                    aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de
                                    ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op
                                    een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor
                                    de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van
                                    het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een
                                    Aanvulling werkgever ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als
                                    berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde
                                    berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de
                                    deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het
                                    pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het
                                    recht op een Aanvulling werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het
                                    moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten
                                    aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005
                                    en bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvulling werkgever als percentage van
                                                  berekeningsgrondslag bij uittreden op
                                                  spilleeftijd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56</al></entry><entry colname="col2"><al>6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58</al></entry><entry colname="col2"><al>9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>11,3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61 of ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal
                                    herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later
                                    moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><lijst><li nr="a"><al>De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                            ambtenaar geboren</al><lijst><li nr="I"><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee
                                                  maanden; </al></li><li nr="II"><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                            genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                            spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU
                                            maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop
                                            hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                                            respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk
                                            44 jaar en twee maanden bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                                    die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd
                                    gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                    afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                    totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als
                                    de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt
                                    wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven
                                    naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd
                                    gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                                    afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van
                                    totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><lijst><li nr="a"><al>de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                            ambtenaar geboren:</al><lijst><li nr="I"><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee
                                                  maanden; </al></li><li nr="II"><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan
                                            genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde
                                            spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU
                                            maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop
                                            hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                                            respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk
                                            44 jaar en twee maanden bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                                    die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006
                                    gebruikmaken van de FPU Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of
                                    na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun
                                    recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van
                                    het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt
                                    verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling
                                    werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat
                                    gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het
                                    ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór
                                    de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht
                                    op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het
                                    totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt
                                    verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                                    ambtenaar geboren:</al><lijst><li nr="a"><al>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al></li><li nr="b"><al>na 1 april 1947: 61 jaar</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers
                                    die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU
                                    Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som
                                    van:</al><lijst><li nr="a"><al>de FPU-uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een
                                            deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van
                                            artikel 8:11;</al></li><li nr="c"><al>de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2,
                                            eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die
                                            ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond
                                            van artikel 8:11;</al></li><li nr="d"><al>de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                                            deeltijdbetrekking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het
                                    totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de
                                    berekeningsgrondslag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de
                                    berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op
                                    grond van artikel 8:11.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering
                                    blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering
                                    krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele
                                    opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is
                                    verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel
                                    pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en
                                    aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop
                                    met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop
                                    met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de
                                    toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde
                                    FPU-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling
                                    werkgever</titel></kop><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders
                                dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht
                                bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</titel></kop><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU
                                Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de
                                werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20%
                                pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de
                                regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft
                                betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is
                                verleend op grond van artikel 8:11.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</titel></kop><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het
                                gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere
                                regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten
                                onverlet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:7:0:1 Nadere regeling FPU gemeente Venray</titel></kop><al>In aanvulling op dit artikel, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de regeling FPU van de gemeente Venray te vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:8 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij
                                dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een
                                andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert,
                                blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6:1 Recht op vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                                    6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven
                                    aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2 Duur vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144
                                    uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                                    ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de
                                    arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                                    volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om
                                    te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                                    36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                                    als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1 Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het
                                    college algemene regels met betrekking tot de duur van de
                                    vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld
                                    voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week,
                                    wordt naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten
                                    aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren
                                    voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van
                                    volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide,
                                    waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde
                                    algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4
                                    uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en
                                    3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige
                                    uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13
                                    genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                                    ambtenaar rust. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                    bijzondere regels vast.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het
                                    derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop
                                    de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in
                                    hoofdstuk 5a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1:1 Vakantieverlofregeling</titel></kop><al>In aanvulling op dit artikel is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de regeling Vakantieverlof van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                                    ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien
                                    werkdagen, aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                    voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het
                                    eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De
                                    ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen
                                    op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele
                                    achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid
                                    3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en
                                    aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                                    worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de
                                    vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het
                                    bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing
                                    wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                                    ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met
                                    de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                                    of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar
                                    rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                                    het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn
                                    functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar
                                    evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                                    een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet
                                    toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en
                                            bevalling;</al></li><li nr="b"><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend
                                    op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk
                                    zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                    van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die
                                    dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                    met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt
                                    een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het
                                    uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                    vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3:1 Opbouw vakantieverlof</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In aanvulling op artikel 6:2:3, lid 1 geldt dat de ambtenaar die in
                                de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen recht
                                heeft op zoveel maal 1/24 gedeelte van de vakantie als er halve
                                maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking
                                vervult.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Medewerkers die voor de 15e van de maand in dienst treden, bouwen
                                voor de gehele maand vakantie op. Voor medewerkers die vanaf de 15e
                                van de maand in dienst treden, geldt deze maand als halve maand
                                vakantieopbouw.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens
                                    dienstbelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                    kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt
                                    hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                                    eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede
                                    volgende kalenderjaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat
                                    de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten
                                    buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan
                                    door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten
                                    deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:5 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                    redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                    gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                    gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren
                                    van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van
                                    het aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                                    vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem
                                    vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                    niet is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                            schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;
                                            of</al></li><li nr="c"><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan
                                            voor eerste oefening,</al></li></lijst><al> wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar
                                    verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de
                                    andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als
                                    bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten
                                    vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen
                                    aantal uren. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                    worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar
                                    aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend,
                                    op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                                    verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer
                                    vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                                    krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een
                                    desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is
                                    beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke
                                aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een
                                vergoeding worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                    gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na
                                    het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat
                                    tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is
                                    geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege
                                    dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                    gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                    college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na
                                het einde van dat kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke
                                    maand waarover hij als zodanig salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de
                                    loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt
                                    ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                                    vakantietoelage over die maand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de
                                    ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende
                                    salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten
                                    minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor
                                    ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij
                                    het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid
                                    wordt verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden,
                                    beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
                                    In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling
                                    ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                                            niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke
                                            dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9
                                            van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                            anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                            werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin
                                            van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                            dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden
                                            heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk
                                            is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                            vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst
                                            of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren
                                            militaire dienst ontvangt en het bedrag aan
                                            vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben
                                            ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                            toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend
                                            op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                            bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de
                                    tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit
                                    hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing
                                    wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of
                                    schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                    nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1:1 Geen uitbetaling bij ontslag</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in de artikel 6:3:1, lid 1 vindt
                                uitbetaling bij ontslag niet plaats als dit ontslag zonder
                                onderbreking wordt gevolgd door een andere betrekking bij de
                                gemeente, met een werktijd van gelijke duur als die in de laatst
                                beklede betrekking en wel over het tijdvak tussen het einde van de
                                laatst verstreken periode van 12 maanden en de datum van het
                                ontslag.</al><al><cursief>Ontslag uitbetaling vakantietoelage vakantie vakantiegeld
                                    overstappen functie</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft
                                    gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                    verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                    ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde
                                    lid, toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                    wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als
                                    bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en
                                    aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar is verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag
                                    dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar
                                    wordt voltrokken. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                    wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1:1 Buitengewoon verlof bij verhuizing</titel></kop><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt aan
                                de ambtenaar door het college verlof met het behoud van het genot
                                van bezoldiging verleend:</al><lijst><li nr="1"><al> voor gehuwden en geregistreerde partners of voor hen die
                                        een eigen huishouding hebben bij verhuizing zoveel verlof
                                        als nodig is om eenmaal per jaar de vrije beschikking te
                                        hebben over een aaneengesloten periode van twee dagen. </al></li></lijst><al><cursief>Verlof verhuizing verhuizen aaneengesloten
                                dagen</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                    zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet
                                    aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                    ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                    opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                    kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                    vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak
                                    op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de
                                    omvang van het langdurend zorgverlof. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling
                                    genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                    betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het
                                    volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1"><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel
                                                  (ACOP); </al></li><li nr="2"><al>de Christelijke Centrale van overheids- en
                                                  onderwijs Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3"><al>de Centrale van middelbare en hogere
                                                  functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven
                                                  en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Verenigingen van ambtenaren:</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten
                                            bij de onder a genoemde centrales van
                                            overheidspersoneel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                            verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                            verenigingen betreft welke ook andere groepen van
                                            ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het
                                            bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                            groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van
                                            het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                            afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande
                                            dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of
                                            gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot
                                            een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                            verleend; </al></li><li nr="b"><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien
                                            hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                            bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de
                                            bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen
                                            indien hij lid is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c"><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                            centrale organisatie waarbij de vereniging van de
                                            ambtenaar is aangesloten, indien hij als
                                            vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                            vergadering deelneemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a"><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                            overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder
                                            a of door een daarbij aangesloten vereniging is
                                            aangewezen.</al><lijst><li nr="-"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                  activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                  die daarbij aangesloten vereniging,
                                                  onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                                  apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen
                                                  van deze centrale van overheidspersoneel en/of de
                                                  daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen,
                                                  het geheel voor ten hoogste 216 uren per
                                                  kalenderjaar; </al></li><li nr="-"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur
                                                  per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                  medewerkers en ten hoogste 100 voor een
                                                  organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="-"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste
                                                  50 uur per jaar voor een organisatie met minder
                                                  dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor
                                                  een organisatie met meer dan 400 medewerkers met
                                                  dien verstande dat per vakcentrale per organisatie
                                                  verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                                  arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van
                                            ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke
                                            door of ten behoeve van de leden van die vereniging van
                                            ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten
                                            hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                    de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan
                                    ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien
                                    verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend
                                    aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                            overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a,
                                            nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                            rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. </al></li><li nr="b"><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd
                                            in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is
                                            van een sector of sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                    aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                    bedoeld in het eerste lid, onder b. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend
                                    voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede
                                    voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
                                    Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt
                                    eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van
                                    de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                                    regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het
                                    tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                    gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                                    uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op
                                    grond van de Waz. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                                    voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                    betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar
                                    evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever
                                    en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                    waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                    Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                                    mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929,
                                    aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                                    artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                    inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                    vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                    boven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere
                                    regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van
                                het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                                verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in
                                artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor
                                maximaal één jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5:1 Publiekrechtelijk college</titel></kop><al>Op de bezoldiging van de ambtenaar aan wie - met toepassing van
                                artikel 6:4:5 - verlof is verleend tot het vervullen van
                                werkzaamheden, voortvloeiende uit een functie in een
                                publiekrechtelijk college, waarin de ambtenaar is benoemd of
                                verkozen, vindt een inhouding plaats die overeenkomt met het voor
                                hem geldend ambtelijk uurloon vermenigvuldigd met het aantal uren
                                waarvoor verlof is verleend.</al><lijst><li nr="a"><al>De in artikel 6:4:6 bedoelde inhouding gaat de vergoeding,
                                        die de ambtenaar in zijn publiekrechtelijke functie als
                                        vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd
                                        geniet, niet te boven.</al></li><li nr="b"><al>Ter bepaling van de hoogte van de raadsvergoeding c.q. de
                                        wethouderswedde per uur worden de volgende normen in acht
                                        genomen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>voor raadsleden:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten tot 30.000 inwoners </al></entry><entry colname="col2"><al>: 30 uren per maand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van 30.000 tot 100.000 inwoners
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>: 50 uren per maand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van meer dan 100.000 inwoners </al></entry><entry colname="col2"><al>: 100 uren per maand;</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>en voor de wethouders:</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten tot 15.000 inwoners </al></entry><entry colname="col2"><al>: 1 dag per week;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van 15.000 tot 20.000 inwoners
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>: 2 dagen per week;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van 20.000 tot 25.000 inwoners
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>: 3 dagen per week;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van 25.000 tot 30.000 inwoners
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>: 4 dagen per week;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in gemeenten van 30.000 inwoners </al></entry><entry colname="col2"><al>: 5 dagen per week.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Publiekrechtelijk college raadslid wethouder
                                    verlof</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5:2 Publiekrechtelijk college</titel></kop><al>Met betrekking tot het lidmaatschap van provinciale staten zal voor
                                de berekening van de inhouding van geval tot geval de taakduur
                                worden geschat.</al><al><cursief>Publiekrechtelijk college provinciale staten
                                    verlof</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                    bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                    onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                    functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel
                                    21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet
                                in mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                    ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij
                                    dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                    arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                                    percentage van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                                    het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid
                                    verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een
                                    verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te
                                    nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
                                    verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot
                                    gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:2 Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                    op betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de
                                    meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt
                                    gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te
                                    genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                    geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van
                                    het ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                    ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                    salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt
                                    uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                    betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan
                                    14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag
                                    de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het
                                    volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van
                                    artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                    bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a"><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband
                                            bij een andere gemeente; </al></li><li nr="b"><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                            uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                            werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar
                                            ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                            geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem
                                            liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                            wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie
                                    aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het
                                    ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                                    heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                    verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik
                                    maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met
                                    het in het eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                                    bepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a:1 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                    grond van het eerste lid recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot
                                    uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                    een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld
                                    of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie-
                                    of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond
                                    van het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                    gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                    wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                    te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                    artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de
                                    gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                                    gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te
                                    verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste
                                    18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                    maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                    maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                    arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                    gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                    wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen
                                    twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                    schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                                    hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof
                                    intrekken. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                    tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                    hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                    heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                    tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                    verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                    geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                    onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                    uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                    (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                                    gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel
                                    21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                                    betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14
                                    kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                                    kalenderdag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                                    volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                                    ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                                    wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6a De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling
                                        als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                        1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn
                                    ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964
                                    aan deelname stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:5 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de
                                    inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                    genoemde bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:6 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de
                                volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al>het salaris;</al></li><li nr="b"><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e"><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met
                                    uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en
                                    die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een
                                    levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een
                                    kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt
                                    bij een volledig dienstverband minimaal €400. Bij een deeltijd
                                    betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                                    levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die
                                    zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht
                                    hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5%
                                    indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                    maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                    levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De
                                    levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden,
                                    indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt
                                    de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in
                                    het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in
                                    artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                                    Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                    daarnaast:</al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c"><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</titel></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                                opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                                hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
                                deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de
                                melding moet plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:10 Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in
                                hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie
                                paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7:0:0:0 Verzuimprotocol</titel></kop><al>In aanvulling op dit hoofdstuk is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen het ziekteverzuimprotocol van de gemeente Venray te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Definities</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:1 Definities</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de
                                            krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend,
                                            tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                                            geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
                                            gevergd;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkzaamheden in het kader van de
                                                reïntegratie:</vet> loonvormende arbeid, die
                                            specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel
                                            passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                            het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde
                                            lid;</al></li><li nr="c"><al><vet>scholing in het kader van de
                                            reïntegratie:</vet>scholing die gericht is op terugkeer
                                            in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken
                                            zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                                            artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d"><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                            arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                            overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                  bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                  worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de
                                                  aard van de opgedragen werkzaamheden of de
                                                  bijzondere omstandigheden waarin deze
                                                  werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar
                                            is te wijten; </al></li><li nr="e"><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                            stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden
                                            en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                            verdienen;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbodienst:</vet>een dienst als bedoeld in artikel
                                            17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g"><al><vet>inactieve:</vet>de oud-ambtenaar met een
                                            WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke
                                            uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of
                                            wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                            uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h"><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een
                                            uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering,
                                            ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die
                                            direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                                            dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en
                                        geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                        ambtenaar</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                                deskundige(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                    begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                    door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n),
                                    overeenkomstig door het college te stellen regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                    ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a"><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                            aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                            gezondheidstoestand van de ambtenaar; </al></li><li nr="b"><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig
                                            geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van
                                            zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor
                                            medische oorzaken zijn aan te wijzen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                                    het eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in
                                    artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of
                                    geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van
                                    de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of
                                    van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen
                                    voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de
                                    ambtenaar door het college buiten dienst gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                    plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                    lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                    wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt
                                    belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval
                                    is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor
                                    de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk
                                    gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                    bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking
                                    te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang
                                    van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van
                                    het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                    arbeidsgeschiktheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                    schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij
                                        seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en
                                        door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                        toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                    stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die
                                    ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                    gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                    doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                    maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste
                                    maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                    maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op
                                    doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                    gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop
                                    hij: </al><lijst><li nr="a"><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b"><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c"><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                            verricht;</al></li><li nr="d"><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                                    recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en
                                    door de dienst.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende
                                    ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid,
                                    passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn
                                    reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                                    reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft
                                    recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft
                                    ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en
                                    de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste lid.
                                </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                                    minimumloon, berekend naar rato van zijn formele
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van
                                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7,
                                    ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode,
                                    bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                    worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld
                                    indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
                                    een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                    genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de
                                    ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te
                                    vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en
                                    vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                    herplaatst in een andere functie. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                    terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt
                                    of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het
                                    eerste lid, het volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:3:0:1 Nadere uitvoeringsregels hardheidsclausule
                                    bij ziekte</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In elk individueel geval dient door de bedrijfsarts objectief
                                vastgesteld te worden dat sprake is van een levensbedreigende
                                ziekte.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De bedrijfsarts brengt hieromtrent schriftelijk rapport uit.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Als dat is komen vast te staan wordt gedurende de ziekteperiode de
                                bezoldiging 100% doorbetaald.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De afspraken worden schriftelijk vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel
                                    en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><al> De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat
                                de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij
                                zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door
                                    de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                    IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst, een aanvullende uitkering verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                    ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                    nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of
                                    IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende
                                    bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van
                                    de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald
                                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn
                                    ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                    van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in
                                            het eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te
                                    stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering
                                    of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement
                                    van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                    ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel
                                    van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                    behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                    voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                                overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning,
                                ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader
                                te worden uitgewerkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in
                                een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2:1 Nadere uitwerking periodieke
                                    salarisverhoging</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 7:8:2 is in de bezoldigingsregeling van de
                                gemeente Venray de periodieke salarisverhoging geregeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    toepassing van artikel 2:7a</titel></kop><al> De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                        informatieverstrekking bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                        reïntegratie</al></li><li><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9 Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
                                    maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
                                    redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                    ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is
                                    zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                                    arbeid of passende arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                                    verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen
                                    passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                                    inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de
                                    openbare dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de
                                    ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25,
                                    tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                                    medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                                    bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                    opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
                                    gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen
                                    omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de
                                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
                                    nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                    informatieverstrekking bij ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                    ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften
                                            en mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld
                                            in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c"><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                            bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie
                                    te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel
                                    7:1 te verrichten en hij door het college of een andere
                                    werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij
                                    verplicht die arbeid te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch
                                    onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                    vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                    beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a"><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b"><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                            onder a;</al></li><li nr="c"><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d"><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder
                                            geneeskundige behandeling te stellen of te blijven
                                            stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften
                                            hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien
                                            verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen
                                            van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard
                                            zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="e"><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f"><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in
                                            het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel
                                            in het belang van het behoud, het herstel of de
                                            bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g"><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie
                                            kan worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen
                                    van medisch onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                        artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                        ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van
                                        zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan
                                        op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                                        worden gemaakt;</al></li><li nr="b"><al>ndien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                        halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                        geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar
                                        hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
                                        heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge
                                        waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn
                                        functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                        onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
                                        dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot
                                            het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                            arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                            komen;</al></li><li nr="b"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten
                                            onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige
                                            behandeling te stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                            voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                            uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                            ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d"><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                            schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e"><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                            onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts
                                            niet kan plaatshebben; </al></li><li nr="f"><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                            arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden
                                            verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang
                                            van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college
                                            daartoe toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g"><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die
                                            hij heeft in verband met het verrichten van door de
                                            arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk
                                            geachte arbeid voor zichzelf of derden; </al></li><li nr="h"><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de
                                            arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst
                                            bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij
                                            hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende
                                            reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i"><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                                            verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van
                                            dit hoofdstuk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond
                                    van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                    van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                    bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair
                                    gestraft wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door
                                            hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                            voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn
                                            om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende
                                            arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b"><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                            bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c"><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten,
                                            waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid,
                                            verplicht is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                                    plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                    toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen
                                    7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan
                                    de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                    bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                    artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging
                                    alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond
                                    van de second opinion die hij conform artikel 32, van de wet
                                    SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de
                                    ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                    ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a"><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke
                                            duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling; </al></li><li nr="b"><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van
                                            proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling;</al></li><li nr="c"><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke
                                            detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een
                                            wijziging van de aanstelling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in
                                    artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door
                                    definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt
                                    plaats door wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                    arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                    periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de
                                    ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                                    restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar
                                    minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12
                                    maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid,
                                    dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn
                                    restverdiencapaciteit of meer benut.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                                    onder een andere functie mede verstaan het verrichten van
                                    dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                    informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                    zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                    functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                    daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate
                                    waarin de hervatting kan geschieden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                    gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                    vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig
                                    verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit
                                passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                reïntegratie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen
                                    van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht
                                    advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van
                                    zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van
                                    herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor
                                    derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in
                                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens
                                    artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                    gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                    hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                    toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                        WIA</al></li><li><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                        Pensioenreglement</al></li><li><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op
                                    een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de
                                    ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te
                                    wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen
                                    ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel
                                    rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                    ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                    ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                                    zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing
                                    van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                                    ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het
                                    meerdere aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht
                                heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                7:3, recht heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                    WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering
                                    tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of
                                    een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een
                                    IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met volledige,
                                    maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                                    minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of
                                    WGAuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering
                                    uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die
                                    uitkering naar rato van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering
                                    gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling
                                    wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen
                                    de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                                    geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                    artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                    aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                    dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                    uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten
                                    voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het
                                    bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de WGA- of IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                    Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar
                                in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21,
                                recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                                Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht
                                heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op
                                grond van de WIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Ziektekosten</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24a Zorgverzekering</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25b Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Overige bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                    december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op
                                    grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum
                                    voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze
                                    luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de
                                    ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang
                                    waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                                    hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te
                                    betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering
                                    krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede
                                    lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                    naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht
                                    op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare
                                    arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is
                                    om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder
                                    gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn
                                    krachten en bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van
                                    aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden
                                    100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar
                                    genoot in de oorspronkelijke functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                    ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is
                                    herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op
                                    WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op
                                    of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken
                                    die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien
                                    hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij
                                    opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan,
                                    wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het
                                    bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                            leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en
                                    7:22 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals
                                    die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i267745"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die
                                    op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i267746"></illustratie></plaatje> , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel
                                    7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet
                                    worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met
                                    ingang van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="1 januari 2006" type="tekst" id="i267747"></illustratie></plaatje> . </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid
                                    vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006
                                    wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis
                                    van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel
                                    7:18:1 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1
                                    zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i267748"></illustratie></plaatje> , van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28a Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel
                                    7:16 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i267749"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28b Overgangsartikel</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008" type="tekst" id="i267750"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Ontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                    indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen
                                    wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                                    ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan
                                    drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is
                                    ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                                    eerste lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                                    aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te
                                    brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een
                                    beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat
                                    de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de
                                    disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de
                                    dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar
                                    niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag
                                    verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die
                                    waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                    hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid
                                    afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde
                                    leeftijd </titel></kop><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van
                                de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als
                                bedoeld in artikel 8:2, derde lid, wordt beëindigd wanneer een van
                                de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van
                                één maand in acht genomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing
                                    van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                    dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                    dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                    arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen
                                    uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld
                                    plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg
                                gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna
                                wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                    indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten
                                    van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e
                                    maand na de eerste ziektedag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                    verlengd: </al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit arti</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                                    plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a"><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van
                                            36 maanden;</al></li><li nr="b"><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken
                                            de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende
                                            arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de
                                    resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op
                                    grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de
                                    33e maand na de eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van
                                    zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking
                                    genomen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                                    zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                    ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan
                                    worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid,
                                    onderdeel a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst
                                    passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde
                                    lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag
                                    van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het
                                    bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende
                                    en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn
                                    functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden
                                    indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                            mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in
                                            staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                                            verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te
                                            verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid
                                            stelt;</al></li><li nr="c"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d"><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                                    in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking
                                    hebbend advies van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                                    ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                    grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                        aanvaarding van de functie geldt;</al></li><li nr="b"><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in
                                        de functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c"><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d"><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e"><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="f"><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen
                                        verwijt kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een
                                ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het
                                ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop
                                de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden
                                    ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende
                                    onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk
                                    genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge
                                artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het
                                ontslagbesluit vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie
                                in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                                tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien
                                hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van
                                het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol
                                ontslag verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een
                                    uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag
                                    verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig
                                    vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van
                                    de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende
                                    aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht
                                    bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een
                                    gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur
                                    per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10%
                                    van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag
                                    bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van
                                    de oorspronkelijke formele arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang
                                    van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de
                                    FPU-regeling bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    tijdelijke urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                                    van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het
                                    dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een
                                    aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht
                                    voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                    aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                    rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de
                                    urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke
                                    urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                    aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                                    kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                    aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
                                    is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft,
                                    ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de
                                    urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                    niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel
                                    2:4 zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                                    een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid,
                                    kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden
                                    genoemd in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde
                                    lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft
                                            geduurd;</al></li><li nr="b"><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch
                                            korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c"><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                            geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                    mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van
                                    zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag
                                verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                    vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>wet:</vet>Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b"><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                            bedoeld in de wet; </al></li><li nr="c"><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in
                                            artikel 1, tweede lid, van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a"><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een
                                            kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;
                                        </al></li><li nr="b"><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c"><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in
                                            artikel 15 van de wet; </al></li><li nr="d"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                            de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het
                                    feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als
                                    bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                                    aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                                    vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                                    centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de
                                    organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                    doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                    daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan
                                    ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de
                                    betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                                    heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
                                    toepassing op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar
                                    door het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                            onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van
                                            de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b"><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen
                                            van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c"><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                            misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d"><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door
                                            het belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                            ingaat;</al></li><li nr="b"><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid
                                            bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de
                                            schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c"><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van
                                            de schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor
                                    een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn
                                    van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren
                                    bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het
                                    bepaalde in het derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde
                                    datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of
                                    gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het
                                    derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de
                                    doorbetaling geheel gestaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                    uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar
                                    in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op
                                    hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief
                                    de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien
                                    de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf
                                    wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden
                                    alsnog tot uitbetaling wordt besloten. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op
                                    de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk
                                    ontslag niet volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                    vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                                    gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag
                                    dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                    onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop
                                    het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door
                                    de dienst </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen
                                    arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i267751"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar
                                    die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn
                                    de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i267752"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                    8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i267753"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of
                                artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 november 2008" type="tekst" id="i267754"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het
                                bepaalde in artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met
                                ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een
                                maandelijkse uitkering toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk
                                verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op
                                een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1,
                                    bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de
                                    ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor
                                    de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van
                                    ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit
                                    door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag,
                                    in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar,
                                    blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk
                                    en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te
                                    blijven vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het
                                    bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een
                                    geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor
                                    de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag
                                    worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand
                                    volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek
                                    te zijner kennis is gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:2 Bedrag en duur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                                    ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar
                                    aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met
                                    zoveel doch ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als
                                    het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen
                                    krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer
                                    dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van
                                    bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de
                                    uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop
                                    de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn
                                    gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in
                                    aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4
                                    van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de
                                    leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                    bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan
                                    de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de
                                    vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een
                                    maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met
                                    dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de
                                    prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de
                                    bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de
                                    twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand
                                    aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                                    verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke
                                    verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen
                                    ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt
                                    van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus
                                    gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de
                                    betrekking verbonden bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend
                                    indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de
                                    mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het
                                    ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude
                                    bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en
                                    nabestaandenpensioen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector
                                    Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector
                                            Gemeenten; </al></li><li nr="b"><al>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel
                                            uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de
                                            financiering van het functioneel leeftijdsontslag. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling
                                    bedoelde bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor
                                    alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten
                                    behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft
                                    verhaald op de bij de instellingen in dienst zijnde personen
                                    voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt
                                    afgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4 Samenloop met FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of
                                    ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht
                                    een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De
                                    uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling
                                    indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering
                                    krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te
                                    laten komen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet
                                    tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem
                                    dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode
                                    waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet
                                    volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel
                                    rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum
                                    zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel
                                    tijdig zou hebben aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat,
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de
                                    FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft
                                    dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat
                                    gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2,
                                    16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering
                                    krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt
                                    verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt
                                    deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel
                                    geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                    arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                                    uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                    in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een
                                    uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand
                                    genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is
                                    ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de
                                    laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het
                                    eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid
                                    of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten
                                    aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in
                                    het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                                    vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of
                                    hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                                    of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                    inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                    andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                    arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de
                                    gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij
                                    doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij
                                    uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die
                                    inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet
                                    vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert
                                    het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige
                                    opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden
                                    mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden
                                    berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en
                                    kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast
                                    naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van
                                    nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit
                                    lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid
                                    of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1,
                                    tweede en derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                                    eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college
                                    bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet
                                    of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                                    uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het
                                    oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen
                                    verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling
                                    noodzakelijk zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte
                                    of ongeval</titel></kop><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering
                                ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog
                                aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is
                                ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van
                                de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het
                                bedrag daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd
                                    van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3
                                    van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van
                                    de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig
                                    voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                    pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per
                                    1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de
                                    werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen
                                    ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening
                                    blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige
                                    aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                                    helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen
                                    ambtenaar.</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                    ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a"><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd
                                            van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis
                                            van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b"><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                            weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                            pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra
                                            kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold
                                            voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62
                                            jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                            artikel 9:5 lid 1;</al></li><li nr="c"><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                            gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de
                                            mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                                            bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d"><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek
                                            bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door
                                            de werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de
                                    drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62
                                    jaar bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:6:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:7:1 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                            ambtenaar is overleden;</al></li><li nr="b"><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van
                                            65 jaren bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard
                                    indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het
                                    college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven,
                                    zou zijn ontslagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                                    heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die
                                    krachtens het pensioenreglement recht heeft op een
                                    nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een tijdvak van drie
                                    maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de
                                    uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen
                                    weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de
                                    vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen
                                    van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook
                                    zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner
                                    was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, deze
                                    betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het
                                    eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid
                                    bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte en van de lijkbezorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</titel></kop><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke
                                leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde
                                betrekkingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1
                                genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de
                                leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt
                                hem eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de
                                maand volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij
                                overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                9:1:2, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:11 Tijdelijke regeling</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:12 Tijdelijke regeling</titel></kop><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt
                                verleend en die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                                hoofdstuk, heeft totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht
                                op een maandelijkse uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op
                                basis van de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend
                                en die op grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben
                                ontvangen, worden met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn
                                ontslagen op grond van artikel 8:11 en worden onder de werking van
                                hoofdstuk 9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:14 Slotbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk
                                geen uitkering meer verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:15 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:15:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:16 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 9a</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 9b</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn
                            in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 9c</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar...</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 9d</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 9e</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Wachtgeld</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                            artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit
                                            een betrekking:</al><lijst><li nr="1"><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2"><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                  aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                  niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                  tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                            artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend,
                                            tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel
                                            8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                                    bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat
                                    het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze
                                    regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of
                                    door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor
                                    pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor
                                            de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8,
                                            derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                    wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                    regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de
                                    betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage,
                                    bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                                    eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op
                                    die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van
                                    de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht
                                    op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat,
                                    tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a"><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen
                                            wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
                                            leeftijd;</al></li><li nr="b"><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                            bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
                                    recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen
                                    vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het
                                    wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                    afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                    recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten
                                    van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                    betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                    hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld
                                    ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                                    de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van
                                    artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het
                                    tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag
                                    waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge
                                    artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste
                                    lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                                    wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat
                                    gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                    waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="-"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                                            en</al></li><li nr="-"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                            jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van: </al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met
                                    een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                    aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het
                                    tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid; of</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                    langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing
                                    de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is
                                    begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig
                                    de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                    vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c"><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een
                                            duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                    voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van
                                    wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
                                    en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de
                                    duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze
                                    regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld
                                    op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
                                    toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in
                                    aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur
                                    van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                                    uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het
                                    volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene
                                    die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig
                                    voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt
                                    indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het
                                    ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn
                                    waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                                    verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij
                                    de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats
                                    in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                    vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                    betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                    pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                    blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                    verlenging, buiten aanmerking</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                    artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                            eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                    vervolgwachtgeld een jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
                                    lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet
                                    aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                    onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                                    vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                                    tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn
                                    wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend
                                    ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het
                                    tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                                    datum. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                                    artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                    voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of
                                    b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                    toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                                    beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                    wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                    vervolgwachtgeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie
                                    maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de
                                    daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en
                                    vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet
                                    van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages,
                                    genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het
                                    bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag
                                    van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien
                                    hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is
                                    ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar
                                    de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                                    berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                    pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                    tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid,
                                    gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                                    lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die
                                    verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de
                                    bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:12 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                    recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                    voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem
                                    door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval
                                    worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking
                                    of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                    vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                    ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend,
                                    dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene
                                    geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van
                                    het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:14 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij
                                elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een
                                op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding
                                in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden
                                toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:15 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                    waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                    gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                    vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                    bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                                    wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid,
                                    niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de
                                    betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld
                                    doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de
                                    zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het
                                    eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen
                                    met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit
                                    de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
                                    worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op
                                    zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                                    verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                    niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                    de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                                    inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                                    oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    wachtgeld is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of
                                    indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet
                                    het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                                    oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                                    zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid
                                    of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende
                                    wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                                    het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen
                                    van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:17 Verlenging</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij
                                het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het
                                wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige
                                betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is
                                verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de
                                artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                                toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:18 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                    bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                                    in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van
                                    diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:19 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                    onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt
                                    gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                                    wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde
                                    uitkeringen te boven gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:20 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt
                                    naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van
                                    wachtgeld werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                    wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:21 Afkoop</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene
                                een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of
                                ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                            eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                            onvolledig doet; </al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                            tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet
                                            nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt
                                            kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid
                                            zijn gesteld; </al></li><li nr="e"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven; </al></li><li nr="f"><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                    eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                    waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane
                                    inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid,
                                    aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager
                                    wachtgeld wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                    behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                    noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                    vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                                    behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid
                                    of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de
                                    openbare dienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b"><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c"><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                            derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat
                                            haar op de door het arbeidsbureau dan wel de
                                            buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde
                                            tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d"><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                            arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                            arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                            oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                            instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk,
                                            dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert
                                            dergelijk werk te aanvaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede
                                    lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de
                                    hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
                                    aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel
                                    10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                    echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de
                                    uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                    natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen.
                                    Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten
                                    behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen
                                    van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde
                                    van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast,
                                    bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan
                                    het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is
                                    de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                                    naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de
                                    uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot
                                    laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                    voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus
                                    1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                    vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze
                                    luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld
                                    tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering
                                    tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld
                                    als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de
                                    duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                    verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31
                                    december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                    verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                    overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                    wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                    termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk
                                    aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit
                                    meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit
                                    wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                                    arbeidsvermogen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                                uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                                10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:29 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                    december 2000.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van
                                            artikel 16 van de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos
                                            geworden is;</al></li><li nr="c"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de
                                            Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon,
                                            als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                                            werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van
                                            de Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d"><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die
                                            de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                            aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van
                                            dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als
                                            omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                            uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                            als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop
                                        met suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                        berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                                        mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                        werkloos zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                        mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop
                                    met suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene
                                    die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15
                                            tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8,
                                            8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot
                                    uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                    eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                    hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                    tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op
                                    een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                    80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het
                                    moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                                    op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                    berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon
                                op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover
                                dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het
                                recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                    januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                    LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                    uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43
                                    van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80%
                                    van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                                    mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos
                                    zijn geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan
                                    57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder
                                    is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een
                                    periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                    werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    verlengde uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                    mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                    van toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van
                                het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van
                                    het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de
                                    zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in
                                    het bedrag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk
                                    weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende
                                    uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                                    vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht
                                    zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven
                                    voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het
                                    college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de
                                    hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                    indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                                    aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van
                                    artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende
                                    uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                                    bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens
                                    de Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:10 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:11 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                                op de aanvullende uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                    verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou
                                    hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2
                                    van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                                    aanvulling van dat ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te
                                    verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                    toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht
                                heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een
                                aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                                    dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe
                                    werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op
                                    (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                                    op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit
                                    hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld
                                    zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op
                                    aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet
                                    een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                                    bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                    voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                    13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                    betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                    eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op
                                    een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                    voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering
                                    heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                                    Nederland woont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a"><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene
                                            wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar
                                            is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft
                                            op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                                            onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat
                                            zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is
                                            geëindigd;</al></li><li nr="b"><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt
                                            op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                            bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene
                                            verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                    recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en
                                    de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben
                                    gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een
                                    uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of
                                    pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering
                                    voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de
                                    overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en
                                    zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                                    maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de
                                    ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is
                                    de uitkering gelijk aan de uitkering op grond van de ZW of de
                                    Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop de
                                    betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had
                                    gewoond. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                    zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of
                                    arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt,
                                    wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond
                                    van dit artikel over dezelfde periode. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                    uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                    ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg,
                                    een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar
                                    aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering
                                    naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond
                                    van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte
                                    die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop
                                    zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht
                                    onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige
                                    wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
                                    niet of niet geheel is betaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering /
                                        samenloop met suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                        voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                        werkloos zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                        voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                        berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:14 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                    ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd
                                    waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement
                                    is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig
                                    zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                    ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking
                                    van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet
                                    Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin
                                    van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke
                                            uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste
                                            van de overheid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering /
                                    samenloop met suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                    die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15
                                            tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het
                                            derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de
                                    betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9 derde
                                    lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van
                                    artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering
                                    indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6,
                                    derde lid, laatste volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste
                                    dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering
                                    ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat
                                    het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                                    werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                    de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                    Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                    aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                                    aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur
                                    van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                                    uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                    eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                    hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
                                    als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering,
                                    berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft
                                    recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als
                                    bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate
                                    van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                    vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking
                                    ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                    maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a"><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                            zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                            werkloosheid en </al></li><li nr="b"><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                    betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt
                                    uitgegaan van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van
                                    55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                    uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                    voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                    werkloos zijn geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die
                                    recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                                    augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden,
                                    wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd
                                            met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                                            de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de
                                            eerste dag van de werkloosheid en de duur van de
                                            verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering,
                                    die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos
                                    is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd
                                    van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een
                                    aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand,
                                    volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
                                    Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                                    mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                    voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                    Werkloosheidswet van toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                    berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                                    berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                                    rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is
                                    verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                    gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                    aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                    verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat
                                    op een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het
                                    recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van
                                    de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken
                                    van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op
                                    uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de
                                    aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel
                                    10a:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na
                                aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een
                                uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze
                                uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving
                                    van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                    Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de
                                    wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                    verlenging van het recht op uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                                    aansluitende uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                    Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:23 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing
                                op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:24 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36,
                                    eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met
                                    dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                                    gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon,
                                    berekend over een periode van 13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                    artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                    uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland
                                    zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                    tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand
                                    gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                    werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                    aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                    aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                    tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                    verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                                    tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding
                                    op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26
                                    in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                            bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur
                                            te verminderen;</al></li><li nr="b"><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van
                                            de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                            oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                            uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c"><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor
                                            bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar,
                                            blijkend uit de overlegging van het
                                            arbeidscontract;</al></li><li nr="d"><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de
                                            standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de
                                            afstand tussen deze standplaats en de oude woning
                                            tenminste 50 kilometer moet bedragen;</al></li><li nr="e"><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                            hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar
                                            heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe
                                            werkgever deze melding verifieert en de
                                            uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                            uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat
                                    eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk
                                    is verhuisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                    indien:</al><lijst><li nr="a"><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de
                                            Werkloosheidswet aanvaardt en</al></li><li nr="b"><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking
                                            lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                            berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                    dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner
                                    is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht
                                    op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de
                                    omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel
                                    10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                    tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar
                                    te zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of
                                    artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op
                                    de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk
                                    vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een
                                    aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de
                                    nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op
                                    basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de
                                    betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering
                                    op hele jaren naar beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de voor betrokkene berekende duur is
                                            verstreken;</al></li><li nr="b"><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                            betrekking;</al></li><li nr="c"><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende
                                            drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van
                                            de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid,
                                    onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die
                                    in de nieuwe betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a"><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                            arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b"><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft
                                            van de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                    betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                    waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt
                                    dan naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                    overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                    dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis
                                    van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                    reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                    lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                    herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe
                                    betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                                    10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit
                                    de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude
                                    betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3
                                    genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                    toegekend indien:</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                            wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b"><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                            bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid
                                            volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                    uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van
                                    de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien
                                    het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                    toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                    bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                    vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van
                                    betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                                    10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                    wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                    herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene
                                    omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is,
                                    wordt negatief besloten op dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van
                                    de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                    betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                    dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                    periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op
                                    bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                                    gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de
                                    indiensttreding bij de nieuwe werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan
                                    van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op
                                    de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                    invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                                berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                                dagloon van de betrokkene.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:35 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                                algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
                                wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes
                                maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                                gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de
                                aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het
                                Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                                maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                                Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:38 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                    na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en
                                    UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan
                                    van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni
                                    2008.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                            werkloosheid</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van
                                een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van,
                                8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van
                                artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering:</vet>uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>grondslag:</vet>het gemiddelde van het salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) , berekend over een periode van
                                        12 maanden direct voorafgaand aan de start van de
                                        reintegratiefase of de start van het Van werk naar
                                        werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
                                        eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke
                                        salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c"><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en
                                        gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing
                                        hebben verklaard;</al></li><li nr="d"><al><vet>boventalligheid:</vet>de situatie dat een ambtenaar
                                        wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na
                                        de reorganisatie;</al></li><li nr="e"><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop
                                        van de werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f"><al><vet>werkloosheid:</vet>werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        bij de gemeente;</al></li><li nr="g"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet>uitkering op grond van de
                                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                        aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                    overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                    college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                    Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze
                                    lokale afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                        8:8</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                    treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                                    door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                    inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag
                                    uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond
                                    van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                        gemeente</al></li><li><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                        levensloop</al></li><li><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</titel></kop><al> Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>re-integratiefase: </vet>de fase voorafgaand aan
                                        ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
                                        afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de
                                        re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen
                                        en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                        werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de ambtenaar te bevorderen; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                    recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond
                                    van artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending
                                    of overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                    dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt.
                                    Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de
                                    datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag
                                    plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                                    re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
                                    van: </al><lijst><li nr="a"><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c"><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5:0:1 Nadere regels duur
                                    re-integratiefase</titel></kop><al> In aanvulling op artikel 10d:5 lid 5 geldt de onderstaande duur van
                                de re-integratiefase: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Duur re-integratiefase</al></entry><entry colname="col2"><al>Dienstverband</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>0 tot 2 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>2 tot 10 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>10 tot 15 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>15 jaar of meer</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor
                                    de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het
                                    aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie
                                    binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                    artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                    re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                                    lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende
                                    uitkering en een na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                    gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                    tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van
                                    de oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                    nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                    afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                    maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                    mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    6:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                    tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a"><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                            arbeidsduur; en</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof
                                            levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke
                                            levensloopregeling; en</al></li><li nr="c"><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten
                                            worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                            bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                    voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                    ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                    tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                    maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan
                                    op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door
                                    het college gehoord. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                    re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                    verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                    afspraken over: </al><lijst><li nr="-"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                            neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="-"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke
                                            scholing, het begin van die scholing, het einde van die
                                            scholing, de betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="-"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de
                                    kosten voor de verschillende activiteiten uit het
                                    re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                                    re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor
                                    rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij
                                    boventalligheid</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet>In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen
                                opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li></lijst></li><li><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                                werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar
                                        werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van
                                                werk naar werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                            werk-trajecten</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                                boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar
                                heeft bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                                werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college
                                besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel
                                10d:22.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                                passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar
                                van een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit
                                tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                    onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                    gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                    regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de
                                    datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is
                                    uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                    werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                    werk-contract op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                    voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                    afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="-"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding
                                            en de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="-"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van
                                            werk naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="-"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                            beschikbare budget;</al></li><li nr="-"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn
                                            gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="-"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                            sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht
                                            op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd
                                            bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
                                        </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke
                                            flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel
                                            17:7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen
                                    tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten
                                    aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college
                                    een afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                    werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                                wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd.
                                Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd.
                                Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek
                                of ontslag om een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                    plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                    gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de
                                    gemeente weigert. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging
                                    van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de
                                    ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                    werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in
                                    het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag
                                    volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is
                                    beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is
                                    van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een
                                    aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                    sinds de start ervan niet met een positief resultaat is
                                    afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit
                                    aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder
                                    geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in
                                    acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het
                                    advies. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet
                                    op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
                                    voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen
                                    afzienbare termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                    niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                    college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                    stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden
                                    niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op
                                    grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                    toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                    functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het
                                    vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                    vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                    werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke
                                    en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer
                                    worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk
                                    naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het
                                    college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar
                                    werk-traject is verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                    werk-contract </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien één van beide partijen van mening is dat de andere
                                    partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het
                                    Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere
                                    partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht
                                    gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in
                                    het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het
                                    Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere
                                    partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het
                                    contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere
                                    partij kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                    wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                    waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan
                                    als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging
                                    herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                    tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
                                    ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                    werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit
                                    artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil
                                    voorleggen aan de paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1 </lidnr><al> Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                    desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                    bepalingen in deze paragraaf. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                    artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil
                                    een bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                    bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                                    vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                            re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid
                                            niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b"><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk
                                            naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
                                            en</al></li><li nr="c"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk
                                            ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is
                                    dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                    aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                                    van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij
                                    ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                    uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van het salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) over het aantal uren dat de
                                    ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 20%; </al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 10%; </al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van €
                                            6.560,= 20%;</al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                    rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                    afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:28 Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                    evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                    sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                    na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere
                                    regels op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                                    recht op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                            werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b"><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan
                                            de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
                                            hoogte van zijn na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                                    het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                    werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                    heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                    voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                    bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren
                                    dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>. De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                                    of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van
                                    het oude salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet
                                    overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                                    uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a"><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b"><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                                        van 50 jaar </al></li><li nr="c"><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                    eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
                                    waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties
                                worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering.
                                Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft
                                om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op
                                de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:35 Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                    uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                    geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                    voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van
                                    minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                        definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                        arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                    definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en
                                    die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16,
                                    derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
                                    definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht
                                    op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid
                                    heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door
                                    UWV definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                    ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                    grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van
                                    artikel 7:16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                    totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
                                    nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                    mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                    van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke
                                uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                        gemeentelijke sector en</al></li><li nr="b"><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan
                                        (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12
                                        -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
                                        gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de
                                        leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor
                                        de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de
                            ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Uitkeringsregeling ontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                    ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een
                                            betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl
                                            die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan
                                            wel is geschied in een betrekking van kennelijk
                                            tijdelijke aard;</al></li><li nr="b"><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                            regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat
                                            ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan
                                            eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat
                                            ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                            8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                    verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat
                                    hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die
                                    door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk
                                    van standplaats moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd
                                    die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van
                                    de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8,
                                            vierde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                    uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling
                                    zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was
                                    verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel
                                    6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in
                                    artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                    bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de
                                    dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:6 Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden,
                                    bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van
                                    de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan
                                    de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste
                                            26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                            11:7;</al></li><li nr="b"><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten
                                            minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                            ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het
                                            bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding
                                            geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                            toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
                                    perioden waarin de betrokkene ten gevolge van
                                    arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te
                                    verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
                                    werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
                                    bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de
                                    perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                                    aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
                                    dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
                                    meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
                                    in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
                                    aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                    weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                    ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
                                    vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer
                                    niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of
                                    derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag
                                    waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats
                                    heeft plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                            WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                            van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht
                                            heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                            regeling;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de
                                            leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d"><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                            wijten;</al></li><li nr="e"><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college
                                            geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                            werkloosheid;</al></li><li nr="f"><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                            heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat
                                            hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die
                                            mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
                                            verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
                                            voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                            aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht
                                    op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college beslist over de toekenning van uitkering op
                                    aanvraag door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                                    het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of;</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de
                                            duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij
                                            een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van:</al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en; </al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
                                            worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in
                                            verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                            drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                            perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                            voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen,
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt,
                                    indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens
                                    voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld
                                    in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de
                                    uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal
                                    maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de
                                    uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                    hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd
                                    van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn
                                    leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft
                                    bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de
                                    termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende
                                    een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:9 Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                    artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    die uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
                                            11:7, eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                            vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                    vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                    toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
                                    indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen
                                    binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een
                                    jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                                    heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                    toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                    uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                    vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                    maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                    bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67%
                                    van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                    worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met
                                    3 procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:12 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien
                                hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college
                                een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen
                                vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing
                                worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:13 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                                    toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                                    samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het
                                    bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals
                                    bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt
                                    een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23,
                                    eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                    gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde
                                    en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement,
                                    worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend.
                                    De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag
                                    waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door
                                    betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte
                                    tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij
                                    betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
                                    In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                    verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                    uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen
                                    al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                                    vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering
                                    de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of
                                    indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het
                                    gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken,
                                    verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor
                                    zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                                    verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke
                                    of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene,
                                    bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of
                                    geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van
                                    drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                                    geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel
                                    minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan
                                    geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                    of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner
                                    was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van
                                    een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond
                                    van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor
                                    zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                                    gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                                    heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                                    en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die
                                    termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt
                                    hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering
                                    een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                                    betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse
                                    werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                                    regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:18 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                                eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering
                                wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in
                                de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:19 Afkoop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op
                                uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                    uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
                                    de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a
                                    of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7,
                                    eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid
                                    eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid
                                    opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
                                    waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
                                    betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                                    aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld
                                    of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                    werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="b"><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben
                                            van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
                                            dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                            dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                            dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                            bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
                                    uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig
                                    werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                            ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder
                                            a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b"><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                    betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld
                                    met gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
                                    zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
                                    toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
                                    als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering
                                    als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de
                                    betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                    aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende
                                    lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
                                    het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is
                                    ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:21 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient
                                    binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als
                                    werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te
                                    leggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht
                                    zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college
                                    in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                    strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron
                                    van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:22 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                    uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak
                                    van diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:23 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de
                                    onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:24 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn,
                                waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling
                                toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:25 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                    boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                    uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                    uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:26 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                            bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat
                                            dan wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                            artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                            zonder toestemming van het college gedurende de tijd,
                                            waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde
                                            leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                            op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                            instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                            doen verlengen;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21,
                                            vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem
                                            hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt,
                                            dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te
                                            nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid,
                                            zijn gesteld;</al></li><li nr="f"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven;</al></li><li nr="g"><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren,
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te
                                            verlenen;</al></li><li nr="h"><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                            vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                    eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij
                                    het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                    arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt
                                    gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                                    arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat
                                    hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert
                                    dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het
                                    gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren
                                    gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het
                                    verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of
                                    uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van
                                    het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                                    verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om
                                    werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                            volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65
                                            jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de
                                            betrokkene is overleden;</al></li><li nr="c"><al>indien het recht op uitkering geheel wordt
                                            afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste
                                    lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de
                                    hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere
                                voorschriften geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991,
                                    worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1
                                    augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                                    de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus
                                    1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze
                                    luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                    artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze
                                    luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging
                                    van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel
                                    13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige
                                    daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van
                                    de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                                    zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op
                                    een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin,
                                    met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt
                                    herberekend op grond van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze
                                    uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:32 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op
                                    31 december 2000. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11a Suppletie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid
                                            in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b"><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een
                                            periodieke uitkering, toegekend op grond van
                                            arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig
                                            dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                            WAO;</al></li><li nr="d"><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                            artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                            ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                            vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                            tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                                            is, met uitzondering van degene die zijn resterende
                                            verdienvermogen volledig benut in een of meer
                                            aangehouden betrekkingen;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in
                                            artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene
                                            ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                            11a:6;</al></li><li nr="g"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op
                                            de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing
                                            van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid,
                                            van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd
                                            met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10
                                            van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP,
                                            en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                            strekkende tot betaling van de premie van een door of
                                            voor de betrokkene afgesloten particuliere
                                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede
                                            lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                            Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h"><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                            dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                            ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                            toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het
                                            inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie
                                            wordt ontleend;</al></li><li nr="i"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                            uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die
                                            voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan
                                    hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                    bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                    ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen
                                    van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                                    samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin
                                    van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede
                                    gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan:
                                    alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een
                                        mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht
                                        kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
                                        betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:6 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De suppletie bedraagt een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens
                                    aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                    bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b"><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden
                                            70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:7 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                    artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum
                                    dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft
                                    geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode
                                    verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum
                                    en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden
                                    onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te
                                    beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht
                                    heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van
                                    24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                    elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:8 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                    suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een
                                    Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                    ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen
                                    in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                    bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                                    dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                                    WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de
                                    eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                    waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de
                                    feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene recht heeft op een
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan
                                    een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum,
                                    gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht
                                    voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een
                                    verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het
                                    bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt,
                                    uitsluitend het bedrag van die verhoging van die
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het
                                    bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                    hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als
                                    overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                    uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend
                                    aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                                    van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                    desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                    individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt
                                    tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan
                                    het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze
                                    van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                    overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:9 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
                                    bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in
                                    verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                            aangezegd;</al></li><li nr="b"><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de
                                            betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in
                                            onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor
                                            zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag
                                            inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de
                                            betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere
                                            inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van
                                            een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                            het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                    betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:10 Suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien,
                                als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                                betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                                heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b"><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c"><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                        wel;</al></li><li nr="d"><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:11 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan
                                    wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een
                                    bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie
                                    van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a"><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                            partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de
                                            andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden
                                            leefde;</al></li><li nr="b"><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                            minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c"><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen
                                            aan degenen ten aanzien van wie de overledene
                                            grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
                                            wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                    echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde
                                    personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een
                                    gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
                                    tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                    bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid,
                                    kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen
                                    gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
                                    bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
                                    andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                    mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                    nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                    werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                    uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die
                                    naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                                    uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op
                                    suppletie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                    bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk
                                    uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die
                                    suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de
                                    suppletie in de regel per maand achteraf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                    binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet
                                    meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid
                                    vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend
                                    onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent
                                    het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of
                                    omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
                                    11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                    redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                    indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                                    beschouwd als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij
                                    die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die
                                    regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te
                                    nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat
                                    deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het
                                    bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft
                                    volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op
                                    suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                    tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                    gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de
                                    in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is
                                    verplicht daarvan mededeling te doen aan het
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen
                                    van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                    bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al>de wijze waarop de controle van betrokkene
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="b"><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                            suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit
                                    de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld
                                    als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van
                                    de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die
                                    datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is
                                    verstreken, heeft recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                                    een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                    van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="18" colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="18" colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="18" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="19" colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="19" colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="19" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="20" colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="20" colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="20" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="21" colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="21" colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="21" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="22" colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="22" colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="22" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="23" colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="23" colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="23" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="24" colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="24" colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="24" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="25" colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="25" colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="25" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="26" colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="26" colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="26" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="27" colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="27" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="27" colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="28" colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="28" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="28" colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="29" colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="29" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="29" colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="30" colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="30" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="30" colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="31" colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="31" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="31" colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="32" colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="32" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="32" colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="33" colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="33" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="33" colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="34" colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="34" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="34" colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="35" colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="35" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="35" colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="36" colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="36" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="36" colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="37" colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="37" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="37" colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="38" colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="38" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="38" colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="39" colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="39" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="39" colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="40" colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="40" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="40" colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="41" colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="41" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="41" colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="42" colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="42" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="42" colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="43" colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="43" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="43" colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="44" colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="44" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="44" colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="45" colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="45" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="45" colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="46" colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="46" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="46" colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="47" colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="47" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="47" colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="48" colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="48" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="48" colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="49" colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="49" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="49" colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="50" colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="50" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="50" colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="51" colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="51" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="51" colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="52" colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="52" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="52" colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="53" colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="53" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="53" colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="54" colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="54" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="54" colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="55" colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="55" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="55" colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="56" colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="56" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="56" colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="57" colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="57" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="57" colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="58" colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="58" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="58" colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7,
                                    11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid
                                    tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                                    overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op
                                    suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                                    met dien verstande dat voor de vaststelling van de
                                    berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het
                                    dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de
                                    WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                                    eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                    herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar
                                    beneden afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                                januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer
                                onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19,
                                eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
                                mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het
                                pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de
                                mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op
                                grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent,
                                binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene,
                                geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39,
                                vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in
                                paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat,
                                wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                                vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch
                                niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007
                                    op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de
                                    ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                                    WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1
                                    januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig
                                    arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                    grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12:0:0:0 Bevoegdheden OR en GO</titel></kop><al>Nadere bepalingen ten aanzien van de verdeling van de bevoegdheden
                                tussen OR en GO is bij het onderdeel aanvullende regelingen terug te
                                vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                            commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b"><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                            collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers
                                            die werkzaam zijn op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c"><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                            groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                            overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke
                                            zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College
                                            voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is
                                    samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                                    en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene
                                    Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke
                                    Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de
                                    Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid,
                                    onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de
                                    bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                    respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting
                                    hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel
                                    namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als
                                    vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien
                                    deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet
                                    vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                                    FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de
                                    bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1
                                    juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met
                                    de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                    toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen
                                    worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd
                                    overleg besproken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                    verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer
                                    voldoende representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn
                                    midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers
                                    aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van
                                    de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden
                                    lid van het college te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld
                                    in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                    aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de
                                    organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden
                                    tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een
                                    zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                                    organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling
                                    wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:2 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie,
                                    bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf
                                    van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar
                                    aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie
                                    is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                    organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de
                                    organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn
                                    aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is
                                    ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een
                                    opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:3 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                    vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                    commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                    college verder personeel voor het secretariaat ter
                                    beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                    Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan
                                    de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling
                                    aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                    dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                    overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt,
                                    het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor
                                    georganiseerd overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                    verandering te brengen in de inrichting van enig
                                    dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten
                                    daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in
                                    artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in
                                    de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast
                                    betreffende:</al><lijst><li nr="a"><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg
                                            als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b"><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                            betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c"><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig
                                    lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in
                                    artikel 12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van
                                    algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met
                                    inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                                    personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                                    overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA
                                    tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                    Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een
                                    bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                    overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste
                                lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch
                                voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen
                                over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                                gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de
                                    organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste
                                    lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                    bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent
                                    een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de
                                    raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies
                                    ter besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van
                                    voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen
                                    van de vertegenwoordigde organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                    haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                    behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                    subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door
                                    degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter
                                    beschikking staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt
                                    op door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                                    drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van
                                    redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst
                                    van het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren,
                                    ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel
                                    mogelijk de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer
                                    de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee
                                    of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                                    plaatshebben indien ten minste de helft van de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                    vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                    onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een
                                    binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke
                                    vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                                    behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</titel></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te
                                maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze
                                stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende
                                vergadering aan de orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                    vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                    deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                    bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                    organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de
                                    agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke
                                    behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te
                                    onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                    omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                    geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten
                                    opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover
                                    de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</titel></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo
                                dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door
                                hem te bepalen tijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                    vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één
                                    stem uit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                    bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                    buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem
                                    van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt
                                    bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie,
                                    waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht
                                    als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van
                                    het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie
                                    niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                                    stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt
                                    uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging
                                    geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                    vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                    aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</titel></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                                notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                                gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11,
                                anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</titel></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de
                                vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en
                                12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn
                                aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7
                                en 12:3:8 wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                        genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b"><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts
                                van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in
                                artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend
                                de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel
                                    12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden
                                    gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen,
                                    wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over
                                    de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of
                                    een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van
                                    voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van
                                    de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van
                                    het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid
                                    van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1,
                                    derde en vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                                    overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in
                                    artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel
                                    12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                                    wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                                    voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten
                                    minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                                    vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                                    bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat
                                    het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
                                    overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en
                                    de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                    eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                    advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                                    wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg
                                    en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b"><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg
                                            omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                                college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen
                                    zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1
                                    januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                    ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel
                                    dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                    regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement
                                    vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in
                                    neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg
                                    plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid
                                    hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid,
                                    10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid,
                                    11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede
                                    lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                                dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                                januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                                verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per
                                31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                                uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari
                                1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en
                                11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari
                                1997.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Medezeggenschap</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de
                                ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de
                                benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het
                                (maximum) aantal zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                                onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht
                                een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun
                                onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in
                                artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15:1 Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te
                                vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar
                                betaamt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                                    diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                                namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a"><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                        gemeentedienst;</al></li><li nr="b"><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                        vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a"><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                        beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                        verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van
                                        het college;</al></li><li nr="b"><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen
                                    van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren,
                                    werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is
                                    hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                    mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:4:1 Nadere regels relatiegeschenken</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Er vindt jaarlijks een registratie plaats van zgn.
                                relatiegeschenken (overeenkomstig de nota “acceptatie van
                                relatiegeschenken” welke op 27 oktober 1992 door het college is
                                vastgesteld).</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien een ontvanger een relatiegeschenk (of een aantal
                                relatiegeschenken) van één gever ontvangt, waarvan de (winkel)waarde
                                in redelijkheid niet in verhouding staat tot hetgeen naar algemeen
                                aanvaarde maatschappelijke normen als betamelijk kan worden
                                beschouwd, waarbij als indicatie een waarde van ca. € 75 wordt
                                gehanteerd, oordeelt het college – op voorstel van de
                                gemeentesecretaris – over de acceptatie van een zodanig geschenk en,
                                indien dit oordeel negatief is, op welke wijze daarvan de aanbieder
                                en/of de ontvanger in kennis te stellen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Een en ander volgens de uitvoeringsvoorschriften, behorende bij de
                                nota d.d. 27 oktober 1992.</al><al><cursief>Relatiegeschenken integriteit giften aannemen geschenken
                                    integer</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit
                                    orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de
                                    nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                    verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                                    verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                    eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                    bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en
                                    directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van
                                    andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter
                                    bescherming van de integriteit van de openbare dienst
                                    openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een
                                    functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                    belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                    koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college,
                                    op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële
                                    belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten,
                                    die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan
                                    met de functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in
                                    het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                    effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de
                                    openbare dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                    nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                    dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van
                                    de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en
                                    leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:6:1 Nadere regels nevenwerkzaamheden</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een ambtenaar meldt elke nevenwerkzaamheid die hij verricht, of
                                voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst,
                                voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen
                                raken. Melding geschiedt schriftelijk, volgens een daartoe
                                vastgesteld formulier, bij de direct leidinggevende die deze
                                mededeling, voorzien van zijn/haar advies, aan de afdeling P&amp;O
                                doet toekomen. Aldaar wordt getoetst of het onderhavige geval voor
                                kennisgeving aangenomen danwel geregistreerd wordt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Onder nevenfuncties wordt verstaan: functies die als
                                “bestuursfuncties” kunnen worden omschreven danwel functies die
                                conflicterend met de hoofdfunctie danwel de status van ambtenaar
                                kunnen zijn. Lidmaatschappen in de hobby/vrijetijdssfeer worden niet
                                als nevenwerkzaamheden aangemerkt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De directeuren (op advies P&amp;O) zijn gemandateerd als
                                volgt.</al><lijst><li nr="-"><al>de gevallen die voor kennisgeving kunnen worden aangenomen
                                        worden door middel van een standaardbrief afgedaan. Hierbij
                                        zal worden aangegeven dat indien de aard van de
                                        nevenwerkzaamheid zich zodanig wijzigt dat de belangen van
                                        de dienst c.q. de functie in het geding kunnen zijn,
                                        hernieuwde melding moet worden gedaan op basis waarvan
                                        eerdere besluitvorming kan worden aangepast.</al></li><li nr="-"><al>de gevallen die officiële registratie behoeven dienen de
                                        directeur en P&amp;O overeenstemming te bereiken. In die
                                        gevallen waarin geen overeenstemming bereikt wordt dient
                                        rapportage aan het college plaats te vinden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De afdeling P&amp;O zal jaarlijks twee lijsten van
                                nevenwerkzaamheden aan het college voorleggen:</al><lijst><li nr="-"><al>een lijst van de geregistreerde nevenwerkzaamheden die voor
                                        kennisgeving zijn aangenomen;</al></li><li nr="-"><al>een lijst van de officieel geregistreerde nevenwerkzaamheden
                                        waarvoor toestemming is gegeven danwel is geweigerd en al
                                        dan niet onder voorwaarden.</al></li></lijst><al><cursief>Nevenwerkzaamheden bestuursfunctie voorzitter bestuur
                                    commissie integriteit integer lidmaatschap tegenstrijdige
                                    belangen</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:9 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot
                                en met 15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere
                                    werkgever</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    particulier werkgever een staking is uitgebroken of een
                                    uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of
                                    uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het
                                    verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het
                                    oordeel van het college zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
                                    wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens
                                    het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                    wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                    veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                    veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond
                                    van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het
                                    kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding
                                    en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar
                                    de ramp of crisis plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen,
                                    is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen
                                    aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid
                                    aangeduide taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                    slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                    zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                    vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze
                                    aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                    daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                                    is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en
                                    ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                    aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven
                                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige
                                    voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en
                                    geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort
                                    uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                    bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de
                                    handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                    ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                    afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                    gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                    aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:14 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het
                                    college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een
                                    beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn
                                    functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de
                                    uitoefening daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de
                                    ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn
                                    functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover
                                    deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht
                                    wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze
                                    waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                                    verbeterd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie
                                    de door het college voor die functie of voor bepaalde
                                    werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                    onderscheidingstekenen te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                    uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door
                                    of namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                                    insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst
                                    uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die
                                    niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot
                                    het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend.
                                    Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen
                                    tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan
                                    verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                    betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in
                                    het eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17 Standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de
                                    verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats
                                    te gaan wonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het
                                    met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar
                                    gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid
                                    bepaalde nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17:1 Woonplicht</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In aanvulling op artikel 15:1:17 wordt aan de ambtenaar, zoals
                                opgenomen in lid 2 van dit artikel, vanwege het dienstbelang de
                                verplichting opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan de volgende functies is een woonplicht verbonden:</al><lijst><li nr="1"><al> de gemeentesecretaris </al></li><li nr="2"><al> de senior medewerker openbare orde, brandweer en
                                        rampenbestrijding </al></li><li nr="3"><al>de plaatsvervanger van de onder 2. genoemde functionaris.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In beginsel geldt als gebied waar de betreffende ambtenaar zich
                                dient te vestigen de gemeentegrens. In ieder geval dient de
                                ambtenaar die een functie vervult waaraan de woonplicht is gekoppeld
                                binnen een straal van 15 kilometer van de standplaats te gaan
                                wonen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                    dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake
                                    van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften
                                    die daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                    plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder
                                    zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                                kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het
                                verblijf aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft
                                    met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                    krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft
                                    geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor
                                    zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                                    staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat
                                    hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het
                                    gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige
                                    ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                    situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven
                                    aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door
                                    of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                    betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
                                    onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                    overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                    functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:21 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding
                                    en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed
                                    welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge
                                    van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet
                                    bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem
                                    toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten
                                    gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                            grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per
                                            jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer
                                            een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                            belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken,
                                indien en voor zover hem daartoe door of namens het college
                                toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde
                                voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</titel></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                                schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor
                                het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of
                                enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen.
                                De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs
                                verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij
                                dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen
                                niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met
                                behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan
                                inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en
                                vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28:1 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling
                                van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een
                                tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in
                                de vorm van:</al><lijst><li nr="a"><al> extra verlof; </al></li><li nr="b"><al>attentie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke
                                    bepalingen</titel></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                                kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                                voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt
                                gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de
                                gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                                kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke
                                    organisatie</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                                plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                                commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                                vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                                genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten
                                wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke
                                organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2 Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met
                                    vermoedens van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                    vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                    regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                    ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente
                                    benadeeld worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:0:1 Regeling klokkenluiders gemeente
                                    Venray</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 15:2, is bij het onderdeel aanvullende
                                regelingen de regeling klokkenluiders van de gemeente Venray terug
                                te vinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Disciplinaire straffen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                                    zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                    herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                    maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                    tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair
                                    worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                                    als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in
                                    gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1:1 Plichtsverzuim gemeentesecretaris</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 101 van de Gemeentewet is dit
                                hoofdstuk van overeenkomstige toepassing voor de gemeentesecretaris,
                                met dien verstande, dat het college verplicht is de
                                fractievoorzitters te horen, alvorens enige disciplinaire maatregel
                                te kunnen opleggen. </al><al><cursief>Plichtsverzuim gemeentesecretaris directeur functioneren
                                    disciplinaire maatregelen</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de
                                    volgende disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                            vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                            lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes
                                            uren met een maximum van drie uren per dag en met dien
                                            verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op
                                            zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                            feestdagen; </al></li><li nr="c"><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het
                                            aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                            kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d"><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het
                                            salaris per jaar;</al></li><li nr="e"><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                            bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                            maand;</al></li><li nr="f"><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering
                                            van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen,
                                            een herwaardering van de functie daaronder begrepen,
                                            voor ten hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g"><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van
                                            de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan
                                            de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is
                                            verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste
                                            5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee
                                            jaren; </al></li><li nr="h"><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een
                                            ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of
                                            onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van
                                            salaris en de toegekende salaristoelage(n); </al></li><li nr="i"><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met
                                            gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden
                                    opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i,
                                    alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door
                                    het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de
                                    laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet
                                    ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                    gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn
                                    niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor
                                    de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
                                    plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                                    eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:3 Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                    schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                    overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger.
                                    De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet
                                    later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan
                                    van deze termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen
                                    36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt
                                    getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats
                                    heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de
                                    ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                                    mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een
                                    afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar
                                    uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman
                                    in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke
                                    rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde
                                    feiten betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:4 Verantwoording</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                                schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:5 Verantwoording</titel></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                                uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij
                                bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
                                bevolen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor
                                    zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor
                                    diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de
                                    ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van
                                    werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                    loopbaanbeleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het
                                    verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid
                                    en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                    organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen
                                    het gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                    500.-. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                    opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt
                                    aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                    loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan
                                    dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het
                                    bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                                    ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                    loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                    scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op
                                    de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                                    arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen
                                    of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn
                                    gericht op een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget
                                    worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar
                                    waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar
                                    het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om
                                    daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit
                                    wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na
                                    verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet
                                    volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen
                                    het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan
                                    de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste
                                    kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat
                                    kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per
                                    drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen
                                    in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van
                                    het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door
                                    het college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het
                                    persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en
                                    activiteiten worden door het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele
                                    verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
                                    ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                    voeren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende
                                    onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                            redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                            worden;</al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
                                        </al></li><li nr="-"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                            worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie
                                            door de ambtenaar; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                            binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                            studie; </al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op
                                loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of
                                externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</titel></kop><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:7 Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                                beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                                Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>18 Verplaatsingskosten</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar
                                            in de zin van de CAR;</al></li><li nr="b"><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te
                                            wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de
                                            gemeente;</al></li><li nr="c"><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name
                                            genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                                            werkzaamheden verricht; </al></li><li nr="d"><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde
                                            partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                            pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de
                                            echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij
                                            samenwonen;</al></li><li nr="e"><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en
                                            voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van
                                            eigen meubilair en stoffering, een en ander ter
                                            beoordeling van het bevoegde gezag;</al></li><li nr="f"><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van het
                                            salaris per maand inclusief eventuele salaristoelage(n),
                                            dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel
                                            niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op
                                            het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op
                                            de vakantieuitkering en in voorkomende gevallen
                                            vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1"><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens
                                                  hoofdstuk 10 of 11 of een genoten
                                                  werkloosheidsuitkering krachtens de WW en
                                                  eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2"><al>genoten uitkering krachtens dan wel
                                                  overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement
                                                  basis- en aanvullende uitkering;</al></li><li nr="3"><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk
                                                  12 van het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g"><al><vet>berekeningstijdstip:</vet></al><lijst><li><al>1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al></li><li><al> 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum
                                                  dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum
                                                  van ingang van de functievervulling; </al></li><li><al>3e bij het overlijden of ontslag van de
                                                  betrokkene, de datum waarop de laatste
                                                  salarisbetaling heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="h"><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen
                                            onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                            betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i"><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming
                                            in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een
                                            verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of
                                            ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en
                                            pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet
                                            heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j"><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan
                                            de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn
                                            functie aangewezen woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                    bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming
                                    in verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is
                                    verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op
                                    verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten
                                    feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing
                                    wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking
                                    naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een
                                    van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op
                                    verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die
                                    in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                    verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                    verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                    bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders
                                    dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een
                                    dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een
                                    ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht
                                    op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als
                                    gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en
                                    het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning
                                    is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                    overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding
                                    in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer
                                    bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing
                                    binnen het woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2
                                en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft
                                plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen
                                is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of
                                de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en
                                            van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden
                                            naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van
                                            het in- en uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b"><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de
                                            noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van €
                                            310,51 per maand met dien verstande dat de
                                            tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                            verleend;</al></li><li nr="c"><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                            voortvloeiende kosten, met een maximum van €
                                            6.209,70.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                    huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders
                                    is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                    berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een
                                    maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten
                                    woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in
                                    het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                    echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de
                                    zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te
                                    verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de
                                    berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een
                                    deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking
                                    bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een
                                    tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis
                                    vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De
                                    tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                    tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                    Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan
                                    voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend
                                    van 3% van de berekeningsbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen,
                                    zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
                                    pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding
                                    van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de
                                    plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                                    aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                                    verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
                                    oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan
                                    reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
                                    betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension
                                    in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens
                                    een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de
                                    reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                    naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat
                                    redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
                                    spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in
                                    aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
                                    bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en
                                    als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
                                    tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid
                                    worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het
                                    tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het
                                    bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het
                                    openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede
                                    klasse.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is,
                                    voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein,
                                    gemaximeerd op het bedrag van € 3.984 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het
                                    pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het
                                    eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer
                                    geen gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer
                                    naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 103,78
                                    op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van
                                    tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een
                                    plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te
                                    bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                                    groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                                    opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                    € 0,17 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele
                                    reis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats
                                    van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar
                                    daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een
                                    tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het
                                    vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7a:1 Vergoeding woon-werkverkeer
                                    niet-verhuisplichtige ambtenaar</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 18:1:7a heeft de niet-verhuisplichtige
                                ambtenaar die geen vaste aanstelling heeft, recht op een vergoeding
                                woon-werkverkeer zoals opgenomen in de regeling woon-werkverkeer van
                                de gemeente Venray. </al><al><cursief>Tijdelijke aanstelling woon-werkverkeer vergoeding geen
                                    verhuisplicht niet-verhuisplichtig</cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                    woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                                betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is,
                                heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het
                                openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot
                                een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege
                                de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband
                                een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                                vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel
                                    18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk
                                    met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen
                                    60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet
                                    uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde
                                    pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor
                                    het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is
                                    gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en
                                    wel naar het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en
                                    pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7
                                    en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes
                                    maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek
                                    van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                    bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand
                                    gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem
                                    zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die
                                    kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                    vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                    inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming
                                    verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor
                                    de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen
                                    zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag
                                    opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    onder b.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:12 Voorschot</titel></kop><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                                tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of
                                krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele
                                gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet
                                of niet naar redelijkheid voorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</titel></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                                luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode
                                van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning,
                                recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de
                                vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de
                                vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel
                                voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een
                                tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek.
                                Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan
                                vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                                aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:2 Begripsbepaling</titel></kop><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                                loondienst is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</titel></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn
                                voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op
                                grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie
                                voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels
                                volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de
                                    vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar
                                    van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                    werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet
                                    schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren
                                    geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</titel></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van
                                alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet
                                voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de
                                wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld
                                aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd
                                        overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke
                                    dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of
                                    in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij
                                    wijze van proef.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                    maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                    tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                    hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra
                                    de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken
                                    is, tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                    aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit
                                    personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als
                                    vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                            karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b"><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                            werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                            zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar
                                            behoren te vervullen;</al></li><li nr="c"><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een
                                    bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van
                                            de vrijwilliger;</al></li><li nr="b"><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke
                                            aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is
                                            aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c"><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d"><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                            vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo
                                    spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:9 Bevordering</titel></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                                bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot
                                bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan
                                verbonden vergoeding vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:10 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                    indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                    informeert het college over zijn werktijden aldaar. De
                                    vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over
                                    wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                    informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                    verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                    tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                    spoedig mogelijk over wijzigingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                                indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a"><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b"><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                        brandweerwerkzaamheden; </al></li><li nr="c"><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden
                                        voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn
                                        werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d"><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                        brandweeractiviteiten tijdens werktijd; </al></li><li nr="e"><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                        brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Vergoedingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en
                                        overige werkzaamheden</al></li><li><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke
                                        brandbestrijding en hulpverlening</al></li><li><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                        zwangerschap</al></li><li><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:13 Vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIb van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die
                                    vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als
                                    vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de
                                    bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de
                                    functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                    vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136,
                                    ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                                    beroepsuitoefening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van
                                    de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde
                                    brandbestrijding of andere hulpverlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en
                                    overige werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt
                                    met toestemming van het college, of in opdracht van het college
                                    overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde
                                    kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de
                                    vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding
                                    en hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn,
                                    bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
                                    ontvangt hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functiecategorie, behorende bij de functie van de
                                    vrijwilliger, in de vierde kolom. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of
                                    langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                    brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                    aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van
                                    het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                                    vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie
                                    waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger
                                    geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen
                                    verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk
                                    geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige
                                    brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</titel></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen
                                te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding.
                                Deze vergoeding bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen,
                                        nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                        dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als
                                        feestdag; </al></li><li nr="b"><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige
                                        dagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</titel></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de
                                vergoeding van kazerneringsdiensten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                    zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de
                                    periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve
                                    brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op
                                    doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en
                                    met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het
                                    bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal
                                    voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft.
                                    Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het
                                    gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                                    kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk
                                    arbeidspatroon. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:21 Opleidingskosten</titel></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of
                                een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten,
                                voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college
                                zijn gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:22 Gratificatie</titel></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                                toekennen van een gratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                                gunstige personeelsvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:24 Salarismutaties</titel></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in
                                het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en
                                de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen
                                genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige
                                lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding
                                afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op
                                eurocenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                    vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                    blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                    inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                    vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift
                                    van de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                    medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een
                                    dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding
                                    bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich
                                    terzake heeft verzekerd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het
                                    eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te
                                    vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een
                                    tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer
                                    is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een
                                    uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                    indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en
                                    indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over
                                    de dekking van de verzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                                uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn
                                schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte
                                werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale
                                slijtage van die goederen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Zwangerschap</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:29 Zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                    stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                    periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                    repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid
                                    genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande
                                    toestemming door de bedrijfsarts.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten
                                    vrijwilliger</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de
                                    vrijwilliger voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                    cursussen die door of vanwege het college zijn
                                    georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst,
                                    of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus
                                    doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en
                                    overeenkomstig de instructie van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:31 Verplichtingen</titel></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                                verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:32 Eed of belofte</titel></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:33 Verboden</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a"><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden
                                        voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is
                                        verleend door of namens het college;</al></li><li nr="b"><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                        vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor
                                        toestemming is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c"><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin
                                van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken
                                ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem
                                daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze
                                toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door
                                    het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken
                                    te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college
                                    kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                    ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                    bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij
                                    is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                    wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de
                                    dienstkleding en uitrustingsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer
                                        hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in
                                        de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft
                                        verleend; </al></li><li nr="b"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in
                                        bruikleen te geven;</al></li><li nr="c"><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="I"><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden
                                                aan de rang, behorende bij de functie die de
                                                vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II"><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij
                                                tot het dragen daarvan door de staat of door het
                                                college toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                    schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                    gedeeltelijk te vergoeden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                    kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                    schadevergoeding op zijn vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang
                                    van de dienst</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                    disciplinair worden gestraft. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift
                                    als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed
                                    vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te
                                    doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</titel></kop><al> De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a"><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in
                                        artikel 19:14;</al></li><li nr="c"><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding
                                        van de vergoeding;</al></li><li nr="d"><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a"><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd
                                        of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b"><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het
                                        Wetboek van Strafvordering, een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer
                                        wordt gelegd;</al></li><li nr="c"><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is
                                        ingesteld wegens misdrijf;</al></li><li nr="d"><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                        noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 9 Ontslag</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die
                                    daarom verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten
                                    minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum
                                    van ontvangst van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                    aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                    vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                    vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                    ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                    onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                    vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op
                                    grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>het eindigen van de noodzaak tot
                                            beschikbaarheidsstelling of wegens verandering van de
                                            brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b"><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van
                                            zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van
                                            zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te
                                            zijn taak bij de brandweer te vervullen; </al></li><li nr="c"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
                                        </al></li><li nr="d"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                            gebreken;</al></li><li nr="e"><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f"><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                            onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g"><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                            wegens misdrijf;</al></li><li nr="h"><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering
                                    van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel
                                    g van dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste
                                    dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het
                                    dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger
                                    met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                                    vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                    worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                                    brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. aspirant manschap a </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,20</al></entry><entry colname="col4"><al>19,07</al></entry><entry colname="col5"><al>12,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                  Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,72</al></entry><entry colname="col4"><al>22,03</al></entry><entry colname="col5"><al>14,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>13,00</al></entry><entry colname="col4"><al>24,38</al></entry><entry colname="col5"><al>16,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>495,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,28</al></entry><entry colname="col4"><al>30,61</al></entry><entry colname="col5"><al>20,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>3902,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,02</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5603,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>56,03</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7.commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8335,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>62,52</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                    gemeentelijke brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap A</al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,34</al></entry><entry colname="col4"><al>19,40</al></entry><entry colname="col5"><al>12,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                  Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen</al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,94</al></entry><entry colname="col4"><al>22,48</al></entry><entry colname="col5"><al>14,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>13,23</al></entry><entry colname="col4"><al>24,77</al></entry><entry colname="col5"><al>16,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. bevelvoerder</al></entry><entry colname="col2"><al>503,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,56</al></entry><entry colname="col4"><al>31,08</al></entry><entry colname="col5"><al>20,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. officier van dienst</al></entry><entry colname="col2"><al>3977,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,77</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5704,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,04</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7.commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8491,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>63,64</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de
                                zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de
                                vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement
                                worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari
                                1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                                brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking
                                van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980
                                is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin
                                van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel
                                getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979
                                al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in
                                dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                                overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                                overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen
                                die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen
                                ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt
                                bijlage 11.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19a Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19a:1 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de
                                    brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de
                                    functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in
                                    het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies
                                    bij de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing
                                    is. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                    mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te
                                    bekleden functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie
                                    uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals
                                    opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de
                                    CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen,
                                    die daartoe door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                    aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                    conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage
                                    VIIb van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar
                                    gelijktijdig of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                    leeftijd van:</al><lijst><li nr="a"><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b"><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;
                                        </al></li><li nr="c"><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van
                                    de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring
                                    worden afgenomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                    college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd
                                    van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze
                                    bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van
                                    ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                    beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                    medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht
                                    op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden
                                    van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of
                                    gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is
                                    hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                    gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere
                                    werkzaamheden opleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:4 Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een
                            instelling voor kunsteducatie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Hoofdstuk 19b</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                                geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                                brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                                verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na
                                het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden.
                                Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter
                                beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag,
                                nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                                de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin
                                wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                                wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter
                                beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere
                                dagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich
                                verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld
                                gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het
                                salaris per maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter
                                beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op zondag,
                                nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                                de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin
                                wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het college
                                wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin
                                hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op
                                andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner
                                verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont
                                en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke
                                huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring,
                                ingericht volgens door het college nader te stellen regels.
                                Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden
                                aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                                overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                                levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet
                                tevens worden gelezen "levenspartner".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari
                                    1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de
                                    bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel
                                    gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                    ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                                    vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanvullende regelingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Aanvullende regelingen Gemeente Venray</titel></kop><lijst><li><al>Arbeidsvoorwaarden a la carte</al></li><li><al>BABS</al></li><li><al>Beeldschermbril</al></li><li><al>Bevoegdheden GO/OR</al></li><li><al>Bezoldigingsregeling</al></li><li><al>Collectieve sluiting</al></li><li><al>Financiële belangen</al></li><li><al>FPU</al></li><li><al>Functieraster</al></li><li><al>Griffie (rechtspositie)</al></li><li><al>Hardheidsclausule bij ziekte</al></li><li><al>HR-frictiebeleid</al></li><li><al>Inconveniëntenwaardering</al></li><li><al>Jaargepsrekken en personeelsbeoordeling</al></li><li><al>Jubileum- en afscheidsgratificaties</al></li><li><al>Klokkenluiders</al></li><li><al>Ongewenste omgangsvormen</al></li><li><al>Opleiding en ontwikkeling</al></li><li><al>Ouderschapsverlof (betaald)</al></li><li><al>Re-integratieverplichtingen en sanctiebeleid</al></li><li><al>Reis- en verblijfkosten</al></li><li><al>Relatiegeschenken</al></li><li><al>Sociaal Statuut</al></li><li><al>Stageregeling</al></li><li><al>Thuiswerkregeling</al></li><li><al>Vakantieverlof</al></li><li><al>Waardering / indeling functies</al></li><li><al>Wachtdienstvergoeding</al></li><li><al>Werktijden</al></li><li><al>Werving en selectie</al></li><li><al>Wethouders, raads- en commissieleden (rechtspositie)</al></li><li><al>Ziekteverzuimprotocol</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Arbeidsvoorwaarden a la carte</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Deelname aan de regeling</al></li><li><al>Artikel 3 A la cartebudget</al></li><li><al>Artikel 4 Toetsing aanvraag</al></li><li><al>Artikel 5 Gevolgen van de keuze</al></li><li><al>Artikel 6 Bronnen en doelen</al></li><li><al>Artikel 7 Einde van het recht op deelname</al></li><li><al>Artikel 8 Onrechtmatig gebruik</al></li><li><al>Artikel 9 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 10 Fiscaal voorbehoud</al></li><li><al>Artikel 11 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Medewerker:</vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel
                                        1:1 lid 1 sub a van de CAR met een vaste aanstelling of een
                                        tijdelijke aanstelling voor de duur van één jaar bij wijze
                                        van proef bij de gemeente Venray.</al></li><li nr="b"><al><vet>Leidinggevende:</vet> de teammanager, de
                                        afdelingsmanager of de algemeen
                                        directeur/gemeentesecretaris.</al></li><li nr="c"><al><vet> A la carteregeling:</vet> medewerkers kunnen bepaalde
                                        arbeidsvoorwaarden (bronnen) kiezen uit een pakket opgesteld
                                        door de werkgever, die ingezet worden als ruilmiddel voor in
                                        dat pakket opgenomen faciliteiten op het terrein van de
                                        arbeidsvoorwaarden (doelen).</al></li><li nr="d"><al><vet>A la cartebudget:</vet> een bedrag dat door de
                                        werkgever voor iedere medewerker jaarlijks wordt vastgesteld
                                        om de arbeidsvoorwaarden te financieren. De medewerker kan
                                        het budget aanwenden voor door de werkgever vastgestelde
                                        doelen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Deelname aan de regeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Via (een) daartoe bestemd(e) formulier(en) kan de medewerker zich
                                jaarlijks éénmaal aanmelden voor deelname aan de a la
                                carteregeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker wordt in staat gesteld bij de melding genoemd in lid 1
                                gelijktijdig maximaal twee aanvragen te doen, indien het indienen
                                van één aanvraag tot gevolg zou hebben gehad dat het aan hem
                                toegekende a la cartebudget niet volledig zou worden benut.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het onder lid 1 genoemde door de leidinggevende en medewerker
                                geaccordeerde formulier wordt vóór 1 oktober van het jaar waarop het
                                verzoek betrekking heeft ingediend bij het team HRM.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 A la cartebudget</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker met een aanstelling bij de gemeente Venray die op
                                grond van artikel 2 deelneemt aan de a la carteregeling, heeft
                                jaarlijks recht op een persoonsgebonden a la cartebudget.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De hoogte van het budget genoemd in lid 1 wordt jaarlijks
                                vastgesteld en wordt de medewerker op basis de aanstelling
                                (voltijd/deeltijd) en de eventuele datum van
                                indiensttreding/uitdiensttreding in het lopende jaar volledig of
                                naar rato toegekend.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het a la cartebudget dient als bestedingsbron binnen de a la
                                carteregeling van de gemeente Venray en kan buiten de hier bedoelde
                                regeling nimmer tot uitbetaling komen.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Toetsing aanvraag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werkgever willigt een verzoek in, tenzij zwaarwegende bedrijfs-
                                of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Toepassing van deze regeling dient te passen binnen de (fiscale)
                                wet- en regelgeving.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Gevolgen van de keuze</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien aan de belastingvrije uitbetaling van een doel door de
                                belastingdienst bijzondere voorwaarden worden verbonden, is de
                                medewerker gehouden aan deze voorwaarden te voldoen en dit
                                desgewenst aan te tonen. Een eventuele naheffing als gevolg van het
                                niet voldoen aan deze voorwaarden, komt voor rekening van de
                                medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De effecten die voortvloeien uit de eventuele noodzakelijke
                                verlaging van het brutosalaris als gevolg van de inzet van een
                                bepaalde bron binnen het a la cartemodel zijn volledig voor rekening
                                van de medewerker.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Bronnen en doelen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De bronnen in dit a la carte model betreffen: </al><lijst><li nr="a"><al>het a la cartebudget</al></li><li nr="b"><al>tijd in de vorm van vakantie-uren </al></li><li nr="c"><al> overuren </al></li><li nr="d"><al>geld in de vorm van bijvoorbeeld salaris,
                                        eindejaarsuitkering, vakantietoelage.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Medewerkers die onder de standaardregeling voor de werktijden vallen
                                kunnen de uren die buiten het dagvenster gewerkt worden (overuren)
                                niet omzetten in vakantieverlof. Voor deze categorie medewerkers
                                geldt punt b. derhalve niet als bron.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De bestedingsdoelen in dit a la carte model betreffen:</al><lijst><li nr="a"><al>aankoop fiets; </al></li><li nr="b"><al> aankoop fietsaccessoires; </al></li><li nr="c"><al> aankoop verlofuren; </al></li><li nr="d"><al> reiskostenvergoeding woon- werkverkeer; </al></li><li nr="e"><al> vergoeding internet abonnement; </al></li><li nr="f"><al> vergoeding opleidingsfaciliteiten; </al></li><li nr="g"><al> extra opbouw pensioen; </al></li><li nr="h"><al> werkplekmassage; </al></li><li nr="i"><al> vakbondscontributie;</al></li><li nr="j"><al> vakliteratuur; </al></li><li nr="k"><al> een vergoeding voor bedrijfsfitness via ‘De Sprank’ </al></li><li nr="l"><al>een telefoon.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 7 Einde van het recht op
                                deelname</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het recht op deelname aan de a la carteregeling eindigt bij
                                beëindiging van de dienstbetrekking van de medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij beëindiging van de dienstbetrekking vindt een herberekening
                                plaats van de hoogte van het a la cartebudget budget.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien er na de in lid 2 bedoelde herberekening sprake blijkt te
                                zijn van een overschrijding van het budget, zal verrekening met
                                resterende salarisaanspraken plaatsvinden, of zal een naheffing
                                plaatsvinden.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Onrechtmatig gebruik</vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker onjuiste gegevens verstrekt en/of onrechtmatig
                                gebruik maakt van deze regeling, worden de totale kosten die de
                                werkgever maakt met terugwerkende kracht op de medewerker
                                verhaald.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college een bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Fiscaal voorbehoud</vet></tussenkop><al>De gemeente Venray behoudt zich het recht voor om in verband met
                                fiscale wijzigingen de regeling, de bronnen en doelen binnen deze
                                regeling en de hieraan gekoppelde bedragen te wijzigen conform de
                                fiscale mogelijkheden.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Arbeidsvoorwaardenregeling
                                a la carte gemeente Venray’.</al></artikel><artikel><kop><titel> Rechtspositieregeling buitengewoon ambtenaar burgerlijke
                                    stand </titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Aanstelling</al></li><li><al>Artikel 3 Bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 4 Dienstreizen</al></li><li><al>Artikel 5 Aanspraken bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 6 Ontslag en schorsing</al></li><li><al>Artikel 7 Overige rechten en plichten</al></li><li><al>Artikel 8 Overige rechten en plichten</al></li><li><al>Artikel 9 Slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10 Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Buitengewoon ambtenaar:</vet> de bezoldigd
                                        buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals
                                        bedoeld in het Reglement op de burgerlijke stand. </al></li><li nr="b"><al><vet>Arbeidsvoorwaardenregeling:</vet> de
                                        arbeidsvoorwaardenregeling voor het personeel van de
                                        gemeente Venray zoals vastgesteld door het bevoegd gezag.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Aanstelling </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Aanstelling geschiedt in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor
                                bepaalde tijd. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Bezoldiging </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De buitengewoon ambtenaar ontvangt een bezoldiging in de vorm van
                                een vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De vergoeding is gelijk aan 5 maal het uurloon behorende bij het
                                hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling, opgehoogd met het percentage van de
                                vakantietoelage van artikel 6:3, tweede lid, van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vergoeding van het tweede lid wordt opgehoogd met het percentage
                                van de eindejaarsuitkering van artikel 3:6 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Ter compensatie van het niet genieten van het vakantieverlof als
                                bedoeld in artikel 6:2 van de arbeidsvoorwaardenregeling, wordt een
                                extra vergoeding toegekend ter hoogte van 8,6% van het totaal van de
                                vergoedingen op basis van de voorgaande twee leden. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Als vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap wordt het totaal van de vergoedingen op basis van de
                                voorgaande vier leden beschouwd. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Dienstreizen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Dienstreizen worden vergoed, met een maximale vergoeding per bezoek
                                tot 50 kilometer, enkele reis, vanaf het woonadres van de BABS. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor het overige zijn de artikelen inzake
                                onkostenvergoedingsregeling 1 t/m 11 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling van overeenkomstige toepassing. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Aanspraken bij ziekte</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar zijn de artikelen 7:2,
                                7:4, 7:5 en 7:6 van de arbeidsvoorwaardenregeling van
                                overeenkomstige toepassing. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor toepassing van lid 1 wordt onder bezoldiging verstaan: de
                                gemiddelde vergoeding over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ziekteverzuim. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Ontslag en schorsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Ontslag wordt verleend overeenkomstig de artikelen 8:1, 8:2, 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:13, 8:7 en 8:8 van de arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig
                                artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Overige rechten en plichten</vet></tussenkop><al> De artikelen 15:1, 15:1b, 15:1c, 15:1d, 15:1e, 15:1:12, 15:1:15,
                                15:1:16 en 15:1:19, 15:1:20, 15:1:23 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling zijn van overeenkomstige toepassing. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Overige rechten en plichten</vet></tussenkop><al> De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet
                                nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan
                                disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al> Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2006 en
                                vervangt de regeling van 1 april 2004. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling
                                voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de
                                gemeente Venray. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 2 Aanstelling</al></li><li><al>Artikel 3 Bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 5 Aanspraken bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 6 Ontslag en schorsing</al></li><li><al>Artikel 7 Overige rechten en plichten</al></li><li><al>Artikel 8 Overige rechten en plichten</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al> De buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand (babs) wordt aangesteld
                                door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek,
                                Boek 1: artikel 16). </al><tussenkop><vet>Artikel 3 </vet></tussenkop><al> Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere
                                regels voor bezoldiging moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze
                                regeling voorziet hierin. Het eerste lid maakt duidelijk dat de
                                bezoldiging bestaat uit een vergoeding per voltrokken huwelijk of
                                geregistreerd partnerschap. Het tweede lid legt de relatie met de
                                salarisschaal waarin de functie van de ambtenaar voor de burgerlijke
                                stand doorgaans is ingeschaald. In het tweede en derde lid wordt het
                                basisbedrag opgehoogd met een toeslag voor respectievelijk de
                                vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. De grondslag voor de
                                berekening van de vakantietoelage is de basisvergoeding van drie en
                                een half uursalarissen. De grondslag voor de berekening van de
                                eindejaarsuitkering is de basisvergoeding, vermeerderd met de
                                vakantietoelage. Ten slotte wordt in het vierde lid het recht op
                                vakantie-uren, dat de ‘normale’ gemeenteambtenaar heeft op grond van
                                artikel 6:2 van de arbeidsvoorwaardenregeling, afgekocht door het
                                toekennen van een vergoeding van 8,6%. Dit percentage is gebaseerd
                                op de breuk tussen het aantal vakantie-uren per jaar (158,4 uren) en
                                de arbeidsduur per jaar (1836 uren) van de gemeenteambtenaar.
                                Vakantie-aanspraken worden afgekocht vanwege het oproepkarakter van
                                de werkzaamheden. </al><al>De vergoeding is gebaseerd op een tijdsbesteding van 5 uur per
                                voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap daarbij is
                                rekening gehouden met voltrekken van een huwelijk of registreren van
                                een partnerschap inclusief voorbereiding, voeren van gesprekken en
                                rekening houdend met gesprekken in weekeinden en avonduren. </al><al>Rekenvoorbeeld:Uitgaande van een salarisbedrag van € 3.103,--
                                (schaal 8, max.), een vakantie-uitkering van 8% en een
                                eindejaarsuitkering van 6% (situatie per 1 april 2012) vindt de
                                volgende berekening plaats:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>5 x 1/156e deel van € 3.103,--</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verhoogd met 8% vakantietoelage </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verhoogd met 6% eindejaarsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verhoogd met 8,6% (afkoop vakantie-uren)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>-------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totale vergoeding per huwelijk of geregistreerd
                                                  partnerschap</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 123,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uurtarief: € 123,14:5 (tijdsbesteding van 5
                                                  uur)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 24,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Artikel 5</vet></tussenkop><al> Artikel 125 van de Ambtenarenwet vereist nadere regels voor
                                voorzieningen tijdens ziekte. In de regeling wordt verwezen naar de
                                belangrijkste artikelen van hoofdstuk 7 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling; Ziek op of na 1 januari 2004: de
                                ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 januari 2004, heeft
                                gedurende 6 maanden recht op doorbetaling van zijn volledige
                                bezoldiging. Na 6 maanden wordt de bezoldiging voor 90% uitbetaald,
                                na 12 maanden wordt de bezoldiging voor 75% uitbetaald. Na 24
                                maanden heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn bezoldiging. Deze
                                percentages gelden met ingang van 1 januari 2006. Een eventuele
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) wordt hierop in mindering
                                gebracht. Gedurende de ziekteperiode kan aan de babs gevraagd worden
                                passende arbeid dan wel gangbare arbeid (na 52 weken) te verrichten. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 </vet></tussenkop><al> De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van
                                burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16).
                                Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag
                                en uitkering nadere regels worden getroffen. Er wordt een
                                limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de babs,
                                onder verwijzing naar de arbeidsvoorwaardenregeling. Schorsing is in
                                artikel 8:15:1 van de arbeidsvoorwaardenregeling geregeld en kan om
                                uiteenlopende redenen plaatsvinden. </al><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><al> De rechten en plichten van hoofdstuk 15 van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling worden hier voor een groot gedeelte ook
                                op de babs van toepassing verklaard. Voor de inhoud van de artikelen
                                wordt verwezen naar de arbeidsvoorwaardenregeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 8</vet></tussenkop><al> Bij het niet nakomen van verplichtingen of bij plichtsverzuim
                                kunnen disciplinaire maatregelen worden genomen tegen de
                                buitengewoon ambtenaar, die uiteenlopen van een schriftelijke
                                berisping tot ontslag. Hierbij is aansluiting gezocht bij hoofdstuk
                                16 van de arbeidsvoorwaardenregeling. In dit hoofdstuk is ook de
                                strafprocedure geregeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling aanschaf beeldschermbril</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Werkwijze</al></li><li><al>Artikel 3 Vergoeding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al><vet>Medewerker:</vet>de ambtenaar in de zin van artikel
                                        1:1, lid 1 sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente
                                        Venray</al></li><li nr="b"><al><vet>Beeldschermbril:</vet>de varianten monofocale brillen,
                                        biofocale brillen en multifocale dataconform brillen,
                                        eventuele kleurcoating en een standaard montuur.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Werkwijze</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een medewerker, die meer dan twee uur per dag beeldschermwerk
                                verricht en van mening is dat hij in verband met beeldschermwerk
                                genoodzaakt is een bril aan te schaffen, kan een aanvraag doen voor
                                een beeldschermbril bij de leidinggevende. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De leidinggevende vraagt in eerste instantie een werkplekonderzoek
                                aan met als doel vast te stellen of het beeldscherm op een
                                ergonomisch juiste wijze is ingesteld. Is dit niet het geval dan
                                dient de werkplek alsnog aangepast te worden. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Indien aanpassing van de werkplek niet leidt tot verbetering van de
                                klachten, dan neemt de medewerker, met instemming van de
                                leidinggevende, contact op met de bedrijfsarts. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De bedrijfsarts voert een onderzoek uit aan de hand waarvan bepaald
                                wordt of de aanschaf van een beeldschermbril noodzakelijk is. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De medewerker vraagt tezamen met het advies van de bedrijfsarts aan
                                de leidinggevende om een vergoeding voor de aanschaf van een
                                beeldschermbril. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De leidinggevende, geadviseerd over de noodzaak tot de aanschaf van
                                een beeldschermbril door de bedrijfsarts, beslist of de medeweker in
                                redelijkheid in aanmerking komt voor vergoeding. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Vergoeding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Beeldschermbrillen (inclusief glazen, montuur en BTW) worden
                                (conform artikel 44 van de Arbowet) vergoed tot een maximum als
                                onderstaand aangegeven: </al><lijst><li nr="-"><al> Een monofocale bril: € 150,-- </al></li><li nr="-"><al> Een bifocale bril: € 200,-- </al></li><li nr="-"><al>Een multifocale (data)bril: € 250,-- </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Vergoeding vindt één maal per drie jaar plaats. Als er sprake is
                                van tussentijdse wijziging van de sterkte van de glazen op medisch
                                advies, dan kan ook binnen de periode van drie jaar een aangepaste
                                bril worden verstrekt. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De verstrekte bril behoort in principe tot de faciliteiten op de
                                werkplek en vormt geen vervanging voor een eventuele leesbril die
                                voor andere dagelijkse werkzaamheden of handelingen zonder
                                beeldscherm nodig is. Als gevolg hiervan dient de bril bewaard te
                                worden op de werkplek. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De kosten van de tegemoetkoming komen ten laste van het
                                lumpsumbudget van de afdeling tot welke de medewerker
                                organisatorisch behoort. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Indien de medewerker een ander montuur wenst dan het
                                standaardmontuur, komen de meerkosten voor rekening van de
                                medewerker. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bevoegdheden GO en OR</titel></kop><al> Er zijn nadere afspraken gemaakt over de verhouding tussen het GO
                                en de OR. Deze houden in: </al><lijst><li nr="1"><al> De taakstelling van het GO in de gemeente Venray blijft
                                        bestaan uit beleidsmatige zaken zoals rechtspositie CAR en
                                        lokaal UWO-beleid, de ontwikkeling van lokale
                                        arbeidsvoorwaarden, sociaal kader (fusie, reorganisatie
                                        etc.), functiewaardering (inclusief conversietabel) en
                                        hoofdlijnen van het beloningsbeleid. </al></li><li nr="2"><al> De OR daarentegen neemt alle zaken in behandeling die
                                        binnen de bevoegdheden van het advies- en instemmingsrecht
                                        vallen en/of betrekking hebben op het uitvoeringsniveau,
                                        tevens als het gaat om plaatselijke uitvoeringsregels. </al></li><li nr="3"><al> Er wordt een zgn. agendacommissie samengesteld aan de hand
                                        van een door de afdeling P&amp;O overlegde agenda. De
                                        agendacommissie beoordeelt of onderwerpen uit deze agenda in
                                        een formele GO-vergadering aan de orde gesteld dienen te
                                        worden. </al></li><li nr="4"><al> De agendacommissie bestaat uit de GO-leden, een
                                        vertegenwoordiger van het management en de
                                        voorzitter/secretaris van de OR. In de agendacommissie wordt
                                        formeel een advies namens het GO gegeven. Daarna wordt het
                                        voorstel ter definitieve besluitvorming aan het college
                                        voorgelegd. Besluit de agendacommissie dat behandeling in
                                        een formele vergadering van het GO moet plaatsvinden, dan
                                        wordt het voorstel ter voorlopige besluitvorming aan het
                                        college voorgelegd. </al></li><li nr="5"><al> De agendacommissie vergadert indien nodig 1 x per 4
                                        maanden. </al></li><li nr="6"><al>Communicatie vindt plaats door een door personeelszaken op
                                        te stellen persbericht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bezoldigingsregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Definities</al></li><li><al>Artikel 2 Basisschaal en basisloon</al></li><li><al>Artikel 3 Basisschaal en basisloon gemeentesecretaris</al></li><li><al>Artikel 4 Ingangsdatum bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 5 Bezoldiging bij deeltijdbetrekking</al></li><li><al>Artikel 6 Aanloopschaal</al></li><li><al>Artikel 7 Indeling in hogere basisschaal</al></li><li><al>Artikel 8 Periodieke verhoging in basisschaal</al></li><li><al>Artikel 9 Sanctionering</al></li><li><al>Artikel 10 Ziekte en periodieke verhoging</al></li><li><al>Artikel 11 Aanvullende beloning in de vorm van
                                        functieloon</al></li><li><al>Artikel 12 Aanvullende beloning in de vorm van
                                        prestatieloon</al></li><li><al>Artikel 13 Aanvullende bepalingen bij functie- en
                                        prestatieloon</al></li><li><al>Artikel 14 Attenties</al></li><li><al>Artikel 15 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li><al>Artikel 16 Moment van toekenning</al></li><li><al>Artikel 17 Kledingtoelage en werkkledingverstrekking</al></li><li><al>Artikel 18 Overgangsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 19 Nadere regels en hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 20 Citeertitel</al></li><li><al>Artikel 21 Inwerkingtreding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Definities</vet></tussenkop><al> Deze regeling verstaat onder: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Basis - c.q. specifiek profiel:</vet> Een basis- c.q.
                                        specifiek profiel bevat de rolpositie en de grofmazige
                                        inhoud van een functie, die met het systeem van ‘ranking’ en
                                        functiewaardering van een basisschaal is voorzien. De eisen
                                        die in een basis - c.q. specifiek profiel zijn opgenomen
                                        geven altijd weer wat er minimaal nodig is om de functie
                                        volledig uit te kunnen voeren. </al></li><li nr="2"><al><vet> Basisschaal:</vet> De schaal die aan de medewerker is
                                        toegekend of, indien voor de functie een vast bedrag geldt,
                                        dit bedrag. De schaal bestaat uit een reeks bedragen die
                                        gelden voor een bepaalde functie. Waar “(basis)schaal” staat
                                        vermeld dient gelezen te worden “(basis)schaal of
                                        (basis)schalen”. </al></li><li nr="3"><al><vet> Systeem van ‘ranking’ en functiewaardering:</vet> De
                                        systematiek waarmee de onderlinge verhoudingen tussen de
                                        vastgestelde basisprofielen en de onderlinge bandbreedten
                                        worden bepaald en waarmee ze in een onderlinge rangorde
                                        worden gezet. Door centrale advisering wordt gemeentebreed
                                        de eenduidigheid bewaakt. Aan de uitkomst is geen
                                        bezwarenprocedure gekoppeld. Het te hanteren functieraster
                                        vanaf 1 januari 2010 is algemeen verbindend vastgesteld,
                                        nadat hierover overeenstemming is bereikt met de
                                        vakorganisaties, vertegenwoordigd in de Commissie voor
                                        Georganiseerd Overleg Venray. </al></li><li nr="4"><al><vet> Bandbreedte:</vet> De indelingseenheid binnen het
                                        systeem van ‘ranking’ en functiewaardering. Het
                                        indelingssysteem is gebaseerd op het onderscheiden van een
                                        beperkt aantal verschillende functiefamilies waarbij elke
                                        functiefamilie, zo gewenst, een aantal te benutten
                                        bandbreedten omvat. Per functiefamilie wordt een algemene
                                        typering (basisprofiel) gegeven en een aantal criteria voor
                                        differentiatie in bandbreedten. </al></li><li nr="5"><al><vet> Indelen in een basis - c.q. specifiek profiel:</vet>
                                        Indelen houdt in het (eenmalig per 1 januari 2010) nagaan
                                        welke bestaande specifieke functiekarakteristiek of -
                                        beschrijving c.q. wijziging daarvan vanwege een organisatie
                                        ontwikkeling of vastgestelde vacaturetekst past bij een
                                        bepaalde functiefamilie met bandbreedte. In principe dient
                                        voor elke medewerker een indeling in een basis – c.q.
                                        specifiek profiel te worden vastgesteld met bijbehorende
                                        indeling in een basisschaal en basisloon. </al></li><li nr="6"><al><vet> Beloningsverhoudingen:</vet> Er zijn twee soorten
                                        beloningen mogelijk. Allereerst de verhoudingen zoals die
                                        tot stand komen via het systeem van ‘ranking’ en
                                        functiewaardering. Die weerspiegelen wat “zwaarder” is en
                                        wat “lichter”. Het zijn organieke verhoudingen en ze hebben
                                        daarom een ideaaltypisch karakter. Daarnaast kunnen er,
                                        vanuit een organiek uitgangspunt, verhoudingen ontstaan die
                                        weerspiegelen wat iedere medewerker in de praktijk
                                        “verdient”. Deze feitelijke beloningsverhoudingen kunnen
                                        ontstaan door en vanwege het jaarlijks op te stellen
                                        individueel werkplan en door toepassing van het aanvullend
                                        (gedifferentieerd) beloningsbeleid. </al></li><li nr="7"><al><vet> Beloningsbeleid:</vet> Dit bevat de uitgangspunten en
                                        regelgeving inzake beloning. De belangrijkste kenmerken van
                                        het beleid zijn: ongeacht de plek in de organisatie horen
                                        bij gelijke basisprofielen gelijke basisschalen. Verder is
                                        het management primair verantwoordelijk voor de uitvoering
                                        van het beloningsbeleid; dat past in het uitgangspunt van
                                        integraal managen. Belangrijk element van het
                                        beloningsbeleid is de nadruk op de mogelijkheden tot
                                        differentiatie en flexibiliteit. Ten opzichte van de
                                        organieke functiewaardering (in dit geval een basisprofiel)
                                        ontstaan daarmee verschillen in daadwerkelijke beloning.
                                    </al></li><li nr="8"><al><vet> Individueel werkplan (IWP):</vet> Een ontwikkeld
                                        gespreksformulier, o.a. bevattend een nadere uitwerking van
                                        taken uit het basisprofiel met daarbij behorende accenten
                                        die in enig jaar de bijzondere aandacht van de medewerker
                                        vergen, dat jaarlijks door de leidinggevende, wordt benut om
                                        met de medewerker tot wederzijdse afspraken te komen, waarin
                                        tevens uitgangspunten voor toekomstig belonen kunnen worden
                                        opgenomen. </al></li><li nr="9"><al><vet> Competenties:</vet> Het geheel van kennis,
                                        vaardigheden en deskundigheden die noodzakelijk zijn voor
                                        het goed kunnen uitoefenen van een basisprofiel, en die als
                                        bijlage gekoppeld zijn aan een basisprofiel. </al></li><li nr="10"><al><vet>Functieloon:</vet> Een functieloon is een tijdelijk
                                        loon dat, in het belang van de organisatie, aan de
                                        medewerker met wederzijdse instemming kan worden toegekend
                                        op basis van tijdelijk en aanvullend op te dragen
                                        functiebestanddelen, in het individueel werkplan nader te
                                        omschrijven, die het toegewezen basis - c.q. specifiek
                                        profiel overstijgen, behalve als de basis- c.q. specifiek
                                        overstijgende taken worden uitgevoerd in het kader van de
                                        persoonlijke ontwikkeling van de medewerker. Deze
                                        functiebestanddelen zijn in beginsel te herleiden uit een
                                        opgesteld afdelingsplan. Het kan hierbij gaan over het
                                        afspreken van een prestatie / resultaat of extra te leveren
                                        inspanning. Het betreft een flexibele component zonder
                                        garantie. De beloning hiervoor vindt vooraf plaats in de
                                        vorm van een toelage per maand. Een functieloon kan maximaal
                                        3 jaar achtereenvolgens worden toegekend. Er is sprake van
                                        functieloon wanneer het maken van prestatieafspraken niet
                                        mogelijk is omdat het gaat om complexe functiebestanddelen,
                                        opdrachten waarbij de betreffende medewerker geen directe
                                        invloed op het eindresultaat kan uitoefenen. Het functieloon
                                        wordt toegekend naar rato van de betrekkingsomvang en naar
                                        evenredigheid van de basis- c.q. specifiek profiel
                                        overstijgende functiebestanddelen en het aantal uren van die
                                        taak. Indien organiek gewenst kan vacatureruimte worden
                                        omgezet in taken waarvoor functie- of prestatieloon wordt
                                        toegekend. </al></li><li nr="11"><al><vet>Prestatieloon:</vet> Een prestatieloon is een beloning
                                        achteraf die eenmalig kan worden toegekend indien, met
                                        wederzijdse instemming, een vooraf omschreven extra doel
                                        c.q. extra prestatie uit het individueel werkplan wordt
                                        gerealiseerd. De resultaten van de te leveren prestatie zijn
                                        beïnvloedbaar door de medewerker en houden verband met de
                                        specifieke vaardigheden en bijzondere competenties van de
                                        medewerker. Het gaat hierbij om een eenzelfde of hoger taak
                                        - c.q. competentieniveau dan is benoemd in het basis - c.q.
                                        specifiek profiel. Prestatieloon kan ook worden ingezet voor
                                        groepsprestaties. Het prestatieloon wordt toegekend naar
                                        rato van de betrekkingsomvang en naar evenredigheid van de
                                        basis- c.q. specifiek profiel overstijgende
                                        functiebestanddelen. </al></li><li nr="12"><al><vet>Vacatureruimte:</vet> Indien organiek gewenst kan
                                        vacatureruimte worden omgezet in taken waarvoor functie- of
                                        prestatieloon wordt toegekend. </al></li><li nr="13"><al><vet> Salaris/basisloon:</vet> Het feitelijke bedrag in de
                                        basisschaal of garantieschaal dat aan de medewerker is
                                        toegekend. </al></li><li nr="14"><al><vet> Minimumsalaris:</vet> Het laagste bedrag van een
                                        basisschaal. </al></li><li nr="15"><al><vet>Maximumsalaris:</vet> Het hoogste bedrag van een
                                        basisschaal dat kan worden bereikt door jaarlijkse
                                        periodieke verhogingen. </al></li><li nr="16"><al><vet> Garantieschaal:</vet> Een schaal boven de basisschaal
                                        waarin de medewerker feitelijk wordt bezoldigd vanuit een
                                        vorige functie. </al></li><li nr="17"><al><vet> Bezoldiging:</vet> Het salaris, vermeerderd met het
                                        bedrag dat een medewerker aan toelagen ontvangt, o.a. als
                                        gevolg van functie- en prestatieloon, arbeidsmarkt- en
                                        waarnemingstoelage of een toelage onregelmatige dienst.
                                        Onkostenvergoedingen worden hierin niet meegenomen.
                                        Vakantietoelage en eindejaarsuitkering vallen niet onder de
                                        bezoldiging maar hierover vindt wel pensioenopbouw
                                        plaats.</al></li><li nr="18"><al><vet> Algemeen directeur/gemeentesecretaris:</vet> De
                                        algemeen directeur, tevens gemeentesecretaris, van de
                                        gemeente Venray. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Basisschaal en basisloon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Aan de medewerker wordt door het college van B&amp;W op advies van
                                de leidinggevende een basisschaal en basisloon toegekend volgens een
                                van de schalen opgenomen in de bijlage II of IIa van de CAR-UWO. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college van B&amp;W op advies van de leidinggevende bepaalt
                                welke bezoldiging voor de medewerker geldt, met inachtneming van de
                                aard en het niveau van diens toegewezen basis – c.q. specifiek
                                profiel en op basis van de aanvullende regels die door het college
                                van B&amp;W zijn vastgesteld in deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Aard en niveau van het basis – c.q. specifiek profiel zijn door het
                                college van B&amp;W bepaald op grond van het vastgestelde
                                Functieraster ingaande 1 januari 2010.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Basisschaal en basisloon
                                    gemeentesecretaris</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De basisschaal van de Algemeen directeur / gemeentesecretaris wordt
                                bepaald op één schaal onder de bij Koninklijk Besluit vastgestelde
                                basisschaal van de burgemeester.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het college is bevoegd te besluiten tot bezoldiging van de Algemeen
                                directeur / gemeentesecretaris.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De regeling 'indeling in functies gemeente Venray' is niet van
                                toepassing voor de Algemeen directeur / gemeentesecretaris.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Ingangsdatum bezoldiging</vet></tussenkop><al>De bezoldiging van de medewerker vangt aan vanaf de dag waarop de
                                aanstelling dan wel de arbeidsovereenkomst ingaat. Wanneer de
                                bezoldiging moet worden berekend over een gedeelte van een maand,
                                wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen
                                door het aantal kalenderdagen van die maand.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Bezoldiging bij
                                deeltijdbetrekking</vet></tussenkop><al>De bezoldiging van de medewerker met een deeltijd betrekking wordt
                                vastgesteld op een evenredig deel van de bezoldiging die voor hem
                                zou gelden bij een volledige betrekkingsomvang.. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Aanloopschaal</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In die gevallen waarin een basis – c.q. specifiek profiel, gelet op
                                de daaraan verbonden eisen, in de aanvang nog niet op het vereiste
                                niveau kan worden vervuld, is de afdelingsmanager bevoegd een lagere
                                schaal dan de basisschaal toe te kennen, i.c. de aanloopschaal.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Toekenning van de basisschaal vindt plaats in de regel één jaar na
                                datum aanstelling, wanneer het in lid 1 bedoelde vereiste niveau
                                voor het basis- c.q. specifiek profiel is bereikt en door de
                                leidinggevende is onderbouwd door middel van een voldoende
                                beoordeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Indeling in hogere
                                basisschaal</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker door de leidinggevende wordt ingedeeld in een
                                hogere basisschaal met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris
                                in de nieuwe schaal vastgesteld op het eerst hogere bedrag in die
                                schaal. Hierbij dient het verschil tussen het nieuwe salaris en het
                                oude salaris van de medewerker tenminste 75% te bedragen van één
                                periodieke verhoging binnen de oude schaal.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor zover nodig zal - in afwijking van het eerste lid onder a - de
                                vooruitgang in salaris ten gevolge van de indeling in de schaal met
                                een hoger maximumsalaris nimmer minder bedragen dan het geval zou
                                zijn bij verhoging ingevolgeartikel 8 in de schaal waarin de
                                medewerker wordt ingedeeld.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Periodieke verhoging in
                                basisschaal</vet></tussenkop><al>Bij voldoende functioneren wordt door de leidinggevende aan de
                                medewerker een periodieke verhoging toegekend. Het voldoende
                                functioneren moet blijken uit een opgestelde beoordeling van de
                                leidinggevende naar aanleiding van gevoerde gesprekken in het kader
                                van de jaarcyclus, bestaande uit een gewogen oordeel over de
                                behaalde resultaten uit het aan het begin van de jaarcyclus
                                opgestelde individueel jaarplan.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Sanctionering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende is bevoegd om bij onvoldoende functioneren van een
                                medewerker, blijkens een opgestelde beoordeling van de
                                leidinggevende naar aanleiding van gevoerde gesprekken in het kader
                                van de jaarcyclus, een periodieke verhoging, als bedoeld in artikel
                                8 niet toe te kennen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Toepassing van het bepaalde in het vorige lid leidt niet tot
                                vermindering van het reeds toegekende salaris.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien een medewerker, na toepassing van het bepaalde in het eerste
                                lid, voldoende gaat functioneren, kunnen - onverminderd het bepaalde
                                bij straf of schorsing - de uit die toepassing voor de medewerker
                                voortvloeiende nadelen, hetzij met terugwerkende kracht, hetzij voor
                                de toekomst, geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Van de ingevolge dit artikel genomen maatregelen wordt de medewerker
                                onverwijld schriftelijk mededeling gedaan in de vorm van een
                                besluit, onder opgave van de redenen die tot deze maatregel hebben
                                geleid en de daaruit voor de eerstvolgende verhoging van het salaris
                                voortvloeiende gevolgen.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Ziekte en periodieke
                                verhoging</vet></tussenkop><al>Een verhindering wegens ziekte, zwangerschap en bevalling ingevolge
                                Hoofdstuk 7 van de CAR UWO zal niet van invloed zijn op de
                                toekenning van een periodieke verhoging. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Aanvullende beloning in de vorm van
                                    functieloon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het toewijzen van functieloon door de algemeen
                                directeur/gemeentesecretaris aan een medewerker kan plaatsvinden op
                                basis van een ‘match’ tussen competenties, kennis of loopbaanwensen
                                en de organiek beoogde taken alsmede zich aandienende specifieke
                                opdrachten. Naast kwaliteit en persoonlijke ontwikkeling, speelt
                                doelmatigheid in de afweging een rol.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het toewijzen van functieloon vindt in principe alleen plaats aan de
                                medewerker die de taken uit het basis - c.q. specifiek profiel
                                daarnaast goed tot zeer goed uitvoert.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het afdelingsplan is in beginsel de inhoudelijke, organieke basis
                                voor het maken van afspraken in het kader van functieloon.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Met de medewerker te maken afspraken in dit kader worden verankerd
                                in de vaststelling van een individueel werkplan op basis waarvan
                                nadien een beoordeling plaatsvindt.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Functieloon is een tijdelijke looncomponent die nooit de naast
                                hogere basisschaal (taak in relatie tot basis - c.q. specifiek
                                profiel/bandbreedte) kan overstijgen</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Het functieloon bestaat uit een vooraf vastgesteld bedrag per maand
                                berekend co artikel 7 lid 1 plus het toekennen van het bedrag van
                                één periodieke verhoging in de naast hogere basisschaal. Algemene
                                salarisverhogingen voortvloeiende uit CAO-afspraken zijn niet van
                                invloed op het vooraf vastgestelde bedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Het recht op functieloon wordt in beginsel toegekend voor maximaal
                                een periode van één jaar. Op basis van een beoordeling kan het
                                functieloon worden verlengd door de leidinggevende. De beoordeling
                                wordt vastgesteld door de algemeen directeur/gemeentesecretaris.
                                Functieloon, toegewezen door de algemeen
                                directeur/gemeentesecretaris, wordt niet langer toegekend dan een
                                periode van maximaal 3 jaar. Lid 3 en 4 van dit artikel zijn dan van
                                overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> Bij het niet leveren van de gewenste output, kan het functieloon
                                tussentijds door de leidinggevende worden stopgezet.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>Indien aan een medewerker een (andere) functie wordt toegekend dan
                                wordt het toegekende functieloon herzien en kan het hierdoor
                                vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Aanvullende beloning in de vorm van
                                    prestatieloon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het toewijzen van prestatieloon door de algemeen
                                directeur/gemeentesecretaris aan een medewerker kan plaatsvinden op
                                basis van een ‘match’ tussen competenties, kennis of loopbaanwensen
                                en de organiek beoogde taken alsmede zich aandienende specifieke
                                opdrachten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het toewijzen van prestatieloon vindt in principe alleen plaats aan
                                de medewerker die de taken uit het basis - c.q. specifiek profiel
                                goed tot zeer goed uitvoert.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het afdelingsplan is in beginsel de inhoudelijke, organieke basis
                                voor het maken van afspraken in het kader van prestatieloon.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Met de medewerker te maken afspraken in dit kader worden verankerd
                                in de vaststelling van een individueel werkplan op basis waarvan
                                nadien een beoordeling plaatsvindt. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Het prestatieloon bestaat uit een eenmalig bedrag ter hoogte van x
                                keer een maandbedrag, berekend conform artikel 7 lid 1 plus het
                                toekennen van het bedrag van één periodieke verhoging in de naast
                                hogere basisschaal. Algemene salarisverhogingen voortkomende uit
                                CAO-afspraken zijn niet van invloed op het vooraf vastgestelde
                                bedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Een nieuwe afspraak omrent het verkrijgen van een prestatieloon kan
                                na beoordeling van de leidinggevende na afloop van een</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Bij prestatieloon wordt een bedrag achteraf uitbetaald.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>Prestatieloon wordt niet uitbetaald indien de medewerker de
                                afgesproken prestatie door eigen toedoen niet behaalt.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>Indien aan een medewerker een (andere) functie wordt toegekend dan
                                wordt het toegekende prestatieloon herzien en kan het hierdoor
                                vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Aanvullende bepalingen bij functie- en
                                    prestatieloon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien een medewerker voortijdig uit dienst treedt zal het reeds
                                genoten functieloon niet worden teruggevorderd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien een medewerker voortijdig uit dienst treedt zal een gemaakte
                                afspraak omtrent een mogelijk te verkrijgen prestatieloon worden
                                beoordeeld en naar rato worden uitbetaald dan wel niet meer worden
                                uitbetaald.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De medewerker die volgens een garantieschaal wordt bezoldigd kan
                                niet voor het verkrijgen van een functieloon in aanmerking worden
                                gebracht.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De aan een medewerker toegekende functiegebonden garantietoelage
                                vervalt op het moment waarop de medewerker een functie wordt
                                toegekend waaraan een hogere basisschaal en basisloon is
                                verbonden.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Attenties</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Vanwege het leveren van een incidentele bijzondere prestatie kan
                                door de leidinggevende aan de medewerker een eenmalige ‘bijzondere
                                beloning’ worden toegekend in de vorm van een attentie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze ‘bijzondere beloning’ bedraagt, al naar gelang de prestatie,
                                een bedrag van maximaal € 250,= netto of een attentie van maximaal
                                dezelfde waarde, ongeacht de omvang van de betrekking. </al><tussenkop><vet>Artikel 15 Arbeidsmarkttoelage</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Een arbeidsmarkttoelage kan worden toegekend voor het aantrekken
                                c.q. het behouden van een medewerker die een (cruciale) schaarse
                                functie (gaat) vervullen en waarvan het niet in dienst treden of het
                                vertrek de organisatie ontwikkeling of dienstverlening substantieel
                                nadelig beïnvloedt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De leidinggevende kan een voorstel, voorzien van een advies vanuit
                                HRM, aan de Algemeen directeur voorleggen voor het toekennen van een
                                arbeidsmarkttoelage.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De Algemeen directeur is door het college gemandateerd tot het nemen
                                van besluiten tot het toekennen van een arbeidsmarkttoelage.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Een arbeidsmarkttoelage wordt toegekend voor een periode van
                                maximaal 3 jaren.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De hoogte van een arbeidsmarkttoelage bedraagt, maximaal, het
                                verschil tussen het maximum van de basisschaal en het maximum van de
                                naast hogere schaal.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Een arbeidsmarkttoelage eindigt op de vastgestelde vervaldatum.
                                Wanneer de situatie waarop de toelage is gebaseerd nog steeds
                                bestaat, kan conform het gestelde onder punt 1 opnieuw een voorstel
                                aan de Algemeen directeur worden gedaan voor het toekennen van een
                                toelage voor de duur van maximaal 3 jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Een arbeidsmarkttoelage is zowel persoons- als functiegebonden en
                                vervalt (eerder dan de vervaldatum) op het moment dat betrokkene de
                                dienst verlaat of een andere functie aanvaardt. </al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>Als naar aanleiding van een nieuwe indeling in een basis – c.q.
                                specifiek profiel de basisschaal hoger wordt, wordt de
                                arbeidsmarkttoelage geïncorporeerd c.q. vervalt deze.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>De eerder met een medewerker gemaakte afspraak over een
                                arbeidsmarkttoelage vóór de inwerkingtreding van deze regeling is
                                persoonsgebonden en blijft gehandhaafd voor de duur van de gemaakte
                                afspraak.</al><tussenkop><vet>Artikel 16 Moment van toekenning</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het toekennen of onthouden van een periodieke verhoging in de
                                basisschaal gaat in met ingang van 1 januari van enig jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het toekennen van een functieloon aan een medewerker alsmede het
                                verhogen, handhaven of beëindigen van een functieloon gaat, in
                                principe, in met ingang van 1 januari van enig jaar. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het toekennen van een prestatieloon aan een medewerker vindt, bij
                                wijze van eenmalige uitbetaling, plaats aan het einde van de
                                geleverde prestatie.</al><tussenkop><vet>Artikel 17 Kledingtoelage en
                                    werkkledingverstrekking</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar die krachtens aanwijzing door de leidinggevende over
                                werkkleding moet beschikken, ontvangt daarvoor een jaarlijkse
                                vergoeding van € 70,34. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar, bedoeld in lid 1, wordt, afhankelijk van de
                                werksituatie waarin hij zich bevindt, in de gelegenheid gesteld
                                gratis: </al><lijst><li nr="a"><al>eenmaal per kalenderjaar een paar werkschoenen in ontvangst
                                        te nemen of </al></li><li nr="b"><al> eenmaal in twee aaneen gesloten kalenderjaren een paar
                                        werklaarzen in ontvangst te nemen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De ambtenaar die in het daarvoor geldend tijdvak geen gebruik maakt
                                van de in lid 2. bedoelde gelegenheid, ontvangt bovenop de toelage,
                                genoemd in lid 1, een vergoeding van € 18,60 per kalenderjaar. </al><tussenkop><vet>Artikel 18 Overgangsbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor die situaties waarin ten aanzien van een medewerker tussen 1
                                januari 2010 en de dag van inwerkingtreding van deze regeling een
                                besluit omtrent de individuele beloning is genomen, zal het college
                                van burgemeester en wethouders, ervoor zorg dragen dat dit besluit
                                zal worden uitgevoerd op een zodanige wijze dat een betrokken
                                medewerker daar geen persoonlijk nadeel van zal ondervinden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Met de medewerker waarmee sedert 1 januari 2010 door de
                                leidinggevende reeds toekomstige afspraken omtrent het toekennen van
                                een functie - of prestatieloon zijn gemaakt, zullen deze, naar de
                                toekomst, worden gerespecteerd en nagekomen.</al><tussenkop><vet>Artikel 19 Nadere regels en
                                hardheidsclausule</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere
                                uitvoeringsregels stellen omtrent de procedure zoals opgenomen in
                                deze regeling, dit na verkregen instemming van de Commissie voor
                                Georganiseerd Overleg Venray.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet beslist het college van burgemeester en wethouders na
                                verkregen instemming van de Commissie voor Georganiseerd Overleg. </al><tussenkop><vet>Artikel 20 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de ‘bezoldigingsregeling
                                gemeente Venray’.</al><tussenkop><vet>Artikel 21 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling treedt in werking de dag na publicatie onder
                                gelijktijdige intrekking van de bestaande bezoldigingsregeling
                                gemeente Venray d.d. 27 juni 1972.</al></artikel><artikel><kop><titel>Collectieve sluiting</titel></kop><tussenkop><vet> Feestdagen</vet></tussenkop><al> Volgens de CAR-UWO zijn dat: Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede
                                Paasdag, Koninginnedag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede
                                Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag. Hiervoor hoef je geen verlof
                                in te leveren.</al><tussenkop><vet>Extra</vet></tussenkop><al>Het gemeentehuis is ook gesloten op Goede vrijdag, Carnavalsmaandag,
                                Carnavalsdinsdag, Bevrijdingsdag (5 mei) en het jaarlijkse uitstapje
                                (de Wij-dag) in juni. Hiervoor hoef je geen extra verlof in te
                                leveren. </al><al>Ga je niet mee met het jaarlijkse uitstapje op de Wij-dag dan moet
                                je hiervoor wel verlof inleveren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling melding financiële belangen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Verbod financiële belangen</al></li><li><al>Artikel 3 Melding financiële belangen</al></li><li><al>Artikel 4 Registratie</al></li><li><al>Artikel 5 Besluit college</al></li><li><al>Artikel 6 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 7 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Formulier melding financieel belang</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Medewerker:</vet> De ambtenaar als bedoeld in
                                        hoofdstuk 1, artikel 1:1, lid 1, artikel 1:2 en artikel
                                        1:2:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray
                                        alsmede de personen die anderszins in dienst van de gemeente
                                        Venray werkzaamheden verrichten. </al></li><li nr="b"><al><vet> Financiële belangen:</vet> Onder financieel belang
                                        wordt in ieder geval verstaan het bezit van effecten,
                                        vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond en een
                                        financiële deelneming in ondernemingen. Het college van
                                        burgemeester en wethouders is bevoegd andere financiële
                                        belangen aan te wijzen. </al></li><li nr="c"><al><vet> Registratie:</vet> De registratie van meldingen van
                                        financiële belangen zoals bedoeld in artikel 15:1f lid 3
                                        CAR. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Verbod financiële belangen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het is de medewerker overeenkomstig artikel 15:1f lid 4 CAR
                                verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en
                                transacties in effecten te verrichten, waardoor de goede vervulling
                                van de functie of de goede functionering van de openbare dienst niet
                                in redelijkheid zou zijn verzekerd. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Iedere medewerker is verplicht financiële belangen te melden, voor
                                zover de medewerker redelijkerwijs het vermoeden kan hebben dat het
                                hebben van of handelen in deze financiële belangen de goede
                                vervulling van de functie of goede functionering van de openbare
                                dienst, niet in redelijkheid is verzekerd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De medewerker maakt melding van de financiële belangen bij de
                                leidinggevende of de integriteitsbegeleider. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Ongeacht of een dergelijke melding is gedaan kan het college van
                                burgemeester en wethouders het hebben van of handelen in financiële
                                belangen waarvan het college van mening is dat de goede vervulling
                                van de functie of goede functionering van de openbare dienst niet in
                                redelijkheid is verzekerd, verbieden. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Melding financiële belangen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Medewerkers in de volgende functies worden geacht te zijn
                                aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van
                                financiële belangenverstrengeling of het risico van gebruik van
                                koersgevoelige informatie is verbonden: </al><lijst><li nr="-"><al>Medewerker grondzaken </al></li><li nr="-"><al>Medewerker subsidieverstrekking </al></li><li nr="-"><al>Medewerkers betrokken bij het verstrekken van leningen </al></li><li nr="-"><al>Medewerkers betrokken bij het verstrekken van garanties
                                    </al></li><li nr="-"><al>Medewerkers betrokken bij inkoop en aanbesteding </al></li><li nr="-"><al>Leidinggevende voor bovengenoemde functies </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Medewerkers als bedoeld in lid 1 melden aan het college van
                                burgemeester en wethouders de financiële belangen, dan wel bezit van
                                en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor
                                zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De melding wordt gedaan volgens het opgaveformulier melding
                                financiële belangen bij de integriteitsbegeleider. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders kan de medewerker
                                verzoeken om nadere informatie. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Registratie </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De registratie van financiële belangen geschiedt door middel van
                                opname van de gegevens die de medewerker door middel van het
                                opgaveformulier melding financiële belangen kenbaar maakt in een
                                daartoe bestemd register. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een door het college van burgemeester en wethouders hiervoor
                                aangewezen persoon is belast met de registratie van financiële
                                belangen. Bij de gemeente Venray is dit de
                                integriteitsbegeleider.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Besluit college</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien het college van burgemeester en wethouders van mening is dat
                                de gemelde financiële belangen de goede vervulling van de functie of
                                de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in
                                verband staan met de functievervulling, niet in redelijk is
                                verzekerd, ontvangt de medewerker een gemotiveerd besluit omtrent de
                                financiële belangenverstrengeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien er sprake is van financiële belangenverstrengeling wordt in
                                samenspraak met de betrokken medewerker naar een oplossing gezocht. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> In het uiterste geval is de medewerker verplicht het financiële
                                belang af te stoten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Bij het aanhouden van de verboden financiële belangen kan een
                                disciplinaire straf worden opgelegd. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling melding
                                financiële belangen gemeente Venray”. </al><tussenkop><vet>Formulier melding financieel belang</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Formulier melding financieel belang</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling FPU</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Extra faciliteiten</al></li><li><al>Artikel 2 Het informeren van de ondernemingsraad</al></li><li><al>Artikel 3 Onvoorziene gevallen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Extra faciliteiten</vet></tussenkop><al> Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een
                                later moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zelf
                                als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor: </al><lijst><li nr="a"><al>extra verlof; </al></li><li nr="b"><al> een ruimere toekenning van de studiefaciliteiten dan op
                                        grond van hoofdstuk 17 Uitwerkingsovereenkomst (UWO)
                                        mogelijk is; </al></li><li nr="c"><al> een financiële tegemoetkoming; </al></li><li nr="d"><al> een aanpassing van de betrekking; </al></li><li nr="e"><al> een aanpassing anderszins. </al></li></lijst><al>Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een
                                vroeger moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zelf
                                als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor een
                                financiële bijdrage of een stimulans anderszins. </al><tussenkop><vet>Artikel 2 Het informeren van de
                                ondernemingsraad</vet></tussenkop><al> De ondernemingsraad wordt geïnformeerd over de toepassing van deze
                                regeling en de invulling van het lokaal beschikbare budget voor deze
                                regeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al> Voor gevallen waarin deze verordening niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, treffen burgemeester en wethouders een bijzondere
                                voorziening. </al></artikel><artikel><kop><titel>Functieraster met basis- en specifieke profielen per 1 juli
                                    2014</titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto12" type="foto" id="i267756"></illustratie></plaatje></al><lijst><li nr="-"><al>1e echelon Leidinggevenden : directeur, indeling via College
                                        van B&amp;W vast te stellen </al></li><li nr="-"><al> 2e echelon Leidinggevenden : afdelingsmanagers </al></li><li nr="-"><al> 3e echelon : coördinatoren </al></li><li nr="-"><al> Projectleiders : projectleiders en - managers </al></li><li nr="-"><al> Beleidsadviseurs : strategisch adviseurs</al></li><li nr="-"><al> Beleidsuitvoerder : uitvoerende beleid gerelateerde
                                        functies </al></li><li nr="-"><al> Adviseurs : advies functies </al></li><li nr="-"><al> Juristen : juristen functies </al></li><li nr="-"><al> Dienstverleners : uitvoerende functies</al></li><li nr="-"><al> Uitvoerende en kaderstellende toezichthouders en handhavers
                                        : functies toezicht - en handhaving </al></li><li nr="-"><al> Secretariële dienstverleners : project- assistent,
                                        secretariële en administratieve functies</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Regeling rechtspositie griffie</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 CAR-UWO</al></li><li><al>Artikel 3 Lokale verordeningen</al></li><li><al>Artikel 4 Operationeel leidinggevende</al></li><li><al>Artikel 5 Functieniveau griffier</al></li><li><al>Artikel 6 Mutaties in rechtspositie</al></li><li><al>Artikel 7 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Artikel 8 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Ambtenaar:</vet>hij die door of vanwege de gemeenteraad
                                        is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn bij de
                                        griffie alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                        burgerlijk recht is aangegaan ten behoeve van het vervullen
                                        van werkzaamheden binnen de griffie;</al></li><li nr="b"><al><vet>Werkgever:</vet>de gemeenteraad is werkgever van de
                                        griffie(r) en in de feitelijke uitvoering van
                                        werkgeverstaken treedt het seniorenconvent (of een
                                        vertegenwoordiging) als zodanig namens de raad op.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 CAR-UWO</vet></tussenkop><al> De Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray is voor wat betreft
                                de bepalingen van de CAR-UWO (en lokale regelingen) onverkort van
                                toepassing op de medewerkers van de griffie zoals benoemd in artikel
                                1. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Lokale verordeningen</vet></tussenkop><al> Diverse verordeningen van de lokale arbeidsvoorwaarden van de
                                gemeentelijke organisatie zijn eveneens van toepassing op de
                                medewerkers van de griffie zoals benoemd in artikel 1. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Operationeel leidinggevende</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor wat betreft de bepalingen van de rechtspositie van artikel 2
                                en 3 wordt aanvullend bepaald dat de griffier als operationeel
                                leidinggevende voor de griffiemedewerkers optreedt en (een
                                vertegenwoordiging van het) seniorenconvent als operationeel
                                leidinggevende voor de griffier. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Daar waar in de regelingen als bedoeld in artikel 2 en 3 wordt
                                gesproken over de bevoegdheden van het college dient in het kader
                                van deze rechtspositie het college vervangen te worden door de
                                gemeenteraad. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Functieniveau griffier</vet></tussenkop><al> In afwijking van de artikelen van de lokale regelgeving zoals
                                benoemd in artikel 3 sub a en c wordt het functieniveau van de
                                griffier met ingang van 1 januari 2004 niet zoals voorgeschreven
                                methodisch bepaald maar aangewezen op twee niveaus onder het
                                functieniveau van de gemeentesecretaris. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Mutaties in rechtspositie</vet></tussenkop><al> In de rechtspositie als bedoeld in artikel 2 en 3 kunnen mutaties
                                optreden als gevolg van landelijke of lokale ontwikkelingen. Deze
                                besluitvorming werkt door in de rechtspositie van de griffie tenzij
                                hieromtrent beargumenteerd wordt afgeweken. In het laatste geval is
                                besluitvorming door het seniorenconvent vooraf vereist, in alle
                                andere gevallen vindt melding van de mutaties in de regelgeving
                                plaats aan het seniorenconvent. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling treedt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 in
                                werking tenzij door de terugwerkende kracht materieel
                                verslechteringen optreden voor de medewerkers van de griffie die ten
                                tijde van besluitvorming in dienst zijn. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Citeertitel</vet></tussenkop><al> Deze regeling is vastgesteld per 28 juni 2005 en kan worden
                                aangehaald als “regeling rechtspositie griffie gemeente Venray”.
                            </al></artikel><artikel><kop><titel>Nadere uitvoeringsregels hardheidsclausule bij ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In elk individueel geval dient door de bedrijfsarts
                                        objectief vastgesteld te worden dat sprake is van een
                                        levensbedreigende ziekte. </al></li><li nr="2"><al> De bedrijfsarts brengt hieromtrent schriftelijk rapport
                                        uit. </al></li><li nr="3"><al> Als dat is komen vast te staan wordt gedurende de
                                        ziekteperiode de bezoldiging 100% doorbetaald. </al></li><li nr="4"><al> De afspraken worden schriftelijk vastgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>HR-frictiebeleid</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>1. Inleiding</al></li><li><al>2. Personele fricties</al></li><li><al>3. Ziekte</al></li><li><al>4. Organisatieverandering</al></li><li><al>5. Plichtsverzuim</al></li><li><al>6. Disfunctioneren</al></li></lijst><tussenkop><vet>1. Inleiding</vet></tussenkop><al>Gemeenten worden steeds meer geconfronteerd met veranderingen.
                                Nieuwe vormen van dienstverlening, regionale samenwerking,
                                arbeidsmarktontwikkeling, bezuinigingen en digitalisering zijn aan
                                de orde van de dag. Bovendien proberen we ons zelf steeds verder te
                                verbeteren. Het hebben van de juiste medewerkers op de juiste plaats
                                is hierbij essentieel en zal in de toekomst alleen nog maar
                                toenemen. Functies, de gevraagde kennis en competenties zijn
                                hierdoor constant aan verandering onderhevig. Dit vraagt om een
                                flexibele en daadkrachtige organisatie, waarbij hoge en soms nieuwe
                                eisen aan medewerkers moeten kunnen worden gesteld. Tegelijkertijd
                                is er sprake van een toegenomen verantwoordelijkheid van werkgevers
                                voor de re-integratie bij (dreigende) werkeloosheid en
                                arbeidsongeschiktheid voor diezelfde medewerkers. In de
                                bedrijfsvoeringfilosofie van de gemeente Venray speelt de realisatie
                                van het veranderings- en aanpassingsvermogen van de organisatie een
                                prominente rol.</al><al>Vanuit dit kader worden de nodige inspanningen van de gemeente
                                Venray en haar medewerkers gevraagd. Met medewerkers in gesprek
                                gaan, kwaliteiten benutten, resultaten realiseren, bewust belonen,
                                ontwikkelen, ziekteverzuimpreventie, re-integratieactiviteiten,
                                organisatieveranderingen en aanspreken op verantwoordelijkheden
                                vraagt aandacht en investering. De uitgangspunten in o.a. de nota
                                ‘Samen Werken aan Partnerschap’, ‘Talent voor de klant’ en ‘Venray
                                waardeert mensen’ met de hierop gebaseerde personeelsinstrumenten
                                bieden daarvoor een solide basis. Ook wordt levensfasebewust
                                personeelsbeleid ingezet met als doel via inzet van
                                personeelsinstrumenten een goede afstemming te bereiken tussen de
                                (veranderende) doelen van de organisatie en de wensen, behoeften en
                                mogelijkheden van de medewerkers om een duurzame en optimale
                                inzetbaarheid van de medewerkers voor de organisatie te
                                realiseren.</al><al>Desondanks zullen door de dynamische omgeving en verhoogde eisen aan
                                organisatie en medewerkers onvermijdelijk ook personele fricties
                                optreden. Het is van belang om bij personele fricties adequaat
                                maatwerk te kunnen leveren en tegelijkertijd op een juridisch
                                correcte en uniforme wijze te handelen. Het oplossen van een
                                situatie van ‘personele frictie’ vraagt om een actieve inzet van
                                zowel het management als de medewerker(s).</al><al>In het ‘HR Frictiebeleid’ staan de kaders om het proces bij
                                personele fricties als gevolg van ziekte, organisatieverandering,
                                plichtsverzuim en disfunctioneren vorm te geven. Het HR
                                Frictiebeleid is gebaseerd op de landelijke en lokale wet- en
                                regelgeving. De gefragmenteerde bepalingen zijn met lokale
                                beleidslijnen samengebracht in één overzichtelijk document. Hierbij
                                is in het bijzonder aangesloten op de collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten (CAR/UWO).
                                Hiermee ontstaat enerzijds een sociaal beleid voor medewerkers en
                                anderzijds een handvat voor het management om op een eigentijdse
                                wijze de visie en doelstellingen van de gemeente Venray te kunnen en
                                blijven realiseren. Leidinggevende dient in deze nota bij
                                voorkomende activiteiten en besluiten ‘de naast hogere
                                leidinggevende’ gelezen te worden. Medewerkers van het team HRM
                                ondersteunen het management bij het toepassen van het HR
                                Frictiebeleid van de gemeente Venray.</al><tussenkop><vet>2. Personele fricties</vet></tussenkop><al>Het HR Frictiebeleid is van toepassing op medewerkers die in dienst
                                zijn van de gemeente Venray. De leidinggevenden hebben diverse
                                personeelsinstrumenten om medewerkers optimaal te kunnen laten
                                functioneren. Denk daarbij aan de gesprekkencyclus, bewust belonen,
                                opleidingen, coaching etc. Desondanks zullen door de dynamische
                                omgeving en verhoogde eisen aan de organisatie en medewerkers
                                onvermijdelijk personele fricties optreden. De meest voorkomende
                                personele fricties zijn ziekte, organisatieverandering,
                                plichtsverzuim en disfunctioneren. Het is belangrijk dat de
                                leidinggevende samen met de HRM adviseur de oorzaak bepaalt van de
                                personele frictie. De oorzaak bepaalt het spoor c.q. vervolgtraject
                                behorende bij de frictie. Deze staan in het onderstaande schema
                                weergegeven en worden vervolgens per spoor beschreven.</al><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto13" type="foto" id="i267757"></illustratie></plaatje></al><tussenkop><vet>3. Ziekte</vet></tussenkop><al>Is de personele frictie een oorzaak van ziekte, dan dient de
                                werkgever er alles aan te doen om de zieke medewerker te laten
                                re-integreren. De medewerker is verplicht om mee te werken aan de
                                reintegratie. Hierbij moet voldaan worden aan diverse wet- en
                                regelgeving. De bedrijfsarts moet na 6 weken een probleemanalyse
                                opstellen en een advies geven over de re-integratie. Op basis
                                hiervan dient de leidinggevende (casemanager) na 8 weken ziekte een
                                plan van aanpak op te stellen met o.a. het doel van de
                                re-integratieactiviteiten, welke inspanningen van de werkgever en
                                medewerker verwacht worden en de evaluatiemomenten. Het plan van
                                aanpak wordt periodiek geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. De
                                leidinggevende moet ten aanzien van een zieke medewerker zo snel
                                mogelijk maatregelen treffen die een zieke medewerker in de
                                gelegenheid stelt zijn eigen of passende arbeid te verrichten. Als
                                de eigen arbeid niet meer kan worden verricht, moet de
                                leidinggevende bezien of andere arbeid binnen de eigen organisatie
                                mogelijk is. Als ook binnen de eigen organisatie geen werk
                                voorhanden is, moet de leidinggevende zich inspannen om
                                re-integratie van de medewerker bij een andere organisatie mogelijk
                                te maken.</al><al>Aan het eind van het eerste ziektejaar moet door de leidinggevende
                                een eerstejaarsevaluatie opgemaakt worden, waarin de leidinggevende
                                en medewerker terugblikken op de re-integratie. Zo nodig wordt de
                                re-integratiekoers voor het tweede jaar bijgesteld. Vanaf dat moment
                                mogen reintegratieactiviteiten met het oog op een andere werkgever
                                slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat
                                op hervatting in de eigen organisatie. Zieke medewerkers mogen
                                gedurende de eerste twee jaar van ziekte niet definitief herplaatst
                                of ontslagen worden.</al><al>Voor medewerkers die twee jaar lang ziek zijn geweest, kan recht
                                bestaan op een uitkering op grond van de WIA (Wet Werk en Inkomen
                                naar Arbeidsvermogen). Het re-integratiedossier wordt aan het eind
                                van het tweede ziektejaar op aanvraag beoordeeld door het UWV
                                (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen). Bij onvoldoende
                                inspanningen kan het UWV sancties opleggen (bijvoorbeeld
                                loondoorbetaling of aanvullingen re-integratieverslag). De WIA maakt
                                onderscheid tussen enerzijds gedeeltelijk arbeidsgeschikt en
                                anderzijds volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Medewerkers die
                                tussen de 65 en 20 procent arbeidsgeschikt zijn, krijgen een
                                uitkering op grond van de regeling WGA (Regeling werkhervatting
                                gedeeltelijk arbeidsgeschikten). Medewerkers die meer dan 80 procent
                                arbeidsongeschikt zijn en waarbij herstel niet waarschijnlijk is,
                                krijgen een uitkering volgens de regeling IVA (Regeling
                                inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten).</al><al>In tegenstelling tot medewerkers die volledig arbeidsongeschikt zijn
                                en na twee jaar ontslagen kunnen worden wegens volledige
                                arbeidsongeschiktheid, is voor medewerkers die gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt zijn een derde ziektejaar van toepassing. Tijdens
                                dit derde ziektejaar gelden dezelfde rechten en plichten als tijdens
                                de twee jaar van ziekte. Het definitief herplaatsen vanaf die datum
                                is gebonden aan voorwaarden. Als er niet is herplaatst, dan volgt na
                                drie jaar ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop><vet><cursief>Vangnet personele fricties bij ziekte
                                    </cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De afdeling krijgt vanaf de derde ziekteweek, voor het niet
                                        arbeidsgerelateerde deel van de zieke medewerker,
                                        compensatiegelden in het lumpsum. Hiermee kan de inzet van
                                        tijdelijk personeel (vervanging) en de re-integratie van de
                                        zieke medewerker worden gefinancierd.</al></li><li nr="-"><al>Indien werkhervatting in de eigen functie op lange termijn
                                        uitgesloten is en dit wordt bevestigd door de bedrijfsarts
                                        en eventuele arbeidsdeskundige kan de leidinggevende de
                                        gemeentesecretaris / algemeen directeur verzoeken om de
                                        medewerker bovenformatief te stellen. De kosten van
                                        bovenformativiteit komen ten laste van het budget personele
                                        frictie. De re-integratie-inspanningen blijven ook tijdens
                                        de bovenformativiteit bestaan, maar de functie van de zieke
                                        medewerker kan vanaf dat moment weer definitief worden
                                        ingevuld.</al></li><li nr="-"><al>Kosten voor re-integratie en onderzoek bij de personele
                                        fricties (o.a. deskundigenoordeel, inzet
                                        re-integratiebureaus, detachering, arbeidsdeskundig
                                        onderzoek) ziekte komen ten laste van het lumpsum van de
                                        betreffende afdeling tot een bedrag van € 7500,- per
                                        medewerker per jaar. De meerkosten komen ten laste van het
                                        budget personele frictie.</al></li><li nr="-"><al>De zieke medewerker heeft bij een mogelijkheid tot
                                        definitieve herplaatsing (na 24 maanden) een
                                        voorrangspositie zoals die van toepassing is op kandidaten
                                        in een re-integratiefase zoals bedoeld in hoofdstuk 10d
                                        CAR/UWO. </al></li></lijst><tussenkop><vet>4. Organisatieverandering</vet></tussenkop><al>In het verleden was organisatieverandering doorgaans een vrij
                                statisch proces.Organisatieverandering vindt tegenwoordig niet meer
                                met horten en stoten plaats, maar is een continu en vloeiend proces.
                                Meestal hebben deze veranderingen consequenties voor het personeel.
                                Er kan onderscheid gemaakt worden in verandering die resulteert in
                                een meer ingrijpende organisatieverandering (bijvoorbeeld een
                                kanteling of herindeling) of in een minder ingrijpende
                                organisatieverandering(bijvoorbeeld het wijzigen/ vervallen van
                                functies of herschikken van taken binnen een team). Bij twijfel over
                                de keuze of het een meer of minder ingrijpende
                                organisatieverandering betreft, neemt het college van B&amp;W
                                hierover een besluit. Iedere organisatieverandering in dit kader die
                                consequenties heeft voor meer dan één medewerker wordt ter
                                informatie voorgelegd aan de Ondernemingsraad (OR). Indien de OR het
                                niets eens is met de keuze voor de aard van de
                                organisatieverandering, dan kan ze dit aangeven in de
                                overlegvergadering. Ontslag op grond van organisatieverandering is,
                                individuele gevallen uitgezonderd, alleen mogelijk op basis van een
                                vooraf vastgesteld plan. Op de meer ingrijpende
                                organisatieveranderingen is het sociaal statuut van de gemeente
                                Venray van toepassing. Op de minder ingrijpende
                                organisatieveranderingen zijn de kaders uit dit HR Frictiebeleid van
                                toepassing.</al><al>Een meer ingrijpende organisatieverandering is een belangrijke
                                reductie van de formatieomvang, een wijziging van het organogram
                                en/of een wijziging van het takenpakket (van een deel ) va de
                                organisatie die nadelige gevolgen heeft – of kan hebben – voor
                                medewerkers. Op deze vorm van organisatieverandering is het ‘Sociaal
                                Statuut van de gemeente Venray’ van toepassing. Het doel van dit
                                statuut is het zorgvuldig, uniform en sociaal verantwoord laten
                                verlopen van dergelijke processen. Het is daarmee een uitgebreide
                                regeling over de rechten en plichten voor werkgever en medewerker
                                bij organisatieveranderingen, privatisering en publiekrechtelijke
                                taakoverheveling met uitzondering van de gemeentelijke herindeling.
                                Belangrijke aspecten die hierbij aan de orde komen zijn de
                                procedures bij een organisatieverandering , medezeggenschapsorganen,
                                salarisconsequenties en andere vergoedingen. Voor de exacte inhoud
                                wordt verwezen naar “het sociaal statuut van de gemeente Venray”.
                                Elke organisatieverandering is echter uniek, waardoor een algemeen
                                geldend sociaal statuut niet in alle gevallen voldoende is. Het zal
                                soms nodig zijn om op basis van het sociaal statuut een aanvullend
                                sociaal plan op te stellen.</al><al>Bij minder ingrijpende organisatieveranderingen waarop het sociaal
                                statuut niet van toepassing is, gelden de kaders zoals geformuleerd
                                in dit hoofdstuk van het HR Frictiebeleid. Denk daarbij aan
                                personele fricties als gevolg van het wijzigen/vervallen van
                                functies en herschikking van taken binnen een team. Zodra duidelijk
                                is dat de functie van de medewerker of de functies van een kleine
                                groep medewerkers worden opgeheven en de betrokken medewerker(s)
                                niet meer terugkomt op zijn functie, wordt het besluit tot
                                boventalligheid genomen. Vanaf de datum dat dit besluit in werking
                                treedt, gaat de bemiddelingstermijn lopen. Deze termijn bedraagt
                                twee jaar, maar kan afhankelijk van omstandigheden ook korter of
                                langer zijn. Daarna start het Van Werk Naar Werkonderzoek. Dit
                                onderzoek kan al beginnen vóór de inwerkingtreding van het besluit
                                tot boventalligheid. In elk geval dient het te zijn afgerond binnen
                                een maand na deze datum.Voor de overige bepalingen met betrekking
                                tot het VWNW-traject zij verwezen naar paragraaf 5 van hoofdstuk 10d
                                CAR-UWO.Het VWNW-contract eindigt als er ander werk wordt gevonden.
                                Mocht dit niet het geval zijn binnen de termijn van twee jaar, dan
                                kan het VWNW-contract in uitzonderlijke gevallen nog eenmaal worden
                                verlengd. De adviezen van de betrokken loopbaanadviseur en de
                                evaluatieverslagen die worden gemaakt tijdens het VWNW-traject
                                spelen een rol bij dit besluit.</al><al>Het college van B&amp;W is bevoegd om drie maanden voor het einde
                                van het VWNW-contract een ontslagbesluit te nemen, met als
                                ontslagdatum de dag na het verstrijken van de VWNW-termijn. Als het
                                college van B&amp;W niet tot verlenging van het contract besluit,
                                dan wordt het ontslag, dat al is aangezegd, geëffectueerd.</al><al>Indien een passende functie voorhanden is, zal de leidinggevende in
                                overleg met de HRM adviseur een plaatsingsadvies richten aan het
                                college van B&amp;W. Het college van B&amp;W neemt een voorgenomen
                                besluit over de herplaatsing in de passende functie. Indien de
                                medewerker bedenkingen heeft ten aanzien van dit voornemen, dan kan
                                deze hierover mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen. De
                                gemeentesecretaris/ algemeen directeur, leidinggevende en HRM
                                adviseur maken minimaal deel uit van de zienswijzencommissie. Van
                                een mondelinge zienswijze wordt verslag opgemaakt en ondertekend
                                door beide partijen. Het college van B&amp;W neemt uiteindelijk, met
                                inachtneming van een mogelijke zienswijze, een herplaatsingbesluit
                                en maakt dit schriftelijk kenbaar aan de medewerker. Bij een
                                herplaatsing als gevolg van een organisatieverandering zijn de
                                bepalingen uit het sociaal statuut van de gemeente Venray t.a.v. de
                                ‘gevolgen bij herplaatsing’ van overeenkomstige toepassing. Indien
                                de medewerker weigert de passende functie te aanvaarden, kan ontslag
                                worden verleend.</al><tussenkop><vet><cursief>Vangnet personele fricties bij
                                        organisatieveranderingen </cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De kosten van de re-integratiefase komen ten laste van het
                                        budget personele frictie.</al></li><li nr="-"><al>Aanloopkosten van een organisatieverandering (waarop het
                                        sociaal statuut niet van toepassing is) komen ten laste van
                                        het lumpsum van de betreffende afdeling tot een bedrag van €
                                        7500,- per medewerker per jaar. De meerkosten komen ten
                                        laste van het budget personele frictie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>5. Plichtsverzuim </vet></tussenkop><al>Een medewerker is verplicht de betrekking nauwgezet en ijverig te
                                vervullen en zich te gedragen zoals een ‘goed ambtenaar’ betaamt.
                                Wanneer een medewerker zijn verplichtingen niet nakomt of zich
                                anderszins niet gedraagt zoals dat van hem verwacht mag worden, kan
                                de leidinggevende hem trachten bij te sturen. Door middel van
                                (beoordelings)gesprekken, afspraken en mondelinge of schriftelijke
                                waarschuwingen kan getracht worden het functioneren van de
                                medewerker te verbeteren. Het is van belang om vast te stellen of er
                                sprake is van plichtsverzuim of disfunctioneren wegens
                                arbeidsongeschiktheid/ onbekwaamheid. Is de personele frictie het
                                gevolg van plichtverzuim, dan kan aan de medewerker een
                                disciplinaire straf worden opgelegd. Het is van belang dat de
                                leidinggevende bij het vaststellen van plichtsverzuim zorgvuldig te
                                werk gaat. Plichtsverzuim kan gesanctioneerd worden met een aantal
                                disciplinaire maatregelen. Deze straffen lopen uiteen van een
                                schriftelijke berisping tot ontslag als disciplinaire
                                maatregel.</al><al> Voorafgaand aan het opleggen van een disciplinaire maatregel wegens
                                plichtsverzuim zal een onderzoek verricht worden om een goede
                                afweging te maken. Alleen bij een zeer ernstig vergrijp kan direct
                                een disciplinaire straf worden opgelegd. Tijdens het onderzoek kan
                                de medewerker geschorst worden als orde maatregel. Het college van
                                B&amp;W moet na het onderzoek middels een voorgenomen besluit aan de
                                medewerker kenbaar maken welke disciplinaire straf het op wil
                                leggen. Daarbij moet aangegeven worden wat de redenen daarvoor zijn.
                                Ook de ernst van het plichtsverzuim in relatie tot de strafmaatregel
                                moet worden benoemd. Bij de keuze voor een strafmaatregel speelt de
                                evenredigheid tussen de straf en het gepleegde plichtsverzuim een
                                belangrijke rol. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: zeer
                                ernstig plichtsverzuim, ernstig plichtsverzuim of gewoon
                                plichtsverzuim. Jurisprudentie geeft richting aan deze keuze. Na het
                                voorgenomen besluit krijgt de medewerker de kans om zich te
                                verantwoorden. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Betrokkene
                                dient allereerst te worden gehoord, indien deze niet schriftelijk
                                plaatsvindt, om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. De
                                gemeentesecretaris/ algemeen directeur, leidinggevende en HRM
                                adviseur maken minimaal deel uit van de hoorcommissie. Dit horen kan
                                pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan niet
                                later gebeuren dan na 12 dagen na ontvangst van de schriftelijke
                                mededeling waarin het voornemen tot het opleggen van een
                                disciplinaire straf wordt aangekondigd. Een medewerker kan aangeven
                                of deze het eens is met de mening van de werkgever over zijn gedrag.
                                Ook kunnen er verzachtende omstandigheden worden aangevoerd. Een
                                medewerker heeft het recht om zich daarbij te laten bijstaan of
                                vertegenwoordigen door een raadsman. Van het horen (mondeling of
                                schriftelijk) wordt binnen 36 uur een verslag opgemaakt, dat na
                                voorlezing wordt getekend door de door het college aangewezen
                                hoorcommissie en door de medewerker. Weigert de medewerker de
                                ondertekening, dan wordt daarvan in het verslag, zo mogelijk met
                                vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het
                                verslag wordt aan de medewerker uitgereikt.</al><al>Het college van B&amp;W neemt na deze verantwoordingsfase een
                                definitief besluit over welke disciplinaire maatregel eventueel
                                wordt opgelegd. Het college van B&amp;W moet aan de medewerker
                                schriftelijk laten weten welke disciplinaire straf het oplegt.
                                Indien een medewerker tevens is geschorst wordt deze, indien niet
                                besloten wordt tot ontslag, schriftelijk bericht over de intrekking
                                van de schorsing.</al><tussenkop><vet><cursief>Vangnet personele fricties bij plichtsverzuim
                                    </cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al> Kosten ter compensatie van de medewerker die van
                                        plichtsverzuim is beschuldigd en mogelijk is geschorst komen
                                        ten laste van het lumpsum van de afdeling.</al></li><li nr="-"><al> Kosten voor het onderzoek om het plichtsverzuim aan te
                                        tonen komen ten laste van het lumpsum van de afdeling.</al></li><li nr="-"><al>Het is niet mogelijk de medewerker bovenformatief te
                                        plaatsen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>6. Disfunctioneren</vet></tussenkop><al>Het personeel is de succesfactor van de organisatie. Indien een
                                personele frictie ontstaat die het gevolg is van disfunctioneren
                                dient hier zo snel mogelijk aandacht voor te zijn. Van
                                disfunctioneren is in het algemeen sprake als een medewerker niet
                                voldoet aan de functie-eisen behorend bij de functie. Er is sprake
                                van onvoldoende kennis / kunde en vaardigheden, onjuiste mentaliteit
                                / instelling of een kennelijk onvermogen de eigen functie te
                                vervullen. Uitgangspunt bij dreigend disfunctioneren moet zijn het
                                verbeteren van het functioneren, zodat zowel medewerker als
                                werkgever tevreden zijn. Indien bijsturing en begeleiding van de
                                leidinggevende niet resulteert in een verbetering, dan dient zo
                                spoedig mogelijk een functioneringstraject opgestart te worden.</al><al>Een zorgvuldig functioneringstraject begint met een gesprek tussen
                                leidinggevende en medewerker over het functioneren. Hierbij komt
                                minimaal het functioneren tot op heden, het verbeterplan, de
                                aankondiging en proces van het beoordelingstraject aan de orde. Het
                                is belangrijk om concrete feiten of omstandigheden te benoemen
                                waaruit blijkt dat de medewerker niet de geschikte persoon is voor
                                zijn functie. In het verbeterplan moet de gewenste situatie,
                                verbeterpunten, tijdspad en begeleiding vanuit de werkgever staan
                                omschreven. De uitvoering van het verbeterplan moet regelmatig
                                worden geëvalueerd, zodat de ontwikkelingen voor zowel de
                                leidinggevende als de medewerker helder zijn. De medewerker zal
                                aantoonbaar in de gelegenheid gesteld moeten worden om het
                                functioneren binnen een bepaalde tijd te verbeteren op straffe van
                                bijvoorbeeld overplaatsing of ontslag. Deze evaluatiemomenten worden
                                schriftelijk vastgelegd.</al><al>Na afloop van de periode van het verbetertraject wordt in de meeste
                                gevallen een beoordeling opgemaakt. De beoordeling wordt ondertekend
                                door de leidinggevende. Voordat de gemeentesecretaris/ algemeen
                                directeur de beoordeling definitief vaststelt is er een mogelijkheid
                                tot het indienen van een zienswijze (mondeling of schriftelijk) door
                                de medewerker. De zienswijzeperiode loopt tot twee weken na de dag
                                van uitreiking van de beoordeling. De medewerker kan tekenen voor
                                akkoord of gezien. De beoordeling wordt opnieuw ondertekend door de
                                leidinggevende. Vervolgens wordt de beoordeling met inachtneming van
                                de zienswijze ter vaststelling voorgelegd aan de gemeentesecretaris/
                                algemeen directeur.</al><al>Bij blijvend disfunctioneren kan het college van B&amp;W een
                                voorgenomen besluit nemen tot ontslag wegens
                                onbekwaamheid/ongeschiktheid. Het voorgenomen ontslagbesluit omvat
                                de redenen voor het betreffende ontslag en wordt schriftelijk samen
                                met een concept re-integratieplan aan de medewerker kenbaar gemaakt.
                                De medewerker heeft de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen
                                over het voorgenomen ontslagbesluit en het concept
                                re-integratieplan. De zienswijzeperiode loopt tot twee weken na de
                                dag van uitreiking van het voorgenomen ontslagbesluit en het concept
                                re-integratieplan. Met inachtneming van de zienswijze wordt door het
                                college van B&amp;W een definitief besluit genomen over het
                                voorgenomen ontslag wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid en stelt het
                                re-integratieplan vast. Deze besluiten worden schriftelijk aan de
                                medewerker kenbaar gemaakt.</al><al>Aansluitend op een ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid volgt
                                de verplichte reintegratiefase uit de CAR/UWO, met alle daarbij
                                behorende rechten en plichten. Deze fase kan 0 tot en met 12 maanden
                                duren, afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente
                                waaruit ontslag plaatsvindt. Hierdoor is de ontslagdatum later dan
                                het ontslagbesluit. In de ontslagbrief en het ontslagbesluit worden
                                de feitelijke ontslagdatum opgenomen. Om werkloosheid zoveel
                                mogelijk te voorkomen, zijn de werkgever en de medewerker verplicht
                                tijdens deze fase aantoonbare inspanningen te verrichten voor het
                                vinden van een nieuwe baan (in- en extern). Tijdens de
                                reintegratiefase krijgt de medewerker bij de invulling van interne
                                vacatures de voorkeur boven de overige kandidaten indien en voor
                                zover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
                                Tevens zal het re-integratieplan worden uitgevoerd. In het
                                re-integratieplan zijn afspraken opgenomen over de
                                re-integratie-inspanningen die van de werkgever en medewerker
                                verlangd worden. Met de medewerker zijn afspraken gemaakt worden
                                over begeleiding, outplacement of loopbaanoriëntatie. Bij
                                beëindiging van de re-integratiefase wordt de medewerker hierover
                                schriftelijk geïnformeerd.</al><tussenkop><vet><cursief>Vangnet personele fricties bij disfunctioneren
                                    </cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Kosten ter compensatie van een disfunctionerende medewerker
                                        en ten behoeve van de verbetering van het functioneren komen
                                        ten laste van het lumpsum van de afdeling.</al></li><li nr="-"><al>De kosten van de re-integratiefase komen ten laste van het
                                        budget personele frictie.</al></li><li nr="-"><al>Het is niet mogelijk de medewerker bovenformatief te
                                        plaatsen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Inconveniëntenwaarderingsregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Algemeen</al></li><li><al>Artikel 3 Onderzoek</al></li><li><al>Artikel 4 Incwa-methodiek (gezichtspunten)</al></li><li><al>Artikel 5 Incwa-methodiek (zwaarte inconveniënt)</al></li><li><al>Artikel 6 Compensatie</al></li><li><al>Artikel 7 Afbouwregeling</al></li><li><al>Inconveniëntenwaarderingsformulier</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><al> Deze regeling verstaat onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>inconveniënt:</vet> de omstandigheid, voortvloeiend uit
                                        het werk, de werkmethode, de werkomgeving en/of de werktijd,
                                        die - afhankelijk van de algemeen maatschappelijke factoren
                                        - als bezwarend wordt ervaren, die in redelijkheid niet
                                        vermijdbaar is en die als zodanig een extra beroep doet op
                                        de bereidheid onder dergelijke omstandigheid te werken;
                                    </al></li><li nr="b"><al><vet>incwa-methodiek:</vet> de
                                        inconveniëntenwaarderingsmethodiek zoals in deze regeling is
                                        opgenomen;</al></li><li nr="c"><al><vet> ambtenaar:</vet> de medewerker op wie de
                                        bezoldigingsregeling van toepassing is; </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Algemeen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar met een functie waaraan inconveniënten verbonden zijn,
                                ontvangt een toelage volgens door het college te stellen regelen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Deze regeling is niet van toepassing op die inconveniënten waarin,
                                middels een compensatie, reeds is voorzien ingevolge het bepaalde in
                                de hoofdstuk 3 CAR/UWO, de bezoldigingsregeling en de
                                wachtdienstregeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Onderzoek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Naar het bestaan van inconveniënten wordt een onderzoek ingesteld: </al><lijst><li nr="a"><al>bij inwerkingtreding van deze regeling; </al></li><li nr="b"><al>bij wijzigingen in de samenstelling van bestaande functies;
                                    </al></li><li nr="c"><al>bij het ontstaan van nieuwe functies; </al></li><li nr="d"><al>in die gevallen waarin de afdelingsmanager dit noodzakelijk
                                        acht. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van een incwa-formulier
                                (bijlage) waarop de onderzoeksresultaten worden vastgelegd en tevens
                                de waarderingsscores worden aangegeven. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het onderzoek wordt verricht door de leidinggevende onder wiens
                                directe verantwoordelijkheid de functie wordt vervuld. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De leidinggevende stelt het incwa-formulier niet eerder vast dan
                                nadat over de daarin opgenomen gegevens advies is gevraagd aan de
                                personeelsadviseur. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De resultaten van het onder lid 1 sub a bedoelde onderzoek worden
                                jaarlijks op hun actualiteit getoetst. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Incwa-methodiek
                                (gezichtspunten)</vet></tussenkop><al> De gezichtspunten die bij het bepalen van inconveniënten in acht
                                worden genomen betreffen. </al><lijst><li nr="a"><al><onderstreept>Dynamische spierbelasting.</onderstreept> De
                                        dynamische spierbelasting van het gehele lichaam of van
                                        bepaalde spiergroepen. Het betreft de waardering van de mate
                                        waarin de belasting van spieren/spiergroepen in beweging
                                        bezwarend is tengevolge van de zwaarte van materialen,
                                        onderdelen, gereedschappen e.d. in samenhang met het
                                        vereiste werktempo. De voor de lichaamsbeweging vereiste
                                        vaardigheden (nauwkeurigheid e.d.) worden hierbij buiten
                                        beschouwing gelaten, omdat deze in de functiewaardering
                                        (kennis en kunde) zijn meegenomen. Afweegfactor: 2. </al></li><li nr="b"><al><onderstreept> Statische spierbelasting.</onderstreept> De
                                        statische spierbelasting van een of meer spiergroepen zonder
                                        de mogelijkheid van tussentijdse ontspanning. Het betreft de
                                        waardering van de mate waarin de belasting van
                                        spieren/spiergroepen in bepaalde, eenzijdige houding
                                        bezwarend is. Bepalend voor de belasting is o.a. de
                                        tijdsduur waarin ontspanning mogelijk is en het aantal
                                        spiergroepen dat eenzijdig wordt belast (o.a. labiel
                                        gewicht, boven de macht werken, eenzijdige belasting).
                                        Afweegfactor: 2. </al></li><li nr="c"><al><onderstreept> Opmerkzaamheid.</onderstreept> Het geven van
                                        aandacht in een werksituatie waarbij tevens doorlopend
                                        aandacht moet worden geschonken aan de kwaliteit van het
                                        eindproduct:</al><lijst><li nr="-"><al>die een zodanige spanning oproept (veroorzaakt door
                                                de omgeving en/of door een veelheid van
                                                (storings-)factoren;</al></li><li nr="-"><al>of die door haar eentonigheid (het continu
                                                verrichten van dezelfde handelingen, monotonie of
                                                het opmerken van zeer incidentele afwijkingen) dat
                                                dit als bezwarend wordt ervaren.</al></li></lijst><al> Afweegfactor: 1. </al></li><li nr="d"><al><onderstreept>Vuil.</onderstreept>Verontreiniging van
                                        lichaam of lichaamsdelen en/of kleding door:</al><lijst><li nr="-"><al>vuil (droog, vochtig, nat);</al></li><li nr="-"><al>olie/vet (schoon, verontreinigd); </al></li><li nr="-"><al>andere (chemische) middelen. </al></li></lijst><al> Afweegfactor: 1. </al></li><li nr="e"><al><onderstreept> Afkeer.</onderstreept> Werken in situaties
                                        die stank (onaangename geur) geven of die walging/afkeer
                                        oproepen en/of lichamelijke reacties (huidprikkelingen,
                                        irritatie) teweeg brengen, zoals rook, damp, nevel, stof.
                                        Afweegfactor: 3. </al></li><li nr="f"><al><onderstreept>Weer en temperatuur.</onderstreept> Werken
                                        onder klimatologische omstandigheden, die bij de
                                        werkuit¬voering bezwarend zijn (regen, sneeuw, mist, koude,
                                        hitte, wind). Afweegfactor: 1. </al></li><li nr="g"><al><onderstreept>Geluidsoverlast, trillingen.</onderstreept>
                                        Werken in een omgeving waarin lawaai en/of trillingen of
                                        stoten hinderlijk zijn dan wel onaangenaam in fysieke zin.
                                        Afweegfactor: 1. Werken met beschermingsmiddelen (bedoeld om
                                        de gebruiker te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de
                                        omstandigheden waaronder gewerkt wordt), die het contact
                                        bemoeilijken/belemmeren, de bewegingen beperken dan wel
                                        bepaalde lichaamsfuncties bemoeilijken of onnatuurlijk
                                        versterken (transpireren). Afweegfactor: 2.</al></li><li nr="h"><al><onderstreept>Deprimerende omstandigheden.</onderstreept>
                                        Werken onder omstandigheden die een bezwaarlijke psychische
                                        of mentale druk of onaangenaamheid met zich brengen
                                        (eenzaamheid in het werk, ontbreken van normaal sociaal
                                        verkeer, bedreigende omgeving, tempodruk e.d.).
                                        Afweegfactor: 2. </al></li><li nr="i"><al><onderstreept> Persoonlijk risico.</onderstreept>De mate
                                        waarin het risico waaraan de ambtenaar, met inachtneming van
                                        alle wettelijke en bedrijsveiligheidsvoorschriften,
                                        blootstaat dat schade aan de gezondheid door lichamelijk
                                        letsel of (beroeps-)ziekte wordt opgelopen. Daarbij speelt
                                        een tweetal factoren een rol:</al><lijst><li nr="a"><al>de gevolgen van mogelijke ongevallen en
                                                ziekten;</al></li><li nr="b"><al>de kans dat een ongeval (met letsel) plaatsvindt of
                                                een (beroeps-)ziekte ontstaat.</al></li></lijst><al> Afweegfactor: 3. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5 Incwa-methodiek (zwaarte
                                inconveniënt)</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De incwa-methodiek is alleen van toepassing op de inconveniënten
                                die structureel aan een functie verbonden en als zodanig een vrijwel
                                dagelijks terugkerend karakter hebben. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De zwaarte van het inconveniënt wordt bepaald door: </al><lijst><li nr="a"><al>de duur van het inconveniënt per dag;</al><lijst><li nr="-"><al>van ½ tot 1½ uur: factor 1;</al></li><li nr="-"><al>van 1½ tot 3 uur: factor 2;</al></li><li nr="-"><al>van 3 uur of meer: factor 3;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al> de mate van bezwarendheid:</al><lijst><li nr="-"><al>enigszins : factor 1 : het bezwaar is redelijk
                                                gemakkelijk te verdragen, doordat het niet merkbaar
                                                aanwezig is. De aanwezigheid is echter niet meer dan
                                                wat irritant/vervelend;</al></li><li nr="-"><al>matig : factor 2 : het bezwaar is minder gemakkelijk
                                                te verdragen doordat het duidelijk merkbaar aanwezig
                                                is en/of hinderlijk of lastig is;</al></li><li nr="-"><al>ernstig : factor 3 : het bezwaar is moeilijk te
                                                verdragen doordat het dominant merkbaar aanwezig is
                                                en/of afkeeropwerpend, stuitend of zeer hinderlijk
                                                is. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6 Compensatie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Aan inconveniënten wordt - met inachtneming van het bepaalde in de
                                volgende leden - een compensatie toegekend. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De compensatie bestaat uit verlof of - indien de belangen van de
                                dienst zich daartegen verzetten - een toelage. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Bij een totaalscore van minder dan 12 punten wordt geen compensatie
                                toegekend. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De compensatie bestaat uit maandelijks (peildatum: 1 januari 2009): </al><lijst><li nr="a"><al>5 uren verlof of een toelage van € 54,-- : bij een
                                        totaalscore van 12 t/m 36 punten; </al></li><li nr="b"><al> 10 uren verlof of een toelage van € 108,-- : bij een
                                        totaalscore van 37 t/m 72 punten; </al></li><li nr="c"><al> 15 uren verlof of een toelage van € 162,-- : bij een
                                        totaalscore van 73 t/m 108 punten. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De duur van de vergoeding wordt bepaald door de duur van het
                                bestaan van de inconveniënten, behoudens het bepaalde in artikel 7
                                van deze regeling. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De compensatie in uren dan wel in toelage vindt plaats naar rato van
                                de betrekkingsomvang.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Afbouwregeling</vet></tussenkop><al> Indien de compensatie, als bedoeld in artikel 6, bestaat uit een
                                maandelijkse toelage, is de volgende afbouwregeling van toepassing: </al><lijst><li nr="a"><al>indien de ambtenaar tijdelijk met andere werkzaamheden wordt
                                        belast waaraan geen of in mindere mate inconveniënten
                                        verbonden zijn, behoudt hij de hem toegekende toelage over
                                        de kalendermaand waarin hij met die andere werkzaamheden is
                                        belast alsmede over de daarop volgende kalendermaand, waarna
                                        de toelage komt te vervallen; </al></li><li nr="b"><al> indien de ambtenaar een andere functie gaat vervullen
                                        waaraan geen inconveniënten verbonden zijn, wordt de toelage
                                        met ingang van de kalendermaand volgende op die waarin de
                                        ambtenaar die andere functie is gaan vervullen, met 4
                                        maandelijkse termijnen van 25% verminderd. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Inconveniëntenwaarderingsformulier</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Inconveniëntenwaarderingsformulier</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling jaargesprekken en personeelsbeoordeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Definities</al></li><li><al>Artikel 2 Planningsgesprek</al></li><li><al>Artikel 3 Voortgangsgesprek</al></li><li><al>Artikel 4 Evaluatiegesprek</al></li><li><al>Artikel 5 Aanleiding voor beoordeling</al></li><li><al>Artikel 6 Beoordelaars</al></li><li><al>Artikel 7 Beoordelingsformulier</al></li><li><al>Artikel 8 Bepalingen met betrekking tot beoordelen</al></li><li><al>Artikel 9 Bezwaar</al></li><li><al>Artikel 10 Slotbepalingen</al></li><li><al>Beoordelingsformulier</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Definities</vet></tussenkop><al> In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>medewerker:</vet> ambtenaar die overeenkomstig de
                                        bepalingen van de CAR-UWO in vaste dan wel in tijdelijke
                                        dienst is van de gemeente Venray; </al></li><li nr="b"><al><vet> leidinggevende:</vet> degene die voor de toepassing
                                        van deze regeling als direct hiërarchisch leidinggevende is
                                        aangewezen (leidinggevende of algemeen directeur); </al></li><li nr="c"><al><vet> basis - of specifiek profiel:</vet> het profiel dat
                                        aan de medewerker bij aanstelling of bij wijze van indeling,
                                        overplaatsing of doorstroming is toegekend, met daaraan
                                        verbonden een basisschaal; </al></li><li nr="d"><al><vet> competenties:</vet> de competenties, zoals opgenomen
                                        in het concept competentiewoordenboek van de gemeente
                                        Venray. Dit wordt na vaststelling opgenomen als bijlage bij
                                        deze regeling. </al></li><li nr="e"><al><vet>(gespreksformulier) individueel werkplan (IWP):</vet>
                                        een ontwikkeld gespreksformulier voor het opstellen van een
                                        individueel werkplan o.a. bevattend een nadere uitwerking
                                        van taken met daarbij behorende accenten die in het
                                        betreffende jaar de bijzondere aandacht van de medewerker
                                        vergen. Dit wordt jaarlijks gebruikt door de leidinggevende,
                                        om met de medewerker tot wederzijdse afspraken te komen.
                                        Hierin kunnen ook afspraken voor aanvullend beloningsvormen
                                        worden opgenomen; </al></li><li nr="f"><al><vet>personeelsbeoordeling:</vet> de uniforme en
                                        geobjectiveerde methode gericht op het vastleggen van een
                                        oordeel door de beoordelaar over de functievervulling door
                                        de medewerker; </al></li><li nr="g"><al><vet> beoordelaar:</vet> de direct leidinggevende van de
                                        medewerker; </al></li><li nr="h"><al><vet> informant:</vet> degene die in een functionele (niet-
                                        hiërarchische) relatie staat tot de beoordeelde, die
                                        aanvullende informatie van feitelijke aard kan verschaffen
                                        over de functievervulling en die bekend wordt gemaakt aan de
                                        medewerker. </al></li><li nr="i"><al><vet> planningsgesprek:</vet> een tweezijdig gesprek over te
                                        bereiken werkresultaten en werkplanning voor een periode van
                                        in de regel 12 maanden. </al></li><li nr="j"><al><vet> voortgangsgesprek:</vet> een tweezijdig gesprek over
                                        de voortgang van de te realiseren werkresultaten. </al></li><li nr="k"><al><vet> evaluatiegesprek:</vet> een jaarlijks te houden
                                        tweezijdig gesprek tussen leidinggevende en medewerker over
                                        in ieder geval te bereiken werkresultaten, het functioneren,
                                        de competenties, opleidingsbehoeftes, loopbaanperspectieven,
                                        werktijden en arbeidsomstandigheden. </al></li><li nr="l"><al><vet>Beoordelingsgesprek:</vet> een eenzijdig gesprek tussen
                                        leidinggevende en medewerker op basis van een vooraf door de
                                        leidinggevende opgemaakte beoordeling waarin de medewerker
                                        in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze omtrent de
                                        personeelsbeoordeling te geven. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Planningsgesprek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In de regel voeren de leidinggevende en de medewerker eenmaal per
                                kalenderjaar een planningsgesprek. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het planningsgesprek wordt gevoerd door de leidinggevende aan de
                                hand van een gespreksformulier. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De leidinggevende en de medewerker kunnen afspreken dat andere
                                personen bij het planningsgesprek aanwezig zijn. De medewerker dient
                                hiermee in te stemmen. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> In het planningsgesprek wordt in ieder geval aandacht besteed aan
                                de door de medewerker te bereiken werkresultaten en werkplanning. De
                                leidinggevende en de medewerker maken in het planningsgesprek voor
                                de periode van in de regel 12 maanden, afspraken over de te bereiken
                                werkresultaten en de eventuele daartoe benodigde middelen en
                                faciliteiten. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De leidinggevende en de medewerker kunnen in het planningsgesprek
                                ook andere afspraken maken, bijvoorbeeld concrete afspraken over een
                                aanvullende beloningsvorm. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De in het vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde afspraken
                                worden vastgelegd in het gespreksformulier individueel werkplan. De
                                leidinggevende en de medewerker ondertekenen het gespreksformulier
                                voor akkoord. </al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> Als de leidinggevende en de medewerker het niet eens worden over de
                                te maken afspraken beslist de leidinggevende en kan de medewerker
                                zijn zienswijze vermelden op het formulier. Hierover vindt
                                vervolgens overleg plaats met HRM, medewerker en leidinggevende.
                                Wanneer dit niet tot consensus leidt, worden de geschilpunten
                                voorgelegd aan een adviescommissie, bestaande uit een
                                vertegenwoordiger vanuit de werkgever en de werknemers, die hierover
                                advies uitbrengt aan de leidinggevende. </al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> Het originele gespreksformulier individueel werkplan wordt na
                                ondertekening opgenomen in het personeelsdossier van de betreffende
                                medewerker, en volgens de wettelijke normen bewaard. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Voortgangsgesprek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De leidinggevende en de medewerker voeren bij voorkeur ten minste
                                een maal in de periode, bedoeld in artikel 2 vierde lid, een
                                voortgangsgesprek. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Met een nieuw benoemde medewerker vindt een voortgangsgesprek
                                plaats binnen 6 maanden na indiensttreding dan wel na overplaatsing
                                of doorstroming. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het voortgangsgesprek heeft tot doel de realisering van de in het
                                IWP vastgelegde afspraken te volgen. Zonodig worden de afspraken
                                nader ingevuld, aangevuld dan wel bijgesteld. Afspraken over nadere
                                invulling, aanvulling of bijstelling worden door de leidinggevende
                                schriftelijk vastgelegd. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Artikel 2 is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Het originele verslagformulier van het voortgangsgesprek wordt na
                                ondertekening opgenomen in het personeelsdossier van de betreffende
                                medewerker en volgens de wettelijke normen bewaard. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Evaluatiegesprek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Na afloop van de periode, bedoeld in artikel 2, vierde lid, voeren
                                de leidinggevende en de medewerker een evaluatiegesprek. Zo nodig
                                wordt dit gesprek, al dan niet op aanvraag van de medewerker, eerder
                                gevoerd of vinden extra gesprekken plaats. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> In het evaluatiegesprek bespreken de leidinggevende en de
                                medewerker de ontwikkeling van de voor het basis – of specifieke
                                profiel geldende competenties en de werkresultaten, en andere
                                afspraken die zijn neergelegd in het gespreksformulier individueel
                                werkplan en eventueel nader zijn ingevuld, aangevuld of bijgesteld
                                in het voortgangsgesprek, inclusief de consequenties in het kader
                                van het toekennen van een aanvullende beloningsvorm. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De leidinggevende en de medewerker ondertekenen het
                                gespreksformulier. Indien de medewerker het niet eens is met de
                                evaluatie kan hij de geschilpunten op het gespreksformulier
                                vermelden. In dat geval maakt de leidinggevende een beoordeling op
                                die met de medewerker wordt besproken. Hiertegen kan de medewerker
                                bezwaar maken op basis van artikel 9. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Het originele verslagformulier evaluatiegesprek wordt na
                                ondertekening opgenomen in het personeelsdossier van de betreffende
                                medewerker en volgens de wettelijke normen bewaard. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Aanleiding voor beoordeling</vet></tussenkop><al> Een personeelsbeoordeling wordt uitgebracht op de volgende
                                momenten: </al><lijst><li nr="1"><al>ten aanzien van nieuw benoemde medewerkers: voor het besluit
                                        tot vaste aanstelling, in ieder geval binnen 11 maanden na
                                        indiensttreding dan wel na overplaatsing; tenzij met de
                                        betrokken medewerker overeengekomen wordt dat een
                                        evaluatiegesprek plaatsvindt in plaats van een beoordeling;
                                    </al></li><li nr="2"><al> bij het voornemen tot het nemen van een beslissing met
                                        betrekking tot de toepassing van artikel 8:6 CAR UWO </al></li><li nr="3"><al> bij het onthouden of toekennen van een periodieke
                                        verhoging; </al></li><li nr="4"><al> bij het toekennen van functieloon of prestatieloon; </al></li><li nr="5"><al> het voornemen tot stopzetten van functieloon of
                                        prestatieloon; </al></li><li nr="6"><al> indien in een evaluatiegesprek blijvende meningsverschillen
                                        ontstaan over het functioneren van de medewerker en de
                                        leidinggevende van de medewerker het noodzakelijk acht;
                                    </al></li><li nr="7"><al> wanneer de leidinggevende en/of de medewerker dit
                                        noodzakelijk achten. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6 Beoordelaars</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In de regel wordt een personeelsbeoordeling uitgebracht door de
                                beoordelaar, tenzij deze op het beoordelingsformulier aangeeft
                                waarom hiervan wordt afgeweken. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij het opmaken van de personeelsbeoordeling door de beoordelaar
                                kan, op initiatief van de beoordelaar en/of op verzoek van de
                                medewerker, gebruik worden gemaakt van een informant. Deze wordt op
                                het beoordelingsformulier vermeld. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Beoordelingsformulier</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De Algemeen directeur/gemeentesecretaris stelt, al dan niet
                                gewijzigd, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden,
                                de beoordeling vast. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een personeelsbeoordeling wordt uitgebracht tegen de achtergrond
                                van de met de medewerker gemaakte afspraken in het individuele
                                werkplan op basis van het basisprofiel en bandbreedte. Tevens worden
                                de eventuele bijzondere werkomstandigheden - voor zover deze van
                                belang zijn- bij de beoordeling betrokken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor zover de feitelijk verrichte werkzaamheden afwijken van
                                hetgeen is vastgelegd in het individuele werkplan, wordt dit op het
                                beoordelingsformulier vermeld. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Bepalingen met betrekking tot beoordelen
                                </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een personeelsbeoordeling is gebaseerd op feiten en omstandigheden
                                die in de periode hieraan voorafgaand aan de medewerker kenbaar zijn
                                gemaakt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Direct nadat de beoordelaar de personeelsbeoordeling heeft
                                opgemaakt, reikt hij/zij een afschrift hiervan uit aan de
                                medewerker. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Uiterlijk 2 weken na het tijdstip waarop het beoordelingsformulier
                                is uitgereikt wordt dit door de beoordelaar met de medewerker
                                doorgesproken. De medewerker wordt tijdens dit beoordelingsgesprek
                                in de gelegenheid gesteld een zienswijze omtrent de
                                personeelsbeoordeling te geven. De medewerker kan een schriftelijke
                                zienswijze toevoegen aan de personeelsbeoordeling. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Op basis van de zienswijze kan de personeelsbeoordeling door de
                                beoordelaar worden gewijzigd. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Indien de zienswijze van de de beoordeelde medewerker niet tot
                                wijziging leidt, wordt dit op het beoordelingsformulier vermeld. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Het vastgestelde beoordelingsformulier wordt volgens de wettelijke
                                normen in de personeelsdossiers van de betreffende medewerkers
                                bewaard. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Bezwaar</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Op basis van de vastgestelde beoordeling ontvangt de medewerker van
                                de leidinggevende een gemotiveerd besluit ingevolge de Awb. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De medewerker die zich met het besluit niet kan verenigen, kan
                                hiertegen bij het College van burgemeester en wethouders
                                schriftelijk bezwaar aantekenen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het College van burgemeester en wethouders legt het bezwaarschrift
                                ter advisering voor aan de ingevolge artikel 7:13 Awb ingestelde
                                Commissie bezwaarschriften. Het College van burgemeester en
                                wethouders neemt binnen de daarvoor geldende termijnen in de Awb een
                                beslissing op het bezwaarschrift en doet hiervan schriftelijk en
                                gemotiveerd mededeling aan de medewerker. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De medewerker die zich met deze beslissing niet kan verenigen kan
                                ingevolge de Awb binnen 6 weken na de dag volgend op bekendmaking
                                van de beslissing op bezwaar beroep aantekenen bij de Rechtbank,
                                conform hoofdstuk 8 van de Awb. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een nieuw benoemde medewerker wordt zo spoedig mogelijk in de
                                reguliere gesprekscyclus opgenomen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een gesprek over planning, voortgang of evaluatie vindt plaats op
                                de momenten dat de leidinggevende en/of de medewerker dat
                                noodzakelijk achten. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Vanuit overwegingen van efficiënte kunnen een plannings - en
                                evaluatiegesprek op één datum worden gehouden, waarbij er
                                tegelijkertijd wordt terug - en vooruitgezien. Wel vindt er dan een
                                separate invulling van het verslagformulier plaats. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Voor die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet beslist het College van burgemeester en wethouders dan wel
                                kan het College van burgemeester en wethouders nadere
                                uitvoeringsregels stellen. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De regeling kan worden aangehaald als ‘Regeling jaargesprekken en
                                personeelsbeoordeling gemeente Venray’ en treedt onder gelijktijdige
                                intrekking van de ‘Regeling functioneringsgesprekken Venray 1994’
                                alsmede de ‘Regeling Methodische personeelsbeoordeling 1994’, de dag
                                na publicatie in werking. </al><tussenkop><vet>Beoordelingsformulier</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordelingsformulier</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling jubileum en afscheidsgratificaties</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 3 Jubileumgratificatie</al></li><li><al>Artikel 4 Proportionele gratificatie</al></li><li><al>Artikel 5 Afscheidsgratificatie wegens FPU, ABP
                                        keuzepensioen of ouderdomspensioen</al></li><li><al>Artikel 6 Uitgestelde jubileumgratificatie</al></li><li><al>Artikel 7 Gratificaties gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                        herplaatste medewerker</al></li><li><al>Artikel 8 Viering jubileum of afscheid</al></li><li><al>Artikel 9 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 10 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Keuzemogelijkheden jubileum- en afscheidsvieringen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Medewerker:</vet>de ambtenaar in de zin van artikel 1:1
                                        lid 1 sub a CAR-UWO</al></li><li nr="b"><al><vet>Ambtsjubileum:</vet>de in overheidsdienst doorgebrachte
                                        diensttijd</al></li><li nr="c"><al><vet>Dienstjubileum:</vet>de bij de gemeente Venray
                                        doorgebrachte diensttijd</al></li><li nr="d"><al><vet>Diensttijd:</vet>de overheidsdienstjaren overeenkomstig
                                        de “rijksregeling ter bepaling van
                                        overheidsdienstjaren”</al></li><li nr="e"><al><vet>Bezoldiging:</vet>het salaris, vermeerderd met het
                                        bedrag van de aan de medewerker toegekende emolumenten en
                                        toelagen, inclusief het bedrag van de functioneringstoelage,
                                        de waarnemingstoelage, arbeidsmarkttoelage en functie- en
                                        prestatieloon en exclusief onkostenvergoedingen.</al></li><li nr="f"><al><vet>Proportionele gratificatie:</vet>de gratificatie
                                        overeenkomstig artikel 3:5:1 lid 1 CAR-UWO</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Berekeningsgrondslag</vet></tussenkop><al> De berekeningsgrondslag voor de jubileum- of afscheidsgratificatie
                                is de bezoldiging en de vakantietoelage waarop de medewerker in de
                                maand van zijn jubileum of afscheid aanspraak heeft. De gratificatie
                                wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 5,--.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Jubileumgratificatie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Aan de medewerker die gedurende 25 jaar een betrekking bij de
                                overheid heeft vervuld (ambtsjubileum) wordt een gratificatie
                                toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de
                                vakantietoelage waarop de medewerker in de maand van zijn jubileum
                                aanspraak heeft. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Aan de medewerker die het 25-jarig dienstjubileum vóór de
                                pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt een gratificatie
                                toegekend overeenkomende met de bezoldiging en de vakantietoelage
                                over één maand waarop de medewerker in de maand van zijn jubileum
                                aanspraak heeft. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Aan de medewerker die gedurende 40 respectievelijk 50 jaar een
                                betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie
                                toegekend overeenkomende met de bezoldiging en de vakantietoelage
                                over één maand waarop de medewerker in de maand van zijn jubileum
                                aanspraak heeft. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Bereikt de medewerker het 40- of 50-jarig dienstjubileum vóór de
                                pensioengerechtigde leeftijd, wordt een gratificatie toegekend
                                overeenkomende met de bezoldiging en de vakantietoelage over twee
                                maanden waarop de medewerker in de maand van zijn jubileum aanspraak
                                heeft. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Bereikt de medewerker vóór zijn pensioengerechtigde leeftijd én het
                                dienstjubileum én het ambtsjubileum, bestaat er slechts recht op
                                toekenning van één gratificatie en één viering. De gratificatie
                                wordt uitgekeerd bij het bereiken van het ambtsjubileum. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Proportionele gratificatie</vet></tussenkop><al> Aan de medewerker, die wordt ontslagen:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:1 (ABP-keuzepensioen)</al></li><li nr="b"><al> op grond van artikel 8:3 (reorganisatie);</al></li><li nr="c"><al> op grond van artikel 8:4 (volledige arbeidsongeschiktheid;
                                        80% of meer);</al></li><li nr="d"><al> op grond van artikel 8:10 (pré-VUT) of 8:11 (FPU) indien en
                                        voor zover het een volledig ontslag betreft</al></li></lijst><al>en die, indien het ontslag niet had plaatsgevonden, het voor een
                                gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de
                                ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele
                                gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt
                                berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het
                                vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen
                                met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk
                                geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar
                                boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal
                                dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in
                                aanmerking te komen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Afscheidsgratificatie wegens FPU, ABP
                                    keuzepensioen of ouderdomspensioen</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al>De medewerker die na een diensttijd van minimaal 25 jaar bij
                                        de gemeente Venray de dienst verlaat wegens FPU, ABP
                                        keuzepensioen of ouderdomspensioen, heeft recht op een
                                        afscheidsgratificatie van twee maal de bezoldiging en
                                        vakantietoelage.</al></li><li nr="b"><al> Voor de medewerker die meer dan 10 jaar aaneengesloten en
                                        direct voorafgaande aan het ontslag bij de gemeente Venray
                                        werkzaam was maar minder dan 25 jaar, wordt de gratificatie
                                        naar rato berekend. Voor de berekening van het aantal
                                        dienstjaren telt de onvoltooide diensttijd (tussen
                                        ontslagdatum en het bereiken van de pensioengerechtigde
                                        leeftijd) voor de helft mee, met een maximum van 4
                                        jaren.</al></li><li nr="c"><al> Heeft de medewerker in een eerdere fase al gebruik gemaakt
                                        van de deeltijd-FPU of ABP-keuzepensioen, waardoor de
                                        betrekkingsomvang is verminderd, dan moet voor de berekening
                                        van de afscheidsgratificatie niet worden uitgegaan van de
                                        huidige bezoldiging over de verminderde betrekkingsomvang
                                        maar van de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen indien
                                        hij géén gebruik had gemaakt van de deeltijd-FPU of
                                        ABP-keuzepensioen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6 Uitgestelde
                                jubileumgratificatie</vet></tussenkop><al> Zou de medewerker tussen de datum van ontslag (op grond van artikel
                                8:3, artikel 8:4, artikel 8:10 en artikel 8:11 CAR-UWO) en het
                                bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een jubileum gevierd
                                hebben, dan ontvangt hij de gratificatie bij het afscheid.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Gratificaties gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    herplaatste medewerker</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en daarna (al of
                                niet in deeltijd) herplaatst is, heeft, indien hij voldoet aan de
                                daarvoor gestelde eisen, recht op een jubileumgratificatie.De hoogte
                                van de gratificatie wordt berekend naar rato van het aantal jaren
                                dat in voltijd én deeltijd is gewerkt en op basis van de bezoldiging
                                behorende bij de schaal en anciënniteit direct voorafgaand aan de
                                arbeidsongeschiktheid. Indien de medewerker nooit een
                                voltijd-betrekking heeft vervuld en over de deeltijdbetrekking
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikt en herplaatst wordt, wordt de
                                gratificatie berekend over het aantal jaren met de hoogste
                                deeltijdfactor en de jaren direct voorafgaande aan de
                                arbeidsongeschiktheid, behorende bij de schaal en anciënniteit
                                voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al>De medewerker die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en
                                        daarna (al of niet in deeltijd) herplaatst is, heeft, indien
                                        hij voldoet aan de daarvoor gestelde eisen, recht op een
                                        afscheidsgratificatie.</al></li><li nr="b"><al> De medewerker die 25 jaar of langer in voltijd heeft
                                        gewerkt en vervolgens een aantal jaren in deeltijd, komt in
                                        aanmerking voor de volledige gratificatie op basis van een
                                        voltijdsalaris.</al></li><li nr="c"><al> De medewerker die korter dan 25 jaar voltijd heeft gewerkt,
                                        komt in aanmerking voor een gratificatie naar rato van het
                                        aantal voltijd en deeltijd jaren, met een maximum opbouw van
                                        in totaal 25 jaar.</al></li><li nr="d"><al> De medeweker die in totaal minder dan 25 jaar bij de
                                        gemeente Venray heeft gewerkt, komt in aanmerking voor een
                                        gratificatie naar rato van het aantal voltijd en deeltijd
                                        jaren.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 8 Viering jubileum of afscheid</vet></tussenkop><al> De medewerker die een 25- of 40-jarig jubileum viert of afscheid
                                van de gemeente neemt (i.v.m. (keuze)pensioen, FPU of
                                arbeidsongeschiktheid) heeft recht op een viering. Daarvoor wordt
                                het formulier “keuzemogelijkheden bij jubileum- en afscheidsviering”
                                gebruikt, welk formulier integraal onderdeel uitmaakt van deze
                                regeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van Burgemeester en Wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling jubileum- en
                                afscheidsgratificaties gemeente Venray 2012” en treedt in werking op
                                1 augustus 2012.</al><tussenkop><vet>Keuzemogelijkheden jubileum- en
                                afscheidsvieringen</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al> Informele viering</al></entry><entry colname="col2"><al> Formele viering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet><onderstreept>Jubileumviering</onderstreept></vet></al><al>a Medewerker regelt viering zelf.</al><al>b Tegemoetkoming in de kosten (op
                                                  declaratiebasis binnen 3 maanden na datum viering)
                                                  tot maximaal € 498,-- (peil 2015).</al><al>c Dit bedrag is alleen beschikbaar voor een
                                                  informele viering met (directe) collega’s.</al><al>d Viering vindt plaats op een locatie buiten het
                                                  gemeentehuis.</al><al>e Bij het samenvallen van jubilea (25 jaar
                                                  overheid en gemeente) bestaat recht op één
                                                  keuzemogelijkheid tot viering.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet><onderstreept>Jubileumviering</onderstreept></vet></al><al>a Gemeente regelt viering (via
                                                  personeelszaken).</al><al>b Er wordt een besloten viering gehouden van
                                                  16.00 tot 18.00 uur op een locatie in het
                                                  gemeentehuis.</al><al>c Van werkgeverszijde neemt aan deze viering
                                                  deel de leidinggevende en medewerkers van de
                                                  afdeling, de burgemeester, gemeentesecretaris en
                                                  portefeuillehouder.</al><al>d Naast partner en kinderen kunnen hiervoor
                                                  maximaal 30 personen uitgenodigd worden.</al><al>e Deze keuzemogelijkheid is alleen van
                                                  toepassing bij de viering van een 40-jarig dienst-
                                                  of ambtsjubileum. Indien sprake is van gescheiden
                                                  jubilea (overheid en gemeente) bestaat slechts
                                                  recht op één viering.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet><onderstreept>Afscheidsviering</onderstreept></vet></al><al>a Medewerker regelt viering zelf.</al><al>b Tegemoetkoming in de kosten (op
                                                  declaratiebasis binnen 3 maanden na datum viering)
                                                  tot maximaal € 498,-- (peil 2015).</al><al>c Viering vindt plaats op een locatie buiten het
                                                  gemeentehuis.</al><al>d De medewerker heeft recht op een cadeau ter
                                                  waarde van € 139,-- (peil 2013; dit bedrag wordt 1
                                                  x per 5 jaar geïndexeerd). </al><al>e Medewerker is vrij in de keuze wie hij wil
                                                  uitnodigen. Kosten boven € 498,-- komen voor eigen
                                                  rekening.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet><onderstreept>Afscheidsviering</onderstreept></vet></al><al>a Gemeente regelt viering (via
                                                  personeelszaken)</al><al>b Er wordt een officiële viering gehouden van
                                                  15.45 tot 16.30 uur op een locatie in het
                                                  gemeentehuis.Daarbij zijn aanwezig het voltallige
                                                  college, de leidinggevende, medewerkers van de
                                                  afdeling, partner, kinderen en kleinkinderen.
                                                  Aansluitend vindt een officiële receptie plaats
                                                  tot 18.00 uur.Daarbij worden alle medewerkers van
                                                  de organisatie uitgenodigd, oud-collega’s en
                                                  zakelijke relaties. Daarnaast kunnen maximaal 30
                                                  personen worden uitgenodigd (familie, vrienden,
                                                  enz.).</al><al>c De medewerker heeft recht op een cadeau ter
                                                  waarde van € 139,-- (peil 2013; dit bedrag wordt 1
                                                  x per 5 jaar geïndexeerd).</al><al>d Er wordt een fotoreportage gemaakt op kosten
                                                  van de werkgever.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling klokkenluiders</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></li></lijst></li><li><al>Interne procedure</al><lijst><li><al>Artikel 2 Interne melding</al></li><li><al>Artikel 3 Standpunt</al></li></lijst></li><li><al>Externe procedure</al><lijst><li><al>Artikel 4 Het meldpunt</al></li><li><al>Artikel 5 Melding bij het meldpunt</al></li><li><al>Artikel 5a Rechtstreekse melding bij het
                                                meldpunt</al></li><li><al>Artikel 6 Ontvangstbevestiging en onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7 Niet ontvankelijkheid</al></li><li><al>Artikel 8 Inhoudelijk advies van het meldpunt</al></li><li><al>Artikel 9 Nader standpunt</al></li><li><al>Artikel 10 Jaarverslag</al></li><li><al>Artikel 11 Inwerkingtreding</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><al> In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> ambtenaar:</vet> de ambtenaar bedoeld in hoofdstuk 1,
                                        artikel 1:1, lid 1, artikel 1:2 en artikel 1:2:1 van de
                                        Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray; </al></li><li nr="b"><al><vet> vertrouwenspersoon:</vet> integriteitsbegleider; </al></li><li nr="c"><al><vet> meldpunt:</vet> een externe commissie die als zodanig
                                        door het college is aangewezen; </al></li><li nr="d"><al><vet> vermoeden van een misstand:</vet> een op redelijke
                                        gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de
                                        gemeentelijke organisatie waar de ambtenaar werkzaam is
                                        omtrent:</al><lijst><li nr="1"><al>een strafbaar feit;</al></li><li nr="2"><al>een schending van regelgeving of beleidsregels;</al></li><li nr="3"><al>het misleiden van justitie;</al></li><li nr="4"><al>een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of
                                                het milieu of</al></li><li nr="5"><al>het bewust achterhouden van informatie over deze
                                                feiten. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Interne procedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2 Interne melding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden, doet
                                dit bij zijn direct leidinggevende, diens leidinggevende of de
                                vertrouwenspersoon. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan de vertrouwenspersoon verzoeken zijn identiteit
                                bij het college van burgemeester en wethouders niet bekend te maken.
                                De ambtenaar kan dit verzoek te allen tijde herroepen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De leidinggevende dan wel de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor
                                dat het college van burgemeester en wethouders onverwijld op de
                                hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en
                                van de datum waarop de melding ontvangen is. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand
                                stelt het college van burgemeester en wethouders onverwijld een
                                onderzoek in. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders zendt aan de ambtenaar
                                dan wel de vertrouwenspersoon die een vermoeden van een misstand
                                heeft gemeld, een ontvangstbevestiging. De ontvangstbevestiging
                                bevat het gemelde vermoeden van een misstand en het moment waarop de
                                ambtenaar het vermoeden aan de leidinggevende of de
                                vertrouwenspersoon heeft gemeld. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Standpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders stelt de ambtenaar
                                danwel de vertrouwenspersoon, binnen zes weken schriftelijk op de
                                hoogte van het standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een
                                misstand. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien het standpunt niet binnen zes weken kan worden gegeven, kan
                                het college van burgemeester en wethouders de afhandeling voor ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het college van burgemeester en
                                wethouders stelt de ambtenaar danwel de vertrouwenspersoon hiervan
                                schriftelijk in kennis. </al><tussenkop><vet>Externe procedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4 Het meldpunt</vet></tussenkop><al> Aangesloten wordt bij het de door het College voor Arbeidszaken
                                ingestelde landelijke commissie genoemd “de Commissie Klokkenluiders
                                Gemeentelijke Overheid”. De werkwijze van deze commissie is
                                neergelegd in het “Besluit Commissie Klokkenluiders Gemeentelijke
                                Overheid”. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Melding bij het meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan het vermoeden van een misstand binnen drie maanden
                                melden bij het meldpunt indien: </al><lijst><li nr="a"><al>hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 3;
                                    </al></li><li nr="b"><al> hij geen standpunt ontvangen heeft binnen de termijnen
                                        bedoeld in artikel 3. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan het meldpunt verzoeken zijn identiteit niet bekend
                                te maken. Hij kan dit verzoek te allen tijde herroepen. </al><tussenkop><vet>Artikel 5a Rechtstreekse melding bij het
                                meldpunt</vet></tussenkop><al> In het geval zwaarwegende belangen de toepassing van de interne
                                procedure in weg staan, kan de ambtenaar, in afwijking van de
                                artikelen 2, 3 en 5, eerste lid, het vermoeden van een misstand
                                rechtstreeks melden bij het meldpunt. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Ontvangstbevestiging en
                                onderzoek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een
                                vermoeden van een misstand aan de ambtenaar die het vermoeden heeft
                                gemeld. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien het meldpunt dit voor de uitoefening van zijn taak
                                noodzakelijk acht, stelt het een onderzoek in. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Ten behoeve van het onderzoek omtrent een melding van een vermoeden
                                van een misstand is het meldpunt bevoegd bij het college van
                                burgemeester en wethouders alle inlichtingen in te winnen die het
                                voor de vorming van het advies nodig acht. Het college van
                                burgemeester en wethouders verschaft het meldpunt de gevraagde
                                inlichtingen. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Het meldpunt kan het onderzoek of gedeelten daarvan opdragen aan
                                één van de leden of een deskundige. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Wanneer de inhoud van bepaalde door het college van burgemeester en
                                wethouders verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter
                                uitsluitend ter kennisneming van het meldpunt dient te blijven,
                                wordt dit aan het meldpunt meegedeeld. Het meldpunt beveiligt
                                informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door
                                onbevoegden. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Niet ontvankelijkheid</vet></tussenkop><al> Het meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de misstand niet van voldoende gewicht is; </al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 niet heeft
                                        gevolgd; </al></li><li nr="c"><al> de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 wel heeft
                                        gevolgd, maar de termijnen bedoeld in artikel 3 nog niet
                                        zijn verstreken; </al></li><li nr="d"><al>de melding niet binnen drie maanden door de ambtenaar is
                                        geschied. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 8 Inhoudelijk advies van het
                                meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien het gemelde vermoeden van een misstand ontvankelijk is, legt
                                het meldpunt binnen zes weken zijn bevindingen omtrent de melding
                                van een vermoeden van een misstand neer in een advies aan het
                                college van burgemeester en wethouders. Het meldpunt zendt een
                                afschrift van het advies aan de ambtenaar met inachtneming van het
                                eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het meldpunt verstrekte
                                informatie. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien het advies niet binnen zes weken kan worden gegeven, wordt
                                de termijn door het meldpunt met ten hoogste vier weken verlengd.
                                Het meldpunt stelt het college van burgemeester en wethouders
                                alsmede de ambtenaar daarvan schriftelijk in kennis. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van
                                het eventueel vertrouwelijke karakter van aan het meldpunt
                                verstrekte informatie en de terzake geldende wettelijke bepalingen
                                openbaar gemaakt op een wijze die het meldpunt geëigend acht, tenzij
                                zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Nader standpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders stelt binnen twee weken
                                na ontvangst van het advies bedoeld in artikel 8, de ambtenaar
                                alsmede het meldpunt, schriftelijk op de hoogte van zijn nader
                                standpunt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Aan de ambtenaar die het meldpunt heeft verzocht zijn identiteit
                                niet bekend te maken geschiedt de berichtgeving van het nader
                                standpunt via het meldpunt. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Een van het advies afwijkend nader standpunt wordt gemotiveerd. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Jaarverslag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Jaarlijks wordt door het meldpunt een verslag opgemaakt. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van
                                de terzake geldende wettelijke bepalingen gemeld: </al><lijst><li nr="a"><al> het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden
                                        van een misstand; </al></li><li nr="b"><al> het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek geleid
                                        heeft; </al></li><li nr="c"><al> het aantal onderzoeken die het meldpunt heeft verricht, en
                                    </al></li><li nr="d"><al>het aantal adviezen en de aard van de adviezen die het
                                        meldpunt heeft uitgebracht. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Dit jaarverslag wordt aan het college van burgemeester en
                                wethouders en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als “Klokkenluidersregeling
                                gemeente Venray”. </al></artikel><artikel><kop><titel>Verordening klachtenprocedure ongewenste
                                    omgangsvormen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 2 Algemene bepalingen</al></li><li><al>Artikel 3 De vertrouwenspersoon (algemeen)</al></li><li><al>Artikel 4 Taken en bevoegdheden vertrouwenspersoon</al></li><li><al>Artikel 5 De vertrouwenspersoon instructies</al></li><li><al>Artikel 6 De klachtencommissie</al></li><li><al>Artikel 7 De Commissie, instelling en samenstelling</al></li><li><al>Artikel 8 De Commissie, bevoegdheden</al></li><li><al>Artikel 9 De Commissie, de procedure</al></li><li><al>Artikel 10 Het besluit</al></li><li><al>Artikel 11 Overige taken van de commissie</al></li><li><al>Artikel 12 Overige bepalingen</al></li><li><al>Artikel 13 Slotbepaling</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Bevoegd gezag:</vet> college van burgemeester en
                                        wethouders van Venray. </al></li><li nr="b"><al><vet>Ongewenste omgangsvormen:</vet></al><lijst><li nr="1"><al>seksuele intimidatie: ongewenste seksuele
                                                toenadering, verzoeken om seksuele gunsten of ander
                                                verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag van seksuele
                                                aard, waarbij tevens sprake is van een van de
                                                volgende punten:</al><lijst><li nr="-"><al>onderwerping aan een dergelijk gedrag wordt
                                                  hetzij expliciet hetzij impliciet gehanteerd als
                                                  voorwaarde voor de tewerkstelling van een persoon;
                                                  </al></li><li nr="-"><al>onderwerping aan of afwijzing van een
                                                  dergelijk gedrag door een persoon wordt gebruikt
                                                  of mede gebruikt als basis voor beslissingen die
                                                  het werk van deze persoon raken; </al></li><li nr="-"><al>dergelijk gedrag heeft tot doel de
                                                  werkprestaties van een persoon aan te tasten en/of
                                                  een intimiderende, vijandige of onaangename
                                                  werkomgeving te creëren, dan wel heeft tot gevolg
                                                  dat de werkprestaties van een persoon worden
                                                  aangetast en/of een intimiderende, vijandige of
                                                  onaangename werkomgeving wordt gecreëerd.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>agressie en geweld: voorvallen waarbij een
                                                medewerker psychisch of fysiek wordt lastiggevallen,
                                                bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die
                                                rechtstreeks verband houden met het verrichten van
                                                arbeid;</al></li><li nr="3"><al>discriminatie: het geheel van handelingen en
                                                gedragingen inzake geloof, levensovertuiging,
                                                geaardheid, ras, sekse, huidskleur en uiterlijk,
                                                welke als ongewenst of ongewild worden ervaren door
                                                de betrokken werknemer en redelijkerwijs een inbreuk
                                                op diens identiteit vormt.</al></li></lijst></li><li nr="c"><al><vet>Medewerker:</vet> eenieder die, onder welke titel en
                                        hoedanigheid ook, werkzaamheden verricht voor de gemeente
                                        Venray, ongeacht de aard van het dienstverband.</al></li><li nr="d"><al><vet>Klacht:</vet> een klacht over seksuele intimidatie,
                                        agressie en geweld, discriminatie. </al></li><li nr="e"><al><vet>Klager:</vet> de medewerker, of degene die in de
                                        afgelopen twee jaar medewerker is geweest, die zich wendt
                                        tot de vertrouwenspersoon, c.q. een klacht over ongewenste
                                        omgangsvormen indient bij de klachtencommissie; </al></li><li nr="f"><al><vet>Aangeklaagde:</vet> de medewerker, tegen wie een klacht
                                        inzake ongewenste omgangsvormen is ingediend bij de
                                        klachtencommissie; </al></li><li nr="g"><al><vet>Klachtencommissie:</vet> de commissie die is ingesteld
                                        door het bevoegd gezag en belast is met het onderzoek naar
                                        een door een medewerker ingediende klacht over ongewenste
                                        omgangsvormen en hierover rapporteert en adviseert aan het
                                        bevoegd gezag. </al></li><li nr="h"><al><vet>vertrouwenspersoon:</vet> de door het bevoegd gezag
                                        hiertoe benoemde persoon die als aanspreekpunt fungeert bij
                                        klachten over ongewenste omgangsvormen en de klager verder
                                        begeleidt in de behandeling van de klacht en in het zo nodig
                                        op gang brengen van hulpverlening en nazorg. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag verplicht zich er toe te bevorderen dat: </al><lijst><li nr="-"><al> zodanige voorwaarden worden geschapen dat een klacht te
                                        allen tijde daadwerkelijk kan worden ingediend en kan worden
                                        behandeld conform de bepalingen van deze regeling; </al></li><li nr="-"><al>de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie in de
                                        gelegenheid worden gesteld hun taken uit te voeren conform
                                        de bepalingen van deze regeling. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3 De vertrouwenspersoon
                                (algemeen)</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag benoemt met instemming van de ondernemingsraad
                                ten minste één vertrouwenspersoon. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding en is voor de
                                uitvoering van haar taken uitsluitend verantwoording verschuldigd
                                aan het bevoegd gezag. Deze plicht tot geheimhouding vervalt niet
                                indien de vertrouwenspersoon niet meer als zodanig werkzaam is. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon verricht in principe geen handelingen ten
                                behoeve van de klager anders dan met diens instemming. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Taken en bevoegdheden
                                vertrouwenspersoon</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon heeft tot taak de medewerker die zich met een
                                klacht over ongewenste omgangsvormen tot hem/haar wendt te
                                ondersteunen en te adviseren, o.a. door: </al><lijst><li nr="1"><al> het fungeren als aanspreekpunt voor deze medewerker; </al></li><li nr="2"><al> het opvangen, begeleiden en van advies dienen van deze
                                        medewerker en eventueel het doorverwijzen naar
                                        hulpverlenende instanties; </al></li><li nr="3"><al> het op verzoek van de klager ondernemen van stappen gericht
                                        op het zoeken naar een oplossing c.q. het stoppen van de
                                        ongewenste omgangsvormen. De vertrouwenspersoon is bevoegd
                                        de aangeklaagde, getuigen en andere betrokkenen te horen.
                                        Hiertoe wordt slechts overgegaan met toestemming van klager
                                        en voor zover de uitvoering van de taken daartoe noodzaakt.
                                        De vertrouwenspersoon zorgt er daarbij voor dat de
                                        persoonlijke levenssfeer van alle betrokkenen zoveel
                                        mogelijk wordt beschermd; </al></li><li nr="4"><al> het adviseren omtrent de mogelijkheid en wenselijkheid van
                                        het indienen van een klacht bij de in deze regeling genoemde
                                        klachtencommissie en het op diens verzoek ondersteunen van
                                        de klager bij het indienen van de klacht alsmede bij het
                                        horen door de klachtencommissie; </al></li><li nr="5"><al> het, indien sprake is van een strafbaar feit ondersteunen
                                        van de klager bij het doen van aangifte bij de politie;
                                    </al></li><li nr="6"><al> de nazorg van personen die met ongewenste omgangsvormen
                                        zijn geconfronteerd. Hiertoe hoort het nagaan of het
                                        indienen van een klacht niet leidt tot repercussies van de
                                        klager en of nadat de klacht is afgehandeld de aanleiding
                                        ook daadwerkelijk is weggenomen; </al></li><li nr="7"><al> het gevraagd en ongevraagd uitbrengen van advies aan het
                                        bevoegd gezag over de mogelijkheden tot voorkoming en
                                        bestrijding van ongewenste omgangsvormen en het geven van
                                        voorlichting hieromtrent aan medewerkers;</al></li><li nr="8"><al> het verzorgen van een jaarverslag in het kader van het
                                        sociaal jaarverslag. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5 De vertrouwenspersoon
                                instructies</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon bepaalt in samenspraak met de klager haar
                                werkwijze. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Zij zal slechts actie ondernemen met toestemming van de klager. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Zij zal in alle gevallen zorgvuldigheid betrachten met het oog op
                                de belangen van de klager en van alle eventuele andere personen
                                betrokken bij ongewenste omgangsvormen. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Personen die door de vertrouwenspersoon uit hoofde van haar functie
                                zijn benaderd zijn, uitgezonderd de aangeklaagde, verplicht de
                                gevraagde informatie te verstrekken en omtrent verzoek en
                                informatieverstrekking geheimhouding in acht te nemen. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 De klachtencommissie</vet></tussenkop><al> Er is een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen (hierna te
                                noemen: de commissie) die tot taak heeft klachten betreffende
                                ongewenste omgangsvormen te onderzoeken en daaromtrent te rapporten
                                aan het bevoegde gezag en deze te adviseren over eventueel te nemen
                                (straf)maatregelen. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 De Commissie, instelling en
                                    samenstelling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag stelt een commissie ongewenste omgangsvormen in. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De commissie bestaat uit 3 leden die door het bevoegd gezag worden
                                benoemd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor elk van de leden bedoeld in dit artikel onder 2 wordt een
                                plaatsvervangend lid benoemd. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon, leden van het bevoegd gezag en medewerkers
                                kunnen niet worden benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van de
                                commissie. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Twee leden en hun plaatsvervangers worden benoemd op voordracht van
                                het bevoegd gezag en één lid en diens plaatsvervanger op voordracht
                                van de Ondernemingsraad. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> In de commissie hebben zowel mannen als vrouwen zitting. </al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag draagt zorg voor de aanwezigheid van voldoende
                                juridische deskundigheid en deskundigheid met betrekking tot de
                                problematiek van ongewenste omgangsvormen. </al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> De commissie kiest uit haar midden een voorzitter. </al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al> Klager en aangeklaagde kunnen bezwaar maken tegen deelneming van
                                een lid van de commissie. Dit bezwaar moet worden gemotiveerd. De
                                commissie beoordeelt het bezwaar. Indien het bezwaar gegrond wordt
                                geacht neemt een plaatsvervangend lid de behandeling van de klacht
                                over. </al><tussenkop><vet>Lid 10</vet></tussenkop><al> Een lid van de commissie kan zich terugtrekken indien zijn
                                onpartijdigheid niet is gewaarborgd. Een plaatsvervanger neemt de
                                behandeling van de klacht over. </al><tussenkop><vet>Lid 11</vet></tussenkop><al> De zittingsduur van de (plaatsvervangende) leden is gelijk aan de
                                zittingsduur van de gemeenteraad. Zij zijn na aftreden terstond
                                herbenoembaar. Zij kunnen als commissielid door het bevoegd gezag
                                worden ontslagen. </al><tussenkop><vet>Lid 12</vet></tussenkop><al> De commissie wordt ondersteund door een ambtelijk secretaris. De
                                ambtelijk secretaris, die geen lid van de commissie is en derhalve
                                geen stemrecht heeft, wordt, gehoord de voorzitter van de commissie,
                                aangewezen door de gemeentesecretaris. </al><tussenkop><vet>Lid 13</vet></tussenkop><al> De (plaatsvervangende) leden van de commissie en de ambtelijk
                                secretaris zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen bij een
                                klacht bekend wordt. Deze plicht tot geheimhouding vervalt niet
                                indien betrokkenen niet meer als zodanig benoemd resp. aangewezen
                                zijn. </al><tussenkop><vet>Lid 14</vet></tussenkop><al> De (plaatsvervangende) leden ontvangen een vergoeding per bezochte
                                zitting van de commissie. Deze vergoeding is gelijk aan die welke
                                wordt toegekend aan de leden van de raadscommissies, die geen lid
                                zijn van de gemeenteraad. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 De Commissie, bevoegdheden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie is bevoegd, na toestemming van de klager en voor zover
                                dit de uitoefening van de taak noodzakelijk is, de aangeklaagde,
                                getuigen en/of andere betrokkenen binnen de gemeentelijke
                                organisatie te horen en informatie in te winnen. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Allen die door de commissie uit hoofde van het bepaalde in het
                                vorige lid zijn benaderd, zijn verplicht de gevraagde informatie te
                                verstrekken en daaromtrent geheimhouding in acht te nemen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De commissie neemt, ter bescherming van de privacy van de direct
                                betrokkenen, bij haar werkzaamheden de grootst mogelijke
                                zorgvuldigheid in acht. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 De Commissie, de procedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De medewerker die geconfronteerd is met ongewenste omgangsvormen
                                kan, binnen een termijn van twee jaar nadat de feiten hebben
                                plaatsgevonden, al dan niet na overleg met de vertrouwenspersoon,
                                schriftelijk een klacht indienen bij het bevoegd gezag. Voornoemde
                                beperking van de termijn (twee jaar) geldt niet indien mogelijk
                                sprake is van een strafbaar feit, hetgeen ter beoordeling is aan de
                                voorzitter van de commissie. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor
                                dat de klacht direct wordt doorgestuurd naar de voorzitter van de
                                commissie. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Na ontvangst van een klacht krijgt de klager terstond, namens het
                                bevoegd gezag, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Bij het
                                bericht van ontvangst wordt vermeld dat de commissie over de klacht
                                zal adviseren en worden termijnen genoemd welke in deze procedure
                                worden gehanteerd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Een klacht dient te bevatten: </al><lijst><li nr="-"><al>de naam van de klager; </al></li><li nr="-"><al> een omschrijving met vermelding van tijdstip van de ervaren
                                        ongewenste omgangsvorm; </al></li><li nr="-"><al> de naam van de aangeklaagde; </al></li><li nr="-"><al> een beschrijving van de door de klager en/of
                                        vertrouwenspersoon ondernomen stappen;</al></li><li nr="-"><al> een dagtekening. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Indien niet is voldaan aan een of meerdere eisen genoemd in artikel
                                9 lid 3 wordt de klager door de voorzitter van de commissie in de
                                gelegenheid gesteld, binnen een termijn van twee weken, dit verzuim
                                te herstellen. De verdere behandeltermijn wordt hierdoor met twee
                                weken verlengd. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Binnen één week nadat de voorzitter van de commissie de klacht
                                heeft ontvangen beslist deze of de klacht ontvankelijk is. Dit wordt
                                schriftelijk aan de klager meegedeeld. Wordt de klacht niet
                                ontvankelijk verklaard dan wordt dit duidelijk gemotiveerd. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Een klacht is niet ontvankelijk indien ten minste één gegeven zoals
                                hierna genoemd van toepassing is: </al><lijst><li nr="-"><al> de klacht niet voldoet aan hetgeen in artikel 1 onder
                                        ongewenste omgangsvormen wordt verstaan, </al></li><li nr="-"><al> de klager of aangeklaagde niet valt onder de
                                        definitiebepaling genoemd in artikel 1, </al></li><li nr="-"><al> de klacht niet schriftelijk is ingediend binnen de termijn
                                        genoemd in lid 1 van dit artikel, </al></li><li nr="-"><al>de klacht, ook nadat klager hiertoe door de voorzitter van
                                        de commissie in de gelegenheid is gesteld niet voldoet aan
                                        het bepaalde in lid 3 van dit artikel. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Binnen één week nadat de voorzitter positief heeft beslist over de
                                ontvankelijkheid van de klacht komt de commissie bijeen om de klacht
                                te bespreken.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>De commissie zal de klager, binnen twee weken nadat zij de klacht
                                heeft besproken uitnodigen om te worden gehoord.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>De aangeklaagde wordt door de ambtelijk secretaris van de commissie
                                op de hoogte gesteld van de klacht. Dit gebeurt door toezending van
                                een afschrift van de klacht. Ook de aangeklaagde zal worden
                                uitgenodigd om te worden gehoord en wel binnen twee weken nadat aan
                                betrokkene het afschrift van de klacht is toegezonden.</al><tussenkop><vet>Lid 10</vet></tussenkop><al>Zowel klager als aangeklaagde kunnen zich bij het horen laten
                                bijstaan door een raadsman/-vrouw. Voor de klager kan dit ook de
                                vertrouwenspersoon zijn. Zij dienen hierop door de commissie gewezen
                                te worden bij de uitnodiging voor de hoorzitting.</al><tussenkop><vet>Lid 11</vet></tussenkop><al>De commissie kan, al dan niet op verzoek van klager/aangeklaagde,
                                besluiten ook anderen te horen.</al><tussenkop><vet>Lid 12</vet></tussenkop><al>Indien klager en/of aangeklaagde, zonder een, naar oordeel van de
                                commissie, geldige reden, geen gevolg geeft/geven aan de oproep om
                                gehoord te worden, vindt behandeling van de klacht bij verstek
                                plaats.</al><tussenkop><vet>Lid 13</vet></tussenkop><al>De zittingen van de commissie zijn besloten.</al><tussenkop><vet>Lid 14</vet></tussenkop><al>Van alle hoorzittingen wordt door de ambtelijk secretaris een
                                verslag gemaakt. Binnen twee weken na de hoorzitting ontvangt elk
                                van de partijen een afschrift van het verslag m.b.t. hun gesprek.
                                Zij hebben de mogelijkheid om binnen twee weken schriftelijk op de
                                inhoud van het verslag te reageren. Wordt binnen deze termijn niet
                                gereageerd dan wordt betrokkene geacht met de inhoud van het verslag
                                akkoord te zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 15</vet></tussenkop><al>Zowel klager als aangeklaagde hebben recht op inzage van alle op de
                                klacht betrekking hebbende stukken. Verslagen van de hoorzittingen
                                zijn voor de andere partij eerst ter inzage nadat de reactietermijn
                                genoemd in het vorige lid is verstreken. Binnen twee weken kan een
                                partij reageren op het verslag van de ander.</al><tussenkop><vet>Lid 16</vet></tussenkop><al>De commissie maakt een rapport op van haar bevindingen, waarin
                                opgenomen de verslagen van de hoorzittingen voorzien van eventuele
                                reacties van de partijen en adviseert vervolgens het bevoegd gezag
                                omtrent te nemen disciplinaire straffen of andere maatregelen jegens
                                de aangeklaagde. Rapport en advies dienen deugdelijk gemotiveerd te
                                zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 17</vet></tussenkop><al>Om te komen tot haar advies besluit de commissie met meerderheid van
                                stemmen, waarbij alle leden een gelijke stem hebben. Het bevoegd
                                gezag wordt bij het advies op de hoogte gesteld van het
                                stemgedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 18</vet></tussenkop><al>De commissie draagt er zorg voor dat het rapport genoemd in lid 16
                                van dit artikel en het advies binnen 12 weken na ontvangst van de
                                klacht door de commissie, door tussenkomst van de ambtelijk
                                secretaris, schriftelijk aan het bevoegd gezag is uitgebracht.
                                Bovenvermelde termijn kan met maximaal 4 weken worden verlengd.</al><tussenkop><vet>Lid 19</vet></tussenkop><al>De commissie stelt klager en aangeklaagde op de hoogte van het feit
                                dat zij het rapport van bevindingen en het advies naar het bevoegd
                                gezag heeft gestuurd.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Het besluit</vet></tussenkop><al> Binnen twee weken na ontvangst van het rapport en advies van de
                                commissie neemt het bevoegd gezag een besluit. Zij stelt klager,
                                aangeklaagde, de commissie en de vertrouwenspersoon schriftelijk en
                                gemotiveerd in kennis van het besluit dat naar aanleiding van de
                                bevindingen van het onderzoek door het bevoegd gezag is genomen. Het
                                rapport en advies van de commissie wordt met de beslissing van het
                                bevoegd gezag aan klager en aangeklaagde gestuurd. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Overige taken van de
                                commissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie brengt aan het bevoegd gezag gevraagd en ongevraagd
                                advies uit over het beleid ter voorkoming van ongewenste
                                omgangsvormen op de werkplek. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De commissie brengt vóór 1 april van elk jaar, aan het bevoegd
                                gezag en de ondernemingsraad, schriftelijk verslag uit omtrent haar
                                werkzaamheden in het daaraan voorafgaande jaar. Bij deze rapportage
                                dient de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen
                                om de privacy van de bij de klacht(en) betrokken personen te
                                waarborgen. </al><tussenkop><vet>Artikel 12 Overige bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                bevoegd gezag. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag draagt zorg voor voldoende bekendmaking van deze
                                verordening. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De verordening treedt in werking met ingang van de datum van dit
                                besluit. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De verordening kan worden aangehaald als “Klachtenregeling
                                ongewenste omgangsvormen gemeente Venray”. </al><tussenkop><vet>Artikel 13 Slotbepaling</vet></tussenkop><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de datum van dit
                                besluit en vervangt de verordening van 30 mei 2000. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling opleiding en ontwikkeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Opleidingsaanvraag</al></li><li><al>Artikel 3 Duur opleiding</al></li><li><al>Artikel 4 Te behalen resultaten en voortgang</al></li><li><al>Artikel 5 Vergoeding opleidingskosten</al></li><li><al>Artikel 6 Gehele of gedeeltelijke terugbetaling bij
                                        uitdiensttreding</al></li><li><al>Artikel 7 Terugbetaling bij voortijdig afbreken van de
                                        opleiding</al></li><li><al>Artikel 8 Uitvoering van de gemaakte afspraken</al></li><li><al>Artikel 9 Hardheidsclausule</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Medewerker:</vet> de ambtenaar in de zin van artikel
                                        1:1 lid 1 sub a CAR-UWO </al></li><li nr="b"><al><vet>Opleiding:</vet> activiteiten gericht op de
                                        ontwikkeling van de medewerker op het terrein van de huidige
                                        functie of gericht op een functie waarvoor de medewerker op
                                        een later tijdstip in aanmerking kan komen. Hieronder worden
                                        verstaan de opleidingen die gericht zijn op het verwerven en
                                        op peil houden van de kennis en vaardigheden binnen de
                                        huidige functie of opleidingen die gericht zijn op mogelijke
                                        toekomstige stappen in de loopbaan en welke zijn vastgelegd
                                        in het Persoonlijk Ontwikkelings Plan (POP). </al></li><li nr="c"><al><vet>Studiekosten:</vet> cursus-, les- of collegegelden,
                                        examen- en diplomagelden en opleidingsmateriaal.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Opleidingsaanvraag</vet></tussenkop><al> De opleidingsaanvraag wordt gedaan via het daarvoor bestemde
                                formulier. Dit wordt ter opname in het (digitale) persoonsdossier
                                verstrekt aan HRM. Een opleidingsaanvraag is niet aan tijd of
                                periode gebonden en kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Duur opleiding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De termijn die geldt voor het volgen van de opleiding is in
                                beginsel gerelateerd aan de nominale duur van de opleiding. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien de continuïteit van de bedrijfsvoering dit noodzakelijk
                                maakt, kan de duur van de opleiding worden verlengd met in acht name
                                van de omstandigheden van het individuele geval. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Te behalen resultaten en
                                voortgang</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Tijdens het volgen van de opleiding wordt altijd ingeschreven op de
                                eerste reële examen- of tentamenmogelijkheid en wordt de tentamen-
                                of examenuitslag altijd met de leidinggevende teruggekoppeld. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Eventuele (dreigende) stagnatie wordt door de medewerker direct
                                gemeld bij de leidinggevende. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Vergoeding opleidingskosten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De gemaakte kosten van opleidingen worden voor 100% vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De noodzakelijke reis- en verblijfkosten voor alle opleidingen
                                worden vergoed conform de ‘regeling reis- en verblijfkosten gemeente
                                Venray’. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Om het volgen van een opleiding te kunnen faciliteren wordt zoveel
                                verlof verleend als voor het volgen van lessen en het deelnemen aan
                                examens nodig is. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Gehele of gedeeltelijke terugbetaling bij
                                    uitdiensttreding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een terugbetalingsverplichting van de opleidings- en examenkosten
                                geldt (voor alle opleidingen) als volgt: </al><lijst><li nr="a"><al>100% terugbetaling als het dienstverband wordt beëindigd
                                        gedurende de opleiding door omstandigheden die aan de eigen
                                        schuld of nalatigheid van de medewerker te wijten zijn of
                                        indien deze omstandigheden zich binnen drie jaar na het
                                        afronden van de opleiding voordoen; </al></li><li nr="b"><al> 75% terugbetaling als het dienstverband op eigen verzoek
                                        wordt beëindigd binnen één jaar na het afronden van de
                                        opleiding; </al></li><li nr="c"><al> 50% terugbetaling als het dienstverband op eigen verzoek
                                        wordt beëindigd binnen twee jaar na het afronden van de
                                        opleiding; </al></li><li nr="d"><al> 25% terugbetaling als het dienstverband op eigen verzoek
                                        wordt beëindigd binnen drie jaar na het afronden van de
                                        opleiding;</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De terugbetalingsverplichting geldt niet voor vergoede reis- en
                                verblijfkosten evenals het verleende verlof.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De terugbetalingsverplichting geldt niet wanneer een medewerker
                                binnen de termijn die gesteld wordt in de terugbetalingsverplichting
                                de dienst verlaat wegens interne of regionale mobiliteit.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Terugbetaling bij voortijdig afbreken van de
                                    opleiding</vet></tussenkop><al> De opleidingskosten worden door de medewerker terugbetaald als de
                                opleiding wordt beëindigd voordat de opleidingstermijn is verstreken
                                (zonder voldoende resultaat). </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Uitvoering van de gemaakte
                                afspraken</vet></tussenkop><al> Desgewenst worden aanvullende afspraken tussen leidinggevende en
                                medewerker gemaakt. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van Burgemeester en Wethouders een
                                voorziening treffen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Opleidingsaanvraag</al></li><li><al>Artikel 3 Duur opleiding</al></li><li><al>Artikel 4 Te behalen resultaten en voortgang</al></li><li><al>Artikel 6 Gehele of gedeeltelijke terugbetaling bij
                                        uitdiensttreding</al></li><li><al>Artikel 7 Terugbetaling bij voortijdig afbreken van de
                                        opleiding</al></li><li><al>Artikel 8 Uitvoering van de gemaakte afspraken</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1</vet></tussenkop><al> Hiertoe worden niet gerekend kortdurende opleidingsactiviteiten
                                zoals symposia en in-company trainingen. </al><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al> Het doen van een opleidingsaanvraag mag niet afhankelijk zijn van
                                het tijdstip waarop de manager een jaarlijks (IWP- of POP-)gesprek
                                met de medewerker voert. Indienen van een opleidingsaanvraag is
                                derhalve altijd en gedurende het gehele jaar mogelijk. </al><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><al> De duur van de verlenging wordt in samenspraak met de
                                afdelingsmanager vastgesteld. Dit wordt gesignaleerd en vastgelegd
                                in één van de verslagen inzake de jaargesprekken. </al><tussenkop><vet>Artikel 4</vet></tussenkop><al> In de jaargesprekken wordt de opleidingsvoortgang besproken en
                                worden eventuele nadere afspraken gemaakt (bijvoorbeeld verlof,
                                verlenging termijn, opschorting). In geval van (dreigende) stagnatie
                                worden nadere afspraken gemaakt (bijvoorbeeld extra verlof,
                                verlenging termijn, opschorting of (gedeeltelijke) terugbetaling van
                                door de werkgever betaalde opleidingskosten). </al><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al> Dit kan aan de orde zijn wanneer een medewerker in geval van
                                bovenformativiteit of wegens het samenvoegen van gemeenten een
                                nieuwe werkgever vindt in een andere (regio-)gemeente binnen de
                                termijn die genoemd is in de terugbetalingsregeling. In dat geval
                                kunnen de opleidingskosten kwijtgescholden worden. </al><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><al> Dit kan aan de orde zijn in bijvoorbeeld het geval van ziekte,
                                herplaatsing, bovenformativiteit, pensionering of wanneer blijkt dat
                                het niveau van de opleiding niet realiseerbaar is voor de
                                medewerker. De afdelingsmanager beslist, nadat advies is ingewonnen
                                bij het team HRM, over het al dan niet toepassen van de
                                terugbetalingsregeling. De omstandigheden die leiden tot het
                                voortijd afbreken van de opleiding worden schriftelijk vastgelegd en
                                bij het aanvraagformulier van de opleiding gevoegd. </al><tussenkop><vet>Artikel 8</vet></tussenkop><al> Elementen die naar voren zijn gekomen uit de jaargesprekken kunnen
                                hier in het kader van de te volgen opleiding eventueel worden
                                verwerkt in aanvullende afspraken. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling betaald ouderschapsverlof</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 3 Vergoeding woon-werkverkeer</al></li><li><al>Artikel 4 Korting vakantie- en ADV-verlof</al></li><li><al>Artikel 5 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 6 Inwerkingtreding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Medewerker:</vet> De ambtenaar als bedoeld in hoofdstuk
                                        1, artikel 1:1, lid 1, artikel 1:2 en artikel 1:2:1 van de
                                        Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray. </al></li><li nr="b"><al><vet>Betaald ouderschapsverlof:</vet> Betaald
                                        ouderschapsverlof heeft betrekking op de medewerker die op
                                        grond van de Wet Arbeid en Zorg (Waz) recht heeft op
                                        ouderschapsverlof conform artikel 6:5 of 6:5a CAR. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Werkingssfeer</vet></tussenkop><al> Deze regeling biedt de grondslag voor bepalingen die afwijken van
                                of een aanvulling zijn op de Waz. Deze bepalingen zijn te vinden in
                                artikel 6:5 en 6:5a CAR (hoogte van de aanspraak op doorbetaling van
                                de bezoldiging van de medewerker tijdens het ouderschapsverlof) en
                                de artikelen 6:5:1 t/m 6:5:7 en 6:5a:1 Uitwerkingsovereenkomst (UWO)
                                (o.m. terugbetalingsverplichting). </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Vergoeding woon-werkverkeer</vet></tussenkop><al> Als tijdens het ouderschapsverlof het aantal werkdagen vermindert,
                                wordt op de vergoeding voor het woon-werkverkeer (in het kader van
                                de regeling a la carte en/of forensenvergoeding) een korting
                                toegepast evenredig aan de duur en omvang van het ouderschapsverlof. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Korting vakantie- en
                                ADV-verlof</vet></tussenkop><al> Er vindt als gevolg van het betaald ouderschapsverlof een korting
                                plaats op zowel de vakantie-uren als, indien van toepassing, de
                                ADV-uren evenredig aan de duur en omvang van het ouderschapsverlof. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling betaald
                                ouderschapsverlof” en treedt in werking op 1 mei 2011. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling re-integratieverplichtingen en sanctiebeleid tijdens
                                    de re-integratiefase en werkloosheid</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Algemene bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 2 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 3 Grondslag</al></li></lijst></li><li><al>Verplichtingen</al><lijst><li><al>Artikel 4 Indeling verplichtingen in
                                                categorieën</al></li><li><al>Artikel 5 Verplichtingen voor de medewerker</al></li></lijst></li><li><al>Sancties / maatregelen om re-integratie te bevorderen</al><lijst><li><al>Artikel 6 Sancties tijdens het VWNW-traject of de
                                                re-integratiefase</al></li><li><al>Artikel 7 Sancties tijdens aanvullende
                                                uitkering</al></li><li><al>Artikel 8 Sancties tijdens bovenwettelijke
                                                uitkering</al></li><li><al>Artikel 9 Herhaling</al></li><li><al>Artikel 10 Samenloop</al></li><li><al>Artikel 11 Afstemmen sanctie op ernst en
                                                verwijtbaarheid</al></li></lijst></li><li><al>Slotbepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 12 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 13 Onvoorziene omstandigheden</al></li><li><al>Artikel 14 Citeertitel en inwerkingtreding</al></li></lijst></li><li><al>Matrix van verplichtingen en bijhorende sancties</al></li></lijst><tussenkop><vet>Algemene bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1 Werkingssfeer</vet></tussenkop><al>Deze regeling is van toepassing op de ambtenaar die op grond van de
                                artikelen 8:3 (ontslag wegens reorganisatie), 8:5 (ontslag wegens
                                gedeeltelijke – minder dan 35% - arbeidsongeschiktheid,8:6 (ontslag
                                op grond van onbekwaamheid/ongeschiktheid) en 8:8 (ontslag wegens
                                andere gronden) CAR-UWO.</al><tussenkop><vet>Artikel 2 Begripsbepalingen </vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering:</vet> de uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop
                                        van de werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="c"><al><vet> medewerker:</vet> de ambtenaar die op grond van
                                        artikelen 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 CAR wordt of is ontslagen en
                                        die zich in het VWNW-traject of de re-integratiefase, de
                                        periode van de aanvullende uitkering of de periode van de
                                        bovenwettelijke uitkering bevindt.</al></li><li nr="d"><al><vet> re-integratiefase:</vet> de fase voorafgaand aan
                                        ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
                                        afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de
                                        re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen
                                        en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                        werkloosheid zoveel als mogelijk is te voorkomen</al></li><li nr="e"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de medewerker
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de medewerker te bevorderen;</al></li><li nr="f"><al><vet>van werk-naar-werk-traject:</vet> van toepassing op de
                                        ambtenaar die wordt ontslagen op grond van artikel 8:3
                                        CAR-UWO en zijnde de fase voorafgaand aan ontslag waarin de
                                        gemeente Venray en de boventallig verklaarde medewerker
                                        inspanningen verrichten die er op gericht zijn op plaatsing
                                        van de medewerker in een passende dan wel geschikte functie
                                        of aanvaarding door de medewerker van een functie buiten de
                                        gemeente Venray;</al></li><li nr="g"><al><vet> werkloosheid:</vet> werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente
                                        waaruit de werkloosheid plaatsvindt;</al></li><li nr="h"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                        aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3 Grondslag</vet></tussenkop><al>Deze regeling berust op hoofdstuk 10d CAR van de
                                ‘Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray’.</al><tussenkop><vet>Verplichtingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4 Indeling verplichtingen in
                                categorieën</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>eerste
                                    categorie</onderstreept> worden beschouwd verplichtingen die
                                gericht zijn op het stroomlijnen van het administratieve
                                proces.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>tweede
                                    categorie</onderstreept> worden beschouwd verplichtingen ter
                                opvolging van controlevoorschriften.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van <onderstreept>derde categorie</onderstreept>
                                worden beschouwd de verplichtingen in het kader van re-integratie en
                                werkhervatting.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Als verplichtingen van de <onderstreept>vierde
                                    categorie</onderstreept> worden beschouwd de verplichtingen die
                                gericht zijn op het beperken van het (financiële) risico van de
                                gemeente.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> In de ‘Matrix van verplichtingen en bijhorende sancties’ is
                                uitgewerkt welke verplichtingen onder welke categorie vallen. Deze
                                matrix maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Verplichtingen voor de
                                medewerker</vet></tussenkop><al>Gedurende het van-werk-naar-werktraject, de re-integratiefase, de
                                periode van de aanvullende uitkering en de periode van de
                                bovenwettelijke uitkering, gelden voor de medewerker de
                                verplichtingen die zijn opgenomen in de matrix van verplichtingen en
                                bijhorende sancties, bedoeld in artikel 4, vijfde lid. In het
                                individuele re-integratieplan of het van-werk-naar-werk-contract
                                kunnen deze en aanvullende verplichtingen worden opgenomen.</al><tussenkop><vet>Sancties / maatregelen om re-integratie te
                                    bevorderen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 6 Sancties tijdens het VWNW-traject of de
                                    re-integratiefase</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bezoldiging van 5% gedurende
                                één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2
                                procent of ten hoogste 20 procent van de bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bezoldiging van 10% gedurende
                                twee maanden met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5
                                procent of ten hoogste 30 procent van de bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bezoldiging van 25% gedurende
                                vier maanden met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15
                                procent of ten hoogste 100 procent van de bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie worden
                                gesanctioneerd met een onmiddellijke ingang van het ontslag op grond
                                van artikel 8:3 CAR of 8:6 CAR en het vervallen van het recht op de
                                aanvullende en de bovenwettelijke uitkering.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van een categorie hoger beschouwd.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van de vierde categorie beschouwd.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Sancties tijdens aanvullende
                                uitkering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 5%
                                gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                                minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 10%
                                gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                                minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de aanvullende uitkering van 25%
                                gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                                minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie worden
                                gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de aanvullende
                                uitkering en het vervallen van het recht op de nawettelijke
                                uitkering.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van een categorie hoger beschouwd.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van de vierde categorie beschouwd.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Sancties tijdens bovenwettelijke
                                    uitkering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de eerste categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bovenwettelijke uitkering van
                                5% gedurende één maand, met een mogelijkheid van afwijking tot ten
                                minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de tweede categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bovenwettelijke uitkering van
                                10% gedurende twee maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot
                                ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de derde categorie worden
                                gesanctioneerd met een korting op de bovenwettelijke uitkering van
                                25% gedurende vier maanden, met een mogelijkheid van afwijking tot
                                ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het
                                uitkeringsbedrag.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Niet naleving van verplichtingen uit de vierde categorie worden
                                gesanctioneerd met een blijvende gehele weigering van de
                                bovenwettelijke uitkering.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd tweemaal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van een categorie hoger beschouwd.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Indien de medewerker binnen 6 maanden tijd drie maal zijn
                                verplichtingen niet nakomt, wordt het laatste feit als overtreding
                                van de vierde categorie beschouwd.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Herhaling</vet></tussenkop><al>Indien binnen één maand na de oplegging van een sanctie een
                                verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, wordt de
                                sanctie voor het nieuwe feit in percentage en tijd verdubbeld, met
                                inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, artikel 7,
                                vijfde lid en artikel 8, vijfde lid. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Samenloop</vet></tussenkop><al>Indien sprake is van het niet nakomen van meer dan één verplichting
                                en het niet nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één
                                oorzaak, wordt slechts één sanctie opgelegd. Wanneer de niet
                                nagekomen verplichtingen behoren tot verschillende categorieën wordt
                                de sanctie voor de hoogste categorie toegepast.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Afstemmen sanctie op ernst en verwijtbaarheid
                                </vet></tussenkop><al> Het percentage van de sanctie wordt verlaagd of verhoogd indien de
                                verminderde of verhoogde ernst of verwijtbaarheid van het niet
                                naleven van de verplichting daartoe aanleiding geeft. </al><tussenkop><vet>Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 12 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening indien toepassing leidt tot onbillijkheden van
                                overwegende aard.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Onvoorziene omstandigheden</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                                college.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Citeertitel en inwerkingtreding
                                </vet></tussenkop><al>De verordening kan worden aangehaald als de ‘Regeling
                                re-integratieverplichtingen en sanctiebeleid tijdens het van
                                werk-naar-werk-traject of de re-integratiefase en
                                werkloosheid’.</al><tussenkop><vet>Matrix van verplichtingen en bijhorende
                                sancties</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Fase 1: Re-integratiefase</vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene beschrijving categorie</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet nagekomen verplichting zoals:</al></entry><entry colname="col3"><al>Sanctie </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 1: Onder deze categorie vallen
                                                  verplichtingen die gericht zijn op het
                                                  stroomlijnen van het administratieve proces.</al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker vraagt toestemming om op
                                                  vakantie te gaan, zodra hij zijn vakantieplanning
                                                  weet, maar minimaal 48 uur van tevoren.</al><al>- De medewerker meldt zich op zijn eerste
                                                  ziektedag ziek bij de contactpersoon uit het
                                                  re-integratieplan.</al><al>- De medewerker voldoet binnen de gestelde tijd
                                                  aan een verzoek om alle feiten en omstandigheden
                                                  mede te delen, waarvan redelijkerwijs duidelijk is
                                                  dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                                  re-integratiefase.</al></entry><entry colname="col3"><al>5% korting op de bezoldiging gedurende een
                                                  maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 2: Bij deze categorie gaat het om het
                                                  nakomen van plichten ter opvolging van
                                                  controlevoorschriften.</al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker schrijft zich binnen twee weken
                                                  na het ontslagbesluit in bij het UWV Werkbedrijf.
                                                  <noot id="FN562774_1"><noot.al>Als de re-integratiefase langer duurt dan
                                                  vier maanden dan dient met het UWV- werkbedrijf
                                                  overlegd te worden wanneer inschrijving mogelijk
                                                  is. UWV hanteert namelijk de standaardregel dat
                                                  een werkzoekende zich vier maanden voor de
                                                  vermoedelijke ingangsdatum van het ontslag kan
                                                  inschrijven.</noot.al></noot></al><al>- De medewerker overlegt een kopie van het
                                                  inschrijvingsbewijs bij het UWV Werkbedrijf.</al><al>- De medewerker moet zich inschrijven bij
                                                  www.werk.nl. </al><al>- De medewerker moet zich inschrijven bij een
                                                  nader bepaald aantal uitzendbureaus.</al><al>- De medewerker schrijft zich in bij werving- en
                                                  selectiebureaus, indien hierover individuele
                                                  afspraken gemaakt zijn.</al><al>- De medewerker schrijft zich in bij een
                                                  reintegratiebureau, indien hierover individuele
                                                  afspraken gemaakt zijn.</al><al>- De medewerker onderhoudt <noot id="FN562774_2"><noot.al>Het in stand houden en tijdig verlengen
                                                  van de inschrijving bij dat bureau.</noot.al></noot> zijn inschrijving(en) bij:</al><al>a het UWV Werkbedrijf</al><al>b de uitzendbureaus</al><al>c de werving- en selectiebureaus</al><al>d het re-integratiebureau.</al><al>- De medewerker moet komen op de afspraak om het
                                                  voorstel voor het re-integratieplan te
                                                  bespreken.</al><al>- De medewerker verschijnt op de afgesproken
                                                  evaluatiemomenten.</al><al>- De medewerker meldt, indien van toepassing, de
                                                  werkgever of het re-integratiebureau tijdig als
                                                  reintegratieverplichtingen niet (kunnen) worden
                                                  nagekomen, met vermelding van de reden
                                                  hiervan.</al></entry><entry colname="col3"><al>10% korting op de bezoldiging gedurende twee
                                                  maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 3: Onder deze categorie verplichtingen
                                                  valt gedrag dat de re-integratie en werkhervatting
                                                  bevordert.</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>- De medewerker stelt zich niet belemmerend op
                                                  bij het vinden van werk. Dit houdt concreet in dat
                                                  de medewerker: </al><al>o meewerkt aan het opstellen van het
                                                  reintegratieplan;</al><al>o de afspraken zoals deze zijn vastgesteld in
                                                  het reintegratieplan nakomt;</al><al>o solliciteert op door de werkgever aangereikte
                                                  functies en zelf actief op zoek gaat naar passende
                                                  vacatures <noot id="FN562774_3"><noot.al>Naarmate de re-integratiefase langer
                                                  duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid
                                                  verwacht worden. Een functie van maximaal 2
                                                  schalen lager dan de oorspronkelijke functie kan
                                                  ook passend zijn (zie toelichting op artikel 10d:6
                                                  CAR).</noot.al></noot> en hierop solliciteert; </al><al>o meewerkt en gemotiveerd deelneemt aan
                                                  noodzakelijk geachte scholing, opleiding en/of
                                                  activiteiten gericht op inschakeling in de
                                                  arbeid;</al><al>o medewerking verleent aan onderzoek over de
                                                  inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van
                                                  de re-integratieactiviteiten.</al><al>- De medewerker is verplicht zich tijdens ziekte
                                                  te blijven inzetten voor zijn re-integratie voor
                                                  zover de gezondheidstoestand van de medewerker dit
                                                  toelaat.</al><al>- De medewerker voorkomt voortduring van de
                                                  dreigende werkloosheid door onvoldoende
                                                  sollicitatieactiviteiten.</al><al>- De medewerker voorkomt voortduring van de
                                                  dreigende werkloosheid door het stellen van eisen
                                                  die het aanvaarden of verkrijgen van passende
                                                  arbeid belemmeren.</al><al>- De medewerker dient mee te werken aan gestelde
                                                  voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn
                                                  de medewerker in staat te stellen om arbeid te
                                                  verrichten.</al><al><cursief>Inzet van re-integratie-instrumenten
                                                  en/of middelen</cursief></al><al>- De medewerker moet meewerken aan het opstellen
                                                  van een arbeidsmarktprofiel. Hiervoor moet hij de
                                                  volgende aspecten in kaart brengen. </al><al>o Persoonlijke gegevens</al><al>o Opleiding en werkervaring</al><al>o Competenties</al><al>- De medewerker moet hiervoor de vragenlijst van
                                                  het UWV Werkbedrijf gebruiken.</al><al>o Motivatie</al><al>- De medewerker moet hiervoor de vragenlijst van
                                                  het UWV Werkbedrijf gebruiken.</al><al>o Gewenste functie(s)</al><al>- De medewerker moet hiervoor de
                                                  interessevragenlijst van het UWV Werkbedrijf
                                                  gebruiken.</al><al>- De medewerker is verplicht een eigen portfolio
                                                  bij te houden en deze ter beoordeling mee te nemen
                                                  naar de evaluatiegesprekken.</al><al>- Wanneer de medewerker gebruik wil maken van
                                                  reintegratieinstrumenten en/of middelen die niet
                                                  zijn opgenomen in het re-integratieplan dient dit
                                                  eerst overlegd te worden met de
                                                  contactpersoon.</al><al>- Wanneer een
                                                  re-integratiebureau/outplacementbureau is
                                                  ingeschakeld, is de medewerker verplicht
                                                  informatie te leveren aan het bureau die nodig is
                                                  voor zijn begeleiding.</al><al>- De medewerker doet de werkgever maandelijks
                                                  schriftelijk opgave van zijn
                                                  sollicitatieactiviteiten conform de afspraken in
                                                  het re-integratieplan.</al><al>- De medewerker is verplicht gebruik te maken
                                                  van de instrumenten en activiteiten van het UWV
                                                  werkbedrijf, wanneer de werkgever hiertoe
                                                  opdraagt.</al></entry><entry colname="col3"><al>25% korting op de bezoldiging gedurende vier
                                                  maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 4: Onder deze categorie vallen
                                                  handelingen die gemeente kunnen benadelen.
                                                  (beperken van risico voor de gemeente) </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker benadeelt de werkgever niet. Dit
                                                  houdt concreet in dat:</al><al>o de medewerker zonder toestemming van zijn
                                                  werkgever geen (betaald) werk voor zichzelf en/of
                                                  derden verricht;</al><al>o de medewerker niet langer dan toegestaan met
                                                  vakantie is;</al><al>o de medewerker zich tijdens ziekte niet
                                                  schuldig maakt aan gedragingen die het herstel
                                                  belemmeren;</al><al>o de medewerker geen onjuiste en/of onvolledige
                                                  informatie verstrekt over zijn persoonlijke
                                                  situatie, werkhervatting, vakantieopname en andere
                                                  zaken die van invloed zijn op de re-integratiefase
                                                  op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO. </al></entry><entry colname="col3"><al>Direct ingaan van ontslag waarbij de rechten op
                                                  een aanvullende uitkering en een bovenwettelijke
                                                  uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO komen
                                                  te vervallen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Fase 2 en 3: De aanvullende en nawettelijke
                                    uitkering</vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene beschrijving categorie</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet nagekomen verplichting zoals:</al></entry><entry colname="col3"><al>Sanctie </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 1: Onder deze categorie vallen
                                                  verplichtingen die gericht zijn op het
                                                  stroomlijnen van het administratieve proces.</al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker vraagt toestemming om op
                                                  vakantie te gaan, zodra hij zijn vakantieplanning
                                                  weet, maar minimaal 4 weken van tevoren. </al><al>- De medewerker meldt zich op zijn eerste
                                                  ziektedag ziek volgens de daarvoor geldende
                                                  interne afspraken. </al><al>- De medewerker informeert de werkgever direct
                                                  over andere inkomsten dan de WW-uitkering en/of de
                                                  bovenwettelijke uitkering. </al><al>- De medewerker doet de werkgever direct
                                                  mededeling van alle wijzigingen die zich in de
                                                  persoonlijke situatie voordoen en die van belang
                                                  kunnen zijn voor de beoordeling op aanspraak op en
                                                  de voortzetting van de uitkering. Hieronder worden
                                                  in ieder geval begrepen wijzigingen in woonplaats,
                                                  wijzigingen met betrekking tot gezondheidssituatie
                                                  en wijzigingen met betrekking tot
                                                  (neven)werkzaamheden of (neven)inkomsten.</al></entry><entry colname="col3"><al>5% korting op de uitkering gedurende een
                                                  maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 2: Bij deze categorie gaat het om het
                                                  nakomen van plichten ter opvolging van
                                                  controlevoorschriften.</al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker moet komen op de afspraak om de
                                                  voortgang van het re-integratieplan te bespreken. </al><al>- De medewerker overlegt een kopie van de
                                                  verlenging van het inschrijvingsbewijs bij het UWV
                                                  Werkbedrijf. </al><al>- De medewerker onderhoudt <noot id="FN562774_4"><noot.al>Het in stand houden en tijdig verlengen
                                                  van de inschrijving bij dat bureau.</noot.al></noot> zijn inschrijving(en) bij: </al><al>a het UWV Werkbedrijf </al><al>b de uitzendbureaus </al><al>c de werving- en selectiebureaus </al><al>d het re-integratiebureau.</al><al>- De medewerker verschijnt op de afgesproken
                                                  evaluatiemomenten. </al><al>- De medewerker moet voldoen aan elke oproep om
                                                  aanwezig te zijn of het beantwoorden van vragen
                                                  die door de werkgever in verband met het recht op
                                                  uitkering wordt gesteld. </al><al>- De medewerker meldt, indien van toepassing, de
                                                  werkgever of het re-integratiebureau tijdig als
                                                  reintegratieverplichtingen niet (kunnen) worden
                                                  nagekomen, met vermelding van de reden
                                                  hiervan.</al></entry><entry colname="col3"><al>10% korting op de bezoldiging gedurende twee
                                                  maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 3: Onder deze categorie verplichtingen
                                                  valt gedrag dat de re-integratie en werkhervatting
                                                  bevordert.</al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker stelt zich niet belemmerend op
                                                  bij het vinden van werk. Dit houdt concreet in dat
                                                  de medewerker:</al><al>o meewerkt aan het wijzigen van het
                                                  re-integratieplan;</al><al>o de afspraken zoals deze zijn vastgesteld in
                                                  het re-integratieplan nakomt;</al><al>o solliciteert op door de werkgever aangereikte
                                                  functies en zelf actief op zoek gaat naar passende
                                                  vacatures <noot id="FN562774_5"><noot.al>Naarmate de re-integratiefase langer
                                                  duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid
                                                  verwacht worden. Een functie van maximaal 2
                                                  schalen lager dan de oorspronkelijke functie kan
                                                  ook passend zijn (zie toelichting op artikel 10d:6
                                                  CAR).</noot.al></noot> en hierop solliciteert;</al><al>o meewerkt en gemotiveerd deelneemt aan
                                                  noodzakelijk geachte scholing, opleiding en/of
                                                  activiteiten gericht op inschakeling in de
                                                  arbeid;</al><al>o medewerking verleent aan onderzoek over de
                                                  inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van
                                                  de re-integratieactiviteiten.</al><al>- De medewerker is verplicht een eigen portfolio
                                                  bij te houden en deze ter beoordeling mee te nemen
                                                  naar de evaluatiegesprekken.</al><al>- Wanneer de medewerker gebruik wil maken van
                                                  reintegratieinstrumenten en/of middelen die niet
                                                  zijn opgenomen in het re-integratieplan dient dit
                                                  eerst overlegd te worden met de werkgever.</al><al>- De medewerker is verplicht gebruik te maken
                                                  van de instrumenten en activiteiten van het UWV
                                                  werkbedrijf, wanneer de werkgever hiertoe
                                                  opdraagt.</al><al>- De medewerker doet de werkgever maandelijks
                                                  schriftelijk opgave van zijn
                                                  sollicitatieactiviteiten conform de afspraken in
                                                  het re-integratieplan.</al><al>- De medewerker is verplicht de werkgever in
                                                  kennis te stellen over het indienen van een
                                                  verzoek bij UWV voor sollicitatieplichtontheffing
                                                  of vrijstelling van de sollicitatieplicht.</al><al>- Wanneer een
                                                  re-integratiebureau/outplacementbureau is
                                                  ingeschakeld, is de medewerker verplicht
                                                  informatie te leveren aan het bureau die nodig is
                                                  voor zijn begeleiding.</al><al>- De medewerker voorkomt voortduring
                                                  werkloosheid door onvoldoende
                                                  sollicitatieactiviteiten.</al><al>- De medewerker voorkomt voortduring van de
                                                  werkloosheid door het stellen van eisen die het
                                                  aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid
                                                  belemmeren.</al><al>- De medewerker dient mee te werken aan gestelde
                                                  voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn
                                                  de medewerker in staat te stellen om arbeid te
                                                  verrichten.</al><al>- De medewerker is verplicht zich tijdens ziekte
                                                  te blijven inzetten voor zijn re-integratie voor
                                                  zover de gezondheidstoestand van de medewerker dit
                                                  toelaat.</al></entry><entry colname="col3"><al>25% korting op de bezoldiging gedurende vier
                                                  maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 4: Onder deze categorie vallen
                                                  handelingen die gemeente kunnen benadelen. </al></entry><entry colname="col2"><al>- De medewerker benadeelt de werkgever niet. Dit
                                                  houdt concreet in dat:</al><al>o de medewerker zonder toestemming van zijn
                                                  werkgever geen (betaald) werk voor zichzelf of
                                                  derden verricht;</al><al>o de medewerker niet langer dan is toegestaan
                                                  met vakantie is;</al><al>o de medewerker zich tijdens ziekte niet
                                                  schuldig maakt aan gedragingen die herstel
                                                  belemmeren;</al><al>o de medewerker geen onjuiste en/of onvolledige
                                                  informatie verstrekt over zijn persoonlijke
                                                  situatie, werkhervatting, vakantieopname en andere
                                                  zaken die van invloed zijn op het recht op een
                                                  uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR-UWO</al></entry><entry colname="col3"><al>Blijven gehele weigering van de aanvullende of
                                                  bovenwettelijke uitkering</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling reis- en verblijfkosten</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al></li><li><al>Artikel 2 Begin en einde van de dienstreis</al></li><li><al>Artikel 3 Reiskostenvergoedingen van de dienstreis</al></li><li><al>Artikel 4 Vergoedingen voor verblijfkosten van de
                                        dienstreis</al></li><li><al>Artikel 5 Reis- en verblijfskosten Buitenland</al></li><li><al>Artikel 6 Declaratie reis- en verblijfkosten van de
                                        dienstreis</al></li><li><al>Artikel 7 Vaste autokostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 8 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 9 Citeertitel en inwerkingtreding</al></li><li><al>Praktijkvoorbeelden ‘regeling reis- en verblijfkosten
                                        gemeente Venray’</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>het college:</vet> het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Venray;</al></li><li nr="b"><al><vet> medewerker:</vet> de ambtenaar in de zin van artikel
                                        1:1 lid 1 sub a van de CAR-UWO, werkzaam in dienst van de
                                        gemeente Venray;</al></li><li nr="c"><al><vet> standplaats:</vet> plaats (het gebouw, gebouwencomplex
                                        of terrein) waar of van waaruit de medewerker gewoonlijk
                                        zijn werkzaamheden verricht;</al></li><li nr="d"><al><vet> dienstreis:</vet> de reisbeweging van een medewerker
                                        tot het verrichten van werkzaamheden buiten de standplaats,
                                        alsmede het hiermede verband houdende verblijf buiten deze
                                        plaats.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Begin en einde van de
                                dienstreis</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de vergoeding van reiskosten geldt dat de standplaats het
                                beginpunt en het eindpunt is van de dienstreis.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dient de woning van
                                de medewerker of een andere plaats als beginpunt respectievelijk
                                eindpunt van de dienstreis te worden aangemerkt als dit efficiënter
                                is en/of tot lagere reiskosten leidt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid en tweede lid wordt
                                het deel van de dienstreis dat geheel of gedeeltelijk het traject
                                woon-werkverkeer bevat, niet vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling, dient een
                                dienstreis op de voor de werkgever minst kostbare wijze te worden
                                uitgevoerd. De kosten dienen in overeenstemming te zijn met de
                                reden, omstandigheden en de duur van de reis. De werknemer dient
                                hierbij de normen van de redelijkheid in acht te nemen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Reiskostenvergoedingen van de
                                dienstreis</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In het kader van duurzaamheid bevorderende maatregelen wordt de
                                mogelijkheid om te carpoolen, het gebruik van openbaar vervoer,
                                elektrische dienstauto en fiets aanbevolen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De reiskosten van het openbaar vervoer voor de dienstreis (op basis
                                van de tweede klasse) worden vergoed op basis van
                                bewijsstukken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien dit voor de uitvoering van het werk noodzakelijk wordt geacht
                                kan, met instemming van de leidinggevende, vergoeding van het
                                openbaar vervoer op basis van eerste klasse worden toegekend op
                                basis van bewijstukken.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Als voor de dienstreis gebruik gemaakt wordt van een eigen
                                motorvoertuig, wordt aan de medewerker een vergoeding toegekend
                                overeenkomstig artikel 2 uit de “reisregeling binnenland”. Op
                                peildatum 1 januari 2015 geldt een vergoeding van € 0,37 per
                                kilometer waarvan € 0,19 onbelast en € 0,18 belast.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Parkeerkosten worden vergoed op basis van bewijsstukken.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Overige kosten zoals, tol- en pontgelden en boetes, komen niet voor
                                declaratie in aanmerking.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Vergoedingen voor verblijfkosten van de
                                    dienstreis</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden, logies en kleine
                                uitgaven komen voor vergoeding in aanmerking. Hierbij worden de
                                bedragen en voorwaarden gehanteerd uit de “reisregeling binnenland”.
                                Op peildatum 1 januari 2015 zijn deze: De vergoeding wegens
                                verblijfkosten omvat voor ieder vol etmaal dat de dienstreis duurt
                                een bedrag van € 4,56 voor kleine uitgaven overdag (dagcomponent)
                                alsmede een bedrag van € 13,62 voor kleine uitgaven 's avonds
                                (avondcomponent) vermeerderd met maximaal:</al><lijst><li nr="a"><al>€ 14,39 voor een lunch (lunchcomponent);</al></li><li nr="b"><al>€ 21,77 voor een avondmaaltijd (dinercomponent);</al></li><li nr="c"><al>€ 86,34 voor logies (logiescomponent);</al></li><li nr="d"><al>€ 8,43 voor een ontbijt (ontbijtcomponent).</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor dienstreizen korter dan vier uur, wordt geen vergoeding gegeven
                                voor verblijfkosten.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De avondcomponent en de ontbijtcomponent worden slechts toegekend
                                indien een overnachting in de dienstreis valt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De lunchcomponent respectievelijk de dinercomponent worden slechts
                                toegekend, indien de tijd tussen 12.00 uur en 14.00 uur
                                respectievelijk 18.00 en 21.00 uur geheel in de dienstreis
                                valt.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>In overleg tussen medewerker en leidinggevende wordt vóór de aanvang
                                van de dienstreis in redelijkheid bepaald of een overnachting
                                noodzakelijk is (reistijd en –afstand).</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De verblijfkosten worden vergoed op basis van bewijsstukken.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Reis- en verblijfskosten
                                Buitenland</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Een dienstreis naar het buitenland dient vooraf ter goedkeuring te
                                worden voorgelegd aan het college.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De reis- en verblijfkosten worden vergoed op basis van de
                                “reisregeling buitenland”.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Declaratie reis- en verblijfkosten van de
                                    dienstreis</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het declareren van de reis-, parkeer- en verblijfkosten geschiedt
                                middels het hiervoor bestemde (digitale) formulier, onder
                                overlegging van de benodigde bewijsstukken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Reis-, parkeer- en verblijfskostendeclaraties worden zo spoedig
                                mogelijk en bij voorkeur voor het einde van het kalenderjaar waarop
                                de kosten betrekking hebben ingediend.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Vaste autokostenvergoeding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In aanvulling op de vergoeding voor dienstreizen heeft de medewerker
                                die de eigen auto structureel nodig heeft voor het vervullen van de
                                werkzaamheden en die meer dan 500 km per jaar aan dienstkilometers
                                rijdt, eveneens recht op een vaste onkostenvergoeding.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op basis
                                van de enkele reisafstand van het woonadres naar de standplaats en
                                naar rato van het aantal reguliere werkdagen per week.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al><vet>kilometers enkele reis</vet></al></entry><entry namest="col2" nameend="col6" colname="col2"><al><vet>netto vergoeding per maand bij</vet></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1 dag per week </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2 dagen per week </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3 dagen per week</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4–5 dagen per week</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0 – 10 km </al></entry><entry colname="col2"><al> € 6,50</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 13,00 </al></entry><entry colname="col4"><al>€ 19,50 </al></entry><entry colname="col5"><al>€ 32,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 km of meer </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 8,33</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,67 </al></entry><entry colname="col4"><al>€ 25,00</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 41,67</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Bovenstaand zijn netto bedragen waarop geen indexatie
                                    plaatvindt.</cursief></al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De leidinggevende stelt vast welke medewerkers vanuit de functie
                                structureel gebruik moeten maken van een eigen auto voor het
                                vervullen van de werkzaamheden en derhalve op grond van lid 1 in
                                aanmerking komen voor een vaste reiskostenvergoeding.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Citeertitel en
                                inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als ”Regeling reis- en
                                verblijfkosten gemeente Venray”.</al><tussenkop><vet>Praktijkvoorbeelden ‘regeling reis- en verblijfkosten
                                    gemeente Venray’</vet></tussenkop><al>Uitgangspunt is dat de dienstreis wordt vergoed, behalve het
                                gedeelte dat het traject woonwerkverkeer bevat. Let op: dit gaat dus
                                niet om het aantal kilometers woon-werkverkeer maar om het
                                    traject!<vet>In het kader van duurzaamheid bevorderende
                                    maatregelen wordt de mogelijkheid om te carpoolen, het gebruik
                                    van openbaar vervoer, elektrische dienstauto en fiets
                                    aanbevolen. Voor dit voorbeeld is als vertrekpunt Nijmegen
                                    gekozen: Utrecht Arnhem Nijmegen Venray Venlo Wel declarabel Wel
                                    declarabel Niet declarabel Wel declarabel Helmond Wel declarabel
                                    Wel</vet></al><tussenkop><onderstreept>Voor dit voorbeeld is als vertrekpunt Nijmegen
                                    gekozen:</onderstreept></tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto16" type="foto" id="i267760"></illustratie></plaatje></al><tussenkop><vet><onderstreept>Meervoudige
                                    dienstreis</onderstreept></vet></tussenkop><al>Wanneer een medewerker vertrekt vanuit huis en op de weg naar Venray
                                bij verschillende adressen stopt om werkzaamheden uit te voeren
                                (bijvoorbeeld toezichthouders), mag hij als volgt declareren: het
                                aantal kilometers wat in totaal is gereden minus het aantal
                                kilometers van zijn reguliere woon-werktraject. Voorbeeld:</al><tussenkop><onderstreept>In dit voorbeeld is Venlo de woonplaats van de
                                    medewerker en Venray de standplaats:</onderstreept></tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto17" type="foto" id="i267761"></illustratie></plaatje></al><al><cursief><vet>Het totaal aan kilometers wat tijdens deze rit is
                                        gemaakt, minus het aantal kilometers van het reguliere
                                        woon-werktraject Venlo- Venray mag worden
                                        gedeclareerd!</vet></cursief></al></artikel><artikel><kop><titel>Nadere regels relatiegeschenken</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Integriteitsgedragscode voor de ambtenaren</al></li><li><al>Integriteitsgedragscode voor bestuurders</al><lijst><li><al>Inleiding</al></li><li><al>Deel I Kernbegrippen van bestuurlijke
                                                integriteit</al></li><li><al>Deel II Gedragscode bestuurlijke integriteit</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Integriteitsgedragscode voor de ambtenaren van de
                                    gemeente Venray</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Doe wat u zegt en zeg wat u doet! </vet></tussenkop><tussenkop><onderstreept>Zorg dat uw handelen altijd bespreekbaar
                                    is.</onderstreept></tussenkop><al>In overleg met de collega’s en het afdelingshoofd wordt regelmatig
                                gesproken over de te hanteren waarden en normen van de functie c.q.
                                het zijn van ambtenaar. </al><tussenkop><onderstreept>Zorg ervoor dat er geen verplichtingen ontstaan
                                    of worden gevoeld in de werkrelatie met derden en dat u nee kunt
                                    zeggen als het nee moet zijn.</onderstreept></tussenkop><al>Bestuurders en ambtenaren moeten altijd onafhankelijk zijn in hun
                                beslissingen. Ingaan op aanbiedingen van derden kan die vrijheid
                                belemmeren. Ook een persoonlijke binding kan een objectieve
                                benadering in de weg staan. </al><tussenkop><onderstreept>Denk eraan dat als u eenmaal relatiegeschenken
                                    aanvaardt, de weg terug moeilijk is.</onderstreept></tussenkop><al>Als de gever toespelingen maakt op verstrekte gestes, dan sluipt het
                                gevaar van chantage in. Regel is dat in het kader van een plezierig
                                verlopen samenwerking tot een bedrag van indicatief € 75 een
                                relatiegeschenk mag worden geaccepteerd. Wel dient dit geregistreerd
                                te worden. Alle geschenken dienen jaarlijks door de collegeleden aan
                                het college en door de ambtenaren aan het MT te worden gemeld.
                                Relatiegeschenken die boven het indicatieve bedrag uitkomen en
                                daarmee niet als betamelijk kunnen worden beschouwd, worden gemeld
                                aan het college. Bij twijfel of de acceptatie van een geschenk wel
                                of niet kan, bespreekt u dit met uw direct leidinggevende. Door
                                bestuurders gebeurt dit in het college. Zie hiervoor ook de
                                “richtlijnen inzake de acceptatie van relatiegeschenken”, welke door
                                het college van B&amp;W is vastgesteld op 27-10-1992 en van
                                toepassing zijn op collegeleden, leden van het MT en de overige
                                ambtelijke medewerkers. </al><tussenkop><onderstreept>Houd bij het al dan niet aanvaarden van een
                                    geschenk of een uitnodiging voor bijvoorbeeld een etentje
                                    rekening met de fase waarin het zakelijk contact op het moment
                                    verkeert.</onderstreept></tussenkop><al>Ga bijvoorbeeld nooit in op aanbiedingen tijdens een
                                onderhandelingsproces. Als blijk van waardering voor de goede
                                samenwerking na afloop van een project moet een aangeklede borrel of
                                een diner mogelijk zijn. Dit geldt ook voor een jaarlijkse
                                uitnodiging voor een diner met een vaste aannemer, die verschillende
                                projecten in een jaar heeft gerealiseerd. Het ingaan op
                                uitnodigingen van buiten de organisatie voor een diner (ongeacht de
                                kosten) in de offertefase is echter uitgesloten, omdat dan de
                                onafhankelijkheid in het geding kan zijn. </al><tussenkop><onderstreept> Meld de ontvangst van aanvragen van
                                    familieleden, vrienden, kennissen, collega's en bestuurders
                                    altijd aan uw leidinggevende.</onderstreept></tussenkop><al>Het bij voorrang behandelen van bepaalde zaken op verzoek van een
                                van de vorenvermelde personen kan niet, tenzij een besluit van
                                B&amp;W of de Raad eraan ten grondslag ligt. Daarmee voorkomt u de
                                schijn van vriendjespolitiek. </al><tussenkop><onderstreept>Meld nevenfuncties. Houd nevenfuncties
                                    gescheiden van het werk.</onderstreept></tussenkop><al>Vermijd belangenverstrengeling zodat onpartijdigheid van de gemeente
                                of het vertrouwen daarin niet in het geding komt. Nevenactiviteiten
                                worden geregistreerd in een openbaar register. </al><tussenkop><onderstreept>Neem geen gemeentelijke eigendommen mee naar
                                    huis en gebruik ze niet voor privé
                                doeleinden.</onderstreept></tussenkop><al>Een uitzondering kan zijn wanneer u daar gebruik van maakt voor het
                                vervullen van uw functie. Het lijkt al snel onbenullig als er
                                gesproken wordt over het meenemen van een pen, lijm en dergelijke.
                                Maar als alle spullen opgeteld en vermenigvuldigd worden met het
                                aantal medewerk(st)ers is duidelijk dat dit de werkgever op
                                jaarbasis veel geld kost. Het privé-gebruik van gemeentelijke
                                middelen is in principe niet toegestaan. Het incidenteel kopiëren
                                van stukken mag. Het structureel of in grote aantallen kopiëren van
                                stukken zowel privé als voor bijvoorbeeld een vereniging is tegen
                                betaling (momenteel € 0,045 (fl 0,10) per kopie) toegestaan, tenzij
                                de voortgang van de dienst wordt belemmerd. Voor privé-telefoontjes
                                geldt in de regel dat die thuis plaatsvinden. Ook hier geldt dat
                                incidenteel gebruik is toegestaan. </al><tussenkop><onderstreept>Houd vertrouwelijke informatie waarover u in uw
                                    functie kunt beschikken voor u.</onderstreept></tussenkop><al>Laat geen informatie bewust of onbewust uitlekken. Bewaar daarom
                                documenten met interne gegevens zorgvuldig en tref maatregelen om te
                                voorkomen dat onbevoegden er kennis van kunnen nemen. </al><tussenkop><onderstreept>Praat als collega’s onder elkaar en naar de
                                    leidinggevende toe open en eerlijk over aanbiedingen van
                                    derden.</onderstreept></tussenkop><al>Bespreek voorvallen van beïnvloeding in het werkoverleg en
                                functioneringsgesprekken. </al><tussenkop><onderstreept>Laat het duidelijk aan uw werkrelaties blijken
                                    als de door de organisatie gestelde grenzen worden
                                    overschreden.</onderstreept></tussenkop><al>Doe dit ook als het die kant op dreigt te gaan. </al><tussenkop><onderstreept>Licht het hoofd van uw afdeling in als u zaken
                                    signaleert die in uw ogen niet passen in het kader van integer
                                    handelen.</onderstreept></tussenkop><al>Als het hoofd de persoon is op wie de melding betrekking heeft,
                                meldt u zich dan bij de directeur. Is de directeur de persoon op wie
                                de melding betrekking heeft, meldt u zich dan bij de
                                gemeentesecretaris. Als de gemeentesecretaris de persoon is op wie
                                de melding betrekking heeft, meldt u zich dan bij de burgemeester.
                                Als de burgemeester de persoon is op wie de melding betrekking
                                heeft, meldt u zich dan bij de loco-burgemeester. Als de wethouder
                                de persoon is op wie de melding betrekking heeft, meldt u zich dan
                                bij de gemeentesecretaris en de burgemeester. </al><tussenkop><onderstreept>Zorg ervoor dat onderhandelingen, gericht op
                                    het bereiken van een overeenkomst, door tenminste twee personen
                                    worden gevoerd.</onderstreept></tussenkop><al>Er kunnen zich echter situaties voordoen die afwijking van deze
                                regel rechtvaardigen. </al><tussenkop><onderstreept>Alle contacten met vertegenwoordigers van de
                                    pers vinden in principe plaats via bureau
                                    communicatie.</onderstreept></tussenkop><al>In overleg met het bureau communicatie kan hiervan worden afgeweken. </al><tussenkop><onderstreept>Evalueer elk jaar binnen de afdeling
                                    bovenstaande én afdelingsafspraken rond
                                    integriteit.</onderstreept></tussenkop><al>Zorg dat de afspraken rond integriteit tenminste 1 x per jaar binnen
                                de afdeling worden geëvalueerd. Op deze wijze blijft het
                                integriteitsbeleid actief en worden de betreffende waarden en normen
                                bewaakt. </al><tussenkop><vet>Integriteitsgedragscode voor
                                bestuurders</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Inleiding</vet></tussenkop><al>Het doel van deze gedragscode is om bestuurders een houvast te
                                bieden bij het bepalen van normen omtrent de integriteit van het
                                bestuur. De code kan de discussie stimuleren om lokaal tot regels te
                                komen, waarbij rekening kan worden gehouden met specifieke
                                omstandigheden. De code bevat regels zowel voor het bestuursorgaan
                                in zijn geheel als voor bestuurders afzonderlijk. Onder bestuurders
                                wordt verstaan: burgemeester en wethouders en naar analogie ook de
                                leden van de raad en commissies. Bovendien is als gevolg van het
                                duale systeem de invoering van een gedragscode voor gemeenten per
                                2003 verplicht. De code geeft niet per definitie regels die
                                rechtskracht hebben, maar heeft vooral bestuurlijke en politieke
                                relevantie. Bestuurders zijn op de naleving van gedragscodes
                                aanspreekbaar en wanneer zij zich er niet aan houden, kan dat
                                gevolgen hebben voor hun functioneren en voor hun positie. Overigens
                                kan de rechtskracht van de code versterkt worden door deze onderdeel
                                te laten uitmaken van een verordening die op gemeentelijk niveau
                                wordt vastgesteld. Niet voor alle regels ligt een dergelijke
                                juridische verankering echter voor de hand. Naast deze code bestaan
                                er voorschriften die in wet of elders geregeld zijn, bijvoorbeeld
                                over fraude, valsheid in geschrifte en over nevenfuncties. De code
                                bevat zowel normen over hoe in een bepaalde situatie te handelen als
                                regels over procedures die moeten worden gevolgd. Procedureafspraken
                                kunnen een onlosmakelijk onderdeel zijn van een gedragsregel en de
                                transparantie, en daarmee de controleerbaarheid, vergroten. De code
                                bestaat uit twee onderdelen. Deel I beschrijft een aantal
                                kernbegrippen van integriteit en plaatst daarmee het vraagstuk in
                                een breder kader. Zij vormen als het ware de algemene uitgangspunten
                                voor de gedragscode. Deel II bevat de feitelijke gedragsregels,
                                waarbij een aantal thema’s wordt onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>algemene bepalingen </al></li><li nr="-"><al>belangenverstrengeling en aanbesteding </al></li><li nr="-"><al>nevenfuncties </al></li><li nr="-"><al>informatie </al></li><li nr="-"><al>aannemen van geschenken </al></li><li nr="-"><al>bestuurlijke uitgaven </al></li><li nr="-"><al>declaraties </al></li><li nr="-"><al>gebruik van gemeentelijke voorzieningen </al></li><li nr="-"><al>reizen buitenland </al></li></lijst><al>Voor de opstelling van de code is mede gebruik gemaakt van bestaande
                                voorbeelden in gemeenten. </al><tussenkop><vet>Deel I</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Kernbegrippen van bestuurlijke
                                integriteit</vet></tussenkop><al>Leden van colleges van burgemeester en wethouders en naar analogie
                                ook de leden van raad en commissies stellen bij hun handelen de
                                kwaliteit van het openbaar bestuur centraal. Integriteit van het
                                openbaar bestuur is daarvoor een belangrijke voorwaarde. De belangen
                                van de gemeente, en in het verlengde daarvan die van de burgers,
                                zijn het primaire richtsnoer. Bestuurlijke integriteit houdt in, dat
                                de verantwoordelijkheid die met de functie samenhangt wordt aanvaard
                                en dat er de bereidheid is om daarover verantwoording af te leggen.
                                Verantwoording wordt intern afgelegd aan collega-bestuurders, maar
                                ook extern aan organisaties en burgers voor wie bestuurders hun
                                functie vervullen. Een aantal kernbegrippen is daarbij leidend en
                                plaatst bestuurlijke integriteit in een breder perspectief: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Dienstbaarheid:</vet> Het handelen van een bestuurder
                                        is altijd en volledig gericht op het belang van de gemeente
                                        en op de organisaties en burgers die daar onderdeel van uit
                                        maken. </al></li><li nr="b"><al><vet>Functionaliteit:</vet> Het handelen van een bestuurder
                                        heeft een herkenbaar verband met de functie die hij vervult
                                        in het bestuur. </al></li><li nr="c"><al><vet>Onafhankelijkheid:</vet> Het handelen van een
                                        bestuurder wordt gekenmerkt door onpartijdigheid, dat wil
                                        zeggen dat geen vermenging optreedt met oneigenlijke
                                        belangen en dat ook iedereen schijn van een dergelijke
                                        vermenging wordt vermeden. </al></li><li nr="d"><al><vet>Openheid:</vet> Het handelen van een bestuurder is
                                        transparant, opdat optimale verantwoording mogelijk is en de
                                        controlerende organen volledig inzicht hebben in het
                                        handelen van de bestuurder en zijn beweegredenen daarbij.
                                    </al></li><li nr="e"><al><vet>Betrouwbaarheid:</vet> Op een bestuurder moet men
                                        kunnen rekenen. Die houdt zich aan zijn afspraken. Kennis en
                                        informatie waarover hij uit hoofde van zijn functie
                                        beschikt, wendt hij aan voor het doel waarvoor die zijn
                                        gegeven. </al></li><li nr="f"><al><vet>Zorgvuldigheid:</vet> Het handelen van een bestuurder
                                        is zodanig dat alle organisaties en burgers op gelijke wijze
                                        en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen
                                        op correcte wijze worden afgewogen. Deze kernbegrippen zijn
                                        de toetssteen voor de nu volgende gedragsafspraken.
                                        Gedragingen moeten aan deze kernbegrippen getoetst kunnen
                                        worden. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Deel II</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Gedragscode bestuurlijke integriteit</vet></tussenkop><tussenkop><onderstreept> 1. Algemene
                                bepalingen.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Onder bestuurders wordt verstaan: het college van
                                        burgemeester en wethouders en de leden van de raad en
                                        commissies. </al></li><li nr="2"><al> In gevallen waarin de code niet voorziet of waarbij de
                                        toepassing niet eenduidig is, vindt bespreking plaats in het
                                        college. </al></li><li nr="3"><al> De code is openbaar en door derden te raadplegen. </al></li><li nr="4"><al> De leden van het college, de leden van de raad en
                                        commissies ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van de
                                        code. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept>2. Belangenverstrengeling en
                                    aanbesteding.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Een bestuurder doet opgave van zijn financiële belangen in
                                        ondernemingen en organisaties waarmee de gemeente zakelijke
                                        betrekkingen onderhoudt. De opgave is openbaar en door
                                        derden te raadplegen. </al></li><li nr="2"><al> Bij privaatpublieke samenwerkingsrelatie voorkomt de
                                        bestuurder (de schijn van) bevoordeling in strijd met
                                        eerlijke concurrentieverhoudingen. </al></li><li nr="3"><al> Een oud-bestuurder wordt het eerste jaar na de beëindiging
                                        van zijn ambtstermijn uitgesloten van het tegen beloning
                                        verrichten van werkzaamheden voor de gemeente. </al></li><li nr="4"><al> Een bestuurder die familie- of vriendschapsbetrekkingen of
                                        anderszins persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder
                                        van diensten aan de gemeente, onthoudt zich van deelname aan
                                        de besluitvorming over de betreffende opdracht. </al></li><li nr="5"><al> Een bestuurder neemt van een aanbieder van diensten aan de
                                        gemeente geen faciliteiten of diensten aan die zijn
                                        onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan
                                        beïnvloeden. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept> 3. Nevenfuncties.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Een bestuurder vervult geen nevenfuncties waarbij
                                        strijdigheid is of kan zijn met het belang van de gemeente.
                                    </al></li><li nr="2"><al> Een bestuurder maakt melding van al zijn nevenfuncties
                                        waarbij tevens wordt aangegeven of de functie wel of niet
                                        bezoldigd is. Deze gegevens worden openbaar gemaakt. </al></li><li nr="3"><al> De kosten die een bestuurder maakt in verband met een
                                        nevenfunctie uit hoofde van het ambt (q.q. nevenfunctie),
                                        worden vergoed door de instantie waar de nevenfunctie wordt
                                        uitgeoefend. </al></li><li nr="4"><al> Een bestuurder (in dit geval niet zijnde de leden van de
                                        raad en commissies) die een nevenfunctie wil vervullen,
                                        anders dan uit hoofde van het ambt, bespreekt dit voornemen
                                        in het college. Daarbij komt tevens aan de orde hoe wordt
                                        gehandeld met betrekking tot eventuele vergoedingen en de te
                                        maken kosten. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept> 4. Informatie.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Een bestuurder gaat zorgvuldig en correct om met informatie
                                        waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt. Hij
                                        verstrekt geen geheime informatie. </al></li><li nr="2"><al> Een bestuurder houdt geen informatie achter, tenzij deze
                                        geheim of vertrouwelijk is en het niet geven van informatie
                                        mogelijk is op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid
                                        van bestuur. </al></li><li nr="3"><al> Een bestuurder maakt niet ten eigen bate of van zijn
                                        persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van
                                        het ambt verkregen informatie. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept> 5. Aannemen van
                                geschenken.</onderstreept></tussenkop><al>Voor wat betreft het aannemen van geschenken gelden de richtlijnen
                                inzake de “acceptatie van relatiegeschenken”, welke door het college
                                van B&amp;W is vastgesteld op 27-10-1992 en van toepassing zijn op
                                de collegeleden, de leden van het MT en de overige ambtelijke
                                medewerkers. </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Nadere uitwerking begrip “relatiegeschenk”.</vet> Onder
                                        “relatiegeschenk” moet worden begrepen: </al><lijst><li nr="-"><al> alle cadeaus, die worden gegeven op functionele
                                                gronden; voorbeelden (niet uitputtend): </al><lijst><li nr="o"><al>boeken</al></li><li nr="o"><al>kerstpakketten</al></li><li nr="o"><al>drank</al></li><li nr="o"><al>geschenkbonnen</al></li><li nr="o"><al>kunst</al></li><li nr="o"><al>etc. </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>uitnodigingen op functionele gronden voor
                                                gelegenheden, waaraan kosten zijn verbonden
                                                zoals:</al><lijst><li nr="o"><al>schouwburgvoorstellingen</al></li><li nr="o"><al>sportieve evenementen</al></li><li nr="o"><al>(vakantie)reizen/uitstapjes</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Procedure </vet></al><lijst><li nr="a"><al><onderstreept>Registratie</onderstreept> De
                                                ontvangst van een relatiegeschenk, als bedoeld onder
                                                1, wordt door de ontvanger geregistreerd door middel
                                                van een formulier volgens model. De registratie
                                                omvat:</al><lijst><li nr="-"><al>datum ontvangst</al></li><li nr="-"><al>omschrijving geschenk</al></li><li nr="-"><al>naam schenker</al></li><li nr="-"><al>geschatte waarde</al></li></lijst></li><li nr="b"><al><onderstreept>Administratieve
                                                  verwerking</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al> Het registratieformulier wordt jaarlijks, per
                                                  1 februari, ondertekend door de betreffende
                                                  functionaris, ingeleverd bij de
                                                  gemeentesecretaris, voor zover het de collegeleden
                                                  en de leden van het MT betreft en bij de
                                                  directeuren, voor zover het hun medewerkers
                                                  betreft.</al></li><li nr="2"><al>Jaarlijks worden (in de loop van de maand
                                                  februari) de formulieren verzameld en –
                                                  vertrouwelijk - ter inzage gelegd voor het
                                                  college, voor zover het de collegeleden en de
                                                  gemeentesecretaris betreft, voor het MT voor zover
                                                  het de MT-leden betreft en voor het sectoroverleg,
                                                  voor zover het de medewerkers van de sector
                                                  betreft.</al></li><li nr="3"><al>Bespreking van de formulieren vindt slechts
                                                  plaats op initiatief van één of meerdere leden van
                                                  het orgaan waarvoor het ter inzake ligt.</al></li><li nr="4"><al>Na de ter visielegging worden de
                                                  registratieformulieren opgeborgen in het
                                                  kabinetsarchief. Na vijf jaar vindt vernietiging
                                                  plaats.</al></li></lijst></li><li nr="c"><al><onderstreept>Niet acceptabele
                                                  relatiegeschenken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Indien een ontvanger een relatiegeschenk (of
                                                  een aantal relatiegeschenken) van één gever
                                                  ontvangt, waarvan de (winkel)waarde in
                                                  redelijkheid niet in verhouding staat tot hetgeen
                                                  naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen
                                                  als betamelijk kan worden beschouwd, waarbij als
                                                  indicatie een bedrag van ca. € 75 wordt
                                                  gehanteerd, meldt hij deze ontvangst aan het
                                                  college. Deze melding geschiedt door middel van
                                                  een brief volgens model.</al></li><li nr="2"><al>Het college oordeelt – op voorstel van de
                                                  gemeentesecretaris – over de acceptatie van een
                                                  zodanig geschenk en, indien dit oordeel negatief
                                                  is, op welke wijze daarvan de aanbieder en/of de
                                                  ontvanger in kennis te stellen. Deze toetsing
                                                  vindt, gehoudens op grond van het bepaalde in lid
                                                  1, éénmaal per jaar plaats door de
                                                  gemeentesecretaris op basis van de verzamelde
                                                  registratieformulieren. </al></li></lijst></li><li nr="d"><al><onderstreept>Onvoorziene
                                                  aangelegenheden</onderstreept> Daar waar deze
                                                uitvoeringsvoorschriften niet in voorzien of voor
                                                verschillende interpretatie vatbaar is, dient de
                                                gemeentesecretaris te worden geraadpleegd. </al></li></lijst></li><li nr="3"><al><vet>Inwerkingtreding</vet>Deze uitvoeringsvoorschriften
                                        treden in werking per 1 december 1992. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept> 6. Bestuurlijke
                                uitgaven.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de
                                        functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. </al></li><li nr="2"><al>Ter bepaling van de functionaliteit van bestuurlijke
                                        uitgaven worden de volgende criteria gehanteerd:</al><lijst><li nr="-"><al>met de uitgave is het belang van de gemeente gediend
                                                en</al></li><li nr="-"><al>de uitgave vloeit voort uit de functie.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><onderstreept> 7. Declaraties.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> De bestuurder declareert geen kosten die reeds op andere
                                        wijze worden vergoed. </al></li><li nr="2"><al> Declaraties worden afgewikkeld volgens een daartoe
                                        vastgestelde administratieve procedure. </al></li><li nr="3"><al> Een declaratie wordt ingediend door middel van een daartoe
                                        vastgesteld formulier. Bij het formulier wordt een
                                        betalingsbewijs gevoegd en op het formulier wordt de
                                        functionaliteit van de uitgave vermeld. </al></li><li nr="4"><al> Gemaakte kosten worden binnen een maand gedeclareerd.
                                        Eventuele voorschotten worden voor zover mogelijk binnen een
                                        maand afgerekend. </al></li><li nr="5"><al> De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor een
                                        deugdelijke administratieve afhandeling en registratie van
                                        declaraties. Declaraties van bestuurders worden
                                        administratief afgehandeld door een daartoe aangewezen
                                        ambtenaar. </al></li><li nr="6"><al> In geval van twijfel omtrent een declaratie wordt deze
                                        voorgelegd aan de burgemeester. Zonodig wordt de declaratie
                                        ter besluitvorming aan het college voorgelegd. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept>8. Gebruik van gemeentelijke en provinciale
                                    voorzieningen.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Gebruik van gemeentelijke eigendommen of voorzieningen voor
                                        privé-doeleinden is niet toegestaan. </al></li><li nr="2"><al> Bestuurders kunnen op basis van een overeenkomst ter zake
                                        voor zakelijk gebruik een fax, mobiele telefoon en computer
                                        in bruikleen ter beschikking krijgen. </al></li><li nr="3"><al> Als het belang van de gemeente daarmee is gediend, kan het
                                        college van B&amp;W besluiten dat bestuurders voor hun
                                        dienstreizen gebruik maken van een dienstauto met chauffeur.
                                        Het gebruik van deze voorziening wordt centraal
                                        geregistreerd. Het college van B&amp;W kan bepalen dat in
                                        bijzondere gevallen van de dienstauto gebruik kan worden
                                        gemaakt voor woon-werkverkeer of voor de uitoefening van
                                        q.q. nevenfuncties. </al></li></lijst><tussenkop><onderstreept>9. Reizen
                                buitenland.</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Een bestuurder die het voornemen heeft een buitenlandse
                                        reis te maken, heeft toestemming nodig van het college van
                                        B&amp;W. De gemeenteraad wordt van het besluit op de hoogte
                                        gesteld (uitzondering hierop zijn de reizen naar
                                        buitenlandse buurgemeenten t.b.v. de Euregio). </al></li><li nr="2"><al> Een bestuurder die het voornemen van een reis meldt,
                                        verschaft informatie over het doel van de reis, de
                                        bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het
                                        gezelschap en de geraamde kosten. </al></li><li nr="3"><al> Uitnodigingen voor reizen, werkbezoeken en dergelijke op
                                        kosten van derden worden altijd besproken in het college en
                                        onder meer getoetst op het risico van
                                        belangenverstrengeling. Het gemeentelijk belang van de reis
                                        is doorslaggevend voor de besluitvorming. </al></li><li nr="4"><al> Van de reis wordt een verslag opgesteld. Buitenlandse
                                        reizen worden vermeld in een jaarverslag. </al></li><li nr="5"><al> Het ten laste van de gemeente meereizen van de partner van
                                        een bestuurder is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt
                                        op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van
                                        de gemeente daarmee gediend is. Het meereizen van de partner
                                        wordt bij de besluitvorming van het college betrokken. </al></li><li nr="6"><al> Het anderszins meereizen van derden op kosten van de
                                        gemeente is niet toegestaan. Het meereizen van derden op
                                        eigen kosten is toegestaan en wordt in dat geval bij de
                                        besluitvorming van het college betrokken. </al></li><li nr="7"><al> Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor
                                        privé-doeleinden is toegestaan, mits dit is betrokken bij de
                                        besluitvorming van het college. De extra reis- en
                                        verblijfkosten komen volledig voor rekening van de
                                        bestuurder. </al></li><li nr="8"><al> De in verband met de buitenlandse dienstreis gedane
                                        functionele uitgaven worden vergoed conform de geldende
                                        regelingen. Uitgaven worden vergoed voor zover zij redelijk
                                        en verantwoord worden geacht. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Bijlage 2 Onkostenvergoedingen </vet></tussenkop><tussenkop><vet>1 Opbouw onkostenvergoedingen</vet></tussenkop><al> Naast vergoedingen voor nader aangeduide kosten zoals reis- en
                                verblijfkosten, hebben de ambtsdragers aanspraak op een vaste
                                (forfaitaire) onkostenvergoeding. Bij de opbouw van de vaste of
                                forfaitaire onkostenvergoedingen voor gemeente- en
                                provinciebestuurders zijn de volgende kostencomponenten
                                gehanteerd:</al><lijst><li nr="A"><al> Representatie Representatie (koffie, thee, hapjes,
                                        drankjes, etentjes met zakelijke relaties, attenties e.d.).
                                        Tevens worden onder deze categorie begrepen de noodzakelijke
                                        kosten voor de representatie die door de partner worden
                                        gemaakt in verband met de functie-uitoefening als politieke
                                        ambtsdrager. Voorbeelden zijn uitgaven en (reis)kosten
                                        verbonden aan bezoeken van zieken, bejaarden, 100-jarigen en
                                        het bijwonen van georganiseerde activiteiten, bijeenkomsten
                                        en recepties. </al></li><li nr="B"><al> Vakliteratuur Uitgaven voor (abonnementen voor)
                                        vakliteratuur, losbladige uitgaven, naslagwerken. </al></li><li nr="C"><al> Contributies (verenigingen) Contributies/lidmaatschappen:
                                        lidmaatschap vakbond, belangenvereniging, beroepsvereniging,
                                        bestuurders-vereniging e.d. </al></li><li nr="D"><al> Telefoonkosten De kosten van zakelijke gesprekken waaronder
                                        ook van de mobiele telefoon. De kosten van
                                        telefoonabonnementen vallen niet onder de vaste
                                        kostenvergoeding. </al></li><li nr="E"><al>Bureaukosten en porti Pennen, potloden, papier, zakelijke
                                        agenda e.d. tevens de kosten voor het verzenden van post en
                                        het kopiëren van stukken. </al></li><li nr="F"><al> Giften Zakelijke giften die de politieke ambtsdrager louter
                                        als zodanig doet, en die men als privé-persoon niet zou
                                        hebben gedaan, aan inzamelingsacties, collectes e.d. (in de
                                        regel voor plaatselijke en/of regionale doeleinden). Giften
                                        aan een politieke partij of verkiezingscampagne maken hier
                                        geen deel van uit. </al></li><li nr="G"><al> Fractiekosten Bijdragen in de kosten van fractieassistenten
                                        en secretariaat, fractieweekend. </al></li><li nr="H"><al> Representatieve ontvangsten aan huis Hieronder vallen de
                                        kosten verbonden aan ontvangsten in de eigen woning die
                                        direct verband houden met de uitoefening van het ambt in het
                                        eigenhuis (consumptieve verstrekkingen e.d.). </al></li><li nr="I"><al> Excursies Excursies die worden gevolgd ten behoeve van de
                                        uitoefening van het politieke ambt (inclusief reis- en
                                        verblijfskosten). De daadwerkelijke samenstelling van de
                                        vergoedingen en de hoogte van de bedragen verschilt voor de
                                        diverse categorieën gemeente- en provinciebestuurders. </al></li></lijst><tussenkop><vet>2 Fiscale aspecten</vet></tussenkop><al> Voor de belastingheffing wordt de beloning (bezoldiging of
                                vergoeding voor de werkzaamheden) in aanmerking genomen hetzij als
                                belastbaar loon, (ingeval van werknemerschap), hetzij als belastbaar
                                resultaat uit overige werkzaamheden (ingeval van
                                niet-werknemerschap). Dit onderscheid is van belang voor de
                                mogelijkheden om onbelaste vergoedingen te ontvangen dan wel
                                beroepskosten te kunnen aftrekken. Bij de fiscale behandeling van
                                vaste kostenvergoedingen is er onderscheid tussen de groep die in
                                (fictieve) dienstbetrekking staat (werknemers) en zij die geen
                                dienstbetrekking hebben (niet-werknemers). De mogelijkheid van
                                aftrekbare kosten bestaat niet voor werknemers. Niet-werknemers
                                hebben de mogelijkheid van aftrekbare kosten, maar komen niet in
                                aanmerking voor een onbelaste vergoeding. Burgemeesters en
                                commissarissen zijn in dienstbetrekking. Wethouders, gedeputeerden
                                en raads- en statenleden zijn niet in dienstbetrekking, maar kunnen
                                voor de loonbelasting opteren en worden in dat geval fiscaal als
                                werknemer aangemerkt (fictief werknemerschap). Belastbaar resultaat
                                uit overige werkzaamheden is het gezamenlijk bedrag van het
                                resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of
                                belastbaar loon genereren. Onder deze categorie inkomsten valt
                                hetgeen ambtsdragers genieten indien zij niet (fictief) als
                                werknemer worden aangemerkt. Bij resultaat uit overige werkzaamheden
                                zijn eventuele (vaste) vergoedingen integraal als inkomen belast.
                                Beroepskosten kunnen echter, met inachtneming van een aantal
                                wettelijke beperkingen en normeringen langs dezelfde regels als
                                ondernemers, in mindering op het belastbare resultaat worden
                                gebracht. Genieters van resultaat uit overige werkzaamheden hebben
                                evenals ondernemers een wettelijke administratieverplichting. De
                                bestuurders die in dienstbetrekking fungeren en zij die voor het
                                fictief werknemerschap hebben geopteerd ontvangen de vaste
                                onkostenvergoedingen gebruteerd. Dat betekent dat het bedrag van de
                                vergoeding is verhoogd in verband met verschuldigde belasting. De
                                brutering heeft dus geen betrekking op de categorieën ambtsdragers
                                die niet onder het loonbelastingregime vallen en hiervoor ook niet
                                hebben geopteerd. Dit vloeit voort uit de bovengenoemde
                                aftrekmogelijkheden van betrokkenen van de werkelijk gemaakte
                                kosten. Loon in natura Het verstrekken van voorzieningen kan fiscale
                                consequenties hebben. Niet alleen beloning in geld, maar ook
                                voordelen en goederen in natura worden fiscaal als inkomen
                                aangemerkt. Beloningen in natura worden belast naar de waarde in het
                                economisch verkeer. De belaste waarde blijft echter beperkt tot het
                                bedrag van de besparing als het gaat om goederen die worden gebruikt
                                bij het vervullen van de dienstbetrekking. Het bedrag van de
                                besparing wordt bepaald aan de hand van het bestedingspatroon
                                personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Lunches en
                                diners met relaties van de gemeente of de provincie worden als
                                onbelast geaccepteerd. Indien er regelmatig een lunch of diner wordt
                                verstrekt niet voorvloeiend uit de functie en het belang van
                                gemeente/provincie, is er sprake van een privé-besparing. In dat
                                geval bevat de verstrekking fiscaal gezien een inkomensbestanddeel.
                                In deze situatie zou de betrokken bestuurder voor de verstrekking
                                een vergoeding dienen te betalen. Privé-voordeel of -gebruik van in
                                natura verstrekte voorzieningen wordt als inkomen belast. Zo zal er
                                bij bijvoorbeeld bij het privé-gebruik van de dienstauto een fiscale
                                bijtelling plaatsvinden (de zogenoemde autokostenfictie). Indien de
                                werkgever een auto ter beschikking stelt gaat de fiscus er overigens
                                van uit dat ook sprake is van privé-gebruik, tenzij tegenbewijs
                                wordt geleverd (sluitende rittenadministratie). Er zijn tevens
                                fiscale regelingen gericht op het gebruik van (mobiele)
                                telefoons.</al></artikel><artikel><kop><titel>Sociaal statuut organisatieveranderingen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Doel</al></li><li><al>Artikel 3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 4 Bevoegdheid</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 5 Onderzoek naar organisatieverandering</al></li><li><al>Artikel 6 Over de personele gevolgen en
                                                maatregelen</al></li><li><al>Artikel 7 Adviesaanvraag Ondernemingsraad</al></li><li><al>Artikel 8 Taakverdeling tussen Ondernemingsraad en
                                                Georganiseerd Overleg</al></li><li><al>Artikel 9 Kennisgeving en uitvoering besluit</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten voor sociaal beleid bij
                                        interne organisatieveranderingen</al><lijst><li><al>Artikel 10 Werkingssfeer hoofdstuk</al></li><li><al>Artikel 11 Inspanning voor
                                                werkgelegenheidsbehoud</al></li><li><al>Artikel 12 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing</al></li><li><al>Artikel 13 Uitgangspunten herplaatsing eigen,
                                                ongewijzigde functie in geval van
                                                overtolligheid</al></li><li><al>Artikel 14 Uitgangspunten herplaatsing passende
                                                functie</al></li><li><al>Artikel 15 Geschiktheidstesten voor leidinggevende
                                                functies</al></li><li><al>Artikel 16 Geen passende of geschikte functie binnen
                                                de organisatie en het van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 17 Verplichting medewerker</al></li><li><al>Artikel 18 Instelling van een paritaire
                                                commissie</al></li><li><al>Artikel 19 Samenstelling paritaire commissie</al></li><li><al>Artikel 20 Verantwoordelijkheden paritaire
                                                commissie</al></li><li><al>Artikel 21 Werkwijze paritaire commissie</al></li><li><al>Artikel 22 Flankerend beleid bij ontslag</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 4 Herplaatsingsprocedure</al><lijst><li><al>Artikel 23 Herplaatsingscommissie</al></li><li><al>Artikel 24 Taken en bevoegdheden
                                                herplaatsingscommissie</al></li><li><al>Artikel 25 Voorkeur medewerker</al></li><li><al>Artikel 26 Advies herplaatsingscommissie</al></li><li><al>Artikel 27 Zienswijze medewerker</al></li><li><al>Artikel 28 Besluit tot herplaatsing</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 5 Gevolgen herplaatsing</al><lijst><li><al>Artikel 29 Salarisgarantie</al></li><li><al>Artikel 30 Functiegebonden toelagen</al></li><li><al>Artikel 31 Persoonsgebonden toelagen</al></li><li><al>Artikel 32 Opleidingsvergoedingen</al></li><li><al>Artikel 33 Omscholing/bijscholing</al></li><li><al>Artikel 34 Ontheffing
                                                terugbetalingsverplichtingen</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 6 Herplaatsing bij privatisering en
                                        publiekrechtelijke taakoverheveling</al><lijst><li><al>Artikel 35 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 36 Inspanning voor
                                                werkgelegenheidsbehoud</al></li><li><al>Artikel 37 Voorkeur medewerker</al></li><li><al>Artikel 38 Geen passende of geschikte functie</al></li><li><al>Artikel 39 Sociaal Plan</al></li><li><al>Artikel 40 Rechtspositievergelijking</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 41 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 42 Citeertitel</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van het sociaal statuut wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>medewerker:</vet> Hij die door of vanwege de gemeente
                                        is aangesteld in vaste dienst of een tijdelijke aanstelling
                                        is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van
                                        proef om in openbare dienst werkzaam te zijn.</al></li><li nr="b"><al><vet>boventallig verklaarde medewerker:</vet> De medewerker
                                        in dienst van de gemeente Venray, die als gevolg van een
                                        organisatieve randering zijn/haar functie heeft verloren en
                                        die (nog) niet is geplaatst of herplaatst in de formatie van
                                        de nieuwe organisatie.</al></li><li nr="c"><al><vet>werkgever:</vet> Het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Venray.</al></li><li nr="d"><al><vet> organisatieverandering:</vet> Organisatieveranderingen
                                        die een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere
                                        wijziging van de werkzaamheden van de organisatie is, die
                                        niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met
                                        zich meebrengt. </al></li><li nr="e"><al><vet> privatisering:</vet> Organisatieverandering die het
                                        gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de
                                        organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke)
                                        rechtspersoon of de overdracht van een deel van de
                                        organisatie aan een derde ( privaatrechtelijke) partij.</al></li><li nr="f"><al><vet> publiekrechtelijke taakoverheveling:</vet>
                                        Organisatieverandering die het gevolg is van de overheveling
                                        van een organisatieonderdeel naar een ander
                                        publiekrechtelijk orgaan.</al></li><li nr="g"><al><vet>personele gevolgen:</vet> Gevolgen voor de functie of
                                        de rechtspositie van de betrokken medewerker(s).</al></li><li nr="h"><al><vet>functie:</vet> Het geheel van werkzaamheden dat de
                                        medewerker volgens zijn functie verricht.</al></li><li nr="i"><al><vet>ongewijzigde functie:</vet> Een functie die gelijk of
                                        nagenoeg gelijk is aan de functie die de medewerker voor de
                                        organisatiewijziging vervulde.</al></li><li nr="j"><al><vet>passende functie:</vet> Een functie van gelijkwaardig
                                        werk- en denkniveau, die de medewerker redelijkerwijs in
                                        verba nd met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de
                                        voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een
                                        passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau
                                        als de functie die de medewerker verricht, maar kan ook van
                                        een hoger niveau zijn of maximaal 2 salarisschalen naar
                                        beneden afwijken van de schaal van de functie die de
                                        medewerker verricht.</al></li><li nr="k"><al><vet>geschikte functie:</vet> Een beschikbare functie binnen
                                        of buiten de organisatie die door de werkgever wordt
                                        aangeboden aan een medewerker en waarbij de medewerker
                                        bereid is deze functie te vervullen.</al></li><li nr="l"><al><vet>schaal:</vet> De in het kader van de
                                        bezoldigingsregeling van de gemeente Venray voor een
                                        betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter
                                        bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van
                                        bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden
                                        ter verhoging van het salaris als gevolg van
                                        diensttijduitloop.</al></li><li nr="m"><al><vet> salaris:</vet> Het bedrag van de schaal, dat aan de
                                        medewerker is toegekend op basis van de bezoldigingsregeling
                                        als bedoeld in artikel 3:1 lid 1 CAR/UWO of, indien voor de
                                        betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag.</al></li><li nr="n"><al><vet>salarisperspectief:</vet> De financiële
                                        groeimogelijkheden van de medewerker gelet op de
                                        opeenvolgende salarisperiodieken tot en met het hoogste
                                        bedrag van de functieschaal van de medewerker en eventueel
                                        schriftelijk vastgelegde extra individuele salarisafspraken.
                                        Voor zover de medewerker op het moment van herplaatsing nog
                                        niet op het functieniveau is ingedeeld, worden onder die
                                        aanspraken tevens verstaan de opeenvolgende
                                        salarisperiodieken tot het hoogste bedrag van het
                                        oorspronkelijke functieniveau, mits naar het oordeel van
                                        burgemeester en wethouders de medewerker voldoet aan de
                                        criteria om in aanmerking te komen voor de schaal, behorende
                                        bij het functieniveau.</al></li><li nr="o"><al><vet> bezoldiging:</vet> Het salaris vermeerderd met het
                                        bedrag van de aan de medewerker toegekende emolumenten en
                                        toelagen -niet zijnde onkostenvergoedingen- alsmede het
                                        bedrag van de funct ioneri ngstoelage en de
                                        waarnemingstoelage, als bedoeld in artikel 3:1 van de
                                        CAR/UWO. </al></li><li nr="p"><al><vet>toelage:</vet> De toelagen opgenomen in de
                                        arbeidsvoorwaarden regeling gemeente Venray.</al></li><li nr="q"><al><vet> functiegebonden toelage:</vet> De toelage die de
                                        medewerker in verband met het vervullen van zijn functie
                                        ontvangt, zoals een toelage voor onregelmatige
                                        diensten.</al></li><li nr="r"><al><vet>persoonsgebonden toelage:</vet> De toelage die de
                                        medewerker om persoonlijke redenen ontvangt, zoals een
                                        arbeidsmarkttoelage.</al></li><li nr="s"><al><vet>sociaal plan:</vet> Nadere afspraken, gebaseerd op en
                                        aanvullend op dit sociaal statuut, met betrekking tot de
                                        personele gevolgen van een organisatieverandering.</al></li><li nr="t"><al><vet> afspiegelingsbeginsel:</vet> Methodiek waarbij de
                                        leeftijdsopbouw van het personeelsbestand wordt gerelateerd
                                        aan het ontslag.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Doel</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het doel van dit sociaal statuut is het vastleggen van regels die
                                gevolgd dienen te worden bij organisatieveranderingen,
                                privatiseringen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen, niet
                                zijnde een organisatieverandering als gevolg van een gemeentelijke
                                herindeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Dit sociaal statuut beoogt tevens het zo goed mogelijk opvangen van
                                de personele gevolgen bij organisatieveranderingen, privatiseringen
                                en publiekrechtelijke taakoverhevelingen, niet zijnde een
                                organisatieverandering als gevolg van een gemeentelijke
                                herindeling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Dit sociaal statuut geldt ten aanzien van de CAR/UWO als een
                                bijzondere regeling. De CAR/UWO blijft gelden voor zover het sociaal
                                statuut van toepassing is en geen afwijkingen bevat.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Werkingssfeer</vet></tussenkop><al>Het sociaal statuut is van toepassing op organisatieveranderingen
                                als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub d, e en f. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Bevoegdheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het nemen
                                van besluiten over de verandering van de ambtelijke
                                organisatie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het nemen
                                van besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en
                                ontslag van medewerkers, tenzij bij of krachtens wet anders is
                                bepaald.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 5 Onderzoek naar
                                organisatieverandering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Als de werkgever voornemens is de mogelijkheid van en de behoefte
                                aan een organisatieverandering te onderzoeken, worden de
                                Ondernemingsraad (OR) en de betrokken medewerkers hier in een vroeg
                                stadium van op de hoogte gesteld, zodanig dat de OR haar mening nog
                                kenbaar kan maken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerkers en de OR worden zo veel mogelijk tussentijds
                                betrokken bij de uitvoering van het onderzoek en op de hoogte
                                gehouden van de vorderingen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De schriftelijke eindrapportage van het onderzoek wordt ter
                                kennisneming toegezonden aan de OR en het Georganiseerd Overleg
                                (GO).</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Over de personele gevolgen en
                                    maatregelen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de
                                organisatieverandering, wordt in het GO overleg gevoerd over de
                                personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te
                                nemen maatregelen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als het GO van mening is dat de organisatieverandering zodanig
                                ingrijpende personele gevolgen met zich brengt dat hierover
                                aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, wordt door de werkgever
                                een sociaal plan opgesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Over dit sociaal plan moet in het GO overeenstemming worden bereikt,
                                voordat definitieve besluiten worden genomen ten aanzien van
                                medewerkers.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Adviesaanvraag
                                Ondernemingsraad</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de
                                organisatieverandering, wordt de OR schriftelijk om advies gevraagd,
                                conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De adviesaanvraag bevat een duidelijke omschrijving van het
                                voorgenomen besluit, de beweegredenen van het besluit, de personele
                                gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen
                                personele maatregelen. De adviesaanvraag wordt op een zodanig
                                tijdstip gedaan dat deze nog van wezenlijke invloed kan zijn op het
                                te nemen besluit.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Taakverdeling tussen Ondernemingsraad en
                                    Georganiseerd Overleg</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van de medezeggenschap van medewerkers en vakcentrales
                                geldt het algemene uitgangspunt dat onderwerpen die gedurende het
                                proces van organisatiewijziging aan bod komen, primair door één
                                orgaan worden behandeld. Informatie wordt aan beide organen
                                verstrekt.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Kennisgeving en uitvoering
                                besluit</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als het college van burgemeester en wethouders een definitief
                                besluit tot verandering van de organisatie heeft genomen, worden het
                                GO, de OR en de betrokken medewerkers zo spoedig mogelijk van dit
                                besluit en de personele gevolgen van het besluit op de hoogte
                                gebracht.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien het college van burgemeester en wethouders in het besluit
                                afwijkt van het advies van de OR, dan dient dit gemotiveerd te
                                gebeuren. De uitvoering van het besluit wordt in dit geval
                                uitgesteld tot minimaal een maand nadat de OR, conform artikel 25,
                                zesde lid van de Wet op de ondernemingsraden, van het besluit in
                                kennis is gesteld.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten voor sociaal beleid
                                    bij interne organisatieveranderingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 10 Werkingssfeer hoofdstuk</vet></tussenkop><al>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op interne
                                organisatieveranderingen, niet zijnde privatiseringen en
                                publiekrechtelijke taakoverhevelingen.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Inspanning voor werkgelegenheidsbehoud
                                </vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders spant zich tot het
                                uiterste in om alles wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt te
                                doen, om de medewerker, wiens functie vervalt dan wel die als gevolg
                                van de organisatieverandering overtollig wordt, in een andere
                                passende of geschikte functie te herplaatsen.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Voorkeursvolgorde bij
                                herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Bij het nemen van een besluit tot herplaatsing als bedoeld in
                                artikel 28 van dit sociaal statuut, neemt het college van
                                burgemeester en wethouders de volgende voorkeursvolgorde in
                                acht:</al><lijst><li nr="a"><al> de medewerker blijft in beginsel zijn eigen, ongewijzigde
                                        functie vervullen;</al></li><li nr="b"><al>de medewerker wordt herplaatst in een passende functie
                                        binnen de organisatie;</al></li><li nr="c"><al>de medewerker wordt herplaatst in een geschikte functie
                                        binnen of buiten de organisatie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Herplaatsingsbesluiten als bedoeld in het eerste lid worden genomen
                                met inachtneming van de herplaatsingsprocedure, zoals beschreven in
                                hoofdstuk 4.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Uitgangspunten herplaatsing eigen,
                                    ongewijzigde functie in geval van
                                overtolligheid</vet></tussenkop><al>Bij het voorbereiden van herplaatsingsbesluiten als bedoeld in
                                artikel 12 wordt in het geval van boventalligheid (meer medewerkers
                                dan formatieplaatsen) het afspiegelingsbeginsel gehanteerd.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Uitgangspunten herplaatsing passende
                                    functie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Bij het voorbereiden van herplaatsingsbesluiten als bedoeld in
                                artikel 12 wordt met de volgende gegevens rekening gehouden:</al><lijst><li nr="a"><al>de geschiktheid van de medewerker voor een functie, zoals
                                        die blijkt uit opleidings- en ervaringsgegevens,
                                        beoordelinggesprekken en eventuele geschiktheidstesten;</al></li><li nr="b"><al>de voorkeur van de medewerker voor bepaalde functies;</al></li><li nr="c"><al> de diensttijd van de medewerker bij de gemeente
                                        Venray;</al></li><li nr="d"><al>de leeftijd van de medewerker;</al></li><li nr="e"><al>het type dienstverband van de medewerker.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De medewerker is verplicht om medewerking te verlenen aan het
                                verzamelen van gegevens als genoemd in het eerste lid sub a van dit
                                artikel.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Geschiktheidstesten voor leidinggevende
                                    functies</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In aanvulling op hetgeen bepaald is in artikel 14 geldt voor
                                leidinggevende functies dat de mate van geschiktheid van de
                                medewerker voor de betreffende leidinggevende functie(s) altijd
                                wordt beoordeeld met behulp van objectieve geschiktheidstesten
                                (zoals assessments en potentieelbeoordelingen) uitgevoerd door een
                                extern deskundig bureau. De geschiktheid van de medewerker wordt
                                beoordeeld aan de hand van de taak, inhoud en bijbehorende
                                indicatieve functie-eisen van de functie, alsmede op basis van de
                                kennis, opleiding, ervaring, vaardigheden en affiniteit van de
                                medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De kosten van eventuele testen zijn voor rekening van de werkgever.
                                De medewerker is verplicht medewerking te verlenen aan objectieve
                                geschiktheidstesten als bedoeld in het eerste lid. </al><tussenkop><vet>Artikel 16 Geen passende of geschikte functie binnen de
                                    organisatie en het van werk naar werk-traject</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Medewerkers die na de plaatsingsfase niet in een functie binnen de
                                formatie van de nieuwe organisatie zijn geplaatst of herplaatst,
                                worden door het college van burgemeester en wethouders boventallig
                                verklaard.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Op boventallig verklaarde medewerkers is hoofdstuk 10d van de
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venray van toepassing. Vanaf het
                                moment waarop het besluit tot boventalligheid in werking is
                                getreden, hebben boventallig verklaarde medewerkers recht op het
                                doorlopen van het daarin geregelde 'van werk naar
                                werk-traject'.</al><tussenkop><vet>Lid 3 </vet></tussenkop><al>Het van werk naar werk-traject is gericht op het zo spoedig mogelijk
                                herplaatsen van de medewerker in een passende of geschikte functie
                                binnen of buiten de organisatie, of op het realiseren van een andere
                                maatwerkoplossing. Herplaatsing geschiedt op basis van geschiktheid
                                van de medewerker voor de functie.</al><tussenkop><vet>Lid 4 </vet></tussenkop><al>Boventallig verklaarde medewerkers genieten voorrang bij de
                                vervulling van vacant geworden passende of geschikte functies binnen
                                de organisatie. Bij gelijke geschiktheid gaat de medewerker met het
                                langste dienstverband voor.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Wanneer een boventallig verklaarde medewerker voor bepaalde tijd kan
                                worden geplaatst in een passende of geschikte functie, maar het
                                gebruikmaken van die mogelijkheid met zich meebrengt dat er geen of
                                onvoldoende uitvoering kan worden gegeven aan de van werk naar werk
                                overeenkomst, kan in goed overleg met de medewerker worden besloten
                                om het (resterende deel van het) van werk naar werk-traject op te
                                schorten.</al><tussenkop><vet>Artikel 17 Verplichting medewerker</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>De medewerker is verplicht, onverminderd het recht op bezwaar en
                                beroep, een passende functie die hem met inachtneming van de
                                herplaatsingsprocedure is toegewezen, te aanvaarden. </al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker na zorgvuldig overleg weigert een passende
                                functie te aanvaarden of niet meewerkt aan het van werk naar
                                werk-traject, kan het college van burgemeester en wethouders
                                overgaan tot tussentijdse beëindiging van het van werk naar
                                werk-traject en ontslag. Het ontslag gaat in dat geval in op de dag
                                volgend op de dag van de weigering tot aanvaarding van een passende
                                functie of medewerking van het van werk naar werk-traject.</al><tussenkop><vet>Artikel 18 Instelling van een paritaire
                                commissie</vet></tussenkop><al>De op grond van artikel 10d:24 CAR/UWO ingestelde paritaire
                                commissie, die is belast met het toezicht op de uitvoering van de
                                van werk naar werk-trajecten, is tevens belast met het toezicht op
                                de uitvoering van het sociaal statuut organisatieveranderingen
                                gemeente Venray.</al><tussenkop><vet>Artikel 19 Samenstelling paritaire
                                commissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vaste onafhankelijke voorzitter; </al></li><li nr="-"><al>een lid aan te wijzen door het college van burgemeester en
                                        wethouders; </al></li><li nr="-"><al>een lid aan te wijzen door de werknemersgeleding.</al></li></lijst><al>Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.</al><tussenkop><vet>Artikel 20 Verantwoordelijkheden paritaire
                                    commissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie heeft als taak het college van burgemeester en
                                wethouders desgevraagd te adviseren:</al><lijst><li nr="-"><al>over de naleving van tussen het college van burgemeester en
                                        wethouders en de ambtenaar gemaakte afspraken in het kader
                                        van het van werk naar werk-contract; </al></li><li nr="-"><al>over eventuele verlenging van het werk naar werk-contract,
                                        conform artikel 10d:22 CAR/UWO; </al></li><li nr="-"><al>over geschillen voortvloeiend uit het werk naar
                                        werk-contract.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een verzoek om advies als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                gedaan door of namens het college van burgemeester en wethouders of
                                door de medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie brengt een bindend advies uit.</al><tussenkop><vet>Artikel 21 Werkwijze paritaire
                                commissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie kan belanghebbenden en bij de voorbereiding en
                                uitvoering van het van werk naar werk-contract betrokkenen
                                horen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders en de betrokken
                                medewerker zijn verplicht alle gevraagde informatie te verschaffen
                                aan de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De commissie brengt haar advies schriftelijk uit, binnen vier weken
                                na de aanvraag daartoe.</al><tussenkop><vet>Artikel 22 Flankerend beleid bij
                                ontslag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de medewerker voor wie een van werk naar werk-traject geldt als
                                bedoeld in artikel 16, kan het college van burgemeester en
                                wethouders in overleg met de betrokken medewerker onder andere de
                                volgende mogelijkheden van flankerend beleid hanteren :</al><lijst><li nr="-"><al>verlenen van ontheffing voor de verplichting tot
                                        terugbetaling van diverse regelingen; </al></li><li nr="-"><al>het verlenen van buitengewoon verlof en het vergoeden van
                                        gemaakte reiskosten bij sollicitaties; </al></li><li nr="-"><al>het hanteren van een opzegtermijn van uiterlijk één maand;
                                    </al></li><li nr="-"><al>het verlenen van faciliteiten voor begeleidingstrajecten ter
                                        verkrijging van een andere functie, waaronder detachering en
                                        outplacement;</al></li><li nr="-"><al> het verlenen van een bonus bij het vinden van een nieuwe
                                        baan; </al></li><li nr="-"><al>het verlenen van tegemoetkomingen voor het volgen van bij-
                                        en omscholingscursussen; </al></li><li nr="-"><al>overige maatregelen gericht op de betrokken medewerker
                                        waarvan in redelijkheid kan worden verwacht dat deze
                                        ondersteuning bieden bij het vinden van een dienstbetrekking
                                        elders, waarbij het individueel en organisatiebelang
                                        zorgvuldig op elkaar afgestemd worden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van deze maatregelen gelden de volgende algemene
                                richtlijnen:</al><lijst><li nr="-"><al>in overleg met de betrokken medewerker zal nagegaan worden
                                        welke maatregel of maatregelen in zijn situatie het meest
                                        geëigend zijn; </al></li><li nr="-"><al>uitgangspunt bij het toepassen van bovengenoemde maatregelen
                                        is het vergroten van de kansen van de betrokken
                                        medewerker;</al></li><li nr="-"><al> bij de toepassing van bovengenoemde maatregelen zal
                                        uitdrukkelijk ook het financieel belang van de gemeente
                                        worden betrokken.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4 Herplaatsingsprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 23 Herplaatsingscommissie</vet></tussenkop><al>De werkgever benoemt op advies van de algemeen directeur een
                                herplaatsingscommissie, bestaande uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 lid aan te wijzen door het college van burgemeester en
                                        wethouders; </al></li><li nr="b"><al> 1 lid aan te wijzen door de werknemersdelegatie van de
                                        commissie voor GO of door de OR; </al></li><li nr="c"><al> 1 lid aan te wijzen door het college van burgemeester en
                                        wethouders en de werknemersdelegatie van de commissie voor
                                        GO of door de OR gezamenlijk die tevens fungeert als
                                        voorzitter. </al></li><li nr="d"><al> 1 adviseur, die tevens fungeert als secretaris van deze
                                        commissie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 24 Taken en bevoegdheden
                                    herplaatsingscommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>De herplaatsingscommissie heeft tot taak aan het college van
                                burgemeester en wethouders uit te brengen omtrent de plaatsing van
                                de medewerkers in een passende of geschikte functie. Het advies is
                                gemotiveerd en wordt schriftelijk uitgebracht. Een eventueel
                                verschil van mening binnen de herplaatsingscommissie wordt
                                desgewenst vermeld.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De herplaatsingscommissie vergadert voltallig en de vergaderingen
                                zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 3 </vet></tussenkop><al>De commissie heeft het recht om een bij de functie betrokken
                                medewerker te horen.</al><tussenkop><vet>Lid 4 </vet></tussenkop><al>De commissie heeft de plicht de medewerkers te horen, die daarom
                                verzocht hebben.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De commissie is bevoegd om alle naar haar oordeel voor de
                                herplaatsing van belang zijnde stukken in te zien.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De herplaatsingscommissie is bevoegd om adviseurs/ deskundigen te
                                raadplegen. De adviseurs/ deskundigen hebben geen stemrecht.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De verantwoordelijke leidinggevenden worden door de commissie bij
                                het herplaatsingsproces betrokken.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>De commissie heeft de bevoegdheid om, ten behoeve van de
                                herplaatsing, in het advies aan het college van burgemeester en
                                wethouders af te wijken van het functieboek ten einde (tijdelijke)
                                plaatsing mogelijk te maken, zonder daarbij afbreuk te doen aan het
                                door het functieboek beoogde organisatiebelang.</al><tussenkop><vet>Artikel 25 Voorkeur medewerker</vet></tussenkop><al>Voordat het college van burgemeester en wethouders een besluit als
                                bedoeld in artikel 28, eerste lid, neemt, wordt de medewerker in de
                                gelegenheid gesteld aan het college van burgemeester en wethouders
                                zijn voorkeur voor maximaal drie functies kenbaar te maken. Op het
                                moment dat de medewerker zijn voorkeur kenbaar maakt dient hij
                                tevens aan te geven of hij wenst te worden gehoord door de
                                herplaatsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Artikel 26 Advies
                                herplaatsingscommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al> Op basis van alle verzamelde gegevens en de eventuele hoorzitting
                                adviseert de herplaatsingscommissie het college van burgemeester en
                                wethouders over de herplaatsing van de betrokken medewerkers. Het
                                advies kan betrekking hebben op een herplaatsing, dan wel op het
                                (vooralsnog) niet aanbieden van een passende of geschikte
                                functie.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders neemt, met inachtneming
                                van het advies van de herplaatsingscommissie, een voorgenomen
                                besluit.</al><tussenkop><vet>Artikel 27 Zienswijze medewerker</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker heeft de mogelijkheid om tegen het voorgenomen besluit
                                binnen 14 dagen na dagtekening/uitreiking van het voorgenomen
                                besluit schriftelijk een zienswijze in te dienen bij het college van
                                burgemeester en wethouders. De zienswijze van de medewerker wordt
                                binnen één week behandeld in de herplaatsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker kan verzoeken om mondeling te worden gehoord door (een
                                vertegenwoordiging van) het college van burgemeester en wethouders.
                                De medewerker die hiertoe een verzoek indient, zal binnen 14 dagen
                                worden gehoord. De medewerker kan zich daarbij laten bijstaan door
                                een raadsman. Van de hoorzitting wordt schriftelijk verslag
                                opgemaakt.</al><tussenkop><vet>Artikel 28 Besluit tot herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders neemt, met inachtneming
                                van het nadere advies van de herplaatsingscommissie als bedoeld in
                                artikel 27 lid 1, van dit sociaal statuut, het besluit tot
                                herplaatsing van de betrokken medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte
                                gesteld van het besluit tot herplaatsing. In de motivering van het
                                besluit wordt ingegaan op de eventuele zienswijze van de
                                medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien geen passende of geschikte functie voor de medewerker
                                voorhanden is, wordt de betreffende medewerker hiervan zo spoedig
                                mogelijk op de hoogte gesteld. In de motivering van het besluit
                                wordt ingegaan op de eventuele zienswijze van de medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerker kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de besluiten,
                                zoals bedoeld in het eerste en derde lid, conform de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 5 Gevolgen herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 29 Salarisgarantie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>De medewerker, die wordt herplaatst in een passende functie of
                                geschikte functie met een lager functioneel schaalniveau binnen de
                                gemeentelijke organisatie, behoudt het recht op salaris en het
                                salarisperspectief verbonden aan zijn oude functie.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De medewerker, die niet in een functie van gelijk functioneel
                                schaalniveau kan worden ingepast en een functie aanvaardt met een
                                lager functioneel schaalniveau, behoudt deze aanspraken in de vorm
                                van een garantie, die de algemene salarisontwikkeling volgt.</al><tussenkop><vet>Artikel 30 Functiegebonden toelagen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de medewerker die wordt herplaatst in een passende of geschikte
                                functie binnen de gemeentelijke organisatie vervallen de
                                functiegebonden toelagen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan de medewerker, wiens bezold iging een blijvende verlaging
                                ondergaat van ten minste 3% van de som van het sala ris en de
                                toelage als gevolg van het vervallen van de functiegebonden
                                toelagen, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de
                                betreffende toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van
                                vorenbedoelde beëindiging daarvan, gedurende ten minste 2 jaren
                                zonder een onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen.
                                Indien de onderbreking het gevolg is van arbeidsongeschiktheid,
                                zwangerschaps-, bevallings- of ouderschapsverlof wordt deze voor de
                                toepassing van dit artikellid niet meegerekend.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De in het tweede lid van dit artikel bedoelde toelage wordt als
                                volgt afgebouwd:</al><lijst><li nr="a"><al>Gedurende het eerste jaar na de herplaatsing ontvangt de
                                        medewerker 75% van de in lid 2 van dit artikel bedoelde
                                        verlaging; </al></li><li nr="b"><al> Gedurende het tweede jaar na de herplaatsing ontvangt de
                                        medewerker 50% van de in lid 2 van dit artikel bedoelde
                                        verlaging; </al></li><li nr="c"><al> Gedurende het derde jaar na de herplaatsing ontvangt de
                                        medewerker 25% van de in lid 2 van dit artikel bedoelde
                                        verlaging;</al></li></lijst><al>Vanaf het vierde jaar bestaat er geen recht meer op een
                                afbouwregeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 31 Persoonsgebonden toelagen</vet></tussenkop><al>De medewerker die wordt herplaatst in een passende of geschikte
                                functie binnen de organisatie behoudt recht op zijn persoonsgebonden
                                toelagen conform de bij toekenning hieraan verbonden
                                voorwaarden.</al><tussenkop><vet>Artikel 32 Opleidingsvergoedingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker die wordt herplaatst in een passende of geschikte
                                functie binnen de organisatie en zijn opleiding wenst voort te
                                zetten, behoudt de rechten en plichten die hem op grond van de
                                richtlijn opleidingsafspraken zijn toegekend.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De medewerker die wordt herplaatst in een passende of geschikte
                                functie binnen de organisatie en die in overleg met zijn nieuwe
                                leidinggevende besluit te stoppen met zijn opleiding, wordt ontheven
                                van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn
                                opleidingsafspraken.</al><tussenkop><vet>Artikel 33 Omscholing/bijscholing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien dit voor het vervullen van de nieuwe functie noodzakelijk is,
                                wordt de medewerker in de gelegenheid gesteld tot het volgen van
                                omscholing/bijscholing. De kosten hiervan zijn voor rekening van de
                                werkgever. Hierbij gelden de gebruikelijke regels omtrent het
                                verlenen van studiefaciliteiten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker kan tot het volgen van de noodzakelijke bij- en
                                omscholing worden verplicht.</al><tussenkop><vet>Artikel 34 Ontheffing
                                terugbetalingsverplichtingen</vet></tussenkop><al>De medewerker die overeenkomstig dit statuut eervol ontslag wordt
                                verleend, wordt ontheven van eventuele terugbetalingsverplichtingen
                                die voortvloeien uit de regeling opleiding en ontwikkeling,
                                bepalingen met betrekking tot de verhuiskostenvergoeding en het
                                betaald ouderschapsverlof.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 6 Herplaatsing bij privatisering en
                                    publiekrechtelijke taakoverheveling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 35 Werkingssfeer</vet></tussenkop><al>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op privatiseringen en
                                publiekrechtelijke taakoverhevelingen.</al><tussenkop><vet>Artikel 36 Inspanning voor
                                werkgelegenheidsbehoud</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders spant zich tot het
                                uiterste in om alles wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt, te
                                doen om de werkgelegenheid van de bij de privatisering of
                                overheveling van taken betrokken medewerkers te behouden.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>De werkgever treedt met de betrokken privaatrechtelijke of
                                publiekrechtelijke organisatie in overleg over de overname van de
                                medewerkers van het desbetreffende organisatieonderdeel. Gemaakte
                                afspraken worden schriftelijk vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Artikel 37 Voorkeur medewerker</vet></tussenkop><al>Voordat het college van burgemeester en wethouders een besluit neemt
                                over de overgang van een medewerker naar de betrokken
                                privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie, krijgt de
                                medewerker de gelegenheid om kenbaar te maken welke passende of
                                geschikte functies, die op dat moment vacant zijn of op korte
                                termijn vacant worden in de gemeentelijke organisatie, zijn voorkeur
                                verdienen. De medewerker zal als interne kandidaat in de
                                selectieprocedure worden betrokken.</al><tussenkop><vet>Artikel 38 Geen passende of geschikte
                                functie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1 </vet></tussenkop><al>Indien de werkgever er niet in slaagt om de medewerker bij de nieuwe
                                werkgever onder te brengen dan wel een passende of geschikte functie
                                aan te bieden binnen de gemeentelijke organisatie, maakt het college
                                van burgemeester en wethouders aan de medewerker bekend dat eervol
                                ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 van de CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Lid 2 </vet></tussenkop><al>Op de medewerker die als gevolg van de reorganisatiewijziging eervol
                                is ontslagen op grond van artikel 8:3 CAR/UWO zijn de bepalingen van
                                hoofdstuk 10d CAR/UWO van toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van hoofdstuk 10d CAR/UWO
                                wordt een van werk naar werk-traject gestart.</al><tussenkop><vet>Artikel 39 Sociaal Plan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als het georganiseerd overleg van mening is dat de privatisering of
                                taakoverheveling zodanig ingrijpende personele gevolgen met zich
                                brengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt,
                                wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Dit plan regelt
                                de overplaatsingsprocedure (inclusief de ontslag- en
                                aanstellingsprocedure van het over te plaatsen personeel) en bevat
                                rechtspositionele bepalingen. Over dit sociaal plan moet
                                overeenstemming worden bereikt in het GO.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Er worden geen definitieve besluiten genomen ten aanzien van
                                medewerkers voordat er overeenstemming is over het sociaal
                                plan.</al><tussenkop><vet>Artikel 40 Rechtspositievergelijking</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de betrokken medewerkers overgaan naar een andere werkgever
                                waarvoor een afwijkende rechtspositieregeling of CAO geldt, stelt de
                                werkgever een inventarisatie op met de overeenkomsten en verschillen
                                van de arbeidsvoorwaarden/rechtspositionele regelingen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien uit de inventarisatie als bedoeld in het eerste lid blijkt
                                dat het totaalpakket van arbeidsvoorwaarden (bestaande uit in ieder
                                geval salaris, uitkeringen en toelagen, (pre)pensioen, vakantie,
                                ziektekostenregeling en werkloosheidsuitkering) bij de nieuwe
                                werkgever lager uitvalt, worden in het sociaal plan nadere afspraken
                                gemaakt over afbouw, behoud of compensatie van aanspraken.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 41 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In situaties waarin de toepassing van dit sociaal statuut zou leiden
                                tot een onbillijke situatie voor een medewerker, kan het college van
                                burgemeester en wethouders in een voor de medewerker gunstige zin
                                afwijken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In situaties waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 42 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als "Sociaal statuut
                                organisatieveranderingen Gemeente Venray".</al></artikel><artikel><kop><titel>Stageregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Definitie stagiair</al></li><li><al>Artikel 2 Snuffelstage</al></li><li><al>Artikel 3 Begeleiding</al></li><li><al>Artikel 4 Stageovereenkomst</al></li><li><al>Artikel 5 Stagevergoeding</al></li><li><al>Artikel 6 Reiskosten</al></li><li><al>Artikel 7 Werktijden</al></li><li><al>Artikel 8 Verzuim</al></li><li><al>Artikel 9 Vakantie</al></li><li><al>Artikel 10 Verzekering</al></li><li><al>Artikel 11 Geheimhouding en integriteit</al></li><li><al>Artikel 12 Stagereglement onderwijsinstelling</al></li><li><al>Artikel 13 Tussentijdse beëindiging stage</al></li><li><al>Artikel 14 Slotbepaling</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Definitie stagiair</vet></tussenkop><al> Een stagiair is een student/leerling die onderwijs volgt en vanuit
                                deze onderwijsinstelling ervaring opdoet door in de beroepspraktijk
                                te leren én te werken. </al><tussenkop><vet>Artikel 2 Snuffelstage</vet></tussenkop><al> Voor een student die een zeer korte stage volgt, van enkele dagen
                                tot 4 weken, geldt het volgende: </al><lijst><li nr="-"><al> De gemeente Venray en de stagiair sluiten geen
                                        stageovereenkomst; </al></li><li nr="-"><al> De stagiair ondertekent een geheimhoudingsverklaring en
                                        integriteitsverklaring; </al></li><li nr="-"><al> De stagiair is verzekerd voor de Wajong. De stagiair is
                                        niet verzekerd voor de Ziektewet, Ziekenfondswet,
                                        Werkloosheidswet en WIA. De stagiair valt onder de
                                        aansprakelijkheidsverzekering van de gemeente Venray; </al></li><li nr="-"><al> De stagiair ontvangt geen vergoeding anders dan een
                                        attentie; </al></li><li nr="-"><al>Alle overige artikelen van deze regeling zijn niet van
                                        toepassing. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3 Begeleiding</vet></tussenkop><al> Gedurende de stage zorgt de betreffende afdeling voor een adequate
                                begeleiding en fungeert één medewerker vanuit de afdeling als
                                aanspreekpunt voor stagiair en onderwijsinstelling. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Stageovereenkomst</vet></tussenkop><al> De gemeente Venray en de stagiair dienen een stageovereenkomst
                                ondertekend door werkgever (leidinggevende) en stagiair af te
                                sluiten. Een stagiair is student, geen werknemer en de stage is
                                derhalve geen (arbeidsrechtelijke) dienstbetrekking of aanstelling.
                                Een stagiair is geen ambtenaar, waardoor de
                                arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Venray niet van
                                toepassing is. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Stagevergoeding</vet></tussenkop><al> De gemeente Venray kent aan stagiaires een uurvergoeding toe van €
                                1,67-- bruto per uur (peildatum: 1 januari 2009). Hierbij wordt geen
                                onderscheid gemaakt tussen verschillende opleidingsniveaus. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Reiskosten</vet></tussenkop><al> Studenten hebben veelal recht op een OV-jaarkaart waarmee de
                                reiskosten van woonwerkverkeer zijn gedekt. Als een student geen
                                recht heeft op een OV-jaarkaart én buiten de gemeente Venray woont,
                                dan worden de reiskosten vergoed op basis van
                                openbaarvervoertarieven die gelden voor de 2e klasse. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Werktijden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Een stagiair werkt maximaal 36 uur per week. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De regeling werktijden is van toepassing op een stagiair. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Verzuim</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De stagiair stelt de stagebegeleider in kennis van absentie als
                                gevolg van ziekte. Kortdurend verzuim heeft geen invloed op de
                                uitbetaling van de stagevergoeding. Bij langdurend verzuim kan de
                                doorbetaling van de stagevergoeding stopgezet worden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij enige andere vorm van verzuim/absentie dient de stagiair vooraf
                                overleg te plegen met de stagebegeleider. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Vakantie</vet></tussenkop><al> Een stagiair bouwt verlof op conform de bepalingen rondom verlof en
                                buitengewoon verlof zoals in de arbeidsvoorwaardenregeling gemeente
                                Venray. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Verzekering</vet></tussenkop><al> De stagiair is vanuit de gemeente verzekerd voor de Wajong,
                                Ziektewet en Ziekenfondswet, maar is niet verzekerd voor de WW en
                                WIA. De gemeente Venray aanvaardt geen aansprakelijkheid voor letsel
                                of schade, welke de stagiair mocht lijden bij de uitvoering van zijn
                                werkzaamheden of tijdens dan wel in verband met zijn aanwezigheid in
                                of op het bedrijf van de stageverlener. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Geheimhouding en
                                integriteit</vet></tussenkop><al> De stagiair is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem/haar
                                gedurende de stageperiode ter kennis is gekomen en te voldoen aan de
                                regels omtrent integriteit. Handelen in strijd met de
                                geheimhoudingsplicht of regels omtrent integriteit kan leiden tot
                                onmiddelijke beëindiging van de stage door de gemeente Venray en
                                eventueel tot andere sancties. </al><tussenkop><vet>Artikel 12 Stagereglement
                                onderwijsinstelling</vet></tussenkop><al> Daar waar stageregels van de gemeente Venray en van de
                                onderwijsinstelling conflicteren, wordt tussen de begeleiders van
                                onderwijsinstelling en gemeente bepaald hoe moet worden gehandeld. </al><tussenkop><vet>Artikel 13 Tussentijdse beëindiging
                                stage</vet></tussenkop><al> De stage kan in onderling overleg tussentijds worden beëindigd
                                indien van één of beide partijen redelijkerwijs niet kan worden
                                verlangd de stage voort te zetten. De gemeente kan na overleg met de
                                onderwijsinstelling eenzijdig de stage beëindigen indien de stagiair
                                zich niet houdt aan de geldende regels of aanwijzingen. </al><tussenkop><vet>Artikel 14 Slotbepaling</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan door de leidinggevende een andere of aanvullende
                                beslissing worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Thuiswerkregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Thuiswerken op verzoek van de medewerker</al></li><li><al>Artikel 3 Voorwaarden voor thuiswerken</al></li><li><al>Artikel 4 Thuiswerkplek</al></li><li><al>Artikel 5 Intrekken toestemming</al></li><li><al>Artikel 6 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 7 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><lijst><li nr="1"><al><vet>Werkgever: </vet>het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Venray. </al></li><li nr="2"><al><vet> Medewerker:</vet> de medewerker in de zin van artikel
                                        1:1 lid 1 sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                        Venray. </al></li><li nr="3"><al><vet> Leidinggevende:</vet> de teammanager, de
                                        afdelingsmanager of de gemeentesecretaris/algemeen
                                        directeur. </al></li><li nr="4"><al><vet>Structureel thuiswerken:</vet> het op structurele basis
                                        verrichten van werkzaamheden vanuit een andere locatie dan
                                        de standplaats door de werknemer, met behulp van informatie-
                                        en (tele)communicatietechnologie. </al></li><li nr="5"><al><vet> Incidenteel thuiswerken:</vet> niet structureel en
                                        niet stelselmatig of regelmatig terugkerend thuiswerken.
                                    </al></li><li nr="6"><al><vet>Thuiswerkplek:</vet> de locatie van waaruit de
                                        medewerker werkzaamheden verricht. </al></li><li nr="7"><al><vet>Thuiswerkdag(en):</vet> de dag of dagdelen waarop de
                                        medewerker thuiswerkt. </al></li><li nr="8"><al><vet>Standplaats:</vet> het gemeentehuis van Venray.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Thuiswerken op verzoek van de
                                medewerker</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De leidinggevende kan een verzoek van de medewerker tot thuiswerken
                                toestaan. Het verzoek wordt toegewezen tenzij het in het kader van
                                het dienstbelang naar het oordeel van de leidinggevende niet
                                wenselijk is.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Incidenteel thuiswerken is, na afstemming met de leidinggevende,
                                toegestaan.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De werknemer die thuiswerkt heeft geen recht op vergoedingen van
                                kosten die hiervoor worden gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Voor het thuiswerken wordt de werknemer door de werkgever zodanig
                                gefaciliteerd, dat hij/zij toegang heeft tot het netwerk van de
                                gemeente Venray. Voorts worden afspraken gemaakt over de
                                telefonische bereikbaarheid van de medewerker tijdens het
                                thuiswerken.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Structureel thuiswerken kan gevolgen hebben voor de aan de
                                medewerker toegekende reiskostenvergoeding, welke is gerelateerd aan
                                het aantal dagen woon-werkverkeer.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De bepalingen van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venray zijn
                                in geval van thuiswerken onverkort van toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Voorwaarden voor thuiswerken</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De bereikbaarheid van de medewerker is gegarandeerd tijdens de
                                thuiswerkdag(en). Het ‘beleid telefonische bereikbaarheid’ is van
                                overeenkomstige toepassing tijdens het thuiswerken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De thuis te verrichten werkzaamheden worden afgestemd met de
                                leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Met de leidinggevende wordt het aantal dagen of uren per week waarop
                                de werknemer thuiswerkt afgestemd en op welke dag(en) dat meestal
                                plaatsvindt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Op de thuiswerkplek heeft de medewerker afdoende maatregelen
                                getroffen om de informatiebeveiliging te garanderen.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De medewerker is ook tijdens het thuiswerken gehouden aan het
                                actueel geldende ‘Privacyreglement e-mail, telefoon en
                                internetgebruik’ en het actuele ‘Post- en e-mailprotocol’. Voor wat
                                betreft (de inhoud van) het werk is de actuele
                                ‘Integriteitsgedragscode voor ambtenaren van de gemeente Venray’
                                onverkort van toepassing tijdens het thuiswerken.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De medewerker is vrij om de werktijden tijdens het thuiswerken naar
                                eigen inzicht in te delen. Desgevraagd verschaft de medewerker aan
                                de leidinggevende of coördinator inzicht in de besteding van de
                                werktijd en de resultaten daarvan.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De leidinggevende kan, indien het belang van de dienst dat vereist,
                                de medewerker opdragen in afwijking van bovenstaande afspraken de
                                werkzaamheden op de standplaats te verrichten. De leidinggevende
                                stelt de medewerker hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte, maar
                                uiterlijk 24 uur van tevoren.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Thuiswerkplek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Onverminderd de verantwoordelijkheid van de werkgever draagt de
                                medewerker zorg en verantwoordelijkheid voor de inrichting van een
                                adequate thuiswerkplek.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker mag naar eigen inzicht invulling geven aan de
                                inrichting van de thuiswerkplek, binnen de door de Arbo-regelgeving
                                gestelde kaders.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien van toepassing verleent de medewerker medewerking aan een
                                tijdig aangekondigd onderzoek door een Arbo-deskundige.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Intrekken toestemming</vet></tussenkop><al>De leidinggevende kan de toestemming voor thuiswerken intrekken
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de medewerker in onvoldoende mate voldoet aan de
                                        voorwaarden, gesteld in artikel 3 van deze regeling </al></li><li nr="b"><al> de medewerker weigert mee te werken aan een tijdig
                                        aangekondigd onderzoek van de thuiswerkplek door een
                                        Arbo-deskundige </al></li><li nr="c"><al> de medewerker hierom verzoekt. </al></li><li nr="d"><al> de thuiswerkplek niet (meer) voldoet aan de
                                        Arbo-regelgeving</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als de ‘Thuiswerkregeling gemeente
                                Venray”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling vakantieverlof</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Vakantie-uren</al></li><li><al>Artikel 2 Leeftijdsuren</al></li><li><al>Artikel 3 Verlofjaar</al></li><li><al>Artikel 4 Overschrijven verlof</al></li><li><al>Artikel 5 Extra verlof</al></li><li><al>Artikel 6 Brugdagen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Vakantie-uren </vet></tussenkop><al> De omvang van het aantal vakantie-uren per kalenderjaar bedraagt
                                voor een ambtenaar met een volledige betrekking 165,6 uren. </al><tussenkop><vet>Artikel 2 Leeftijdsuren</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het in artikel 1 van deze regeling genoemd jaarlijks vakantieverlof
                                wordt verhoogd voor een ambtenaar: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 18 jaar of jonger</al></entry><entry colname="col2"><al>met 21,6 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 19 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 14,4 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 20 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 7,2 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 30 tot en met 39 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 7,2 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 40 tot en met 44 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 14,4 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 45 tot en met 49 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 21,6 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 50 tot en met 54 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 28,8 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 55 tot en met 59 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 36 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 60 jaar en ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>met 43,2 uren.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De verhoging van het aantal vakantieverlofuren op grond van het
                                bepaalde in lid 1, gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar,
                                waarin de ambtenaar de betreffende leeftijd zal bereiken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor ambtenaren die na 1 januari 1997 in dienst van de gemeente
                                zijn getreden geldt in afwijking van het gestelde in lid 1 de
                                volgende verhoging van het aantal vakantieverlofuren: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 18 jaar of jonger</al></entry><entry colname="col2"><al>met 7,2 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 45 tot en met 49 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 7,2 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 50 tot en met 54 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 14,4 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 55 tot en met 59 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met 21,6 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>in een leeftijd van 60 jaar en ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>met 28,8 uren.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Artikel 3 Verlofjaar</vet></tussenkop><al> Het vakantieverlofjaar is gelijk aan het kalenderjaar. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Overschrijven verlof</vet></tussenkop><al> Ten aanzien van het overschrijven en vervallen van wettelijk en
                                bovenwettelijk verlof zijn de artikelen 6:2a en 6:2b CAR-UWO van
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Extra verlof </vet></tussenkop><al> Voor zover de dienst dit toelaat wordt voor de gehele dag vrijaf
                                gegeven op carnavalsmaandag en -dinsdag, Goede Vrijdag en 5 mei.
                                Hiervoor dient geen extra verlof ingeleverd te worden. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Brugdagen </vet></tussenkop><al> In overleg tussen team HRM en de OR wordt er jaarlijks één of
                                meerdere dagen vastgesteld waarop het gemeentehuis gesloten is. Dat
                                betreft in ieder geval de vrijdag na Hemelvaart en in de regel één
                                of meerdere “tussendagen” rondom Kerst en Oud/Nieuw. Een brugdag
                                wordt vermeld in de jaarkalender. Wanneer normaliter wordt gewerkt
                                op een brugdag, dan kunnen plus/min-uren of vakantieverlofuren
                                worden ingezet ter verrekening. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling waardering en indeling van functies</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Definities</al></li><li><al>Artikel 2 Procedure onderhoudsronde functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 3 Vaststelling basis- en specifieke profielen bij
                                        invoering</al></li><li><al>Artikel 4 Wijziging van basis- en specifieke profielen en
                                        salarisschalen</al></li><li><al>Artikel 5 Rol waarderings- en indelingsdeskundige</al></li><li><al>Artikel 6 De waarderings- en indelingscommissie</al></li><li><al>Artikel 7 Vaststelling, wijzigingen, aanvullingen en
                                        herbeoordeling</al></li><li><al>Artikel 8 Bekendmaking indeling, bezwaar en beroep</al></li><li><al>Artikel 9 Nadere regels en hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 10 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Definities</vet></tussenkop><al> In deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Functie:</vet> Het geheel van werkzaamheden, dat de
                                        medewerker volgens een toegekend basis - dan wel specifiek
                                        profiel alsmede vanuit een, op jaarbasis, uitgewerkt en vast
                                        te stellen individueel werkplan, dient te vervullen. </al></li><li nr="b"><al><vet> Functiehouder:</vet></al><lijst><li nr="1"><al>de ambtenaar in de zin van de Collectieve
                                                Arbeidsvoorwaardenregeling en
                                                Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) gemeente Venray
                                                of;</al></li><li nr="2"><al>de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                                burgerlijk recht, als bedoeld in artikel 2:5 van de
                                                CAR/UWO is aangegaan en die aangewezen is om een
                                                functie te bekleden.</al></li></lijst></li><li nr="c"><al><vet>Functieboek:</vet> Meerdere groepen van basis - en
                                        specifieke profielen, die qua aard, overwegend karakter,
                                        complexiteit en niveau gelijksoortig zijn en vergelijkbare
                                        eisen stellen aan de competenties (kennis, houding,
                                        vaardigheden en gedrag) van de functiehouders en die samen
                                        te duiden zijn als alle voorkomende functies in de
                                        organisatiestructuur van de gemeente Venray ingaande 1
                                        januari 2010. </al></li><li nr="d"><al><vet> Basisprofiel:</vet> Een beschrijving van een functie,
                                        die deel uitmaakt van het functieboek en logisch voortvloeit
                                        uit de organisatiestructuur en verdeling van taken,
                                        bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de gemeente
                                        Venray. Het basisprofiel is een weergave van aard,
                                        overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken. </al></li><li nr="e"><al><vet> Specifiek profiel:</vet> Een beschrijving van een
                                        functie c.q. op te dragen werkzaamheden met een dermate
                                        specifiek karakter dat deze niet onder te brengen is c.q.
                                        zijn in een basisprofiel. </al></li><li nr="f"><al><vet> Indeling in een salarisschaal:</vet> Het bepalen van
                                        de relatieve functiewaarde van de voorkomende basis - en
                                        specifieke profielen met behulp van ‘ranking’ (zowel
                                        horizontale als verticale vergelijking). </al></li><li nr="g"><al><vet> Bestuurder:</vet> De bestuurder in de zin van de Wet
                                        op de Ondernemingsraden (WOR). </al></li><li nr="h"><al><vet> Waarderings - en indelingsdeskundige:</vet> Een als
                                        zodanig door de Algemeen directeur erkende deskundige inzake
                                        de toepassing en werking van de methode van waardering en
                                        indeling in profielen. </al></li><li nr="i"><al><vet>Waarderings - en indelingscommissie:</vet> De
                                        commissie, als bedoeld in artikel 5, die belast is met de
                                        toetsing van de pre- adviezen van de waarderings- en
                                        indelingsdeskundige. </al></li><li nr="j"><al><vet> College van burgemeester en wethouders:</vet> Het
                                        College van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                        Venray. </al></li><li nr="k"><al><vet> OR:</vet> De Ondernemingsraad van de gemeente Venray.
                                    </al></li><li nr="l"><al><vet> GO:</vet> De Commissie voor Georganiseerd Overleg in
                                        de gemeente Venray. </al></li><li nr="m"><al><vet>Functieraster:</vet> De vertaling van de vastgestelde
                                        functierangorde naar salarisschalen. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Procedure onderhoudsronde
                                    functiewaardering</vet></tussenkop><al> De ‘procedure onderhoudsronde functiewaardering’ wordt geacht
                                integraal onderdeel uit te maken van deze regeling. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Vaststelling basis- en specifieke profielen
                                    bij invoering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De Algemeen directeur stelt, in opdracht van het College van
                                burgemeester en wethouders, bij de invoering van deze regeling
                                ingaande 1 januari 2010 basis - dan wel specifieke profielen op,
                                resulterend in een concept functieboek met bijbehorend
                                Functieraster. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het profiel alsmede de bezoldiging van de Algemeen directeur worden
                                vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De voorlopige basis - en specifieke profielen met bijbehorend
                                Functieraster worden voor advies aangeboden aan de OR en worden
                                tenminste 1 keer besproken in de Overlegvergadering. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De datum van de te houden Overlegvergadering wordt in gezamenlijk
                                overleg vastgesteld, doch vindt niet later plaats dan 6 weken nadat
                                de Algemeen directeur c.q. de Bestuurder de OR om advies heeft
                                gevraagd. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Nadat de OR advies heeft uitgebracht en tevens de Commissie voor
                                Georganiseerd Overleg heeft ingestemd met het Functieraster, leidt
                                de Algemeen directeur c.q. de Bestuurder de gebundelde basis - en
                                specifieke profielen met bijbehorend Functieraster en mede met
                                inachtneming van het advies van de OR ter besluitvorming door naar
                                het College van burgemeester en wethouders. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Het College van burgemeester en wethouders stelt bij de invoering
                                van deze regeling, ingaande 1 januari 2010, de gebundelde basis - en
                                specifieke profielen met bijbehorend Functieraster vast. </al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> Ten behoeve van toekomstig aan te brengen wijzigingen in de
                                gebundelde basis - en specifieke profielen met bijbehorend
                                Functieraster kan het College van burgemeester en Wethouders de
                                bevoegdheid tot het nader vaststellen van het Functieboek met
                                bijbehorend Functieraster overdragen aan de Algemeen directeur. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Wijziging van basis- en specifieke profielen
                                    en salarisschalen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Gewijzigde of aanvullende basis - en specifieke profielen worden
                                opgemaakt bij wijziging of aanpassing van de organisatiestructuur,
                                taken of doelstellingen van de organisatie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Gewijzigde basis - en specifieke profielen worden, tevens voorzien
                                van een waarderingsadvies door de waarderings - en
                                indelingscommissie ingevolge artikel 6, voor advies aangeboden aan
                                de OR en voor wat betreft de indeling in het functieraster ter
                                instemming aangeboden aan de Commissie voor Georganiseerd Overleg.
                                Zij worden nadien tenminste 1 keer besproken in de
                                Overlegvergadering.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Wijzigingen in basis - en specifieke profielen met bijbehorende
                                salarisschalen zullen nadien door het College van burgemeester en
                                wethouders dan wel de Algemeen directeur worden vastgesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Rol waarderings- en
                                indelingsdeskundige</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In opdracht van de Algemeen directeur wordt door een waarderings -
                                en indelingsdeskundige zowel ingevolge artikel 3 en artikel 4 van
                                deze regeling, aan de hand van de in artikel 1, onder f. van deze
                                regeling genoemde methodiek, voorzien in een concept analyse
                                (waardering en ‘ranking’) van alle vastgestelde basis - en
                                specifieke profielen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Deze opgestelde concept analyse zal, resulterend in een pre -
                                advies aan de waarderings - en indelingscommissie als bedoeld in
                                artikel 7, beschikbaar worden gesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 De waarderings- en
                                indelingscommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Er is een waarderings - en indelingscommissie bestaande uit: </al><lijst><li nr="a"><al> een lid aan te wijzen door de werkgever; </al></li><li nr="b"><al> een lid aan te wijzen door de werknemers in de Commissie
                                        voor Georganiseerd Overleg; </al></li><li nr="c"><al>een voorzitter, aan te wijzen door de leden onder a en b.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan deze commissie kan een door de Algemeen directeur aan te wijzen
                                functionaris als secretaris worden toegevoegd. Hij heeft geen
                                stemrecht.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De waarderings - en indelingscommissie dient bij elke vergadering
                                voltallig tot advisering te komen. Minderheidsstandpunten kunnen
                                worden ingenomen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De waarderings - en indelingsdeskundige is als vaste adviseur aan de
                                commissie verbonden. Hij heeft geen stemrecht.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De waarderings - en indelingscommissie toetst de concept analyse van
                                de waarderings - en indelingsdeskundige op horizontale en verticale
                                consistentie en adviseert het bevoegd gezag ter zake haar
                                bevindingen alsmede omtrent de voorgestane inrichting van het
                                Functieraster. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Het door de waarderings - en indelingscommissie uit te brengen
                                advies bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>Een rangordeoverzicht van de resultaten van alle beschreven
                                        profielen, gerangschikt naar zwaarte op basis van een
                                        integrale ronde ingaande 1 januari 2010; dit in het kader
                                        van het toepassing geven aan artikel 3 van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="b"><al>Een verantwoording ter zake, de gevolgde werkwijze en de
                                        gehanteerde uitgangspunten ingaande 1 januari 2010;</al></li><li nr="c"><al>Een overzicht van de resultaten met gemotiveerde
                                        verantwoording in het kader van het toepassing geven aan
                                        artikel 4 van deze regeling.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Het staat de waarderings - en indelingscommissie vrij bij de
                                behandeling van de concept analyse informanten te raadplegen. De
                                waarderings - en indelingscommissie krijgt alle informatie die zij
                                nodig acht om haar werkzaamheden naar behoren te kunnen
                                verrichten.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> De waarderings - en indelingscommissie stelt, indien gewenst,
                                gedragsregels vast ten behoeve van het verloop en de procedure van
                                haar vergaderingen.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Vaststelling, wijzigingen, aanvullingen en
                                    herbeoordeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het College van burgemeester en wethouders stelt bij invoering
                                ingaande 1 januari 2010, de waarderingen en tevens de indelingen van
                                medewerkers vast met inachtneming van de adviezen van de waarderings
                                - en indelingscommissie. Afwijking van het advies van de waarderings
                                - en indelingscommissie kan slechts plaatsvinden op basis van
                                zwaarwegende argumenten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het College van burgemeester en wethouders stelt bij invoering
                                ingaande 1 januari 2010 na verkregen instemming van de Commissie
                                voor Georganiseerd Overleg, het Functieraster vast. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Toekomstige wijzigingen in het Functieraster worden door de
                                Algemeen directeur, daartoe gemandateerd door het College van
                                Burgemeester en Wethouders, vastgesteld met in achtneming van de
                                procedure ingevolge artikel 2 lid 5 en artikel 5. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Middels toepassing van het vastgestelde Functieraster worden de
                                waarderingen omgezet in salarisschalen.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Een keer per jaar behandelt de waarderings - en indelingscommissie
                                op verzoek van de Algemeen directeur voorstellen vanuit de
                                organisatie (afdelingsmanagement en medewerkers) tot herbeoordeling
                                van indeling van functiehouders in een basis - of specifiek
                                profiel.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Een functie kan slechts in de waarderings- en indelingscommissie
                                worden behandeld mits deze minimaal 6 maanden indicatief is
                                vastgesteld. </al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Aan de hand van een opgesteld pre-advies door de waarderings- en
                                indelingscommissie adviseert de waarderings- en indelingscommissie
                                de algemeen directeur wel dan niet te voorzien in een besluit tot
                                wijziging in de indeling in een basis- of specifiek profiel.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>De betrokken functiehouder wordt van de uitkomst ingevolge artikel 8
                                op de hoogte gesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al>Indien dit door de Algemeen Directeur noodzakelijk wordt geacht kan
                                de waarderings- en indelingsdeskundige tussentijds adviseren over de
                                indeling van een functie in een basis- c.q. specifiek profiel en
                                functieraster, waarna een indicatieve vaststelling plaatsvindt door
                                de daartoe gemandateerde Algemeen Directeur. Definitieve
                                vaststelling vindt daarna plaats conform artikel 7 lid 5.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Bekendmaking indeling, bezwaar en
                                beroep</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag maakt schriftelijk aan de functiehouder bekend
                                welk basis - dan wel specifiek profiel met bijbehorende
                                salarisschaal het voornemens is op zijn/haar functie c.q. opgedragen
                                werkzaamheden van toepassing te verklaren, alsmede de eventuele
                                gevolgen hiervan voor de inschaling, salaris en/of bezoldiging. Het
                                bevoegd gezag laat zich eenmalig met betrekking tot de transponering
                                van de bestaande functies naar basis - dan wel specifieke profielen
                                ingaande 1 januari 2010 voorafgaand adviseren door de waarderings -
                                en indelingscommissie, zoals omschreven in artikel 6. Bij de
                                indeling in een nieuw basis- dan wel specifiek profiel als gevolg
                                van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 6 en aan de
                                functiehouder functieloon was toegekend, is de nieuwe inschaling
                                zodanig dat het nieuwe salaris nimmer lager is dan het salaris dat
                                de functiehouder had in de oude situatie inclusief functieloon.</al><al>De betrokken functiehouder of functiehouders, alsmede eventuele
                                derde belanghebbende(n), wordt/worden in de gelegenheid gesteld hun
                                zienswijze over de indeling in het basis - dan wel specifieke
                                profiel kenbaar te maken, zoals bedoeld in artikel 4:8 juncto 4:9
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het kenbaar maken
                                van de zienswijze(n) bedraagt 2 weken. De zienswijze wordt
                                schriftelijk dan wel mondeling naar voren gebracht bij de Algemeen
                                directeur.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De Algemeen directeur legt de zienswijze(n) van de
                                belanghebbende(n) ter advisering voor aan de waarderings - en
                                indelingscommissie, zoals omschreven in artikel 6. Binnen 6 weken na
                                het verstrijken van de zienswijze(n) termijn doet het bevoegd gezag
                                schriftelijk en gemotiveerd mededeling in welk basis - dan wel
                                specifiek profiel met bijbehorende salarisschaal de bestaande of
                                nieuwe functie van de functiehouder wordt ingedeeld. Deze mededeling
                                is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Ingevolge de Awb kan de functiehouder die zich met het besluit niet
                                kan verenigen, hiertegen bij het College van burgemeester en
                                wethouders schriftelijk bezwaar aantekenen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het College van burgemeester en wethouders legt het bezwaarschrift
                                ter advisering voor aan de ingevolge artikel 7:13 Awb ingestelde
                                Commissie bezwaarschriften. Het College van burgemeester en
                                wethouders neemt binnen de daarvoor geldende termijnen in de Awb een
                                beslissing op het bezwaarschrift en doet hiervan schriftelijk en
                                gemotiveerd mededeling aan de functiehouder.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De functiehouder die zich met deze beslissing niet kan verenigen kan
                                ingevolge de Awb binnen 6 weken na de dag volgend op bekendmaking
                                van de beslissing op bezwaar beroep aantekenen bij de Rechtbank,
                                conform hoofdstuk 8 van de Awb.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Nadere regels en
                                hardheidsclausule</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het College van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen
                                omtrent de procedure zoals geregeld in deze regeling, dit na
                                verkregen instemming van de Commissie voor Georganiseerd
                                Overleg.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet beslist het College van burgemeester en wethouders, na
                                verkregen instemming van de Commissie voor Georganiseerd
                                Overleg.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Regeling waardering en
                                indeling van functies in de gemeente Venray’.</al></artikel><artikel><kop><titel>Wachtdienstvergoedingsregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Algemene bepalingen</al></li><li><al>Artikel 2 Hoogte vergoeding</al></li><li><al>Artikel 3 Wachtdienstrooster</al></li><li><al>Artikel 4 Geen vergoeding</al></li><li><al>Artikel 5 Overwerkvergoeding</al></li><li><al>Artikel 6 Vermeerdering vakantie</al></li><li><al>Artikel 7 Vergoeding tijdens ziekte</al></li><li><al>Artikel 8 Hardheidsclausule</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><al> Deze regeling verstaat onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> ambtenaar:</vet> degene die in dienst van de gemeente
                                        Venray werkzaam is krachtens een aanstelling of een
                                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De leden van de
                                        beroepsbrandweer vallen als zondanig onder artikel 20:1:1
                                        van de arbeidsvoorwaardenregeling en worden derhalve niet
                                        aangemerkt als ambtenaar in de zin van deze regeling. </al></li><li nr="b"><al><vet> wachtdienst:</vet> de aan de ambtenaar opgelegde
                                        verplichting om zich buiten de voor zijn betrekking
                                        vastgestelde werktijden ter beschikking te houden, voor het
                                        onmiddellijk vervullen van opdrachten als door het college
                                        of door diens gemandateerde te bepalen; </al></li><li nr="c"><al><vet>wachtdiensturen:</vet> alle buiten de vastgestelde
                                        werktijden vallende uren; van deze wachtdiensturen komen
                                        voor vergoeding in aanmerking de uren van:</al><lijst><li nr="1"><al>maandag tot en met vrijdag van 00.00 tot 08.00 uur
                                                en van 18.00 tot 24.00 uur; </al></li><li nr="2"><al>zaterdag van 00.00 tot 24.00 uur;</al></li><li nr="3"><al>zondag of feestdag als bedoeld in artikel 4:5 van
                                                00.00 tot 24.00 uur;</al></li></lijst></li><li nr="d"><al><vet> uurloon:</vet> het salaris van de ambtenaar per maand
                                        op peildatum 1 januari van elk jaar, gedeeld door 156. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Hoogte vergoeding</vet></tussenkop><al> Voor elk voor vergoeding in aanmerking komend wachtdienstuur
                                ontvangt de ambtenaar een tijdelijke toelage ten bedrage van: </al><lijst><li nr="-"><al> 6% voor de uren bedoeld in artikel 1, lid 3 sub a en sub
                                        b;</al></li><li nr="-"><al> 11% voor de uren bedoeld in artikel 1, lid 3 sub c. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3 Wachtdienstrooster</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het rooster voor de wachtdienst wordt door de het college telkens
                                voor een periode van ten minste een kwartaal opgemaakt en wel
                                zodanig, dat eenzelfde ambtenaar binnen elke 4 weken minimaal 14
                                keer een dag geen consignatie verricht. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker die op basis van een rooster verplicht is tot het
                                verrichten van wachtdienst, is van deze verplichting ontheven als op
                                basis van een door de bedrijfsarts opgestelde verklaring is gebleken
                                dat er sprake is van risico’s ten aanzien van de fysieke of mentale
                                belastbaarheid van de medewerker. Deze verklaring wordt direct nadat
                                het besluit tot het verrichten van wachtdienst aan de medewerker is
                                meegedeeld, door de medewerker aangevraagd bij de bedrijfsarts. Als
                                er geen risico’s door de bedrijfsarts worden vastgesteld, dan geldt
                                dat de medewerker maximaal 6 maanden na datum besluit tot het
                                verrichten van wachtdienst in het rooster wordt opgenomen tot het
                                verrichten van wachtdienst.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan het college in het aldus
                                opgemaakte rooster wijzigingen aanbrengen, indien dit om redenen van
                                dienstbelang noodzakelijk is. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Geen vergoeding</vet></tussenkop><al> Voor de in artikel 2 bedoelde toelage komt niet in aanmerking de
                                ambtenaar, ten aanzien van wie naar het oordeel van het college in
                                de vaststelling van zijn bezoldiging of anderszins in de regeling
                                van zijn rechtspositie rekening is gehouden met het verrichten van
                                wachtdienst. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Overwerkvergoeding</vet></tussenkop><al> Voor het verrichten van overwerk tijdens de wachtdienst wordt aan
                                de ambtenaar een vergoeding toegekend op basis van het bepaalde in
                                artikel 3:2:1 CAR/UWO. </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Vermeerdering vakantie</vet></tussenkop><al> De aan de ambtenaar toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4
                                uren voor zover de wachtdiensten tenminste op minimaal 60
                                kalenderdagen in een periode van 12 maanden zullen moeten worden
                                verricht. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Vergoeding tijdens ziekte</vet></tussenkop><al> De in artikel 2 bedoelde vergoeding wordt in geval van ziekte
                                gedurende de periode dat de betreffende ambtenaar op het rooster
                                staat vermeld, echter niet langer dan 3 maanden, normaal uitbetaald. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Werktijdenregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Toepassing</al></li><li><al>Artikel 3 Arbeidsduur</al></li><li><al>Artikel 4 Werktijden</al></li><li><al>Artikel 5 Dagvenster</al></li><li><al>Artikel 6 Bezetting en werkafspraken</al></li><li><al>Artikel 7 Thuiswerken</al></li><li><al>Artikel 8 Buitendagvenstervergoeding</al></li><li><al>Artikel 9 Seniorenbepaling</al></li><li><al>Artikel 10 Beschikbaarheidsdiensten</al></li><li><al>Artikel 11 Bijzondere regeling</al></li><li><al>Artikel 12 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 13 Citeertitel</al></li><li><al>Bijlage A</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><lijst><li nr="1"><al><vet>Bedrijfstijd:</vet> de tijd waarin medewerkers op
                                        kantoor werkzaamheden kunnen verrichten. </al></li><li nr="2"><al><vet> Werktijd:</vet> de periode waarin door de medewerker
                                        arbeid wordt verricht. </al></li><li nr="3"><al><vet> Formele arbeidsduur:</vet> de volgens de aanstelling
                                        vastgestelde omvang van het aantal uren. </al></li><li nr="4"><al><vet>Medewerker:</vet>de ambtenaar als bedoeld in artikel
                                        1:1, eerste lid, sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                                        Gemeente Venray, alsmede flex-medewerkers,
                                        detacheringsmedewerkers, stagiaires, vrijwilligers en alle
                                        overige personen die anderszins werkzaam zijn bij de
                                        werkgever. </al></li><li nr="5"><al><vet> Leidinggevende:</vet> de teammanager; voor de
                                        leidinggevende van de teammanager geldt de afdelingsmanager;
                                        voor de leidinggevende van de afdelingsmanager geldt de
                                        algemeen directeur/gemeentesecretaris’.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Toepassing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De werktijdenregeling is van toepassing op alle medewerkers. De
                                regeling bestaat uit een standaard regeling en een bijzondere
                                regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De standaardregeling geldt voor de medewerkers die zelf regelruimte
                                hebben voor het bepalen van hun werktijden.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De bijzondere regeling is van toepassing op medewerkers die op
                                wisselende tijden volgens rooster werken en waarvoor de individuele
                                werktijden eenzijdig door de werkgever worden vastgesteld. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het college bepaalt welke functiehouders onder de bijzondere
                                regeling vallen. Deze functiehouders zijn opgenomen onder bijlage A
                                van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Arbeidsduur</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De formele arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband 36 uur
                                per week.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De feitelijke arbeidsduur kan afwijken van de formele arbeidsduur,
                                met inachtneming van de artikelen uit hoofdstuk 4 van de
                                CAR-UWO.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Werktijden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werktijd bedraagt per werkdag gemiddeld 7 uur 12 minuten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werktijd per dag bedraagt maximaal 11 uur. De werktijd per week
                                bedraagt ten hoogste 50 uur.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De bedrijfstijd begint om 07.00 uur en eindigt om 19.00 uur. In
                                incidentele gevallen kan hiervan worden afgeweken. Dit is slechts
                                mogelijk met toestemming van de leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Bij de toepassing van deze regeling dient rekening te worden
                                gehouden met beperkingen die vanuit de werksituatie kunnen
                                voorkomen. De afweging tegen het dienstbelang behoort primair tot de
                                verantwoordelijkheid van de medewerker zelf maar ook de
                                leidinggevende is bevoegd beperkingen op te leggen indien het
                                dienstbelang dit vergt.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De arbeid van een werknemer die meer dan 5,5 uren arbeid per dienst
                                verricht, wordt afgewisseld door een pauze van ten minste 30
                                minuten, die kan worden gesplitst in pauzes van elk ten minste 15
                                minuten.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Dagvenster</vet></tussenkop><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 uur
                                en 22.00 uur.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Bezetting en werkafspraken</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker maakt met zijn leidinggevende afspraken over de
                                werktijden, verlof en werkplanning binnen het dagvenster.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Op verzoek van de medewerker of de leidinggevende worden deze
                                afspraken geëvalueerd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Uitgangspunt bij het maken van de basisafspraken over werktijden is
                                een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, een goede procesgang
                                van de werkzaamheden op de afdeling, bereikbaarheid voor interne en
                                externe klanten en een optimale samenwerking op en tussen de
                                afdelingen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Als de medewerker in opdracht van de leidinggevende buiten het
                                dagvenster werkzaamheden moet verrichten, kom hij in aanmerking voor
                                de buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:8
                                CAR-UWO. Deze uren kunnen niet opgespaard worden of worden omgezet
                                in vakantieuren. Deze uren worden op een ander, in overleg te
                                bepalen, moment gecompenseerd.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Thuiswerken</vet></tussenkop><al>De medewerker kan de leidinggevende verzoeken om thuis te werken. De
                                kaders voor thuiswerken zijn neergelegd in de ‘Thuiswerkregeling
                                Gemeente Venray’.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Buitendagvenstervergoeding</vet></tussenkop><al>De medewerker die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11
                                of hoger is verbonden, heeft conform artikel 3:8 lid 3 geen recht op
                                een buitendagvenstervergoeding.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Seniorenbepaling</vet></tussenkop><al>Een medewerker is ontheven van het verrichten van werkzaamheden
                                buiten het dagvenster als op basis van een door de bedrijfsarts
                                opgestelde verklaring is gebleken dat sprake is van risico’s ten
                                aanzien van de belastbaarheid van de medewerker.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Beschikbaarheidsdiensten</vet></tussenkop><al>De medewerker die is aangewezen voor het verrichten van
                                beschikbaarheidsdiensten kan recht hebben op een tijdelijke toelage
                                zoals opgenomen in de ‘wachtdienstvergoedingsregeling’ gemeente
                                Venray.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Bijzondere regeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De bijzondere regeling is van toepassing op de in bijlage A
                                opgenomen functiegroepen en functies.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Medewerkers in de bijzondere regeling kunnen conform de bepalingen
                                in de CAR-UWO aanspraak maken op de overwerkvergoeding (artikel 3:2
                                CAR-UWO), toelage onregelmatige dienst (artikel 3:3),
                                beschikbaarheidsvergoeding (artikel 3:3A CAR-UWO) en
                                verschuivingsvergoeding (artikel 3:4 CAR-UWO).</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Werktijdenregeling gemeente
                                Venray’.</al><tussenkop><vet>Bijlage A</vet></tussenkop><al><vet>Functies die onder de bijzondere regeling vallen.</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Senior medewerker facilitaire zaken </al></li><li nr="2"><al>Beheerder facilitaire zaken </al></li><li nr="3"><al>Medewerker facilitaire zaken A </al></li><li nr="4"><al>Toezichthouder Openbare Ruimte </al></li><li nr="5"><al>Parkeer BOA </al></li><li nr="6"><al>Overlast BOA </al></li><li nr="7"><al>Integraal handhaver milieu </al></li><li nr="8"><al>Integraal handhaver bouwen</al></li><li nr="9"><al> Projectmedewerker civiele techniek</al></li><li nr="10"><al> Medewerker handhaver gebruikersvergunningen </al></li><li nr="11"><al>Commissiegriffier</al></li><li nr="12"><al> Toezichthouder civiele techniek </al></li><li nr="13"><al> Projectleider civiel en wegen</al></li><li nr="14"><al> Beheerder riolen en water</al></li><li nr="15"><al> Beheerder groen en wijkbeheer </al></li><li nr="16"><al> Beheerder bomen en speelvoorzieningen</al></li><li nr="17"><al>Toezichthouder/ werkvoorbereider groen</al></li><li nr="18"><al> Beheerder bossen</al></li><li nr="19"><al> Toezichthouder buitengebied</al></li><li nr="20"><al> Projectleider</al></li><li nr="21"><al> Technisch beheerder vastgoed</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Regeling werving en selectie </titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Ontstaan van de vacature</al></li><li><al>Artikel 3 Openstelling van de vacature</al></li><li><al>Artikel 4 Intern openstellen van de vacature</al></li><li><al>Artikel 5 Extern openstellen van de vacature</al></li><li><al>Artikel 6 Gelijktijdige in- en externe openstelling van de
                                        vacature</al></li><li><al>Artikel 7 De selectiecommissie</al></li><li><al>Artikel 8 Tweede gespreksronde</al></li><li><al>Artikel 9 Tijdelijke inhuur van personeel</al></li><li><al>Artikel 10 Assessment</al></li><li><al>Artikel 11 Arbeidsvoorwaardengesprek</al></li><li><al>Artikel 12 Afwijken van deze regeling</al></li><li><al>Artikel 13 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Artikel 14 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet> Functieprofiel:</vet> een basisprofiel uit het
                                        vastgestelde functieboek </al></li><li nr="b"><al><vet> Competentieprofiel:</vet> een verzameling van bepaalde
                                        competenties </al></li><li nr="c"><al><vet> Functie-eisen:</vet> de functie-eisen omschrijven de
                                        kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitoefening
                                        van de functie </al></li><li nr="d"><al><vet> Mediaplaatsingspakket:</vet> een verzameling van media
                                        (dagbladen, internet etc) die wordt gebruikt om een vacature
                                        extern kenbaar te maken </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Ontstaan van de vacature</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Er is sprake van een vacature als een bestaande formatieplaats
                                vrijkomt, dan wel indien een nieuwe functie aan de formatie wordt
                                toegevoegd en vrijgegeven. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De leidinggevende beoordeelt of de vacature moet worden ingevuld. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Openstelling van de vacature</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Openstelling van een vacature vindt plaats op basis van een
                                vacaturemelding, functieprofiel (evt. competentieprofiel) en
                                advertentietekst (richtlijn termijn van openstelling is tien
                                werkdagen). </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij in- en/of externe bekendmaking van een vacature worden in ieder
                                geval inlichtingen verschaft over de functiebenaming, de voornaamste
                                taken en bevoegdheden, plaats in de organisatie, de functie-eisen,
                                functieniveau, aantal formatieve uren, naam en telefoonnummer van de
                                contactpersoon en de sluitingsdatum van de sollicitatieprocedure.
                                Vanaf schaal 11 en hoger wordt eveneens vermeld dat een aanvullend
                                onderzoek (bijv. assessment) deel kan uitmaken van de
                                selectieprocedure. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Intern openstellen van de
                                vacature</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Alvorens een vacature open te stellen wordt overwogen of er
                                herplaatsingskandidaten in aanmerking komen voor de vacature. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een vacature wordt in eerste instantie, bij het ontbreken van
                                geschikte herplaatsingskandidaten, intern opengesteld. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Tijdens de interne procedure kunnen uitsluitend medewerkers
                                reageren die: </al><lijst><li nr="a"><al> Een vaste of tijdelijke aanstelling hebben bij de gemeente
                                        Venray; </al></li><li nr="b"><al> Een arbeidsovereenkomst hebben met de gemeente Venray;
                                    </al></li><li nr="c"><al>Op vrijwillige basis werkzaam zijn bij de brandweer van de
                                        gemeente Venray; </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> In voorkomende gevallen wordt bij de daadwerkelijke keuze van
                                sollicitanten bij gelijke geschiktheid de volgorde gehanteerd als
                                genoemd onder lid 3 van dit artikel. </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Extern openstellen van de
                                vacature</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Alvorens een vacature extern open te stellen wordt overwogen of er
                                “open sollicitaties” en/of reacties van medewerkers die op basis van
                                een “inhuurconstructie” werkzaam zijn voor de gemeente Venray in
                                aanmerking komen voor de vacature. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een vacature kan, nadat de interne procedure is afgerond en bij het
                                ontbreken van geschikte “open sollicitaties” en/of reacties van
                                medewerkers die op basis van een “inhuurconstructie” werkzaam zijn
                                voor de gemeente Venray, extern worden opengesteld middels het
                                zogenaamde standaard mediaplaatsingspakket (richtlijn voor de
                                termijn van openstelling is 10 werkdagen). </al><tussenkop><vet>Artikel 6 Gelijktijdige in- en externe openstelling van
                                    de vacature</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien het dienstbelang dat vraagt, kan op verzoek van de
                                leidinggevende de interne en externe werving gelijktijdig
                                plaatsvinden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De Ondernemingsraad wordt op voorhand over deze stap geïnformeerd,
                                voorzien van een advies van HRM. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Bij gelijke geschiktheid genieten interne kandidaten de voorkeur. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 De selectiecommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Selectie vindt plaats door een selectiecommissie. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De selectiecommissie wordt als volgt samengesteld: </al><lijst><li nr="a"><al> Bij medewerkers:</al><lijst><li nr="-"><al>leidinggevende</al></li><li nr="-"><al>Minimaal 1 en maximaal 2 vertegenwoordigers van de
                                                afdeling</al></li></lijst></li><li nr="b"><al> Bij leidinggevenden:</al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen directeur/gemeentesecretaris</al></li><li nr="-"><al>Minimaal 1 en maximaal 2 leidinggevenden</al></li><li nr="-"><al>Maximaal 1 lid van de OR </al></li></lijst></li><li nr="c"><al> Bij de algemeen directeur/gemeentesecretaris:</al><lijst><li nr="-"><al>Afdelingsmanager</al></li><li nr="-"><al>Concerncontroller</al></li><li nr="-"><al>Burgemeester</al></li><li nr="-"><al>(Afvaardiging) van de OR Minimaal 1 en maximaal 2
                                                portefeuillehouders vanuit het college van
                                                B&amp;W</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De HRM-adviseur neemt uitsluitend op verzoek van de teammanager, de
                                afdelingsmanager en/of de algemeen directeur/gemeentesecretaris deel
                                aan de selectiecommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Indien een leidinggevende niet voor een specifieke afdeling wordt
                                geworven (roulerend principe), kan de samenstelling van de
                                selectiecommissie hierop aangepast worden. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De leden van de selectiecommissie stellen vooraf de criteria vast
                                waarop de brieven en het CV worden beoordeeld en plaatsen deze in
                                volgorde van relevantie. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De selectiecommissie is verantwoordelijk voor de selectieprocedure
                                en maakt de keuze voor een bepaalde kandidaat op basis van minimaal
                                de aspecten kennis, vaardigheden, competenties en de match met de
                                organisatie. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Tweede gespreksronde</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor alle interne en externe vacatures geldt dat er voor de
                                benoeming in beginsel twee (selectie)gesprekken moeten plaatsvinden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Bij wijze van uitzondering kan om zwaarwegende redenen door de
                                commissie afgezien worden van het tweede (selectie)gesprek. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor alle functies van schaal 11a of hoger vindt vóór de benoeming
                                een kennismakingsgesprek plaats met de algemeen
                                directeur/gemeentesecretaris, uiteraard voor zover deze niet zelf
                                aan de selectiegesprekken heeft deelgenomen. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Tijdelijke inhuur van
                                personeel</vet></tussenkop><al> Bij tijdelijke inhuur van personeel (uitzenden en detacheren,
                                payroll etc) dient conform de geldende raamovereenkomst te worden
                                gehandeld. </al><tussenkop><vet>Artikel 10 Assessment</vet></tussenkop><al> Een assessment kan op verzoek van de leidinggevende onderdeel
                                uitmaken van de sollicitatieprocedure. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Arbeidsvoorwaardengesprek</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De hiërarchisch leidinggevende voert met de voor benoeming
                                voorgedragen kandidaat een arbeidsvoorwaardengesprek. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De HRM adviseur neemt uitsluitend op verzoek van de leidinggevende
                                deel aan het arbeidsvoorwaardengesprek. </al><tussenkop><vet>Artikel 12 Afwijken van deze regeling</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere
                                gevallen afwijken van de bepalingen van deze regeling, indien
                                toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al><tussenkop><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2010. </al><tussenkop><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></tussenkop><al> Deze regeling wordt aangehaald als: “Regeling werving en selectie
                                gemeente Venray”. </al></artikel><artikel><kop><titel>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en
                                    commissieleden</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>I Begripsomschrijvingen</al><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al></li></lijst></li><li><al>II Voorzieningen voor raadsleden</al><lijst><li><al>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</al></li><li><al>Artikel 3 Onkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 4 Berekening en betaling vaste
                                                vergoedingen</al></li><li><al>Artikel 5 Reiskosten</al></li><li><al>Artikel 6 Verblijfkosten</al></li><li><al>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</al></li><li><al>Artikel 8 Computer en internetverbinding</al></li><li><al>Artikel 9 Kinderopvang</al></li><li><al>Artikel 10 Spaarloonregeling/levensloopregeling</al></li><li><al>Artikel 10a Fietsregeling</al></li><li><al>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                                arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>Artikel 12 Compensatie korting
                                                werkloosheidsuitkering</al></li><li><al>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming
                                                voorzitterschap van de gemeenteraad</al></li><li><al>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</al></li><li><al>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag
                                                wegens zwangerschap en bevalling of ziekte</al></li><li><al>Artikel 13c Uitkering bij overlijden</al></li></lijst></li><li><al>III Voorzieningen voor wethouders</al><lijst><li><al>Artikel 14 Onkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 15 Reiskosten woonverkeer</al></li><li><al>Artikel 16 Zakelijke reiskosten</al></li><li><al>Artikel 17 Dienstauto</al></li><li><al>Artikel 18 Verblijfkosten</al></li><li><al>Artikel 19 Buitenlandse dienstreis</al></li><li><al>Artikel 20 Cursus, congres, seminar of
                                                symposium</al></li><li><al>Artikel 21 Computer en internetverbinding</al></li><li><al>Artikel 22 Mobiele telefoon</al></li><li><al>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</al></li><li><al>Artikel 23a Fietsregeling</al></li><li><al>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en
                                                verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 25 Kinderopvang</al></li></lijst></li><li><al>IV Voorzieningen voor commissieleden</al><lijst><li><al>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                                                vergaderingen</al></li><li><al>Artikel 27 Reis- en verblijfkosten</al></li><li><al>Artikel 28 Buitenlandse excursie of reis</al></li><li><al>Artikel 29 Cursus, congres, seminar of
                                                symposium</al></li><li><al>Artikel 30 Internetverbinding</al></li></lijst></li><li><al>V De procedure van declaratie</al><lijst><li><al>Artikel 31 Betaling van kosten</al></li><li><al>Artikel 32 Declaratie van vooruit betaalde
                                                kosten</al></li><li><al>Artikel 33 Rechtstreekse facturering bij de
                                                gemeente</al></li><li><al>Artikel 34 Gebruik creditkaart</al></li></lijst></li><li><al>VI Citeertitel en inwerkingtreding</al><lijst><li><al>Artikel 35 Intrekking oude regeling</al></li><li><al>Artikel 36 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Artikel 37 Citeertitel</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>I Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al> In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>commissie:</vet>een commissie als bedoeld in hoofdstuk
                                        V van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b"><al><vet> Rechtspositiebesluit wethouders:</vet> het Koninklijk
                                        Besluit van 22 maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c"><al><vet>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden:</vet>
                                        het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d"><al><vet>Regeling rechtspositie wethouders:</vet> de
                                        ministeriële regeling van 20 februari 2001, Stcrt. 41 als
                                        bedoeld in artikel 23 van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders;</al></li><li nr="e"><al><vet>Verplaatsingskostenregeling 1989:</vet> het besluit van
                                        de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                        AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="f"><al><vet>Reisregeling binnenland:</vet> het besluit van de
                                        Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr.
                                        AB93/U280, Stcrt. 56;</al></li><li nr="g"><al><vet>Reisregeling buitenland:</vet>het besluit van de
                                        Minister van Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr.
                                        AD94/U1011, Stcrt. 181;</al></li><li nr="h"><al><vet> raadslid:</vet>lid van de gemeenteraad, niet zijnde
                                        wethouder; </al></li><li nr="i"><al><vet>griffier:</vet>de griffier, bedoeld in artikel 107 van
                                        de Gemeentewet; </al></li><li nr="j"><al><vet>gemeentesecretaris:</vet> de secretaris, bedoeld in
                                        artikel 102 van de Gemeentewet.</al></li></lijst><tussenkop><vet>II Voorzieningen voor raadsleden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2 Vergoeding voor de
                                werkzaamheden</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                                gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 9 vastgestelde maximum. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Onkostenvergoeding</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 9,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 9, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Berekening en betaling vaste
                                    vergoedingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Reiskosten</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a"><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b"><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 6 Verblijfkosten</vet></tussenkop><al> De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                                raadslid vergoed. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of
                                symposium</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Computer en
                                internetverbinding</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> Het college verleent een raadslid op aanvraag voor de uitoefening
                                van het raadslidmaatschap een tegemoetkoming van € 630,-- per jaar
                                voor gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                software. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de abonnementskosten
                                voor de internetverbinding voor de in het eerste lid genoemde
                                computerapparatuur voor een bedrag van € 240,-- per jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor het bedrag genoemd in het tweede lid
                                dient de aanvrager de internetverbinding voor méér dan 10% te
                                gebruiken voor het raadslidmaatschap. Daarvoor dient aanvrager een
                                verklaring te ondertekenen conform het bij deze verordening
                                behorende model.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
                                evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                geweest.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede
                                lid, geschiedt in maandelijkse termijnen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Voor de nieuwe raadsperiode, ingaande 2010, is op de bedragen
                                genoemd in het eerste en tweede lid de inflatiecorrectie van
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Kinderopvang</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>Artikel 10
                                Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 10a Fietsregeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                    arbeidsongeschiktheid</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                                verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een
                                uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid. </al><tussenkop><vet>Artikel 12 Compensatie korting
                                    werkloosheidsuitkering</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap
                                    van de gemeenteraad</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer
                                dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al><tussenkop><vet>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt € 175 per jaar. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al><tussenkop><vet>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                    zwangerschap en bevalling of ziekte</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing
                                op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een
                                raadslid dat ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag
                                heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al><tussenkop><vet>Artikel 13c Uitkering bij overlijden</vet></tussenkop><al> Bij overlijden van een raadslid wordt aan de weduwe of weduwnaar,
                                van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering
                                toegekend. Deze uitkering bedraagt één vierde deel van de laatst
                                genoten jaarlijkse bruto-raadsvergoeding. De uitkering wordt netto
                                uitbetaald. De onkostenvergoeding wordt hierbij buiten beschouwing
                                gelaten. </al><tussenkop><vet>III Voorzieningen voor wethouders</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 14 Onkostenvergoeding</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3,
                                vermeld in artikel 25 van het Rechtspositiebesluit wethouders. </al><tussenkop><vet>Artikel 15 Reiskosten woonverkeer</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>Artikel 16 Zakelijke reiskosten</vet></tussenkop><al> Aan de wethouder wordt vergoeding verleend voor reiskosten ter zake
                                van zakelijke reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. De
                                vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten; </al></li><li nr="-"><al> bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4,onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="-"><al> een vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                        verblijfkosten. </al></li><li nr="-"><al> Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen
                                        van de wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                        gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in
                                        de eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering
                                        van de reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder
                                        plaats overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling
                                        binnenland, artikel 2a van de Reisregeling buitenland en
                                        artikel 13a van de krachtens het Verplaatsingskostenbesluit
                                        1989 vastgestelde Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 17 Dienstauto</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>Artikel 18 Verblijfkosten</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>Artikel 19 Buitenlandse dienstreis</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al><tussenkop><vet>Artikel 20 Cursus, congres, seminar of
                                symposium</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder.</al><tussenkop><vet>Artikel 21 Computer en
                                internetverbinding</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De wethouder heeft voor de uitoefening van het ambt een vaste
                                werkplek met computer in het gemeentehuis ter beschikking, inclusief
                                de benodigde randapparatuur. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De wethouder heeft derhalve geen recht op een financiële
                                tegemoetkoming, zoals die krachtens deze verordening geldt voor een
                                raadslid.</al><tussenkop><vet>Artikel 22 Mobiele telefoon</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privédoeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats.</al><tussenkop><vet>Artikel 23
                                Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 23a Fietsregeling</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en
                                verhuiskosten</vet></tussenkop><al> De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                                gemeente beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op
                                vergoeding van: </al><lijst><li nr="a"><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 1 van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b"><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 25 Kinderopvang</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>IV Voorzieningen voor commissieleden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                                    vergaderingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a"><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b"><al> uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd; </al></li><li nr="c"><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 27 Reis- en verblijfkosten</vet></tussenkop><al> De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente worden
                                vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van
                                de Regeling rechtspositie wethouders. </al><tussenkop><vet>Artikel 28 Buitenlandse excursie of
                                reis</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 29 Cursus, congres, seminar of
                                symposium</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap.</al><tussenkop><vet>Artikel 30 Internetverbinding</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Op aanvraag verleent het college het commissielid, niet zijnde
                                raadslid, een tegemoetkoming in de abonnementskosten voor de
                                internetverbinding voor een bedrag van € 120,-- per jaar. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor het bedrag genoemd in het eerste lid
                                dient de aanvrager de internetverbinding voor méér dan 10% te
                                gebruiken voor het commissielidmaatschap. Daarvoor dient aanvrager
                                een verklaring te ondertekenen conform het bij deze verordening
                                behorende model.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In het geval een commissielid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van een commissie is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar commissielid is geweest.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid
                                geschiedt per kwartaal achteraf.</al><tussenkop><vet>V De procedure van declaratie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 31 Betaling van kosten</vet></tussenkop><al> Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a"><al> betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b"><al> rechtstreekse toezending van de factuur aan de
                                        gemeente;</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 32 Declaratie van vooruit betaalde
                                kosten</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al><tussenkop><vet>Artikel 33 Rechtstreekse facturering bij de
                                    gemeente</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al> De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20 en
                                24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al><tussenkop><vet>Artikel 34 Gebruik creditkaart</vet></tussenkop><al> (Vervallen). </al><tussenkop><vet>VI Citeertitel en inwerkingtreding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 35 Intrekking oude regeling</vet></tussenkop><al> De verordening geldelijke voorzieningen Raads- en Commissieleden
                                d.d. 29 augustus 1995 wordt ingetrokken. </al><tussenkop><vet>Artikel 36 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al> Deze regeling treedt in werking op 18 september 2007 en werkt voor
                                wat betreft de artikelen 1 tot en met 13 en 26 tot en met 30 terug
                                tot en met 16 maart 2006 en voor wat betreft de artikelen 16 tot en
                                met 25 ten aanzien van de op 4 april 2006 beëdigde wethouders terug
                                tot en met de dag van hun beëdiging. De artikelen 31 tot en met 33
                                werken voor zover het betreft de leden van de raad en commissieleden
                                terug tot en met 16 maart 2006. De artikelen 31 tot en met 33 werken
                                voor zover het de op 4 april 2006 beëdigde wethouders betreft terug
                                tot en met de dag van hun beëdiging.</al><tussenkop><vet>Artikel 37 Citeertitel</vet></tussenkop><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                                wethouders, raads- en commissieleden Venray 2007. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling ziekteverzuimprotocol</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Ziekmelding</al></li><li><al>Artikel 3 Huisbezoek</al></li><li><al>Artikel 4 Privacyaspecten</al></li><li><al>Artikel 5 Herstelmelding</al></li><li><al>Artikel 6 Langdurig ziekteverzuim</al></li><li><al>Artikel 7 Frequent verzuim</al></li><li><al>Artikel 8 Verrichten van aangepaste werkzaamheden</al></li><li><al>Artikel 9 Rol casemanager</al></li><li><al>Artikel 10 Second opinion</al></li><li><al>Artikel 11 Als de medewerker een klacht heeft</al></li><li><al>Artikel 12 Salaris bij langdurige ziekte</al></li><li><al>Artikel 13 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 14 Citeertitel en inwerkingtreding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al><vet>Werkgever:</vet> de gemeente Venray </al></li><li nr="b"><al><vet>Medewerker:</vet> hij/zij die door of vanwege de
                                        gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te
                                        zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                        burgerlijk recht is aangegaan</al></li><li nr="c"><al><vet>Leidinggevende:</vet> de teammanager; voor de
                                        leidinggevende van de teammanager geldt de afdelingsmanager;
                                        voor de leidinggevende van de afdelingsmanager geldt de
                                        algemeen directeur/gemeentesecretaris.</al></li><li nr="d"><al><vet>Casemanager:</vet> in eerste instantie de
                                        leidinggevende; als de leidinggevende om zwaarwegende
                                        redenen hiervoor niet kiest, dan kan hiervoor door hem een
                                        andere leidinggevende worden aangewezen </al></li><li nr="e"><al><vet>Eerste ziektedag:</vet> de eerste werkdag van ziekte.
                                        “Werkdag” is een dag waarop door de medewerker wordt gewerkt
                                        en er dus recht op bezoldiging bestaat. Op een verlofdag
                                        heeft de medewerker recht op bezoldiging zodat ziekte op
                                        deze dag eveneens gemeld moet worden</al></li><li nr="f"><al><vet>Verzuimdossier:</vet> het dossier waarin de casemanager
                                        alle acties en afspraken vastlegt rondom de re-integratie
                                        van de werknemer</al></li><li nr="g"><al><vet>Re-integratie:</vet> activiteiten die er op zijn
                                        gericht dat de medewerker weer in de eigen of een aangepaste
                                        functie kan werken</al></li><li nr="h"><al><vet>Bedrijfsarts:</vet> een arts die zelfstandig dan wel in
                                        dienst is bij een arbodienst en het ziekteverloop van de
                                        werknemers begeleidt en de werkgever hierover
                                        adviseert.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Ziekmelding</vet></tussenkop><al>Op de eerste ziektedag geeft de medewerker vóór 09.00 uur de
                                ziekmelding telefonisch door aan zijn leidinggevende. De
                                leidinggevende neemt dan dezelfde dag nog contact op met de
                                medewerker. De leidinggevende informeert naar de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oorzaak van het verzuim (al of niet werkgerelateerd), de
                                        aard en de ernst van de klachten, de beperkingen en de te
                                        verwachten verzuimduur;</al></li><li nr="-"><al>waar de medewerker verblijft en hoe de medewerker bereikbaar
                                        is wanneer hij niet op het huisadres verblijft;</al></li><li nr="-"><al>voor welke werkzaamheden vervanging nodig is en welke
                                        afspraken er moeten worden afgezegd;</al></li><li nr="-"><al>indien mogelijk wordt een afspraak gemaakt voor
                                        werkhervatting en anders voor een volgend moment van contact
                                        (uiterlijk in de tweede ziekteweek).</al></li></lijst><al>Is de medewerker ziek door zwangerschap of door een ongeval, dan
                                dient de medewerker dit nadrukkelijk te vermelden.</al><al>De leidinggevende geeft de ziekmelding door via HRM@Venray.nl, waar
                                voor de registratie van de ziekmelding wordt zorg gedragen.</al><al>Bij ziekmelding tijdens de vakantie meldt de medewerker dit, bij
                                voorkeur persoonlijk, aan de leidinggevende. Het is namelijk
                                mogelijk om bij volledige arbeidsongeschiktheid verlofdagen terug te
                                krijgen indien de medewerker aannemelijk kan maken dat hij, als hem
                                geen vakantie was verleend, op die dagen verhinderd geweest zou zijn
                                de betrekking te vervullen. Het aannemelijk maken kan bestaan uit
                                het overleggen van een verklaring van een arts of van een op
                                verleende geneeskundige hulp betrekking hebbende rekening.</al><al>Wanneer een medewerker tijdens ziekte met vakantie wil gaan, vraagt
                                hij daarvoor toestemming aan de leidinggevende. Vakantieactiviteiten
                                mogen het herstel niet in de weg staan. De leidinggevende overlegt
                                in dat kader met de bedrijfsarts.</al><al>Aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de
                                bedrijfsarts dient de medewerker te voldoen; ook als hij van plan is
                                om de werkzaamheden te hervatten. Als de medewerker de werkzaamheden
                                al heeft hervat, belt hij de bedrijfsarts met de vraag of hij alsnog
                                op het spreekuur moet verschijnen. Als de medewerker een geldige
                                reden tot verhindering heeft (bijv. bedlegerigheid) meldt hij dit
                                telefonisch aan de bedrijfsarts.</al><al>De bedrijfsarts houdt wekelijks op dinsdagmiddag spreekuur bij de
                                gemeente Venray. Op advies van de bedrijfsarts worden medewerkers
                                voor dit spreekuur uitgenodigd door HRM. Het is uiteraard ook
                                mogelijk dat het spreekuur bezocht wordt op eigen initiatief van de
                                medeweker of van de leidinggevende.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Huisbezoek</vet></tussenkop><al> Wanneer de afwezigheid langer duurt dan twee weken, is een
                                intensiever contact van belang: een huisbezoek door de
                                leidinggevende is dan gebruikelijk. Wanneer dit relevant of gewenst
                                is door de betrokken medewerker, kan ook een gesprek worden geregeld
                                op het werk. Kern van dit gesprek is drieledig: samen dieper op de
                                materie en de achtergronden van de afwezigheid ingaan, de
                                leidinggevende kan de mogelijkheden van re-integratie en de
                                doorverwijzing naar reintegratiespecialisten bespreken. Van dit
                                contactmoment wordt een kort verslag gemaakt. Het huisbezoek van de
                                leidinggevende staat los van het spreekuurbezoek van de medewerker
                                aan de bedrijfsarts.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Privacyaspecten</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De bedrijfsarts heeft een geheimhoudingsplicht ten aanzien
                                        van de medische gegevens en andere bijzonderheden die de
                                        persoonlijke levenssfeer betreffen.</al></li><li nr="-"><al>Als de bedrijfsarts het wenselijk acht om deze gegevens aan
                                        derden, waaronder de werkgever, te verstrekken, dan is
                                        daarvoor toestemming van de medewerker nodig.</al></li><li nr="-"><al>Er zijn uitzonderingsgevallen waarin zonder toestemming van
                                        de medewerker medische gegevens mogen worden verstrekt. In
                                        dergelijke bijzondere gevallen zal de gezondheid, veiligheid
                                        en welzijn binnen de organisatie van de werkgever in het
                                        geding zijn, zoals bij bepaalde infectieziekten.</al></li><li nr="-"><al>De zieke werknemer dient aan de werkgever te melden welke
                                        beperkingen hij ondervindt om aan het werk te gaan.</al></li><li nr="-"><al>De werknemer hoeft, als hij dat niet wil, niet aan zijn
                                        werkgever te melden wat de precieze klachten zijn.</al></li><li nr="-"><al>Contact tussen bedrijfsarts en werknemer moet plaatsvinden
                                        indien de werkgever, de werknemer of de bedrijfsarts kennis
                                        draagt van feiten en omstandigheden die, ter bespreking 3
                                        van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of
                                        noodzakelijk maken, maar uiterlijk drie weken na de
                                        ziekmelding.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5 Herstelmelding</vet></tussenkop><al> Wanneer de medewerker weer hersteld is, meldt hij/zij dit op de
                                eerste werkdag ná de verzuimperiode vóór 09.00 uur aan de
                                leidinggevende (mondeling, telefonisch of per email). De
                                leidinggevende meldt dit via HRM@Venray.nl van waaruit de
                                herstelmelding wordt geregistreerd. Is de medewerker (gedeeltelijk)
                                hersteld op een roostervrije of andere vrije dag, dan wordt dat
                                doorgegeven bij de herstelmelding.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Langdurig ziekteverzuim</vet></tussenkop><al>Uiterlijk in de 6e week van het verzuim wordt de medewerker op het
                                spreekuur van de bedrijfsarts opgeroepen.</al><al>In de 6e week van het verzuim maakt de bedrijfsarts een
                                probleemanalyse. Deze analyse bevat een advies aan de werkgever en
                                de medewerker over het herstel en de werkhervatting van de
                                werknemer. De probleemanalyse wordt aan de werkgever en de
                                medewerker toegestuurd.</al><al>Twee weken na de probleemanalyse wordt door de leidinggevende samen
                                met de medewerker een plan van aanpak voor de re-integratie
                                opgesteld. In de regel is dit in de 8e week van het verzuim.</al><al>Het plan van aanpak bevat o.a. de volgende punten:</al><lijst><li nr="-"><al>De naam van de casemanager en bedrijfsarts.</al></li><li nr="-"><al>De doelstelling van het plan (terugkeer in eigen functie,
                                        terugkeer in andere functie in- of extern) met een
                                        tijdsafspraak.</al></li><li nr="-"><al>De door de werkgever en werknemer op te pakken acties om
                                        terugkeer te bespoedigen (bijvoorbeeld aanpassing werkplek,
                                        zoeken naar re-integratiemogelijkheden, therapeutisch
                                        werken).</al></li><li nr="-"><al>Afspraken over het contact tussen de bedrijfsarts en de door
                                        de werknemer geraadpleegde behandelaars, zoals huisarts of
                                        bedrijfsmaatschappelijk werk.</al></li><li nr="-"><al>Afspraken over tijdstippen waarop het plan en activiteiten
                                        door leidinggevende en medewerker worden geëvalueerd.</al></li></lijst><al>Het plan van aanpak wordt door de leidinggevende en de medewerker
                                ondertekend. De werkgever verstrekt een exemplaar van het plan van
                                aanpak aan de werknemer en aan de bedrijfsarts. </al><al>Voor informatie over de na deze periode te nemen stappen door
                                werkgever en werknemer kan desgewenst contact worden opgenomen met
                                de leidinggevende dan wel de HRM-adviseur (HRM@Venray.nl).</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Frequent verzuim</vet></tussenkop><al>Van frequent verzuim is bijvoorbeeld sprake bij meer dan twee
                                ziekmeldingen in een periode van zes maanden of meer dan drie
                                ziekmeldingen per jaar. Veelvuldig kortdurend verzuim kan reden zijn
                                voor de werkgever om een onderzoek in te stellen. De leidinggevende
                                voert een gesprek met de werknemer. Indien nodig laat de werkgever
                                de medewerker door de bedrijfsarts oproepen.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Verrichten van aangepaste
                                werkzaamheden</vet></tussenkop><al>In overleg tussen medewerker, leidinggevende en bedrijfsarts kan
                                vastgesteld worden dat de medewerker weliswaar niet (volledig) het
                                eigen werk, maar mogelijk wel alternatief of aangepast werk kan doen
                                of op aangepaste tijden kan werken. Bij alternatief werk of
                                aangepast werk wordt vooral gelet op de vraag of het betreffende
                                werk qua belasting en belastbaarheid van de medewerker verantwoord
                                is. Kan iemand – om welke reden dan ook – niet re-integreren bij de
                                eigen werkgever, dan is de werkgever verplicht te zoeken naar
                                re-integratiemogelijkheden bij een andere werkgever binnen of, als
                                dat niet mogelijk is, buiten de eigen sector. Indien de
                                leidinggevende hier – eventueel in samenwerking met een
                                re-integratiebedrijf – een voorstel voor doet, is de medewerker
                                verplicht hieraan mee te werken.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Rol casemanager</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De casemanager neemt het initiatief tot (vervolg)gesprekken
                                        en acties.</al></li><li nr="-"><al>De casemanager evalueert en stelt het plan van aanpak bij zo
                                        vaak als nodig is.</al></li><li nr="-"><al>De casemanager heeft minstens iedere zes weken contact met
                                        de medewerker.</al></li><li nr="-"><al>De casemanager bouwt het re-integratiedossier op.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 10 Second opinion</vet></tussenkop><al>Als de medewerker of de werkgever het niet eens is met het advies of
                                de uitspraak van de bedrijfsarts, kan een deskundigenoordeel (second
                                opinion) aangevraagd worden bij het UWV. De kosten voor het
                                deskundigenoordeel zijn voor rekening van de aanvrager tenzij de
                                uitspraak van het deskundigenoordeel de medewerker in het gelijk
                                stelt. In dat geval zijn de kosten van het deskundigenoordeel voor
                                rekening van de werkgever.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Als de medewerker een klacht
                                heeft</vet></tussenkop><al>Wanneer de medewerker niet tevreden is over de wijze waarop de
                                bedrijfsarts heeft gehandeld, dan kan een klacht ingediend worden
                                bij HRM. De medewerker meldt dit tevens aan zijn leidinggevende.
                                Wanneer de klacht betrekking heeft op de handelwijze van een
                                medewerker van de gemeente Venray dan kan hij voor advies, over hoe
                                om te gaan met een klacht, terecht bij de interne
                                vertrouwenspersoon. Deze treedt hierbij op als vraagbaak, adviseur
                                en begeleider. Indien van toepassing kan deze doorverwijzen naar de
                                externe vertrouwenspersoon. Voor meer informatie over de
                                klachtenregeling zie hoofdstuk 9 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Salaris bij langdurige
                                ziekte</vet></tussenkop><al> Als je ongeschikt bent tot het verrichten van arbeid als gevolg van
                                ziekte heb je over die uren recht op de volgende doorbetaling:</al><lijst><li nr="-"><al>De eerste 6 maanden: volledige doorbetaling van de
                                        bezoldiging</al></li><li nr="-"><al>7e tot en met 12e maand: 90% doorbetaling van de
                                        bezoldiging</al></li><li nr="-"><al>13e tot en met 24e maand: 75% doorbetaling van de
                                        bezoldiging</al></li><li nr="-"><al>Na 24 maanden wordt bij voortdurende ongeschiktheid tot aan
                                        het einde van het dienstverband 70% van de bezoldiging
                                        uitbetaald.</al></li></lijst><al>Is een medeweker gedeeltelijk arbeidsongeschikt, dan geldt de
                                korting voor die uren waarop de medewerker wegens ziekte verhinderd
                                is tot het verrichten van arbeid.</al><al>De medewerker heeft na afloop van het eerste ziektejaar recht op een
                                bonus indien hij voor ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur
                                zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het 5 kader van zijn
                                re-integratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                                re-integratie. In dat geval bestaat recht op een extra percentage
                                van 5%, berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft.
                                Hierbij geldt als maximum de eigen bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, kan het college van burgemeester en wethouders een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Citeertitel en
                                inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als “de regeling
                                ziekteverzuimprotocol gemeente Venray” en treedt in werking met
                                ingang van 1 februari 2014. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Bijlage I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage II Schaalindeling</titel></kop><al><vet>Salaristabellen</vet></al><al>Deze bijlage bevat de schaalindeling, als onderdeel van de
                        bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid.</al><al>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, oude structuur (bijlage
                        II)</al><al>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, nieuwe structuur (bijlage
                        IIa)</al><tussenkop><vet>Salaristabel gemeente ambtenaren per 1 april 2015, nieuwe
                            structuur*</vet></tussenkop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1448</al></entry><entry colname="col3"><al>1482</al></entry><entry colname="col4"><al>1520</al></entry><entry colname="col5"><al>1563</al></entry><entry colname="col6"><al>1608</al></entry><entry colname="col7"><al>1715</al></entry><entry colname="col8"><al>1924</al></entry><entry colname="col9"><al>2202</al></entry><entry colname="col10"><al>2444</al></entry><entry colname="col11"><al>2636</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1532</al></entry><entry colname="col4"><al>1582</al></entry><entry colname="col5"><al>1633</al></entry><entry colname="col6"><al>1685</al></entry><entry colname="col7"><al>1793</al></entry><entry colname="col8"><al>2005</al></entry><entry colname="col9"><al>2291</al></entry><entry colname="col10"><al>2548</al></entry><entry colname="col11"><al>2759</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1518</al></entry><entry colname="col3"><al>1582</al></entry><entry colname="col4"><al>1645</al></entry><entry colname="col5"><al>1702</al></entry><entry colname="col6"><al>1761</al></entry><entry colname="col7"><al>1871</al></entry><entry colname="col8"><al>2087</al></entry><entry colname="col9"><al>2381</al></entry><entry colname="col10"><al>2652</al></entry><entry colname="col11"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1554</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1708</al></entry><entry colname="col5"><al>1772</al></entry><entry colname="col6"><al>1838</al></entry><entry colname="col7"><al>1949</al></entry><entry colname="col8"><al>2167</al></entry><entry colname="col9"><al>2470</al></entry><entry colname="col10"><al>2756</al></entry><entry colname="col11"><al>3004</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1591</al></entry><entry colname="col3"><al>1681</al></entry><entry colname="col4"><al>1770</al></entry><entry colname="col5"><al>1841</al></entry><entry colname="col6"><al>1915</al></entry><entry colname="col7"><al>2028</al></entry><entry colname="col8"><al>2249</al></entry><entry colname="col9"><al>2559</al></entry><entry colname="col10"><al>2860</al></entry><entry colname="col11"><al>3127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1627</al></entry><entry colname="col3"><al>1731</al></entry><entry colname="col4"><al>1833</al></entry><entry colname="col5"><al>1911</al></entry><entry colname="col6"><al>1991</al></entry><entry colname="col7"><al>2106</al></entry><entry colname="col8"><al>2330</al></entry><entry colname="col9"><al>2648</al></entry><entry colname="col10"><al>2964</al></entry><entry colname="col11"><al>3250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1663</al></entry><entry colname="col3"><al>1780</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1981</al></entry><entry colname="col6"><al>2068</al></entry><entry colname="col7"><al>2183</al></entry><entry colname="col8"><al>2411</al></entry><entry colname="col9"><al>2738</al></entry><entry colname="col10"><al>3069</al></entry><entry colname="col11"><al>3372</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1699</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1958</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2145</al></entry><entry colname="col7"><al>2262</al></entry><entry colname="col8"><al>2492</al></entry><entry colname="col9"><al>2827</al></entry><entry colname="col10"><al>3173</al></entry><entry colname="col11"><al>3495</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1735</al></entry><entry colname="col3"><al>1880</al></entry><entry colname="col4"><al>2021</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2222</al></entry><entry colname="col7"><al>2340</al></entry><entry colname="col8"><al>2573</al></entry><entry colname="col9"><al>2917</al></entry><entry colname="col10"><al>3277</al></entry><entry colname="col11"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1772</al></entry><entry colname="col3"><al>1929</al></entry><entry colname="col4"><al>2084</al></entry><entry colname="col5"><al>2190</al></entry><entry colname="col6"><al>2299</al></entry><entry colname="col7"><al>2418</al></entry><entry colname="col8"><al>2654</al></entry><entry colname="col9"><al>3006</al></entry><entry colname="col10"><al>3381</al></entry><entry colname="col11"><al>3740</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1808</al></entry><entry colname="col3"><al>1979</al></entry><entry colname="col4"><al>2147</al></entry><entry colname="col5"><al>2260</al></entry><entry colname="col6"><al>2375</al></entry><entry colname="col7"><al>2496</al></entry><entry colname="col8"><al>2736</al></entry><entry colname="col9"><al>3095</al></entry><entry colname="col10"><al>3486</al></entry><entry colname="col11"><al>3862</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1844</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al>2209</al></entry><entry colname="col5"><al>2330</al></entry><entry colname="col6"><al>2452</al></entry><entry colname="col7"><al>2575</al></entry><entry colname="col8"><al>2816</al></entry><entry colname="col9"><al>3184</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3985</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2906</al></entry><entry colname="col3"><al>3158</al></entry><entry colname="col4"><al>3476</al></entry><entry colname="col5"><al>3794</al></entry><entry colname="col6"><al>4236</al></entry><entry colname="col7"><al>4500</al></entry><entry colname="col8"><al>4839</al></entry><entry colname="col9"><al>5181</al></entry><entry colname="col10"><al>5733</al></entry><entry colname="col11"><al>6355</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3032</al></entry><entry colname="col3"><al>3288</al></entry><entry colname="col4"><al>3606</al></entry><entry colname="col5"><al>3925</al></entry><entry colname="col6"><al>4364</al></entry><entry colname="col7"><al>4655</al></entry><entry colname="col8"><al>5017</al></entry><entry colname="col9"><al>5389</al></entry><entry colname="col10"><al>5958</al></entry><entry colname="col11"><al>6597</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3157</al></entry><entry colname="col3"><al>3419</al></entry><entry colname="col4"><al>3737</al></entry><entry colname="col5"><al>4054</al></entry><entry colname="col6"><al>4492</al></entry><entry colname="col7"><al>4809</al></entry><entry colname="col8"><al>5196</al></entry><entry colname="col9"><al>5597</al></entry><entry colname="col10"><al>6182</al></entry><entry colname="col11"><al>6838</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3283</al></entry><entry colname="col3"><al>3550</al></entry><entry colname="col4"><al>3867</al></entry><entry colname="col5"><al>4182</al></entry><entry colname="col6"><al>4620</al></entry><entry colname="col7"><al>4964</al></entry><entry colname="col8"><al>5375</al></entry><entry colname="col9"><al>5806</al></entry><entry colname="col10"><al>6407</al></entry><entry colname="col11"><al>7079</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry><entry colname="col3"><al>3680</al></entry><entry colname="col4"><al>3997</al></entry><entry colname="col5"><al>4310</al></entry><entry colname="col6"><al>4748</al></entry><entry colname="col7"><al>5118</al></entry><entry colname="col8"><al>5554</al></entry><entry colname="col9"><al>6014</al></entry><entry colname="col10"><al>6632</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3535</al></entry><entry colname="col3"><al>3811</al></entry><entry colname="col4"><al>4125</al></entry><entry colname="col5"><al>4438</al></entry><entry colname="col6"><al>4876</al></entry><entry colname="col7"><al>5273</al></entry><entry colname="col8"><al>5732</al></entry><entry colname="col9"><al>6222</al></entry><entry colname="col10"><al>6856</al></entry><entry colname="col11"><al>7562</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3660</al></entry><entry colname="col3"><al>3942</al></entry><entry colname="col4"><al>4254</al></entry><entry colname="col5"><al>4566</al></entry><entry colname="col6"><al>5004</al></entry><entry colname="col7"><al>5428</al></entry><entry colname="col8"><al>5911</al></entry><entry colname="col9"><al>6430</al></entry><entry colname="col10"><al>7081</al></entry><entry colname="col11"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3786</al></entry><entry colname="col3"><al>4071</al></entry><entry colname="col4"><al>4382</al></entry><entry colname="col5"><al>4694</al></entry><entry colname="col6"><al>5132</al></entry><entry colname="col7"><al>5583</al></entry><entry colname="col8"><al>6090</al></entry><entry colname="col9"><al>6638</al></entry><entry colname="col10"><al>7305</al></entry><entry colname="col11"><al>8045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3912</al></entry><entry colname="col3"><al>4199</al></entry><entry colname="col4"><al>4510</al></entry><entry colname="col5"><al>4822</al></entry><entry colname="col6"><al>5260</al></entry><entry colname="col7"><al>5738</al></entry><entry colname="col8"><al>6269</al></entry><entry colname="col9"><al>6847</al></entry><entry colname="col10"><al>7530</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4037</al></entry><entry colname="col3"><al>4327</al></entry><entry colname="col4"><al>4637</al></entry><entry colname="col5"><al>4950</al></entry><entry colname="col6"><al>5388</al></entry><entry colname="col7"><al>5892</al></entry><entry colname="col8"><al>6448</al></entry><entry colname="col9"><al>7055</al></entry><entry colname="col10"><al>7754</al></entry><entry colname="col11"><al>8528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4160</al></entry><entry colname="col3"><al>4455</al></entry><entry colname="col4"><al>4766</al></entry><entry colname="col5"><al>5078</al></entry><entry colname="col6"><al>5516</al></entry><entry colname="col7"><al>6047</al></entry><entry colname="col8"><al>6626</al></entry><entry colname="col9"><al>7263</al></entry><entry colname="col10"><al>7979</al></entry><entry colname="col11"><al>8769</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4283</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al>4894</al></entry><entry colname="col5"><al>5207</al></entry><entry colname="col6"><al>5644</al></entry><entry colname="col7"><al>6201</al></entry><entry colname="col8"><al>6805</al></entry><entry colname="col9"><al>7472</al></entry><entry colname="col10"><al>8204</al></entry><entry colname="col11"><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><tussenkop><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, oude
                            structuur*</vet></tussenkop><table><tgroup cols="22"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><colspec colnum="12" colname="col12" colwidth=""></colspec><colspec colnum="13" colname="col13" colwidth=""></colspec><colspec colnum="14" colname="col14" colwidth=""></colspec><colspec colnum="15" colname="col15" colwidth=""></colspec><colspec colnum="16" colname="col16" colwidth=""></colspec><colspec colnum="17" colname="col17" colwidth=""></colspec><colspec colnum="18" colname="col18" colwidth=""></colspec><colspec colnum="19" colname="col19" colwidth=""></colspec><colspec colnum="20" colname="col20" colwidth=""></colspec><colspec colnum="21" colname="col21" colwidth=""></colspec><colspec colnum="22" colname="col22" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Nr.</al></entry><entry colname="col2"><al> Salaris </al></entry><entry colname="col3"><al> Salaris </al></entry><entry colname="col4"><al> Schaal </al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>01-10-2014</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>01-04-2015</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col12"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col13"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col14"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col15"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col16"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col17"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col18"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col19"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col20"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col21"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col22"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> A1 </al></entry><entry colname="col2"><al>1398</al></entry><entry colname="col3"><al>1448</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> A2 </al></entry><entry colname="col2"><al>1449</al></entry><entry colname="col3"><al>1499</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1 </al></entry><entry colname="col2"><al>1502</al></entry><entry colname="col3"><al>1552</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>1535</al></entry><entry colname="col3"><al>1585</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3 </al></entry><entry colname="col2"><al>1569</al></entry><entry colname="col3"><al>1619</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4 </al></entry><entry colname="col2"><al>1603</al></entry><entry colname="col3"><al>1653</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5 </al></entry><entry colname="col2"><al>1635</al></entry><entry colname="col3"><al>1685</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 </al></entry><entry colname="col2"><al>1666</al></entry><entry colname="col3"><al>1716</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>0</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6a </al></entry><entry colname="col2"><al>1678</al></entry><entry colname="col3"><al>1728</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>3</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7 </al></entry><entry colname="col2"><al>1701</al></entry><entry colname="col3"><al>1751</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>6</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>2</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 8 </al></entry><entry colname="col2"><al>1738</al></entry><entry colname="col3"><al>1788</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9 </al></entry><entry colname="col2"><al>1785</al></entry><entry colname="col3"><al>1835</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>3</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>0</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9a </al></entry><entry colname="col2"><al>1794</al></entry><entry colname="col3"><al>1844</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 10 </al></entry><entry colname="col2"><al>1840</al></entry><entry colname="col3"><al>1890</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>1</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 11 </al></entry><entry colname="col2"><al>1905</al></entry><entry colname="col3"><al>1955</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>4</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 12 </al></entry><entry colname="col2"><al>1969</al></entry><entry colname="col3"><al>2019</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry><entry colname="col8"><al>5</al></entry><entry colname="col9"><al>3</al></entry><entry colname="col10"><al>2</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 12a </al></entry><entry colname="col2"><al>1979</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 13 </al></entry><entry colname="col2"><al>2030</al></entry><entry colname="col3"><al>2080</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry><entry colname="col8"><al>6</al></entry><entry colname="col9"><al>4</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>0</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 14 </al></entry><entry colname="col2"><al>2091</al></entry><entry colname="col3"><al>2141</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry><entry colname="col8"><al>7</al></entry><entry colname="col9"><al>5</al></entry><entry colname="col10"><al>3</al></entry><entry colname="col11"><al>1</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 15 </al></entry><entry colname="col2"><al>2149</al></entry><entry colname="col3"><al>2199</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>10</al></entry><entry colname="col9"><al>6</al></entry><entry colname="col10"><al>4</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 15a </al></entry><entry colname="col2"><al>2159</al></entry><entry colname="col3"><al>2209</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>13</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 16 </al></entry><entry colname="col2"><al>2207</al></entry><entry colname="col3"><al>2257</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>12</al></entry><entry colname="col9"><al>7</al></entry><entry colname="col10"><al>5</al></entry><entry colname="col11"><al>2</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 17 </al></entry><entry colname="col2"><al>2265</al></entry><entry colname="col3"><al>2315</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>8</al></entry><entry colname="col10"><al>6</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 17a </al></entry><entry colname="col2"><al>2280</al></entry><entry colname="col3"><al>2330</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>14</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 18 </al></entry><entry colname="col2"><al>2322</al></entry><entry colname="col3"><al>2372</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>11</al></entry><entry colname="col10"><al>7</al></entry><entry colname="col11"><al>3</al></entry><entry colname="col12"><al>0</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 19 </al></entry><entry colname="col2"><al>2382</al></entry><entry colname="col3"><al>2432</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>8</al></entry><entry colname="col11"><al>4</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 19a </al></entry><entry colname="col2"><al>2402</al></entry><entry colname="col3"><al>2452</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>13</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 20 </al></entry><entry colname="col2"><al>2440</al></entry><entry colname="col3"><al>2490</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>9</al></entry><entry colname="col11"><al>5</al></entry><entry colname="col12"><al>1</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>0</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 21 </al></entry><entry colname="col2"><al>2495</al></entry><entry colname="col3"><al>2545</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>6</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 21a </al></entry><entry colname="col2"><al>2525</al></entry><entry colname="col3"><al>2575</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>10</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 22 </al></entry><entry colname="col2"><al>2556</al></entry><entry colname="col3"><al>2606</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>7</al></entry><entry colname="col12"><al>2</al></entry><entry colname="col13"><al>0</al></entry><entry colname="col14"><al>1</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 23 </al></entry><entry colname="col2"><al>2617</al></entry><entry colname="col3"><al>2667</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>8</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 24 </al></entry><entry colname="col2"><al>2680</al></entry><entry colname="col3"><al>2730</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>9</al></entry><entry colname="col12"><al>3</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>2</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 25 </al></entry><entry colname="col2"><al>2752</al></entry><entry colname="col3"><al>2802</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>4</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 25a </al></entry><entry colname="col2"><al>2766</al></entry><entry colname="col3"><al>2816</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>10</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 26 </al></entry><entry colname="col2"><al>2819</al></entry><entry colname="col3"><al>2869</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>5</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>3</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 27 </al></entry><entry colname="col2"><al>2876</al></entry><entry colname="col3"><al>2926</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>6</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 28 </al></entry><entry colname="col2"><al>2939</al></entry><entry colname="col3"><al>2989</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>7</al></entry><entry colname="col13"><al>3</al></entry><entry colname="col14"><al>4</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 29 </al></entry><entry colname="col2"><al>3003</al></entry><entry colname="col3"><al>3053</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>8</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 30 </al></entry><entry colname="col2"><al>3063</al></entry><entry colname="col3"><al>3113</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>9</al></entry><entry colname="col13"><al>4</al></entry><entry colname="col14"><al>5</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 31 </al></entry><entry colname="col2"><al>3117</al></entry><entry colname="col3"><al>3167</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 31a </al></entry><entry colname="col2"><al>3134</al></entry><entry colname="col3"><al>3184</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>10</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 32 </al></entry><entry colname="col2"><al>3173</al></entry><entry colname="col3"><al>3223</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>5</al></entry><entry colname="col14"><al>6</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 34 </al></entry><entry colname="col2"><al>3286</al></entry><entry colname="col3"><al>3336</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>6</al></entry><entry colname="col14"><al>7</al></entry><entry colname="col15"><al>0</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 36 </al></entry><entry colname="col2"><al>3410</al></entry><entry colname="col3"><al>3460</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>7</al></entry><entry colname="col14"><al>8</al></entry><entry colname="col15"><al>1</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 38 </al></entry><entry colname="col2"><al>3521</al></entry><entry colname="col3"><al>3571</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>9</al></entry><entry colname="col15"><al>2</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 38a </al></entry><entry colname="col2"><al>3540</al></entry><entry colname="col3"><al>3590</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>8</al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 40 </al></entry><entry colname="col2"><al>3632</al></entry><entry colname="col3"><al>3682</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>10</al></entry><entry colname="col15"><al>3</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 42 </al></entry><entry colname="col2"><al>3743</al></entry><entry colname="col3"><al>3793</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>11</al></entry><entry colname="col15"><al>4</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 44 </al></entry><entry colname="col2"><al>3868</al></entry><entry colname="col3"><al>3918</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>5</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 44a </al></entry><entry colname="col2"><al>3935</al></entry><entry colname="col3"><al>3985</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>12</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 46 </al></entry><entry colname="col2"><al>3991</al></entry><entry colname="col3"><al>4041</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>6</al></entry><entry colname="col16"><al>0</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 48 </al></entry><entry colname="col2"><al>4107</al></entry><entry colname="col3"><al>4157</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>7</al></entry><entry colname="col16"><al>1</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 50 </al></entry><entry colname="col2"><al>4223</al></entry><entry colname="col3"><al>4273</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>8</al></entry><entry colname="col16"><al>2</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 52 </al></entry><entry colname="col2"><al>4339</al></entry><entry colname="col3"><al>4389</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>9</al></entry><entry colname="col16"><al>3</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 54 </al></entry><entry colname="col2"><al>4451</al></entry><entry colname="col3"><al>4501</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>10</al></entry><entry colname="col16"><al>4</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 </al></entry><entry colname="col2"><al>4511</al></entry><entry colname="col3"><al>4561</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55a </al></entry><entry colname="col2"><al>4533</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>11</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 56 </al></entry><entry colname="col2"><al>4569</al></entry><entry colname="col3"><al>4619</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>5</al></entry><entry colname="col17"><al>0</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 58 </al></entry><entry colname="col2"><al>4686</al></entry><entry colname="col3"><al>4736</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>6</al></entry><entry colname="col17"><al>1</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 60 </al></entry><entry colname="col2"><al>4798</al></entry><entry colname="col3"><al>4848</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>7</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry><entry colname="col18"><al>0</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 62 </al></entry><entry colname="col2"><al>4914</al></entry><entry colname="col3"><al>4964</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>8</al></entry><entry colname="col17"><al>3</al></entry><entry colname="col18"><al>1</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 64 </al></entry><entry colname="col2"><al>5060</al></entry><entry colname="col3"><al>5110</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>9</al></entry><entry colname="col17"><al>4</al></entry><entry colname="col18"><al>2</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 65 </al></entry><entry colname="col2"><al>5131</al></entry><entry colname="col3"><al>5181</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 65a </al></entry><entry colname="col2"><al>5157</al></entry><entry colname="col3"><al>5207</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>10</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 66 </al></entry><entry colname="col2"><al>5204</al></entry><entry colname="col3"><al>5254</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>5</al></entry><entry colname="col18"><al>3</al></entry><entry colname="col19"><al>0</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 68 </al></entry><entry colname="col2"><al>5350</al></entry><entry colname="col3"><al>5400</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>6</al></entry><entry colname="col18"><al>4</al></entry><entry colname="col19"><al>1</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 70 </al></entry><entry colname="col2"><al>5496</al></entry><entry colname="col3"><al>5546</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>7</al></entry><entry colname="col18"><al>5</al></entry><entry colname="col19"><al>2</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 71 </al></entry><entry colname="col2"><al>5566</al></entry><entry colname="col3"><al>5616</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 71a </al></entry><entry colname="col2"><al>5594</al></entry><entry colname="col3"><al>5644</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>8</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 72 </al></entry><entry colname="col2"><al>5641</al></entry><entry colname="col3"><al>5691</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>6</al></entry><entry colname="col19"><al>3</al></entry><entry colname="col20"><al>0</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 74 </al></entry><entry colname="col2"><al>5795</al></entry><entry colname="col3"><al>5845</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>7</al></entry><entry colname="col19"><al>4</al></entry><entry colname="col20"><al>1</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 76 </al></entry><entry colname="col2"><al>5953</al></entry><entry colname="col3"><al>6003</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>8</al></entry><entry colname="col19"><al>5</al></entry><entry colname="col20"><al>2</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 78 </al></entry><entry colname="col2"><al>6115</al></entry><entry colname="col3"><al>6165</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>6</al></entry><entry colname="col20"><al>3</al></entry><entry colname="col21"><al>0</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 78a </al></entry><entry colname="col2"><al>6151</al></entry><entry colname="col3"><al>6201</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>9</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 80 </al></entry><entry colname="col2"><al>6310</al></entry><entry colname="col3"><al>6360</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>7</al></entry><entry colname="col20"><al>4</al></entry><entry colname="col21"><al>1</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 82 </al></entry><entry colname="col2"><al>6512</al></entry><entry colname="col3"><al>6562</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>8</al></entry><entry colname="col20"><al>5</al></entry><entry colname="col21"><al>2</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 84 </al></entry><entry colname="col2"><al>6719</al></entry><entry colname="col3"><al>6769</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>6</al></entry><entry colname="col21"><al>3</al></entry><entry colname="col22"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 84a </al></entry><entry colname="col2"><al>6755</al></entry><entry colname="col3"><al>6805</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>9</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 86 </al></entry><entry colname="col2"><al>6934</al></entry><entry colname="col3"><al>6984</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>7</al></entry><entry colname="col21"><al>4</al></entry><entry colname="col22"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 88 </al></entry><entry colname="col2"><al>7155</al></entry><entry colname="col3"><al>7205</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>8</al></entry><entry colname="col21"><al>5</al></entry><entry colname="col22"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 90 </al></entry><entry colname="col2"><al>7383</al></entry><entry colname="col3"><al>7433</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>6</al></entry><entry colname="col22"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 90a </al></entry><entry colname="col2"><al>7422</al></entry><entry colname="col3"><al>7472</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>9</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 92 </al></entry><entry colname="col2"><al>7619</al></entry><entry colname="col3"><al>7669</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>7</al></entry><entry colname="col22"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 94 </al></entry><entry colname="col2"><al>7863</al></entry><entry colname="col3"><al>7913</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>8</al></entry><entry colname="col22"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 96 </al></entry><entry colname="col2"><al>8114</al></entry><entry colname="col3"><al>8164</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 96a </al></entry><entry colname="col2"><al>8154</al></entry><entry colname="col3"><al>8204</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>9</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 98 </al></entry><entry colname="col2"><al>8373</al></entry><entry colname="col3"><al>8423</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 100 </al></entry><entry colname="col2"><al>8641</al></entry><entry colname="col3"><al>8691</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 102 </al></entry><entry colname="col2"><al>8917</al></entry><entry colname="col3"><al>8967</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 102a </al></entry><entry colname="col2"><al>8961</al></entry><entry colname="col3"><al>9011</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>9</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                            gemeentelijke brandweer</titel></kop><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in hoofdstuk 19 Rechtspositieregeling
                        vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april
                        2015.</al><al>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        per 1 april 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 12:1</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IV Salarisschalen kunsteducatie per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1741</al></entry><entry colname="col3"><al>1777</al></entry><entry colname="col4"><al>1814</al></entry><entry colname="col5"><al>1862</al></entry><entry colname="col6"><al>2110</al></entry><entry colname="col7"><al>2467</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1862</al></entry><entry colname="col4"><al>1917</al></entry><entry colname="col5"><al>1984</al></entry><entry colname="col6"><al>2231</al></entry><entry colname="col7"><al>2583</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>2110</al></entry><entry colname="col6"><al>2349</al></entry><entry colname="col7"><al>2706</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1814</al></entry><entry colname="col3"><al>1984</al></entry><entry colname="col4"><al>2048</al></entry><entry colname="col5"><al>2231</al></entry><entry colname="col6"><al>2467</al></entry><entry colname="col7"><al>2771</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1862</al></entry><entry colname="col3"><al>2048</al></entry><entry colname="col4"><al>2110</al></entry><entry colname="col5"><al>2291</al></entry><entry colname="col6"><al>2526</al></entry><entry colname="col7"><al>2844</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1917</al></entry><entry colname="col3"><al>2110</al></entry><entry colname="col4"><al>2172</al></entry><entry colname="col5"><al>2349</al></entry><entry colname="col6"><al>2583</al></entry><entry colname="col7"><al>2911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1984</al></entry><entry colname="col3"><al>2172</al></entry><entry colname="col4"><al>2231</al></entry><entry colname="col5"><al>2407</al></entry><entry colname="col6"><al>2644</al></entry><entry colname="col7"><al>2969</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2048</al></entry><entry colname="col3"><al>2231</al></entry><entry colname="col4"><al>2291</al></entry><entry colname="col5"><al>2467</al></entry><entry colname="col6"><al>2706</al></entry><entry colname="col7"><al>3033</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2110</al></entry><entry colname="col3"><al>2291</al></entry><entry colname="col4"><al>2349</al></entry><entry colname="col5"><al>2526</al></entry><entry colname="col6"><al>2771</al></entry><entry colname="col7"><al>3098</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2172</al></entry><entry colname="col3"><al>2349</al></entry><entry colname="col4"><al>2407</al></entry><entry colname="col5"><al>2583</al></entry><entry colname="col6"><al>2844</al></entry><entry colname="col7"><al>3159</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2231</al></entry><entry colname="col3"><al>2407</al></entry><entry colname="col4"><al>2467</al></entry><entry colname="col5"><al>2644</al></entry><entry colname="col6"><al>2911</al></entry><entry colname="col7"><al>3214</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2291</al></entry><entry colname="col3"><al>2467</al></entry><entry colname="col4"><al>2526</al></entry><entry colname="col5"><al>2706</al></entry><entry colname="col6"><al>2969</al></entry><entry colname="col7"><al>3271</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2349</al></entry><entry colname="col3"><al>2526</al></entry><entry colname="col4"><al>2583</al></entry><entry colname="col5"><al>2771</al></entry><entry colname="col6"><al>3033</al></entry><entry colname="col7"><al>3328</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2407</al></entry><entry colname="col3"><al>2583</al></entry><entry colname="col4"><al>2644</al></entry><entry colname="col5"><al>2844</al></entry><entry colname="col6"><al>3098</al></entry><entry colname="col7"><al>3385</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2644</al></entry><entry colname="col4"><al>2706</al></entry><entry colname="col5"><al>2911</al></entry><entry colname="col6"><al>3159</al></entry><entry colname="col7"><al>3449</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2771</al></entry><entry colname="col5"><al>2969</al></entry><entry colname="col6"><al>3214</al></entry><entry colname="col7"><al>3512</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2844</al></entry><entry colname="col5"><al>3033</al></entry><entry colname="col6"><al>3271</al></entry><entry colname="col7"><al>3569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2911</al></entry><entry colname="col5"><al>3098</al></entry><entry colname="col6"><al>3328</al></entry><entry colname="col7"><al>3624</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2969</al></entry><entry colname="col5"><al>3159</al></entry><entry colname="col6"><al>3385</al></entry><entry colname="col7"><al>3678</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2526</al></entry><entry colname="col3"><al>2771</al></entry><entry colname="col4"><al>3098</al></entry><entry colname="col5"><al>3328</al></entry><entry colname="col6"><al>3512</al></entry><entry colname="col7"><al>3792</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2911</al></entry><entry colname="col4"><al>3214</al></entry><entry colname="col5"><al>3512</al></entry><entry colname="col6"><al>3624</al></entry><entry colname="col7"><al>3911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>3624</al></entry><entry colname="col6"><al>3737</al></entry><entry colname="col7"><al>4037</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                            onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                                    personeel in de kunsteducatie</vet>LOGA-partijen vinden dat bij
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de
                                aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per
                                discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende
                                soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
                                    <vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet>Tot
                                1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                                onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26
                                lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari
                                2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor
                                is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen
                                aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                                deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet>In dit sjabloon
                                worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In
                                een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon
                                genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus
                                niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook
                                worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn
                                die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale
                                regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor
                                de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                                met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet>Schematisch is de opbouw van het sjabloon
                                als volgt: <plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto22" type="foto" id="i267766"></illustratie></plaatje><vet>Categorieën van werkzaamheden </vet>Dit sjabloon
                                onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2"><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld
                                worden in drie subcategorieën: </al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                                uren. </vet></cursief>Deze subcategorie
                                            <onderstreept>hangt direct samen met</onderstreept> de
                                        lesgebonden uren. </al></li><li><al><cursief><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></cursief>Deze
                                        subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.
                                    </al></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                        werkzaamheden</cursief></vet>Deze subcategorie staat los van
                                        het aantal lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet>Het gaat in deze
                                        categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                                        jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te
                                        voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                        onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen,
                                                combinatielessen, groepslessen, klassikale
                                                lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet></al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></cursief>Het gaat in deze
                                                subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline
                                                in een bepaalde verhouding tot het aantal
                                                lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type
                                                instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze
                                                uren worden ook wel “aanstellingsafhankelijke of
                                                leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten,
                                                  leerlingvolgsysteem en dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de
                                                  lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                                  presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de
                                                  leerlingen/cursisten </al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met
                                                  ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en
                                                  didactische ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="FN13554_1"><noot.al>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te
                                                  investeren in het bijhouden van
                                                  pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen
                                                  van vakliteratuur en het onderhouden van de
                                                  artistieke vaardigheden. Niettemin zijn er
                                                  situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het
                                                  onderwijzend personeelslid een
                                                  onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar
                                                  toedeling van tijd voor dergelijke werkzaamheden
                                                  geboden is.</noot.al></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk
                                                  verbonden artistieke vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2b. Algemene
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het
                                                aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                                “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft
                                                bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Personeelsvergaderingen,
                                                  afdelingsvergaderingen, sector- en
                                                  sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken,
                                                  ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                                  ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de
                                                  instelling en (indien gebruik door de werkgever
                                                  verplicht is gesteld) van het eigen
                                                  instrument/gereedschap</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om specifieke werkzaamheden die
                                                losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren
                                                worden ook wel “persoonsgebonden uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling
                                                  in relatie tot de lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                                  personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of
                                                  extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten
                                                  speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern
                                                  en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities
                                                  (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  instellingspresentaties (intern en/of extern)
                                                  </al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor
                                                  zover niet genoemd onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten,
                                                  zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een
                                                  voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden,
                                                  bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de
                                                  instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van
                                                  instrument- of materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van
                                                  de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere
                                                  activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                  vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld
                                                  beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever
                                                  toestemming heeft verleend </al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                  locaties van dezelfde instelling voor
                                                  kunsteducatie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet>Om een beeld te
                                        geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                                        tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient
                                        dit voorbeeld niet op te vatten als een door het LOGA
                                        gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden uren versus
                                        niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de
                                        hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden
                                        opgesteld.Binnen instelling X is onderwijzend personeel
                                        werkzaam in drie verschillende disciplines:</al><lijst><li nr="1"><al>Discipline A</al></li><li nr="2"><al>Discipline B</al></li><li nr="3"><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1. Lesgebonden uren </al></entry><entry colname="col3"><al>2. Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het
                                        onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom
                                        wordt er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie
                                        niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een
                                        uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing
                                        is als volgt: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry namest="col1" nameend="col5" colname="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                                  subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren
                                        over de subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is
                                        ook mogelijk om elke discipline een aparte verdeling van
                                        niet-lesgebonden uren over de subcategorieën te maken.
                                            <vet>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding
                                            per discipline</vet>Er zijn individuele omstandigheden
                                        voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan de
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                                        discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden
                                        met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het
                                                onderwijzend personeellid of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid
                                                geeft (groepslessen versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele
                                        afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per discipline
                                        is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden waaraan
                                        voldaan moet worden voordat individuele afwijking is
                                        toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden
                                        opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen
                                        tezamen met de verhouding lesgebonden versus
                                        niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de
                                        ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                                        individuele ambtenaar geldt.Voorbeeld: Voor discipline D
                                        staat in de lokale regeling dat de verhouding 70%
                                        lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de
                                        lokale regeling is ook vastgelegd dat voor discipline D een
                                        individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met
                                        minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste
                                        van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                                        uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                        uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                        regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3
                                        jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35%
                                        niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden
                                        uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan
                                        subcategorie 2a. <vet>Tot slot </vet>Te overwegen valt om
                                        een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan
                                        specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op
                                        voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden
                                        uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens
                                        niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                        vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                            kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming: consulent
                                        Functie-eisen:
                                        HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                                steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                                producten en programma’s </al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten
                                                  opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept>Informeert
                                                en adviseert (potentiële) cliënten over de
                                                mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten. Overlegt
                                                met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen
                                                en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of
                                                begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                                                daarbij. Overlegt waar nodig met externe
                                                instanties.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                                  steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft
                                                informatie en adviezen over methoden en
                                                leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en individuele
                                                begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf
                                                van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                                                leermiddelen en methodieken. Organiseert met de
                                                cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                                                evenementen. Begeleidt bij de opstelling van
                                                werkplannen. Bewaakt de afspraken met betrekking tot
                                                begroting, planning en inzet.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling
                                                  van beleid, producten en programma’s
                                                </onderstreept>Volgt en signaleert relevante
                                                ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                                                vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                                                marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw
                                                aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                opdrachtgevers en andere instanties over organisatie
                                                en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit
                                                in projectbeschrijvingen. </al></li></lijst><al><vet>2. Docent</vet></al><lijst><li nr="A"><al> Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                docentFunctie-eisen:
                                                  HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het verzorgen van de inhoud van
                                                  onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2"><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van
                                                  KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4"><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud
                                                  van onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt
                                                  het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met
                                                  leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan
                                                  de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor
                                                  les- en documentatiemateriaal.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het geven van de
                                                  onderwijsactiviteit </onderstreept>Bereidt de
                                                  activiteit voor; stemt af op het niveau van de
                                                  groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en
                                                  stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en
                                                  lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en
                                                  doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                                  vorderingen met (ouders van) deelnemers en
                                                  evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel
                                                  leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen
                                                  van en voor deelnemers.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van KV-producten en
                                                  -programma’s</onderstreept>Volgt en signaleert
                                                  relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                                                  kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan
                                                  marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                                  marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamheden</onderstreept>Woont diverse
                                                  overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing.
                                                  Levert bijdragen aan
                                                  evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                BalletbegeleiderFunctie-eisen:
                                                  MBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2"><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied</al></li><li nr="3"><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden
                                                  van lessen</onderstreept>Begeleidt klassieke
                                                  balletlessen en andere lesvormen op piano en
                                                  andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                                  improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van
                                                  de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past
                                                  gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt
                                                  andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                                  Verzorgt de instrumentale begeleiding van
                                                  uitvoeringen.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van
                                                  ontwikkelingen op het vakgebied</onderstreept>
                                                  Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.
                                                  </al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek
                                                  overleg met de docent over het afstemmen van het
                                                  spel op de oefeningen en de samenwerking tussen
                                                  docent en begeleider.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                            behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten
                            en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VI Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                            aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                            onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                            aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut.
                            Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                            diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                            epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5
                                            jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                            van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                            Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="-"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="-"><al> audiogram afname </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                            Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                            uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                            vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel
                            Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                            vorige keuring</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                            werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar
                                            voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                            brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                            gezondheidsklachten opgelopen die van invloed (kunnen)
                                            zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1 Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                            psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                            urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                            tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2 Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3 Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                            fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4 doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                            periode</al><al>5 doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                            periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                            gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6 doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen
                                            in afgelopen periode</al><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                            achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                            tonen:</al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, oude
                            structuur*</titel></kop><table><tgroup cols="22"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><colspec colnum="12" colname="col12" colwidth=""></colspec><colspec colnum="13" colname="col13" colwidth=""></colspec><colspec colnum="14" colname="col14" colwidth=""></colspec><colspec colnum="15" colname="col15" colwidth=""></colspec><colspec colnum="16" colname="col16" colwidth=""></colspec><colspec colnum="17" colname="col17" colwidth=""></colspec><colspec colnum="18" colname="col18" colwidth=""></colspec><colspec colnum="19" colname="col19" colwidth=""></colspec><colspec colnum="20" colname="col20" colwidth=""></colspec><colspec colnum="21" colname="col21" colwidth=""></colspec><colspec colnum="22" colname="col22" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> Salaris </al></entry><entry colname="col3"><al> Salaris </al></entry><entry colname="col4"><al> Schaal </al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>01-10-2014</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>01-04-2015</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col12"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col13"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col14"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col15"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col16"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col17"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col18"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col19"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col20"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col21"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col22"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> A1 </al></entry><entry colname="col2"><al>1398</al></entry><entry colname="col3"><al>1448</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> A2 </al></entry><entry colname="col2"><al>1449</al></entry><entry colname="col3"><al>1499</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1 </al></entry><entry colname="col2"><al>1502</al></entry><entry colname="col3"><al>1552</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>0</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>1535</al></entry><entry colname="col3"><al>1585</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>0</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3 </al></entry><entry colname="col2"><al>1569</al></entry><entry colname="col3"><al>1619</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4 </al></entry><entry colname="col2"><al>1603</al></entry><entry colname="col3"><al>1653</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>0</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5 </al></entry><entry colname="col2"><al>1635</al></entry><entry colname="col3"><al>1685</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 </al></entry><entry colname="col2"><al>1666</al></entry><entry colname="col3"><al>1716</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>2</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>0</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6a </al></entry><entry colname="col2"><al>1678</al></entry><entry colname="col3"><al>1728</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>3</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7 </al></entry><entry colname="col2"><al>1701</al></entry><entry colname="col3"><al>1751</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>6</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>2</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 8 </al></entry><entry colname="col2"><al>1738</al></entry><entry colname="col3"><al>1788</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9 </al></entry><entry colname="col2"><al>1785</al></entry><entry colname="col3"><al>1835</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>3</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>0</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9a </al></entry><entry colname="col2"><al>1794</al></entry><entry colname="col3"><al>1844</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>10</al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 10 </al></entry><entry colname="col2"><al>1840</al></entry><entry colname="col3"><al>1890</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>4</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>1</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 11 </al></entry><entry colname="col2"><al>1905</al></entry><entry colname="col3"><al>1955</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>4</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 12 </al></entry><entry colname="col2"><al>1969</al></entry><entry colname="col3"><al>2019</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry><entry colname="col8"><al>5</al></entry><entry colname="col9"><al>3</al></entry><entry colname="col10"><al>2</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 12a </al></entry><entry colname="col2"><al>1979</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 13 </al></entry><entry colname="col2"><al>2030</al></entry><entry colname="col3"><al>2080</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>9</al></entry><entry colname="col8"><al>6</al></entry><entry colname="col9"><al>4</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>0</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 14 </al></entry><entry colname="col2"><al>2091</al></entry><entry colname="col3"><al>2141</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>11</al></entry><entry colname="col8"><al>7</al></entry><entry colname="col9"><al>5</al></entry><entry colname="col10"><al>3</al></entry><entry colname="col11"><al>1</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 15 </al></entry><entry colname="col2"><al>2149</al></entry><entry colname="col3"><al>2199</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>10</al></entry><entry colname="col9"><al>6</al></entry><entry colname="col10"><al>4</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 15a </al></entry><entry colname="col2"><al>2159</al></entry><entry colname="col3"><al>2209</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al>13</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 16 </al></entry><entry colname="col2"><al>2207</al></entry><entry colname="col3"><al>2257</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>12</al></entry><entry colname="col9"><al>7</al></entry><entry colname="col10"><al>5</al></entry><entry colname="col11"><al>2</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 17 </al></entry><entry colname="col2"><al>2265</al></entry><entry colname="col3"><al>2315</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>8</al></entry><entry colname="col10"><al>6</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 17a </al></entry><entry colname="col2"><al>2280</al></entry><entry colname="col3"><al>2330</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>14</al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 18 </al></entry><entry colname="col2"><al>2322</al></entry><entry colname="col3"><al>2372</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>11</al></entry><entry colname="col10"><al>7</al></entry><entry colname="col11"><al>3</al></entry><entry colname="col12"><al>0</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 19 </al></entry><entry colname="col2"><al>2382</al></entry><entry colname="col3"><al>2432</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>8</al></entry><entry colname="col11"><al>4</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 19a </al></entry><entry colname="col2"><al>2402</al></entry><entry colname="col3"><al>2452</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al>13</al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 20 </al></entry><entry colname="col2"><al>2440</al></entry><entry colname="col3"><al>2490</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>9</al></entry><entry colname="col11"><al>5</al></entry><entry colname="col12"><al>1</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>0</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 21 </al></entry><entry colname="col2"><al>2495</al></entry><entry colname="col3"><al>2545</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>6</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 21a </al></entry><entry colname="col2"><al>2525</al></entry><entry colname="col3"><al>2575</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al>10</al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 22 </al></entry><entry colname="col2"><al>2556</al></entry><entry colname="col3"><al>2606</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>7</al></entry><entry colname="col12"><al>2</al></entry><entry colname="col13"><al>0</al></entry><entry colname="col14"><al>1</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 23 </al></entry><entry colname="col2"><al>2617</al></entry><entry colname="col3"><al>2667</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>8</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 24 </al></entry><entry colname="col2"><al>2680</al></entry><entry colname="col3"><al>2730</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>9</al></entry><entry colname="col12"><al>3</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>2</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 25 </al></entry><entry colname="col2"><al>2752</al></entry><entry colname="col3"><al>2802</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>4</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 25a </al></entry><entry colname="col2"><al>2766</al></entry><entry colname="col3"><al>2816</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al>10</al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 26 </al></entry><entry colname="col2"><al>2819</al></entry><entry colname="col3"><al>2869</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>5</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>3</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 27 </al></entry><entry colname="col2"><al>2876</al></entry><entry colname="col3"><al>2926</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>6</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 28 </al></entry><entry colname="col2"><al>2939</al></entry><entry colname="col3"><al>2989</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>7</al></entry><entry colname="col13"><al>3</al></entry><entry colname="col14"><al>4</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 29 </al></entry><entry colname="col2"><al>3003</al></entry><entry colname="col3"><al>3053</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>8</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 30 </al></entry><entry colname="col2"><al>3063</al></entry><entry colname="col3"><al>3113</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>9</al></entry><entry colname="col13"><al>4</al></entry><entry colname="col14"><al>5</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 31 </al></entry><entry colname="col2"><al>3117</al></entry><entry colname="col3"><al>3167</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 31a </al></entry><entry colname="col2"><al>3134</al></entry><entry colname="col3"><al>3184</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al>10</al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 32 </al></entry><entry colname="col2"><al>3173</al></entry><entry colname="col3"><al>3223</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>5</al></entry><entry colname="col14"><al>6</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 34 </al></entry><entry colname="col2"><al>3286</al></entry><entry colname="col3"><al>3336</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>6</al></entry><entry colname="col14"><al>7</al></entry><entry colname="col15"><al>0</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 36 </al></entry><entry colname="col2"><al>3410</al></entry><entry colname="col3"><al>3460</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>7</al></entry><entry colname="col14"><al>8</al></entry><entry colname="col15"><al>1</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 38 </al></entry><entry colname="col2"><al>3521</al></entry><entry colname="col3"><al>3571</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>9</al></entry><entry colname="col15"><al>2</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 38a </al></entry><entry colname="col2"><al>3540</al></entry><entry colname="col3"><al>3590</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al>8</al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 40 </al></entry><entry colname="col2"><al>3632</al></entry><entry colname="col3"><al>3682</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>10</al></entry><entry colname="col15"><al>3</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 42 </al></entry><entry colname="col2"><al>3743</al></entry><entry colname="col3"><al>3793</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>11</al></entry><entry colname="col15"><al>4</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 44 </al></entry><entry colname="col2"><al>3868</al></entry><entry colname="col3"><al>3918</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>5</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 44a </al></entry><entry colname="col2"><al>3935</al></entry><entry colname="col3"><al>3985</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al>12</al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 46 </al></entry><entry colname="col2"><al>3991</al></entry><entry colname="col3"><al>4041</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>6</al></entry><entry colname="col16"><al>0</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 48 </al></entry><entry colname="col2"><al>4107</al></entry><entry colname="col3"><al>4157</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>7</al></entry><entry colname="col16"><al>1</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 50 </al></entry><entry colname="col2"><al>4223</al></entry><entry colname="col3"><al>4273</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>8</al></entry><entry colname="col16"><al>2</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 52 </al></entry><entry colname="col2"><al>4339</al></entry><entry colname="col3"><al>4389</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>9</al></entry><entry colname="col16"><al>3</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 54 </al></entry><entry colname="col2"><al>4451</al></entry><entry colname="col3"><al>4501</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>10</al></entry><entry colname="col16"><al>4</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 </al></entry><entry colname="col2"><al>4511</al></entry><entry colname="col3"><al>4561</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55a </al></entry><entry colname="col2"><al>4533</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al>11</al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 56 </al></entry><entry colname="col2"><al>4569</al></entry><entry colname="col3"><al>4619</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>5</al></entry><entry colname="col17"><al>0</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 58 </al></entry><entry colname="col2"><al>4686</al></entry><entry colname="col3"><al>4736</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>6</al></entry><entry colname="col17"><al>1</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 60 </al></entry><entry colname="col2"><al>4798</al></entry><entry colname="col3"><al>4848</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>7</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry><entry colname="col18"><al>0</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 62 </al></entry><entry colname="col2"><al>4914</al></entry><entry colname="col3"><al>4964</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>8</al></entry><entry colname="col17"><al>3</al></entry><entry colname="col18"><al>1</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 64 </al></entry><entry colname="col2"><al>5060</al></entry><entry colname="col3"><al>5110</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>9</al></entry><entry colname="col17"><al>4</al></entry><entry colname="col18"><al>2</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 65 </al></entry><entry colname="col2"><al>5131</al></entry><entry colname="col3"><al>5181</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 65a </al></entry><entry colname="col2"><al>5157</al></entry><entry colname="col3"><al>5207</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al>10</al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 66 </al></entry><entry colname="col2"><al>5204</al></entry><entry colname="col3"><al>5254</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>5</al></entry><entry colname="col18"><al>3</al></entry><entry colname="col19"><al>0</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 68 </al></entry><entry colname="col2"><al>5350</al></entry><entry colname="col3"><al>5400</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>6</al></entry><entry colname="col18"><al>4</al></entry><entry colname="col19"><al>1</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 70 </al></entry><entry colname="col2"><al>5496</al></entry><entry colname="col3"><al>5546</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>7</al></entry><entry colname="col18"><al>5</al></entry><entry colname="col19"><al>2</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 71 </al></entry><entry colname="col2"><al>5566</al></entry><entry colname="col3"><al>5616</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 71a </al></entry><entry colname="col2"><al>5594</al></entry><entry colname="col3"><al>5644</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al>8</al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 72 </al></entry><entry colname="col2"><al>5641</al></entry><entry colname="col3"><al>5691</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>6</al></entry><entry colname="col19"><al>3</al></entry><entry colname="col20"><al>0</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 74 </al></entry><entry colname="col2"><al>5795</al></entry><entry colname="col3"><al>5845</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>7</al></entry><entry colname="col19"><al>4</al></entry><entry colname="col20"><al>1</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 76 </al></entry><entry colname="col2"><al>5953</al></entry><entry colname="col3"><al>6003</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>8</al></entry><entry colname="col19"><al>5</al></entry><entry colname="col20"><al>2</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 78 </al></entry><entry colname="col2"><al>6115</al></entry><entry colname="col3"><al>6165</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>6</al></entry><entry colname="col20"><al>3</al></entry><entry colname="col21"><al>0</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 78a </al></entry><entry colname="col2"><al>6151</al></entry><entry colname="col3"><al>6201</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al>9</al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 80 </al></entry><entry colname="col2"><al>6310</al></entry><entry colname="col3"><al>6360</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>7</al></entry><entry colname="col20"><al>4</al></entry><entry colname="col21"><al>1</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 82 </al></entry><entry colname="col2"><al>6512</al></entry><entry colname="col3"><al>6562</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>8</al></entry><entry colname="col20"><al>5</al></entry><entry colname="col21"><al>2</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 84 </al></entry><entry colname="col2"><al>6719</al></entry><entry colname="col3"><al>6769</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>6</al></entry><entry colname="col21"><al>3</al></entry><entry colname="col22"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 84a </al></entry><entry colname="col2"><al>6755</al></entry><entry colname="col3"><al>6805</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al>9</al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 86 </al></entry><entry colname="col2"><al>6934</al></entry><entry colname="col3"><al>6984</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>7</al></entry><entry colname="col21"><al>4</al></entry><entry colname="col22"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 88 </al></entry><entry colname="col2"><al>7155</al></entry><entry colname="col3"><al>7205</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>8</al></entry><entry colname="col21"><al>5</al></entry><entry colname="col22"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 90 </al></entry><entry colname="col2"><al>7383</al></entry><entry colname="col3"><al>7433</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>6</al></entry><entry colname="col22"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 90a </al></entry><entry colname="col2"><al>7422</al></entry><entry colname="col3"><al>7472</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al>9</al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 92 </al></entry><entry colname="col2"><al>7619</al></entry><entry colname="col3"><al>7669</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>7</al></entry><entry colname="col22"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 94 </al></entry><entry colname="col2"><al>7863</al></entry><entry colname="col3"><al>7913</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>8</al></entry><entry colname="col22"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 96 </al></entry><entry colname="col2"><al>8114</al></entry><entry colname="col3"><al>8164</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 96a </al></entry><entry colname="col2"><al>8154</al></entry><entry colname="col3"><al>8204</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al>9</al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 98 </al></entry><entry colname="col2"><al>8373</al></entry><entry colname="col3"><al>8423</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 100 </al></entry><entry colname="col2"><al>8641</al></entry><entry colname="col3"><al>8691</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 102 </al></entry><entry colname="col2"><al>8917</al></entry><entry colname="col3"><al>8967</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 102a </al></entry><entry colname="col2"><al>8961</al></entry><entry colname="col3"><al>9011</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry><entry colname="col6"><al></al></entry><entry colname="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry><entry colname="col9"><al></al></entry><entry colname="col10"><al></al></entry><entry colname="col11"><al></al></entry><entry colname="col12"><al></al></entry><entry colname="col13"><al></al></entry><entry colname="col14"><al></al></entry><entry colname="col15"><al></al></entry><entry colname="col16"><al></al></entry><entry colname="col17"><al></al></entry><entry colname="col18"><al></al></entry><entry colname="col19"><al></al></entry><entry colname="col20"><al></al></entry><entry colname="col21"><al></al></entry><entry colname="col22"><al>9</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al></artikel><artikel><kop><titel>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, nieuwe
                            structuur*</titel></kop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1448</al></entry><entry colname="col3"><al>1482</al></entry><entry colname="col4"><al>1520</al></entry><entry colname="col5"><al>1563</al></entry><entry colname="col6"><al>1608</al></entry><entry colname="col7"><al>1715</al></entry><entry colname="col8"><al>1924</al></entry><entry colname="col9"><al>2202</al></entry><entry colname="col10"><al>2444</al></entry><entry colname="col11"><al>2636</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1532</al></entry><entry colname="col4"><al>1582</al></entry><entry colname="col5"><al>1633</al></entry><entry colname="col6"><al>1685</al></entry><entry colname="col7"><al>1793</al></entry><entry colname="col8"><al>2005</al></entry><entry colname="col9"><al>2291</al></entry><entry colname="col10"><al>2548</al></entry><entry colname="col11"><al>2759</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1518</al></entry><entry colname="col3"><al>1582</al></entry><entry colname="col4"><al>1645</al></entry><entry colname="col5"><al>1702</al></entry><entry colname="col6"><al>1761</al></entry><entry colname="col7"><al>1871</al></entry><entry colname="col8"><al>2087</al></entry><entry colname="col9"><al>2381</al></entry><entry colname="col10"><al>2652</al></entry><entry colname="col11"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>1554</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1708</al></entry><entry colname="col5"><al>1772</al></entry><entry colname="col6"><al>1838</al></entry><entry colname="col7"><al>1949</al></entry><entry colname="col8"><al>2167</al></entry><entry colname="col9"><al>2470</al></entry><entry colname="col10"><al>2756</al></entry><entry colname="col11"><al>3004</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1591</al></entry><entry colname="col3"><al>1681</al></entry><entry colname="col4"><al>1770</al></entry><entry colname="col5"><al>1841</al></entry><entry colname="col6"><al>1915</al></entry><entry colname="col7"><al>2028</al></entry><entry colname="col8"><al>2249</al></entry><entry colname="col9"><al>2559</al></entry><entry colname="col10"><al>2860</al></entry><entry colname="col11"><al>3127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1627</al></entry><entry colname="col3"><al>1731</al></entry><entry colname="col4"><al>1833</al></entry><entry colname="col5"><al>1911</al></entry><entry colname="col6"><al>1991</al></entry><entry colname="col7"><al>2106</al></entry><entry colname="col8"><al>2330</al></entry><entry colname="col9"><al>2648</al></entry><entry colname="col10"><al>2964</al></entry><entry colname="col11"><al>3250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1663</al></entry><entry colname="col3"><al>1780</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1981</al></entry><entry colname="col6"><al>2068</al></entry><entry colname="col7"><al>2183</al></entry><entry colname="col8"><al>2411</al></entry><entry colname="col9"><al>2738</al></entry><entry colname="col10"><al>3069</al></entry><entry colname="col11"><al>3372</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1699</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1958</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2145</al></entry><entry colname="col7"><al>2262</al></entry><entry colname="col8"><al>2492</al></entry><entry colname="col9"><al>2827</al></entry><entry colname="col10"><al>3173</al></entry><entry colname="col11"><al>3495</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1735</al></entry><entry colname="col3"><al>1880</al></entry><entry colname="col4"><al>2021</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2222</al></entry><entry colname="col7"><al>2340</al></entry><entry colname="col8"><al>2573</al></entry><entry colname="col9"><al>2917</al></entry><entry colname="col10"><al>3277</al></entry><entry colname="col11"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1772</al></entry><entry colname="col3"><al>1929</al></entry><entry colname="col4"><al>2084</al></entry><entry colname="col5"><al>2190</al></entry><entry colname="col6"><al>2299</al></entry><entry colname="col7"><al>2418</al></entry><entry colname="col8"><al>2654</al></entry><entry colname="col9"><al>3006</al></entry><entry colname="col10"><al>3381</al></entry><entry colname="col11"><al>3740</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1808</al></entry><entry colname="col3"><al>1979</al></entry><entry colname="col4"><al>2147</al></entry><entry colname="col5"><al>2260</al></entry><entry colname="col6"><al>2375</al></entry><entry colname="col7"><al>2496</al></entry><entry colname="col8"><al>2736</al></entry><entry colname="col9"><al>3095</al></entry><entry colname="col10"><al>3486</al></entry><entry colname="col11"><al>3862</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1844</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al>2209</al></entry><entry colname="col5"><al>2330</al></entry><entry colname="col6"><al>2452</al></entry><entry colname="col7"><al>2575</al></entry><entry colname="col8"><al>2816</al></entry><entry colname="col9"><al>3184</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3985</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2906</al></entry><entry colname="col3"><al>3158</al></entry><entry colname="col4"><al>3476</al></entry><entry colname="col5"><al>3794</al></entry><entry colname="col6"><al>4236</al></entry><entry colname="col7"><al>4500</al></entry><entry colname="col8"><al>4839</al></entry><entry colname="col9"><al>5181</al></entry><entry colname="col10"><al>5733</al></entry><entry colname="col11"><al>6355</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3032</al></entry><entry colname="col3"><al>3288</al></entry><entry colname="col4"><al>3606</al></entry><entry colname="col5"><al>3925</al></entry><entry colname="col6"><al>4364</al></entry><entry colname="col7"><al>4655</al></entry><entry colname="col8"><al>5017</al></entry><entry colname="col9"><al>5389</al></entry><entry colname="col10"><al>5958</al></entry><entry colname="col11"><al>6597</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3157</al></entry><entry colname="col3"><al>3419</al></entry><entry colname="col4"><al>3737</al></entry><entry colname="col5"><al>4054</al></entry><entry colname="col6"><al>4492</al></entry><entry colname="col7"><al>4809</al></entry><entry colname="col8"><al>5196</al></entry><entry colname="col9"><al>5597</al></entry><entry colname="col10"><al>6182</al></entry><entry colname="col11"><al>6838</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3283</al></entry><entry colname="col3"><al>3550</al></entry><entry colname="col4"><al>3867</al></entry><entry colname="col5"><al>4182</al></entry><entry colname="col6"><al>4620</al></entry><entry colname="col7"><al>4964</al></entry><entry colname="col8"><al>5375</al></entry><entry colname="col9"><al>5806</al></entry><entry colname="col10"><al>6407</al></entry><entry colname="col11"><al>7079</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry><entry colname="col3"><al>3680</al></entry><entry colname="col4"><al>3997</al></entry><entry colname="col5"><al>4310</al></entry><entry colname="col6"><al>4748</al></entry><entry colname="col7"><al>5118</al></entry><entry colname="col8"><al>5554</al></entry><entry colname="col9"><al>6014</al></entry><entry colname="col10"><al>6632</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3535</al></entry><entry colname="col3"><al>3811</al></entry><entry colname="col4"><al>4125</al></entry><entry colname="col5"><al>4438</al></entry><entry colname="col6"><al>4876</al></entry><entry colname="col7"><al>5273</al></entry><entry colname="col8"><al>5732</al></entry><entry colname="col9"><al>6222</al></entry><entry colname="col10"><al>6856</al></entry><entry colname="col11"><al>7562</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3660</al></entry><entry colname="col3"><al>3942</al></entry><entry colname="col4"><al>4254</al></entry><entry colname="col5"><al>4566</al></entry><entry colname="col6"><al>5004</al></entry><entry colname="col7"><al>5428</al></entry><entry colname="col8"><al>5911</al></entry><entry colname="col9"><al>6430</al></entry><entry colname="col10"><al>7081</al></entry><entry colname="col11"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3786</al></entry><entry colname="col3"><al>4071</al></entry><entry colname="col4"><al>4382</al></entry><entry colname="col5"><al>4694</al></entry><entry colname="col6"><al>5132</al></entry><entry colname="col7"><al>5583</al></entry><entry colname="col8"><al>6090</al></entry><entry colname="col9"><al>6638</al></entry><entry colname="col10"><al>7305</al></entry><entry colname="col11"><al>8045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3912</al></entry><entry colname="col3"><al>4199</al></entry><entry colname="col4"><al>4510</al></entry><entry colname="col5"><al>4822</al></entry><entry colname="col6"><al>5260</al></entry><entry colname="col7"><al>5738</al></entry><entry colname="col8"><al>6269</al></entry><entry colname="col9"><al>6847</al></entry><entry colname="col10"><al>7530</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4037</al></entry><entry colname="col3"><al>4327</al></entry><entry colname="col4"><al>4637</al></entry><entry colname="col5"><al>4950</al></entry><entry colname="col6"><al>5388</al></entry><entry colname="col7"><al>5892</al></entry><entry colname="col8"><al>6448</al></entry><entry colname="col9"><al>7055</al></entry><entry colname="col10"><al>7754</al></entry><entry colname="col11"><al>8528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4160</al></entry><entry colname="col3"><al>4455</al></entry><entry colname="col4"><al>4766</al></entry><entry colname="col5"><al>5078</al></entry><entry colname="col6"><al>5516</al></entry><entry colname="col7"><al>6047</al></entry><entry colname="col8"><al>6626</al></entry><entry colname="col9"><al>7263</al></entry><entry colname="col10"><al>7979</al></entry><entry colname="col11"><al>8769</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4283</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al>4894</al></entry><entry colname="col5"><al>5207</al></entry><entry colname="col6"><al>5644</al></entry><entry colname="col7"><al>6201</al></entry><entry colname="col8"><al>6805</al></entry><entry colname="col9"><al>7472</al></entry><entry colname="col10"><al>8204</al></entry><entry colname="col11"><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al></artikel><artikel><kop><titel>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1
                            april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al> Regelnummer </al></entry><entry colname="col2"><al> Garantieschalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>3279</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3399</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3517</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3624</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3737</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3854</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>3978</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>4099</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>4215</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>4331</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4443</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4678</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4789</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>4906</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>5037</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>5327</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5473</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5763</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>5909</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>6076</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>6239</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>6403</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6582</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>6774</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>6967</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>7161</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>7353</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>7546</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>7742</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting CAR/UWO</titel></kop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a een
                    begripsomschrijving van de term ‘ambtenaar’, zoals deze voor de toepassing van
                    de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                    gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip
                    ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de woorden ‘door of vanwege de
                    gemeente’.</al><al>Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is de CAR/
                    UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd door de
                    Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                    burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van
                    15 juni 1994, Stb. 462).</al><al>De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO of de Ambtenarenwet.
                    Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers en in het Rechtspositiebesluit wethouders (KB
                    van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er tussen de wethouder en de gemeente geen
                    gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake van een
                    dienstbetrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1 januari
                    1996 is vervallen en vervangen door een privaat pensioenreglement, blijft
                    niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                    bijvoorbeeld de vaststelling van voor pensioengeldige tijd in het kader van de
                    wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur per
                    week kan afwijken van de formele arbeidsduur per week. </al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledige betrekking heeft
                    een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze berekening zijn
                    meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                    zaterdag of zondag vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat
                    zij periodiek op een zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7
                    dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld
                    per jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                    pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als volgt:
                    365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836
                    uren. </al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv. bevrijdingsdag,
                    Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas,
                    carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de plaatselijke kermis etc.)
                    moeten deze, op overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit
                    lid genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                    met 7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en
                    7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                    zijnde een zaterdag of zondag. </al><al>Een volledige betrekking heeft een formele arbeidsduur van 36 uur per week. De
                    feitelijke arbeidsduur per week kan daarvan afwijken. </al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm van
                    werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk. Indien de
                    werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                    bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> Als gevolg van de invoering van de
                    36-urige werkweek wordt het uurloon gewijzigd van 1/165 gedeelte van het salaris
                    naar 1/156 gedeelte van het salaris. De berekening hiervoor luidt als volgt: 36
                    x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het onderwijzend
                    personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is onder andere geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in
                    de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bijzonder onderwijs
                    is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                    CAR/UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                    werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend personeel
                    is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als
                    het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een
                    schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR/UWO onverkort van
                    toepassing. </al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet>Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de
                    burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het
                    CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                    werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
                    nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van
                    de burgerlijke stand. </al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren
                    die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast met de heffing en
                    invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
                    CAR/UWO niet als ambtenaar beschouwd. </al><al><vet><cursief>onderdeel f en g</cursief></vet>Gemeenten kunnen voor de
                    uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een toezichthouder is
                    volgens artikel 5:11 van de Awb: 'Een persoon, bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens enig wettelijk voorschrift'. Er zijn toezichthouders zonder
                    opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze
                    laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOA-akte verleend. </al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR/UWO de
                    mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens
                    wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                    toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                    kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid inhuren via
                    particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar. </al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR/UWO krijgen gemeenten de
                    mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als
                    onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt.
                    Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                    functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                    hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde
                    dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en
                    APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst
                    in de circulaire van het ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal
                    Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                    december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk
                    5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk
                    5402271/506/CBK. </al><al><cursief><vet>Onderdeel h</vet></cursief>Veelal laten gemeenten de Wet sociale
                    werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten
                    kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te
                    voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen.
                    In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze
                    mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op grond van onderdeel h,
                    eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd van de toepassing van de
                    CAR/UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen
                    ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR/UWO. </al><al> Uitzondering op de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het
                    kader van begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR/UWO. Deze uitzondering is
                    geregeld in het tweede (en laatste zinsdeel) van onderdeel h. </al><al><vet>onderdeel i </vet>Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                    arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                    directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding
                    van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                    doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd
                    door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle
                    bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de
                    sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en
                    daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
                    toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                    bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen
                    worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR/UWO dient er
                    overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of
                    met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                    bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR/UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                    de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in
                    hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer
                    is wel ambtenaar in de zin van de CAR/UWO.</al><tussenkop>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</tussenkop><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                    werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het
                    kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat
                    geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en
                    opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                    ervaring centraal en niet het verdienen van geld <noot id="FN688204_1"><noot.al>CRvB 17 juli 1990, RSV 1990/345.</noot.al></noot>. Dit neemt niet weg dat er wel een redelijke onkostenvergoeding kan
                    worden betaald <noot id="FN688204_2"><noot.al>CRvB 23 juni 1992, RSV 1992/351.</noot.al></noot>. Wat een redelijke onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers
                    wordt lokaal in overleg met het bevoegde medezeggenschapsorgaan
                    vastgesteld.</al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen
                    op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als
                    wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de
                    praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de
                    werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen
                    leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere
                    mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de
                    CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                    (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires
                    en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire
                    als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1</al><tussenkop>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</tussenkop><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en quotum
                    arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een WSW-indicatie; (2)
                    Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een WIW-baan of ID-baan; (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen en die door beperkingen niet het
                    wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de instroom van deze doelgroepen te
                    bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk om het salaris af te stemmen op de
                    verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze mogelijkheid is beperkt tot de
                    ambtenaren die onder de wettelijke omschrijving vallen van de doelgroepen (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met
                    arbeidsvermogen.</al><lijst><li nr="1"><al>De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                            verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In salarisschaal A is het
                            salaris bij periodiek 0 het wettelijk minimumloon en is het salaris bij
                            periodiek 11 120% van het wettelijk minimumloon. De bedragen in schaal A
                            worden, in plaats van op de salarisontwikkeling in de Cao Gemeenten,
                            geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar
                            op 1 januari bijgesteld. De actuele schaalbedragen worden na goedkeuring
                            door het LOGA gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1:3 Toepassing (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                    bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren. Voor
                    het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een collegebesluit
                    nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de rechtspositie van
                    ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie ambtenaren van de werking
                    van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale georganiseerd overleg aan de
                    orde te zijn geweest. Vervolgens kan een collegebesluit niet genomen worden dan
                    nadat partijen in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA)
                    van dit voornemen in kennis zijn gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat
                    op grote schaal groepen werknemers van de werking van de CAR/UWO worden
                    uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk afbreuk worden gedaan aan de bindende
                    werking van de CAR/UWO. Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet
                    wenselijk is (een groep) ambtenaren van de werking van de CAR/UWO – of gedeelten
                    daarvan – uit te zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de
                    bedoeling dat een afvaardiging van het LOGA in contact treedt met het lokale
                    bestuur om de motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens
                    kunnen LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan.
                    Ingeval het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang
                    zetten, die ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt
                    verklaard.</al><tussenkop>Artikel 1:3a Toepassing (T)</tussenkop><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a"><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                            griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b"><al>het maakt duidelijk dat de CAR/UWO van toepassing is op de griffier en
                            diens ambtenaren;</al></li><li nr="c"><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                            rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR/UWO op de griffier en de
                    griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                    begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de memorie
                    van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                    rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige
                    gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de algemene afspraken
                    die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel
                    voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002
                    geadviseerd om de lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige
                    wijzigingen daarin van toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van
                    rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad.
                    In de CAR/UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over
                    het college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                    griffie dient dus voor ‘het college’ te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                    wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de
                    gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de CAR/UWO
                    en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het
                    college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het college op
                    zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn
                    ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en
                    ontslag leent zich in het kader van het dualisme minder goed voor
                    delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                    diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                    wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                    verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                    beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten
                    tot aanvaarding van een andere betrekking, het beoordelen, het verplichten tot
                    het volgen van een opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en
                    het vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit
                    dient bepaald te worden welke bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd
                    worden, en dus niet gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te
                    worden wie namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                    uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd
                    worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                    raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al><tussenkop>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</tussenkop><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht worden
                    aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen.
                    Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald verlof, de
                    bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                    bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                    netwerk.</al><al>Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                    ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                    heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                    rechtspositieregeling.</al><al>Noot van Driessen:Het softwarepakket RAP van Driessen HRM is bij uitstek een
                    geschikt medium om uw personeel te informeren over wijzigingen in uw
                    arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor de
                    lokale (uitvoerings)regels.</al><tussenkop>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</tussenkop><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is het
                    bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en de
                    griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                    dragen.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking (T)</tussenkop><al>Bij het berekenen van de nieuwe deeltijdbetrekking als gevolg van de invoering
                    van de adv maar ook bij het berekenen van verlof zullen uren uitgerekend worden
                    tot meerdere decimalen achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5
                    moeten uren aan het einde van de berekening worden afgerond tot op twee
                    decimalen achter de komma. Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen
                    ontstaan die ongewenste salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis
                    kan het hierbij gaan om tientallen euro's.</al><al>Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met vier wordt afgerond
                    naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                    wijken. Dit betekent dat noch de termijn van 36 maanden geldt, noch de
                    restrictie dat de termijn van 36 maanden alleen maar mag worden overschreden
                    wanneer een aanstelling is aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek
                    karakter. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe dat
                    de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden bepaald
                    dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van de
                    salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden opgenomen
                    die inhouden dat degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken
                    worden gemaakt, niet behoort tot de kring van rechthebbenden op de
                    bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                    dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn bereikt
                    in het georganiseerd overleg over de criteria aan de hand waarvan de functies
                    worden aangewezen en over de functies zelf.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                    tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard
                    onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn aangewezen. Deze
                    mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in gemeentelijke dienst
                    gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de beperkte
                    ontslaggronden uit hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke
                    werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard
                    dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling te
                    worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te verrichten
                    prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient te worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</tussenkop><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                    college, worden benoemd door het college. De griffier en de griffiemedewerkers
                    worden benoemd door de gemeenteraad.</al><tussenkop>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al> Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst
                    in het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993,
                    635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                    alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst
                    hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van deze
                    omzetting.</al><tussenkop>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                    functie passend is. </al><al>Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit worden beschouwd. Uit de
                    besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar
                    rekening is gehouden. </al><al>Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere
                    betrekking. Het dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus
                    niet om of naar het oordeel van het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is,
                    maar of er gemeten met objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake
                    is.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is
                    een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De
                    voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven
                    zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in tegenstelling tot het
                    bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel
                    van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of
                    het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                    beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                    persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit
                    niet op.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                    aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van artikel
                    8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en
                    8:7, onderdeel a, kunnen omgaan.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                    werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B, dan
                    moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen hepatitis B
                    aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval
                    dat vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt
                    tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan dat hij enkele
                    malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich
                    te laten inenten.</al><al>Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie Iatrogene Hepatitis
                    B, Postbus 16119, 2500 BC Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar uitzondering.
                    Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring
                    op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de vervulling van de
                    betrekking bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                    worden gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen,
                    die sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de overheid van toepassing
                    is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg met
                    de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in
                    een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt opgesteld, waarin
                    criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt of voor een functie en
                    aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van
                    artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden
                    instemmingsrecht omtrent deze regeling.</al><al>De lijst van functies die uit deze lijst voortvloeit hoeft in dat geval niet aan
                    de OR te worden voorgelegd. Wanneer er voor gekozen wordt om niet eerst een
                    regeling te ontwerpen, maar direct een lijst op te stellen, heeft de OR
                    instemmingsrecht wat betreft deze lijst.</al><al>Het verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring
                    geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met betrekking tot
                    dergelijke functies al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel
                    uitmaakt van de sollicitatieprocedure. Het ligt voor de hand dat de
                    aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de geneeskundigen van de Arbo-dienst
                    waarbij de gemeente is aangesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                    tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                    onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                    opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                    bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond
                    genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de
                    aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd
                    ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te
                    noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van
                    beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen
                    bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden
                    gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een
                    vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als
                    gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en
                    zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014,216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de
                    materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4
                    komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De
                    reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale
                    aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is
                    vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling
                    bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis verloren. Een
                    aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een eenmalig
                    project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en waarvoor van de
                    gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de kennis in huis
                    heeft. Onder het huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds ‘op
                    proef’ worden aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                    eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                    waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                    kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                    artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                    beroepsbegeleidende leerweg (BBL).</al><al>Het met ingang van 1 juli 2015 geldende vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke
                    gevolgen van opeenvolgende dienstverbanden die een medewerker heeft met
                    verschillende werkgevers (zoals uitzendbureaus, payroll bedrijven of
                    detacheringsbureaus), waarbij deze medewerker binnen dezelfde organisatie
                    feitelijk of in hoofdzaak dezelfde werkzaamheden blijft verrichten, voor
                    rekening komen van de (opvolgende) werkgever bij overschrijding van de grenzen
                    genoemd in het tweede of derde lid. E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande
                    detachering in dezelfde functie - geen betrekking op de situatie waarin een
                    ambtenaar bij gemeente A uit dienst gaat om vervolgens bij gemeente B in dienst
                    te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De Wet
                    van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese
                    Gemeenteschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                    arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels terzake.
                    In deze wet wordt bepaald dat de overheidswerkgever verplicht is de werknemer
                    een schriftelijke opgave te doen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                            bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="-"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                            aanspraak;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen
                            ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                            regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover. Het
                    derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat
                    wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de werknemer wordt
                    medegedeeld.</al><al>De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het algemeen een
                    aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                    functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                    aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                    aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                    namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie ook
                    artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid,
                    onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor deze
                    categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR niet van
                    toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de
                    rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><tussenkop>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                    tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                    uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever geen
                    onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in tijdelijke
                    dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is
                    (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de
                    vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in
                    vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt
                    de medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk
                    verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening
                    wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden. </al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in artikel
                    125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van toepassing op
                    arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de Ambtenarenwet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met wie de gemeente een
                    tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met 2:4:2
                    van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel
                    2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer dat het bij
                    de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest van een
                    opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een
                    combinatie daarvan.</al><tussenkop>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</tussenkop><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                    minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal
                    bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe kunnen leiden
                    dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te
                    worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de
                    dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald.
                    Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is
                    gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994,
                    kenmerk ARZ/403483.</al><tussenkop>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                    werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                    artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de andere
                    essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken tot een
                    arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen
                    rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat ingeval de
                    oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te
                    geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond
                    van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het
                    aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een oproep kan
                    weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van
                    vrijblijvendheid.</al><tussenkop>Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht
                    (T)</tussenkop><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per
                    maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als
                    de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing
                    is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                    loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                    opgenomen.De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het
                    inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al><tussenkop>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>Indien op of na 1 juli 2015 een nieuwe aanstelling van kracht wordt met een
                    tussenpoos ten opzichte van de voorgaande aanstelling van 6 maanden of korter,
                    telt de voorgaande aanstelling mee in de keten volgens het nieuwe artikel 2:4.
                    Het oude artikel 2:4 (inclusief de tussenpoos van 3 maanden) blijft van
                    toepassing op aanstellingen die zijn ingegaan voor 1 juli 2015.</al><tussenkop>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet aanpassing
                    arbeidsduur van 1 juli 2000 (Stb. 2000, 114) wordt het voor werknemers mogelijk
                    om een verzoek in te dienen voor meer of minder uren werken binnen de huidige
                    functie. De werkgever kan een verzoek van de werknemer afwijzen op basis van
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. </al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>In het eerste lid worden hiermee in ieder geval problemen bedoeld die ontstaan
                    ten aanzien van de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren,
                    op het gebied van de veiligheid, of van roostertechnische aard. In het tweede
                    lid worden in ieder geval bedoeld problemen van financiële of organisatorische
                    aard, het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of omdat de vastgestelde
                    formatieruimte of personeelsbegroting ontoereikend is. In de wet zijn enkele
                    nadere voorwaarden opgenomen, waaronder:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer moet minimaal één jaar in dienst zijn voorafgaand aan het
                            beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing van de arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek om aanpassing moet ten minste vier maanden voor het beoogde
                            tijdstip van ingang schriftelijk worden ingediend met daarin vermeld de
                            gewenste omvang en spreiding over de week;</al></li><li nr="-"><al>de werkgever is verplicht overleg te plegen met de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de werkgever dient een beslissing te hebben genomen ten minste één maand
                            voor het beoogde tijdstip van inwerkingtreding en dit schriftelijk aan
                            de werknemer mee te delen. Wanneer de werkgever dit nalaat, kan het
                            verzoek door de werknemer als ingewilligd worden beschouwd;</al></li><li nr="-"><al>de werknemer kan maximaal eenmaal per twee jaar een verzoek
                            indienen.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De Wet aanpassing arbeidsduur geeft aan op welke gronden een verzoek om meer of
                    minder te gaan werken kan worden afgewezen. Bij in- en doorstroombanen is sprake
                    van een ernstig financieel probleem indien het verzoek meer uren te gaan werken
                    leidt tot het verlies van subsidie ervoor. Een tekortschietende subsidie wordt
                    gelijk gesteld met een ernstig financieel probleem en vormt een grond voor
                    afwijzing. Er zijn echter gevallen denkbaar waarin een verzoek om meer te gaan
                    werken niet zou leiden tot het verlies van subsidie. Dat hangt namelijk af van
                    de wijze waarop een gemeente het totale aantal in het kader van het Besluit in-
                    en doorstroombanen (Stb. 1999, 591) beschikbare uren over de betreffende
                    medewerkers heeft verdeeld. Daarnaast biedt het Besluit (artikel 13, zesde en
                    zevende lid) nog mogelijkheden voor compensatie. </al><al>Een verzoek kan pas gemotiveerd afgewezen worden indien over het verlies van de
                    subsidie zekerheid bestaat.</al><tussenkop>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen
                    periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal
                    40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                    waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                    verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                    structureel op 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week blijft liggen.
                    Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar waarin de uitbreiding
                    zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat dus om een tijdelijke
                    uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde
                    periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                    betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de betrekkingsomvang na de
                    bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene derhalve een
                    volledige betrekking en wordt hij geen deeltijder. </al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toeslagen, premies,
                    inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                    loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                    eindejaarsuitkering en vakantie-aanspraken evenredig worden aangepast gedurende
                    de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur kunnen niet
                    gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden gekocht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Artikel 2:7a is bindend en komt als zodanig niet ter discussie in de OR. Wel
                    moet een plan dat ten grondslag ligt aan de uitvoering van
                    uitbreidingsmogelijkheid naar 40 uur in de OR worden besproken. Hierop is
                    wettelijk gezien noch het adviesrecht, noch het instemmingsrecht van de OR van
                    toepassing. De bespreking van het uitvoeringsplan met de OR is echter van méér
                    dan procedurele aard. </al><tussenkop>Preambule</tussenkop><al> In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA
                    afspraken gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in werking
                    is getreden op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen waartoe het LOGA
                    heeft besloten zijn:Het integreren van de lokale bezoldigingsverordening in
                    hoofdstuk 3 van de CAR; Het niet langer hanteren van het begrip bezoldiging;
                    enHet laten vervallen van gedetailleerde aanwijzingen voor de uitvoering.</al><al>In het nieuwe begrip ‘salaristoelagen’ worden de toelagen opgesomd, die samen
                    met het salaris tot 1 januari 2016 de oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de
                    introductie van ‘salaristoelagen’, kon afscheid worden genomen van het begrip
                    ‘bezoldiging’, zonder dat de daaraan verbonden rechten en verplichtingen teniet
                    zijn gegaan.De begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel
                    1:1 nader omschreven.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten
                    nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3 bevat
                    een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien van die
                    onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het college iets
                    ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om de zogenaamde
                    ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal niveau afgesproken
                    ‘bandbreedte’.Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14, 3:15, 3:20 en 3:22) heeft
                    het college de vrijheid om de betreffende arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te
                    passen (de ambtenaar kan er dus niet zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat
                    het geval is, op welke wijze dat gebeurt.Daarnaast bevat dit hoofdstuk
                    ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten
                    aanzien van de bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte
                    afgesproken, die op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld
                    in artikel 3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze
                    maximaal 10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar
                    wordt toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                    functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                    beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van de
                    ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                    betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                    beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                    beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven de
                    instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                    functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                    beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een functiewaarderingssysteem.
                    In die organisaties waarin naast of in plaats van ‘functies’ wordt gesproken
                    over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig een functiewaarderingssysteem
                    beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1 april
                    1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van toepassing was,
                    zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe structuur.</al><tussenkop>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                    uitkeringen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                    worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                    psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen
                    7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van
                    arbeidsongeschiktheid. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering
                    van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop
                    het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden
                    uitgewerkt.Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen;
                    bijvoorbeeld op junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om drie
                    te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal.Uitgangspunt is dat
                    de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit
                    echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs
                    op het minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan
                    hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                    functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is
                    bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de
                    functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in deze
                    aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de
                    functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat
                    de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld.</al><al>Zodra dit het geval is dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de
                    functie geldende functieschaal.</al><tussenkop>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen
                    van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het
                    functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van
                    periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van
                    de OR. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                    toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                    blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                    artikel 3:8 en 3:20.</al><tussenkop>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt
                    tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene
                    die op het moment van herwaardering de functie vervult. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een bijbehorend
                    lager salaris heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de aow-gerechtigde
                    leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang, geen gevolgen
                    voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3:5 van het
                    Pensioenreglement.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie
                    boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt
                    is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan of –statuut voorziet in de
                    mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager
                    maximumsalaris en een evenredige aanpassing van zijn salaris.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</tussenkop><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie,
                    als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3 lid 2) naar
                    de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling kan op
                    werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende beloningsbeleid als
                    uitgangspunt dient.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</tussenkop><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                    regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien de
                    doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze ook open
                    voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn gekomen.</al><tussenkop>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                    functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                    voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                    functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                    functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3:4
                    lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20.Deze toelage heeft altijd een
                    tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris en
                    de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te vervallen
                    (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van herwaardering hoger
                    wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de functioneringstoelage.De
                    functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20 (beloning
                    uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om
                    tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend
                    functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in
                    tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die
                    structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het
                    maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de
                    toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere
                    keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop
                    de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit
                    expliciet worden vermeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                    maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of
                    op jaarbasis).</al><tussenkop>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                    gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de
                    arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat
                    in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning
                    aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het
                    college besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, één maal per jaar
                    uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de
                    arbeidsmarkttoelage aansluiten worden toegekend voor een nieuwe periode van
                    maximaal 3 jaar. </al><tussenkop>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen van
                    de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee rekening
                    is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie. Voorbeeld van een
                    dergelijke situatie is de adjunct directeur die de directeur vervangt tijdens
                    vakantie en kortdurende afwezigheid. </al><al><vet>Lid 2 + 3</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de functie
                    dat wordt waargenomen – op het zelfde niveau wordt beloond als het geval zou
                    zijn geweest indien hij/zij bij bevordering in de waar te nemen functie zou zijn
                    aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage moet de betrokken
                    ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels – fictief – worden
                    ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt waargenomen. Het
                    verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar wordt als
                    waarnemingstoelage uitgekeerd. In het beloningsbeleid kan de toepassing van deze
                    bepaling nader worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere
                    regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m 4:7). Voor deze
                    ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige
                    dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig
                    zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen(gehele etmaal) én
                    op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur. </al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                    gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden
                    toegekend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                    arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                    definitie van ‘overwerk’.</al><tussenkop>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</tussenkop><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                    buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te
                            verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                            buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te
                            verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3:13.
                            Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om
                            daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn
                            beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over
                            de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                    uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                    gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De
                    uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in
                    vakantieverlof.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </tussenkop><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor de
                    ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht
                    geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><lijst><li nr="-"><al>afgebakende periodes, </al></li><li nr="-"><al> buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al></li><li nr="-"><al> waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep
                            werkzaamheden te verrichten.</al></li></lijst><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd
                    rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden
                    of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die
                    ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een
                    beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij
                    gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor
                    onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet
                    ook regels voor de beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van
                    de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                    worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies is
                    de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene
                    omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de
                    zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht
                    om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet
                    noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in
                    voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden
                    verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens
                    deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden heeft
                    verricht, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                            ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het
                            dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel
                            3:12. </al></li><li nr="-"><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                            heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                            overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                    toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                    functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                    salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                    salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                    overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en
                    niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of vormen
                    van variabele beloning. </al><tussenkop>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                    gerekend. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                    cumuleert.</al><tussenkop>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</tussenkop><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de
                    bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de
                    werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                    Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar
                    op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de op die
                    woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><tussenkop>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van
                    dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een eindejaarsuitkering betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn geweest. </al><tussenkop>Artikel 3:19 Ambtsjubileum (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de al
                    dan niet aansluitende tijd – in voltijd en/of deeltijd – doorgebracht in een
                    dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. Het is niet
                    noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar destijds ook zelf ABP-deelnemer is
                    geweest. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt niet mee,
                    evenals onbetaalde baantjes, werkervaringsovereenkomsten of stages. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldend salaris en
                    de salaristoelagen naar rato over de maand waarin het jubileum valt. De ophoging
                    met 8 % betreft de vakantietoelage die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging
                    werd gerekend maar sindsdien is opgenomen in het IKB. Een
                    ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd;
                    aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te gaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80%
                    of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en kan het
                    dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet
                    worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend.</al><tussenkop>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college
                    bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige)
                    inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen
                    van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en
                    tot gevolg hebben dat de ambtenaar sneller het maximum van de salarisschaal
                    bereikt.Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een
                    blijvend beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die er vanuit gaat na
                    verloop van tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8
                    en 3:20 gaat het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en
                    incidentele beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend
                    kunnen worden toegekend.Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag
                    in meerdere termijnen uit te keren.</al><tussenkop>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</tussenkop><al>Dit artikel laat onverlet dat binnen de daarin aangegeven begrenzing van de
                    vergoeding OV (2e klasse), voor vergoeding van de overige kosten de
                    ‘Reisregeling binnenland’(BZK) wordt toegepast.</al><tussenkop>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                    door de dienst (T)</tussenkop><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                    overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met het IKB en de
                    salaristoelagen, waarbij de 12 kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort
                    o.g.v. artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op hoogte van deze
                    overlijdensuitkering.Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook
                    bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode.</al><tussenkop>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                    ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december is de
                    peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge tegemoetkoming
                    in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het salaris van de
                    ambtenaar in die maand vergeleken met het in december geldende bedrag van het
                    maximum van schaal 6. Is het salaris van de ambtenaar in december meer dan het
                    maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris
                    van de ambtenaar in december gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6,
                    dan ontvangt hij de hoge tegemoetkoming.</al><tussenkop>Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</tussenkop><tussenkop><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en
                            afbouwtoelagen</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                    naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de
                    betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris
                    of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen,
                    niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met
                    andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in
                    de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                    overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                    2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                    voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden
                    bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                    blijven.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                            overeengekomen einddatum</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond
                    omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag
                    en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld,
                    maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de
                    toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de
                    einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald
                    schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                    gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt
                    aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage
                    gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de
                    TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in
                    een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde
                    einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde
                    einddatum.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>3.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk
                    3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>4.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de <onderstreept>grondslag van de
                        vakantietoelage</onderstreept> meer beloningselementen (inclusief
                    emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                    het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij
                    gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te
                    vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                    nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan
                    het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is.
                    Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de
                    tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom
                    afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                    compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband
                    ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten
                    toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd
                    achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is
                    een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld
                    een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat
                    deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of
                    toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En
                    niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen
                    bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is
                    dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan
                    onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is
                    gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het
                    nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag
                    dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt
                    daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de
                    berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA
                    afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt
                    gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat
                    de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op
                    basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend
                    met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                    hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de
                    ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                    ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                    overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt
                    geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden
                    toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe
                    medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele
                    kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                    alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het
                    oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat
                    die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige
                    ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk
                    of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                    refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                    bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                    medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de
                    TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                    overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd
                    dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze
                    vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker
                    en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het
                    om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                    werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>5.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                    verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen
                    ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                    een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (- Euro 200) = Euro
                    100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is
                    geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                    of levensloopbijdrage. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>6.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                    medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                    promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet
                    verrekend met de TOR van de medewerker. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>7.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                    uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                    omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                    uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                    afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat
                    als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                    enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                    gemaakt.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>8.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                    het bedrag naar rato verlaagd.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>10.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR
                    daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>11.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                    behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt
                    verhoogd. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>12.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Zie punt 8.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>13.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de
                    afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze
                    ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook
                    dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                    relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de
                    gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op
                    individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende
                    artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet dat
                    ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in overleg
                    met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden die recht
                    doen aan de lokale situatie .Voorbeelden daarvan zijn bloktijden, openingstijden
                    van het kantoorpand etc. </al><tussenkop>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</tussenkop><al> LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering
                    van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De
                    standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering.
                    Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft
                    bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn
                    van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de
                    gezagsverhouding die de relatie werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar
                    heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag
                    werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op
                    een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar
                    verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit
                    bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de
                    standaardregeling. Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap.
                    De leidinggevende geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote
                    professionele verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een belangrijke
                    rol; zij monitort of het proces rondom het individueel vaststellen van de
                    werktijden goed verloopt binnen de organisatie en past binnen de kaders van de
                    werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR
                    verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle
                    medewerkers van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de
                    werktijden, onder de bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor
                    onbepaalde tijd. </al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                    zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                    roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                    toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld door
                    het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder. </al><al>Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                    beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                    vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                    deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                    werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                    roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de bijzondere
                    regeling van de werktijden vallen. Indien de gemeente gebruik maakt van een
                    systeem van zelfroostering, waardoor medewerkers zeggenschap krijgen over hun
                    werktijden, dan geldt ook voor deze medewerkers de standaardregeling. De
                    bijzondere regeling is uitsluitend van toepassing op medewerkers die (vrijwel)
                    geen zeggenschap hebben over hun werktijden. </al><tussenkop>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet><cursief></cursief> De standaardregeling heeft als
                    uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken maakt over
                    invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
                    standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt
                    opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de
                    ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de
                    “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de
                    medewerker. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed
                    ambtenaar betaamt moeten invullen. </al><al><vet>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </vet></al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                    afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                    werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                    ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                    uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast, maar
                    dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt
                    de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk dat binnen een
                    afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen
                    indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet tot goede
                    afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de
                    toelichting op lid 12. </al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                    werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                    ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                    ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan
                    te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat
                    ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per
                    jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De
                    ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
                    vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn leidinggevende
                    stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval
                    aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband.
                    Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren
                    uitbetaald tegen de vergoeding. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                    werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                    buitendagvenstervergoeding tegenover. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken
                    maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid
                    heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in
                    het elfde lid. </al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid
                    leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op
                    andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het
                    dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn
                    leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn
                    en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar
                    werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte
                    van de laagste buitendagvenstervergoeding. </al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                    medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe
                    dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                    problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR
                    verbetervoorstellen doen aan het college. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                    werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster
                    zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband
                    gedoeld op uren/dagen waarvoor geen onregelmatigheidstoelage verstrekt wordt. Op
                    grond van de regels over de ort en werktijden zoals deze golden op 31 december
                    2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de ambtenaar op zaterdag voor ten hoogste
                    drie uren in te roosteren zonder aanspraak op een ort. Als de gemeente op 31
                    december 2013 een werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die in
                    overeenstemming met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere
                    dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014. </al><tussenkop>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe
                    zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig
                    vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om
                    medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk
                    te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen
                    overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de
                    bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig
                    vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 </vet></al><al> Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                    verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de
                    kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe
                    moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de
                    wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                    vijfde lid van dit artikel. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                    gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag. Voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op bijvoorbeeld tweede
                    paasdag geldt dat - op grond van artikel 3:2:1, vijfde lid, onder b, van de UWO
                    - deze feestdag gelijk wordt gesteld aan een zondag. Voor een
                    berekeningsvoorbeeld van de overwerkvergoeding wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,
                    maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële
                    lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                    arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding
                    op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het
                    derde lid is aangegeven De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval
                    afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op een carnavalsmaandag
                    hetgeen in artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO is geregeld ten
                    aanzien van een "gewone" maandag. </al><tussenkop>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de elementen
                    van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1 maakt het mogelijk om
                    vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2 maakt het mogelijk om extra
                    vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een lokale regeling
                    te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>In dit artikel is geregeld dat de ambtenaar vóór 1 november (of vóór een andere
                    datum als dit op lokaal niveau is vastgesteld) een verzoek kan indienen bij het
                    college tot het verkopen van vakantie-uren in het daarop volgende kalenderjaar
                    (eerste lid). Dit betekent dat de ambtenaar in 1999 een verzoek moet indienen om
                    in het kalenderjaar 2000 feitelijk uren te kunnen verkopen.</al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht, is geregeld in de
                    leden twee en drie. Als het college het verzoek toewijzen (vierde lid), dan
                    krijgt de ambtenaar een vergoeding voor de verminderde vakantie-uren ter hoogte
                    van zijn salaris per uur, tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen
                    (eerste en vijfde lid).</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al> Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur. </al><al>Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 6 april 2006 (HvJ
                    EG 6 april 2006, C-124/05) een uitspraak gedaan over de verkoop van de
                    wettelijke vakantie-uren. In de Europese richtlijn over arbeidstijden
                    (93/104/EG) is geregeld dat werknemers recht hebben op een jaarlijkse vakantie
                    van tenminste vier weken. Deze minimumperiode van de jaarlijkse vakantie mag
                    niet worden vervangen door een financiële vergoeding, ook niet in volgende
                    jaren. Bij een volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x 36 uur = 144
                    uur minimale wettelijke vakantie-uren. Een ambtenaar heeft bij een volledige
                    formele arbeidsduur recht op ten minste 158,4 vakantie-uren per jaar op grond
                    van artikel 6:2, eerste lid CAR/UWO. De minimum periode van de jaarlijkse
                    vakantie op grond van de CAR/UWO ligt daarmee hoger dan het aantal wettelijke
                    vakantie-uren op grond van de richtlijn want dit zijn er 144. De wettelijke
                    vakantie-uren kunnen niet afgekocht worden, ook niet in een volgend jaar.</al><al><cursief>Voorbeeld 1:</cursief> Een ambtenaar treedt op 1 januari 2004 in dienst
                    en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op 158,4
                    vakantie-uren maar neemt 110 uur op in 2004. In 2005 wil hij de resterende 48,4
                    vakantie-uren verkopen. Dit is niet toegestaan. Het wettelijk aantal
                    vakantie-uren van de ambtenaar bedraagt 144. Het verschil tussen 158,4 en 144
                    mag hij verkopen (inzetten in het cafetariamodel) maar de overige uren moet hij
                    opnemen in 2004 of daarna. </al><al>Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 CAR/UWO kan het aantal
                    vakantie-uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door in
                    een kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar. Op deze
                    wijze wordt het aantal vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en kan maximaal 64,8
                    uur worden verkocht. Verder is het mogelijk om op grond van artikel 3:2:1 lid 3
                    verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te zetten in
                    vakantie-uren. Overigens is dit omzetten niet onbeperkt. De som van het aantal
                    uren op grond van artikel 3:2:1 lid 3 en het aantal uren op grond van artikel
                    6:2, tweede lid is maximaal 50,4 uren. Voor deeltijders geldt steeds een aantal
                    uren naar rato van de deeltijdfactor.</al><al><cursief>Voorbeeld 2:</cursief> Een ambtenaar treedt op 1 januari 2004 in dienst
                    en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op 158,4
                    vakantie-uren. Daarnaast heeft hij een verzoek ingediend om 50,4 uur extra te
                    werken en deze uren om te zetten in vakantie-uren. In totaal heeft deze
                    ambtenaar 208, 8 (158,4+ 50,4) vakantie-uren in 2004. Hij neemt daarvan 130 uur
                    op en houdt 78,8 (208,8-130) vakantie-uren over. De ambtenaar heeft in 2004 niet
                    het wettelijk aantal vakantie-uren (144) opgenomen. Deze 14 (144-130) uren kan
                    hij niet verkopen en neemt hij mee naar 2005. De ambtenaar kan van zijn
                    vakantieaanspraak over 2004, 64,8 (50,4+14,4) uren verkopen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo’n belang is in ieder geval
                    sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c"><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe geen
                            ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                    voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op het totale gebruik
                    van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van artikel 28 van de Wet op de
                    ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de naleving bevordert van de
                    voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur een
                    vergoeding van een (bruto) uursalaris bovenop zijn normale (bruto) salaris. Dit
                    is zijn eigen uursalaris, tenzij lokaal anders is overeengekomen. Door het
                    verkopen van vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie,
                    pseudo-premie WW, UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en
                    inkomstenbelasting verhoogd. De uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW)
                    en suppletie worden tevens verhoogd. Het verkopen van vakantie-uren heeft geen
                    gevolgen voor de hoogte van de eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en
                    levensloopbijdrage. Het verkopen van vakantie-uren is op basis van het
                    Pensioenreglement pensioengevend. Het ABP hanteert echter de
                    peildatumsystematiek waardoor de pensioengrondslag gedurende een jaar niet kan
                    worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend inkomen vanwege het
                    verkopen van vakantie-uren kan in het pensioengevend inkomen van het volgende
                    jaar worden verwerkt. De opbrengst van de verkoop van uren kan worden ingezet
                    voor de gemeentelijke levensloopregeling zoals vastgelegd in hoofdstuk 6a. De
                    tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op de levenslooprekening van de
                    medewerker.</al><tussenkop>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel kan
                    de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een werknemer met een formele
                    arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72 vakantie-uren in een kalenderjaar kopen.
                    Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening geschiedt door middel van
                    inhouding van een geldbedrag. Door het kopen van vakantie-uren worden de
                    grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudo-premie WW, UFO-premie,
                    Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In tegenstelling
                    tot bij het verkopen van uren blijven de uitkeringen (op basis van de WAO, WIA,
                    WW en ZW) en suppletie onveranderd. De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering
                    en levensloopbijdrage blijven ook onveranderd. Het pensioengevend inkomen als
                    genoemd in artikel 3.1 van het Pensioenreglement wijzigt bij de aankoop van
                    vakantie-uren niet mits wordt voldaan aan de voorwaarden van het besluit van 8
                    september 2008, CPP2008/1727M.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zoals vermeld in lid 3 is in ieder
                    geval sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="A"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="B"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="C"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                    vakantietoelage of urenvergoeding (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit lid biedt de mogelijkheid om de bezoldiging, eindejaarsuitkering,
                    vakantie-uitkering of de vergoeding voor extra te werken uren te verlagen in
                    ruil voor andere bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de
                    bestedingsmogelijkheden o.a. een fietsregeling, de vakbondscontributie of een
                    vergoeding voor de kosten van woonwerkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel
                    opleveren voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In
                    ieder geval wordt door deze bepaling aan één van de voorwaarden van de
                    belastingdienst voldaan. Voorwaarde is namelijk dat er een basis in de
                    arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor het inleveren van bezoldiging,
                    eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en vergoeding voor de verkoop van
                    vakantie-uren. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling, de
                    vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van woonwerkverkeer) kunnen
                    de voorschriften en de voorwaarden worden vastgelegd, rekening houdend met de
                    fiscale randvoorwaarden.De lokale bezoldigingsverordening mag een dergelijke
                    tijdelijke verlaging van de bezoldiging niet in de weg staan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 5a:1 Recht op uitkering (T)</tussenkop><al>In dit artikel wordt gesproken over de Aanvulling werkgever. Dit is een
                    aanvullende uitkering op de FPU-uitkering. Deze Aanvulling werkgever vormt samen
                    met de FPU-uitkering de gemeentelijke FPU-uitkering.</al><al>De Aanvulling werkgever komt volledig voor rekening van de werkgever.</al><al>In dit artikel staan de voorwaarden voor een Aanvulling werkgever.</al><al>Ten eerste moet ontslag zijn verleend op grond van artikel 8:11
                    (FPU-ontslag).Dit is het geval zodra het bestuur van de Stichting fonds
                    vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel en het bestuur van de
                    Stichting pensioenfonds ABP hebben vastgesteld dat er recht bestaat op een
                    uitkering op grond van de desbetreffende regeling (basis- en aanvullende
                    uitkering, respectievelijk de FPU-uitkering). Om voor een dergelijke uitkering
                    in aanmerking te komen moet er een ononderbroken diensttijd zijn van ten minste
                    10 jaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van vervroegde uittreding,bij een
                    of meer werkgevers die zijn aangesloten bij het ABP.Voltijd of deeltijd maakt
                    daarbij geen verschil. Een onderbreking van twee maanden is toegestaan. Wel
                    geldt dat in de zes maanden direct voorafgaande aan de FPU, de ambtenaar
                    werknemer moet zijn geweest bij een werkgever die aangesloten is bij het
                    ABP.</al><al>De tweede voorwaarde is dat de ambtenaar niet reeds gebruikmaakt of heeft
                    gemaakt van de op 1 januari 2000 bestaande seniorenregelingen (de
                    56-jarigenregeling, de pré-VUT en de 60-jarigen-regeling). Een ambtenaar die op
                    1 januari 2000 deelneemt aan een van de genoemde regelingen,kan deze deelname
                    gewoon voortzetten. Een ambtenaar die op de genoemde datum tussen 55 en 65 jaar
                    oud is,kan kiezen tussen de oude regelingen en de nieuwe gemeentelijke FPU. Een
                    keuze voor het een betekent dat geen recht meer bestaat op het ander. De
                    ambtenaar die op de genoemde datum jonger is dan 55 jaar, heeft geen keuze en
                    kan uitsluitend gebruikmaken van de FPU Gemeenten (dit is niet in dit artikel
                    opgenomen,maar in artikel 5:6)</al><al>De derde voorwaarde is dat een ambtenaar die een 'FLO-functie ' vervult,geen
                    gebruik kan maken van de FPU Gemeenten.</al><al>Bij deelname aan de FPU Gemeenten vervallen de leeftijdsverlofdagen. Dit is
                    geregeld in artikel 6:2:1, zevende lid.</al><tussenkop>Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De aanpassing van de berekeningsgrondslag aan de salarisontwikkeling
                    (=indexatie) vindt plaats op een overeenkomstige wijze en op hetzelfde moment
                    als de indexatie van de FPU uitkering. Concreet betekent dit dat de
                    salarisontwikkeling in de sector gemeenten niet rechtstreeks doorwerkt in de
                    berekeningsgrondslag, maar via het gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling
                    van alle overheidssectoren. Op grond van de uitkomst van dit gewogen gemiddelde
                    indexeert het ABP jaarlijks - in beginsel per 1 januari - de FPU-uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Uit de definitie van berekeningsgrondslag volgt dat de berekeningsgrondslag voor
                    een voltijder even hoog is als voor een deeltijder. Om te bereiken dat de
                    toeslag voor een deeltijder een naar rato percentage bedraagt van de toeslag van
                    een voltijder is in het tweede lid geregeld dat de toeslag bij een
                    deeltijdbetrekking wordt vermenigvuldigd met de desbetreffende
                    deeltijdfactor.</al><tussenkop>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Anders dan bij de FPU-uitkering is de Aanvulling werkgever niet afhankelijk van
                    de mate van uittreden. Dit betekent dat wanneer een ambtenaar in stapjes
                    uittreedt de Aanvulling werkgever op het moment van het eerste deeltijdontslag
                    wordt vastgesteld en nadien niet meer wijzigt (er vindt wel een indexatie
                    plaats: zie artikel 5a:2). Per 1 juli 2006 zijn dit de percentages ‘Aanvulling
                    werkgever’. Partijen hebben hierover overeenstemming bereikt in de CAO
                    2005-2007. Voor de hoogte van de Aanvulling is de leeftijd van de ambtenaar op
                    31 december 2005 én het moment van uittreden belangrijk. Het in de tabel
                    genoemde aanvullingspercentage is de Aanvulling bij uittreden op spilleeftijd.
                    Later of eerder uittreden leidt tot een hogere respectievelijk lagere
                    uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt de in de wetgeving inzake VUT, prepensioen en levensloop
                    voorgeschreven actuariële herrekening van een uitkering bij later uittreden (Wet
                    aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie
                    levensloopregeling). Ook bij eerdere uittreding is afgesproken de uitkering
                    actuarieel te herrekenen. Uitgangspunt is de uitkering op de spilleeftijd (deze
                    uitkering is afhankelijk van de leeftijd van betrokkene op 31 december 2005). </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                    ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie
                    ledenbrief ) 18 juli 2005, MARZ/CvA/U200515077). </al><tussenkop>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1
                    juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                    (waaronder de FPU Gemeenten) gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is dat bij
                    uittreding na de spilleeftijd de uitkering geheel ten goede moet komen aan de
                    ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het meerdere wordt doorgeschoven
                    naar het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer men uittreedt vóór het
                    bereiken van de spilleeftijd dan kan er nog wel sprake zijn van aftopping op
                    90%. Op ieder moment dat er sprake is van uittreding (bij deeltijduittreden dus
                    op meerdere momenten) wordt bepaald of het uittreden vóór of ná de spilleeftijd
                    is. Voorbeeld: een ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd 10% met FPU. Dan kan er
                    sprake zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij vervolgens ná zijn spilleeftijd
                    voor nog 50% met FPU, dan is er geen sprake meer van een aftopping op 90%, maar
                    wordt er afgetopt op 100% en wordt het meerdere doorgeschoven naar het
                    ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. Het feit dat er bij de eerste
                    deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot 90% is niet meer van
                    belang. De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                    ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie
                    ledenbrief ) 18 juli 2005, MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór 1 juli 2006 kende de
                    FPU Gemeenten een afwijkende spilleeftijd ten opzichte van de spilleeftijd in
                    het hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is invulling gegeven aan het
                    overgangsrecht FPU Gemeenten. Hierbij is onder andere aangesloten bij de
                    spilleeftijd in het hoofdlijnenakkoord. </al><tussenkop>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de
                    periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
                    (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                    (waaronder de FPU Gemeenten) gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is dat bij
                    uittreding na de spilleeftijd de uitkering geheel ten goede moet komen aan de
                    ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het meerdere wordt doorgeschoven
                    naar het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer men uittreedt vóór het
                    bereiken van de spilleeftijd dan kan er nog wel sprake zijn van aftopping op
                    90%. </al><al>Op ieder moment dat er sprake is van uittreding (bij deeltijduittreden dus op
                    meerdere momenten) wordt bepaald of het uittreden vóór of ná de spilleeftijd is.
                    Voorbeeld: een ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd 10% met FPU. Dan kan er
                    sprake zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij vervolgens ná zijn spilleeftijd
                    voor nog 50% met FPU, dan is er geen sprake meer van een aftopping op 90%, maar
                    wordt er afgetopt op 100% en wordt het meerdere doorgeschoven naar het
                    ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. Het feit dat er bij de eerste
                    deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot 90% is niet meer van
                    belang.</al><al>De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                    ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie
                    ledenbrief ) 18 juli 2005, MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór 1 juli 2006 kende de
                    FPU Gemeenten een afwijkende spilleeftijd ten opzichte van de spilleeftijd in
                    het hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is invulling gegeven aan het
                    overgangsrecht FPU Gemeenten. Hierbij is onder andere aangesloten bij de
                    spilleeftijd in het hoofdlijnenakkoord. </al><tussenkop>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1
                    januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de aftopping. Het af te toppen bedrag wordt voor het eerst
                    vastgesteld bij het eerste FPU-ontslag en vervolgens telkens bij een nieuw
                    FPU-ontslag. Als het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag
                    uitkomt, wordt het meerdere in mindering gebracht op de Aanvulling werkgever.
                    Een voorbeeld kan dit verduidelijken:</al><al>Een ambtenaar gaat op 56-jarige leeftijd met deeltijd-FPU-ontslag voor 20%. Hij
                    ontvangt dan 80% bezoldiging, een FPU-uitkering van 4,6% (willekeurig
                    percentage; dit moet bij het Abp worden opgevraagd) en een Aanvulling werkgever
                    van 8,9% (uit de tabel). Totaal: 93,5%. Er vindt dan een aftopping plaats tot
                    90%. De aftopping van 3,5% wordt in mindering gebracht op de Aanvulling
                    werkgever van 8,9% zodat een Aanvulling werkgever resteert van 5,4%. In totaal
                    bedraagt dan het inkomen: 80% (bezoldiging) en 4,6% (FPU-uitkering) en 5,4%
                    (Aanvulling werkgever). Totaal: 90%. Bij een volgend ontslag op grond van
                    artikel 8:11 wordt opnieuw beoordeeld of en welke aftopping aan de orde is. In
                    het vierde lid is geregeld dat een individueel bijverzekerde FPU-uitkering niet
                    wordt betrokken bij de aftopping.</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat inkomsten die op of na het FPU-ontslag worden
                    verkregen uit verhoogde werkzaamheid (bijvoorbeeld een nieuwe baan) of nog
                    voortvloeien uit ziekte, in de betrekking voor het FPU-ontslag niet van invloed
                    zijn op de hoogte van de Aanvulling werkgever. Dergelijke inkomsten kunnen
                    krachtens het FPU-reglement leiden tot een vermindering van de FPU-uitkering.
                    Zonder lid 5 zou de situatie kunnen optreden dat deze vermindering van de
                    FPU-uitkering wordt gecompenseerd door een hogere Aanvulling werkgever.</al><tussenkop>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever
                    (T)</tussenkop><al>Bij een ontslag om een andere reden dan FPU vervallen de (resterende)aanspraken
                    op de Aanvulling werkgever. Dit betekent dat als een ambtenaar enige tijd
                    gebruik heeft gemaakt van de FPU Gemeenten en vervolgens ontslag neemt of krijgt
                    (bijvoorbeeld vanwege een andere baan of arbeidsongeschiktheid), er geen beroep
                    kan worden gedaan op uitbetaling van de resterende FPU-toeslagen.</al><al>De Aanvulling werkgever is gekoppeld aan het recht op FPU.Dit betekent dat op
                    het moment dat er geen recht meer bestaat op de FPU (bij ouderdomspensioen of
                    overlijden), de Aanvulling werkgever stopt.</al><tussenkop>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van de FPU Gemeenten is overeengekomen dat deelnemers aan de
                    regeling over de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling,
                    pensioenopbouw moeten kunnen hebben. Deze pensioenopbouw moet uiteindelijk tegen
                    doorsneepremie en met de gebruikelijke premieverdeling tussen werkgever en
                    werknemer worden gerealiseerd. Op dit moment laat het ABP-pensioenreglement dit
                    niet toe. Tot het moment waarop dit wél mogelijk is, heeft de werkgever aan de
                    ambtenaar die gebruikmaakt van de regeling recht op een Vergoeding
                    pensioenpremie, ten laste van de werkgever, die overeenkomt met de
                    werkgeversbijdrage in de ABP-doorsneepremie die vereist is voor
                    20%pensioenopbouw over de FPU gedurende de periode dat van de regeling gebruik
                    wordt gemaakt. De Vergoeding pensioenpremie kan door de werknemer worden
                    gebruikt om zélf,op basis van artikel 16.3 van het
                    pensioenreglement,pensioenopbouw te verzekeren. Op grond van artikel 16.3 van
                    het pensioenreglement kan de ambtenaar vier jaar lang 50% pensioenopbouw
                    vrijwillig verzekeren. De premie hiervoor komt volledig voor rekening van de
                    werknemer (waarbij de eerdergenoemde werkgeversbijdrage op de volledige premie
                    in mindering kan worden gebracht). De werknemer is niet verplicht om de
                    werkgeversbijdrage te besteden aan een pensioenvoorziening op grond van artikel
                    16.3 van het pensioenreglement. Hij kan ook kiezen voor een andere
                    verzekeringsmaatschappij of een ander bestedingsdoel.</al><al>Een voorbeeld. Een ambtenaar treedt op 60-jarige leeftijd volledig uit op grond
                    van de FPU. Dit betekent dat er dan gedurende vijf jaar een volledige
                    FPU-uitkering is, samen met een Aanvulling werkgever. Op grond van dit artikel
                    is er een werkgeverbijdrage in de pensioenopbouw gedurende die vijf jaar die
                    overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie bij 20%
                    pensioenopbouw over die periode. Omdat de verdeling werkgever – werknemer in de
                    doorsneepremie 70% -30% is, komt dus 70% van de benodigde premie voor rekening
                    van de werkgever. Bij een doorsneepremie van bijvoorbeeld 12% zou de
                    werkgeversbijdrage in dit geval dus 12% x 20% x 70% bedragen, derhalve 1,68%. In
                    de situatie dat er sprake is van deeltijd-FPU-ontslag, is de werkgeversbijdrage
                    voor pensioenopbouw over het FPU-deel, uiteraard naar rato van het percentage
                    FPU-ontslag. Bij een FPU-ontslag van 30% en een doorsneepremie van bijvoorbeeld
                    12% bedraagt de werkgeversbijdrage in het kader van deze regeling dan 0,504%
                    (12% x 20% x 70% x 30%). </al><tussenkop>Artikel 5a:7 Lokaal beleid (T)</tussenkop><al>Gebruik maken van de FPU Gemeenten is een recht voor de ambtenaar. Op lokaal
                    niveau kan de werkgever het gebruik beïnvloeden door op maat gesneden
                    faciliteiten aan te bieden die een werknemer kan stimuleren dan wel weerhouden
                    om een beroep op de regeling te doen.Te denken valt aan enerzijds
                    scholingsfaciliteiten, taakverlichting en extra verlof of anderzijds een extra
                    financiële prikkel tot FPU-ontslag. Hiervoor is op lokaal niveau 0,1% van de
                    loonsom beschikbaar. Op lokaal niveau wordt een regeling opgesteld op welke
                    wijze de werkgever dit budget kan inzetten. Hierover dient overeenstemming te
                    bestaan in het georganiseerd overleg dan wel de ondernemingsraad.</al><tussenkop>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan (T)</tussenkop><al>Dit artikel is de basis voor artikel 3.5 van het pensioenreglement. Het artikel
                    regelt dat bij teruggang in salaris na de leeftijd van 55 jaar de pensioenopbouw
                    gebaseerd blijft op de oude inschaling. Op de oude salarisschaal, die voor de
                    pensioenopbouw van de ambtenaar blijft gelden, wordt de in de CAO afgesproken
                    salarisverhoging toegepast. </al><al>Teruggang in functieschaal en mogelijk ook teruggang in salaris bij afbouw van
                    de loopbaan vanaf 55 jaar wordt, slechts in overleg met de ambtenaar, mogelijk
                    gemaakt door artikel 3:1, lid 7. </al><al>Wanneer een ambtenaar van 55 jaar of ouder in een andere gemeente een functie
                    met een lagere functieschaal betrekt en hierdoor teruggaat in salaris, blijft de
                    grondslag voor de pensioenopbouw slechts dan ongewijzigd als de wisseling van
                    functie voortkomt uit het seniorenbeleid van de oude werkgever. </al><al>Wanneer een ambtenaar in het kader van seniorenbeleid naast het accepteren van
                    een lagere functie ook een (kleinere) deeltijdfactor accepteert, dan wordt de
                    pensioenopbouw naar rato gecontinueerd op basis van de oude salarisschaal. </al><al>Is sprake van afbouw van de loopbaan door vermindering van de formele
                    arbeidsduur, zonder dat sprake is van een nieuwe functie, dan blijft de
                    pensioengrondslag ongewijzigd, omdat voor de ambtenaar geen lagere functieschaal
                    gaat gelden. Artikel 5a:9 is in dat geval niet van toepassing. De gevolgen voor
                    de reeds opgebouwde pensioenrechten zijn in deze situatie niet aanwezig. De
                    pensioengrondslag wijzigt namelijk niet; op de pensioenberekening wordt slechts
                    – voor de laatste jaren – een deeltijdfactor losgelaten.</al><tussenkop>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de ambtenaar
                    wordt verleend. Anders dan hetgeen in het BW is bepaald, vervallen de aanspraken
                    op niet opgenomen vakantiedagen niet. </al><al>Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de algemene regels
                    met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel 6:2:1, eerste lid) ook
                    aangeven welke gedragslijnen worden gehanteerd wanneer het vakantieverlof van
                    enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid om niet-genoten
                    verlofuren door te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot die gevallen
                    zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In het geval dat
                    het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie verzet en hierdoor de
                    vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is toegekend, wordt de
                    niet-genoten vakantie zo veel mogelijk in het eerstvolgend kalenderjaar verleend
                    (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is verleend op gronden
                    genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of herhalingsoefening
                    militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe toegekend in het
                    volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over het tijdstip van
                    opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2.</al><al>Indien de ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7,2 uur per dag, zal
                    het verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                    genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij voor
                    42 uren is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                    verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                    waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts
                    met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                    uur, de ambtenaar bijvoorbeeld slechts weinig verlofuren resteert, kan het de
                    ambtenaar worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke
                    arbeidsduur van minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren
                    over minder dan vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan
                    creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                    aantal aspecten van de organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks
                    recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen
                    viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een
                    36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij
                    een volledige betrekking) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836
                    uur. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als maximum.
                    Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk aantal extra
                    vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november (tenzij anders
                    geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek
                    geldt. Niet voor niets is hiervoor de zelfde formulering gekozen als in de
                    artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel 4a:2, eerste lid (het verzoek tot verkoop
                    dan wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het cafetariamodel
                    ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de verzoeken
                    rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al></li><li nr="-"><al>verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al></li><li nr="-"><al>koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                    bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel
                    roostertechnische aard.</al><al>Verder is het ook mogelijk om verlofuren die op grond van artikel 3:2:1 het
                    gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te zetten in vakantie-uren.
                    Overigens is dit omzetten niet onbeperkt. De som van het aantal uren op grond
                    van artikel 3:2:1, tweede lid, en het aantal uren op grond van artikel 6:2,
                    tweede lid is maximaal 50,4 uren.</al><al>Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                    deeltijdfactor.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid is
                    in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:2:1 Nadere regels (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                    rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij vormt de formele arbeidsduur
                    op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur overeenkomstig de aanstelling. De minimale
                    duur van de vakantie voor ambtenaren met een volledige betrekking is vastgelegd
                    in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een formele
                    arbeidsduur van 24 uur per week het aantal verlofuren ten minste 24/36 x 158,4 =
                    105,6 uur per kalenderjaar bedraagt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Door middel van een lokale regeling voorziet het college ten aanzien van (een
                    groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte
                    diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide. Per extra verlofdag dient het
                    basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden vermeerderd. Een werknemer
                    met bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop
                    het basisverlof van ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Bij een deeltijder
                    wordt het extra aantal verlofdagen naar rato vastgesteld.</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is het lokale
                    overleg geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen voor nieuw indiensttredend
                    personeel te laten vervallen. Ook in het geval dat iemand de ene gemeentelijke
                    werkgever verruilt voor een andere gemeentelijke werkgever vervallen deze
                    leeftijdverlofdagen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen werken en
                    ambtenaren die zich buiten de voor hun betrekking vastgestelde werktijden ter
                    beschikking houden, aanspraak hebben op extra verlof. Voorwaarde hierbij is wel
                    dat het onregelmatige arbeidspatroon van de ambtenaar dan wel de evengenoemde
                    plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in belangrijke mate geldt.</al><tussenkop>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit aan de ambtenaar
                    geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de ambtenaar
                    redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op de hoogte
                    wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en
                    andere redenen van afwezigheid (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van
                    afwezigheid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw.
                    Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en
                    afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit Europese richtlijn
                    2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof. In de CAR wordt
                    echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en bovenwettelijk verlof.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn
                    herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een advies
                    geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol als bedoeld
                    in artikel 7:9 lid 4 CAR.</al><al>De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van het verlofsaldo. Op grond
                    van artikel 6:1 wordt gedurende de vakantie de bezoldiging doorbetaald zonder de
                    korting die eventueel al geldt gezien de duur van de ziekte.</al><al>In het geval waarin de ambtenaar in het kader van een medische behandeling of
                    therapie elders moet verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een
                    vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het – voor deeltijders naar een
                    volledige dienstbetrekking herrekend – salaris van de ambtenaar per maand
                    (artikel 1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de
                    schaal dat op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt
                    verleend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag (zie
                    artikel 3:1, tweede lid onder b CAR).</al><tussenkop>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                    redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                    dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                    verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                    verjaard.</al><tussenkop>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                    vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten
                    vakantie-uren als niet verleend worden beschouwd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                    vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade.</al><al>Bij geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                    vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets waar
                    geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in een
                    volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen
                    van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de situatie niet of
                    niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met
                    inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid 3.</al><al>Deze bepaling geeft overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlof-uren te
                    schrappen (met uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                    doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                    bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame uitwerking
                    zal hebben.</al><al>Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen aantonen,
                    bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de behandelend of controlerend
                    arts, dat hij gedurende die periode nog niet genezen was en dat er uit medisch
                    oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat er een
                    heilzame uitwerking werd verwacht.</al><al>Er wordt tijdens deze periode geen verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de
                    ambtenaar namelijk ziekteverlof gedurende welke niet nog eens verlof uit andere
                    hoofde kan worden opgenomen.</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                    verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3, vierde lid.</al><al>Indien het aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren
                    slechts een gering aantal betreft - het college dient dan in een besluit te
                    bepalen hoeveel - kan een verzoek tot overboeking achterwege blijven. Het
                    overboeken geschiedt dan automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren
                    dat dit aantal verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het
                    spreekt vanzelf dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg
                    dient te worden gevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt tijdens
                    zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen van een
                    verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp betrekking
                    hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden.
                    Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende
                    dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van het op
                    grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een
                    ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 187,2 uren vakantieverlof kan, wanneer op
                    zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend
                    kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij op
                    verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende
                    verlofuren worden vervolgens naar het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><tussenkop>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het
                    wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof
                    in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn
                    van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld
                    omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet.
                    Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel
                    een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een
                    loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan
                    hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de
                    ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een
                    onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</tussenkop><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt,
                    wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan hoe
                    dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een duidelijk
                    onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen “vervallen” en
                    “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt het recht op verlof
                    onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een termijn. De
                    uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid. Bij verjaring
                    komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het verstrijken van de termijn,
                    maar kan dit door middel van een schriftelijke verklaring van de rechthebbende
                    medewerker worden ‘gestuit’. De strekking van deze verklaring moet zijn dat
                    betrokkene de beschikking wil houden over het verlof dat dreigt te verjaren. Het
                    gevolg van stuiten is dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en de
                    medewerker zijn aanspraak op het verlof behoudt. Dit laatste wil overigens niet
                    zeggen dat hij er ook altijd over kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel
                    6:2:6, derde lid, UWO.</al><tussenkop>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op vakantietoelage
                    gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak heeft op bezoldiging
                    (bijvoorbeeld tijdens een periode van non-activiteit). Voor de berekening van
                    een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand gesteld op 30
                    dagen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand wordt
                    berekend over de in die maand geldende bezoldiging. De omschrijving van het
                    begrip bezoldiging in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, leidt ertoe dat ook
                    over de in de bezoldigingsregeling genoemde toelagen vakantietoelage berekend
                    dient worden. Een onkostenvergoeding wordt niet gerekend tot de toelagen. De
                    minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per maand.</al><tussenkop>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van de bezoldiging wordt
                    ingehouden in geval van een disciplinaire maatregel of een schorsing, over deze
                    periode geen vakantietoeslag wordt uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit
                    expliciet bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval,
                    dan ontvangt betrokkene een vakantietoeslag over dat deel van de bezoldiging dat
                    niet is ingehouden.</al><tussenkop>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                    2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de
                    Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen om betaald werk te
                    combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                    vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kort verzuimverlof, zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg, kraamverlof,
                    ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Wazo zijn niet
                    opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                    toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                    aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende aanspraken
                    bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling
                    uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Bij die
                    gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties op grond waarvan
                    calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend, verruimd. Daarbij
                    gaat het om de introductie van het criterium ‘onvoorzienbaarheid’ en de
                    toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd
                    te plannen arts- of ziekenhuisbezoek – of de noodzakelijke begeleiding daarbij –
                    als reden voor het toekennen van verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en
                    kraamverlof is geregeld in de artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief>Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo
                    geregeld dat het kraamverlof kan worden uitgebreid met drie dagen, door een
                    ‘voorschot’ te nemen op het (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en
                    ander is geregeld in artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><tussenkop>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                    voltrokken.</al><tussenkop>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo).Voor een
                    inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het langdurend
                    zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014, 565).
                    Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en langdurend
                    zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de eerste en
                    tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving. Behalve in
                    het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook langdurend zorgverlof
                    worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging bij ziekte of
                    hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:9 tot
                    en met 5:16 Wazo.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                    geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn
                    bezoldiging over de uren dat hij langdurend zorgverlof geniet.</al><al><vet>Lid 2 tot en met 7</vet></al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                    vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                    langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                    zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op
                    zijn volledige bezoldiging, wordt de vermindering van de duur van de vakantie
                    beëindigd en vindt de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de
                    volledige bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                    aangelegenheden.</al><al>Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de eigen of een andere
                    organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de voorvergadering en de vergadering zelf.
                    Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de
                    vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                    zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                    uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                    verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de lokale
                    omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in
                    de vakorganisaties actieve leden etc. Een nadere regeling kan bijvoorbeeld
                    voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof wordt geweigerd op
                    grond van het dienstbelang.</al><tussenkop>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg. Voor een
                    inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het kortdurend zorgverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014, 565), waarbij de kring
                    van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan worden opgenomen is
                    verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad, huisgenoten en andere
                    personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de
                    artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16 Wazo.</al><al><cursief>Samenloop met andere verlofvormen</cursief> De wetgever heeft het
                    noodzakelijk geacht om een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse
                    verlofvormen. Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de
                    voorwaarden voor calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend
                    zorgverlof. In dat geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om
                    voor calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof verleend wordt met behoud van
                    de volledige bezoldiging. In artikel 5:8 Wazo is daarom bepaald dat indien zowel
                    is voldaan aan de voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als aan de
                    voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het calamiteitenverlof na één dag
                    eindigt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledige betrekking ten
                    hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de
                    ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a verruimd is naar maximaal
                    40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                    ambtenaar met een betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week, naar
                    evenredigheid wordt verminderd.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft voor
                    rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de werkgever
                    komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de inlevering
                    van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om het verlof op een
                    later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de
                    verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                    gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                    maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                    overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt geen
                    pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders, gedeputeerden of
                    hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn benoemd een pensioen
                    op op basis van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (Appa). De vut- en
                    AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter, op grond van de Pensioenovereenkomst
                    blijft de verdeling van het verhaal ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten
                    van het werkgeversdeel, maar hij kan het werknemersdeel wel verhalen op de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet toereikend
                    blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om het overlijden
                    van een verwant te verwerken (rouwverlof). </al><al>Het verlof kan met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging worden
                    verleend. Wanneer er sprake is van een gedeeltelijke doorbetaling van de
                    bezoldiging kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit
                    de levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a. </al><tussenkop>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                    zoals bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                    6:10, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Voor een
                    inleidende toelichting op de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting op artikel
                    6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het ouderschapsverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565). Daarbij zijn
                    zowel de eis dat men een jaar in dienst van de werkgever moet zijn, als de
                    regels met betrekking tot de wijze waarop het verlof kan worden opgenomen, komen
                    te vervallen. Een andere belangrijke wijziging betreft het recht om – behoudens
                    een zwaarwegend dienstbelang aan de kant van de werkgever – een eenmaal
                    toegekend recht op ouderschapsverlof te onderbreken of op te schorten (artikel
                    6:6 lid 2 Wazo).</al><al>Het ouderschapsverlof is geregeld in de artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo.</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op
                    grond van de Wazo, recht heeft op een gedeeltelijke doorbetaling van zijn
                    bezoldiging over ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. Deze
                    regeling geldt voor die gemeenten waarin lokaal een regeling betaald
                    ouderschapsverlof vastgesteld is of wordt.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                    ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, heeft
                    recht op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging over dit verlof,
                    gedurende ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. De doorbetaling
                    bedraagt het in het tweede lid aangegeven percentage van de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                    aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                    (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                    zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek wordt
                    gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten ouderschapsverlof op een
                    later moment kan worden opgenomen, zolang aan de voorwaarden daarvan wordt
                    voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het college niet eerder gevolg te
                    worden gegeven dan vier weken na het verzoek.</al><tussenkop>Artikel 6:5:1 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</tussenkop><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                    ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt wel
                    het recht op ouderschapsverlof volgens de Waz, doch zonder doorbetaling van de
                    bezoldiging. Voor het ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn de
                    bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 van overeenkomstige
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 6:5:3 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                    overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                    bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                    arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene
                    tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis),
                    van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis
                    x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                    verlofaanspraak op jaarbasis).Een uitzondering wordt gemaakt voor die gevallen
                    dat het ouderschapsverlof wordt genoten en de ambtenaar ziek wordt. Indien deze
                    ziekteperiode langer duurt dan 14 kalenderdagen, wordt de korting van het
                    vakantieverlof beëindigd en vindt derhalve vanaf de vijftiende kalenderdag weer
                    volledige opbouw van het vakantieverlof plaats (artikel 6:5:4, tweede lid).</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>Lid 3 bepaalt dat de opbouw van de vakantietoelage tijdens ouderschapsverlof
                    plaatsvindt op basis van de bezoldiging, die tijdens het ouderschapsverlof wordt
                    doorbetaald. Bij betaald ouderschapsverlof wordt dus gedeeltelijk
                    vakantietoelage opgebouwd. Bij onbetaald ouderschapsverlof wordt geen
                    vakantietoelage opgebouwd.</al><al>Wanneer sprake is van ziekte gedurende het ouderschapsverlof en deze ziekte
                    duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt de korting van de bezoldiging beëindigd
                    en vindt derhalve vanaf de vijftiende kalenderdag weer opbouw van de
                    vakantietoelage plaats over de gehele bezoldiging (artikel 6:5:4, vierde lid).
                    Dit geldt, ongeacht of er sprake is van betaald of onbetaald
                    ouderschapsverlof.</al><tussenkop>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De terugbetaling van de bezoldiging betreft de bezoldiging die is betaald over
                    de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof heeft genoten. Dit geldt
                    alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1 (ontslag op verzoek) en artikel 8:13
                    (ontslag als disciplinaire straf).</al><al>Als een ambtenaar het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor
                    de toepassing van artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als
                    een afzonderlijk deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld.
                    Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft
                    van zijn betrekking. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                    ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Op 1-05-2002
                    wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                    niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de tweede
                    periode van ouderschapsverlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                    indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                    bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                    buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                    veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering wordt
                    verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft
                    gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door
                    geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
                    Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                    terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Onder het aanvaarden van een betrekking voor minder uren dan hij direct
                    voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek
                    om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit worden
                    vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander
                    is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen voor
                    de helft van zijn betrekking. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn
                    feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze
                    ambtenaar wordt bezoldigd volgens schaal 8.De ambtenaar verzoekt binnen drie
                    maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                    werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                    Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, de
                    bezoldiging die hij genoot over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof
                    gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld betekent dit dat betrokkene over
                    zes uur bezoldiging dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50%
                    bezoldiging.Indien er ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week
                    en de aanstelling wordt binnen drie maanden na afloop van het ouderschapsverlof
                    op verzoek van betrokkene met zes uur verminderd, geldt dat de bezoldiging die
                    hij genoot over de vier uur ouderschapsverlof terugbetaald dient te worden; dus
                    4 uur x 26 weken x 50% bezoldiging.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof gaat
                    genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                    terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                    genoemd.</al><tussenkop>Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al>Deze overgangsregeling is bedoeld voor ambtenaren die op 31 december 2005 ten
                    minste één jaar in dienst zijn van de gemeente en die op die datum één of meer
                    kinderen hebben die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen
                    ouderschapsverlof genoten is. De overgangsregeling is inhoudelijk een
                    voortzetting van de regeling zoals die gold op 31 december 2005. De ambtenaar
                    die gebruikmaakt van de overgangsregeling betaald ouderschapsverlof komt in
                    principe ook in aanmerking voor de fiscale tegemoetkoming van de
                    Belastingdienst. De ambtenaar ontvangt dan over de uren dat hij betaald
                    ouderschapsverlof geniet het percentage van de bezoldiging zoals bepaald in het
                    tweede en derde lid minus de daaraan gekoppelde ouderschapsverlofkorting waarop
                    de ambtenaar aanspraak kan maken bij de Belastingdienst. Of hij dit maximale
                    bedrag daadwerkelijk krijgt, doet niet ter zake.</al><tussenkop>Artikel 6:6 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                    (Wazo).Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari
                    2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname van de baby
                    het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van de moeder het
                    resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder kan het
                    bevallingsverlof vanaf de 6e week na de bevalling gespreid worden opgenomen. Het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de artikelen 3:1 t/m 3:1a,
                    3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
                    mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                    doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van de volledige
                    bezoldiging. Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de periode van het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een uitkering (artikel 3:7 lid 1
                    Wazo). De hoogte van de uitkering in geval van zwangerschap en bevalling
                    bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een vastgesteld
                    maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag van deze uitkering wordt in mindering
                    gebracht op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar recht heeft.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof de
                    bezoldiging door te betalen. De vrouwelijke ambtenaar moet tijdig aan de
                    werkgever de informatie overleggen die de werkgever nodig heeft voor het
                    ontvangen van de uitkering op grond van de Wazo (artikel 3:11 Wazo).Als vanwege
                    schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt verstrekt kan dit geheel
                    of gedeeltelijk in mindering worden gebracht op de bezoldiging. Er wordt dan een
                    fictieve uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om
                    verrekening van de bezoldiging met de uitkering wegens zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is de ambtenaar verplicht mee te
                    werken aan de uitbetaling van de Wazo-uitkering door het UWV aan de
                    gemeentelijke werkgever.</al><al><cursief>Ziekte voor zwangerschapsverlof</cursief> Er kan sprake zijn van een
                    situatie dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde periode voor ingang van haar
                    zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                    gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                    zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien
                    van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan
                    betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt dan van tevoren was gekozen.
                    De periode van het bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake of
                    een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte
                    wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel dat de
                    vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><tussenkop>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo).
                    Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het adoptie- en
                    pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014,
                    565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden opgenomen binnen
                    een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in
                    de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 4</vet></al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de uitkering
                    aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de
                    datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid
                    2). De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever en de werkgever
                    betaalt de volledige bezoldiging door. De ambtenaar verleent op verzoek van de
                    werkgever alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen
                    van de uitkering ter zake het adoptie- en pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar
                    geen volledige medewerking verleent ten aanzien van de aanvraag van de uitkering
                    kan dit leiden tot een korting op de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                    termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht bestaat
                    op doorbetaling van de volledige bezoldiging niet op. Dit betekent dat indien
                    een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte adoptie- en pleegzorgverlof geniet,
                    het verlof onderdeel uitmaakt van de termijn van 6 maanden.</al><al><cursief>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</cursief> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel
                    recht heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als
                    op een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor
                    adoptie of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband
                    met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                    uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                    verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                    Wazo).</al><tussenkop>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                    levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en maximaal
                    18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de
                    sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor
                    ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de
                    vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt
                    dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van hoofdstuk 6a
                    CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn
                    levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname van het levenslooptegoed
                    wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                    aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan
                    te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals
                    die worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit
                    artikellid mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het
                    toekennen van verlof dat korter dan een maand duurt. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                    beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag
                    voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald
                    verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot
                    uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                    toegekend. </al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                    daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het verzoek
                    zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld
                    roostertechnische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen
                    in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de
                    belangen van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                    wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                    verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen
                    is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen nadeel
                    ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar. </al><al><vet>Lid 9</vet></al><al> Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie
                    jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd als een
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit
                    argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                    zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                    maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake indien
                    toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="b"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof
                    geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. </al><al>Omdat een eventuele maandelijkse uitkering van het levenslooptegoed van artikel
                    6a:9 CAR niet kan worden aangemerkt als salaris noch als bezoldiging vindt over
                    de opgenomen uren van onbetaald verlof ook geen opbouw van de vakantietoelage,
                    levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering plaats. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook
                    gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een
                    verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg
                    voor de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten
                    van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is
                    immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                    arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een
                    uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer
                    het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een
                    vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                    verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                    situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                    betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt zorg
                    voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele
                    periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                    van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de ambtenaar
                    enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij verlof van maximaal drie
                    maanden door het college betaald. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato
                    vastgesteld. De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is
                    geregeld in het pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de
                    premieverdeling tussen het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven
                    in welke mate pensioen wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en
                    hoe het college de premie moet verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1"><al>Pensioen opbouwen</al><al><cursief> Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</cursief> Bij
                            onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende de gehele
                            verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen sprake van verlof
                            is (artikel 3:4, eerste lid, van het pensioenreglement). De ambtenaar
                            blijft dus ongewijzigd pensioen opbouwen.</al><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70% van het
                                    inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof
                                    was gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het inkomen dat
                                    zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan.
                                    Dit is alleen in het eerste jaar. Daarna stopt de opbouw. De
                                    ambtenaar heeft dan wel de keuze om nog pensioen op te bouwen op
                                    basis van een individueel vastgestelde premie.</al></li><li nr="-"><al> Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het inkomen
                                    dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was
                                    gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op de
                                    levensloopuitkering die de medewerker geniet. Ook in deze
                                    situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan kiezen voor
                                    voortzetting van pensioenopbouw op basis van een individuele
                                    premie. Dit is bepaald in artikel 16.6 van het
                                    pensioenreglement.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Premieafdracht pensioen</al><al>Als een ambtenaar onbetaald verlof opneemt (ongeacht of het wordt
                            gefinancierd door levenloop) voor een periode korter dan drie maanden
                            dan blijft de premieafdracht ongewijzigd. Het college betaalt dus 70%
                            van de premie en de ambtenaar 30% (voor de FPU-premie geldt
                            50%-50%).</al><al>Als de ambtenaar onbetaald verlof wil opnemen voor langer dan drie
                            maanden betaalt hij vanaf de eerste verlofdag de volledige
                            pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het verlof financiert met
                            levenloop dan stopt de pensioenopbouw op basis van de doorsneepremie van
                            het ABP na één jaar. De ambtenaar kan ervoor kiezen om de opbouw voort
                            te zetten. Hij betaalt dan zelf de volledige individuele premie.</al><al> Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet met levensloop dan
                            loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis van de
                            doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige premie
                            zelf.</al><al> Voor de pensioenvormen ANW, AAOP (arbeidsongeschiktheidspensioen) en
                            FPU (VUTfondsbijdrage) vindt geen opbouw plaats. Er moet wel premie
                            worden afgedragen. Met die premie worden de uitkeringen gefinancierd van
                            (ex)-deelnemers van het ABP die recht hebben op die uitkering. Hieraan
                            kunnen de premiebetalers geen rechten ontlenen.</al></li><li nr="3"><al>Verhalen premie</al><al>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet op een van de volgende
                            manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof houdt het college daar de door de ambtenaar
                                    verschuldigde pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="-"><al> Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen
                                    op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de
                                    gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet verzekerd
                    voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode geen loon en
                    daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer
                    ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                    Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden
                    duurt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee weken. Op
                    grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn
                    dienstbetrekking niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                    ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                    gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                    wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                    voorafgaand aan pensionering wordt genoten. </al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet stopt
                    bij ziekte. </al><al>Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof de dag dat de
                    ambtenaar zijn arbeid weer zou kunnen gaan vervullen na de periode van verlof
                    als hij niet ziek zou zijn geweest. </al><tussenkop>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                    recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                    karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                    samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                    verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel
                    6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                    bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                    grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                    opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                    werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de ambtenaar
                    die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van artikel 6:6 CAR de
                    volledige bezoldiging doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><tussenkop> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 6a De gemeentelijke
                        levensloopregeling.</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in
                    artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid
                    en zorg is per 1 januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling
                    loonbelasting 2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere
                    uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven.
                    Daarin is onder meer verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk
                    vastgelegde levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door
                    het LOGA uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in
                    artikel 6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een
                    werkgeversbijdrage die de ambtenaar kan sparen in het kader van de gemeentelijke
                    levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in de
                    CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de levensloopregeling
                    rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen
                    die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn of aanvullende
                    afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede
                    komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een
                    globaal overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                    bovenstaande wettelijke regelingen. </al><al><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief> Het doel van de wettelijke
                    levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om op individuele
                    basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om eerder met
                    pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald verlof te financieren.
                    Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De voorziening kan bestaan uit een
                    saldo op een bankrekening of een afgesloten levensloopverzekering. </al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen in
                    de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens
                    niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever zal toestemming
                    voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de bestaande
                    rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen
                    inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR/UWO is
                    opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op
                    onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                    verlof opgenomen.</al><al><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief> De hoogte van het levenslooptegoed
                    is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag maximaal 210% van zijn
                    bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is bereikt mag de werknemer
                    jaarlijks maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon dat in dat jaar door hem
                    wordt verdiend. Zelfs als het tegoed daardoor in de loop van het jaar uitstijgt
                    boven 210% van het bruto jaarloon. Bepalend is de hoogte van het
                    levenslooptegoed per 1 januari. </al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling
                    en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn
                    levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en behaalde
                    vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in
                    jaar x-/-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen
                    binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3.000 (12% * € 25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt het
                    levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000
                    (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon
                    zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen
                    meer sparen. Ook niet als hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen – totdat het levenslooptegoed weer lager is
                    dan het maximum – geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                    periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de waarde
                    van de levensloopverzekering.</al><al>Let op: uitzondering in het geval van demotie Als in het voorafgaande
                    kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden mag op grond van de
                    wet bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van het niet verminderde
                    salaris worden uitgegaan, mits die salarisvermindering het gevolg is van het
                    aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager
                    gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor de
                    ingangsdatum van het pensioen. Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband
                    na het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de
                    omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                    pensioendatum ligt. </al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende spaarperiode</cursief> De
                    werkgever houdt bij deelname van de werknemer aan de levensloopregeling maximaal
                    12% in op het brutoloon van de werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever
                    gestort op een geblokkeerde levenslooprekening of levensloopverzekering naar
                    keuze en op naam van de ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing
                    (loonbelasting en premies volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de
                    levensloopregeling is namelijk de omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat
                    over de bedragen die worden gespaard geen loonheffing verschuldigd is en dat
                    heffing pas plaatsvindt op het moment dat deze bijdragen tot uitkering komen.
                    Ook is over deze bedragen geen inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage
                    verschuldigd zoals bedoeld in artikel 41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen
                    zijn wel de gebruikelijke premies werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende verlofperiode</cursief>
                    Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden gebruikt om eerder met pensioen te
                    gaan of om periodes van onbetaald verlof te financieren. Op dat moment maakt de
                    instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht het tegoed (periodiek)
                    over naar de werkgever. De werkgever houdt de verschuldigde loonheffing en de
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in en maakt het resterende tegoed
                    (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever is op grond van de wet verplicht
                    de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                    heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                    bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht op
                    een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting
                    moet door de werkgever in mindering worden gebracht op de verschuldigde
                    loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag dat wordt opgenomen van
                    het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de korting bij opname
                    van verlof.</al><tussenkop>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                    pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                    levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling hij
                    de levenslooprekening (of –verzekering) wil onderbrengen.</al><al>Onder levenslooptegoed valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in
                    zijn ambtelijke dienstbetrekking opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed
                    opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige. </al><tussenkop>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college kan de deelname
                    enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die zijn gesteld in
                    artikel 6a:4 CAR. </al><al>Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de ambtenaar deelnemen aan
                    de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de deelname wordt beëindigd op grond
                    van artikel 6a:8 CAR. Het college heeft wel de wettelijke mogelijkheid om
                    inhoudingen op het loon ten behoeve van de levensloopregeling te corrigeren als
                    blijkt dat de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                    overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van artikel
                    7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per jaar
                    melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het college
                    of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                    levenslooptegoed heeft opgebouwd. </al><al>Indien de ambtenaar meerdere dienstbetrekkingen tegelijkertijd vervult, hoeft
                    hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij andere inhoudingsplichtigen
                    niet door te geven aan het college. </al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is
                    opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het
                    levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                    ziektekostenbijdrage op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in
                    beginsel ook indien de werknemer niet meer in dienst is bij deze
                    inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstbetrekking
                    aanvaardt, wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                    werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is
                    slechts anders indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                            werkgever; of,</al></li><li nr="-"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                            inhoudingsplichtige bij wie de werknemer op dat moment in
                            dienstbetrekking staat. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in
                            dienst is bij een andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                    binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor
                    hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer aan de
                    levensloopregeling van meerdere werkgevers tegelijk deelneemt, geldt de 210%
                    grens per dienstbetrekking.</al><al>Voorbeeld 1 Ambtenaar X heeft bij werkgever A een levenslooptegoed opgebouwd van
                    € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuwe
                    dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel aan de
                    levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig ten
                    aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                    uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie
                    artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof
                    meer verlenen.</al><al>Voorbeeld 2 Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuwe
                    dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de nieuwe werkgever
                    deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van € 30.000 wordt nu
                    geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is inhoudingsplichtig ten
                    aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het totale levenslooptegoed
                    van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het levenslooptegoed kan blijven
                    staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling waar het is opgebouwd.</al><al>Voorbeeld 3 Ambtenaar X gaat naast zijn dienstbetrekking met werkgever B een
                    tweede dienstbetrekking aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever gaat de
                    ambtenaar deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al
                    inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft
                    werkgever C geen rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                    werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al>Voorbeeld 4 Ambtenaar X neemt deel aan zowel de levensloopregeling van werkgever
                    B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B bedraagt € 15.000, zijn inkomen
                    bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide werkgevers moeten ieder kalenderjaar
                    toetsen of het maximum is bereikt om te bepalen of de werknemer nog mag sparen
                    in het betreffende kalenderjaar. Bij werkgever B bedraagt het levenslooptegoed
                    op 1 januari € 30.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon zijnde €
                    15.000. Daarom mag X in het aankomende kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen
                    binnen de levensloopregeling bij werkgever B. Bij werkgever C heeft de ambtenaar
                    nog geen levenslooptegoed opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in
                    het aankomende kalenderjaar 12% van € 20.000 sparen binnen de
                    levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling na
                    afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                    ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het college
                    moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens
                    blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                    inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ambtenaar bij
                    meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een levensloopregeling. </al><tussenkop>Artikel 6a:5 Inleg (T)</tussenkop><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                    sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de
                    jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstbetrekkingen naast elkaar heeft,
                    geldt het maximum per dienstbetrekking. Het wettelijke maximum van 12% geldt
                    niet voor de ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet
                    de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                    overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                    maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn uitbetaald. </al><tussenkop>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</tussenkop><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking van
                    de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale loon vallen
                    als bron aangewezen. </al><al>Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde voor 1 april 2006
                    kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak met de ambtenaar tot
                    het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt omgezet in een
                    geldbedrag.</al><tussenkop>Artikel 6a:7 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van
                    tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel 6a:3 CAR).
                    De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een melden dat hij
                    wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    in ieder geval beëindigd wordt. </al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                    ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn dienstverband
                    eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                    die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed
                    contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding van de verschuldigde
                    loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit vroegere
                    dienstbetrekking). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed te besteden
                    aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale ruimte
                    is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die de
                    instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht. </al><tussenkop>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</tussenkop><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een periode
                    van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente wordt in die
                    situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of onverwachte
                    afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in de Wet op de
                    Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                    college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek) uitkeren
                    aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering bij verlof
                    wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage,
                    pensioenpremies en eventuele andere inhoudingen ingehouden.De ambtenaar meldt
                    het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel
                    van) zijn levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn
                    die geldt voor de aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR).
                    De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                    onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts
                    tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof
                    wordt toegekend.De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                    het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de ambtenaar
                    samen daarvoor toestemming hebben verleend.Aan de hoeveelheid levenslooptegoed
                    die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen
                    bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan
                    de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000
                    verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan levenslooptegoed opnemen
                    voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening
                    worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt
                    deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog
                    maar € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen.Het laatstgenoten loon is het
                    reguliere loon dat voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd
                    ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                    algemene salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                    laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden
                    met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige.De opname van het
                    levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als bezoldiging. Daarom behoort de
                    opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van de
                    vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR.
                    Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                    uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals bedoeld in artikel 3:1,
                    lid 2, sub b CAR.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn geen
                    verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                    levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw van
                    extra pensioen. </al><tussenkop>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder hoofdstuk
                    9 en 9b.</al><al>Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                    leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op grond van
                    artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel FLO-ontslag wordt
                    verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht
                    personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn gemaakt, hebben zij
                    geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="-"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij
                            een ambulancedienst; en</al></li><li nr="-"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college
                            krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="-"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft vervuld, op
                            grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                            2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                    hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de ambtenaar
                    die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was
                    bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel onder hoofdstuk
                    6a.</al><tussenkop>Artikel 6a:11 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 7:1 Definities (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief> Sub a</cursief>De definitie van passende arbeid komt overeen met de
                    definitie die sinds de invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel
                    658a van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.</al><al>In zijn algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet geval
                    aan de hand van de omstandigheden te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat
                    het bij passende arbeid moet gaan om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar
                    kan worden opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de
                    gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, de bezoldiging en hetgeen waartoe
                    de ambtenaar nog in staat is. Hierbij geldt dat naarmate de
                    arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van de te
                    verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij
                    concessies doet met betrekking tot de door hem te verrichten werkzaamheden, als
                    reïntegratie in de eigen functie niet tot de mogelijkheden behoort. Dit leidt
                    ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet als passend moet worden
                    aangemerkt, op een later moment -door wijziging van de omstandigheden- wel als
                    passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
                    of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden
                    verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en
                    ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar
                    tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                    belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook overigens in
                    redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens
                    arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
                    meer tot de reële mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet
                    in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                    overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid
                    noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
                    ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden
                    arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip
                    passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al> De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste instantie
                    ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te
                    kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag
                    worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij
                    voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                    daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                    vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze
                    mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat wanneer
                    de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede lid, onder b, de
                    bezoldiging niet uit te betalen, de bezoldiging alsnog aan de ambtenaar moet
                    worden uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion ingevolge
                    artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                    gesteld.</al><al>Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de werkgever –
                    als de ambtenaar ziek is – te zoeken naar passende arbeid (artikel 7:9).
                    Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer deze
                    wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                    weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub b</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden
                    verricht met oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die
                    uren ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van
                    zijn bezoldiging. Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                    arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                    afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                    deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. Bij het maken
                    van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het
                    aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de
                    aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                    wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden
                    aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering
                    van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden
                    te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub c</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met
                    het oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel
                    7:3, zesde lid, onder d, over deze uren recht op de doorbetaling van zijn
                    volledige bezoldiging. Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk maakt
                    dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                    verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een
                    passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de
                    ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door
                    een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De
                    afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden
                    (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                    ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te
                    sanctioneren.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel 7:24a,
                    7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                    arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de ambtenaar
                    die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                    praktische opleiding of vorming.</al><tussenkop>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat
                    betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in de
                    artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                    UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                    UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><al>Voor alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</tussenkop><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich bij de
                    begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te
                    verrichten te laten bijstaan door een deskundige die gecertificeerd is op het
                    terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of een arbo-dienst. Dit houdt
                    onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                    reintegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde deskundige of de
                    arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een probleemanalyse en een
                    advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte
                    opgesteld moet zijn.</al><tussenkop>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan een
                    geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                    bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt voor
                    de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid geniet. Het
                    kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                    functie een medische oorzaak heeft.</al><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de ambtenaar verplicht zich aan een
                    dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel 7:13:2 is de sanctie neergelegd
                    indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen aan een dergelijk
                    onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    De brochure ‘Slim omgaan met subsidies voor arbeidsgehandicapten’ van het
                    A+Ofonds geeft hierover uitgebreide informatie.</al><tussenkop>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt
                    aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is
                    gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld
                    moet een verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                    ziekte. Onder het begrip ‘ongeschiktheid tot werken’ verstaat de Centrale Raad
                    het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
                    verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert de Centrale
                    Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad,
                    sprake zijn van een ‘de gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig
                    gebeuren’. </al><al><vet>Lid 1, 2, 3 en 4</vet></al><al> In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime van
                    de hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de
                    eerste ziektedag wordt de bezoldiging gedurende zes maanden volledig
                    doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende maand tot en met de
                    twaalfde maand recht op 90% van zijn bezoldiging. Na twaalf maanden van ziekte
                    heeft de ambtenaar recht op 75% van zijn bezoldiging. Na 24 maanden van ziekte
                    heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn
                    dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4,
                    die de hoogte van de doorbetaling van de bezoldiging bepalen tijdens ziekte zijn
                    hier niet van toepassing. In artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op de
                    doorbetaling van haar volledige bezoldiging. Dit geldt ook als de ambtenaar ziek
                    is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft met andere woorden voorrang boven de financiële
                    aanspraken die gelden tijdens ziekte. </al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                    ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof en daarna.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in
                    het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                    onderdelen a, b en c. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak
                    bestaan op de gehele bezoldiging.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste 50%
                    van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader
                    van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in het zesde lid,
                    heeft recht op een bonus van 5%, berekend over de bezoldiging waarop hij recht
                    heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100% over de
                    gewerkte uren en uren van scholing in het kader van de reïntegratie een extra
                    reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een ambtenaar heeft in het eerste
                    ziektejaar geen recht op de bonus. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al> Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari
                    2005, vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke
                    behandeling tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het begin
                    van de zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de
                    zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag
                    worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                    het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die
                    zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging
                    van haar bezoldiging. Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom
                    strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld
                    dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld
                    in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer
                    duurt voordat de bezoldiging van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt. </al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster is met ingang van 1 februari 2006
                    ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei 2006 (zij is dan
                    3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens zwangerschapsklachten
                    (minder dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006
                    (1 maand ziek). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor 4 maanden uit wegens
                    een hernia (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van de samentelregeling
                    uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er minder dan 4 weken
                    van herstel tussenligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster dan met ingang van 1
                    september 2006 (dan zijn in totaal – de korte periodes van herstel niet
                    meegerekend – 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90% van haar
                    bezoldiging. De periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode
                    van de hoogte van de loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand
                    zwangerschapsgerelateerd ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar bezoldiging
                    met ingang van 1 oktober 2006 naar 90% bijgesteld. </al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in
                    het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na
                    3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van
                    het tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar bezoldiging
                    tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De periode van de
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de periode waarover de
                    hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge artikel 29a van de
                    Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van
                    haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van bezoldiging bij ziekte met het
                    ziekengeld geregeld.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al> Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg dat
                    ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het
                    verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                    ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit
                    op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet redelijkerwijs
                    worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze perioden
                    samengeteld. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat de bezoldiging op 15 juli
                    2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari 2006) wordt teruggebracht naar
                    90%. Op 15 januari 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75 %
                    en per 15 januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer
                    ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 26 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen
                    van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging op 26
                    oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt teruggebracht naar 90%.
                    Op 26 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75% en per
                    26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de bezoldiging begint te
                    lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006) de
                    bezoldiging wordt teruggebracht tot 90%. Op 19 juli 2007 wordt de bezoldiging
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20
                    augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij
                    is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    terugbrengen van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging
                    op 21 oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na 1 januari 2006) wordt
                    teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens
                    teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het
                    terugbrengen van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari
                    2007 (dit is 6 maanden na 21 augustus 2006) de bezoldiging wordt teruggebracht
                    tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar
                    75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al> Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in een
                    andere betrekking door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel
                    7:16, tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de
                    aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze
                    aanstelling beginnen de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al> Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                    bezoldiging nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan
                    uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten
                    bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het tussentijds
                    stopzetten van de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 14</vet></al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op de
                    bezoldiging niet redelijk is en besluiten tot doorbetaling van de volledige
                    bezoldiging. Deze afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een
                    zodanige gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens
                    objectieve medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt,
                    kan advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de
                    ambtenaar levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar
                    loopt.</al><tussenkop>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                    arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                    dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                    IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                    percentage van de bezoldiging, genoten in het jaar voorafgaand aan het ontslag.
                    De percentages zijn afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. </al><tussenkop>Artikel 7:6 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</tussenkop><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                    overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning in een
                    lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het ligt voor de hand om dit in de
                    lokale bezoldigingsverordening te regelen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</tussenkop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                    artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van
                    het onderwerp ligt het voor de hand om hiervoor de lokale
                    bezoldigingsverordening te gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                    artikel 2:7a (T)</tussenkop><al> Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40 uur
                    werkt, kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor (maximaal)
                    40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing is. Na afloop
                    van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren
                    voor de formele arbeidsduur van 36 uur. Na afloop van deze periode wordt de
                    bezoldiging ook teruggebracht naar een bezoldiging voor 36 uur.</al><tussenkop>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van werkzaamheden
                    in het kader van de reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het
                    kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onder b en c,
                    worden begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan
                    wel plaatsing in een passende functie. </al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de werkgever
                    de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de
                    ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten (eerste spoor). Als bij
                    de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet de werkgever
                    (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De
                    tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek 7,
                    titel 10 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het is mogelijk dat de werkgever en de werknemer van mening verschillen over de
                    aanwezigheid van passende arbeid. Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de
                    werkgever UWV kan verzoeken een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te
                    geven over de aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de
                    werkgever in staat is te verrichten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen voor
                    werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                    opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment dat
                    sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen
                    op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                    worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van aanpak zijn
                    opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het kader van het
                    herstel van de ambtenaar getroffen worden. </al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten
                    worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken
                    van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                    bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                    verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van
                    dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002, Lbr.
                    02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte
                    elementen maken daar onderdeel van uit.</al><tussenkop>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de bezoldiging. Dit
                    is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><tussenkop>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde
                    ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de ambtenaar
                    gelden.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                    onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te
                    verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om hiermee
                    uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering
                    poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het
                    eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie
                    artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken aan het
                    reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                    reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven
                    moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie
                    worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                    sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                    neergelegd in artikel 7:14 (inhouding bezoldiging) en artikel 8:5a (ontslag
                    binnen dan wel na 24 maanden na de eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke
                    grond niet aanvaarden van passende arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV kan
                    verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de
                    aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten.</al><tussenkop>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</tussenkop><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege de
                    bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te
                    kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht, deelt
                    de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het college. </al><al>Op overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                    onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag
                    van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><tussenkop>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</tussenkop><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling van
                    de bezoldiging. Het gaat hierbij om situaties waarin al vrij snel na de eerste
                    ziektedag bekend is dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van de betrekking
                            opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar
                            is;</al></li><li nr="-"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                            waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                            omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de
                            verklaring dat tegen de vervulling van de betrekking geen medische
                            bezwaren bestaan, niet afgegeven zou zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld kunnen
                    worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de
                    eerste dag van ziekte geen recht op doorbetaling van de bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</tussenkop><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de
                    verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies
                    die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. </al><al>De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in
                    dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de
                    situatie weer hersteld is, wordt de betaling van de bezoldiging weer
                    gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in
                    artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van
                    artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te
                    verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de
                    ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat
                    gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de
                    doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar
                    nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of zich niet houdt aan
                    voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als van het gedrag van de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van
                    zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De
                    gemeente moet zich voor het besluit om de bezoldiging te staken dus vergewissen
                    van de geestestoestand van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie weer
                    hersteld is, wordt de betaling van de bezoldiging weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                    ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                    verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het
                            verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader van de
                            reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c)
                            die door het college gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="-"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en </al></li><li nr="-"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                    verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit
                    is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het verzuimprotocol
                    als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16
                    gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de
                    ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt deel uit
                    van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de sanctie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                    voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                    passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                    totstandkoming, evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan van aanpak,
                    kan bestraft worden met inhouding van de bezoldiging. Daarnaast bestaat ook de
                    mogelijkheid van bestraffing met ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden
                    na de eerste ziektedag (artikel 8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                    evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op
                    het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die sinds
                    de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7,
                    titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                    imperatief: de doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt wanneer de
                    ambtenaar het beschreven gedrag betoont.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als van het gedrag van de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen
                    verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt
                    doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De gemeente moet zich voor het
                    besluit om de bezoldiging te staken dus vergewissen van de geestestoestand van
                    de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid de op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 of
                    7:14 niet-uitbetaalde bezoldiging aan anderen dan aan de ambtenaar te betalen.
                    Het kan hierbij gaan om betalingen die aan familieleden worden gedaan. </al><al>Ingevolge het tweede lid wordt de niet-uitbetaalde bezoldiging alsnog uitbetaald
                    wanneer de ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion door het UWV in
                    het gelijk gesteld wordt. </al><tussenkop>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet
                    verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief
                    worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel.
                    Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden
                    voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de
                    ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende
                    arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en 4. </al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van
                    lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer
                    zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                    (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="1"><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude betrekking gehandhaafd
                            blijft, maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt
                            opgedragen;</al></li><li nr="2"><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                            gewijzigd; de oude betrekking van de ambtenaar komt te vervallen en deze
                            krijgt een nieuwe betrekking in passende arbeid.</al></li></lijst><al><cursief> ad 1</cursief> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral
                    voordoen in die gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a"><al>terugkeer in de oude betrekking nog mogelijk wordt geacht en de
                            ambtenaar bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b"><al>(volledige) terugkeer in de oude betrekking niet mogelijk wordt geacht
                            en de ambtenaar tijdelijk een andere betrekking vervult, bijvoorbeeld
                            bij wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al> Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                    aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de
                    ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook
                    is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in zijn eigenlijke functie. Over de
                    uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij recht op de
                    doorbetaling van zijn bezoldiging (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al><cursief>ad 2</cursief>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een
                    uitkering ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de
                    wachttijd voor een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn
                    de zieke medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende
                    functie, zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht
                    heeft op een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn
                    nieuwe functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een wijziging van
                    de aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte zijn
                    verstreken.</al><al> In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                    opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar
                    definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee
                    voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1"><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie </al></li><li nr="2"><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit van
                            de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                            arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a"><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b"><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                    arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al> De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                    herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie onder
                    1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de
                    aanstelling de bezoldiging van de ambtenaar wordt aangepast aan het niveau en de
                    omvang van de nieuwe betrekking. Dit is mogelijk op grond van artikel 3:1,
                    achtste lid. </al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere betrekking door
                    middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de
                    wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in
                    deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen.
                    Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van de
                    bezoldiging altijd uitgegaan van de bezoldiging die geldt voor die nieuwe
                    betrekking. </al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten
                    aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur
                    van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar
                    worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                    verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet tot de
                    mogelijkheden behoort. </al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de bezoldiging te staken, wanneer de
                    ambtenaar zonder deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de
                    beoordeling van de 'deugdelijkheid' van de weigeringgrond zal worden meegewogen
                    of de arbeid wel voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het
                    zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan binnen
                    24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel
                    8:5a biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na
                    1 juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het
                    geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde
                    ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                    restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan,
                    ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7 van hoofdstuk 10d). </al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                    ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een functie
                    gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker
                    definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag.
                    Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden
                    als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie gevonden
                    is voor de volledige restverdiencapaciteit. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het
                    derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten
                    minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van
                    de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn
                    in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder
                    dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te
                    ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde
                    ziektejaar binnen de gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan
                    formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van
                    de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente
                    een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit. </al><al><cursief>Situationele arbeidsongeschiktheid</cursief>In het geval de ambtenaar
                    situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van
                    verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid
                    wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij
                    bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze
                    arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                    waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen.
                    Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van
                    artikel 7:14 en kan de bezoldiging gestaakt worden. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn
                    van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                    van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                    door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start
                    in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12
                    maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken
                    door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen. </al><al><cursief>Ad a </cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                    uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                    melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de
                    wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering
                    gaat dan pas later in. </al><al><cursief>Ad b</cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie
                    van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als belanghebbende een
                    kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het
                    resterend verdienvermogen genoemd worden. </al><tussenkop>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</tussenkop><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp het in
                    mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het
                    kader van de reïntegratie op de bezoldiging nader regelen. Dat betekent dat voor
                    UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of
                    werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging inhoudelijk in
                    artikel 7:18:1 volledig is uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar
                    geen nadere regels aan dit UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten
                    nadere uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor
                    zover noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking (T)</tussenkop><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                    herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld
                    bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in mindering gebracht
                    worden op de bezoldiging waarop hij ingevolge artikel 7:3 aanspraak op heeft.
                    Deze verrekening vindt als volgt plaats. In overleg met de ambtenaar wordt
                    vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan de betreffende werkzaamheden. Op basis
                    hiervan wordt de hoogte van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3,
                    vastgesteld. De inkomsten die de ambtenaar verwerft, worden op de bezoldiging in
                    mindering gebracht. </al><tussenkop>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkeringg (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is dat
                    er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op
                    een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel
                    een uitzondering gemaakt voor de volgende categorie‘n werknemers in actieve
                    dienst:</al><lijst><li nr="-"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="-"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun betrekking te
                            vervullen;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf
                            jaren na aanvang van de dienstbetrekking ongeschikt worden hun
                            betrekking te vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                    krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                    mindering gebracht wordt op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar op
                    grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW indien:</al><lijst><li nr="a"><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz (dus voor de ingang van
                            het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b"><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz, doch die uitkering nog
                            niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
                            haar arbeid Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                            zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke
                            bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek (ongeacht of deze
                            ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het verlof op basis
                            van de Waz in vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                            weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar gedurende veertien weken recht op een Waz-uitkering;</al></li><li nr="c"><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
                            lid, van de Waz is geëindigd (dus na de afloop van het
                            bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de
                            daaraan voorafgaande zwangerschap. </al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                    verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste lid
                    gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW-uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100% van het
                    dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een
                    uitkering hebben. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                    ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete
                    wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                    lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden
                    opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de vermindering. Sancties en boetes in
                    het kader van de ZW worden dus niet gecompenseerd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Om verrekening van de bezoldiging met de ZW-uitkering praktisch mogelijk te
                    maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering cederen aan de gemeentelijke
                    werkgever.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                    Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                    ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                    bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                    meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 (voor ziektegevallen
                    van voor 1 januari 2004 moet hier 18 maanden gelezen worden) maanden na de
                    eerste ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW) op
                    grond van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een uitkering.
                    Wanneer dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te
                    vragen. Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering
                    gebracht op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel
                    7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een medewerker dubbele inkomsten
                    ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten wordt deze op grond van de
                    CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te vragen. Het is echter wel
                    mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit. Eventuele kortingen op de
                    WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht op de doorbetaling van de
                    bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a"><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat
                            artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b"><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op
                            bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA;</al></li><li nr="c"><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                            lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>ad a Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de
                    duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. </al><al>ad b In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de WIA-wachttijd op
                    verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. </al><al>ad c Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet een reïntegratieverslag worden
                    ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond
                    zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen
                    heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende welke de werkgever het loon
                    moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een verlenging van de
                    WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt
                    afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                    sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA pas op
                    een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op de door te betalen
                    bezoldiging na 104 weken ziekte geen WGA- of IVA-uitkering in mindering worden
                    gebracht. Dit betekent dat de werkgever feitelijk na 104 weken ziekte een
                    zwaardere financiële last draagt. In het geval genoemd onder b hiervoor is
                    sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor werkgever én werknemer gunstig
                    zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer krijgt dan niet te maken met
                    een uitkering op grond van de WIA; de werkgever heeft als voordeel dat de
                    Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het feit dat een medewerker een
                    uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen a en c hiervoor kan dit
                    worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor het niet naleven van de
                    reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                    mindering wordt gebracht op de doorbetaling van bezoldiging.</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de door
                    te betalen bezoldiging indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde
                    betrekking. In het geval de betrokkene ondertussen definitief herplaatst is in
                    een andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de
                    WGA-uitkering, voor zover die voortvloeit uit die oude betrekking, niet in
                    mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met
                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter
                    hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de doorbetaling
                    van de bezoldiging, waarop op grond van artikel 7:3 recht bestaat, heeft de
                    ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA- of WGA-uitkering. Dit is
                    het geval na 24 maanden van ziekte, waarna recht op doorbetaling van 70% van de
                    bezoldiging bestaat. </al><al>Niet altijd zal er sprake van zijn dat de door te betalen bezoldiging lager is
                    dan de IVA- of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame
                    arbeidsongeschiktheid. Hiervan is geen sprake iemand eerder voor een
                    IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte wachttijd op grond van artikel 23,
                    zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de IVA-uitkering is al mogelijk vanaf
                    13 weken na de eerste ziektedag. Op dat moment (na 13 weken) is er zelfs nog
                    sprake van 100% loondoorbetaling. Op dat moment vindt dus wel volledige
                    verrekening van de uitkering met de loondoorbetaling plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                    zieke ambtenaar die meer dan één baan heeft. Indien betrokkene voor beide
                    betrekkingen arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond van de
                    WIA worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op doorbetaling van
                    bezoldiging voor één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van
                    de uitkering ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband houdt met
                    de arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato van de bezoldiging
                    uit de beide betrekkingen te worden bepaald. </al><al><vet>Lid 3 t/m 5</vet></al><al> In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                    uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte
                    wordt uitgegaan van een WGA- of een IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat
                    verwijtbaar is aan betrokkene. Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane
                    meerlasten kunnen worden afgewenteld op de werkgever die immers een hoger bedrag
                    aan bezoldiging dient door te betalen ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of
                    niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene te verwijten is. Omdat dit
                    gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in
                    dergelijke gevallen toch een korting op de bezoldiging toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</tussenkop><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond van
                    het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de
                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><tussenkop>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari 2001
                    ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor
                    ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt ná 31
                    januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in
                    verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts
                    bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als
                    een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt, moet
                    gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft bestaan en
                    dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven
                    gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW vallen,
                    komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van
                    hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd betaald. Lid 2 van
                    artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><tussenkop>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd arbeidsongeschikt
                    raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden - en derhalve werkloos
                    wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 2001 aanspraak maken op
                    een WW-uitkering. Derhalve is de garantie-uitkering overbodig geworden voor
                    nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van het eerste
                    lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd. De algemene
                    opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen gelden voor de
                    uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn
                    in een nieuwe betrekking wordt afgeschat en zijn toegenomen
                    restverdiencapaciteit niet volledig kan benutten, omdat hem geen aanvullende
                    werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op grond
                    van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een wijziging
                    van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet gepaard met
                    ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit
                    ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                    arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het niet
                    mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare arbeid. Omdat
                    geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering
                    gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst kunnen worden wel
                    recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte wordt afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden
                    aangeboden (en waardoor de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt),
                    vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                    situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                    suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze
                    gevallen van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die meewerkt aan
                    reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                    worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                    WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief>Een ambtenaar met een bezoldiging van € 2.500,-
                    wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999 wordt hem een WAO-uitkering
                    toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14
                    maanden, op 1 maart 1999, wordt hij definitief herplaatst in een betrekking
                    waarin hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut. De bezoldiging in de
                    nieuwe betrekking bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                    (HPT).</al><al>Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                    arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De werkgever
                    is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te bieden, waardoor
                    de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt
                    de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                    verlies van zijn herplaatsingstoelage.Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                    inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                    garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze garantie-uitkering
                    volledige pensioenopbouw plaats.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat, nadat
                    hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde
                    voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen aanvullende
                    arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                    toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                    herplaatsingstoelage verliest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van de
                    termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de begindatum van
                    de ziekte in de oorspronkelijke betrekking. Verder is de hoogte van de
                    garantie-uitkering gebaseerd op de bezoldiging in de oorspronkelijke
                    betrekking.Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou de betrokkene met
                    ingang van 1 januari 2000 recht krijgt op een garantie-uitkering, tot uiterlijk
                    7,5 jaar na aanvang ziekte in de oorspronkelijke betrekking (1 januari 1998),
                    dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de
                    oorspronkelijke bezoldiging van € 2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1
                    oktober 2002. In de periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering
                    € 1.750,- (70% van € 2.500,-).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering de bezoldiging uit de betrekking
                    waarin de ambtenaar is herplaatst, de WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen
                    en de herplaatsingstoelage in mindering worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten
                    verworven op of na de datum dat de ambtenaar is afgeschat worden op de
                    garantie-uitkering in mindering gebracht.Toegepast op de bovenstaande situatie
                    zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>·</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli
                                        2005</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de
                    volgende situatie (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt
                    weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige
                    restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden
                    (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="4" colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="4" colname="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="4" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="5" colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="5" colname="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="5" colname="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert, verloren
                    laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De
                    sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de ambtenaar uit deze
                    gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar
                    bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar
                    weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering gebracht
                    op de garantie-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met
                    ingang van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende ziektegevallen
                    van op of na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de artikelen terugwerken tot
                    1 januari 2004. Er wordt door middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt
                    in twee groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1
                    januari 2004, hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die
                    golden op 31 december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1
                    januari 2004 valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige
                    bepalingen.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beeindiging van de
                    verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een
                    uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor deze groep
                    medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet op definitieve
                    herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte is
                    verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een WAO-uitkering met de
                    loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met vier
                    van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of na 1
                    januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag
                    lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3,
                    vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest
                    van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een nieuwe
                    ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde geldt voor de
                    zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is herplaatst
                    op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31
                    december 2005 ). Als de medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek
                    wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                    2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag lag op
                    1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel
                    7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht op doorbetaling
                    van 90% van zijn bezoldiging. Met ingang van 1 maart 2006 is de ambtenaar 12
                    maanden ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3, derde lid, recht op
                    doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages van
                    de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                    bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van de
                    bezoldiging).</al><tussenkop>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet een
                    derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                    onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag
                    nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de
                    werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met
                    de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                    periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke
                    duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar
                    geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend
                    voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te worden. </al><al>Het verzoek om ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien een
                    ambtenaar op een dergelijk verzoek wenst terug te komen, en het college heeft
                    nog niet beslist, dan kan de betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke
                    mededeling dat men het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te
                    beschouwen. </al><al>Indien echter het college reeds een ontslagbesluit hebben genomen, is het
                    college niet verplicht op dat besluit terug te komen. Het college heeft wel die
                    bevoegdheid. Een en ander kan afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de
                    stand van zaken in de vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar
                    het verzoek intrekt. Het belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de
                    organisatie afgewogen te worden. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                    verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou
                    moeten worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek tussen
                    één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de medewerker niet
                    koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever niet aan drie
                    maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever.
                    Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                    worden afgewogen. </al><al>Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn per de eerste dag
                    van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen plaatsvinden.</al><al>Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder weg gaat,
                    handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn betrekking nauwgezet
                    te vervullen (artikel 3:1:1, vierde lid).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                    vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig
                    is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze
                    procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar die volledig gebruik maakt van de FPU-regeling heeft reeds voor
                    zijn 65ste ontslag gekregen op grond van artikel 8:11. Ambtenaren met recht op
                    een FPU-uitkering, maar daar niet of niet geheel gebruik van maken hebben op hun
                    65ste nog een (resterende) betrekking. Voor deelnemers met FPU-rechten regelt
                    het ABP dat het pensioen niet eerder kan ingaan dan op de dag dat de deelnemer
                    65 wordt. Er moet dan ontslag wegens ouderdomspensioen worden verleend. De CAR
                    regelt dat dat ontslag ingaat op de eerste van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar 65 is geworden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het bereiken
                    van de AOWgerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt wordt
                    hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is
                    betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te verlenen op grond van
                    artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan ook
                    sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het tweede
                    geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de AOW-leeftijd, is er
                    geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de ambtenaar kiezen om
                    vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is geregeld in artikel 16.1
                    van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                    premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                    werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet
                    langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                    Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd. In het
                    navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Continuering dienstverband (artikel 8:2 CAR)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuw dienstverband (artikel 2:4 CAR, met toepassing 8:2,
                                        derde lid)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van
                                        ambtenaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOWgerechtigde
                                        leeftijd bereikt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Eventueel vrijwillig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie FPU</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WIA</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer noodzakelijk
                    om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn ABP-pensioen vanaf
                    60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag tegenover staat. Het
                    ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor bovenbeschreven situatie.
                    Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus naast elkaar bestaan.</al><tussenkop>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al>Na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is de wens van één van beide
                    partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen. Het maakt hierbij niet uit
                    of er sprake is geweest van een nieuwe aanstelling na het bereiken van de
                    AOW-gerechtigde leeftijd of van het voortzetten van de aanstelling na het
                    bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, op grond van artikel 8:2, derde
                    lid.</al><tussenkop>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de
                    betrekking, wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel danwel
                    wegens een verminderde behoefte aan arbeidskrachten.</al><al>De opgenomen zinsnede ‘of van andere dienstonderdelen’ impliceert dat ontslag in
                    principe ook mogelijk is bij een reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan
                    dat waar de ambtenaar werkzaam is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd
                    is met de redelijkheid, zal ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het
                    ontslag moet immers zijn de overbodigheid en niet slechts het feit van de
                    reorganisatie.</al><al>Uit de jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van een
                    betrekking of tot reorganisatie zakelijke motieven ten grondslag dienen te
                    liggen en niet de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te
                    creëren.</al><al>Indien niet duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een
                    voorkomend geval gehanteerd moet worden, heeft men in principe de vrije keus,
                    mits rekening is gehouden met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                    gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal statuut. Op
                    het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de functie van
                    betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de
                    betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie, kan het ontslagbesluit
                    genomen worden. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de vijf
                    beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond van
                    lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen terugkeren.
                    Als ook geen andere passende functie beschikbaar is, kan het ontslagbesluit
                    worden genomen. </al><al>Als er geen sociaal plan is, kan het ontslagbesluit worden genomen, zodra
                    duidelijk is dat de functie van de medewerker of de functies van een kleine
                    groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat de betrokken
                    medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk is dat er ook
                    geen andere passende functie beschikbaar is. </al><al>Ingeval hoofdstuk 10d van toepassing is, vindt, nadat het ontslagbesluit genomen
                    is, intern en extern een onderzoek plaats naar een andere functie voor de
                    medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens de re-integratiefase op grond
                    van hoofdstuk 10d. </al><al>Na ontslag kan op grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en
                    nawettelijke uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                    worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.
                    Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het
                    ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                    plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die termijn
                    wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de
                    situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar: </al><lijst><li nr="1"><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                            arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2"><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                            100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering. </al></li></lijst><al> Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                    wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid. Het
                    college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA.
                    Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                    aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever
                    kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                    schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                    ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                    verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                    onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in zijn
                    ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    betrekking en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                    voorhanden is (zie lid 2). </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15
                    maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                    april 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden
                    ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006.
                    Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden. </al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008
                    (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In het tiende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling
                    van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een
                    uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen. <cursief>Ad
                        a</cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op
                    de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                        <cursief>Ad b</cursief> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat
                    de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan
                    worden. <cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de
                    WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat
                    de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><tussenkop>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts
                    plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte
                    buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                    wel binnen de genoemde termijnen worden verleend. </al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig
                    ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder
                    dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die
                    minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                    ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er binnen de
                    gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende functie voorhanden
                    is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7:16,
                    derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst. </al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer
                    voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid. Het college
                    betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze
                    voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag
                    van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep. </al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in overleg
                    met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV
                    (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis
                    voor het oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                    gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In week 91
                    stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het
                    reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de
                    werkgever en de ambtenaar. </al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest
                    wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder b). Indien de
                    reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn beoordeeld, volgt
                    de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de arbeidsgeschiktheid
                    van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel van de
                    WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is aan de
                    voorwaarden die zijn genoemd in lid 2. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                    Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                    arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit
                    moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze meest recente
                    WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV
                    ontvangen wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                    maatregel in zijn ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    betrekking en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                    voorhanden is (zie lid 2). </al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief>In artikel 7:16 zijn
                    specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar. </al><al><vet>Lid 3, 4 en 5</vet></al><al> UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een
                    WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard,
                    wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                    herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan
                    gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van
                    de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente
                    herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                    herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot
                    mindere herplaatsingsmogelijkheden. </al><al>Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het tweede lid, en er dus 36
                    maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een mogelijkheid is om de ambtenaar
                    te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na ingang ziekte (dus 3 maanden
                    voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36 maanden) op de hoogte gesteld van
                    het feit dat de ontslagprocedure in gang is gezet. Deze melding is dus niet aan
                    de orde als de ambtenaar gedurende het derde ziektejaar wordt herplaatst op
                    grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt op grond van het tiende lid van
                    dit artikel. </al><al>Dit laat overigens onverlet dat de WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet
                    plaatsvinden.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al> Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al>Voorbeeld I Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009
                    herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek wordt. De
                    periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2 weken na 1
                    januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IIEen medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009
                    herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek wordt. De
                    periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27 april 2009)
                    kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld III Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008
                    herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof.
                    Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter
                    ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden
                    ontslagen.</al><al>Voorbeeld IV Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 1 mei 2009 gaat
                    zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2009. Op 22 augustus
                    2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek. Er
                    zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid ADe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde
                    oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2009 als
                    eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent
                    dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36 maanden + 16 weken na 1 januari
                    2009) kan worden ontslagen.</al><al>Mogelijkheid BDe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een
                    andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012 (dit is 36 maanden na 22
                    augustus 2009) kan worden ontslagen. </al><al>Voorbeeld V Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart
                    2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2008
                    (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij
                    weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde ziekte
                    heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36 maanden + 16 weken na 27 april 2008)
                    kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al> In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte
                    loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd
                    voor een uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen. <cursief>Ad
                    a</cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de
                    eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op. <cursief>Ad b
                    </cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op
                    verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. Deze
                    verlenging schort de periode van 36 maanden op. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                    mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                    deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve
                    herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><lijst><li nr="-"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                            zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de
                            restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="-"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                            aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                            vervuld.</al></li></lijst><al> Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst plaatsvinden.
                    Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 8:5 bepaalt dat
                    in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Artikel 8:5a betekent dat een ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is zijn
                    betrekking te vervullen, ook binnen 24 maanden na de eerste ziektedag kan worden
                    ontslagen, wanneer hij niet meewerkt aan zijn reïntegratie. Concreet uitgewerkt
                    gaat het erom dat zowel binnen als na 24 maanden ontslag gegeven kan worden,
                    indien de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>zich zonder goede reden niet houdt aan redelijke voorschriften en
                            maatregelen (zoals het verrichten van werkzaamheden in het kader van de
                            reïntegratie en het volgen van scholing in het kader van de reïntegratie
                            als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdeel b en c) die hem in het
                            kader van zijn reïntegratie worden opgedragen;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden passende arbeid bij de eigen werkgever dan wel een
                            andere werkgever weigert te aanvaarden;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden niet meewerkt aan de opstelling, evaluatie en
                            bijstelling van het plan van aanpak;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA indient.</al></li></lijst><al>Deze – ultieme – sanctie is gelijk aan de sanctie die sinds de inwerkingtreding
                    van de Wet verbetering poortwachter in artikel 670b, boek 7, titel 10, van het
                    Burgerlijk Wetboek is opgenomen.</al><al>Als de ambtenaar zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA indient,
                    kan de claimbeoordeling voor de WIA niet plaatsvinden en kan de werkgever het
                    resultaat van deze claimbeoordeling niet bij het ontslagbesluit betrekken,
                    terwijl dit verplicht is op grond van artikel 8:4 en 8:5. Als dit de reden is
                    dat geen ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 kan plaatsvinden, mag het
                    college de ambtenaar ontslag verlenen op grond van artikel 8:5a.</al><al>Gedurende het gehele periode van ziekte moet de ambtenaar passende arbeid
                    aanvaarden. Gedurende de gehele periode gaat het hierbij om een functie, waarin
                    de ambtenaar tijdelijk herplaatst kan worden. In het derde ziektejaar kan
                    definitieve herplaatsing alleen plaatsvinden als de arbeid voldoet aan de
                    voorwaarden, genoemd in artikel 7:16, derde of vierde lid. Daarna gelden deze
                    specifieke voorwaarden voor definitieve herplaatsing niet meer. </al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt echter dat de ambtenaar, in ieder
                    geval tijdelijk, passende arbeid moet aanvaarden. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Alvorens tot ontslag over te gaan, moet het UWV toetsen of van de situatie als
                    hiervoor bedoeld sprake is.</al><tussenkop>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                    wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed
                    vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden,
                    niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                    worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als ‘past niet in het team’ zijn niet
                    voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een bepaald gedrag tot
                    gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te zijn tussen dat gedrag
                    en de door de ambtenaar uit te oefenen betrekking. Overigens kan, ondanks
                    gebleken ongeschiktheid, naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                    ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren van de
                    betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in omstandigheden tot het ontstaan
                    en voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                    bijvoorbeeld gedurende langere tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te
                    doen blijken, dan kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen
                    voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er
                    op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                    getolereerd.</al><al>In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en onbekwaamheid vaak
                    moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter vermijden. Zoals reeds vermeld
                    verwacht de administratieve rechter een dossier (beoordelingen,
                    gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen, brieven met klachten;
                    alles wat als bewijs kan dienen).</al><al>De ongeschiktheid mag haar oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten
                    of gebreken. Of dat al dan niet het geval is, kan soms alleen maar worden
                    vastgesteld via een voorafgaand medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek
                    moet een gerede aanleiding zijn.</al><al>(Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid hoofdstuk 10:d).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag.</al><tussenkop>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Deze bepaling vindt zelden toepassing.
                    Het is moeilijk aan te geven wanneer een vereiste alleen bij het aanvaarden van
                    de betrekking geldt. De geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de
                    verklaring omtrent gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van.
                    Een voorbeeld van een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor
                    een chauffeur. Het is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk
                    zijn rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit artikel
                    wordt gegeven. Ontslag kán worden gegeven, getoetst kán dus worden of een
                    ontslagbesluit in redelijkheid kon worden genomen.</al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onder ‘zwagerschap’ wordt hier
                    ‘aanverwantschap’ bedoeld die door huwelijk ontstaat. Het woord ‘aangaan’ duidt
                    op een actieve betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de
                    verboden aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag.</al><al>Over deze ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend.</al><al><cursief><vet>Onderdeel c</vet></cursief>Ook hierover zijn geen gevallen uit de
                    praktijk bekend. </al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel d</vet></cursief>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze
                    ontslaggrond wordt in de praktijk niet gebruikt.</al><al><vet><cursief>Onderdeel e</cursief></vet>Ook een voorwaardelijke veroordeling
                    tot vrijheidsstraf valt in principe onder deze bepaling.</al><al>Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op zijn plaats zijn maar er mag geen
                    sprake zijn van een automatisme. Het is geen strafontslag. Er moet een
                    zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden; volgens de Centrale raad van
                    beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot ontslag van ambtenaren in het
                    algemeen. In een dergelijke afweging van belangen moeten bijvoorbeeld naast de
                    ernst van het begane misdrijf worden betrokken het verband van dat misdrijf met
                    het ambtenaarschap van betrokkene en met de aard van zijn werkzaamheden, de
                    wijze waarop hij in zijn betrekking heeft gefunctioneerd en met name de vraag
                    of, en zo ja welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan voortzetting van het
                    dienstverband, hetzij in de oude betrekking, voor zover die na het ondergaan van
                    de straf nog bestaat, hetzij in een andere betrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f</cursief></vet>Ontslag kan worden verleend als tijdens
                    de medische keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens
                    zijn verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene
                    niet zou zijn aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest.
                    Van een en ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden
                    gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig verschillende
                    persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar
                    moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk
                    blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen samenwerken
                    (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan
                    is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten minste
                    in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de gerezen
                    moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt
                    wel met een ander zal kunnen samenwerken.</al><al> De raad kan ten aanzien van het te voeren financiële beleid bij de uitoefening
                    van de werkgeverstaak bij de begroting aan het college een budgettaire ruimte
                    toekennen om aan medewerkers waarvan om bijzondere redenen de aanstelling wordt
                    beëindigd een uitkering te verstrekken. De raad kan daarover ook
                    beleidsafspraken maken. Immers, ook in het dualistisch stelsel is het
                    vaststellen van een uitkering die afwijkt van de normale aanspraken of een
                    vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad invloed zal moeten kunnen
                    uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening gerapporteerd over de feitelijke
                    consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad. Het
                    college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel 8:8.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. </al><al> In ‘lichtere’ gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen gemaakte
                    beleidsafspraken, zal het college tot de afweging kunnen komen dat het niet
                    nodig is de raad te informeren. De concrete invulling van de inlichtingenplicht
                    zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Raad en college
                    kunnen daarover zelf afspraken maken. Indien het nodig zou kunnen zijn om de
                    raad te informeren over het voorgenomen besluit, dient dit tijdig kenbaar
                    gemaakt te worden door middel van een voorbehoud. </al><tussenkop>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                    non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar die na
                    afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om een
                    passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende functie
                    binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><tussenkop>Artikel 8:10 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 2006 is de FPU-regeling van het ABP komen te vervallen. Een
                    bepaalde groep medewerkers kan nog gebruik maken van een aangepaste
                    FPU-regeling. Dit zijn degenen die geboren zijn vóór 1950 én op 1 april 1997
                    deelnemer waren bij het ABP én dat sindsdien zijn gebleven. Voor hen geldt dat
                    zij nog kunnen worden ontslagen op grond van dit artikel en nog recht hebben op
                    een aanvulling van de FPU volgens hoofdstuk 5a. Voor degenen die niet onder het
                    overgangsrecht van de FPU vallen, geldt dat zij (onder voorwaarden) extra
                    ouderdomspensioen opbouwen hetgeen zij eerder kunnen laten ingaan dan op 65
                    jaar. Ontslag vindt dan plaats op grond van 8:2. Gemeenten zijn over de
                    afschaffing van de FPU en het overgangsrecht geïnformeerd middels de ledenbrief
                    van 18 juli 2005, Lbr. 05/74.</al><tussenkop>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling
                    voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt
                    dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene blijft op de datum
                    waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna feitelijk zijn werk
                    verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld
                    voor een gelijke periode. Na afloop van deze periode kan de aanstelling wederom
                    van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit
                    artikel 2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 36
                    maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde
                    geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit
                    is in het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al> Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond voor
                    het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen te
                    vervallen. </al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                    bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn, zonder
                    dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                    urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake
                    van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                    voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                    bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een
                    urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                    verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd moet wel een grond
                    worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de reden
                    van beëindiging is.</al><al> Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4 in
                    de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 36 maanden overschreden
                    of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding aangegaan, dan geldt
                    deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al> Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                    10a.</al><tussenkop>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag verleend kan worden
                    op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan
                    uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12.
                    Wanneer de einddatum reeds genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af
                    te wachten en de tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een
                    eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                    worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><tussenkop>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</tussenkop><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd.
                    Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van ‘maanden’: dit
                    hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                    geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt
                    aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt niet verder
                    dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn oordeel in
                    overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire
                    straf in overeenstemming is met de ernst van het geconstateerde
                    plichtsverzuim.</al><al>UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op grond van
                    artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering op
                    grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><tussenkop>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                    -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden
                    opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                    ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                    bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                    rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit artikellid is
                    overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt
                    op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van de WOR.</al><al>Alhoewel in de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel 8:8
                    de mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen
                    genoemd. De in artikel 8:14, tweede lid, aangegeven ontslagbescherming brengt
                    met zich dat er slechts van ontslagbescherming sprake is in het geval er een
                    causaal verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd.
                    Als er geen verband is tussen het ‘OR-werk’ en het ontslag, is ontslag op een
                    van de gronden zoals genoemd in de CAR, wèl mogelijk.</al><al>De bescherming tegen benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd
                    wetsartikel, is weer wèl van toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke
                    aanstelling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond van
                    het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998,
                    107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                    (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de ontslagbescherming
                    voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en overeenkomstige leden van
                    OR-commissies ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                    (ambtelijke) secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                    WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                    ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                    vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming
                    voor de ambtelijk secretaris. Het eerste lid van artikel 21 WOR, ter zake van
                    benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><tussenkop>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de organisatie
                    de gelegenheid te geven eventuele interne onderzoeken te (doen) houden, of om
                    rust binnen de organisatie te krijgen. Het besluit om een ambtenaar van zijn
                    werkplek te verwijderen dient te berusten op een behoorlijke afweging van de
                    daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                    1994/195). De hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing
                    zoals bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf.</al><al>Een besluit tot schorsing is een besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar
                    dient derhalve vooraf gehoord te worden.</al><al>In onderdeel d wordt gesproken over ‘het belang van de dienst’: de rechter zal
                    zich hierover een oordeel moeten vormen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit geformuleerd.
                    De woorden in onderdeel c – ‘zo nauwkeurig mogelijke aanduiding’ – impliceren
                    reeds dat een exact aangeven van de duur van de schorsing vaak niet mogelijk is.
                    De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd. De schorsing kan uiteraard
                    door ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                    ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen. Zo zal hij dus
                    bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de schorsing te houden
                    geneeskundig onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet gewerkt
                    wordt, er geen bezoldiging wordt uitbetaald: hiervoor is een apart besluit
                    nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, de bezoldiging
                    normaal wordt doorbetaald. De ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te
                    verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>Er kan géén inhouding van de bezoldiging plaatsvinden wanneer er sprake is van
                    een schorsing op grond van het dienstbelang.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag
                    is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar
                    behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioen- en
                    ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>In principe dient bij de inhouding van bezoldiging te worden aangesloten bij
                    titel II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een zodanige inhouding op de
                    bezoldiging toe te passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat
                    overeenkomt met 90% van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Tijdens de schorsing kan de niet-ingehouden bezoldiging aan anderen worden
                    uitbetaald. Onder ‘anderen’ dienen in dit verband te worden verstaan de personen
                    die door de ambtenaar geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                    ontslag. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit zijn
                    uitvoeringshandelingen. Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid
                    geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder
                    geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                    dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                    ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="-"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en
                            ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit
                            slechts op verzoek van betrokkene);</al></li><li nr="-"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="-"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="-"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering,
                            een pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al></li><li nr="-"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb; betrokkene kan
                            binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8:16:1 Vervallen (T)</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur
                    (T)</tussenkop><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag.</al><al>Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van artikel 7:16 kan sprake zijn
                    van vermindering van de omvang van de betrekking. In deze situatie is echter een
                    formeel gedeeltelijk ontslag niet toegestaan, maar dient de vermindering van de
                    omvang van de betrekking te worden vormgegeven door middel van een wijziging van
                    de aanstelling. Dit omdat bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie
                    krachtens hoofdstuk 11a. Conform de oorspronkelijke doelstelling van de
                    suppletieregeling heeft een ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in
                    het geheel niet herplaatst kan worden bij zijn werkgever en derhalve volledig
                    ontslagen is.</al><tussenkop>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag lag
                    voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een
                    uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden
                    op 30 juni 2006, is op hen van toepassing. </al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van
                    de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                    een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                    van toepassing. </al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of artikel
                    8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                    verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 9:2 Bedrag en duur (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De FLO-uitkering bedraagt gedurende de eerste 60 maanden minimaal 80% van de
                    laatstelijk genoten bezoldiging. Dit percentage kan oplopen, als het aantal
                    pensioengeldige jaren ten minste meer dan 30 bedraagt, tot maximaal 85%. Na deze
                    60 maanden bedraagt de uitkering 70% van de laatstgenoten bezoldiging, tot aan
                    de pensioendatum.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de bezoldiging tellen, overeenkomstig artikel 3:1, de vaste toelagen mee
                    waarbij de toelage onregelmatige dienst en de prestatiebeloning worden
                    vastgesteld op basis van de gemiddelde vergoeding per maand, berekend over de
                    laatste 12 maanden voorafgaand aan het ontslag.</al><tussenkop>Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten
                    (T)</tussenkop><al>Er is tussen LOGA-partijen een akkoord gesloten over de financiering van het
                    functioneel leeftijdsontslag. Dit akkoord voorziet in een tijdelijke en een
                    structurele voorziening. De tijdelijke voorziening geldt uitsluitend voor
                    FLO-ers die met 55 jaar ontslag krijgen, niet onder FPU-regeling vallen en op of
                    vóór 1 april 1997 zijn ontslagen. De kosten daarvan worden door werkgevers en
                    werknemers gezamenlijk gedragen in de vorm van een opslag op de FPU-premie (de
                    VSG-premie). De verplichting om deze premie te betalen is in artikel 9:3
                    geformaliseerd.</al><tussenkop>Artikel 9:4 Samenloop met FPU (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Dit artikel regelt de samenloop van een
                    FLO-uitkering met een FPU-uitkering.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar van 55 jaar en ouder die FLO-ontslag krijgt na 1 april 1997 is
                    verplicht een FPU-uitkering aan te vragen. Tevens moet hij toestemming verlenen
                    om deze FPU-uitkering via de werkgever te laten uitbetalen. Indien hij geen
                    toestemming verleent, komt de FLO-uitkering niet tot uitbetaling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid de FPU-uitkering verwijtbaar
                    niet of te laat aanvraagt wordt voor de periode waarin hij geen FPU-uitkering
                    ontvangt wel rekening gehouden met de FPU-uitkering die hij had ontvangen als
                    hij de FPU-uitkering wel tijdig had aangevraagt. Het bedrag aan FPU-uitkering
                    dat de betrokkene had kunnen ontvangen wordt dus met in achtneming van het derde
                    lid wel in mindering gebracht op de FLO-uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op grond van het derde lid wordt het bedrag van de FPU-uitkering in mindering
                    gebracht op de FLO-uitkering. Indien de FPU-uitkering is verminderd in verband
                    met de samenloop met inkomsten uit of in verband met arbeid wordt niet de totale
                    FPU-uitkering, maar deze verminderde FPU-uitkering in mindering gebracht op de
                    FLO-uitkering.</al><al><cursief><vet>Let op:</vet></cursief> Indien de ambtenaar op vrijwillige basis
                    met gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of 16.4 een hogere FPU-uitkering
                    ontvangt dan hij normaliter ontvangen zou hebben wordt dit op vrijwillige basis
                    bijeengespaarde bedrag aan FPU-uitkering niet in mindering gebracht op de
                    FLO-uitkering.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Situatie: Een ambtenaar krijgt FLO-ontslag wegens
                    het bereiken van de leeftijd van 55 jaar. Op de ontslagdatum heeft de betrokkene
                    een diensttijd geldig voor pensioen van 33 jaar. Op grond van artikel 9:1 in
                    combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene bij 33 pensioenjaren recht op een
                    uitkering van 81,5% van zijn laatste bezoldiging. De bezoldiging van de
                    betrokkene, vermeerderd met de vakantietoelage, bedraagt € 3.000,- per maand. De
                    betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op een datum gelegen na 1 mei 1997
                    en heeft tevens recht op een FPU-uitkering, in dit voorbeeld bestaande uit twee
                    componenten: een basisuitkering en een flexibel pensioen. De betrokkene heeft in
                    dit voorbeeld geen recht op een mogelijk derde component, de aanvullende
                    uitkering. De uitkering op grond van de regeling FPU bedraagt € 605,- per maand,
                    te weten € 331,50 basisuitkering en € 273,50 flexibel pensioen (fictieve
                    bedragen).</al><al>De betrokkene heeft geen inkomsten uit arbeid.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene recht
                    op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Dit bedrag van € 2.445,- moet op grond van
                    artikel 9:4, derde lid, worden verminderd met de uitkering krachtens de regeling
                    FPU, te weten € 605,- (€ 331,50 plus € 273,50), waardoor voor de betrokkene een
                    bedrag aan FLO-uitkering resteert van € 1.840,-. </al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.445,-: FLO € 1.840,-
                    FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 273,50 flexibel pensioen)</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Als in voorbeeld 1, maar nu is € 50,- van de
                    totale FPU-uitkering van € 605,- op vrijwillige basis bijeengespaard met
                    gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.</al><al>Op grond van 9:1 in combinatie met 9:2 heeft de betrokkene recht op een
                    FLO-uitkering van € 2.445,-. Dit bedrag van € 2.445,- moet op grond van artikel
                    9:4, derde lid, worden verminderd met € 555,-, waardoor voor de betrokkene een
                    bedrag aan FLO-uitkering resteert van € 1.890,-.</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.495,-: FLO € 1.890,-
                    FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 223,50 flexibel pensioen + € 50,-
                    vrijwillige opbouw)</al><tussenkop>Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid regelt de vermindering van de uitkering in verband met inkomsten uit of
                    in verband met arbeid ter hand genomen op of na de dag van ontslag. Benadrukt
                    zij dat voor de berekening van het bedrag van de vermindering wordt uitgegaan
                    van de onverminderde FLO-uitkering, dus het bedrag van de FLO-uitkering voordat
                    dit in voorkomend geval reeds is verminderd in verband met samenloop met een
                    FPU-uitkering (artikel 9:4). Het bedrag van de vermindering dat op die wijze
                    wordt verkregen door toepassing van het eerste lid van artikel 9:4:1 wordt
                    vervolgens in mindering gebracht op het bedrag van de FLO-uitkering dat resteert
                    na toepassing van artikel 9:4. Hoewel inkomsten uit of in verband met arbeid in
                    principe ook in mindering worden gebracht op enkele onderdelen van de
                    FPU-uitkering, leidt de in dit artikel neergelegde samenloopbepaling niet tot
                    een dubbele verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid. Immers, een
                    verlaagde FPU-uitkering als gevolg van inkomsten uit of in verband met arbeid
                    leidt, door de redactie van artikel 9:4, derde lid, weer tot een navenant hogere
                    FLO-uitkering. Onderstaande rekenvoorbeelden zijn ook vermeld in bijlage 6 bij
                    de LOGA-brief van 17 januari 1997, kenmerk LOGA 96/36.</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 1</vet></cursief>Situatie Een ambtenaar krijgt
                    FLO-ontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 55 jaar. Op de ontslagdatum
                    heeft de betrokkene een diensttijd geldig voor pensioen van 33 jaar. Op grond
                    van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene bij 33
                    pensioenjaren recht op een uitkering van 81,5% van zijn laatste bezoldiging. De
                    bezoldiging van de betrokkene, vermeerderd met de vakantietoelage, bedraagt €
                    3.000,- per maand. De betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op een datum
                    gelegen na 1 mei 1997 en heeft tevens recht op een FPU-uitkering, in dit
                    voorbeeld bestaande uit twee componenten: een basisuitkering en een flexibel
                    pensioen. De betrokkene heeft in dit voorbeeld geen recht op een mogelijk derde
                    component, de aanvullende uitkering. De uitkering op grond van de regeling FPU
                    bedraagt € 605,- per maand, te weten € 331,50 basisuitkering en € 273,50
                    flexibel pensioen (fictieve bedragen). De betrokkene heeft inkomsten uit arbeid
                    ter grootte van € 1.500,- per maand.</al><al>Op grond van de regeling FPU wordt het bedrag van de basisuitkering verminderd
                    met het bedrag waarmee de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de
                    aanvullende uitkering en het flexibel pensioen tezamen het oude inkomen van de
                    betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval is de som van de inkomsten uit arbeid en de totale
                    uitkering FPU lager dan de oude bezoldiging, waardoor het bedrag van de
                    basisuitkering niet wordt verminderd. Dientengevolge bedraagt de totale
                    uitkering op grond van de regeling FPU € 605,- per maand, te weten € 331,50
                    basisuitkering en € 273,50 flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene recht
                    op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van artikel 9:4, derde lid moet dit
                    bedrag van € 2.445,- worden verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens
                    de regeling FPU, te weten € 605,- (€ 331,50 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens toepassing worden
                    gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid. Vermindering vindt dan plaats voorzover
                    de inkomsten en de onverminderde uitkering samen de laatstelijk genoten
                    bezoldiging te boven gaat.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                    vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid -
                    oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 1500 - 3000 bedrag vermindering =
                    945</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit te
                    keren bedrag aan FLO van € 895,- (2445 - 605 - 945 = 895).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-: FLO € 895,-
                    FPU € 605,- Inkomsten uit arbeid € 1.500,-</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 2</vet></cursief>Als voorbeeld 1, maar nu heeft de
                    betrokkene inkomsten uit arbeid ter grootte van € 2.500,- per maand. Op grond
                    van het Reglement FPU wordt het bedrag van de basisuitkering verminderd met het
                    bedrag waarmee de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de aanvullende
                    uitkering en het flexibel pensioen tezamen het oude inkomen van de betrokkene te
                    boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid en de
                    totale uitkering FPU € 3.105,-, waarmee de oude bezoldiging met € 105,- wordt
                    overschreden en welk bedrag dientengevolge in mindering wordt gebracht op de
                    basisuitkering.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling FPU € 500,-
                    per maand, te weten € 226,50 basisuitkering (331,50 - 105 = 226,50) en € 273,50
                    flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene recht
                    op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van artikel 9:4, derde lid, moet
                    dit bedrag van € 2.445,- worden verminderd met het bedrag van de uitkering
                    krachtens de regeling FPU, te weten € 500,- (€ 226,50 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid moet eveneens toepassing worden
                    gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                    vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid -
                    oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 2500 - 3000 bedrag vermindering =
                    1945</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit te
                    keren bedrag aan FLO van € 0 (2245 - 500 - 1945 = 0).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-: FLO € 0 FPU €
                    500,- Inkomsten uit arbeid € 2.500,-</al><al><cursief><vet>Voorbeeld 3</vet></cursief>Als voorbeeld 1, maar nu heeft de
                    betrokkene inkomsten uit arbeid ter grootte van € 3.000,- per maand.</al><al>Op grond van het Reglement FPU wordt het bedrag van de basisuitkering verminderd
                    met het bedrag waarmee de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de
                    aanvullende uitkering en het flexibel pensioen tezamen het oude inkomen van de
                    betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid en de
                    totale uitkering FPU € 3.605,-, waarmee de oude bezoldiging met € 605,- wordt
                    overschreden en welk bedrag in principe geheel in mindering wordt gebracht op de
                    basisuitkering. Daar de basisuitkering slechts € 331,50 bedraagt, kan deze
                    echter met maximaal € 331,50 worden verminderd.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling FPU €
                    273,50 per maand, te weten € 0 basisuitkering (331,50 – 331,50 = 0) en € 273,50
                    flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene recht
                    op een FLO-uitkering van € 2.445,-. Op grond van artikel 9:4, derde lid, moet
                    dit bedrag van € 2.445,- worden verminderd met het bedrag van de uitkering
                    krachtens de regeling FPU, te weten € 273,50 (€ 0 plus € 273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens toepassing worden
                    gegeven aan artikel 9:4:1, eerste lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid, leidt tot de volgende
                    vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid –
                    oude bezoldiging</al><al>In cijfers: bedrag vermindering = 2445 + 3000 - 3000 bedrag vermindering =
                    2445</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit te
                    keren bedrag aan FLO van € 0 (2445- 273,50 - 2445).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.273,50: FLO € 0 FPU €
                    273,50 Inkomsten uit arbeid € 3.000,-</al><tussenkop>Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 16.3 van het pensioenreglement kan, na afloop van de
                    periode van verplichte opbouw van de helft van het pensioen, de ambtenaar op
                    eigen kosten en tegen een individueel vast te stellen premie zijn pensioenopbouw
                    op vrijwillige basis gedurende een bepaalde periode voortzetten. Lid 1 bepaalt
                    dat de kosten van deze individuele premie voor zover zij 30% van de
                    doorsneepremie (de premie die geldt bij verplichte pensioenopbouw) te boven
                    gaan, worden gedragen door de gemeente. Hiermee wordt feitelijk geregeld dat de
                    ambtenaar die FLO-ontslag heeft gekregen ook tussen zijn 62-ste en 65-ste
                    levensjaar pensioen kan opbouwen tegen dezelfde kosten als die hij zou hebben
                    gehad indien hij nog verplicht pensioen zou opbouwen. Artikel 16.3 geeft ook de
                    mogelijkheid tot een aanvullende pensioenopbouw (100% i.p.v. 50%). De kosten van
                    deze aanvullende pensioenopbouw komen ten alle tijde volledig ten laste van de
                    werknemer.</al><tussenkop>Artikel 9:12 Tijdelijke regeling (T)</tussenkop><al>LOGA-partijen zijn op 6 december 2005 overeengekomen om het functioneel
                    leeftijdsontslag per 1 januari 2006 af te schaffen en een nieuw stelsel in te
                    voeren, inclusief overgangsrecht. Artikel 9:12 is een tijdelijke regeling die
                    ertoe dient om de periode waarin het overgangsrecht nog niet door LOGA-partijen
                    is vastgesteld te overbruggen. Aangezien het overgangsrecht op 1 juli 2006 van
                    kracht is geworden, kan artikel 9:12 vanaf 1 juli 2006 niet meer worden
                    toegepast.</al><tussenkop>Artikel 9:14 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>In de CAO 2005-2007 is de FLO afgeschaft en is overgangsrecht afgesproken voor
                    mensen die op 31 december 2005 al in een bezwarende functie bij de brandweer of
                    ambulance bekleedden. Per 1 juli 2006 is het overeengekomen overgangsrecht in
                    CAR-tekst omgezet. Omdat het kon voorkomen dat mensen tussen 1 januari 2006 en 1
                    juli 2006 op grond van de CAO bepaalde rechten hadden, die op dat moment nog
                    niet in regelgeving was omgezet, was een tijdelijke voorziening getroffen
                    (artikel 9:11 en 9:12). Vanaf 1 juli 2006 kan er geen uitkering meer worden
                    verleend op grond van hoofdstuk 9. Ambtenaren die recht hebben op
                    FLO-overgangsrecht, vallen onder één van de paragrafen van hoofdstuk 9b.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9a</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9b</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9d</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9e</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene wet bestuursrecht noodzaakt
                    tot de invoering van de term betrokkene) zodanig omschreven dat dit begrip erin
                    voorziet dat alle gevallen waarbij wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één
                    artikel in het hoofdstuk wachtgeld bij elkaar staan.</al><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene recht op wachtgeld
                    die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan betrokkene kenbaar is
                    gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te verlenen wegens
                    reorganisatie danwel wegens arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van het hoofdstuk wachtgeld de
                    tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het ambtenaarschap in de zin
                    van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de tijd waaraan ingevolge het
                    bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding ambtenaarschap in de zin van de
                    pensioenwet (Stcrt. 1994, 98) bovengenoemd ambtenaarschap niet is verbonden. Het
                    gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als seizoenswerker of als
                    deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden
                    aangeduid.</al><al>In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer
                    dan een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze tijd
                    doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van langer dan
                    een jaar, telt – op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a – wel
                    mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft van ten minste tien
                    jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd
                    wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60).</al><al>Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de
                    vaststelling van wachtgeldaanspraken. Ook deze hoofdregel kent weer
                    uitzonderingen. Deze diensttijd telt namelijk wel weer mee bij de beoordeling of
                    betrokkene aan tien dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en
                    diensttijd op de ontslagdatum meer bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook
                    nogmaals mee wanneer de betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het
                    moment dat betrokkene wachtgelder was (in het kader van de bijzondere
                    verlenging, artikel 10:8, derde lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt
                    dan wel in mindering gebracht op de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van wachtgeldaanspraken.
                    Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de opbouw van ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen.</al><tussenkop>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij het
                    begrip dienstbetrekking uit de WW. Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en
                    6 van de WW wordt bereikt dat de reikwijdte van het begrip dienstbetrekking
                    gelijk is aan die ingevolge de WW.</al><tussenkop>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Sinds de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de
                    mogelijkheid van samenloop van een WAO-uitkering (tot 1 januari 1996 een
                    invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan
                    80% en een wachtgeld. In een situatie van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is
                    immers tevens sprake van werkloosheid, voor zover betrokken ambtenaar zijn
                    restcapaciteit niet kan benutten.</al><al>Hierdoor wordt de kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld bestaat. In
                    onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een
                    WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                    Betrokkene is in dat geval volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet
                    in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op
                    wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan
                    worden (zie hoofdstuk 11a).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                    ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                    percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                    wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                    eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou eindigen indien
                    het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. Hierbij geldt echter een
                    uitzondering.</al><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt
                    dat de duur van het wachtgeld vanaf de datum van de afschatting wordt berekend
                    op basis van de WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het
                    arbeidsverleden dient daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid,
                    onderdeel a, tevens te worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld
                    naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt
                    dat ingeval van afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder
                    uitkering ontvangt dan een verzekerde in de zin van de WW.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt
                    dat voor de berekening van de duur van het wachtgeld vanaf de datum van
                    afschatting op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum op
                    grond waarvan het recht op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel
                    10:8 wordt dus in die zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de
                    oorspronkelijke ontslagdatum. De duur van het wachtgeld vanaf de datum van
                    afschatting wordt uiteindelijk vastgesteld volgens de berekeningswijze die de
                    langste duur oplevert.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op wachtgeld
                    gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur van het
                    wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden) suppletie.
                    Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op basis van de
                    omvang van de diensttijd.</al><al>Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de aanspraak op suppletie is
                    geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou eindigen indien het met ingang
                    van de ontslagdatum zou zijn toegekend. De hoogte van dit wachtgeld wordt
                    vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf de oorspronkelijke
                    ontslagdatum.</al><tussenkop>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode van
                    5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in
                    dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest, komen in
                    aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de zogenaamde
                    ‘arbeidsverleden-eis’, een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                    (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5
                    jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering – met
                    een duur die meer dan zes maanden bedraagt – in aanmerking te komen. Voor het
                    recht op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                    betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken ten
                    minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1 januari 1998,
                    de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                    overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke
                    regelingen op te nemen. Een uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk
                    voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                    Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                    ‘arbeidsverleden-eis’ behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld in
                    aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de omvang van
                    het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><tussenkop>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen, op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van
                    het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk vastgesteld op basis
                    van de berekeningswijze die de langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft
                    de duur van het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de
                    formulering van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                    bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis van de som
                    van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                    mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                    uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd
                    op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd wordt
                    uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van de diensttijd is
                    minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe
                    tot maximaal 78%.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt op welke wijze de diensttijd die bij een eerder toegekend
                    wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt
                    voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals
                    in aanmerking genomen bij de vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval
                    betrokkene de dienstbetrekking waaruit ontslag volgde aanvaardde terwijl
                    aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                    wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur, berekend op
                    basis van de omvang van de diensttijd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd en
                    diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar is
                    doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na afloop van de
                    wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                    bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar
                    voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de ontslagdatum
                    geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na afloop van de
                    basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is
                    geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan
                    vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden voordoen,
                    namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de ontslagdatum jonger
                    is dan 23 jaar.</al><al><vet>Leden 5 en 6</vet></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op een
                    vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 jaar.
                    Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt vastgesteld op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze
                    duurberekening en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder
                    bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een vervolgwachtgeld
                    met een duur die korter is dan de gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit
                    dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van
                    de omvang van de diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                    hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                    vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op basis
                    van de omvang van het arbeidsverleden.</al><al>Het volgende voorbeeld dient als toelichting.</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel 10:7basisduur
                    verlengde duur vervolgwachtgeld</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel
                    10:8vervolgwachtgeld</al><tussenkop>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                    procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de ‘Procentenwet’ (wet
                    van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3 procentpunten
                    worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70%
                    bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                    blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet van een concreet
                    beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake zullen de percentages met
                    hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. </al><al>Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten minste het bedrag aan ouderdomspensioen
                    dat op de ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis
                    van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                    verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                    ouderdomspensioen wanneer dat lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die
                    bijvoorbeeld 20 pensioenjaren heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de
                    verlenging 40% van zijn bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal
                    1,75%).</al><tussenkop>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                    gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging.
                    Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit een
                    deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het vervolgwachtgeld met
                    een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                    minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en wordt het
                    vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag aan
                    minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet. Dit geldt
                    ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke organisatie
                    levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de verplichting
                    passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens onduidelijkheden op. Degenen
                    van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke betrekking wordt omgezet in een private
                    betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                    betrekking te aanvaarden. Een vergelijkbaar regime is overigens in de private
                    sector zeer gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                    werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn
                    passende arbeid te aanvaarden.</al><tussenkop>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</tussenkop><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke
                    wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding. Daarbij komt dat
                    vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een WAO-uitkering ontstaat. Het
                    eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen werkzaamheden
                    kan verrichten en de wachtgelder die weer beter is als gevolg waarvan betrokkene
                    weer werkzaam kan zijn, verplicht is het college daarvan op de hoogte te
                    stellen. In de praktijk zal het de afdeling zijn die de wachtgelden uitvoert
                    (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat geval geïnformeerd dient te
                    worden.</al><al>Bij het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot de geneeskundige
                    begeleiding bij ziekte kan worden aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7
                    van de UWO (voor zover de gemeente daarbij is aangesloten).</al><al>Het derde lid regelt de verplichting van een wachtgelder om een WAO-uitkering
                    aan te vragen. In het vierde en vijfde lid zijn sancties opgenomen, ingeval de
                    wachtgelder verwijtbaar verzuimt een WAO-conforme uitkering aan te vragen.</al><tussenkop>Artikel 10:15 Vermindering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Bij de wijze van verrekening van
                    neveninkomsten wordt het uitgangspunt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau
                    van de bezoldiging behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen
                    zonder dat er gekort wordt op het wachtgeld, voor zover het gezamenlijke bedrag
                    aan wachtgeld en neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven
                    gaat. Het wachtgeld wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de
                    einddatum van het wachtgeld blijft ongewijzigd.</al><al>Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een loondervingsuitkering, worden op
                    dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang voor een gemeente die een wachtgeld
                    uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die elders weer gaat werken. De inkomsten
                    uit arbeid, alsmede de uitkering die daar mogelijk uit voorkomt, worden
                    verrekend op bovengenoemde wijze.</al><al>Hoofdregel is dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag voorafgaand
                    aan de ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening van
                    neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                    vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien
                    zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers
                    toe leiden dat het ‘vrije’ bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend zonder
                    dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt. Het totale bedrag aan
                    wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het
                    bedrag van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie die
                    zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de
                    wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                    arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                    ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld
                    met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                    vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene, die
                    arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld werd als
                    wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt zijn voor de
                    oorspronkelijke betrekking waarin men werkzaam was.</al><al>Uitgangspunt bij de verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat deze
                    inkomsten eerst in de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de
                    oorspronkelijke bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de som van het
                    oorspronkelijk toegekende wachtgeld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan
                    niet aangevuld met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer
                    bedraagt dan de oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het
                    eerste wachtgeld werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende
                    wachtgeld verminderd met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering
                    nog een bedrag aan overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende
                    (tweede) ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                    verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van samenloop
                    van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat geval dienen
                    twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge het
                    pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op
                    elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer
                    verrekend, en nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                    betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering
                    worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het
                    wachtgeld volledig wordt weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten
                    uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht op het
                    invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering en neveninkomsten meer bedraagt dat de
                    berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 10:17 Verlenging (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd aan de
                    toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden na het
                    ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente die het
                    wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar verlengd. Tijdens
                    het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en
                    worden de inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt
                    betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die
                    waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt
                    toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie
                    jaar.</al><al>De ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever ‘gestraft’ wordt met
                    relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven
                    ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan
                    aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de
                    vraag voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><tussenkop>Artikel 10:18 Opschorting (T)</tussenkop><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum –
                    waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003
                    aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging – wordt de uitvoering van
                    dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de
                    datum dat de ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><tussenkop>Artikel 10:19 Samenloop (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en
                    een uitkering op grond van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan
                    niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld
                    verminderd met een percentage, afhankelijk van de mate van
                    arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van de
                    ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op
                    grond van de WAO, danwel een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met
                    een invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                    namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                    deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is van de
                    mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven. Het
                    resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                    werkloosheid.</al><al>Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan uitkering op grond
                    van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme uitkering, al dan niet
                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld nooit
                    meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan wachtgeld dat ontvangen zou zijn,
                    wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als dat wel het geval is
                    (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen), wordt het
                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht. Het hanteren van
                    de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al degenen aan wie een
                    wachtgeld is toegekend gelijk behandeld worden. De inkomenspositie van de
                    ontslagen ambtenaar met aanspraak op wachtgeld is hierdoor gelijk aan de positie
                    van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze bovengrens dat
                    ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er
                    een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht, in
                    de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of
                    wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><tussenkop>Artikel 10:21 Afkoop (T)</tussenkop><al>Het college kan een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te kopen, honoreren.
                    Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld. Indien wordt
                    overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te honoreren, is het raadzaam
                    vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen. De raad moet immers een krediet
                    beschikbaar stellen.</al><tussenkop>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel waarmee
                    het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kunnen worden, de
                    bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,-
                    werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene
                    weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                    worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld gekort worden
                    met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,-) de bezoldig wordt met € 900,-
                    overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld verminderd.</al><tussenkop>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het feit
                    dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In
                    dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van
                    artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                    aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage
                    wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds toegekende recht op
                    wachtgeld.</al><al>Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een dienstbetrekking als
                    wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid
                    naar een geringer percentage dan 80%, voorziet artikel 10:19 daarin. Wanneer in
                    een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend, is artikel 10:15, tweede
                    lid, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                    ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                    ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer de
                    Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de WW-bodem
                    ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                    wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><tussenkop>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in een
                    overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om
                    degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1 augustus 1991
                    tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht op een
                    overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon. Dit
                    bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur
                    bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de overgangsuitkering op 31 december
                    1995.</al><tussenkop>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In dit
                    artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de
                    wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><tussenkop>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                    tegelijk met de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd
                    en een aansluitende uitkering, die na afloop van de uitkering op basis van de WW
                    tot uitkering komt.</al><al>Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake is van het verlies
                    van vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek, alsmede
                    het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren. Ook moet er
                    sprake zijn van beschikbaarheid om arbeid te verrichten. Het cruciale begrip is
                    hier dus ‘verlies van arbeidsuren’, terwijl in de wachtgeld- en
                    uitkeringsregeling het begrip ‘ontslag’ essentieel was. Dit verschil komt heel
                    duidelijk naar voren in de situatie dat een tijdelijke uitbreiding van het
                    aantal arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de systematiek van de
                    wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht op uitkering leiden,
                    omdat niet aan het vereiste van een ontslag wordt voldaan. In de systematiek van
                    de WW kan er wel sprake zijn van een recht op een uitkering, omdat er sprake is
                    van verlies van arbeidsuren.</al><al>In tegenstelling tot de WW kent de bovenwettelijke regeling geen maximum
                    dagloon.</al><al>Overigens hebben zaken als het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een
                    PC-privéproject invloed op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt
                    dus door in de hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke
                    uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum is
                    opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van de
                    bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit maximum niet van toepassing.
                    Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt. Een eventueel
                    hoger inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering. </al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met 46
                    WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van
                    uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen
                    voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen
                    personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij
                    werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 10a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de
                    vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het
                    karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                    arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                    groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                    waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op een
                    loongerelateerde WW-uitkering. Wil men in aanmerking komen voor een
                    (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval voldoen aan
                    de vereisten voor deze loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is
                    op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende
                    uitkering.</al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het om zaken als:</al><lijst><li nr="-"><al>het verlies van arbeidsuren, en;</al></li><li nr="-"><al>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39 weken
                            voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de vijf jaar
                            voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag over 52 of meer dagen loon
                            te hebben ontvangen.</al></li></lijst><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht op
                    WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de betrokkene:</al><lijst><li nr="-"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);</al></li><li nr="-"><al>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al></li><li nr="-"><al>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al></li><li nr="-"><al>de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                    worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt ook niet elke
                    ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een aanvullende uitkering. De
                    relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd. </al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos wordt.
                    Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld naar de totale omvang van de
                    werkloosheid. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat (echter) alleen
                    voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij
                    de gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een arbeidsurenverlies
                    als betrokkene in de zin van deze regeling kan een aanspraak op een aanvullende
                    uitkering gekoppeld zijn.</al><al>Voorbeeld: iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als bij een andere
                    werkgever (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt ontslagen, wordt de
                    aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur waarvoor er ontslag bij de
                    gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever blijven voor het recht
                    op aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit een tijdelijke
                    aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op een aanvullende uitkering.
                    Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding recht kan geven op een aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. </al><al>De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers
                    die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde
                    van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op de
                    Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht
                    op een aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                    WW-uitkering. In artikel 10a:5, lid 4, is bepaald dat voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van ontslag.
                    Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid
                    4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                    toepassing op medewerkers die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn
                    ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een gewezen
                    overheids-werknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was afgeschat, recht
                    op een WW-uitkering heeft en niet op een wachtgelduitkering. De uitspraak heeft
                    geen terugwerkende kracht; dit betekent dat medewerkers die vanwege
                    arbeids-ongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001 en die na de datum van de
                    afspraak zijn afgeschat op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer) recht hebben op een
                    WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering. </al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                    berekeningssystematiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat de
                    maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen tussen de grondslag
                    ‘bezoldiging’ en de grondslag ‘dagloon’. Zoals al bij de toelichting op artikel
                    10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon hiervan een duidelijk voorbeeld.</al><tussenkop>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                    bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van deze uitkering
                    hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel 47 van de WW
                    stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van het (gemaximeerde)
                    dagloon bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het
                    (ongemaximeerde) dagloon.</al><al>Na 15 maanden zijn de percentages in de WW en in de regeling voor de aanvullende
                    uitkering gelijk, namelijk 70%. Veelal zal dit betekenen dat er geen aanvullende
                    uitkering tot uitbetaling zal komen. Omdat er bij de berekening van de
                    aanvullende uitkering echter wordt uitgegaan van het ongemaximeerde dagloon, kan
                    er een verschil optreden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                    eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen omdat er geen sprake
                    meer is van werkloosheid. Op het moment dat er weer sprake is van werkloosheid,
                    zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd, herleeft het recht op uitkering
                    op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake is van een dergelijke
                    herleving van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW
                    zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening) als de periode heeft geduurd
                    dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat hier om een verlenging van de
                    WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW.</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat er
                    recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van het ongemaximeerde dagloon. </al><al>Voorbeeld: er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het recht op de
                    loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari 2007. Per 1
                    maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden geheel beëindigd. In dit
                    geval eindigt het recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 80% van het
                    ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de uitkering, op 1 april 2006.
                    Uiteraard eindigt de WW-uitkering (en daarmee de bovenwettelijke aanvullende
                    uitkering tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1 maart 2007.</al><al>Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                    WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden
                    geleden, heeft betrokkene gedurende een periode tot 15 maanden na ontslag recht
                    op een aanvullende uitkering tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Hierna
                    heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.Een medewerker is op 1 januari 2002 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of
                    meer. Op 1 januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na
                    afschatting 3 jaar recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene
                    recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                    dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft plaatsgevonden.
                    Zie ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16,
                    lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op 7
                    juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze
                    wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling
                    (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de afspraken
                    is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 ontslagen zijn een
                    uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet is afgeschaft. Dit betekent dat
                    het vervallen van zowel de vervolguitkering als de aanvulling daarop
                    gecompenseerd worden.Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de
                    aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor zover het gaat om de
                    aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                    artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                    wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering genoemd.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5 jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag ouder waren dan 57,5.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig, omdat
                    een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De verlengde uitkering moet
                    vervolgens nog wel tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geven op
                    een uitkering ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze in
                    artikel 10a:3 is gedefinieerd.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="pdf19" type="tekst" id="i267763"></illustratie></plaatje></al></entry><entry colname="col2"><al>Schema aanvullende uitkering</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                    van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. “Voor zover
                    toepasbaar”, omdat de bepalingen van de aansluitende uitkering uiteraard niet
                    van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt echter
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid
                    van artikel 10a:5a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                    mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet – vanwege de snelheid van
                    invoering – overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de bepalingen van hoofdstuk
                    10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende
                    uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze groep is artikel 10a:5a dus
                    niet van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook het
                    recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor de
                    toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van de WW van belang. Hierin
                    zijn gronden voor beëindiging van het recht op een WW-uitkering opgenomen. Het
                    gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van de
                    uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een uitkering krachtens de
                    ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de gehele
                    of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering impliceert dat
                    achterliggende regels en systematiek (zoals UWV-beleid en jurisprudentie) ook
                    worden gevolgd.</al><al>Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer herleven, indien de
                    betrokkene als werknemer nieuwe werkzaamheden ter hand neemt en daarmee een
                    nieuw recht op WW opbouwt voor hetzelfde aantal uren als waarop het recht op
                    aanvullende uitkering gebaseerd was. </al><al>Dit zou reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien door
                    artikel 10a:32 de reïntegratiepremie. </al><tussenkop>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                    WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel 21
                    van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                    recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte, na afloop van die arbeid
                    of ziekte geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht
                    op de oude WW-uitkering en de aanvullende uitkering. </al><al>Herleving houdt in, dat de hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden
                    bepaald door de eerste werkloosheidsdag van de ‘oorspronkelijke’ werkloosheid
                    (de ‘WW-klok’ loopt dus gewoon door). Herleving is dus iets anders dan
                    opschorting. Bij opschorting wordt de uitkering tijdens de onderbreking
                    stopgezet en wordt na de onderbreking de uitkering voortgezet alsof er geen
                    onderbreking is geweest. Zie ook de toelichting op artikel 10a:8.</al><tussenkop>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                    overeenkomstige toepassing zijn op artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt,
                    indien na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op een WW-uitkering
                    het recht op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de onderbreking heeft
                    geduurd. Dit betekent in feite dat, gerekend vanaf de eerste dag van de
                    werkloosheid, de WW-uitkering met zoveel tijd wordt verlengd als de tijdelijk
                    onderbreking duurt. Het effect van die verlenging komt er praktisch gezien op
                    neer dat de duur van de uitkering wordt opgeschort.</al><al>Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet opgeschort.</al><al>Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de aanvullende
                    uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                    uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij goed
                    gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende uitkeringsduur.
                    Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van de werkloosheid tot
                    beëindiging van de uitkering kan leiden.</al><tussenkop>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In beginsel is het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing.
                    Dat betekent dat ook de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
                    zekerheid van toepassing is. Het eerste lid van artikel 10a:9 regelt dat een
                    boete in de zin van de WW niet overeenkomstig wordt toegepast ten aanzien van de
                    aanvullende uitkering. Dus een boete op basis van de WW betekent niet dat er ook
                    een boete wordt toegepast op de aanvullende uitkering. Anderzijds wordt een in
                    het kader van de WW opgelegde boete niet gecompenseerd in de aanvullende
                    uitkering. Een boete in de WW leidt dus niet tot een hogere aanvullende
                    uitkering.</al><al>Daarentegen werkt een maatregel in de zin van de Werkloosheidswet wel door in de
                    aanvullende uitkering. Bij een maatregel moet worden gedacht aan een besluit van
                    de uitvoeringsinstelling om de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren,
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te
                    beperken.</al><al>Indien voor de WW een maatregel wordt opgelegd van 10%, wordt het
                    uitkeringspercentage van de WW verlaagd van 70% naar 60%. Er is dan dus sprake
                    van een verlaging met 10 procentpunten. Bij de overeenkomstige toepassing van
                    het verplichtingen- en sanctieregime wordt een systematiek gehanteerd die
                    aansluit bij de WW. In deze systematiek wordt gekozen voor een methode waarbij
                    de aanvulling tot de berekeningsgrondslag met eenzelfde deel wordt verminderd.
                    Een sanctie van 10% bij een aanvulling tot 80% van de berekeningsgrondslag leidt
                    dus tot een vermindering van de aanvulling met 10/80 deel.</al><al><cursief>Voorbeeld:</cursief>Dagloon: € 50,- Berekeningsgrondslag (ongemaximeerd
                    dagloon): € 75,- Aanvulling: 80% van de grondslag. Sanctie: 10%.</al><al>Normaliter zou de WW-uitkering 70% van de het gemaximeerde dagloon zijn, dus €
                    35,-. De aanvullende uitkering zou de WW-uitkering aanvullen tot 80% van het
                    (ongemaximeerde) dagloon, dus tot € 60,-. De aanvulling is in dit geval €
                    25,-.</al><al>Met een sanctie van 10% is de WW-uitkering 60% van € 50,-, dus € 30,-. De
                    aanvullende uitkering wordt nu (€ 25,- minus 10/80 x € 25,-) € 21,88. De totale
                    uitkering bedraagt dan € 51,88.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde
                    van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt
                    het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de WW kan bij een ontslag op basis van
                    artikel 8:4 CAR ongewenste consequenties opleveren. Artikel 8:4:1, tweede lid
                    UWO geeft een rangorde aan voor het ontslag van bij een reorganisatie betrokken
                    ambtenaren. De ambtenaren die ontslag wensen, worden als eerste ontslagen.</al><al>Degenen die ontslagen wensen te worden, zijn (echter) verwijtbaar werkloos in de
                    zin van artikel 24, lid 1, onderdeel a WW. Op grond van artikel 27 kan een
                    sanctie worden getroffen. De meest voor de hand liggende sanctie is een (al dan
                    niet blijvende) gedeeltelijke, dan wel een gehele weigering van de
                    uitkering.</al><al>In het geval van de gedeeltelijke weigering wordt er een aanvulling op de
                    aanvullende uitkering toegekend. Per saldo wordt dan hetzelfde effect bereikt
                    als wanneer de WW-uitkering niet zou zijn gekort.</al><al>In het geval van de gehele weigering kan de WW-uitkering niet worden aangevuld.
                    De uitkering is immers nihil. In dat geval wordt een gemeentelijke
                    werkloosheidsuitkering toegekend, eventueel aangevuld met de aanvullende
                    uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van
                    de WW van overeenkomstige toepassing. Er geldt dus bijvoorbeeld eenzelfde
                    verplichtingen- en sanctieregime.</al><tussenkop>Artikel 10a:10 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder dan
                    vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, de
                    WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt
                    verricht. Pas als de WW volledig is ‘weggekort’, wordt het restant van de te
                    verrekenen inkomsten op de aanvullende uitkering gekort. </al><al>Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met
                    een klein dienstverband.</al><al>De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of voor ten minste
                    de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, leidt in de systematiek van
                    de WW tot vermindering van de werkloosheid en aldus tot een uitkering die op die
                    lagere werkloosheid wordt gebaseerd. </al><tussenkop>Artikel 10a:11 Scholing (T)</tussenkop><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de
                    voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen kunnen
                    studeren met behoud van uitkering. </al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en onbeloonde
                    activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk geachte
                    scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een aanvullende
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die optreedt
                    vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht
                    op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin is dan artikel 10a:12 (toch) van
                    toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou hebben op aanvullende
                    uitkering als hij niet ziek was geweest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale uitkering
                    gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel 10a:5 zou
                    ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                    onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en derde
                    lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering in geval
                    van een onderbreking door ziekte alleen opschuift voorzover het ziektegeval
                    langer dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                    maanden van de WW-uitkering ziek wordt, ‘verbruikt’ hij dus de WW-duur. Wanneer
                    hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou zijn verstreken, kan het
                    WW-recht bij herstel dus niet meer herleven.</al><al>Wanneer de ziekte valt in de laatste drie maanden van de WW-uitkering, bestaat
                    er recht op aanvulling van de ZW-uitkering tot aan het moment waarop
                    WW-uitkering beëindigd zou worden als de betrokkene niet ziek zou zijn geweest
                    (de zogenaamde max datum). Wanneer de betrokkene geen recht heeft op een
                    aansluitende uitkering, ontvangt hij dus een uitkering krachtens de ZW van 70%
                    van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder aanvulling. In het geval er wel recht
                    bestaat op een aansluitende uitkering, gaat de aansluitende uitkering direct in
                    na het bereiken van de max datum. De uitkering krachtens de ZW wordt dan in
                    mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering (T)</tussenkop><al>De Waz geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op een
                    uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze uitkering wordt
                    de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR verhoogd tot het voor
                    betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de uitkering die ‘in verband met
                    zwangerschap’ genoten wordt, geldt ook voor ziekte die verband houdt met
                    zwangerschap en/of bevalling. Deze uitkering op grond van de Waz heeft geen
                    opschortende werking en heeft dus geen gevolgen voor de einddatum van de
                    WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering (T)</tussenkop><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                    mogelijkheid om ‘op proef’ een nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te
                    aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering; zie hiervoor
                    artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    Deze proefplaatsing geeft overigens geen recht op een vaste aanstelling.</al><al>Aan het recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal voorwaarden verbonden.
                    Zo moet de werknemer recht hebben op een WW-uitkering, heeft de proefaanstelling
                    een duur van maximaal zes maanden en moet het gaan om onbeloonde werkzaamheden.
                    De werknemer ontvangt dus geen bezoldiging, maar krijgt een
                    reïntegratie-uitkering in plaats van zijn WW-uitkering. De reïntegratie van
                    arbeidsgehandicapten wordt bevorderd, wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld
                    wordt met de WW-uitkering. Dit betekent namelijk dat het recht op een
                    aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering blijft bestaan.</al><al>De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de aanvulling is gelijk aan
                    de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de bovenwettelijke aanvulling wanneer
                    de werknemer geen proefaanstelling zou hebben aanvaard.</al><tussenkop>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                    werkloze werknemers neergelegd in de ZW. Op basis van artikel 36 juncto artikel
                    35 van de ZW hebben de nabestaanden van de overleden werkloze werknemer
                    aanspraak op een overlijdensuitkering. </al><al>Deze overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld
                    over één maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de
                    uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene
                    geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken.</al><tussenkop>Artikel 10a:13a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                    hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en die bij aanvang
                    van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze werkloosheid recht op een
                    uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit geldt ook als zij op grond
                    van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering in hun woonland
                    moeten aanvragen, en dus geen recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering
                    van de WW voor overheidspersoneel hadden grensarbeiders rechtspositioneel recht
                    op een wachtgeld of uitkering. Sinds de invoering van de WW sinds 1 januari 2001
                    geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders geen recht meer
                    hebben op de wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland (voor de WW geldt
                    namelijk het woonlandprincipe). Zij hebben echter rechtspositioneel wel recht op
                    de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van
                    overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing van
                    de regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen
                    recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het volgende
                    in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij in
                    Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW- en
                    bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben
                    gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                    grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte, zwangerschap of bevalling
                    loopt de bovenwettelijke uitkering door. In deze situatie zijn er twee
                    mogelijkheden.</al><lijst><li nr="1"><al>Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap
                            of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de bovenwettelijke
                            uitkering in een aanvulling op de (fictieve) uitkering op grond van de
                            ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat – voor maximaal de duur
                            van deze Nederlandse equivalent – de uitkering van het woonland wordt
                            aangevuld tot het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland
                            had gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of
                            bevalling wordt genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de
                            buitenlandse uitkering duurt, maar maximaal voor de duur van de
                            Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform de
                            Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel 10a:12a), een aanvulling tot
                            100% van de oude bezoldiging. De einddatum van de totale uitkering kan
                            hierdoor opschuiven. (In geval van ziekte gebeurt dat alleen als de
                            ziekte meer dan 3 maanden duurt.) In de fase van de aansluitende
                            uitkering geldt dit alleen als op de betrokkene, als hij in Nederland
                            had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid en zorg
                            nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                            in puur Nederlandse gevallen.</al></li><li nr="2"><al>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen bewijs
                            van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke
                            uitkering door zoals bij werkloosheid, dus zonder opschuiving van de
                            einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                            gevallen van ziekte etc. in de fase van de aansluitende uitkering na
                            afloop van de nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg. Als
                            de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                            wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op grond van de Wet
                            arbeid en zorg ontvangt, verandert de bovenwettelijke uitkering, volgens
                            de samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze
                            Nederlandse uitkering.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10a:14 Diensttijd (T)</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                    doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van het zijn van
                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel. </al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de aansluitende uitkering.
                    Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de vaststelling
                    van de duur van de aansluitende uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken op een
                    aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens)
                    niet te worden meegenomen als diensttijd.</al><tussenkop>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met
                    suppletie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen waarin er
                    ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent de CAR/UWO een gesloten systeem
                    van ontslaggronden. De relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd. </al><al>Zie ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van de
                    WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel 10a:9,
                    derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend, is er recht
                    op een aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 is er alleen recht op een
                    aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand van
                    het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in op de eerste dag van de
                    werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op een
                    uitkering op basis van de WW bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang van de
                    aansluitende uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004 werkloos
                    zijn geworden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen, op
                    wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende uitkering gaat dan pas in
                    op het moment dat de duur van de verlengde uitkering van 10a:5a is
                    verstreken.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen, op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze mensen ontvangen nog een
                    uitkering conform de oude regels van de WW. Deze mensen ontvangen dus nog een
                    vervolguitkering. De aansluitende uitkering gaat dan pas in op het moment dat de
                    duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers
                    die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde
                    van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO.</al><al>Na afloop van de suppletieregeling ontstaat aanspraak op een aansluitende
                    uitkering indien en voor zolang de duur van de aansluitende uitkering, bepaald
                    krachtens artikel 10a:16 van deze regeling, de duur van de suppletie overtreft. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de berekening van de duur van de aansluitende uitkering vanaf de
                    datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de
                    ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de oude
                    wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het
                    percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de aansluitende
                    uitkering. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de eerste
                    dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn de mensen die per 1
                    augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen de duur
                    van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een periode van
                    twee jaar. Dit heeft te maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per
                    11 augustus 2003 de vervolgutikering WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de
                    wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerking in de bovenwettelijke regeling
                    een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107;
                    CvA/LOGA 04/19).</al><al><vet>Voorbeeld</vet> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is sinds
                    zijn 18e in dienst van de overheid. <onderstreept>In de <vet>oude</vet> situatie
                        (ontslag voor 1 augustus 2004)</onderstreept> was de duur van zijn
                    aansluitende uitkering als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 – 21 = 14)*1,5%]*de
                    diensttijd = 3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van ontslag. </al><al><onderstreept>In de <vet>nieuwe</vet> situatie (ontslag na 1 augustus
                        2004)</onderstreept> is de basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt
                    echter nog 2 jaar extra afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende
                    uitkering op 5,135 jaar na de dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe
                    situatie geen vervolguitkering meer bestaat, doet in deze berekening van de
                    einddatum van de aansluitende uitkering niet ter zake.</al><table><tgroup cols="1"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto20" type="foto" id="i267764"></illustratie></plaatje></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende uitkering, in
                    beginsel geen opschorting plaatsvinden. Een uitzondering wordt gevormd door
                    artikel 10a:24 scholing. Zie ook de toelichting op artikel 10a:21, tweede
                    lid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft gehad op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een aansluitende
                    uitkering in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van de aansluitende
                    uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur van het recht op WW
                    na de afschatting. Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de einddatum
                    van het recht op een aansluitende uitkering, heeft betrokkene na afloop van zijn
                    WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. Voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende en aansluitende uitkering moet eveneens de datum van
                    ontslag als vertrekpunt genomen worden. </al><al>Hieronder zijn twee voorbeelden opgenomen ter verduidelijking. </al><al>Voorbeeld 1 Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag verleend wegens
                    volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op een
                    WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april 2006
                    afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de duur van
                    2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden bijna vijf jaar langer is geworden duurt de
                    WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct na ontslag WW had
                    ontvangen). De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van
                    ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Dit betekent dat
                    betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering gedurende de periode dat er
                    recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2008 heeft
                    betrokkene recht op een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon. </al><al>Voorbeeld 2 Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag verleend wegens
                    volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op een
                    WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1 april
                    2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de
                    duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum
                    van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn
                    WW-uitkering heeft hij recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van
                    het ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1 april 2010. Betrokkene
                    heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een aanvullende uitkering ter hoogte
                    van 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot
                    uitbetaling daar de einddatum is bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het eerste lid niet.
                    Deze persoon heeft namelijk recht op een aansluitende uitkering tot aan de dag
                    waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Let wel: degene die op het
                    moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op een
                    aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                    aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2
                    voldoet). De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was
                    opgenomen (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som
                    van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te
                    vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op 7
                    juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze
                    wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling
                    (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de afspraken
                    is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 ontslagen zijn een
                    uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet is afgeschaft. Dit betekent dat
                    het vervallen van én de vervolguitkering én de aanvulling daarop gecompenseerd
                    worden.Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de aanvullende
                    uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor zover het gaat om de
                    aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben na
                    de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen recht meer op een
                    vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11 augustus 2003 afgeschaft.
                    Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de afschaffing van deze
                    vervolguitkering wordt gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze
                    uitkering worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering. Dit is
                    geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                    Deze bepaling blijft van toepassing op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                    nieuwe artikel 10a:16.</al><table><tgroup cols="1"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto21" type="foto" id="i267765"></illustratie></plaatje></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen in het eerste
                    lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een aansluitende uitkering
                    tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment van ontslag 55
                    jaar of ouder is en die geen recht heeft op een aansluitende uitkering (zie
                    artikel 10a:15), heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in § 2 (mits hij
                    aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging, zoals
                    die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een uitkering tot aan de
                    65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk
                    was aan 60), is komen te vervallen. Wanneer onverkort de systematiek van de WW
                    gevolgd zou worden, zou dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende
                    uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                    op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar
                    wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud van het tweede lid van
                    artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een uitzondering ten opzichte van de
                    WW-systematiek. Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet
                    (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige
                    leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen samenloop plaats
                    tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                    AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a van
                    overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. “Voor zover toepasbaar”,
                    omdat bij sommige bepalingen nadere voorwaarden gelden, waaraan uiteraard ook
                    voldaan moet worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige artikelen buiten
                    toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vierde lid
                    van artikel 10a:16a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen.</al><tussenkop>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><tussenkop></tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet – vanwege de snelheid van
                    invoering – overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een aanvullende uitkering.
                    Pas na deze aanvullende uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel
                    10a:16b voorziet hierin.</al><tussenkop>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon WW,
                    echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:3.</al><tussenkop>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering (T)</tussenkop><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                    berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt
                    aangepast.</al><tussenkop>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                    korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de aansluitende uitkering tot
                    15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geeft op een uitkering ter hoogte
                    van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is in artikel
                    10a:17 juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting), in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                    ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering. Voor voorbeelden wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    samen met de duur van de WW-uitkering na afschatting langer duurt dan 15
                    maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende uitkering 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het derde lid
                    van artikel 10a:19 bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                    Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke
                    beëindiging van het recht op uitkering analoog van toepassing. Dit betekent dat
                    een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als een
                    WW-uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van ziekte,
                    ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie artikel 7, onderdeel a
                    van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft de betrokkene die een uitkering
                    krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering krachtens de WW. Op zich
                    logisch, want anders zou de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering
                    krachtens de ZW als een uitkering krachtens de WW.</al><al>Tijdens de aansluitende uitkering is er in de regel geen recht meer op een
                    uitkering krachtens de ZW. Dus artikel 19 WW heeft in dat geval geen
                    rechtstreekse werking. Echter: wanneer er sprake is van ziekte, is men niet
                    beschikbaar om arbeid te verrichten en dus ook niet werkloos in de zin van de
                    WW. Op grond van artikel 20 WW (dat van overeenkomstige toepassing is, volgens
                    het eerste lid van artikel 10a:20) zou dan het recht op uitkering eindigen, wat
                    krachtens het eerste lid van artikel 10a:20 zou betekenen dat de aansluitende
                    uitkering ook zou eindigen. Dit is niet de bedoeling. Derhalve blijft het recht
                    op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                    uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het recht op aansluitende uitkering
                    dus ‘verbruikt’. </al><tussenkop>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en Waz (T)</tussenkop><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                    ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de zin
                    van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is verstreken). Op
                    grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake zijn van nawerking. Zo kan
                    de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen een maand na het begin van
                    de aansluitende uitkering ziek wordt en op grond van de nawerking nog recht
                    heeft op een ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan zowel recht op een aansluitende
                    uitkering als op een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende
                    uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd. </al><al>Ook de Waz kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt dat
                    werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de verplichte verzekering (dit
                    is na afloop van de WW-uitkering) bevallen, een kind ter adoptie aannemen of een
                    pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op grond van de Waz.</al><tussenkop>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging
                    van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid,
                    na afloop van die arbeid geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, het
                    recht op de aansluitende uitkering herleeft. </al><al>Zie voor een verdere toelichting op het begrip herleving de toelichting op
                    artikel 10a:7.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                    zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb.
                    2003, 546, is in feite een verlenging van de duur van de WW-uitkering opgenomen.
                    In de toelichting op artikel 10a:8 is hierover het een en ander opgenomen. Deze
                    WW-bepalingen zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                    uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als gedurende de
                    aansluitende uitkering sprake is van herleving na een beëindiging. </al><tussenkop>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                    niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing is. Dit
                    betekent dat de betrokkene gedurende deze fase dezelfde verplichtingen heeft als
                    toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook sancties kunnen worden
                    getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde
                    van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt
                    het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de situatie
                    waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de aansluitende fase van
                    de uitkering recht heeft op ZW.</al><tussenkop>Artikel 10a:23 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de werkloosheid
                    en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.
                    Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt verricht voor minder
                    dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren.
                    De aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van
                    hetgeen er met die arbeid wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch
                    voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein dienstverband.</al><tussenkop>Artikel 10a:24 Scholing (T)</tussenkop><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven aan
                    de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming en
                    onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen
                    kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering. </al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en onbeloonde
                    activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een duurdoorbreking van
                    toepassing (krachtens artikel 76, eerste lid WW) en ligt de duur van de
                    aansluitende uitkering niet vast. Dit betekent dat hier een uitzondering wordt
                    gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat de duur van de
                    aansluitende uitkering éénmaal wordt berekend en vervolgens vastligt.</al><tussenkop>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er recht
                    is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is vastgelegd dat er een
                    gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van overlijden
                    tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de WW-uitkering. De
                    ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in
                    welk geval artikel 10a:13 nog van toepassing is, bestaat er dan geen aanspraak
                    meer op een ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval
                    geheel bovenwettelijk.</al><tussenkop>Artikel 10a:25a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                    recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkering
                    als een werknemer die in Nederland woont en ontslagen wordt. Dit geldt niet
                    alleen voor de periode van de aanvullende uitkering (waarvoor artikel 10a:13a
                    geldt), maar ook voor de periode van de aansluitende uitkering. </al><al>Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel 10a:13a.</al><tussenkop>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand gaat
                    nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing
                    zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend van € 2.270,- onder
                    verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten uit anderen hoofde. Het
                    gaat hier om een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Het recht op een verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd, indien
                    de vergoeding bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de
                    noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de
                    gemeentelijke organisatie werk heeft gevonden, is een instrument dat kan
                    bijdragen aan zijn reïntegratie in het arbeidsproces. Hiermee wordt een
                    eventuele belemmering gelegen in de hoge verhuiskosten bij aanvaarding van een
                    functie elders weggenomen.</al><al>Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                    werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                    worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding dat uit zou gaan boven de
                    door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de tegemoetkoming
                    in de verhuiskosten toegekend kan worden. De opsomming is cumulatief: er moet
                    aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan.</al><al>Er bestaat geen mogelijkheid tot terugvordering in het geval van beëindiging
                    werkhervatting door eigen schuld of toedoen en/of in het geval van fraude.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er verrekeningsactie moet worden ondernomen wanneer blijkt
                    dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is vastgelegd dat de vergoeding
                    achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend, moet komen vast
                    te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd. </al><tussenkop>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een WW-
                    en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen een functie van een
                    gelijk niveau als de oude betrekking te aanvaarden, maar ook een functie die
                    lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere uitkeringslasten voor de
                    gemeente leiden. </al><al>Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de oude betrekking en
                    dat in de nieuwe betrekking.</al><al>Net als bij de verhuiskostenvergoeding kan het recht op een reïntegratietoeslag
                    alleen worden geëffectueerd, indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling
                    wordt aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de
                    uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een betrokkene
                    tijdens het recht op een bovenwettelijke uitkering een dienstbetrekking in de
                    zin van de WW aanvaardt. Wanneer de betrokkene aansluitend aan het ontslag als
                    betrokkene een dienstverband aanvaardt voordat het recht op bovenwettelijke
                    uitkering ontstaat, is er geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd, indien het
                    wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens aan de
                    uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht moeten
                    worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort
                    gehouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle gevallen
                    recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere dagloon kan een gevolg
                    zijn van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking. Wanneer er sprake is van
                    een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het
                    dagloon in de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende)
                    dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat er recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                    Normaliter zal er bij de beëindiging van deze dienstbetrekking sprake zijn van
                    een nieuw recht op WW. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer
                    bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van minimaal één
                    jaar tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag
                    in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief bovenwettelijke uitkering,
                    weer herleven.</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw berekend bij het
                    aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een aanspraak op
                    reïntegratietoeslag kan worden ontleend.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die alleen
                    van belang is in situaties waarin er voor een gering aantal uren nieuw werk
                    wordt gevonden. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan vijf uur en
                    minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren. In zo’n geval is
                    er geen sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op
                    basis van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW verwacht kan worden,
                    maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering
                    verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe werkzaamheden wordt verdiend.
                    Er is in zulke gevallen geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Ook wanneer aan de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend (artikel
                    10a:32), is er geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan de
                    periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
                    aansluitende uitkering als hij geen andere functie aanvaard zou hebben. Het gaat
                    in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat de betrokkene nog
                    recht gehad zou hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling van
                    bepaalde informatie te voorzien. Deze informatie moet maandelijks worden
                    gegeven. Wanneer de betrokkene deze verplichting niet nakomt, kan het recht op
                    reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve niet tot
                    uitkering komen.</al><tussenkop>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen zijn
                    nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon
                    behoudt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling ‘fulltime
                    is fulltime’. Met andere woorden: een fulltime dienstverband van 36 uur wordt
                    qua omvang gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband van 38 uur. Hierdoor
                    zijn omrekeningen niet nodig.</al><tussenkop>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                    stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens voor in de oude wachtgeld-
                    en uitkeringsregeling. De reïntegratiepremie beoogt de gewezen ambtenaar in de
                    gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag ineens zijn werkloosheid
                    geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het verzoek geldt
                    derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen moet bieden op een
                    blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid.</al><al>De betrokkene die nog geen recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan
                    geen recht verkrijgen op een reïntegratiepremie. Dit betekent dat de ambtenaar
                    die aansluitend aan het ontslag gaat werken, niet voor deze premie in aanmerking
                    komt.</al><tussenkop>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling hanteert het criterium ‘in dezelfde mate werkloos zou zijn
                    gebleven’ als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                    nieuwe werkgever. De zinsnede ‘in dezelfde mate’ impliceert dat de
                    omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                    berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene
                    al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis. Hetzelfde geldt
                    voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een
                    sanctie geen invloed.</al><al>Wanneer op de dag voor de werkhervatting een uitsluitingsgrond voor het recht op
                    WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte of vakantie), waardoor het recht op WW
                    en bovenwettelijke uitkering geheel eindigt, kan de reïntegratiepremie pas
                    worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de uitsluitingsgrond is
                    opgeheven.</al><tussenkop> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                    werkloosheid (T)</tussenkop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en
                        voorzieningen bij werkloosheid.</vet></al><al>Dit het hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden
                    gevolgd bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast
                    bevat het hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de
                    toen bestaande bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij boventalligheid
                    aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag wegens
                    andere gronden (artikel 8:8); re-integratie en ontslag op grond van
                    onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); re-integratie en ontslag wegens
                    reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                    werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7,
                    8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke (uitkerings)rechten. </al><tussenkop>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en ontslagen
                    zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                    en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als medewerkers worden
                    ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als medewerkers zijn
                    ontslagen).</al><tussenkop>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al>Ad g werkloosheidsuitkering Wanneer ambtenaren na ingang van de
                    werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook
                    deze baan weer eindigt, kan er op grond van de WW sprake zijn van een herleving
                    van het recht op uitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                    werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op dit herleefde recht op
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</tussenkop><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                    hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door middel
                    van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het voorkomen van
                    werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende afspraken gemaakt mogen
                    worden ten opzichte van de basisaanpak in dit hoofdstuk, mits deze aanpak
                    gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvullingen mogelijk: aanvullingen met
                    betrekking tot onderwerpen die niet geregeld zijn in dit hoofdstuk en
                    aanvullingen die tot een verruiming leiden van de afspraken in dit hoofdstuk.
                    Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare afspraak
                    geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d, bespreken college
                    en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van het lokale beleid zal
                    worden overgegaan. </al><tussenkop>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
                    (T)</tussenkop><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen wordt op
                    grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud
                    een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond het
                    ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat
                    redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de hand.
                    Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk
                    het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van
                    faciliteiten (financieel of anderszins) om de re-integratie te stimuleren zal
                    daarom vaak onderdeel uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet
                    te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als
                    voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6,
                    afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                    uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag
                    gemaakt zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het doel van de re-integratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst nog
                    de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst
                    ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de
                    duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer
                    voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het
                    ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van
                    het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de mogelijkheden genoemd, op grond
                    waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de reintegratiefase kan
                    eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het
                    ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde
                    is.</al><al> Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de re-integratiefase
                    verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                    worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder
                    ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum. </al><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de
                    noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6 voldaan
                    is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit
                    het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of
                    onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende
                    is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de
                    intreding van de re-integratiefase niet op.</al><tussenkop>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijdbetrekking eindigt de re-integratiefase.
                    Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn oud-medewerkers een
                    plicht om de re-integratie in de arbeid te bevorderen. Zolang de re-integratie
                    nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige opheffing van de
                    werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht van de gemeente
                    bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het
                    re-integratieplan voort te zetten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tijdens de re-integratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die
                    van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het
                    college vastgesteld en vastgelegd in het re-integratieplan. Dit kunnen onder
                    meer afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en
                    outplacementtraject (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt
                    aan de gemaakte afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende
                    sollicitaties verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6 eerder in dan pas na
                    afloop van de re-integratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                    proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van
                    het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de
                    re-integratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de
                    redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden
                    op grond van artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                    disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                    waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7, de nieuwe
                    ontslagdatum is opgenomen.</al><al>Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond van artikel 8:6 ook zijn
                    welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden functie. Als de ambtenaar
                    een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet accepteert, kan eveneens vóór
                    het aflopen van de reintegratietermijn ontslag plaatsvinden op grond van artikel
                    8:6. Naarmate de re-integratiefase langer duurt, mag een bredere oriëntatie op
                    arbeid verwacht worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de
                    omstandigheden van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een
                    functie moet aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen
                    lager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Eerdere beëindiging van de re-integratiefase leidt tot het vervallen van het
                    recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet
                    het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</al><tussenkop>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente
                    (T)</tussenkop><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                    re-integratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en
                    de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit het
                    re-integratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                    re-integratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                    oorspronkelijke re-integratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd
                    wordt de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en
                    billijkheid mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan
                    zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW
                    pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen,
                    wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging
                    van de re-integratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar tijdens
                    die fase aan zijn re-integratie blijft werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                    re-integratiefase, wanneer de ambtenaar de re-integratiefase niet volledig heeft
                    kunnen benutten aan re-integratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit
                    kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het
                    voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de reintegratiefase aan
                    zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen met
                    een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd. </al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de re-integratiefase niet meer
                    aan de voorwaarde dat aan re-integratie gewerkt moet worden, dan wordt de
                    verlenging gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in. Door
                    aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari 2012
                    minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen
                    volgens deze regeling. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de
                    aanstelling of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer
                    tijdens de verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de
                    re-integratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken,
                    wordt voor het aflopen van de verlengde re-integratiefase het ontslag verleend
                    op grond van artikel 8:6.</al><tussenkop>Artikel 10d:10 Re-integratieplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de re-integratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt
                    onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder
                    opbouwde. Wanneer hij tijdens de re-integratiefase geen werkzaamheden verricht,
                    betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die
                    in het kader van het re-integratieplan zijn afgesproken.</al><al> Als bij de start van de re-integratiefase al duidelijk is dat direct na de
                    beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het re-integratieplan
                    uit het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze
                    functie gaat bekleden. Het re-integratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te
                    worden. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het re-integratieplan, zodra
                    duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 8:6 en
                    daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                    ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide partijen kan
                    echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op
                    het voorkomen van werkloosheid vergroten. </al><al>Het re-integratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                    re-integratiefase zijn opgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                    re-integratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                    voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder
                    gaan dan op grond van re-integratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet
                    de volledige kosten vergoedt). </al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente
                    niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=,
                    kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt
                    aan de activiteiten uit het re-integratieplan.</al><tussenkop>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</tussenkop><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die een
                    dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit licht
                    wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><tussenkop>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</tussenkop><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                    werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor beide
                    partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid intreedt,
                    de periode van twee jaar begint te lopen.</al><tussenkop>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </tussenkop><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar werk-traject
                    geregeld.De start is het onderzoek naar wensen en mogelijkheden en
                    arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek wordt afgerond
                    binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar werk-traject. De
                    startdatum is de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is
                    getreden. Het onderzoek kan eerder opgestart worden, als al is voorzien dat
                    boventalligheid aan de orde zal komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek
                    eerder aanvangt, sneller met de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans
                    van slagen toeneemt.Bij het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur
                    worden ingeschakeld. Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf
                    in dienst is, mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als
                    loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                    professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders ofwel
                    aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring heeft.</al><tussenkop>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</tussenkop><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat is
                    uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het contract bevat
                    de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het vinden van nieuw werk.
                    Het contract is maatwerk en zal per individu verschillen. Het is van belang
                    concreet alle van belang zijnde afspraken op te nemen. In het artikel is een
                    niet-limitatieve opsomming hiervan opgenomen. Gedurende de looptijd van het
                    contract is de ambtenaar boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij
                    gedurende de Van werk naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom
                    ook afspraken te worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                    (T)</tussenkop><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken wordt
                    neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van belang is dat
                    goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen. Het verloop van het
                    Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven tot een verschil in
                    opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt voorgelegd (zie artikel
                    10d:24). De dossiervorming moet dan op orde zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                    zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt werk
                    kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</tussenkop><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk binnen of
                    buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van het Van werk
                    naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van
                    artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar werk-contract vast welke
                    functies passend dan wel geschikt zijn. Als de ambtenaar een dergelijke functie
                    weigert, eindigt het Van werk naar werk-contract. Afhankelijk van de duur van
                    het Van werk naar werk-traject mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht
                    worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden
                    van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet
                    aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                    vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft. Hiermee
                    wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat het voor
                    de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook
                    uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                    contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan. In
                    beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de
                    werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</tussenkop><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21 maanden
                    geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies uit te brengen
                    over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te kunnen uitbrengen,
                    heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de evaluatieverslagen, en
                    zonodig in andere relevante correspondentie. De loopbaanadviseur moet overwegen
                    of een vervolgtraject een zinvolle stap is, die de kans op ander werk evident
                    doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen binnen de organisatie en de
                    arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij relevant. De loopbaanadviseur adviseert
                    het college; het college hoeft dit advies niet te volgen.</al><tussenkop>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
                    (T)</tussenkop><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                    beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                    ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. Dat is alleen anders als het
                    college het advies van de loopbaanadviseur tot verlenging volgt.</al><tussenkop>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                    Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de loopbaanadviseur
                    zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële kans op een andere
                    functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in kwestie- kan leiden tot
                    verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de werkgever. Er kan maar een
                    keer worden verlengd. Het traject wordt definitief beëindigd op de datum waarop
                    het verlengde contract afloopt. Na afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op
                    grond van artikel 8:3.</al><tussenkop>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                    werk-contract (T)</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                    werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                    optreden.</al><al>Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de afspraken
                    is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht. Als een
                    gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de partij die
                    vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in het contract stelt de ander
                    hiervan schriftelijk in kennis.Voor de gemeente kan dit leiden tot beëindiging
                    van het contract en een ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19 bij
                    tussentijdse beëindiging.Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen dat
                    het Van werk naar werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het gebrek
                    is opgetreden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat een
                    loopbaancoach afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben
                    plaatsgevonden. Deze worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook
                    in deze fase werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt,
                    kan de paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De commissie
                    is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie hebben kunnen
                    de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een reglement vaststellen
                    waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                    vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld reglement opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, sub a</vet></al><al>Wanneer de re-integratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet
                    heeft gehouden aan de afspraken die in het re-integratieplan zijn neergelegd,
                    vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub b</vet></al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                    zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar werk-contract
                    zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub c</vet></al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                    werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                    bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                    vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                    aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan
                    tegelijk aan, na de vakantie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                    werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                    sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                    informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter
                    bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en ter
                    controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:28).</al><tussenkop>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:2 is de bezoldiging gedefinieerd. De hoogte van de uitkering is
                    gedurende de twee fases verschillend. De genoemde bedragen zijn feitelijke
                    bezoldigingsbedragen. Hiermee wordt dus niet de voltijdsbezoldiging bedoeld, die
                    omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een
                    medewerker die met een functie voor 30 uur per week een bezoldiging van €
                    5.500,= ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een aanvullende uitkering van
                    30% van deze bezoldiging en gedurende de tweede fase een aanvullende uitkering
                    van 20% van deze bezoldiging. De zinsnede “naar rato van het aantal uren dat de
                    ambtenaar werkloos is” houdt in dat indien iemand een arbeidsduur had van 36
                    uur, waaruit hij voor 18 uur is ontslagen hij een aanvullende uitkering ontvangt
                    van 10%, respectievelijk 20% of 30% maal 18/36. Als deze persoon vervolgens een
                    baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij een aanvullende uitkering van
                    10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 van zijn bezoldiging. </al><tussenkop>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                    datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                    beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende
                    uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang
                    van de WW-uitkering </al><tussenkop>Artikel 10d:28 Sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden
                    een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3
                    maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld
                    6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                    Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels
                    gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te
                    komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het
                    recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is
                    afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie
                    die door UWV is opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de WW-uitkering
                    eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief>Omdat de
                    werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering, wanneer
                    de werkloosheidsuitkering herleeft. Omdat de duur van de aanvullende uitkering
                    van één jaar gekoppeld is aan de dag van ontslag, geldt de herleving van de
                    eerste fase van de aanvullende uitkering alleen wanneer de
                    werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de ingangsdatum van
                    ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de periode, waarin geen
                    werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de resterende tijd van de
                    werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid,
                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid,
                    als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om
                    een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                    gemeente.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering
                    zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl; zoeken op
                    poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de
                    na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en het door de gemeente te voeren
                    sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                    alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                    omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                    schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid. </al><tussenkop>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is, zijn
                    na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De na-wettelijke
                    uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie van
                    20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van minder
                    dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering
                    (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                    verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af te
                    leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken). In
                    artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet overleggen die
                    van belang zijn voor het bepalen van het recht op nawettelijke uitkering.
                    Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en arbeidsovereenkomsten. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient dat
                    hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen, waaruit
                    voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering nooit meer kan
                    bedragen dan 90% van de oude bezoldiging.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De
                    na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt
                    tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee
                    resteert een werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij € 1500,=
                    verdienen. Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,=
                    bedragen. Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                    2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is € 1800,=.
                    Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een na-wettelijke
                    uitkering van € 400,=.</al><tussenkop>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                    gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><tussenkop>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of meer
                    dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest. Als door
                    werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of minder dan de
                    helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en
                    eindigt de na-wettelijke uitkering. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                    wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking
                    getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de
                    ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar
                    die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of
                    8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</tussenkop><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college kan
                    echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de na-wettelijke
                    uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de hoogte van het
                    afkoopbedrag. </al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag, vallen
                    partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de na-wettelijke
                    uitkering. </al><tussenkop>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                    herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                    ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                    waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                    is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                    organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel 8:5
                    plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid
                    heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien,
                    een bijzondere uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="-"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                            dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="-"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering overeenkomt
                    met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli
                    2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten
                    gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de
                    aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in het tweede lid, is
                    opgenomen.Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op een
                    re-integratiefase of een Van werk naar werk-traject. Mocht daarna sprake zijn
                    van werkloosheid, dan geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na
                    afloop van de WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit
                    overgangsrecht is overeengekomen.</al><al>De overgangsuitkering eindigt op de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden (artikel
                    10d:33). Vanwege deze beëindiging op 62 jaar en 9 maanden komt de potentiële
                    uitkeringsduur uit lid 2, bij ontslag op de leeftijd van 50 jaar en ouder niet
                    volledig tot uitkering. Samen met een WW van minimaal 20 maanden (het
                    overgangsrecht is voor mensen die op 1 juli 2008 minstens 20 dienstjaren hadden)
                    komt deze uitkering namelijk boven de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden
                    uit.</al><tussenkop>Hoofdstuk 10e Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>De omschrijving dat aan de ambtenaar
                    ontslag moet zijn verleend, impliceert dat het einde van een tijdelijke
                    urenuitbreiding geen recht geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake van
                    ontslag. Dit is anders wanneer deze urenuitbreiding, die in de vorm van een
                    brief kan worden meegedeeld, de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na
                    afloop van deze aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering toe te
                    kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel
                    de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een betrekking te
                    aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de Centrale raad van beroep
                    die uitwijst dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                    te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch
                    noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding
                    een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen
                    invloed kunnen uitoefenen.</al><tussenkop>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is aan
                    de zogenaamde toegangseis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag dient
                    betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als werknemer
                    in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet
                    mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten
                    minste op n dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren. Deze toegangseis,
                    afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1 maart 1995 verzwaard, maar die
                    verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 2000 niet overgenomen in dit
                    hoofdstuk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij het
                    vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om
                    werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om
                    werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                    waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                    gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht voorafgaand aan
                    indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                    waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan, moge
                    het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                    vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                    betrokkene een tweede deeltijdbaan vervullen van 16 uur voor de duur van drie
                    maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de
                    termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in
                    deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt
                    in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee. Deze tijd telt
                    uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de toegangseis voldaan is op het
                    tijdstip dat de deeltijdbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen dus
                    slechts eenmaal mee.</al><tussenkop>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                    werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                    hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het om
                    de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van
                    hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><tussenkop>Artikel 11:18 Samenloop (T)</tussenkop><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar, ter
                    hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                    betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij de
                    oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><tussenkop>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van
                    degene aan wie uitsluitend een uitkering voor de periode van zes maanden is
                    toegekend. In afwijking van het reguliere systeem van de verrekening van
                    neveninkomsten, geldt in dit geval dat het recht op uitkering vervalt en
                    herleeft in de situatie dat spoedig opnieuw werkloosheid optreedt nadat
                    betrokkene bijvoorbeeld als uitzendkracht heeft gewerkt. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met ingang
                    van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor de
                    resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw werkloosheid
                    ontstaat. Van belang is dat het begrip beëindiging van de werkloosheid zodanig
                    is omschreven dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst
                    van beindiging van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van
                    een maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij eenzelfde
                    werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit ontslag volgde.
                    Dit betekent dat gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een
                    uitkering een tijdelijke betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering
                    worden verrekend. Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee
                    wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                    herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van de
                    uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                    werkloosheid.</al><tussenkop>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet>Artikel 11a:1 bevat de
                    definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip ‘arbeidsongeschiktheidsuitkering’ is in deze suppletieregeling
                    elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid
                    bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-uitkering, de uitkering op grond van de
                    WAZ en de uitkering op grond van de WAJONG. Ook uitkeringen van buitenlandse
                    mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                    vallen.</al><al><cursief><vet>Sub d</vet></cursief>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt
                    gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking
                    bij een gemeente op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid
                    wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                    zijn in de zin van de WAO.</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende verdienvermogen
                    volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek
                    van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond
                    van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene
                    één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus
                    altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is
                    echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                    dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder
                    dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens
                    recht op suppletie. Met de omschrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is,
                    bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te
                    geven dan die van het ambtenaarschap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde
                    op 31 december 1995.</al><al><cursief><vet>Sub g en h</vet></cursief>Het dagloon in de zin van de suppletie
                    is het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO met een bepaalde correctie.
                    Allereerst wordt het dagloon in de zin van de WAO vermeerderd met het bedrag aan
                    pensioenbijdrageverhaal.</al><al>Daarnaast wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten
                    verzekerd zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de
                    werkgeversbijdrage in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het
                    ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de
                    werkgever dient van het WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de
                    berekeningsgrondslag van de suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de
                    berekeningsgrondslag van het vroegere herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten
                    bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                    ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, is het niet nodig om
                    bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de suppletie, het
                    ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de tegemoetkoming
                    van de werkgever in een particuliere ziektekostenverzekering van betrokkene. In
                    deze gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin van de WAO
                    reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al><cursief><vet>Sub h</vet></cursief>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking
                    genomen voor zover het toegerekend kan worden aan de betrekking waaruit
                    betrokkene met recht op suppletie is ontslagen. In tegenstelling tot de
                    WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is het recht op suppletie immers aan
                    die enkele betrekking gekoppeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 11a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en de
                    ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                    van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                    personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde
                    grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel 8:5, tweede
                    lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24
                    maanden.</al><al>De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel 11a:6. Zoals
                    bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale uitkeringsduur 66 maanden, te
                    rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na ommekomst van de
                    maximale uitkeringsduur eindigt het recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden
                    zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Vergelijk
                    artikel 11a:5, onderdeel a.</al><tussenkop>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt
                    een verplichtingen en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van
                    dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                    bestuursorgaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip ‘passende arbeid’ in de zin
                    van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede
                    gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in dit lid
                    gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van
                    het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek
                    te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die ongeschikt is voor
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe onderzoekt de werkgever
                    eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                    arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van
                    het eerste ziektejaar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in
                    een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat de betrokkene op
                    het moment dat het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan, reeds
                    een jaar lang verplicht is geweest aangeboden gangbare arbeid te
                    accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                    betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet
                    verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde uitbreiding van
                    het begrip ‘passende arbeid’ zou de ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een
                    betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden
                    is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                    ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te houden voor de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende arbeid
                    in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele weigering van
                    gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                    suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve
                    betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wijze
                    sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel danwel
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur
                    worden beperkt.</al><tussenkop>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op suppletie
                    ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond van artikel
                    11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het eerstgenoemde geval
                    nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie worden overgegaan, zodra
                    de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                    voordoet en er op dat moment nog suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                    11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                    systematiek van de WAO (conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                    arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                    verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                    arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere klasse,
                    zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                    onredelijk geacht.</al><al>Wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de huidige
                    situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer de
                    herplaatsingstoelage wordt be‘indigd. Die vangnetfunctie wordt nu voortgezet in
                    artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><tussenkop>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</tussenkop><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De ‘klok’
                    van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden
                    onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft
                    plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een
                    latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in
                    mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene
                    geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode
                    80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn
                    ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                    was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen op een
                    moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen
                    recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog
                    op 70% van die berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot
                    uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de
                    betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake
                    van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer
                    wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van werkloosheid en
                    arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering
                    gebracht op het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                    Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en
                    voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                    TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                    expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                    suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                    betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                    Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie,
                    worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer
                    inkomsten gaat genereren uit die ‘oude’ inkomstenbronnen dan ligt het in de rede
                    dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                    in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 11a:9.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op het
                    ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                    verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake
                    waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                    arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient dat
                    meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het
                    bedrag van de suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</tussenkop><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                    verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid,
                    opgenomen anticumulatieregeling.</al><al>Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80% onderscheidenlijk
                    70% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt
                    door middel van arbeid of bedrijf inkomsten te verwerven, heft hij zijn
                    (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft
                    doordat hij zijn resterend verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op
                    een herplaatsingstoelage van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zolang hij die
                    herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht op suppletie niet meer tot
                    uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer hij zijn werkloosheid
                    gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te
                    gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel op de volgende
                    wijze:</al><al>(berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                    ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van de
                    suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan
                    zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is
                    het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de
                    plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                    genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</tussenkop><al>Een vermindering in het niveau van de onderlinge wettelijke en/of
                    bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                    suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie.Dit effect is echter
                    ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen
                    wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom vastgelegd dat
                    sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of bovenwettelijke uitkeringen
                    niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie.In geval van sancties worden de
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen voor de toepassing van de artikelen
                    11a:8 en 11a:9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><tussenkop>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Dit geldt ook voor de artikelen 11a:13, 11a:14 en 11a:15.</al><tussenkop>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</tussenkop><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                    eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een doelmatige
                    controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit soort regels zijn
                    regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het bestuursorgaan dient
                    te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA,
                    alsmede met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel
                    hersteld dient te melden. Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook
                    regels worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de
                    ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                    december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin
                    van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van het
                    door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een
                    nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                    en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om het
                    herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                    converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft hoogte,
                    duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid opgenomen tabel
                    betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder
                    andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar
                    staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100%
                    is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden
                    50% was.</al><tussenkop>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari 1996
                    de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken of
                    langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van
                    algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                    procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële
                    regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is vastgesteld op ten
                    minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de suppletieregeling is bepaald dat
                    voor degene die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte, dat ‘geconverteerde’ dagloon zal gelden als
                    berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval dat hij binnen een periode
                    van zes maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg treden
                    indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als
                    gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse
                    wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke
                    wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                    algemeen neerwaartse wijzigingen.</al><al>Voor het geval dat overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een
                    periode van zes maanden na de datum van publikatie in het Staatsblad van de
                    maatregel, houdende die algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt het volgende. In
                    dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigingen effectief ten aanzien van
                    de suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                    inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder.</al><tussenkop>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                    bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP.</al><al>Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij na ontslag
                    wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht op een WW-uitkering
                    en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk 10a.</al><tussenkop>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O. niet
                    alleen bevoegd is voor alle ambtenaren, maar evenzeer voor de mensen die
                    werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. </al><al>Het al dan niet representatief zijn is een beslissing die op lokaal niveau
                    genomen wordt. Op deze wijze kan rekening gehouden worden met lokale
                    organisaties van ambtenaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het - in
                    afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling - mogelijk maakt om
                    de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998 zitting
                    hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten deelnemen.
                    Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de
                    stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                    vertegenwoordigde personeelsleden.</al><tussenkop>Artikel 12:1:1 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                    personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk dat naast deze
                    vertegenwoordiger van de werkgever een tweede collegelid wordt toegevoegd. In
                    artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren worden
                    bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om die organisatie tot het overleg
                    toe te laten. Het gaat hier om de representativiteit van de organisatie. Voor de
                    bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te geven. Het kan, behalve van
                    lokale omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van hun
                    organisatiegraad.</al><tussenkop>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele zin
                    zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt dan
                    bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te geven.
                    Een dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen worden
                    afgesproken.</al><tussenkop>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als secretaris
                    aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is belast. Het valt af
                    te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die immers de voorzitter is
                    van het overleg met de ondernemingsraad. Het is beter om die rollen te
                    scheiden.</al><al>De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde informeel
                    of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg voorbereidt.</al><tussenkop>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                    gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in het
                    LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken, volstaat een mededeling
                    van de wijziging.</al><al>Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III bij CAR en UWO)
                    geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO niet ter kennis van de centrales
                    behoeven te worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                    ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste instantie,
                    conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de ondernemingsraad worden
                    voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het gemeentebestuur een besluit
                    heeft genomen, komt het GO in beeld. Het GO spreekt zich uit over de personele
                    gevolgen van het besluit. Als regel zijn die gevolgen neergelegd in een sociaal
                    statuut. Het toezicht op de uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak
                    voor de ondernemingsraad.</al><al>Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg dat het bevoegd gezag er
                    verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te informeren over zijn
                    voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de ondernemingsraad elkaar
                    beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen. Dat kan de kwaliteit van het
                    proces en het draagvlak van de besluiten alleen maar vergroten.</al><tussenkop>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                    besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                    spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-)niveau
                    en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te
                    vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie).
                    Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                    aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op LOGA-niveau
                    gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich daarentegen niet
                    voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                    ‘lokale domein’: in de commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats
                    te vinden.</al><al>Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over individuele
                    kwesties wordt gesproken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de ‘UWO-gemeenten’
                    opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                    overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de ‘niet-UWO-gemeenten’
                    dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling zijn
                    in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een ‘niet-UWO-gemeente’ dient over
                    deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O.
                    dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                    de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><tussenkop>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige formulering
                    van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering voor het
                    overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan
                    het begrip “gevoelen” uit het artikel. In de LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr.
                    94/152, is aangegeven dat, wanneer het in de gemeente van toepassing zijnde
                    overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit gehandhaafd kan worden.
                    Waar het overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet
                    bevredigend functioneert, is aan de gemeenten in de genoemde LOGA-brief een
                    keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die respectievelijk een brede (voorkeur
                    van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor Arbeidszaken)
                    invulling aan het vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: ‘invoering of wijziging van aangelegenheden van
                    algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt
                    niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                    overheidspersoneel’.</al><al>Formulering 2 luidt: ‘Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke
                    verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele
                    ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel’.</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 ‘de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd’ wel onder
                    het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet.</al><al>Concreet betekent dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de
                    inrichting van het personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                    personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                    overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze regelingen
                    voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren.</al><al>In formulering 1 vallen de onderwerpen als zodanig onder het
                    overeenstemmingsvereiste, en natuurlijk de regelingen die daaruit
                    voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de
                    griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de gemeenteraad worden
                    genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Alleen in de
                    situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan het college,
                    is het college het bevoegde orgaan.</al><tussenkop>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang die
                    specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.
                    De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen
                    en deelnemen aan de besprekingen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen. Besluiten
                    moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden.
                    Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te komen, moeten
                    partijen terug naar hun achterban.</al><tussenkop>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                    teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan
                    was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle GO's
                    opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen
                    besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering
                    niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen
                    de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt voorzien worden.
                    Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin besluitvorming plaatsvinden.
                    Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de
                    andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><tussenkop>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om de
                    raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met
                    name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of financiële
                    kaders.</al><tussenkop>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                    bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor
                    het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze bepaling
                    noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                    enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in
                    de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de andere
                    organisaties gezamenlijk.</al><tussenkop>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>Bij de advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa 400
                    gemeenten aangemeld. De Lokale advies- en arbitragecommissie (LAAC) is te
                    bereiken via het secretariaat van het College voor Arbeidszaken, Postbus 30435,
                    2500 GK Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en arbitragecommissie
                    wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken, gehoord het
                    Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De andere helft
                    wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</tussenkop><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO-)uitkeringen wordt uitgebreid met de
                    eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997
                    betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd. Deze
                    ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de
                    berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)uitkeringen met deze uitkering wordt
                    uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997
                    toegekende wachtgelden en (FLO-)uitkeringen.</al><tussenkop>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de Ondernemingsraden
                    wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden
                    (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en commissieleden redelijkerwijs nodig
                    hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en
                    OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                    combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is.
                    Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien
                    noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de
                    organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is
                    met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                    individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                    afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt. </al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                    (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het
                    convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                    achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                    verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve
                    arbeidsvoorwaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling van
                    arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel 2 van de
                    WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar
                    met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het belang van een goede
                    toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><tussenkop>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                    heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding
                    ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel 16:1:1, lid 2, de
                    definitie.</al><al>De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van het begrip
                    ‘plichtsverzuim’, zodat hier verwezen kan worden naar de toelichting bij artikel
                    16:1:1.</al><tussenkop>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidwerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben
                    naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed heringevoerd of een
                    nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of belofte of een
                    integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is,
                    zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van integriteitaspecten
                    hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan dient het moment de
                    nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de
                    ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed
                    wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en plaats.</al><tussenkop>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
                    (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr.44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr.44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De term ‘nevenwerkzaamheden’ dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                    verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van
                    een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder, vennoot of
                    aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en
                    onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                    normale diensttijd worden verricht.</al><al>Een gedane melding dient getoetst te worden aan het tot de ambtenaar gerichte
                    verbod, dat in het derde lid is geformuleerd. De ambtenaar zal zich een oordeel
                    moeten vormen over de vraag of door een nevenwerkzaamheid de goede
                    functievervulling of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover
                    deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid is
                    verzekerd.</al><al>De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich niet goed verdraagt met de
                    ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden tot het opleggen van een
                    verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden gemaakt dat de
                    mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins zich niet meer voordoet.
                    Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp geeft
                    eenzelfde richting aan.</al><al>De registratie van nevenwerkzaamheden kan op verschillende wijzen worden
                    ingericht. In elk geval dient de registratie te voldoen aan de regels die
                    gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties en de op deze wet
                    gebaseerde verordening, voorzover deze in de gemeente is vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over de openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid,
                    zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                    gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies die daarmee
                    op één lijn staan maar in het gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming
                    hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van
                    ‘andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                    integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden
                    noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de functies waaraan het
                    plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking
                    komen de stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een
                    projectorganisatie, concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van
                    de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al></li><li nr="-"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                            nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                            verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al></li><li nr="-"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de
                            uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke datum
                    de nevenwerkzaamheid wordt verricht.De openbaarmaking kan geschieden door ter
                    inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven
                    voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al><tussenkop>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over het melden van financiële
                    belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen waarin risico bestaat op
                    financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                    Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed,
                    bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen. Het college dient
                    ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in een functie (dan wel feitelijke
                    werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op financiële
                    belangenverstrengeling is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht
                    worden aan ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                    sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                    aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en adviesopdrachten.
                    Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich
                    bij het nemen van functionele beslissingen te laten leiden door niet-functionele
                    belangen zoals een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van
                    een bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                    van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit
                    hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of
                    kunnen beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                    moeten krijgen. Zij hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te
                    gebruiken of lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                    inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere risico’s
                    zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige
                    informatie.</al><al><vet>Lid 2 en lid 3</vet></al><al> Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                    regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><lijst><li nr="-"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="-"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden. </al></li><li nr="-"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van de
                            persoonlijke levenssfeer. </al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd wordt.
                        </al></li><li nr="-"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                            het financiële belang of het bezit van (of de transactie in) effecten.
                        </al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt dat
                    het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde
                    belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van de
                    ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor deze
                    beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden
                    hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                    voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in zijn
                    functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële belangen. Dat
                    vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk
                    bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een financieel belang
                    toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het
                    concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                    uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het
                    financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever
                    op basis van de verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op
                    financiële belangenverstrengeling of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient
                    eerst naar de minst ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden
                    aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een
                    dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel
                    belang af te stoten.</al><tussenkop>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel 15:1:11,
                    tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding en toezicht
                    van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                    plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig.
                    Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                    werkgever van desbetreffende ambenaar en de rechtspositie van die gemeente
                    blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</tussenkop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                    schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen. Bij elk schadegeval zal daarover
                    door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de vraag of
                    de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij geheel op hem
                    kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                    volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit
                    artikel grijpen. In elke organisatie komen ‘bedrijfsongevalletjes’ voor die
                    inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te
                    rekenen, maar de woorden ‘schuld’ en ‘nalatigheid’ wijzen er toch wel op dat het
                    moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><tussenkop>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</tussenkop><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of uitgeeft,
                    bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële waarden beheert. Het
                    betreft hier dus niet alleen degenen die ontvangersfuncties bekleden op grond
                    van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat
                    de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                    verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><tussenkop>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</tussenkop><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                    instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27,
                    eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een collegebesluit
                    worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren
                    die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins regelmatig in contact treden met
                    burgers, in een korte broek op de werkplek te verschijnen.</al><tussenkop>Artikel 15:1:17 Standplaats (T)</tussenkop><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                    wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij het
                    Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
                    vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers het volgende
                    individuele grondrecht van elke burger - dus ook van die burger die in een
                    arbeidsrelatie tot de overheid staat - geformuleerd: ‘een ieder die zich wettig
                    op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt, heeft het recht
                    zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen’.
                    Op dit grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van hetzelfde Protocol
                    slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de daarin op te leggen
                    beperkingen ‘in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s
                    lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde,
                    ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of
                    ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’.</al><al>De beperking op het individuele grondrecht is neergelegd in artikel 15:1:17. Een
                    relevante uitspraak in dit verband is de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 20 april 1990 (TAR 1990, nr. 139). In deze zaak is geoordeeld dat de
                    relevante verdragsartikelen verdragspartijen niet verbieden aan de vervulling
                    van een ambtelijke betrekking te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van
                    zijn werkplek dient te wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de
                    woonomgeving in een functionele relatie tot die betrekking staat. Aan die
                    voorwaarde is volgens de Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit
                    woongebied zodanig zijn vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat,
                    wanneer de ambtenaar buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling van zijn
                    functie te zeer in het gedrang komt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen
                    wanneer de reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met
                    de aard van zijn functie niet snel genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn.
                    Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd
                    interne zaken of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich in
                    een gemeente kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</tussenkop><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                    goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een
                    bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers- of
                    conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting met
                    zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld
                    zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                    gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                    ‘dienstwoning’ genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van het
                    dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de huurovereenkomst.
                    In die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><tussenkop>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de vervulling
                    van zijn betrekking. Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het
                    directe gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet
                    een zodanig verband zijn met de betrekking, dat de schade zich niet zou hebben
                    voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                    werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag
                    rekening worden gehouden met normale slijtage. Voorkomen moet worden dat de
                    ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval zou zijn wanneer als
                    schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed
                    deze waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen zal geen
                    schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling
                    of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet
                    nodig zijn voor de uitoefening van de functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade aan
                    een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze
                    bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken
                    van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                    geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan
                    de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan no-claimkorting. Er is
                    bewust voor gekozen af te zien van de verplichting voor de ambtenaar een
                    all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                    redelijkheid kan worden opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 15:1:24 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                    toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik.
                    Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten dat de gemaakte
                    kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto worden vergoed. De
                    juridische basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde
                    verbonden aan de toestemming de eigen auto te gebruiken ten behoeve van
                    dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van een all-riskverzekering worden
                    verbonden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</tussenkop><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van kosten.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. </al><tussenkop>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</tussenkop><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar
                    de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de
                    plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf te
                    voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de zin
                    van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                    (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                    Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                    vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat
                    daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2 buitengewoon
                    verlof kunnen genieten.</al><al>De zorgplicht is te vergelijken met die voor de ondernemingsraadsleden,
                    opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden. Omdat
                    zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn dan andere werknemers, is
                    deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen. Daardoor wordt gewaarborgd
                    dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen optreden zolang zij door hun
                    vakorganisatie daarvoor een aanwijzing hebben gekregen. Het gaat daarbij om
                    benadeling in promotiekansen, verslechtering van werkomstandigheden, gedwongen
                    overplaatsing, schorsing vanwege vakbondsactiviteiten en het niet verlengen van
                    een aanstelling/arbeidsovereenkomst. De feitelijke handelwijze van de gemeente
                    moet gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten
                    niet zou vervullen. De werknemer die zich desondanks benadeeld voelt, kan zich
                    wenden tot de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank
                    (aanstelling) of de kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><tussenkop>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de vaststelling
                    van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad kan het college
                    ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake van de
                    meldingen.</al><tussenkop>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</tussenkop><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen. Deze
                    zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                    bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                    leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij in
                    rechte kunnen worden aangetoond. Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                    betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid
                    speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil
                    overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                    spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                    dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een dergelijke
                    sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag ongedaan wordt
                    gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen
                    worden verweten. In dit verband speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel
                    bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed
                    ambtenaar betaamt.</al><tussenkop>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                    straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag. In
                    dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat over de
                    schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden opgemerkt
                    dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag
                    overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal kan worden
                    opgelegd.</al><al>Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen. De op te leggen straf
                    dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim. Het besluit een straf
                    toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2, eerste lid, is een besluit
                    ingevolge de Awb.</al><al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf op te leggen.
                    De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er dient rekening te worden gehouden met
                    de belangen van de organisatie en die van de ambtenaar. Ook de termijn
                    waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient redelijk te zijn. Wanneer een
                    ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft gefraudeerd met het
                    tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat betrokkene strafontslag
                    wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een afgesproken tijdstip
                    zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan een voorwaarde is
                    voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk uitvoeringsbesluit is
                    een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de betreffende ambtenaar
                    vooraf gehoord dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 16:1:3 Verantwoording (T)</tussenkop><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                    strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld. Betrokkene dient allereerst
                    te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het gaat hier
                    immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij naar
                    verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op
                    gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft
                    verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking van de
                    hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8).</al><al>Dit horen kan pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan
                    niet later gebeuren dan na 12 dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling
                    waarin het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf wordt
                    aangekondigd.</al><tussenkop>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al> Lid 1 regelt de hoogte van het individuele budget. Het budget is niet naar rato
                    van omvang dienstverband of naar rato van aantal maanden dienstverband als
                    iemand in de loop van het jaar in dienst komt. Op het moment een medewerker in
                    de tweede helft van een kalenderjaar in dienst komt, is het verstandig om bij
                    aanstelling meteen afspraken te maken over het individueel loopbaanbudget in dat
                    kalenderjaar. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In lid 2 is bepaald dat wanneer er een opleidings- en/of loopbaanbeleid is
                    vastgesteld in de gemeente dat vergelijkbare en gelijkwaardige mogelijkheden en
                    rechten biedt als het voorgestelde loopbaanbudget, dit beleid niet vervangen
                    hoeft te worden door het loopbaanbudget. Zulks ter beoordeling van de
                    Ondernemingsraad.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is vastgelegd dat het individueel loopbaanbudget ingezet moet
                    worden voor individuele opleiding- en ontwikkelingswensen die gericht zijn op
                    het verbeteren van de eigen inzetbaarheid en arbeidsmarktpotentie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Om te voorkomen dat medewerkers die in de loop van het jaar in dienst treden dit
                    budget niet meer kunnen besteden en het budget komt te vervallen na verloop van
                    het kalenderjaar, is het van belang dat de leidinggevende dit onderwerp in een
                    vroegtijdig stadium aan de orde stelt.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Lid 7 biedt de mogelijkheid om het individueel loopbaanbudget maximaal drie jaar
                    te sparen. In het persoonlijk ontwikkelingsgesprek worden hierover afspraken
                    gemaakt: deze worden in het persoonlijk opleidingsplan vastgelegd. Het is niet
                    mogelijk om over de geldigheidsduur van dit artikel heen te sparen. Sparen omdat
                    er niet over gesproken is en er dus geen afspraken zijn gemaakt wordt door de
                    LOGA partijen als ongewenst gezien.</al><tussenkop>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en van
                    de ontwikkeling van de kennis en vaardigheden van de medewerker. In (een
                    aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan worden tevens de afspraken
                    rondom het individueel loopbaanbudget vastgelegd. Vorm en inhoud zijn in
                    beginsel vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan uit een korte
                    feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een meer uitgebreide
                    afspraak over - door beide partijen - te ondernemen ontwikkelingsactiviteiten in
                    brede zin. Ook kan het accent liggen op activiteiten die alleen de medewerker
                    zal ondernemen of op inspanningen die beide partijen zich zullen getroosten. Ook
                    de mate waarin het initiatief voor het doen van voorstellen voor de inhoud van
                    het persoonlijk ontwikkelingsplan bij de medewerker dan wel bij de
                    leidinggevende ligt, kan van geval tot geval uiteenlopen. Essentieel is dat het
                    persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk wordt vastgesteld door leidinggevende
                    en medewerker. Bij ontbreken van overeenstemming is uiteindelijk de beslissing
                    van de leidinggevende namens de werkgever een voor beroep vatbaar besluit. Bij
                    dit laatste dient bedacht te worden dat het in het algemeen niet of nauwelijks
                    denkbaar is, dat de werkgever meer aan opleidingsinspanningen van de medewerker
                    kan eisen dan waartoe deze bereid is, afgezien van de opleidingen die krachtens
                    artikel 15:1:26 in het kader van een goede functie-uitoefening noodzakelijk zijn
                    te achten. Een besluit dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen in de
                    omgekeerde situatie kunnen voorkomen: de medewerker wil meer dan de werkgever
                    wil of kan toestaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                    worden vastgesteld. De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen
                    in onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een bepaalde periode
                    geen reden is voor bijzondere inspanningen of afspraken. Het is in de praktijk
                    ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een gesprek plaatsvindt
                    tussen leidinggevende en medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de
                    ontwikkeling van kennis en vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De
                    voortgang van de eerdere afspraken kan aan de orde komen. Het vastleggen van de
                    afspraken in een dergelijk gesprek kan worden gezien als een nieuw persoonlijk
                    ontwikkelingsplan. Het ligt in de rede dat deze gesprekken in het kader van het
                    functioneringsgesprek en/of beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk
                    is dat niet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                    gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het gemeentelijk
                    opleidingsplan. De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te
                    stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het hier niet
                    gaar om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De individuele medewerker
                    heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij kan er ook niet
                    direct rechten aan ontlenen of tegen in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er
                    om vragen en heeft conform de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht met
                    het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele gemeente tegelijk worden
                    vastgesteld, maar uiteraard is het ook mogelijk, en in veel situaties zelfs meer
                    voor de handliggend, dat het per sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld.
                    Ook de frequentie waarmee het wordt vastgesteld kan verschillen. Behalve
                    inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen waarmee het beoogde
                    profiel van de organisatie als geheel of het betrokken onderdeel kan worden
                    bereikt, kan het opleidingsplan ook budgettaire en organisatorische
                    randvoorwaarden bevatten. Ook kan in het opleidingsplan worden geformuleerd of
                    en zo ja tot welke grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in
                    het kader van goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee te werken
                    aan opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers
                    dienen en maar ten dele het directe dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                    ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan worden
                    volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan er wellicht wel
                    enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                    rechten van medewerkers. Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil
                    gemaakt tussen een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke
                    afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                    werkgever verleend. Verlof met behoud van bezoldiging, maar ook andere vormen
                    van medewerking door de werkgever worden vastgelegd. Te denken valt aan
                    afspraken over de inroostering van werktijden, inzet op een bepaald project dat
                    directe relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen
                    van technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd hoeveel verlof
                    noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen dienen te bepalen wat
                    het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te houden. Uiteraard mag er een
                    beroep op de betrokken medewerker worden gedaan om ook eigen tijd in de
                    ontwikkeling van zijn loopbaan te investeren, maar andersom is het redelijk dat
                    de werkgever rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en de zwaarte van
                    de studie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de concrete
                    keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden gevolgd, de
                    voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden uitgevoerd, wat
                    de consequenties zijn van tussentijdse complicaties zoals voortijdige
                    beëindiging of onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja
                    welke afspraken er over eventuele terugbetaling van de vergoeding worden
                    vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan daarbij worden betrokken
                    wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire belang de kosten zijn gemaakt
                    en wat de reden en termijn is van het ontslag. Aard en omvang van de te maken
                    kosten worden in redelijkheid vastgesteld. Doorgaans zal de kostenkwestie al bij
                    de keuze van de opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om de kosten
                    van de opleiding zelf, de kosten van studiemateriaal en de kosten van reizen en
                    eventueel verblijf. Voor de verdere activiteiten die worden afgesproken is
                    moeilijk eenduidig een indicatie te geven van de relevante kosten.</al><tussenkop>Artikel 17:7 Flankerend beleid (T) </tussenkop><al>Hierbij kan worden gedacht aan reis- en verhuiskosten, suppletie van salaris bij
                    aanvaarden van een lager betaalde functie, voorziening voor pensioenlacunes,
                    stimuleringspremie bij vrijwillig ontslag etc. </al><tussenkop>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit artikel zijn de verschillende begrippen gedefinieerd. Bij de definitie
                    van het begrip ‘eigen huishouding voeren’ is de eis opgenomen dat het gaat om
                    het zelfstandig bewonen van woonruimte. Iemand die bij zijn ouders inwoont komt
                    dus niet in aanmerking voor een volledige verhuiskostenvergoeding.</al><al>De drie inkomsten die bij punt f onder 1 tot en met 3 vermeld worden, worden
                    slechts meegenomen bij de berekeningsbasis voorzover zij naast de bezoldiging
                    worden genoten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 18
                    niet van toepassing is op de oproepkracht.</al><al>Klik hier voor de Verplaatsingskostenregeling 1989</al><tussenkop>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten voor
                    ambtenaren die in verband met een verplaatsing of indiensttreding moeten
                    verhuizen. Zie ook de toelichting bij artikel 15:1:17.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de hoogte is van
                    de terugbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                    tegemoetkoming in de verhuiskosten als een werknemer die vanwege dienstbelang
                    dient te verhuizen naar een huur- of koopwoning. Zie artikel 15:1:18.</al><tussenkop>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden vergoed; dit is
                    expliciet geregeld. Het inpakken van andere goederen door de transporteur dient
                    door de betrokkene zelf te worden betaald.</al><al>De bedragen voor transportkosten en dubbele woonkosten worden vastgesteld op
                    basis van de werkelijk gemaakte kosten. Het maakt niet uit of de dubbele
                    woonkosten betrekking hebben op huishuur, hypotheeklasten of beide.</al><al>Het bedrag voor de andere kosten (onderdeel C) beoogt niet kostendekkend te
                    zijn.</al><al>De Belastingdienst hanteert maxima voor de bedragen die fiscaal onbelast kunnen
                    worden toegekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend, woonruimte
                    bewoont met eigen inboedel en stoffering komt in aanmerking voor de vergoeding.
                    Het is aan te nemen dat een kamerbewoner lagere verhuiskosten maakt dan iemand
                    die een groot huis achterlaat. Daarom is er een differentiatie naar het aantal
                    achter te laten kamers. Dit voorkomt dat de gemeente gaat meebetalen aan de
                    inrichting van een groter huis. De differentiatie naar bezoldiging is gebaseerd
                    op de gedachte dat er tussen de waarde van de inboedel en het inkomen een zekere
                    relatie bestaat.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken, wordt voor beide
                    personen de berekeningsbasis vastgesteld. De tegemoetkoming wordt vervolgens
                    toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis. Voor deeltijders wordt de
                    berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking
                    (tenzij die deeltijder tevens een andere betrekking heeft die eveneens aanspraak
                    geeft op een vergoeding).</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding voerde, en dus een
                    nieuwe inrichting moet kopen, zich op kosten van de gemeente gaat inrichten, is
                    geregeld dat hij niet voor een vergoeding in aanmerking komt. In bijzondere
                    omstandigheden kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de
                    situatie dat een werknemer tijdelijk elders wordt geplaatst en dus tijdelijk
                    andere woonruimte moet betrekken.</al><tussenkop>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in aanmerking voor
                    een tegemoetkoming in de reiskosten.</al><al>Omdat de reiskosten voor verhuisplichtigen relatief hoog kunnen zijn, is het van
                    belang om in het oog te houden of er wel voldoende inspanningen worden verricht
                    om aan de verhuisverplichting te voldoen. De tegemoetkoming in de reis- en
                    pensionkosten komt automatisch te vervallen als de werknemer niet binnen twee
                    jaar na het ontstaan van de verhuisverplichting is verhuisd (zie art. 18:1:4).
                    De verplichting om te verhuizen blijft overigens wel bestaan.</al><tussenkop>Artikel 18:1:7 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                    woon-werkverkeer (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                    tewerkstelling door het bevoegde gezag is aangewezen als een plaats van
                    tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken of wiens plaats van
                    tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar vervoer is te
                    bereiken. Ondanks het feit dat de betrokkene niet de verplichting is opgelegd om
                    in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, heeft de betrokkene toch op
                    grond van de rechtspositieregeling recht op een kilometervergoeding voor
                    woon-werkverkeer. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het bevoegde
                    gezag en geldt voor de gehele duur van de dienstbetrekking.</al><tussenkop>Artikel 18:1:9 Pensionkosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is niet zonder
                    meer te zeggen; dit zal regionaal en per seizoen kunnen verschillen.</al><tussenkop>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene wel genoeg
                    inspanningen verricht om snel te verhuizen (opdat onnodige kosten worden
                    voorkomen).</al><tussenkop>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te hanteren: bij
                    overschrijding van de termijnen zal het namelijk niet altijd meer mogelijk zijn
                    de aanvraag respectievelijk de bedragen te toetsen. Vanzelfsprekend dient de
                    werknemer over deze termijnen te worden geïnformeerd. Het niet voldoen aan de
                    voorwaarden leidt tot het vervallen van de aanspraken op vergoeding.</al><tussenkop>Artikel 18:1:13 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van uitzondering van
                    de gestelde regels af te wijken, zowel in individuele gevallen als voor groepen
                    van personen. Bijvoorbeeld bij ingrijpende reorganisaties en daarmee gepaard
                    gaande verplaatsingen kan op grond van dit artikel een aanvullend sociaal beleid
                    gevoerd worden.</al><tussenkop>Artikel 19:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet het
                    college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een rechtspositieregeling
                    voor hen vaststellen. De rechtspositie van de vrijwilligers bij de brandweer
                    wordt in dit hoofdstuk geregeld. De overige hoofdstukken van de CAR/UWO zijn
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties (T)</tussenkop><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag van een
                    gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in
                    aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt
                    gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling. </al><tussenkop>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</tussenkop><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een
                    tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen of
                    de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst. Een
                    aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in
                    opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van te
                    voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling. Een
                    eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee jaren.
                    Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger in
                    aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan
                    eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er
                    ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger;
                    bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is het
                    mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke aanstelling te
                    verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke proefaanstelling is drie jaar
                    en er kunnen maximaal twee tijdelijke aanstellingen verleend worden. </al><tussenkop>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger. Een
                    belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig
                    onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar behoren
                    te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij aangesteld kan
                    worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek
                    gekeurd.</al><tussenkop>Artikel 19:7a Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 19:9 Bevordering (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende
                    rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de
                    vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens niet
                    zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover beslist
                    het college. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale aanstellings- en
                    bevorderingsbesluiten.</al><tussenkop>Artikel 19:10 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever (T)</tussenkop><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger goed
                    inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking hieraan
                    verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder werktijd
                    werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel de gemeente
                    als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden rekening te houden
                    met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk
                    meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet. </al><al>De vrijwilliger moet de gemeente informatie geven over zijn hoofdwerkgever die
                    er, onder meer, toe strekt dat de gemeente in contact kan komen met de
                    hoofdwerkgever. De vrijwilliger heeft daarnaast de plicht om zijn hoofdwerkgever
                    te informeren over een aantal praktische zaken die bij het vrijwilligerschap
                    horen. </al><tussenkop>Artikel 19:13 Vergoeding (T)</tussenkop><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                    vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte categorie
                    vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de
                    zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die
                    vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                    brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de
                    Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                    punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten
                    van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                    overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december
                    1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde
                    dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu
                    nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                    opbouwen bij het ABP. </al><al>Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen
                    ABP-deelnemer. Voor hen is deze aparte vergoedingentabel niet van belang, maar
                    geldt de reguliere vergoedingentabel.</al><tussenkop>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                    werkzaamheden (T)</tussenkop><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen in
                    een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte van de
                    vergoeding verschilt per functie en per activiteit.</al><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                    hulpverlening (T) </tussenkop><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</tussenkop><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die een
                    groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de
                    vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan
                    dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak meerdere
                    dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de langdurigheidstoeslag
                    komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom twee, de vergoeding voor
                    oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden.</al><al>De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer hij
                    vijf uur of langer ingezet wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van de
                    inzet; duurt de inzet bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger over
                    alle zes uren de vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt
                    alleen verstrekt over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus
                    gevolgd wordt; de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van
                    de vijf uren en over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor
                    kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met kazerneringsdiensten voor
                    vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van artikel 19:19 lokaal een
                    vergoedingsregeling vastgesteld worden. </al><tussenkop>Artikel 19:18 Consignatievergoeding (T)</tussenkop><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten de
                    kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.</al><tussenkop>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst (T)</tussenkop><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij de
                    brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal worden naar
                    de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van
                    brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek
                    treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de rechtspositie van de
                    vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te treffen over vergoeding
                    van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke aard.</al><tussenkop>Artikel 19:22 Gratificatie (T)</tussenkop><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een
                    regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op
                    vrijwilligers bij de brandweer. </al><al>De lokale regeling over gratificaties en andere vormen van flexibele beloning is
                    niet van toepassing op de vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</tussenkop><al>Artikel 4a:3 van de CAR/UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen
                    met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente een dergelijke
                    regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van maken. Of de
                    vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt van individuele
                    factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de fiscus stelt aan
                    gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze regelingen voor
                    vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik
                    van kan maken.</al><al>De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien van deelname
                    zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt de lokale regeling
                    ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van gebruikmaking van fiscaal
                    gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere aanspraken niet van toepassing op
                    de vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in de mogelijkheid om de
                    vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale randvoorwaarden
                    gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.</al><tussenkop>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering (T)</tussenkop><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de vrijwilliger af te
                    sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële uitkering wanneer de
                    vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt raakt als
                    gevolg van een ongeval tijdens de brandweerdienst. Een goede
                    informatievoorziening over de inhoud van de verzekering is van groot belang;
                    daarom heeft de werkgever de plicht om de vrijwilliger bij indiensttreding te
                    informeren en relevante wijzigingen te melden.</al><tussenkop>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten (T)</tussenkop><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed worden door
                    de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor rekening blijven van
                    de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt hiervoor een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</tussenkop><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die zelfstandig
                    ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in loondienst. De
                    vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn hoofdbetrekking immers recht op
                    loondoorbetaling gedurende twee jaar. Voor de zelfstandig ondernemer is dit
                    afhankelijk van de verzekering die hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid heeft
                    afgesloten. Om die reden geven LOGA-partijen gemeenten het advies om een
                    aanvullende verzekering af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is echter
                    niet verplicht.</al><tussenkop>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting (T)</tussenkop><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit in
                    onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt zich tot de
                    schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de
                    vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de
                    vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van het college om bij een
                    dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de hoogte van
                    de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale slijtage. Het
                    is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door
                    standaard de schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.</al><tussenkop>Artikel 19:29 Zwangerschap(T)</tussenkop><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig en
                    gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels vastgelegd in
                    wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. De eisen die
                    aan de werkgever gesteld worden, in combinatie met de aard van het brandweerwerk
                    zijn van dien aard dat ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die
                    borstvoeding geven uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook
                    voor vrouwen die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan
                    brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest
                    met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te
                    kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg
                    mogelijk stadium haar zwangerschap meldt.</al><tussenkop>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</tussenkop><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel korpsen
                    werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met consignatie- of
                    kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is het van belang dat
                    de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de brandweerdienst en dat de
                    korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie niet beschikbaar is. </al><tussenkop>Artikel 19:31 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op grond
                    van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire maatregel op
                    te leggen wegens plichtsverzuim.</al><tussenkop>Artikel 19:32 Eed of belofte (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de
                    middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al><tussenkop>Artikel 19:33 Verboden (T)</tussenkop><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot een
                    disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de gemeente kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een brandweervoertuig voor een
                    privéverhuizing. </al><tussenkop>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer het
                    college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder
                    toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van
                    eventuele schade het college niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan.</al><al>Het al dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de
                    aansprakelijkheid van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het
                    Burgerlijk Wetboek. Dit artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor
                    schade die aan een derde wordt toegebracht door één van de werknemers.</al><tussenkop>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                    beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn
                    te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen
                    rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste lid,
                    Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de
                    dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze
                    Minister is voorgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de
                    vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele
                    vergoeding.</al><tussenkop>Algemeen (T)</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring
                    voor repressief brandweerpersoneel geregeld. </al><tussenkop>Artikel 19a:1 Algemeen (T)</tussenkop><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische
                    geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de
                    medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden, wordt
                    de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een aanstellingskeuring en
                    een periodiek medische keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers
                    (beroeps en vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder
                    zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Het college heeft de
                    mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en
                    periodieke medische keuring wordt verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn
                    dat het uitoefenen van de functie belastend is voor de gezondheid van de
                    medewerker, danwel risico’s voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet
                    op de medische keuringen in acht te worden genomen. </al><tussenkop>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring (T)</tussenkop><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van manschap A en
                    B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de brandweer
                    waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische geschiktheid worden
                    gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal
                    kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook gekeurd moet worden. </al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen. Deze
                    staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de functie,
                    waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de
                    medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de
                    functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene
                    die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid. </al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van de CAR.
                    Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel instituut
                    ontwikkeld.</al><tussenkop>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de brandweermedewerker
                    en vanwege de bescherming van de gezondheid en veiligheid van derden bij de
                    uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om de medische geschiktheid van de
                    medewerker ook na aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld
                    over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een
                    oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van
                    zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van
                    de medewerker in de nabije toekomst. Het LOGA heeft een model gemaakt over het
                    rechtspositioneel kader bij de keuringen. Hierin staan de rechten en plichten
                    van de werkgever en de medewerker bij de keuring. Dit model is onder meer te
                    vinden op vng.nl.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in samenwerking
                    met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het PPMO geeft
                    inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te
                    schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische
                    geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van
                    de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het werk van
                    de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker nu of op termijn zijn
                    werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan ondernemen de werkgever en de
                    medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is de medewerker klaar te stomen voor
                    een andere functie. Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken
                    over hoe omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er genomen
                    kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011
                    gereed. </al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker. Bij
                    indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt iedere
                    medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers
                    tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden
                    ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit
                    brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische testen. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling van
                    welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden vastgesteld in
                    hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.</al><tussenkop>Artikel 19a:4 Fysieke test (T)</tussenkop><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de
                    fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie daarom
                    getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor gebruikt worden. </al><tussenkop>Hoofdstuk 19b</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor de gemeente Venray.</al><tussenkop>Hoofdstuk 20 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                    levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt
                    onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld
                    aan een echtgeno(o)t(e). </al><al>Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen
                            met betrekking tot</al><lijst><li nr="a"><al>aanspraken op bezoldiging tijdens militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>het verlof met behoud van bezoldiging wegens persoonlijke of
                                    familieomstandigheden;</al></li><li nr="c"><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                    toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid
                                    wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                            reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt
                    bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon
                    verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><tussenkop>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>